CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

991653 Bijlage 1 TOE Bestemmingsplan Viaduct 7Poort

Raadsvergaderingen 2018-2022 24 maart 2021, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/20/365871 ‎Bestemmingsplan viaduct 7Poort10.201 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan

Viaduct 7Poort

Oktober 2020

Status: Ontwerp

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort

Plannaam:

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort

IMRO-code:

NL.IMRO.0299.BP55VIADUCT7PRT-ON01

Plantype:

Bestemmingsplan

Datum:

Oktober 2020

Status:

Ontwerp

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 4 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

AANLEIDING ............................................................................................................................................... 4 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ....................................................................................................................... 4 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ............................................................................................................. 4 GELDEND BESTEMMINGSPLAN ........................................................................................................................ 5 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 7

HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE ......................................................................... 8 HOOFDSTUK 3 GEWENSTE SITUATIE .................................................................... 10 3.1 3.2

GEWENSTE ONTWIKKELING .......................................................................................................................... 10 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 10

HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ........................................................................... 12 4.1 4.2 4.3

RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 12 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 13 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 15

HOOFDSTUK 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN .................................................. 17 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.8 5.9

GELUID .................................................................................................................................................... 17 BODEMKWALITEIT ...................................................................................................................................... 17 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 18 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 19 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 19 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 20 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 22 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .............................................................................................................. 23

HOOFDSTUK 6 WATERASPECTEN........................................................................ 25 6.1 6.2

VIGEREND BELEID....................................................................................................................................... 25 WATERPARAGRAAF .................................................................................................................................... 26

HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING .............................. 28 7.1 7.2 7.3

INLEIDING................................................................................................................................................. 28 OPZET VAN DE REGELS ................................................................................................................................ 28 VERANTWOORDING VAN DE REGELS............................................................................................................... 29

HOOFDSTUK 8 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................. 31 HOOFDSTUK 9 VOOROVERLEG & ZIENSWIJZEN ...................................................... 32 9.1 9.2 9.3

VOOROVERLEG .......................................................................................................................................... 32 INSPRAAK ................................................................................................................................................. 32 ZIENSWIJZEN ............................................................................................................................................. 32

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ............................................................................... 33 BIJLAGE 1

AERIUS BEREKENING ......................................................................................................................... 34

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

HOOFDSTUK 1 1.1

INLEIDING

Aanleiding

De gemeente Zevenaar is bezig met het ontwikkelen van bedrijventerrein 7Poort, een bedrijventerrein met een omvang van circa 62 hectare. Volgens de huidige planning opent de Fashion Outlet Zevenaar haar deuren in 2021 op het bedrijventerrein. Voor overige ondernemers en geïnteresseerden die een kavel op het bedrijventerrein hebben of willen kopen is een goede bereikbaarheid van het bedrijventerrein van groot belang. Om de bereikbaarheid van het bedrijventerrein te verbeteren is de gemeente Zevenaar voornemens een tweede viaduct te realiseren en de verkeersstructuur op het bedrijventerrein aan te passen. Het voornemen is niet mogelijk op basis van het huidige planologische regime. Een bestemmingsplanherziening is dan ook benodigd de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Voorliggend plan voorziet hierin. In dit bestemmingsplan zal worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

1.2

Ligging van het plangebied

Het plangebied ligt in het noorden van bedrijventerrein 7Poort, in de zuidoostelijke hoek van de kern Zevenaar. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied indicatief met rode cirkel/lijn ten opzichte van de kern Zevenaar en de directe omgeving weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt naar de verbeelding verwezen.

Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: Arcgis)

1.3

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Viaduct 7Poort” bestaat uit de volgende stukken: • •

verbeelding (tek.nr. “NL.IMRO.0299.BP55VIADUCT7PRT-ON01”) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen).

Op de verbeelding is de bestemming van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

1.4

Geldend bestemmingsplan

1.4.1

Algemeen

Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van de bestemmingsplannen “Groot Holthuizen en Hengelder II” (op 1 juni 2007 vastgesteld), “Archeologie” (op 7 april 2010 vastgesteld) en “Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar” (op 30 januari 2019 vastgesteld) en het provinciale inpassingsplan “Spoorverdubbeling Zevenaar – Didam” (op 26 januari 2017 vastgesteld). Het “Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar” is in voorliggend geval niet relevant. Afbeelding 1.2 bevat een uitsnede van de verbeelding behorend bij de bestemmingsplannen en het provinciale inpassingsplan. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.

