CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1109123 Bijlage 2. Toelichting

Commissie Ruimte 16 november 2022, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/22/426481 Raadsvoorstel voor het vaststellen van het bestemmingsplan Waterlelie Angerlo ten behoeve van de realisatie van 4 woningen en het verwijderen van een geurcirkel15.084 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder diverse grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Vrijstelling en zorgplicht Ten aanzien van een aantal algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een vrijstelling voor het uitvoeren van onder andere ruimtelijke ontwikkelingen. 33/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

De soorten die zijn vrijgesteld verschillen per bevoegd gezag. In deze situatie geldt de vrijstelling ten aanzien van de meeste voorkomen algemene grondgebonden zoogdieren (egel, rosse woelmuis, veldmuis etc.) en amfibieën (gewone pad, bruine kikker, etc.) De zorgplicht blijft echter van kracht, ook al zijn soorten vrijgesteld of niet opgenomen in de lijsten van de verschillende beschermingsregimes. De zorgplicht houdt in dat met de voorkomende soorten rekening wordt gehouden in zoverre dit redelijkerwijs mogelijk is. Om te voldoen aan de zorgplicht is het niet nodig om te werken conform een goedgekeurde gedragscode of een verleende ontheffing. Voldoen aan de zorgplicht kan als volgt: Biedt de voorkomende soorten de gelegenheid te kunnen vluchten bij het aantreffen ervan. Minder mobiele soorten als egel of gewone pad te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van het werk. Bovenstaande maatregelen zijn in het bijzonder relevant tijdens het verwijderen van het aanwezige groen (grasvegetatie). Niet vrijgestelde soorten of soorten die periodiek in het jaar zijn vrijgesteld Het voorkomend van niet vrijgestelde soorten (zoals de bunzing, hermelijn, steemarter, wezel, wild zwijn, levendbarende hagedis en eekhoorn) is uitgesloten binnen het plangebied. 4.4.2.3 Beschermde gebieden Het plangebied zelf vormt geen onderdeel van een Natura2000-gebied.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich ten Noordwesten van het plangebied op ongeveer 2 km afstand. Het plangebied heeft geen status als Natura 2000-gebied en bevindt zich niet in een regio met Natura 2000-gebieden tot op minimaal een kilometer afstand hemelsbreed. Veel externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten rijken doorgaans tot enkele honderden meters en zijn hierdoor uit te sluiten. In tegenstelling tot de eerdergenoemde externe effecten, kan het effect van neerslag van stikstof wel tot verder rijken dan enkele honderden meters. Een beoordeling over de noodzaak tot vervolgstappen ten behoeve van stikstofemissie is separaat uitgevoerd en beschreven in paragraaf 4.5. Het plangebied maakt geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), van externe werking van effecten is evenmin sprake. Een nadere toetsing ('nee, tenzij'-toets) is daarom niet noodzakelijk.

4.4.3 Conclusie Ten behoeve van het voorliggend bestemmingsplan is een quickscan ecologie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat zowel het aspect soortenbescherming als het aspect gebiedbescherming geen belemmering vormen voor het plan en het voorliggend bestemmingsplan.

34/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

4.5 Stikstofdepositie 4.5.1 Algemeen Met het bestemmingsplan ‘Waterlelie Angerlo’ wordt de bouw van de laatste 4 woningen aan de Waterlelie in Angerlo mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling is op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Kolkwijk - Midden’ namelijk niet rechtstreeks mogelijk. Ten behoeve van de noodzakelijke bestemmingsplanprocedure is door WSP een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 4 in de toelichting opgenomen. Wet Natuurbescherming Op basis van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb) is het verboden om een plan vast te stellen of een project te realiseren dat significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Indien de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komen, zijn significante gevolgen uitgesloten. Toetsing aan de Wnb vindt plaats in 2 stappen: een voortoets en een passende beoordeling. Wet Stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Hiermee is de Wet natuurbescherming gewijzigd en is een gedeeltelijke vrijstelling van de vergunningplicht opgenomen in artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming.

