CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

18. 221010 Brief-zienswijze inzake ontwerpbesluit alcoholvergunning Meentestraat 40 Giesbeek

Raadsvergaderingen 2022-2026 19 oktober 2022, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Wijze van afdoening van de ingekomen stukken17.985 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

BJZ.nu Bestemmingsplannen

17

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” 4.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

4.2.2.1 Algemeen De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. 4.2.2.2 Van toepassing zijnde artikel In voorliggend geval is in het kader van deze onderbouwing uitsluitend artikel 2.8.2.1 van belang. Artikel 2.8.2.1 Molenbiotoop 1. In bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen de Molenbiotoop wordt geen nieuwe bebouwing danwel beplanting toegestaan, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de molens staande en gelegen in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem.

4.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Gelderse Omgevingsverordening Ter plaatse van het projectgebied wordt een schuttersgebouw met een maximale bouwhoogte van circa 5,9 meter gerealiseerd. Molen De Hoop, gelegen aan de Meentsestraat 3 in Giesbeek, ligt op een afstand van circa 245 meter van het schuttersgebouw. Gesteld wordt dat de ontwikkeling, vanwege de zeer beperkte hoogte van de bebouwing, geen invloed heeft op het functioneren van de molen. 4.2.3

Toetsing van het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Gelderland en Gelderse Omgevingsverordening.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Structuurvisie gemeente Zevenaar 2030

4.3.1.1 Algemeen Op 20 februari 2013 is de structuurvisie gemeente Zevenaar voor 2030 vastgesteld. De Structuurvisie Zevenaar is het ontwikkelingskader van de gemeente Zevenaar tot 2030. De visie geeft richting aan de ruimtelijke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen van de gemeente Zevenaar tot 2030. Het geeft een samenhangend beeld van de gewenste ontwikkelingen met een ruimtelijke component voor de periode tot 2030. De Structuurvisie is het integrale kompas voor toekomstig beleid van de gemeente Zevenaar. In de structuurvisie wordt ingezet op een vijftal hoofdopgaven: 1. Versterken van de identiteit van Zevenaar met aandacht voor de diversiteit in landschappen, kernen en functies 2. Voldoende plek voor stedelijke ontwikkelingen tot 2030 3. Behoud van kwalitatief goede woon- en werkgebieden en goede voorzieningen 4. Tegengaan van versnippering van de leefomgeving inclusief het leefbaar houden van de kernen 5. Nadrukkelijker inzetten op een duurzame ontwikkeling BJZ.nu Bestemmingsplannen

18

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” De opgaven worden benaderd vanuit de drie kernwaarden: 'verbinden', 'diversiteit' en 'kwaliteit'. Deze kernwaarden vormen de rode draad van waaruit de gemeente Zevenaar de komende jaren werkt.

Afbeelding 4.1: Uitsnede structuurvisieplankaart 2012-2030

Op basis van de structuurvisieplankaart is het projectgebied gelegen binnen ‘bestaand wonen kernen’. De structuurvisie zet voor wat betreft het westelijk deel van Giesbeek in op het versterken van de verbinding tussen Giesbeek en het Rhederlaag. Dit kan bijvoorbeeld door heldere fysieke verbindingen en waar nodig stedenbouwkundige ingrepen. Daarnaast wordt er in de structuurvisie aangegeven dat nieuwe ontwikkelingen moeten aansluiten bij de behoefte van de mensen uit Giesbeek en dat de gemeente graag wil dat het verenigingsleven in Giesbeek wordt versterkt. 4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie gemeente Zevenaar 2030’ De voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied past binnen de doelstellingen om aan te sluiten bij de behoefte van de mensen uit Giesbeek en het verenigingsleven in Giesbeek te versterken. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan de leefbaarheid en sociale cohesie. Gesteld kan worden dat het beleid uit de structuurvisie het initiatief niet in de weg staat. 4.3.2

Nota Ruimtelijke kwaliteit

4.3.2.1 Algemeen In de Nota Ruimtelijke kwaliteit (vastgesteld 24 oktober 2012) is het welstandsbeleid voor de gemeente Zevenaar vastgelegd. Het projectgebied valt onder het deelgebied ‘Meentsestraat’. Bij dit gebied past een regulier welstandsniveau. In de nota worden voor dit deelgebied welstandscriteria genoemd. Welstandscriteria Ligging • • • • •

de bebouwing is georiënteerd op de straat; de bebouwing is geplaatst in een verspringende rooilijn; de hoofdmassa’s hebben een ruime onderlinge afstand (tussen de hoofdmassa’s is een onbebouwde ruimte aanwezig); het bebouwingsbeeld wordt bepaald door een reeks van individuele bouwmassa’s.