Afbeelding 1.2: Uitsnede geldend bestemmingsplan (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4.2

Beschrijving bestemmingen en aanduidingen

1.4.2.1 Groot Holthuizen en Hengelder II Het plangebied ligt grotendeels binnen de begrenzing van bestemmingsplan “Groot Holthuizen en Hengelder II”. De gronden zijn bestemd met de enkelbestemmingen ‘Groen’, ‘Verkeer’ en ‘Water’. Daarnaast gelden de figuur ‘leiding – hoogspanning’ en de gebiedsaanduidingen ‘leidingzone’ en ‘geluidszone industrie’ Gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, bestaande ontsluitingswegen, (voet- en fiets)paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, water en de daarbijbehorende bouwwerken en voorzieningen. Op gronden met de bestemming ‘Groen’ mogen alleen andere bouwwerken worden gebouwd, waarbij geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 2,5 meter mag bedragen. Gronden met de bestemming ‘Verkeer’ zijn onder meer bestemd voor wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden, waarbij gestreefd wordt naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer, met daarbij behorende gebouwen, andere-bouwwerken en voorzieningen. Op gronden met de bestemming ‘Verkeer’ mogen enkel andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij een maximale bouwhoogte van 4 meter geldt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp Gronden met de bestemming ‘Water’ zijn onder mee bestemd voor waterberging, (hoofd)watergangen en waterpartijen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen. Ter plaatse mogen alleen andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen. De voor ‘leiding – hoogspanning’ aanwezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor (een) leiding(en) ten behoeve van het transport van elektriciteit dan wel op een afstand van ten hoogste 10 m gemeten ter weerszijden van deze aanduiding met de daarbijbehorende andere-bouwwerken en voorzieningen, waaronder een opstijgpunt. Voor zover gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding ‘geluidszone industrie’ mag geen toename plaatsvinden van het aantal geluidgevoelige gebouwen. 1.4.2.2 Archeologie Het noordelijke deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met de gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – middelmatige archeologische verwachting’. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de vastgestelde en verwachte waarden.

Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – middelmatige archeologische verwachting’ geldt dat het verboden is om een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders voor bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 0,5m. 1.4.2.3 Spoorverdubbeling Zevenaar – Didam Het noordelijke deel van het plangebied (ter plaatse van het te realiseren tweede viaduct) valt binnen de begrenzing van het provinciale inpassingsplan “Spoorverdubbeling Zevenaar – Didam”. De gronden zijn bestemd als ‘Verkeer – Railverkeer’ met de functieaanduiding ‘brug’ en ‘Verkeer – Railverkeer Voorlopig 4’. De voor ‘Verkeer – Railverkeer’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor spoorwegen, bij een spoorweg behorende voorzieningen, gelijkvloerse kruisingen, ongelijkvloerse kruisingen, bruggen en viaducten voor verkeer ter plaatse van de aanduiding ‘brug’ en bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De voor ‘Verkeer – Railverkeer Voorlopig 4’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor spoorwegen, bij een spoorweg behorende voorzieningen, gelijkvloerse kruisingen en bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor de bouwhoogte van viaducten geldt een maximale bouwhoogte van 10 meter. 1.4.3

Strijdigheid

De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met de geldende bestemmingsplannen en het geldende provinciale inpassingsplan. De bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het realiseren van een viaduct ontbreken namelijk. Daarnaast is niet mogelijk nieuwe ontsluitingswegen binnen de bestemming ‘Groen’ te realiseren. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan herzien te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

1.5

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie gegeven. In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving van de gewenste situatie gegeven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Zevenaar beschreven. In hoofdstuk 5 passeren de relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. In hoofdstuk 6 wordt er in gegaan op het aspect water. In hoofdstuk 7 en 8 wordt ingegaan op de juridische aspecten/ planverwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project. Hoofdstuk 9 gaat in op de inspraak en het vooroverleg

