Agendabundel
Tekst van het document
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie gemeente Zevenaar 2030 Op 20 februari 2013 heeft de gemeenteraad van Zevenaar de structuurvisie ‘Samen kijken naar de toekomst 2012-2030’ vastgesteld. In de structuurvisie wordt ingezet op een vijftal hoofdopgaven: versterken van de identiteit van Zevenaar met aandacht voor de diversiteit in landschappen, kernen en functies; voldoende plek voor stedelijke ontwikkelingen tot 2030; behoud van kwalitatief goede woon- en werkgebieden en goede voorzieningen; tegengaan van versnippering van de leefomgeving incl. het leefbaar houden van de kernen; nadrukkelijker inzetten op een duurzame ontwikkeling. In de structuurvisie wordt specifiek ingegaan op de visie voor de kernen van de gemeente Zevenaar. Wat betreft wonen wordt gesteld dat het woningbouwprogramma moet worden afgestemd op de behoefte van Giesbeek en het gemeentelijk woningbouwprogramma. Nieuwbouw dient een impuls te geven aan de kwaliteit, waarbij behoud en versterking van de identiteit van Giesbeek van belang is. Toetsing Met dit plan doet zich de kans voor om in een onbruik geraakt agrarisch bedrijfsperceel in te wisselen voor een landschappelijk ingericht woonerf met twee nieuwe woningen. Zo wordt verloedering voorkomen en een bijdrage geleverd aan de verbetering van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
Daarbij wordt aangesloten op de kwaliteiten en kenmerken van het omliggende landschap en de gemeentelijke wens om ter plaatse van voormalige agrarische bebouwing nieuwe functies te realiseren. Daarmee sluit onderhavig plan aan bij het gestelde in de Structuurvisie.
13
3.3.2
Woonvisie Gemeente Zevenaar 2015-2025 Om ervoor te zorgen dat Zevenaar een prettige woongemeente blijft heeft de gemeente kritisch gekeken naar de vraag naar nieuwe woningen, de kwaliteit van de bestaande wijken en de demografische ontwikkeling in de gemeente. Hiertoe is de woonvisie opgesteld ter bepaling van de koers richting 2025. De visie richt zich op drie opgaven: Het aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad; Het verbeteren van de positie van doelgroepen met een kwetsbare positie; Bewaken dat de woningbouw aansluit bij de behoefte: om de potentiële groei maximaal op te vangen én tegelijkertijd het voorkomen van overaanbod. Woondeal Op 4 maart 2020 is de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen ondertekend. Aanleiding hiervoor zijn de toenemende woningtekorten en de complexiteit van de stedelijke vraagstukken. De woondeal is een pakket met afspraken met het ministerie van BZK, de regio Arnhem-Nijmegen en de provincie Gelderland. Doel van deze woondeal is om tot een gezamenlijke inzet van instrumentarium en middelen te komen om opgaven op de woningmarkt op te pakken. De woondeal bevat een zestal kernafspraken, waar onder woningbouwopgave en versnelling en betaalbaarheid.
Voor het laatste punt is afgesproken om 50% van de “zachte” plancapaciteit te realiseren in het betaalbare segment (sociale- en middeldure huur en betaalbare koop tot de NHG-grens, conform landelijke definities). Sub regionale woonagenda. In 2020 is de subregionale woonagenda geactualiseerd. De uitgangspunten uit de Liemerse Woonagenda zijn nog steeds relevant, al zien we op een aantal punten een accentverschuiving. Zo kijken wij nu vooral naar de kwaliteiten van het plan en naar de toegevoegde waarden van het plan op lokale en/of (sub)regionale behoefte en zijn we afgestapt van harde afspraken over het aantal te bouwen woningen. Bovendien hebben we de afgelopen jaren gewerkt aan een beter inzicht in vraag en aanbod in de Liemers. Op basis van het regionale woningmarktonderzoek 2019 Arnhem- Nijmegen zijn de belangrijkste opgaven: Voorkomen dat het woningtekort verder oploopt inde Liemers Ruimte voor nieuwe woningbouwlocaties Behoefte aan betaalbaar wonen. Door de accentverschuiving zijn de uitgangspunten herijkt en zijn er zes punten geformuleerd in plaats van zeven. Parallel aan de Liemerse Woonagenda werken we in de Regio Arnhem Nijmegen ook samen aan de Woondeal. Die zal ons op een aantal punten helpen bij het uitvoeren van de opgaven en uitgangspunten die we in de Liemerse Woonagenda hebben geformuleerd.