Massa •

de bebouwing bestaat uit 1 of 2 lagen met kap;

BJZ.nu Bestemmingsplannen

19

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” • •

de nokrichting sluit aan bij de hoofdmassa; nieuwbouw heeft een nokrichting haaks op de straat; blinde gevels aan de zijde van de openbare ruimte zijn niet toegestaan, hoekpanden hebben derhalve 2 representatieve gevels.

Materialen en kleuren • • •

bij de gevels is lichtbruine tot roodbruine baksteen, keimwerk of (wit)pleisterwerk toegepast; toepassing van fel rode of antracietkleurige dakpannen, bij voorkeur gebakken pannen of riet; het gebruik van sterk contrasterende kleuren is niet toegestaan.

4.3.2.2 Toetsing van het initiatief ‘Nota ruimtelijke kwaliteit’ In hoofdstuk 3 van deze onderbouwing zijn een aantal impressietekeningen van het schuttersgebouw opgenomen. Op deze impressietekeningen is te zien dat er rekening is gehouden met de bestaande karakteristiek van het omliggende gebied. Daarnaast zijn de bebouwingsmassa, oriëntatie, kleuren en materialen van het gebouw afgestemd op de gebouwen aan de Meentsestraat. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen zal een definitief welstandsadvies worden uitgebracht. 4.3.3

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De ontwikkeling sluit aan bij het relevante beleid van de gemeente Zevenaar. Overige beleidsdocumenten zijn niet van toepassing op de ontwikkeling.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

20

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, geur, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of in dit geval het volgen van de uitgebreide procedure omgevingsvergunning, indien het plan een geluidgevoelig object maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie projectgebied

Een schuttersgebouw wordt in het kader van de Wgh niet aangemerkt als geluidsgevoelig object. Derhalve worden de aspecten rail- en wegverkeerslawaai buiten beschouwing gelaten. Ook zijn in de nabijheid van het projectgebied geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Wel wordt met dit plan een geluidsbron toegevoegd. In paragraaf 5.5. wordt aan de hand van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ nader ingegaan op de milieubelasting van het project op de omgeving. Hierbij wordt onder andere het aspect geluid betrokken. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering voor dit plan oplevert. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. Van Der Poel B.V. heeft ter plaatse van het projectgebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten en conclusies van dit onderzoek worden hierna weergegeven. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het onderzoeksrapport welke is opgenomen in bijlage 1 bij deze onderbouwing.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

21

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” 5.2.2

Situatie projectgebied

Vooronderzoek Uit het vooronderzoek blijk dat de onderzoekslocatie sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw bebouwd is geweest met woningen en schuren. De gebouwen waren in gebruik door een schietvereniging. De opstallen zijn in 2016 gesloopt. Uit het vooronderzoek blijk dat de voormalige bebouwing is ontdaan van de asbesthoudende materialen en dat in 1994 een ondergrondse HBO-tank is gereinigd en gevuld met zand. Van beide acties zijn certificaten aanwezig. Grond onverdacht terreindeel Ter plaatse van het onverdachte terreindeel zijn voor geen van de geanalyseerde parameters verhoogde gehalten aangetoond. Dit geldt ook voor het separaat ingezette monster waarin visueel kolengruis is waargenomen. Voormalige ondergrondse tank In de ondergrond ter plaatse van de voormalige ondergrondse HBO-tank zijn op een diepte van 2,0 – 2,5 m-mv verhoogde gehalten aan minerale olie aangetoond. Middels het plaatsen van aanvullende boringen en de uitgevoerde analyses is de omvang vastgesteld. De omvang van de verontreiniging in de grond door middel van visuele waarneming en analyses is vastgesteld op circa 45 m3. In het grondwater is voor minerale olie een interventiewaardeoverschrijding vastgesteld. De omvang van de grondwaterverontreiniging met minerale olie is niet vastgesteld. Naar de omvang van de grondwaterverontreiniging zal nader onderzoek moeten worden verricht.