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

HOOFDSTUK 2

HUIDIGE SITUATIE

Het plangebied ligt in het zuidoosten van de kern Zevenaar op het bedrijventerrein 7Poort. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de huidige situatie in en rondom het plangebied. Het plangebied ligt in het zuidoosten van de kern Zevenaar op het bedrijventerrein 7Poort. De ruimtelijk functionele structuur kenmerkt zich door bedrijfspercelen, braakliggende graspercelen, de A12 en de spoorlijn Zevenaar – Didam. Het plangebied wordt aan de noordzijde door de spoorlijn Zevenaar - Didam en grasland begrensd. Direct ten (noord)oosten, zuiden en zuidwesten van het plangebied bevinden zich bedrijfspercelen. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door braakliggend grasland. Het plangebied zelf bestaat in het noorden uit de spoorlijn Arnhem - Winterswijk. Voor het overige bestaat het plangebied uit de weg 7Poort en uit grasland. Het plangebied wordt via de weg de 7Poort ontsloten. Een luchtfoto van het plangebied is weergegeven in afbeelding 2.1. In afbeelding 2.2 zijn straatbeelden vanaf de 7Poort opgenomen

Afbeelding 2.1: Luchtfoto plangebied (Bron: Arcgis)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

Afbeelding 2.2 Straatbeelden vanaf 7Poort (Bron: Google Streetview)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

HOOFDSTUK 3 3.1

GEWENSTE SITUATIE

Gewenste ontwikkeling

De gemeente Zevenaar is voornemens een betere ontsluiting van bedrijventerrein te realiseren. Hiervoor wordt een tweede viaduct over de spoorlijn gerealiseerd en wordt de wegenstructuur in het plangebied aangepast. Het tweede viaduct wordt direct naast het bestaande viaduct gerealiseerd. In afbeelding 3.1 is een uitsnede van de inrichtingstekening weergegeven.

Afbeelding 3.1 Uitsnede inrichtingstekening gewenste situatie (Bron: gemeente Zevenaar)

Ten aanzien van het te realiseren viaduct wordt aan de minimaal benodigde doorrijhoogte van 6,75 meter voldaan. De bovenkant van het nieuwe viaduct komt daarmee hoger dan de bovenkant van het bestaande viaduct te liggen. Het ontwerp wordt nog definitief uitgewerkt. Afbeelding 3.1 bevat dan ook een indicatieve weergave van de gewenste situatie.

3.2

Verkeer en parkeren

3.2.1

Algemeen

Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Kencijfers parkeren en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp verkeersgeneratie’ opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. In dit geval is voor wat betreft de gemeente Zevenaar uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘matig stedelijk’ en wat betreft stedelijke zone is uitgegaan van de omgevingscategorie ‘buitengebied’. 3.2.2

Verkeersaspecten

Het realiseren van een viaduct en het aanpassen van de verkeerssituatie heeft geen verkeersaantrekkende werking. Het voornemen zorgt voor een betere bereikbaarheid van het bedrijventerrein 7Poort. De nieuw aan te leggen wegen en het nieuw aan te leggen viaduct worden op een veilige manier op de bestaande wegen ontsloten. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een verbetering van de verkeerskundige situatie ter plaatse. Vanuit verkeerskundig oogpunt is er dan ook geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling. 3.2.3

Parkeren

De voorgenomen ontwikkeling brengt geen toename in de parkeerbehoefte met zich mee. Het aspect parkeren vormt daarmee geen belemmering.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

HOOFDSTUK 4

BELEIDSKADER

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het beleid vanuit het rijk, de provincie Gelderland en gemeente Zevenaar. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

4.1.1.1 Algemeen De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee vormt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • • •

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn: • •

• •

Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol; Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma’s zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw; Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe); Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

Oost-Nederland omvat veel natuurgebieden (bijvoorbeeld de Natura 2000-gebieden de Veluwe, de Sallandse Heuvelrug en de Weerribben-Wieden) en levert daarmee een belangrijke bijdrage aan het (inter)nationale natuurnetwerk voor biodiversiteit. Daarnaast kent de regio belangrijke cultuurhistorische waarden (de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Limes.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp Het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ (Barro) is als Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) direct gekoppeld aan de SVIR. In het Barro is concreet aangegeven welke nationale belangen geborgd worden in bestemmingsplannen en andere plannen van de overheden. 4.1.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. 4.1.2