De toevoeging van woningen (en uitbreiding van de woningvoorraad) is noodzakelijk om de woningvraag als gevolg van de toename van het aantal huishoudens te kunnen faciliteren. Ten opzichte van 2017 ligt het accent nu sterk op de oplopende woningtekorten en de betaalbaarheid van woningen voor middeninkomensgroepen. Volgens het woningbehoefteonderzoek zou tot 2025 bijna de helft van het woningbouwprogramma moeten bestaan uit betaalbare koopwoningen Voor de middeldure huur hanteren we € 850 als bovengrens:. Daarnaast geeft het onderzoek aan dat er vanuit de middeninkomens ook behoefte is aan vrije sector huurwoningen in de middenhuur. (voetnoot: Bij de bouw van betaalbare
14
koopwoningen hanteren we € 250.000 als bovengrens (lager dan de grens in de Woondeal, waar de NHG-grens wordt hanteert). Toetsing In de Woonvisie wordt gesteld dat de gemeente zich blijft inzetten om jongere leeftijdsgroepen en hogere inkomensgroepen aan te trekken. Dat is goed voor de lokale economie en noodzakelijk om voldoende draagvlak te behouden voor de voorzieningen. Deze voorzieningen zijn belangrijk voor een prettige woonomgeving en om de leefbaarheid op peil te houden. De nieuwe vrijstaande woningen in dit plan zijn uitermate geschikt voor hogere inkomensgroepen. Zo wordt met dit plan een bijdrage geleverd aan het realiseren van de woonambities van de gemeente Zevenaar. Conclusie Voorliggend project is in lijn met het gestelde in het gemeentelijk beleid.
15
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Onderhavig plan betreft de herontwikkeling van een voormalig agrarische bedrijf, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning en twee nieuwe woningen worden gerealiseerd. Als gevolg van deze herontwikkeling zal het areaal aan bebouwing afnemen, waarmee niet tot nauwelijks milieueffecten te verwachten zijn. Dit maakt dat, gelet op de aard (wonen) en omvang (twee nieuwe woningen), gesteld wordt dat er geen sprake is van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r.. Conclusie Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.
4.2
Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek en 1 asbestonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat: In de bodem ter plaatse van de voormalige groentekwekerij/fruitbomenkwekerij geen zintuiglijke afwijkende waarnemingen zijn gedaan. Ter plaatse van de voormalige groentekwekerij/(fruit)bomenkwekerij analytisch, in zowel bovengrondmengmonster MMT1 als in MMT2, een licht verhoogd gehalte aan Drins (som) is aangetroffen boven de achtergrondwaarde. De overige parameters behorende bij organochloorbestrijdingsmiddelen zijn niet verhoogd aangetroffen. In het grondwater een licht verhoogd gehalte aan xylenen (som), naftaleen en barium boven de streefwaarde is aangetroffen. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aan OCB’s aangetroffen.
1
De Klinker B.V. (2021). Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek volgens NEN 5740 en NEN 5707. Sleeg 23 Babberich. Rapportnummer: K21008621. 2 november 2021. 16
Ter plaatse van de voormalige bestrijdingsmiddelenkast zowel in de bovengrond als in het grondwater geen OCB’s zijn aangetroffen. Ter plaatse van de voormalige ondergrondse HBO tank in de ondergrond geen oliecomponenten zijn aangetroffen. In het grondwater ter plaatse van de voormalige ondergrondse HBO tank een licht verhoogd gehalte aan xylenen (som) is aangetroffen boven de streefwaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetroffen. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieselolie tank in de bovengrond geen oliecomponenten zijn aangetroffen. In het grondwater ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieselolie tank licht verhoogde gehalten aan xylenen (som) en naftaleen zijn aangetroffen boven de streefwaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetroffen. In de grond ter plaatse van druppelzone 1 visueel en analytisch asbest is aangetroffen. In de fijne fractie is een gehalte bepaald van 61 mg/kg. In G3 is een gewogen gehalte bepaald van 602 mg/kg. Hiermee wordt de interventiewaarde overschreden. In de grond ter plaatse van druppelzone 2 visueel en analytisch (<0,4 mg/kg d.s.) geen asbest is aangetroffen. In de bovengrond van het overige terrein licht verhoogde gehalten aan cadmium en PAK (10 van VROM) zijn aangetroffen boven de achtergrondwaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetroffen.