Deze vrijstelling geldt voor alle projecten die in de gebruiksfase geen tot weinig stikstofemissie veroorzaken en heeft betrekking op de bouwfase van woningen, utiliteitsgebouwen en andere bouwwerken (waaronder buisleidingen) inclusief de daarmee gepaard gaande vervoersbewegingen. Wel bestaat er een verplichting om de emissie van stikstof te beperken voor bouw- en sloopwerkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning of melding noodzakelijk is. Hiermee wordt beoogd dat machines en andere processen (eerder) worden vervangen door alternatieven met een lagere uitstoot. Voor aanvang van de werkzaamheden moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichting van het beperken van de emissie.

4.5.2 Depositie-onderzoek Voor de gebruiksfase is een AERIUS-berekening gemaakt om aan te tonen dat er als gevolg van deze fase geen toename van de stikstofdepositie wordt veroorzaakt. Daarnaast wordt door middel van een AERIUS-berekening voor de bouwfase onderzocht hoe realistisch het is dat er als gevolg van de bouwfase een (relevante) toename van de depositie wordt veroorzaakt. Indien het aannemelijk is dat de bouwfase kan worden uitgevoerd zonder dat een toename van de depositie wordt veroorzaakt, dan wel zonder dat een toename van de depositie wordt veroorzaakt groter dan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan2) dan zal dit plan in ieder geval niet leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Hiermee is dan ook aangetoond dat er voldoende maatregelen worden getroffen om de emissie te beperken. Op basis daarvan is dan in ieder geval ook de vrijstelling voor de bouwfase van toepassing. Resultaten: Stikstofdepositie gebruiksfase Voor de gebruiksfase van de 4 nieuwbouwwoningen is berekend dat de stikstofemissie als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op relevante nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Stikstofdepositie bouwfase Voor de bouwfase is bepaald dat een emissie als gevolg van deze bouwfase van maximaal 51 kg NOx op jaarbasis niet leidt tot een toename van de depositie op nabij gelegen Natura 35/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

2000-gebieden of anders gezegd een emissie als gevolg deze bouwfase van maximaal 51 kg NOx op jaarbasis levert geen depositieresultaten op boven 0,00 mol/ha/jaar, zie bijlage 2, en leidt dus in geen geval tot significante effecten. Om tot deze maximale emissie te komen is in de berekeningen uitgegaan van: Een emissie op de bouwplaats van circa 47 kg NOx op jaarbasis; Een emissie van circa 4 kg NOx op jaarbasis als gevolg van het bouwverkeer: hierbij is worstcase uitgegaan van 1.000 personenwagens of bestelwagens die per jaar naar de bouwlocatie kunnen komen en 1.000 vrachtwagens die per jaar naar de bouwlocatie kunnen komen. Zowel de heen- als terug beweging is hierbij in rekening gebracht. Daarnaast is voor de bouwfase bepaald dat een emissie als gevolg van deze bouwfase van maximaal 934 kg NOx op jaarbasis niet leidt tot een toename van de depositie groter dan 0,1 mol/ha/jaar op nabijgelegen Natura 2000-gebieden of anders gezegd een emissie als gevolg deze bouwfase van maximaal 934 kg NOx gedurende maximaal 1 jaar leidt alleen tot een kleine, tijdelijke toename van de depositie en dus niet tot significante effecten.

Om tot deze maximale emissie te komen is in de berekeningen uitgegaan van: Een emissie op de bouwplaats van circa 930 kg NOx op jaarbasis; Een emissie van circa 4 kg NOx op jaarbasis als gevolg van het bouwverkeer: hierbij is worstcase uitgegaan van 1.000 personenwagens of bestelwagens die per jaar naar de bouwlocatie kunnen komen en 1.000 vrachtwagens die per jaar naar de bouwlocatie kunnen komen. Zowel de heen- als terug beweging is hierbij in rekening gebracht. Op basis van onze ervaring in soortgelijke projecten en op basis van kentallen van het RIVM6 wordt geoordeeld dat het bouwen van 4 grondgebonden woningen makkelijk uitvoerbaar zal zijn binnen de hierboven genoemde maximale emissie en dat dus ook de bouwfase niet zal leiden tot significante gevolgen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Conclusie De gebruiksfase van de 4 nieuwbouwwoningen, die met het bestemmingsplan ‘Waterlelie Angerlo’ mogelijk worden gemaakt, leidt niet tot significant negatieve effecten in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Voor de gebruiksfase wordt immers géén toename van de stikstofdepositie berekend. Voor de bouwfase is eveneens geconcludeerd dat het bouwplan naar alle waarschijnlijkheid uitvoerbaar is zonder dat de emissie ervan leidt tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie.