Asbest Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. 5.2.3

Conclusie

De resultaten van het onderzoek vormen aanleiding tot nader onderzoek naar de aangetroffen grondwaterverontreinging ter plaatse van de voormalige ondergrondse HBO-tank. De minerale olie verontreiniging in de grond is in beeld.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet milieubeheer zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);.

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

22

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie projectgebied

Het project betreft het realiseren van een schuttersgebouw. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën zoals hiervoor zijn beschreven in paragraaf 5.3.1.1, kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in aanmerking komt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen beletsel voor de uitvoerbaarheid van het project.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). BJZ.nu Bestemmingsplannen

23

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. 5.4.2

Situatie projectgebied

Het plan behelst het mogelijk maken van een schuttersgebouw met bijbehorende parkeer- en ontsluitingsvoorzieningen aan de Meentsestraat 44a in Giesbeek. De huidige bestemmingen van de verschillende gronden zijn ‘Bedrijf’, ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het projectgebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

24

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

Afbeelding 5.1 Uitsnede provinciale risicokaart Meentsestraat 44a Giesbeek (geraadpleegd op 18 december 2017 (zwarte cirkel = ligging projectgebied)).

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op: Rondom het projectgebied zijn geen buisleidingen en inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel ligt op ongeveer 2.500 meter ten noorden van het plan de spoorlijn Arnhem-Zutphen. Over deze transportroute vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de Regeling basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobron niet over het projectgebied ligt. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem-Zutphen. Ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de afstand tussen het plan en de risicobron groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid. Verantwoording groepsrisico Het plan ligt in het invloedsgebied groepsrisico van de spoorlijn Arnhem-Zutphen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Omdat het plan op meer dan 200 meter van deze transportroute ligt, hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) op 14 december 2017 (kenmerk: 171214-0044) het volgende geadviseerd: De VGGM ziet in het kader van de verantwoording groepsrisico geen aanleiding om aanvullend te adviseren over de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Onderstaand een beschouwing van deze aspecten. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

25

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het projectgebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende. 5.4.3

Conclusie

Het projectgebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het projectgebied in het invloedsgebied van de spoorlijn ArnhemZutphen. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven.

Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het

BJZ.nu Bestemmingsplannen

26

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ Het projectgebied is gelegen aan de rand van de kern Giesbeek, waarbij geen sprake is van matige of sterke functiemenging. Derhalve kan in dit geval worden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie projectgebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals al hiervoor genoemd dient bij het realiseren van nieuwe functies gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ kan het schuttersgebouw van Schutterij EMM Giesbeek het best worden vergeleken met ‘Schietinrichtingen – buitenbanen met voorzieningen: boogbanen – binnenbanen: boogbanen’ (maximale milieucategorie 2), aangezien de activiteiten zich beperken tot handboogschieten, kruisboogschieten, luchtdrukpistool- en geweerschieten, vendelen en darten. De activiteiten zullen hoofdzakelijk inpandig plaatsvinden. Het handboogschieten en vendelen zal ook buiten worden beoefend.

De maximale richtafstanden bedragen 30 meter voor geluid en 30 meter voor gevaar. De meest nabijgelegen milieugevoelige objecten betreffen de woningen aan de Meentsestraat . Op basis van het geldende bestemmingsplan mogen woningen uitsluitend binnen bouwvlakken worden gebouwd. De afstand tussen het schuttersgebouw en het dichtstbijzijnde bouwvlak (Meentsestraat ) bedraagt circa bedraagt circa 47 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Er mag derhalve vanuit worden gegaan dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het schuttersgebouw zal incidenteel ook voor besloten feestjes worden gebruikt. Dit gebruik is vergelijkbaar met horeca. De grootste richtafstand bedraagt 30 meter. Deze afstand moet worden aangehouden voor discotheken en muziekcafés. Ook voor dit gebruik wordt ruim voldaan aan de richtwaarden en is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Overigens zullen feestjes alleen in het clubgebouw plaatsvinden, dus niet buiten. Om te bereiken dat aan de geluidsvoorschriften wordt voldaan zullen voorzieningen worden getroffen en gedragsregels worden vastgesteld. Denk aan het dichthouden van ramen en deuren tijdens feestjes.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