In de ondergrond van het overige terrein licht verhoogde gehalten aan kobalt, molybdeen en nikkel zijn aangetroffen boven de achtergrondwaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetroffen. In het grondwater licht verhoogde gehalten aan xylenen (som), naftaleen en barium boven de streefwaarde zijn aangetroffen Op basis van deze resultaten geldt dat ter plaatse van druppelzone 1 bij één asbestgat sprake is van een sterke verontreiniging die middels een bodemsanering moet worden verwijderd. Bij de andere twee asbestgaten binnen deze druppelzone is formeel nog sprake van een resultaat dat aanleiding geeft voor nader onderzoek. Omdat ter plaatse al een sanering nodig is, is gekozen om de volledige druppelzone te sane2 ren. In een risicobeoordeling Conclusie Met inachtneming van het uitvoeren van de benodigde sanering voorafgaand aan de bouwen van de bouwen vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.3
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbe-
2
De Klinker B.V. (2022). Memo Sleeg 23 Babberich. Risico beoordeling asbestverontreiniging. Rapportnummer: K21008621. 17 januari 2022. 17
lasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing In onderhavige situatie is sprake van de toevoeging van twee nieuwe geluidsgevoelige functies (woningen) in de akoestische aandachtszone van de gezoneerde weg de Sleeg en de gezoneerde spoorlijn Arnhem-Zevenaar. Daarom is een akoestisch on3 derzoek (spoor)wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van de Sleeg en de spoorlijn op het plangebied. Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelasting van de Sleeg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt. De geluidbelasting vanwege de gezoneerde spoorlijn Arnhem-Zevenaar bedraagt maximaal 57 dB. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar lager dan de maximaal te ontheffen geluidsbelasting. Hierdoor dienen voor het plan hogere grenswaarden te worden aangevraagd. Deze dienen voor de vaststelling van het plan verkregen zijn. Onderstaande tabel geeft de benodigde hogere grenswaarden aan. Woningen Oostelijk bouwvlak Westelijk bouwvlak
Hogere waarde 57 dB 57 dB
Vanwege Railverkeerslawaai, Spoorlijn Arnhem-Zevenaar Railverkeerslawaai, Spoorlijn Arnhem-Zevenaar
Burgemeester en wethouders hebben besloten, gelet op artikel 110a van de Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder (Bgh), hogere waarden dan de voorkeursgrenswaarde vast te stellen ten behoeve van de bouw van twee vrijstaande wo4 ningen. Het besluit hogere grenswaarden is bijgevoegd in de bijlagen. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.
3
SAB (2022). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Sleeg 23, Babberich. Projectnummer: 210376. 20 mei 2022.
4
Gemeente Zevenaar. Besluit hogere grenswaarde. Z/22/418561 18
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit.
Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.
Toetsing Dit plan voorziet in de realisatie van maximaal 2 nieuwe woningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
19
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Met onderhavig plan worden nieuwe gevoelige functies (woningen) mogelijk gemaakt. Lintbebouwing in het buitengebied wordt volgens de VNG-publicatie gezien als een ‘gemengd gebied’, hetgeen betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap verlaagd kunnen worden (met uitzondering van het aspect ‘gevaar’). Wanneer de veehouderijen (zie navolgende paragraaf geur) buiten beschouwing worden gelaten, is het dichtstbijzijnde bedrijf een houtzagerij op het adres Kloosterpad 19. Volgens de VNG-brochure, is dit soort activiteit als milieu-categorie 3.2 aangeduid. In een gemengd gebied houdt dat een maximale richtastand van 50 meter in. De beoogde ontwikkeling ligt op ongeveer 330 meter van het bedrijf. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het bedrijfsperceel wordt voldaan een de richtafstanden is een nadere beschouwing niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
20
4.6
Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing In voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten in het buitengebied opgericht. Om aan te kunnen tonen of voor de te realiseren woningen een acceptabel 5 woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden is een geuronderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat: de achtergrondbelasting afkomstig van de voor het bepalen van de geurbelasting 3 relevante veehouderijen rondom de geplande woningen afgerond 2,7ou/m is. het percentage geurgehinderden veroorzaakt door de achtergrondbelasting op de planlocatie circa 5% is. Het woon- en leefklimaat in deze omstandigheden is als ‘zeer goed’ tot ‘goed’ aan te merken.