Toetsing aan de uitgangspunten in het rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. De in de Structuurvisie benoemde natuurlijke en cultuurhistorische waarden worden niet aangetast met de gewenste ontwikkeling. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Daarnaast is, gelet op de aard van de ontwikkeling, de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Omgevingsvisie Gelderland

4.2.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat thematische visieschetsen. Deze schetsen zijn niet bedoeld als geografische plankaart of ontwikkelkaart; ze bieden geen volledig en limitatief beeld. De schetsen zijn wel een grove schets van in het oog springende bestaande en nieuwe initiatieven, kansen, mogelijkheden en ontwikkelingen die wij op dit moment zien vanuit het perspectief van de Omgevingsvisie. De schetsen sluiten op voorhand ook niets uit. De visieschetsen dienen wat ons betreft als onderlegger om met onze partners het gesprek te voeren over de thema’s, vraagstukken en oplossingsrichtingen, zowel op de schaal van Gelderland als op regionale en lokale schaal. 4.2.1.2 Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio Wat is te zien in Gelderland Gelderland heeft een unieke ligging op de oostwest-as en de noordzuid-as van ons land; een strategische en aantrekkelijke positie te midden van andere sterke regio’s – Amsterdam (Randstad), Brussel (Vlaamse Ruit), Keulen (Rheinland). We zijn daarmee uitstekend verbonden en werken daarmee samen, net zoals met onze buurprovincies. Juist door de bijzondere kwaliteiten en veelzijdigheid van Gelderland – haar natuur, groene

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp steden op menselijke schaal, kennisinfrastructuur, cultuur, recreatie en toerisme en sport – kan het zich verder ontwikkelen als ideale vestigingsplek en uitvalslocatie om te werken en te wonen. Er wordt dan ook een krachtige impuls aan de regionale economie en arbeidsmarkt gegeven. Zo kunnen mensen in Gelderland zich ontplooien, ontspannen en ontwikkelen. De Gelderse economie heeft grote behoefte aan voldoende en kundige mensen. De concurrentie op de arbeidsmarkt is groot. Het doel is de strategische ligging en de aantrekkingskracht van onze Gelderse regio’s te vergroten, zodat mensen hier willen (blijven) wonen en zich willen binden aan Gelderland. Sterke stedelijke netwerken en toegankelijke ontmoetingsplekken zijn van vitaal belang. Plekken waar mensen elkaar makkelijk kunnen vinden om kennis, ideeën en plannen uit te wisselen en elkaar vooruit te helpen. Plekken die goed ontsloten zijn, zoals innovatieve campussen, bruisende binnensteden en dynamische bedrijventerreinen. Het concentreren en combineren van activiteiten heeft daarbij de voorkeur, boven versnippering door de hele provincie. Activiteiten die elkaar versterken, worden met elkaar in contact gebracht en zoveel mogelijk bij elkaar in de buurt of in dezelfde voorziening geplaatst. Zo bijft Gelderland, naast dynamisch, ook open, groen en gezond.

Het omvormen van bestaande en leegstaande bedrijvenlocaties heeft de voorkeur, boven de aanleg van nieuwe terreinen. Pas als er geen andere mogelijkheden zijn, is uitbreiding aan de randen van de steden of dorpen een optie. Daarnaast wordt gekeken hoe de inrichting van de Gelderse werklocaties zo duurzaam mogelijk gemaakt kunnen worden in termen van energie en klimaat. Gelderland heeft sterke troeven: Health, Energy, Tech, Food, Logistiek, een sterk midden- en kleinbedrijf. Nationaal en internationaal werkende Gelderse bedrijven die in volle verbinding staan met gebieden buiten Gelderland. Daar zit veel innovatieve kracht. Die moet de ruimte krijgen, maar wel op voorwaarde dat ook bijgedragen wordt aan het duurzaamheidsvraagstuk. Want schoon en groen is het uitgangspunt. Er wordt meegedacht met deze bedrijven en de bedrijven worden geholpen bij de toegang tot kennis, middelen, markten, netwerken, locaties en het onderwijs. Omdat iedereen die in Gelderland mee wil doen, dat ook moet kunnen, wordt gestimuleerd dat het onderwijs optimaal is afgestemd op de arbeidsmarkt. Het doel is om tekorten op de arbeidsmarkt te voorkomen en kansen te pakken naar de toekomst toe, zoals bijvoorbeeld op het terrein van energietransitie.