27

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” Indirecte hinder Akoestische uitstraling gaat ook uit van verkeersaantrekkende werking als gevolg van personenverkeer. In dit geval gaat het om het rijden van voertuigen naar de parkeervoorziening. Het verkeer bereikt de parkeervoorziening via de bestaande in- en uitrit, die is gelegen tussen Meentsestraat . Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.2.2 zal het aantal verkeersbewegingen beperkt toenemen. Daarnaast geldt er op de Meentsestraat een 30-kilometer regime. Bij het afslaan zal de snelheid nog lager liggen. Hierdoor zal het akoestische bronvermogen van voertuigen dalen. Derhalve is de verwachting dat aan de geluidsnormen uit de Activiteitenbesluit zal worden voldaan. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. De beoogde bebouwing wordt niet aangemerkt als een milieugevoelige functie. Van enige vorm van hinder is dan ook geen sprake. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:  

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Activiteitenbesluit

Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de

BJZ.nu Bestemmingsplannen

28

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.3

Situatie projectgebied

In de omgeving van het projectgebied zijn geen veehouderijen gelegen. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan de Landaansestraat 1 op een afstand van circa 720 meter van het projectgebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstand van 100 meter voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. 5.6.4

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gewenste plan.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In afbeelding 5.2 is de ligging van het projectgebied (rood omkaderd) ten opzichte van de Natura 2000 weergegeven.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

29

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

Afbeelding 5.2: Ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000 (Bron: Provincie Gelderland)

Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Rijntakken” is gelegen op een afstand van circa 290 meter. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er als gevolg van voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 5.7.2.2 Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In of in de directe nabijheid van het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.3 is de ligging van het projectgebied (rood omkaderd) ten opzichte van het NNN/GNN weergegeven.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

30

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

Afbeelding 5.3: Ligging van het projectgebied ten opzichte van de NNN/GNN (Bron: Provincie Gelderland)

Het projectgebied is niet gelegen binnen of direct grenzend aan de concreet begrensde NNN/GNN. Het projectgebied is gelegen op een afstand van circa 1.1 kilometer van het dichtstbijzijnde gebied begrensd als NNN/GNN. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN/GNN. 5.7.2

Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is de voormalige bedrijfsbebouwing in het projectgebied reeds gesloopt. De locatie van de voormalige bedrijfsbebouwing zal dan ook een ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten zijn. De overige gronden in het projectgebied zijn voor het grootste gedeelte ingericht als grasland en voor een klein deel verhard. Het grasland wordt intensief onderhouden (maaien). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde soorten verstoord, beschadigd of gedood. Daarnaast wordt gesteld dat het projectgebied, mede gelet op de terreingesteldheid, ongeschikt is voor beschermde flora. Het is om voorgenoemde redenen niet te verwachten dat de ontwikkeling negatieve effecten zou kunnen hebben op flora- en fauna die de wet beoogd te beschermen. 5.7.3

Conclusie

Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de gewenste ontwikkeling.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

31

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Zevenaar heeft haar archeologische beleid doorvertaald in het bestemmingsplan ‘kernen Lathum, Angerlo en Giesbeek’. Ter plaatse van het projectgebied zijn de gronden bestemd met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – hoge archeologische verwachting’. Op basis van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – hoge archeologische verwachting’ is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen groter dan 200 m 2 en dieper dan 0,5 meter.

In dit geval zal het grootste gedeelte van de nieuwbouw op gronden gerealiseerd worden die al geroerd zijn door de voormalige bebouwing. Een klein deel van de nieuwbouw (< 200 m²) zal op ongeroerde gronden worden gerealiseerd. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van voorliggend initiatief dan ook niet noodzakelijk. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Zevenaar, in het projectgebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Daarnaast is in het projectgebied zelf tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

32

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren:   

Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.beoordelingsplichtig.