Daarmee is tevens aangetoond dat de emissie van stikstof tijdens de bouwfase voldoende beperkt zal blijven. Op basis hiervan kan in ieder geval gebruik gemaakt worden van de vrijstelling die geldt voor de bouwwerkzaamheden sinds de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering per 1 juli 2021. Samengevat kan worden geconcludeerd dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor vaststelling van het bestemmingsplan ‘Waterlelie Angerlo’.

36/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen.

Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid In april 2014 is de Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Putten vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet 37/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid.

Afbeelding 4-3 fragment van de Risicokaart Risicovolle inrichtingen (Besluit externe veiligheid inrichtingen) In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die invloed hebben op het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen (Besluit externe veiligheid transportroutes) Wegen, spoor- en vaarwegen in de omgeving zijn op voldoende afstand van het plangebied gelegen. Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de IJssel (Basisnetroute Corridor Rijn - Oost-Nederland). Het plangebied ligt op ca. 2.000 meter afstand, ruim buiten het invloedsgebied van deze binnenvaartroute. Buisleidingen Volgens de risicokaart liggen gasleidingen ten zuiden van het plangebied, op ca. 600 meter en daarmee vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering. Gezien deze grote afstand en de geringe toename van het aantal personen in het plangebied, ten opzichte van de reeds aanwezige personen, zal het groepsrisico niet toenemen.

4.6.2 Conclusie Op het gebied van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de geplande ontwikkeling. Er zijn geen risicovolle inrichtingen, transportroutes of buisleidingen, waarvan de invloedssfeer zich uitstrekt tot in het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het bestemmingsplan

38/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

4.7 Bedrijven en milieuzonering Door bij de realisatie van gevoelige functies (zoals woningen) voldoende afstand in acht te nemen tot milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) kan hinder en gevaar worden voorkomen. Daarnaast kan worden voorkomen dat bedrijfsbelangen worden geschaad. Door middel van een onderzoek bedrijven en milieuzonering wordt onderzocht of de toekomstige woningen mogelijk een belemmering vormen voor bestaande bedrijven in de omgeving en of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ten behoeve van de milieuhygiënische afweging in het kader van de ruimtelijke onderbouwing wordt voor de meest nabijgelegen bedrijven aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.

4.7.1 Beoordelingssystematiek VNG-publicatie De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van de meest recente versie uit 2009. De VNG-publicatie geeft richtafstanden per bedrijfscategorie. De afstanden worden gegeven voor een aantal milieuaspecten, met name geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden gelden tussen de perceelsgrens van het bedrijf en de gevels van woningen. Indien deze afstanden worden gerespecteerd is er sprake van een milieuhygiënisch te verantwoorden situatie en een goede ruimtelijk ordening. Indien één van deze afstanden niet wordt gerespecteerd is nader onderzoek noodzakelijk om na te gaan of alsnog sprake kan zijn van een milieuhygiënisch verantwoorde situatie. Het toetsingskader bestaat uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt aan de hand van de in de publicatie genoemde richtafstanden. Indien woningen op kleinere afstand zijn gelegen dan de richtafstanden kan voor het betreffende plandeel in stap 2, 3 of 4 gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden.

4.7.2 Richtafstanden inrichtingen (stap 1) De richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën worden vermeld in hoofdstuk 1 (lijst 1) van de VNG-publicatie. De richtafstanden die in de lijst zijn opgenomen gelden voor het gebiedstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. In de navolgende tabel worden de richtafstanden weergegeven. Tabel - Overzicht richtafstanden per bedrijf Milieu categorie

Richtafstand (m)

1

10

2

30

3.1

50

3.2

100

4.1

200

4.2

300

5.1

500

5.2

700

Er zijn geen bedrijven in de omgeving die invloed hebben op het projectgebied, dan wel belemmerd worden in hun ontwikkeling door de geplande woningen. Dit is uitgebreid onderzocht in het kader van het bestemmingsplan Kolkwijk-Midden. Het agrarische bedrijf aan de Dorpsstraat 56 heeft de bedrijfsvoering gestaakt en middels het voorliggend bestemmingsplan 39/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

zal de bij dat bedrijf behorende en daarmee niet meer relvante geurcirkel planologisch worden verwijderd. Conclusie Er zijn geen bedrijven in de nabijheid die een belemmering vormen voor het voorliggend bestemmingsplan.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.8.1 Algemeen Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij elk ruimtelijk plan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.