Wat is het streven Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat. Dat is het doel. Zo wordt Gelderland versterkt: nu en in de toekomst. De aanpak •

•

• • •

Er wordt gezorgd voor een gevarieerd aanbod aan goed ontsloten, kwalitatief hoogwaardige, duurzame werklocaties. Hierover wordt in gesprek gegaan met de Gelderse regio’s en worden regionale afspraken gemaakt over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van werklocaties. Het concentreren van economische activiteiten heeft daarbij de voorkeur, boven versnippering. En: het omvormen van bestaande en leegstaande bedrijvenlocaties gaat boven de aanleg van nieuwe terreinen. Samen met de regio’s wordt ingespeeld op veranderende behoeften van het bedrijfsleven. Toekomstige behoeften veranderen immers continue, dit vraagt om regelmatig herzien van de regionale afspraken. Ook wordt het omvormen van bestaande gebouwen en locaties gestimuleerd zodat deze weer aansluiten bij de wensen van bedrijven en werknemers. Er wordt gezorgd dat bedrijven die zich hier willen vestigen of die willen uitbreiden snel en effectief geholpen worden bij het vinden van een zo optimaal mogelijke locatie. De aansluiting tussen het Gelderse onderwijs en de arbeidsmarkt wordt gestimuleerd, ook in fysieke zin met campusontwikkeling. Innovatie en (kleinschalig) ondernemerschap wordt gestimuleerd, ook met oog voor ontwikkeling van lokale arbeidsmarkten. Zeker wanneer ondernemers een duurzaam Gelderland dichterbij brengen.

4.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Gelderland Het verbeteren van de bereikbaarheid van bedrijventerrein 7Poort draagt bij aan het streven naar goed ontsloten, kwalitatief hoogwaardige, duurzame werklocaties. Het voornemen draagt bij aan het verbeteren van het vestigingsklimaat van bedrijventerrein 7Poort. De aantrekkingskracht van het bedrijventerrein voor

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

14

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp ondernemers, investeerders en consumenten wordt met de voorgenomen ontwikkeling vergroot. Al met al zorgt het voornemen voor een betere bereikbaarheid van het bedrijventerrein, zodat het bedrijventerrein verder ontwikkeld kan worden. Al met al wordt geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Gelderland. 4.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

4.2.2.1 Algemeen De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. 4.2.2.2 Van toepassing zijnde artikel In voorliggend geval zijn er geen artikelen uit de omgevingsverordening van belang. 4.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening Gelderland vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.3

Toetsing van het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Gelderland en Gelderse Omgevingsverordening.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Structuurvisie gemeente Zevenaar

4.3.1.1 Algemeen De Structuurvisie doet uitspraken over de ontwikkeling van Zevenaar in de periode 2010-2030. In het algemeen richt de gemeente zich (vanuit regionaal perspectief) met de structuurvisie op het (ruimtelijk) faciliteren van welvaart en welzijn in Zevenaar en het bevorderen van (ruimtelijke) kwaliteit als onderdeel van de leefkwaliteit van Zevenaar. Tijdens het structuurvisieproces is onderzocht wat daarvoor wenselijk, noodzakelijk en ook daadwerkelijk mogelijk is. Het gaat hierbij om onderwerpen op allerlei terreinen, zoals wonen, zorg, welzijn, voorzieningen en werken, maar ook over recreatie, natuur, cultuurhistorie en infrastructuur. In voorliggend geval zijn met name de visie op de kern Zevenaar en de thematische visie ten aanzien van werken van belang. 4.3.1.2 Zevenaar In voorliggend geval is met name de visie ten aanzien van bedrijventerreinen in Zevenaar van belang. Hier wordt het volgende over beschreven in de structuurvisie:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

15

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp •

Het grotere gebied 7Poort daarboven is de vestigingslocatie voor de echt grote bedrijven, veelal in een zwaardere milieucategorie. De invulling hiervan vordert gestaag en profiteert van de gunstige ligging nabij de nieuwe aansluiting met de A12.