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  

5.9.2

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Situatie projectgebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, is gelegen op een afstand van circa 290 meter van het projectgebied. Gezien de aard en omvang van de in deze onderbouwing besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot het Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Activiteiten met een waarde van minder dan 0,05 mol per hectare per jaar worden als verwaarloosbaar beschouwd; deze activiteiten hoeven niet te worden gemeld (ook al niet onder de ontwerp Regeling). Ook cumulatief beschouwd zorgen deze activiteiten voor geen effecten voor de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden, aldus de toelichting van de PAS. Gelet op de beperkte toename van verkeersbewegingen, in vergelijking met de huidige situatie, is er sprake van een activiteit die als verwaarloosbaar kan worden beschouwd. Nader onderzoek naar de stikstofdepositie is niet noodzakelijk.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

33

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” 5.9.2.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Een omgevingsvergunning waarmee wordt afgeweken van het bestemmingsplan (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo) wordt niet expliciet benoemd in kolom 4 van onderdeel D.14. In artikel 1 onder e van de bijlage wordt deze omgevingsvergunning echter gelijk gesteld aan een bestemmingsplan indien een plan wordt genoemd in kolom 4. Aangezien hier in dit geval sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.rbeoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarde uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor deze ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk en het volgende hoofdstuk dat deze ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.er.procedure noodzakelijk maken. 5.9.3

Conclusie

De ontwikkeling is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens is gebleken dat het project niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied is gelegen en er zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de verlening van de omgevingsvergunning. Derhalve wordt gesteld dat voor dit project geen (plan)m.e.r.procedure doorlopen hoeft te worden.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

34

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. 6.1.4

Waterschap Rijn en IJssel

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Rijn en IJssel heeft een waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2016-2021. Dit plan beschrijft het beleid voor alle taakgebieden van Waterschap Rijn en IJssel. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak we deze willen bereiken. Het plan gaat over het waterbeheer in het hele stroomgebied van Rijn en IJssel en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten we in de samenwerking met onze partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden: BJZ.nu Bestemmingsplannen

35

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek” • • • • •

Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

In artikel 3.1.6 (Bro) is aangegeven dat in de toelichting van een ruimtelijke onderbouwing is beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. De relevante waterthema’s worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven. 6.2.2

Watertoetstabel

Thema

Toetsvraag

Relevant

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een Ja waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van Nee een rivier?

Intensi teit# 2

2

Riolering en 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? Afvalwaterketen 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?

Nee

2

Nee

1

3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?

Nee

1

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2?

Nee

2

Wateroverlast (oppervlaktewater)

2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

1 Ja

1 1

Nee

Nee

Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?

Nee

1

Grondwater-

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Nee

1

overlast

2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage?

BJZ.nu Bestemmingsplannen

36

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

Nee

1

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?

Nee

1

Nee

2

Nee

1

2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Nee

1

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?

Nee

2

2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

Nee

2

3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Nee

2

Nee

1

2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? Volksgezondheid 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?

Natte natuur

4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?

Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Cultuurhistorie

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Hemelwater In onderhavig projectgebied is de voormalige bedrijfsbebouwing reeds gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een schuttersgebouw, met een oppervlakte van 845 m2, met bijbehorende parkeervoorzieningen gerealiseerd. De oppervlakte aan bebouwing neemt door voorliggend initiatief toe. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel, maar wordt het ter plaatse in de bodem geïnfiltreerd. Overstromingsrisico Het projectgebied ligt binnen dijktraject 48-2 met overstromingsrisico 1:10000. Op de risicokaart (www.risicokaart.nl) is het projectgebied aangewezen als een gebied met een kleine kans van optreden (overstroombaar gebied en potentieel overstroombaar) en er zijn op de locatie geen overstromingsdiepten weergegeven. De locatie is dusdanig afgeschermd dat er geen extra preventieve maatregelen nodig zijn in geval van een mogelijke overstroming. Daarnaast is de locatie vanuit verschillende kanten te bereiken, waardoor bereikbaarheid en zelfredzaamheid bij calamiteiten verzekerd is. Er is geen belemmering voor het bouwen van een schuttersgebouw op deze locatie.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

37

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

38

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

HOOFDSTUK 8 8.1

Vooroverleg

8.1.1

Rijk

VOOROVERLEG

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat deze ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2

Provincie Gelderland

Het voeren van vooroverleg met de provincie Gelderland is, gelet op het feit dat het gaat om een lokale ontwikkeling die in overeenstemming is met provinciaal beleid, niet noodzakelijk. 8.1.3

Waterschap Rijn en IJssel

De watertoets heeft plaats gevonden met behulp van de watertoetstabel van Waterschap Rijn en IJssel. Verwezen wordt naar subparagraaf 6.2.2, waarin de watertoetstabel is toegepast en de relevante thema’s zijn uitgewerkt. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er geen vooroverleg hoeft plaats te vinden.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