4.8.2 Cultuurhistorie Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen en/of gemeentelijk of rijksmonument in of de directe nabijheid het plangebied aanwezig die speciale regeling in het bestemmingsplan behoeven. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan

4.8.3 Archeologie Op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) zijn de belangrijkste bevoegdheden aangaande de archeologie bij de gemeente neergelegd. De gemeenteraad is op grond van de Monumentenwet verplicht bij de vaststelling van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bij het opstellen van het bestemmingsplan 'Kolkwijk-Midden' is in een deel van het projectgebied van fase 3 (hier maken de vier woningen ook deel van uit) bij archeologisch onderzoek een bijzonder waardevolle vindplaats uit de Vroege tot Late Middeleeuwen ontdekt op een hoger in het landschap gelegen rivierduin (ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, februari 2013). Dit is echter niet ter plaatse van het nu voorliggende plangebied en bestemmingsplan. Het gebied is inmiddels vrijgegeven. Onder Artikel 6 van de regels van het voorliggend bestemmingsplan zijn regels en voorwaarden inzake Archeologie. Woningbouw is, zonder omgevingsvergunning voor het verrichten van werken of werkzaamheden, mogelijk als en voor zover er geen grondwerkzaamheden dieper dan 1 meter onder maaiveld plaatsvinden. Voor het beschreven bouwplan is dit niet aan de orde. Conclusie Voor de aanleg van de woningen wordt de grond niet dieper dan 1 meter geroerd, zodat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de bouwplannen.

4.9 Waterparagraaf Algemeen Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. 40/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

Tijdens het opstellen van het moederplan Kolkwijk-Midden is aandacht besteed aan de waterbelangen. Daarvoor is de 'Waterparagraaf Plan Kolkwijk te Angerlo. CSO kenmerk: 09B008/R005, datum: 8 juli 2009' opgesteld. Voor de realisatie van de 4 voorliggende woningen en het voorliggend bestemmingsplan zullen de waterbelangen in beeld moeten worden gebracht. Daarom is de oorspronkelijke waterparagraaf geactualiseerd. Deze geactualiseerde waterparagraaf is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Het plan Het totale oppervlak van de percelen waarop deze vier woningen worden gebouwd is respectievelijk 427 m2 (woning huisnr. 41) en 1.038 m2 (huisnummers 49, 50 en 51 totaal). Op het perceel van huisnummer 41 is het bebouwde oppervlak ca. 103 m2, waarbij de aanname wordt gedaan dat per woning in ieder geval ca. 40 m2 wordt bestraat (toegang, oprit naar garage, tuin). Op het perceel van de huisnummer 49, 50 en 51 is het bebouwde oppervlak ca. 261 m2, we nemen aan dat in ieder geval ca. 120 m2 wordt bestraat. In de huidige situatie liggen de beide percelen braak. Er is geen sprake van oppervlaktewater dat door de ontwikkeling op deze twee percelen wordt doorkruist. Bij de ontwikkeling van de reeds gerealiseerde woningen in het plan Kolkwijk zijn voorzieningen aangebracht voor de berging van hemelwater. Op eigen terrein zijn infiltratiekratten aangebracht in de bodem.