de voorgrondbelasting afkomstig van de omliggende veehouderijen voldoet aan de 3 maximale voorgrondbelasting van 14,0 ou/m waardoor deze bedrijven nog uitbreidingsmogelijkheden hebben. De uitbreidingsmogelijkheden worden niet onevenredig beperkt door de bouw van de beoogde woningen. binnen een afstand van 100 meter van de planlocatie zijn geen veehouderijen gelegen met uitsluitend diercategorieën waarvoor minimale afstanden gelden. Op basis van deze onderzoeksresultaten wordt voldaan aan de vereisten uit de Wgv. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.7
Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risico5
Witjes Milieuadvies (2021). Geurberekening Sleeg 23, Babberich. Rapportnummer: 21952. 20 oktober 2021. 21
normen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren -6 rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten. Raadpleging van de provinciale risicokaart wijst uit dat direct rondom het plangebied 10 risicobronnen aanwezig zijn. De risicobronnen worden in de navolgende figuur weergegeven.
22
Potentiële risicobronnen nabij de ontwikkellocatie (Bron: risicokaart.nl)
[1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10]
Spoortraject, Zevenaar – Emmerich (D), spoorvak 202AC.2 Risicovolle inrichting, Gasontvangststation N-257 Buisleiding, N-566-11 Buisleiding, N-567-20 Risicovolle inrichting, Ter Heerdt Holding B.V. Risicovolle inrichting, Gasontvangststation N-247 Buisleiding, N-567-28 Buisleiding, A-512 Wegtraject, Rijksweg A12: Knp. Velperbroek – Knp. Oud-Dijk, wegvak G12 Buisleiding, N-566-10 6
In een onderzoek externe veiligheid is de relatie tussen de beoogde ontwikkeling en de risicobronnen nader beschouwd. Hieruit blijkt dat de ontwikkellocatie zich niet bevindt binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en watertrajecten. Wel blijkt uit het onderzoek dat het spoortraject Zevenaar – Emmerich mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor het plangebied en een groepsrisicoberekening noodzakelijk is. Verder bevindt de ontwikkellocatie zich binnen het risicogebied van de snelweg A12. Echter valt het buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone). Derhalve kan hierbij worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze wordt, samen met de vervolgstappen omtrent het spoortraject, hieronder verklaard. Uit berekening van het spoortraject 202: Zevenaar – Emmerich (D) blijkt dat het groepsrisico minder is dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Derhalve kan, net zoals bij de snelweg, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisi-
6
SAB (2022). Onderzoek externe veiligheid, Sleeg 23 te Babberich. Projectnummer: 210376. 29 maart 2022. 23
co. Wel zal de Veiligheidsregio in de gelegenheid moeten worden gesteld om advies uit te brengen ten aanzien van de aspecten rampbestrijding en zelfredzaamheid. Beperkte verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van twee externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over een snelweg en spoorlijn. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 23 maart 2022 (kenmerk: 2022-000796). Onderstaande de verantwoording groepsrisico. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron.
De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De VGGM ziet ook geen reden om nader te adviseren in het kader van bestrijdbaarheid. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het advies van Veiligheids en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan: Het plan ligt alleen binnen de effectafstand van het scenario toxische wolk. De kans op een dergelijk incident is echter klein. Het plan zorgt voor een geringe toename van het aantal personen in het effectgebied. Het is aannemelijk dat zij zichzelf, mits tijdig geïnformeerd en gewaarschuwd, binnenhuis in veiligheid kunnen brengen; VGGM adviseert toekomstige bewoners te infomeren over de aanwezige risico’s in hun leefomgeving en het aan te reiken handelingsperspectief. Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan via de Sleeg te ontvluchten.