•

Het grote areaal aan bedrijventerreinen binnen de gemeente is van wezenlijk belang voor de economie en de werkgelegenheid. Enkele van deze terreinen kunnen steeds lastiger voorzien in de almaar wijzigende behoeften van zowel bedrijven als consumenten. Daarnaast hebben ook de aanstaande ingrepen in het omliggende hoofdwegennet en de grote concurrentie in de regio zijn invloed. Om deze gebieden levensvatbaar te houden zal met name bij de oude bedrijventerreinen Tatelaar en Hengelder Zuid een slag geslagen moeten worden. Op basis van een inventarisatie van knelpunten en kansen, zal er een plan van aanpak opgesteld kunnen worden. Toenemend ruimtegebrek en de behoefte om op een verantwoorde wijze met energie en grondstoffen om te springen, bieden hierbij een kans om te gaan voor duurzame bedrijventerreinen.

4.3.1.3 Werken in Zevenaar van 2030 In de periode tot 2030 heeft de gemeente Zevenaar intensief samengewerkt met buurgemeenten en ondernemers uit de Liemers op het gebied van regionale promotie. Dit heeft er mede tot geleid dat het in 2030 goed werken en ondernemen is in Zevenaar. De pendel van woon-werk verkeer is aanzienlijk afgenomen omdat veel werknemers en ondernemers ook in Zevenaar wonen. De bedrijventerreinen hebben ieder hun eigen kleur en de ondernemers zorgen samen met de gemeente voor een behoud van de uitstraling van de bedrijventerreinen. Rondom het nieuwe station in Zevenaar Oost heeft zich een dynamisch en intensief werkmilieu ontwikkeld. De bestaande bedrijven zijn belangrijk voor de economische motor van Zevenaar. Deze bedrijven moeten in de toekomst behouden blijven. Waar mogelijk worden duurzame initiatieven en ontwikkelingen in deze sector gefaciliteerd. Op het gebied van een duurzame benutting van bestaande bedrijventerreinen met toekomstwaarde, heeft en neemt de gemeente een taak op het gebied van bereikbaarheid en de inrichting van de openbare ruimte. De ontwikkeling van het bedrijventerrein 7Poort heeft invloed op de concurrentiepositie van bestaande bedrijventerreinen. Het bedrijventerrein Tatelaar is toe aan herstructurering. In overleg met ondernemers wordt het Masterplan herstructurering Tatelaar opgesteld.

4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie gemeente Zevenaar’ De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het verbeteren van de bereikbaarheid van bedrijventerrein 7Poort, zodat het bedrijventerrein beter gaat voldoen aan de behoefte van ondernemers en consumenten. De nog leegstaande kavels worden hierdoor aantrekkelijker, zodat het bedrijventerrein verder ontwikkeld kan worden. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het gestelde in de Structuurvisie gemeente Zevenaar. 4.3.2

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De ontwikkeling sluit aan bij het relevante beleid van de gemeente Zevenaar.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

16

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in een bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of in dit geval het volgen van de uitgebreide procedure omgevingsvergunning, indien het plan een geluidgevoelig object maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

Een viaduct en overige verkeersvoorzieningen worden in het kader van de Wgh niet aangemerkt als geluidsgevoelig objecten. Daarnaast bevinden er zich geen geluidsgevoelige objecten in of nabij het plangebied. De aspecten railverkeer-, wegverkeer- en industrielawaai zijn dan ook niet van belang. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling oplevert. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een verkennend bodemonderzoek te worden verricht. 5.2.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval worden geen gevoelige functies opgericht. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is dan ook niet benodigd. 5.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

17

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet milieubeheer zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);.