Bij regenval die niet kan worden verwerkt door de infiltratiekratten stroomt het water via een overloop over de straat naar een goot die afvoert naar de wadi's. Eventuele wateroverlast Op de klimaateffectatlas (www.klimaateffectatlas.nl) is aangegeven dat voor de percelen bij buien van 70 en 140 mm in 2 uur geen wateroverlast ('water op straat') wordt verwacht. De verwachte situatie bij hevige regenval is weergegeven in figuur 4. Wel wordt in de Dorpsstraat die deze percelen aan de zuidkant begrensd enige wateroverlast verwacht in deze extreme situaties. De nieuw te bouwen woningen zullen daarvan geen directe hinder ondervinden. De wateropgave Rondom ieder van de 4 percelen zal verharding worden aangelegd, enerzijds voor toegang naar de garage en anderzijds voor toegang tot de woning en in de tuin. Aangenomen is dat dit per woning ca 40 m2 zal bedragen. Het ligt voor de hand dat hiervoor tegels, klinkers e.d. worden gebruikt die onder afschot liggen en bij voorkeur tijdens buien afwateren naar de randen waar het hemelwater in de bodem kan infiltreren. Een deel van het regenwater infiltreert via de voegen in de bodem. De woningen hebben ieder een oppervlak (woning en berging/garage) dat varieert tussen van 80 m2 (huisnummers 49 en 50) tot 105 m2 (huisnummers 41 en 51).

In bestaande woonwijken zou een dergelijke uitbreiding de opvang van 40 mm (in 12 uur) vergen, in nieuwe woonwijken 52 mm (in 12 uur). Dit ervan uitgaande dat tijdens de bui van 12 uur de infiltratie in de bodem verwaarloosbaar is. Dit is een 'worst case' aanname. Bovengenoemde nieuwe woningen zouden in een bestaande wijk 3,3 m3 tot 4,2 m3 hemelwater moeten kunnen bergen, in nieuwe woonwijken 4,2 m3 tot 5,5 m3. Over de wateropvang van deze vier woningen is ook weer overleg geweest met de gemeente. De gemeente heeft aangegeven dat bij de 4 nu te realiseren woningen op dezelfde manier met hemelwater mag worden omgegaan als de reeds gerealiseerde woningen. Dat wil zeggen dat hemelwater wordt opgevangen in kratten op eigen terrein en via een overstortvoorziening geloosd op de straat, waar het kan afwateren naar de bestaande wadi in het gebied.

41/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

Infiltratiekratten Bij een benodigde capaciteit van 3,3 tot 4,2 m3 zouden dus 17 tot 21 kratten nodig zijn. Bij een bovenoppervlak van ca. 0,4 m2 zou dit bij toepassing in 1 laag zou dit 7 tot 9 m2 oppervlak vereisen, orde-grootte het oppervlak van een oprit naar een garage. Conclusie De opvang van hemelwater op de 4 percelen verloopt op dezelfde manier als bij de bestaande woningen in het plangebied, namelijk via infiltratiekratten en een overloop naar een wadi in openbaar gebied.

4.10

Parkeren en ontsluiting

4.10.1

Parkeren

De parkeerbalans die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan Kolkwijk-Midden is opgesteld, is geactualiseerd en omvat nu ook de de 4 nieuwe woningen. Voor de 4 nieuwe woningen geldt dat parkeren op eigen terrein moet worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door een verplichte lange inrit bij de twee-aaneen woningen, waar twee auto’s kunnen worden geparkeerd. Parkeren op eigen terrein is geregeld via “Kaders beeldkwaliteit vrije kavels Middengebied”, hiervoor gelden de volgende eisen: Parkeren: Inritbreedte is maximaal 3.5 meter; verplichte realisatie van lange opritten (minimaal 11,0 meter bij tweekappers); verplichte lange oprit of twee afzonderlijke opstelplaatsen op eigen terrein bij de vrijstaande woningen in het middengebied.

Afbeelding parkeerbalans Kolkwijk Midden fase 1 De parkeerbehoefte wordt geheel binnen het plangebied, voornamelijk op eigen terrein, gerealiseerd en er ontstaat geen parkeerdruk- of overlast in de omgeving. Conclusie De parkeerbehoefte wordt geheel binnen het plangebied, voornamelijk op eigen terrein, 42/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

gerealiseerd en er ontstaat geen parkeerdruk- of overlast in de omgeving. Het bestemmingsplan voldoet aan de parkeereisen van de gemeente.

4.10.2

Ontsluiting

De vier woningen zullen worden ontsloten via de Waterlelie naar de Dorpsstraat. Omdat de vier woningen reeds waren voorzien in het moederplan 'Kolkwijk-Midden' zullen deze planologisch niet voor extra verkeersbewegingen en verkeersdruk zorgen.