De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant
24
Conclusie -6 Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10 van de transportroutes met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van deze risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de snelweg A12 en de Betuweroute. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief niet of nauwelijks tot een toename van het groepsrisico leidt en geen significant effect heeft op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. De VGGM adviseert aanvullend risicocommunicatie. Dit is echter niet ruimtelijk relevant.
4.8
Water Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.
Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te
25
houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening.
Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en 3 industrie, groter dan 150.000 m /jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterschapbeleid – Waterbeheerplan 2016-2021 waterschap Rijn en IJssel Dit waterbeheerplan is vastgesteld in november 2015 en vervangt het Waterbeheerplan 2010-2015.
In dit waterbeheerplan beschrijft het waterschap Rijn en IJssel op welke wijze de volgende zaken in de periode 2016-2021 gedaan worden: het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem en het zorgen voor het zuiveren van afvalwater. Het waterbeheerplan zoekt verbinding met het werk van andere overheden: de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders.
26
Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Toetsing Om de waterhuishoudkundige gevolgen van het plan in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de watertoets. Voor de watertoets is de Standaard Waterparagraaf van het waterschap Rijn en IJssel aangewend. Deze waterparagraaf is onderdeel van, en hangt samen met, een set van standaarden zoals die door het waterschap gehanteerd wordt. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. Als op één of meer vragen per waterthema ‘ja’ wordt geantwoord dan is het waterthema relevant. Die waterthema’s worden toegelicht. Thema
Toetsvraag
Relevant
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of
Nee
HOOFDTHEMA’S Veiligheid
regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?
Nee
Riolering en Afvalwa-
1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?
Nee
terketen
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
Nee
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)
Nee
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?
Nee
2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
Nee
3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorla-
Nee Nee
tende lagen in de ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzo-
Nee
ne van de Rijn of IJssel? 3. Is in het plangebied sprake van kwel?
Nee
4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren?
Nee
27
Oppervlaktewaterkwaliteit
1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd?
Nee
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
Nee
3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied? Grondwaterkwaliteit
van een drinkwateronttrekking? Volksgezondheid
Nee
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone Nee
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel?
Nee
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Verdroging
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij be-
Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een
schermingszones voor natte natuur? natte EVZ?
Nee Nee Nee
2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur? Inrichting en beheer
Nee
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
Nee
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee
AANDACHTSTHEMA’S Recreatie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Cultuurhistorie
Nee
1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
*
Nee
als op één of meer vragen per waterthema Ja wordt geantwoord dan is het thema relevant en zal de toelichting bij het kopje 3 ingevuld en toegevoegd moeten worden in het bestemmingsplan.
Uit voorgaande toetsing van de watertoetstabel blijkt dat er met voorliggend plan geen waterbelangen zijn gemoeid. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Voor de ontwikkeling wordt geen water gedempt. Ook bevindt het plangebied zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of primaire waterkering. Als gevolg van de herontwikkeling zal sprake zijn van een afname van het verharding en het afvalwater. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
28
4.9
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing 7 SAB heeft met een quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied Rijntakken in de buurt van het plangebied ligt. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Rijntakken en Veluwe is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke 8 ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Daarom is een stikstofberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase.
Per 1 juli 2021 is de nieuwe Stikstofwet (Besluit stikstofreductie en natuurverbetering) in werking getreden met als gevolgd dat er een vrijstelling geldt voor activiteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. Hierdoor is er geen noodzaak meer om voor de sloop van de bedrijfsgebouwen en de bouw van de woningen de stikstofdepositie in beeld te brengen. De vrijstelling in de nieuwe Stikstofwet geldt niet voor de gebruiksfase. Voor de berekening in de gebruiksfase is van belang dat de verwarming van de te bouwen woningen plaatsvindt door middel van een gasloos systeem (warmtepomp - vloerverwarming). Er is dus geen rekening gehouden met emissies afkomstig van verwarmingsinstallaties. Voor het aantal vervoersbewegingen met personenauto’s in de gebruiksfase zijn de parkeernormen voor wonen gehanteerd zoals deze ook bij het opstellen van bestemmingsplannen worden toegepast. Dit resulteert in de volgende aantallen vervoersbewegingen: Woningtype
Aantal
Parkeernorm + aandeel bezoek
Aantal per jaar
Aantal vervoersbewegingen per jaar
Vrijstaande woningen buiten de bebouwde kom
2
2,4 + 0,3 = 2,7
1.971
3.942
Met deze invoergegevens zijn in de gebruiksfase geen rekenresultaten berekend die hoger zijn dan 0,00 mol per hectare per jaar op Natura 2000-gebieden. Er zijn dus geen negatieve effecten geconstateerd ten opzichte van Natura-2000 gebieden. De 7
SAB (2021). Quick scan natuur. Babberich, Sleeg 23. Projectnummer: 210376. 23 september 2021.