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Het project betreft het realiseren van een viaduct en verkeersvoorzieningen. Dergelijke functies hebben op zichzelf geen verkeersaantrekkende werking en daardoor geen gevolgen voor de luchtkwaliteit. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in aanmerking komt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen beletsel voor de uitvoerbaarheid van het plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

18

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval is er geen sprake van het oprichten van een (beperkt) kwetsbaar object. Daarnaast neemt de personendichtheid in het gebied niet toe als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, waardoor er geen verandering plaatsvindt in het plaatsgebonden of groepsrisico. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

19

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval worden er geen milieugevoelige of milieubelastende functies opgericht. Bovendien wordt het tweede viaduct naast het bestaande viaduct aangelegd. Zoals uit paragraaf 5.1 blijkt, bevinden er zich geen geluidgevoelige functies in de omgeving van het plangebied. Nadere toetsing ten aanzien van milieuzonering is dan ook niet benodigd. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

5.6

Ecologie

5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de Natura 2000 weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

20

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

Afbeelding 5.2: Ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 (Bron: Atlas Leefomgeving)

Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Rijntakken” ligt op een afstand van circa 1,9 kilometer. Aangezien significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze is als bijlage 1 bijgevoegd. In de komende alinea wordt op de belangrijkste conclusies van de berekening ingegaan. AERIUS berekening De voorgenomen ontwikkeling resulteert niet in depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000gebieden. Er is voor de voorgenomen ontwikkeling m.b.t. stikstofdepositie geen vergunning Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd. 5.6.2.2 Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In of in de directe nabijheid van het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt op een afstand van circa 1,9 kilometer van het dichtstbijzijnde gebied begrensd als NNN/GNN.

Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN/GNN. 5.6.2

Soortenbescherming

5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

21

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp 5.6.2.2 Situatie plangebied Het plangebied bestaat grotendeels uit intensief beheerd grasland. De aanwezige beplanting en bebossing blijft behouden. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor beschermde soorten. 5.6.3

Conclusie

Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de gewenste ontwikkeling.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied In het kader van de ontwikkeling van Groot Holthuizen, fase III is archeologisch onderzoek uitgevoerd1. De resultaten van dit onderzoek kunnen ook voor voorliggende bestemmingsplan worden gebruikt, aangezien de archeologische waarden na de uitvoering van het archeologische onderzoek niet zijn veranderd. Uit het archeologische onderzoek blijkt dat het plangebied een lage archeologische waarde heeft en daardoor kan worden afgezien van nader archeologisch onderzoek. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Zevenaar, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel

1

"Groot Holthuizen, Fase III Gemeente Zevenaar, inventariserend veldonderzoek, verkennende fase" van 10 januari 2007, door Becker & Van de Graaf, projectnummer 01550206/17151

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp gemeentelijke monumenten. Daarnaast is in het plangebied zelf tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het bestemmingsplan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van Natura 2000-gebied. Uit onderzoek is gebleken dat de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt niet leiden tot een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Zie hiervoor ook paragraaf 5.6. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp 5.9.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Om te bepalen of een vormvrije m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is, dient in dit geval allereerst bepaald te worden of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (of de wijziging daarvan) hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Dit bestemmingsplan voorziet in een directe eindbestemming en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarde overschrijden. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet in het realiseren van een viaduct en verkeersfuncties. Een dergelijke ontwikkeling wordt niet genoemd in onderdeel C.

De in dit plan besloten ontwikkeling kan op basis van De wijziging of uitbreiding van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken, of verlegging of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken niet zijnde een, autosnelweg of autoweg’. Er is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig plan in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 5 kilometer of meer. De hierboven genoemde drempelwaarde wordt niet overschreden. Daarnaast zijn er geen (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten. 5.9.3

Conclusie

Het uitvoeren van een m.e.r.-(beoordeling) is niet benodigd. Significatie milieueffecten kunnen gelet op het bovenstaande worden uitgesloten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. 6.1.4

Waterschap Rijn en IJssel

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Rijn en IJssel heeft een waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2016-2021. Dit plan beschrijft het beleid voor alle taakgebieden van Waterschap Rijn en IJssel. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak we deze willen bereiken. Het plan gaat over het waterbeheer in het hele stroomgebied van Rijn en IJssel en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten we in de samenwerking met onze partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan Viaduct 7Poort Ontwerp • • • • •

Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=d404109f-807b-4de3-a17c-c37b1a2d1a25