4.11

Duurzaamheid

De beoogde ontwikkeling maakt het mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied te voorzien in een deel van de actuele volkshuisvestelijke opgave. Hierdoor wordt voorkomen dat dit in het landelijk gebied moet worden gezocht. Het bouwplan voorziet daarmee in duurzaam ruimtegebruik. Ten aanzien van de nieuwe woningen geldt dat deze gasloos (all-electric) moeten worden uitgevoerd (op basis van de Wet voortgang energietransitie). Conclusie Het plan voorziet in duurzaam ruimtegebruik en de woningen worden gasloos uitgevoerd.

4.12

Kabels en leidingen

In het kader van het bestemmings-/moederplan Kolkwijk-Midden is onderzoek gedaan naar kabels en leidingen in en om het plangebied. De conclusie was dat in de bodem van het te ontwikkelen plangebied geen kabels en leidingen aanwezig waren, behalve eventuele (voor de hand liggende) kabels en leidingen onder of direct naast de openbare wegen in en rond het plangebied (waaronder de Waterlelie). Er is geen aanleiding te veronderstellen dat in deze situatie een wijziging is opgetreden, gezien de ontwikkeling en realisatie van een groot deel van het plangebied. Conclusie De aanwezigheid van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de bouwplannen

4.13

Milieueffectrapportage

In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

In dit specifieke geval worden, in feite, geen woningen toegevoegd, maar al voorziene woningen planologisch mogelijk gemaakt. Een dergelijke ontwikkeling is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit m.e.r.. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt bovendien dat de ontwikkeling in overeenstemming is met 43/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

een goede ruimtelijke ordening en niet zorgt voor belangrijke nadelige mileugevolgen. Conclusie Voor de ontwikkeling is geen - vormvrije - m.e.r.-beoordeling nodig.

44/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

Hoofdstuk 5 W ijze van bestemmen 5.1 Algemene juridische opzet In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit bestemmingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. In de planregels is aangesloten bij het aangrenzende bestemmingsplan 'kernen Lathum, Angerlo en Giesbeek' uit 2011. Verder zijn relevante planregels uit de paraplubestemmingsplannen 'Wonen' (2019) en 'Parkeren' (2019) in de stukken verwerkt. De regels van het onderhavige bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven.

In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan. Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel zonder meer omgevingsvergunning worden verleend. In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd. In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is.

45/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

5.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen Het groen met een meer structureel karakter (structuurgroen) is vastgelegd in de meer specifieke bestemming "Groen". Daarin zijn opgenomen grasvelden, opgaande beplanting, speelplaatsen en de diverse in het groen aanwezige voet- en fietspaden. Het is mogelijk ontheffing te verlenen voor verhardingen ten behoeve van parkeerplaatsen, indien de behoefte daaraan op of rond de daartoe aangewezen plaats is aangetoond. Uitgangspunt bij deze ontheffingsmogelijkheid is echter, dat het structurele karakter van de groenzones gehandhaafd moet blijven. Bijvoorbeeld dat in visueel opzicht sprake moet zijn van een ononderbroken verbinding met een voldoende breedte. Water en voorzieningen voor de waterhuishouding maken onderdeel uit van deze bestemming en mogen dus direct aangelegd worden. Artikel 4 Tuin De bestemming "Tuin" hoort bij het woonperceel. In die bestemming is het niet toegestaan gebouwen of bouwwerken, geen gebouw zijnde te bouwen, behoudens vergunningsvrije bouwwerken zoals muurtjes en dergelijke, als ook een erker en andere vergelijkbare (kleine) gebouwtjes aan de voorzijde van een woning. Artikel 5 Verkeer De wegen in het plangebied met een stroomfunctie voor het verkeer zijn bestemd tot "Verkeer". Zowel de rijbaan zelf, als de bermen, parkeermogelijkheden en de fiets- en voetpaden zijn binnen de bestemming opgenomen.

Bij herinrichting moet rekening worden gehouden met het aantal rijstroken (eisen Wet geluidhinder). Water en voorzieningen voor de waterhuishouding maken onderdeel uit van deze bestemming en mogen direct aangelegd worden. Artikel 6 Wonen De woonpercelen in het plangebied zijn voorzien van de bestemming "Wonen" met een bouwvlak, waarbinnen het hoofdgebouw wordt opgericht. Onder voorwaarden mogen uit- en aanbouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd. Het inrichten en gebruiken van de woning met aan-, uit- en bijgebouwen als praktijkruimte voor zogenaamde aan huis gebonden beroepen, zoals arts, tandarts, administrateur, verzekeringstussenpersoon, kunstenaar en notaris, wordt rechtstreeks toegestaan. Voorwaarde is dat de op wonen gerichte functie van de betreffende bebouwing in redelijke mate intact blijft. Voor bedrijfsactiviteiten aan huis is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen, mits aan een aantal specifieke voorwaarden wordt voldaan.

5.3 Dubbelbestemming Artikel 7 Waarde - Archeologie Via dit artikel wordt een vergunningstelsel opgelegd voor het verrichten van bodemingrepen. Al naar gelang de diepte en omvang van een ingreep is, afhankelijk van de mogelijke waarde van die locatie op het gebied van de archeologie, een omgevingsvergunning nodig.

46/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

5.4 Overige regeling Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich voordoen indien een deel van een bouwperceel dat al bij de berekening van een maximum bebouwingspercentage was betrokken wederom, nu ten behoeve van de berekening van het maximum bebouwingspercentage van een ander bouwperceel als basis wordt genomen. Artikel 9 Algemene bouwregels Binnen dit artikel zijn enkele specifieke regels opgenomen voor wat betreft afwijkingen in de bouw en afwijkingen in het bestaand bebouwingspercentage. Artikel 10 Algemene gebruiksregels Voor de redactie van de gebruiksregels is de algemene formulering aangehouden. In ieder geval is aangegeven wat gezien moet worden als strijdig gebruik. Ook is aangegeven wat gezien kan worden als toegestaan gebruik van de bestemming. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal regels opgenomen teneinde het mogelijk te maken dat het plan op ondergeschikte punten wordt aangepast. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal regels opgenomen teneinde het mogelijk te maken dat het plan binnen bepaalde marges kan worden gewijzigd. Artikel 13 Algemene procedureregels In dit artikel is een nadere eis opgenomen waarin de stappen in de te volgen procedure worden beschreven.

Artikel 14 Overige regels Teneinde discussies te voorkomen is expliciet aangegeven dat daar waar naar een wettelijke regeling wordt verwezen, dit de regeling betreft zoals die luidt op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Bebouwing die niet voldoet aan de regels van dit bestemmingsplan ten tijde van de inwerkingtreding, dan wel bebouwing die krachtens een omgevingsvergunning kan worden gebouwd, en afwijkt van het plan is onder het overgangsrecht geplaatst. Een geringe uitbreiding van de inhoud wordt mogelijk gemaakt. Indien de onder het overgangsrecht gebrachte bebouwing door een calamiteit verloren gaat, is volledige herbouw toegestaan. "Illegaal" tot stand gekomen bebouwing valt in beginsel niet onder het overgangsrecht. Het legale gebruik van gronden en opstallen dat in strijd is met dit bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot.

47/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het bestemmingsplan 'Waterlelie Angerlo' is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.

Het plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken omtrent planschade en kostenverhaal opgenomen. Voor de gemeente zijn er geen andere kosten verbonden aan dit plan, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Inleiding De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voert met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. De uitkomsten hiervan zijn in paragraaf 6.2.3 opgenomen.

48/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

6.2.2 Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Aangezien het voorliggende bestemmingsplan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt en de planregeling is afgestemd op het moederplan "Kolkwijk-Midden' en het vastgestelde plan "Kernen Lathum, Angerlo en Giesbeek", waarover overleg is gevoerd en ingestemd is met de planregeling, is aangegeven dat dergelijke plannen niet meer voor het vooroverleg toegezonden hoeven te worden naar de VROM-Inspectie en Provincie Gelderland. Door de initiatiefnemer is besloten daarom geen vooroverleg te voeren. Het plan zal als ontwerp bestemmingsplan worden aangeboden aan de gemeente.

6.2.3 Ontwerp bestemmingsplan Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [PM] Zienswijzen [PM]

49/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=e8b0337a-f4a2-4110-94a1-e56c49342859