39

Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning “Meentsestraat 44a, Giesbeek”

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1

Verkennend bodemonderzoek

BJZ.nu Bestemmingsplannen

40

Kerkstraat 27

6901 AA Zevenaar

0316 595 111

www.zevenaar.nl

Notulen: Zienswijze inzake ontwerp alcoholvergunning Meenstestraat 40 te Giesbeek Locatie: Gemeentehuis Zevenaar Datum: 12 september 2022 Aanwezigen: Delegatie: Gemeente: -

, Juridisch medewerker handhaving , Consulent Vergunningen APV en Bijzondere wetten , Juridisch adviseur APV en Bijzondere wetten

heet iedereen welkom en alle aanwezigen stellen zich voor. De delegatie geeft aan dat zij na ons verhaal met hun vragen zullen komen. Gemeente: er is een omgevingsvergunning verleend voor een schuttersgebouw aan de Meentsestraat 40 in Giesbeek en deze is onherroepelijk geworden. Daartegen zijn geen zienswijzen of bezwaar ingediend door de buurt. Het gebouw is inmiddels gebouwd. Er is vervolgens een aanvraag voor een alcoholvergunning ingediend en inmiddels is er een ontwerp alcoholvergunning verleend aan de schutterij. is een tijdje geleden op het gemeentehuis geweest voor een gesprek met en over overlast naar aanleiding van een openingsevenement. Zij gaven toen aan dat zij zich zorgen maken over de aangevraagde paracommerciële alcoholvergunning. Verder gaven zij aan dat er op grond van de Beleidsregel paracommercie gemeente Zevenaar 2021 heel veel activiteiten toegestaan zijn. Toen is aangegeven dat een zienswijze kon indienen tegen de ontwerpalcoholvergunning. De buurt heeft 14 aparte zienswijzen, die in de kern hetzelfde zijn, ingediend. Daarop is door een delegatie uitgenodigd die de groep vertegenwoordigd. De delegatie is nu hier aanwezig en gaan wij iedereen aanhoren en extra uitleg geven. Delegatie: vindt dat de schutterij in strijd met het geldende bestemmingsplan handelt.

Volgens de delegatie is hier sprake van horeca, maar volgens het geldende bestemminsplan is horeca niet toegestaan. Zij verwijzen naar de omgevingsvergunning. Gemeente: Er is geen sprake van volledige horeca, maar ondergeschikte horeca. Onderschikte horeca is op grond van het bestemmingsplan hier toegestaan. Uitleg wat op basis van vergunning zou mogen. Er mogen alleen activiteiten plaatsvinden die gerelateerd zijn aan de schutterij en alleen voor leden. Tenzij er een ontheffing (maximaal 7 per jaar, waarvan eventueel maximaal 3

evenementen) wordt aangevraagd. Die ontheffingen zien niet op ‘feesten’ waar de delegatie over denkt. Het vergunning zit alleen op het verstrekken van alcohol, en verder niks. Delegatie: zien geen verschil tussen een schutterij en commerciële horeca. Zijn het dus niet eens met de ondergeschikte horeca. Vragen om nadere uitleg. Wijzen op geruchten dat carnaval daar plaats gaat vinden. Gemeente: ondergeschikte horeca is hier toegestaan. Bovendien is dit niet relevant voor het traject van de alcoholvergunning. Het bestemmingsplan is geen weigeringsgrond voor een alcoholvergunning. Dat is een gepasseerd station. Carnaval zou eventueel mogen, maar dat is een apart traject (aanvraag evenementenvergunning). Delegatie: waren hier al bang voor. Geven aan dat het gaat escaleren tussen buurt en schutterij. Delegatie: er is sprake van lichtoverlast. Grote palen met lampen staan altijd aan. Verzoek dit via sensoren te doen afgewezen door schutterij. Verder is er sprake van geluidoverlast. Ze zijn laat open. Kunnen niet in hun achtertuin zitten i.v.m. geluidoverlast. Willen weten welke regels er gelden ten aanzien van geluid en licht? Willen graag een overzicht ontvangen van de regels die er gelden t.a.v. geluid en licht. Daarnaast ervaren zij geweldoverlast. Er was een vechtpartij afgelopen keer dat er een kermis was organiseert (4 september 2022).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=e133eda0-5a1b-48b6-a77f-3a6bd7ef00d1