8
AERIUS-Calculator(2021). Rekenresultaten stikstof Sleeg 23. 6 oktober 2021. 29
bescherming van Natura-2000 gebieden staat de ontwikkeling dus niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en nabij het plangebied kunnen soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiele elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.
Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Wel wordt geadviseerd eventuele poelen op het braakliggend terrein tijdens de werkzaamheden snel te dempen om nieuwvestiging van de rugstreeppad te voorkomen. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Wanneer bovenstaande in acht wordt genomen, vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
30
Toetsing Bij een ruimtelijk plan moet, conform de Erfgoedwet, rekening worden gehouden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Ten behoeve van de offerte hebben wij het ter plaatse geldende bestemmingsplan geraadpleegd, waarin regels met betrekking tot eventuele archeologische waarden zijn opgenomen. Binnen het plangebied geldt de dubbelbestemming ’Waarde - Archeologie hoge verwachting’. Hieruit volgt dat onderzoek benodigd is bij bodemingrepen groter dan 200 2 m en dieper dan 0,5 m. Voor de beoogde ontwikkeling zullen de bodemingrepen de beschreven onderzoeksgrens overschrijden. Om die reden is archeologisch bureau9 en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat het plangebied in het archeologisch landschap 'Lage Rijnterrassen' ligt, in de landschapszone overstromingsvlakte. Het Pleistocene niveau, waarop gewoond kan zijn gedurende het Laat Paleolithicum ligt tussen 1,0 en 2,0 m mv. Deze afzettingen zijn afgedekt door een pakket komklei. Volgens een oude bodemkaart ligt de oostkant van het plangebied in een gebied waar de top ondieper dan 100 cm -mv ligt, mogelijk een rivierduin of dekzandrug. In 1722 is het plangebied nog onbebouwd en in gebruik als bouwland. De eerste bebouwing is aanwezig in het zuidoosten van het plangebied vanaf omstreeks 1733.
Deze is vermoedelijk gesloopt in e het begin van de 19 eeuw. Hiervoor komt een boerderij/woning voor in de plaats in het zuidwesten van het plangebied. De huidige bebouwing stamt uit 1967. Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het plangebied ter hoogte van de zone ‘oude woongrond op oever- en crevasseafzettingen’. Tijdens het booronderzoek zijn in het plangebied vijf boringen tot in de Pleistocene afzettingen gezet. De top van de Pleistocene afzettingen ligt tussen 160 en 200 cm -mv (1004 en 954 cm NAP). Hierop liggen een dun pakket moeraskalk en een 90 tot 120 cm dik pakket komafzettingen. Dekzand is niet aangetroffen. De bovenste 50 tot 65 e cm van de bodem is verstoord en bevat baksteen en modern aardewerk uit de 18 tot e en met 20 eeuw en fragmenten beton. Vermoedelijk is het plangebied tot en met de Vroege Middeleeuwen te nat geweest voor bewoning. De kans is daarom klein dat archeologische resten uit deze periode aanwezig zullen zijn. In het zuiden van het plangebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn gerelateerd aan bebouwing uit de e e 18 en 19 eeuw. Door de voorgenomen ontwikkeling kunnen in het zuidoosten van e het plangebied archeologische resten gerelateerd aan de 18 eeuwse bebouwing verstoord worden. Indien in deze zone graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden moet een proefsleuvenonderzoek uit worden gevoerd.
Deze gronden is in voorliggend bestemmingsplan voorzien van een archeologische dubbelbestemming zodat deze onderzoeksplicht ook juridisch-planologisch is gewaarborgd. Conclusie Met het opnemen van de archeologische dubbelbestemming zijn mogelijk aanwezige archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd en vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 9
Bureau voor Archeologie (2021). Sleeg 23, Babberich, gemeente Zevenaar: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase. ISSN: 2214-6687. 9 november 2021. 31
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is aangegeven waar cultuurhistorische waarden te vinden zijn. De gemeente Zevenaar heeft daarnaast ook een gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart laten opstellen. Ook hierop is te zien waar cultuurhistorische waarden te verwachten zijn. In of nabij het plangebied liggen geen monumenten of waardevolle cultuurhistorische structuren. Daarbij komt dat met de ontwikkeling wordt aangesloten bij de huidige stedenbouwkundige kenmerken. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.12
Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gege10 nereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied in het buitengebied ligt, wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘buitengebied’ aangehouden kunnen worden. De gemeente Zevenaar wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘matig stedelijk gebied’. Voor de ontwikkeling van 2 vrijstaande woningen volgt uit deze kerncijfers de volgende verkeersgeneratie: Vrijstaand (2) Minimaal
7,8 x 2 = 15,6
Maximaal
8,6 x 2 = 17,2
Gemiddeld gezien zullen gemiddeld circa 16,5 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. De verwachting is dat dit extra verkeer afgewikkeld kan worden op de Sleeg en dit niet zal leiden tot significante veranderingen in de verkeerssituatie. 10
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 32
Parkeren De gemeente Zevenaar heeft voor het aspect parkeren gemeentelijk beleid vastgesteld in de vorm van een Paraplubestemmingsplan Parkeren. Voor de te hanteren parkeernormen wordt aangesloten bij de parkeerkencijfers van Nationaal kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte (CROW: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317, oktober 2012). Volgens het paraplubestemmingsplan maakt het plangebied onderdeel uit van ‘buitengebied’. Voor de ontwikkeling van een vrijstaande koopwoning in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,4 per woning. In het plangebied is voldoende ruimte om deze parkeerbehoefte op eigen terrein te kunnen voorzien. In de regels van dit bestemmingsplan wordt de parkeernorm juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.13
Kabels en leidingen Er bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied.
33
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
34
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het be-
35
stemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Zevenaar Noord 2018’. Het plan bevat de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Wonen ' en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie hoge verwachting’ en ‘Waarde - Archeologie vastgesteld’. Agrarisch De noordzijde van het plangebied is bestemd als ‘Agrarisch’, zonder bouwvlak. Deze gronden zijn in het bijzonder bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, een tuinbouwbedrijf daar onder begrepen; een paardenhouderij, paardenstalling of paardenpension; de uitoefening van een agrarische hulpbedrijf; hobbymatig agrarisch grondgebruik en extensief recreatief medegebruik. In de bouwregels zijn uitsluitend mogelijkheden opgenomen om een aantal specifieke bouwwerken, geen gebouw zijnde onder voorwaarden op te richten. Onder meer siertuinen zijn ter plaatse niet toegestaan. Wonen - 1 Het woonerf is bestemd als ‘Wonen - 1’. Per bouwvlak is er één woning toegestaan. De woningen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd en voldoen aan de 3 maximum inhoudsmaat van 800 m , maximum goothoogte van 4 meter en maximum 2 bouwhoogte van 9 meter. Per woning is maximaal 150 m aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Onder meer woningsplitsing is niet toegestaan.
Verder zijn er onder andere gebruiksregels opgenomen voor een beroep en bedrijf aan huis en bed & breakfast. Waarde - Archeologie hoge verwachting/vastgesteld De dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie hoge verwachting’ en ‘Waarde - Archeologie vastgesteld’ zijn opgenomen ter bescherming van de mogelijke archeologische waarden binnen het plangebied. Op grond van deze dubbelbestemmingen geldt bij bepaalde bodemingrepen een vergunningenstelsel voor het bouwen en voor uitvoeren van een werk, geen gebouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
5.2.3
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de algemene bouwregels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.
36
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en welke zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofd2 gebouw met ten minste 1.000 m of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 2 m bedraagt; 2 de bouw van kassen met een oppervlakte van tenminste 1.000 m . Het voorliggende plan (incl. aanleg openbare ruimte) wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal.