1109123 Bijlage 2. Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Waterlelie Angerlo Gemeente: Zevenaar
Opdrachtgever: BPD Ontwikkeling BV
Organisatie
Telefoon
Documentnummer
wsp
+31 (0)88 910 20 00
SLM016927
Versie Datum Adres
NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01
Colofon Rapporthistorie Voorontwerp Ontwerp Vastgesteld Onherroepelijk Contactgegevens
Autorisatie Documentnummer
Versie
Status
SLM016927
NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01
ontwerp
Opgesteld door
Functie
Datum
Paraaf
D.Boer
Jurist omgevingsrecht
Geverifieerd door
Functie
Datum
Paraaf
Akkoord projectleider
Functie
Datum
Paraaf
D. Boer
3/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Inhoudsopgave Toelichting
2
Hoofdstuk 1 Inleiding
5
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding en doelstelling Ligging plangebied Het geldende bestemmingsplan De bij het plan behorende stukken Opzet van de toelichting: leeswijzer
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 2.2 2.3
Bestaande situatie Nieuwe situatie Ontwikkelingen in de omgeving
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal/regionaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Geluid Luchtkwaliteit Bodemkwaliteit Natuurwaarden Stikstofdepositie Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering Archeologie en cultuurhistorie Waterparagraaf Parkeren en ontsluiting Duurzaamheid Kabels en leidingen Milieueffectrapportage
Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen 5.1 5.2 5.3 5.4
Algemene juridische opzet Bestemmingsregels Dubbelbestemming Overige regeling
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
4/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
5 6 7 8 9
10 10 11 12
14 14 17 21
26 26 28 29 32 35 37 39 40 40 42 43 43 43
45 45 46 46 47
48 48 48
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling De voorgenomen ontwikkeling omvat de realisatie van 4 woningen en het verwijderen van de geurcirkel op de percelen, kadastraal bekend als sectie K nummers 485, 515, 517 en 518, gelegen aan de Waterlelie te Angerlo. In 2010 is het bestemmingsplan ‘Kolkwijk Midden’, gemeente Zevenaar, vastgesteld, om een gefaseerde woningbouwontwikkeling oostelijk van de kern Angerlo mogelijk te maken. Vanwege de fasering geldt voor een deel van het plangebied de bestemming ‘Woongebied, uit te werken’, waardoor in dat deel woningbouw niet rechtstreeks is toegelaten. In de afgelopen jaren zijn in fases woningen mogelijk gemaakt, via onder andere omgevingsvergunningen in afwijking van het bestemmingsplan. Over een groot deel van de gronden met de bestemming 'Woongebied, uit te werken' ligt in het bestemmingsplan ‘Kolkwijk Midden’ nog een geurcirkel ten behoeve van het voormalig agrarisch bedrijf gelegen aan de Dorpsstraat 56 te Angerlo. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf en de herbestemming van de percelen met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Dorpsstraat 56 - Eldrikseweg Angerlo' is deze geurcirkel niet meer relevant. Om de geurcirkel ook planologisch te verwijderen, is een bestemmingsplan noodzakelijk. De percelen die binnen de te verwijderen geurcirkel liggen worden in dit bestemmingsplan meegenomen.
Verder wordt het plangebied uitgebreid met in het recente verleden al vergunde woningen aan de Waterlelie 4, 6, 7, 9, 11 en 13 en Gele Lis 2A, zodat één actueel bestemmingsplan ontstaat. De toelaatbaarheid van de woningbouw in dit bestemmingsplan is in het ‘moederplan’ al op alle relevante punten onderbouwd en positief beoordeeld. De invulling van de fasering zorgt dus niet voor extra effecten ten opzichte van het moederplan. Het doel van het voorliggende bestemmingsplan 'Waterlelie Angerlo' is dan ook om de beoogde ontwikkeling en het verwijderen van de geurcirkel planologisch-juridisch te borgen.
5/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
1.2 Ligging plangebied Het plangebied Waterlelie Angerlo ligt aan weerzijden van en over de Waterlellie en de aanwezige groenvoorziening, aan de Dorpsstraat in Angerlo, Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de weg Gele Lis. Aan de oost- en westzijde grenst het plangebied respectievelijk aan de percelen Dorpsstraat 95 en Dorpsstraat 83-85. De zuidelijke plangrens wordt gevormd door de Dorpsstraat.
Afbeelding 1-1 situering plangebied
6/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Afbeelding 1-2 begrenzing plangebied bestemmingsplan Waterlelie Angerlo.
1.3 Het geldende bestemmingsplan Op de percelen aan de Waterlelie is het bestemmingsplan 'Kolkwijk Midden' van kracht, zoals vastgesteld op 28 april 2010. De betreffende gronden hebben de bestemmingen ‘Woongebied, uit te werken’, 'Groen', 'Verkeer', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de gebiedsaanduiding 'milieuzonde - geurzone'.
7/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Afbeelding 1-3 fragment van het vigerend bestemmingsplan Ook zijn op deze gronden van toepassing het 'Paraplubestemmingsplan Wonen' (vastgesteld 18-12-2019) en het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' (vastgesteld 30-01-2019). Strijdigheid plan De gewenste ontwikkeling is in strijd met de regels van het vigerend bestemmingsplan omdat op de gronden een uitwerkingsverplichting ligt. Tevens is in dit bestemmingsplan nog een geurcirkel opgenomen, waarbinnen geen gevoelige objecten mogen worden opgericht.
1.4 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan 'Waterlelie Angerlo' met identificatienummer NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 bestaat, naast deze toelichting (met bijlagen), uit de volgende stukken: verbeelding planregels, inclusief bijlagen.
8/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende plan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels verbonden om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. De toelichting is niet juridisch bindend, maar is niettemin een belangrijk document bij het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het plan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
1.5 Opzet van de toelichting: leeswijzer De toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 Planbeschrijving staat stil bij de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 Beleid is een beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsvisies van andere overheden die relevant zijn voor het plangebied; de gevolgen of effecten op de planologische- en milieutechnische aspecten worden in Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten beschreven; in Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen worden de gehanteerde bestemmingen met bijbehorende regeling beschreven; Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid, heeft betrekking op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan;
9/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in één van de deelgebieden van het oorspronkelijk stedenbouwkundig ontwerp. Vanwege de aanwezigheid van de geurcirkel zijn 4 kavels tot nu toe nog niet uitgewerkt en onbebouwd.
Afbeelding 2-1 bestaande situatie plangebied
10/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
2.2 Nieuwe situatie Omdat de agrarische bedrijfsvoering aan de Dorpsstraat 56 is gestaakt, is de geurcirkel niet meer van toepassing. Middels het voorliggend bestemmingsplan zal de geurcirkel worden wegbestemd. Hierdoor kunnen de laatste 4 woningen aan de Waterlelie worden uitgewerkt. Hieronder is een concept situatietekening opgenomen, waaruit blijkt dat er 2 vrijstaande woningen en 2 geschakelde woningen zullen worden gerealiseerd. Qua ontwerp zal voor deze woningen aansluiting worden gezocht bij de reeds gerealiseerde woningen in het plan.
Afbeelding 2-2 concept situatietekening nieuwe situatie
Afbeelding 2-3 impressie van de geschakelde woningen
11/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Afbeelding 2-4 impressie vrijstaande woningen
2.3 Ontwikkelingen in de omgeving Ten westen van het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan worden bestaande woningen vervangen door nieuwe woningen (woningstichting Plavei). Ten noorden van het plangebied wordt de verdere invulling van het oorspronkelijke bestemmingsplan 'Kolkwijk Midden' verder ontwikkeld (BPD).
12/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Afbeelding 2-5 ontwikkeling Plavei aan de westzijde van het plangebied bestemmingsplan Waterlelie Angerlo. Voor het vervangen van de bestaande woningen aan de Dorpsstraat wordt (op initiatief van Plavei) een aparte planologische procedure doorlopen. De ontwikkelingen binnen het voorliggende plangebied vormen geen belemmering voor de beoogde woningbouw door Plavei en andersom is dit ook niet het geval.
13/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2023 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. De NOVI is op 15 september 2020 vastgesteld. Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig.
Door deze zoveel mogelijk te clusteren, voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk. Voorwaarde is steeds dat bewoners echt goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik, en waar dat kan meeprofiteren in de opbrengsten. De aanleg van zonneparken in het landschap moeten we zoveel mogelijk beperken. Het Rijk plaatst bij voorkeur eerst zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. We zetten in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam, en circulair.
We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke 14/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap. We zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en – veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Niet alleen groei heeft onze aandacht. Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt.
Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio’s en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie plangebied: Het plan maakt de realisatie van 4 woningen mogelijk op basis van een uitwerkingsbevoegdheid in het moederplan en het verwijderen van de geurcirkel. Hiermee vormt het plan geen onevenredige aantasting van nationale belangen in de Omgevingsvisie.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De in het NOVI opgenomen nationale belangen zijn juridisch geborgt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: rijksvaarwegen; 15/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament; grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; defensie; hoofdwegen en landelijke spoorwegen; elektriciteitsvoorziening; buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; ecologische hoofdstructuur; primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Conclusie Het voorliggend plan heeft geen betrekking op de genoemde nationale belangen en is derhalve niet in strijd het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is sinds 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Sinds 1 juli 2017 luidt de formulering van de Ladder in artikel 3.1.6. lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwik keling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' Op grond van de ladder moeten de volgende punten worden geadresseerd: 1. Er moet worden nagegaan of het bij de nieuwe ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan, gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 2. Als het gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet worden beschreven dat er daadwerkelijk voldoende vraag bestaat naar deze ontwikkeling. 3. Als er voldoende vraag naar de nieuwe stedelijke ontwikkeling bestaat, moet de vraag worden beantwoord of bestaand stedelijk gebied (of bestaande bebouwing) de ruimte voor deze ontwikkeling niet kan bieden.
Volgens vaste rechtspraak wordt een ontwikkeling van minder dan 11 woningen niet beschouwd als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. De Ladder is op deze ontwikkeling niet van toepassing. In het 'moederplan' is al voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan, onder andere, de woningen in het plangebied. Conclusie Het onderhavige plan is niet in strijd met enig nationaal belang uit het Besluit ruimtelijke ordening.
16/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
3.1.4 Wet Voortgang Energietransitie (aardgasloos bouwen) Sinds 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet, hierna: Wet Vet) van kracht. Bij deze wet is bepaald dat de aardgasaansluitplicht voor nieuwbouw vervalt. Dit betekent dat vanaf 1 juli 2018 projectontwikkelaars, aannemers en gemeenten rekening moeten houden met het feit dat nieuw te bouwen bouwwerken niet meer mogen worden aangesloten op het gasnet. Een uitzondering op aardgasloos bouwen is mogelijk, maar is aan voorwaarden onderhevig. Conclusie De nieuwe woningen zullen gasloos worden gerealiseerd.
3.1.5 Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.2 Provinciaal/regionaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is vastgesteld op 19 december 2018 en gaat over ‘Gaaf Gelderland’. Hierin wordt benoemd wat voor de provincie van waarde is en wat men willen beschermen. Tevens wordt richting gegeven aan wat men wil en ook moet veranderen en ontwikkelen. Zo kan met overtuiging en in vertrouwen de provincie doorgegeven aan volgende generaties. Een Gelderland van en voor ons allemaal en voor de kinderen van de toekomst. De wereld verandert ingrijpend en snel. Er zijn grote, grensoverschrijdende ontwikkelingen die ook Gelderland raken. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, verdere verstedelijking in combinatie met krimp, toenemende mobiliteit op de weg en in de lucht, digitalisering, internationalisering. Uitdagingen die om antwoorden vragen. Die moeten samen worden beantwoord door inwoners, bedrijven, organisaties, overheden. De vraagstukken van nu zijn te groot en te ingewikkeld om los van elkaar aan te pakken. Niemand heeft de oplossing alleen in handen. Samen de krachten bundelen. Dat vraagt een andere rolinvulling, ook van ons. Steeds weer en meer samen met partners optrekken op basis van gelijkwaardigheid. En, waar dat kan en nodig is, het initiatief en de ruimte aan anderen laten. Of zelf de handschoen oppakken en doorpakken.
In de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ beschrijft men het vergezicht: het beeld op de toekomst. Dit beeld is het resultaat van vele vruchtbare gesprekken met partners: inwoners, ondernemers, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties, overheden. Een vergezicht dat het accent legt op wat wij samen belangrijk vinden. Een vergezicht dat tot de verbeelding spreekt en uitnodigt en aanspoort tot actie. En: dat helpt bij het gesprek over de keuzes die te maken zijn bij het vinden van concrete oplossingsrichtingen. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Dat is het streven. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – wordt hier richting aan gegeven. En door vier 'spelregels’ of ‘DOE-principes’ – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft men hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen wij werken en afwegingen maken. Naar de toekomst: een schoon, gezond, veilig en welvarend Gelderland. Vanuit een rijk verleden en het heden wordt aan de toekomst gewerkt. Daarom staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. 17/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Paragraaf 7 Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke.
De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd investeren we in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied ons vertrekpunt. Wij geven de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen. Wij gaan voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, breiden we uit aan de randen van onze steden of dorpen.
Afbeelding 3-1 visieschets belangrijke opgaven woon- en leefomgeving Woonwensen veranderen door de tijd en met de leeftijd. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. De dynamiek op de woningmarkt is groot, ook als gevolg van ontwikkelingen in de Randstad. Het grootste deel van de woningen die we in 2050 in Gelderland nodig hebben, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Soms zijn zelfs tijdelijke woonvormen nodig willen we snel in kunnen spelen op de vraag. Voor ons staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. We hebben zorg en aandacht voor de woonbehoeften van alle Gelderlanders en maken hier met onze partners afspraken over. Ook zijn de meeste woningen verre van 18/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
energieneutraal en klimaatbestendig. Wij stimuleren innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Ook zijn wij met onze partners in gesprek over hoe we het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer kunnen aanpakken. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van onze inwoners. Streven: Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Zo versterken wij de economische kracht en kwaliteit van leven in Gelderland, nu en in de toekomst. Ambitie: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. Benutten van de bestaande bebouwde omgeving optimaal met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal. Aanpak: In gesprek met de Gelderse regio’s en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Specifieke aandacht hebben voor de gemeentegrens overstijgende woonvraagstukken.
Het stimuleren van innovaties in woonwijken op het vlak van duurzaamheid en het omvormen van bestaande gebouwen tot woonruimte.
19/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
3.2.2 Verordening ruimte De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
Hoofdstuk 2 Ruimte Dit hoofdstuk van de Omgevingsverordening bevat met name (instructie)regels voor bestemmingsplannen over onderwerpen die vanwege het bovenlokale of (boven)regionale belang als provinciaal belang zijn aangemerkt. Regels over wonen, bedrijvigheid (werklocaties), glastuinbouw, veehouderij, grond- en drinkwater, natuur en landschap en energie. Artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vormt de grondslag voor deze (instructie)regels en voor de aanvullende regels die rechtstreeks gelden voor burgers en bedrijven. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan, neemt het gemeentebestuur de instructieregels in acht. Onder een ‘bestemmingsplan’ verstaan we hier alle besluiten die genoemd worden in artikel 1.3. Afhankelijk van de aard van het onderwerp en de urgentie van de doorwerking van de instructieregel, is voorzien in een langere of kortere implementatietermijn. Veelal is rekening gehouden met bestaande rechten. Doorvertaling van de instructieregels vindt pas plaats als de gemeente een bestemmingsplan (in de hiervoor bedoelde betekenis) vaststelt of wijzigt. Deze bepalingen gelden dus niet voor vigerende plannen, tenzij in het overgangsrecht nadrukkelijk anders is bepaald. Woonlocaties en recreatiewoningen Een goede plek om te wonen voor iedereen, nu en in de toekomst, daar draait het om. Daar willen we samen met alle partijen mee aan de slag.
Wat er nodig is om dit doel te bereiken, de opgave, stellen we centraal. Deze opgave verschilt per regio en is deels regionaal. Als provincie borgen wij dat elke regio hiervoor een regionale woonagenda opstelt. Hiermee zorgen wij voor een structuur waarbinnen partijen afspraken kunnen maken om de regionale opgave verder te brengen.
3.2.3 Conclusie Het plan betreft de realisatie van 4 woningen op basis van een uitwerkingsbevoegdheid uit het moederplan 'Kolkwijk Midden'. De vier woningen zijn derhalve geen toevoeging aan het woningbouwprogramma. Het plan is daarmee in overeenstemming met de uitgangspunten van het provinciaal beleid.
20/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie gemeente Zevenaar 2030 Op 20 februari 2013 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie "Samen kijken naar de toekomst 2012-2030" vastgesteld. De Structuurvisie is het integrale kompas voor het verdere ruimtelijk beleid tot 2030 voor het hele grondgebied van de gemeente Zevenaar. In de structuurvisie wordt ingezet op een vijftal hoofdopgaven: a. Versterken van de identiteit van Zevenaar met aandacht voor de diversiteit in landschappen, kernen en functies b. Voldoende plek voor stedelijke ontwikkelingen tot 2030 c. Behoud van kwalitatief goede woon- en werkgebieden en goede voorzieningen d. Tegengaan van versnippering van de leefomgeving incl. het leefbaar houden van de kernen e. Nadrukkelijker inzetten op een duurzame ontwikkeling De opgaven worden benaderd vanuit de drie kernwaarden: 'verbinden', 'diversiteit' en 'kwaliteit'. Deze kernwaarden vormen de rode draad van waaruit de gemeente Zevenaar de komende jaren werkt.
Afbeelding 3-2 fragment Structuurvisieplankaart Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangeduid als 'Woonkernen nieuw'. De nieuwbouwwijk Kolkwijk is beschreven als nieuwe wijk met relatief veel woningen in het betaalbare segment in een groene dorpse setting. De wijk biedt meer dan voldoende ruimte om de eigen groei op te vangen. Conclusie Het plan strekt tot de realisatie van 4 grondgebonden woningen, fase 3, van het plan Kolkwijk. De woningtypen sluiten aan bij de al ontwikkelde delen van het woongebied en passen binnen de uitwerkingsbevoegdheid uit het moederplan 'Kolkwijk Midden'. De vier woningen zijn opgenomen in het gemeentelijk woningbouwprogramma. Hiermee sluit het plan aan bij 21/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie.
3.3.2 Parapluplanbestemmingsplan Wonen Het parapubestemmingsplan is vastgesteld 18 december 2019. Sinds enige tijd speelt in de gemeente Zevenaar de problematiek met betrekking tot het gebruik en de aankoop van reguliere woningen voor de huisvesting van meerdere huishoudens en onzelfstandige kamerverhuur aan arbeidsmigranten. De gemeente heeft in 2018 een aanpak van woonoverlast uitgewerkt. Onderdeel van deze aanpak is een aanscherping van de regels voor wonen in bestemmingsplannen/beheersverordeningen. In bestemmingsplannen is vastgelegd hoe gronden, bestemd voor “wonen”, mogen worden gebruikt. In een deel van de bestemmingsplannen/beheersverordeningen is vastgelegd dat deze gronden bedoeld zijn voor “wonen” zonder nadere definiëring. In een deel van de plannen/beheersverordeningen is vastgelegd dat “wonen” bedoeld is voor één afzonderlijk huishouden in een woning. Hierbij is de term huishouden niet nader toegelicht. Met het parapluplan wordt toegewerkt naar eenduidige definities in alle bestemmingsplannen/beheersverordeningen. Uit jurisprudentie gebleken dat de beleidsregels niet kunnen worden toegepast, omdat de huisvesting van zowel arbeidsmigranten als studenten niet in strijd is met de reguliere woonbestemmingen, die in veel van de bestemmingsplannen/beheersverordeningen van de gemeente Zevenaar zijn opgenomen.
Huisvesting van meerdere huishoudens in een woning is 'gewoon' mogelijk op basis van de in de bestemmingsplannen/beheersverordeningen opgenomen omschrijving. Teneinde deze ongewenste situaties te voorkomen, is het paraplubestemmingsplan opgesteld. Daarmee worden verdere diverse huisvestingsvormen in woningen voorkomen dan wel gereguleerd. Planspecifiek Het plan strekt tot de realisatie van 4 grondgebonden woningen, voorzien in fase 3 van het plan Kolkwijk. In het voorliggend bestemmingsplan zijn de definities omtrent wonen uit het 'paraplubestemmingsplan wonen' overgenomen.
22/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
3.3.3 Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar Met ingang van 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening vervallen. Op dat moment kon er bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de bouwverordening getoetst worden aan de gemeentelijke parkeernorm. Om het parkeerbeleid van de gemeente alsnog juridisch te borgen is het Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar opgesteld en vastgesteld op 30 januari 2019. Voor de te hanteren parkeernormen wordt aangesloten bij de parkeerkencijfers van Nationaal kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte (CROW: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317, oktober 2012). Deze publicatie biedt een handreiking voor bijvoorbeeld het bepalen van het aantal verkeersbewegingen die een bepaalde functie genereert maar ook voor de parkeernorm (parkeerkencijfer) die bij de functie hoort. De parkeernorm neemt daarbij af naarmate het project dichter bij het centrum ligt van zeer stedelijk gebied en is het hoogst als het project in het buitengebied ligt van een niet stedelijk gebied. Voor elk soort gebied wordt door voornoemde CROW-publicatie per functie een bandbreedte gegeven voor de te hanteren parkeernorm (minimaal - maximaal). Zevenaarse keuzen Voor Zevenaar geldt dat het een gemeente is die matig stedelijk is.
In de gegeven bandbreedte wordt de norm gehanteerd die het gemiddelde is van de minimale en maximale normen. Dit is gedaan om enige ruimte te geven aan initiatieven. Daar komt bij dat de parkeernorm inclusief een bezoekersaandeel is en het is bij diverse functies gebruikelijk dat bezoekers in het openbare gebied parkeren. Ook daarom is niet gekozen voor de maximale norm uit de bandbreedte. Bij de normstelling is aansluiting gezocht bij de functielijsten en de waarden uit de publicatie 317 van het CROW uit 2012. Verder worden een drietal gebieden onderscheiden: centrum, rest bebouwde kom en buitengebied. Het planbied is volgens het paraplubestemmingsplan gelegen in een 'Overige zone - rest bebouwde kom'. Planspecifiek Het planbied is volgens het paraplubestemmingsplan gelegen in een 'Overige zone - rest bebouwde kom'. Binnen het plangebied worden 4 nieuwe grondgebonden woningen gebouwd, die al waren voorzien in het moederplan 'Kolkwijk-midden'. Een aantal op basis van een omgevingsvergunning al gerealiseerde woningen maken ook deel uit van het plangebied; bij de besluitvorming over deze woningen is telkens apart rekening gehouden met de parkeereisen.
23/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
3.3.4 Bestemmingsplan Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007 welke een onderdeel vormt van de Monumentenwet. Zevenaar heeft een rijke historie en kent mede daarom een rijke archeologische historie. Vanuit het voornoemd Verdrag en vanuit de Monumentenwet heeft Zevenaar archeologisch beleid gemaakt. Op basis van dat archeologische beleid is een zogenaamde 'loketkaart' vastgesteld. Dit beleid en de loketkaart vormen de onderlegger voor het bestemmingsplan. Vanuit deze stukken volgt de beleidsmatige onderbouwing van de gemaakte keuzes in dit bestemmingsplan Archeologie zoals vastgesteld op 7 april 2010. De doelstelling van het bestemmingsplan is om het gemeentelijke archeologische beleid door te vertalen in de bestemmingsplannen. Planspecifiek In het voorliggend bestemmingsplan is het archeologisch beleid overgenomen in Artikel 7 Waarde - Archeologie van de Regels.
3.3.5 Welstandsbeleid Een bestemmingsplan is erg belangrijk voor het bouwrecht. Omgevingsvergunningen voor het bouwen worden immers getoetst aan de regels uit het bestemmingsplan. Naast de bestemmingsplanbepalingen en de bouwtechniek is het uiterlijk van een bouwwerk erg belangrijk. Hiervoor heeft de gemeente welstandsbeleid opgesteld, in de vorm van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (d.d. 2012). In de nota zijn, onder meer, gebiedsgerichte criteria opgenomen voor enkele afzonderlijk beschreven deelgebieden binnen de gemeente, om er voor te zorgen dat een bouwactiviteit zo goed mogelijk wordt afgestemd op het karakter van de bestaande gebouwde omgeving. Het plangebied ligt binnen het deelgebied Kolkwijk/De Koppel, ten noordoosten van de bebouwingslinten aan de Dorpsstraat en de Meester Waayerstraat. Aan de noordzijde wordt het gebied begrensd door de waterloop de Leigraaf en het in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein de Koppeling. Aan de oostzijde is de bestaande weg de Koppel de natuurlijke grens. Samen met de locatie voormalige melkfabriek (in deelgebied A02) ligt hier de uitbreidingslocatie Angerlo-Oost. Kolkwijk is hierbij het omvangrijkste deelgebied waar een fors deel van de plancapaciteit in woningen binnen het betaalbare segment gerealiseerd moet worden. Hierdoor zal het beeld van het binnengebied sterk bepaald worden door rijwoningen.
De zuidelijke buitenranden waartoe ook het entreegebied van de wijk en de overgangszone naar de Koppel behoren bieden ruimte voor de duurdere tweekappers en vrijstaande woningen. Het gebied is een woningbouwlocatie die gefaseerd in ontwikkeling wordt gebracht.Voor de te ontwikkelen percelen geldt het beeldkwaliteitsplan “Kolkwijk”.Voor zover sprake is van een beheersgebied geldt een regulier welstandsniveau (handhaven basiskwaliteit, voor zo ver gebieden niet grenzen aan belangrijke wegen of openbare ruimtes), tenzij de eisen uit het beeldkwaliteitsplan boven dit welstandsniveau liggen, dan gelden deze laatste. Conclusie De woonwijk Kolkwijk en het bedrijventerrein De Koppel zijn in de nota opgenomen als deelgebied A08. Voor de te ontwikkelen percelen geldt het beeldkwaliteitsplan “Kolkwijk”. Voor zover sprake is van een beheersgebied geldt een regulier welstandsniveau. De vier woningen zullen qua aard, omvang en en uiterlijke verschijningsvorm aansluiten bij de reeds gerealiseerde woningen in de wijk en daarmee voldoen aan de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan en het welstandsbeleid. 24/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
3.3.6 Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid.
25/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten Het milieubeleid is primair bedoeld om een optimale leefomgeving te realiseren. Dit kan er soms toe leiden dat beperkingen worden opgelegd aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. In onderstaande worden de conclusies voor de verschillende aspecten beschreven.
4.1 Geluid 4.1.1 Algemeen Aan de Waterlelie in Angerlo heeft BPD Ontwikkeling reeds meerdere woningen ontwikkeld. Ten behoeve van de realisatie van de laatste 4 woningen is in het kader van de te doorlopen bestemmingsplanprocedure een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting. Het doel van het onderzoek is enerzijds het bepalen van de optredende geluidbelastingen vanwege nabij gelegen zone-plichtige wegen en het toetsen van de berekende waarden aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder en aan het gemeentelijk geluidbeleid. De Wet geluidhinder (hierna: Wgh) beoogt de burger te beschermen tegen te hoge geluidbelastingen. In deze wet zijn onder meer de normen voor geluid als gevolg van weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai vastgelegd. Bij ruimtelijke plannen dient rekening gehouden te worden met de in de Wgh opgenomen grenswaarden en bepalingen. In de Wgh gelden voorkeursgrenswaarden en maximaal toelaatbare grenswaarden voor de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelige bestemming. Gemeentelijk geluidbeleid Op 1 juli 2009 heeft de gemeenteraad van de gemeente Zevenaar het gemeentelijk geluidbeleid 2008 vastgesteld. Met betrekking tot wegverkeer is in dit beleid het volgende opgenomen. De gemeente kent een gebiedsgericht geluidbeleid. Er wordt gestreefd naar behoud, en waar nodig verbetering, van de huidige geluidssituatie.
Per gebiedstype zijn algemene ambities voor verkeerslawaai vastgesteld. Het plangebied is gelegen binnen het gebied "De woonwijken in Zevenaar en in de dorpen". De algemene kwalificatie voor de geluidsambitie in dit gebiedstype is "redelijk rustig" (geluidniveaus tot 48 dB incl. aftrek1). Voor wegverkeer geldt een bovengrens van "zeer onrustig" (geluidniveaus tot 58 dB incl. aftrek). Om de gebiedsambitie te kunnen realiseren zijn voor nieuwe situaties twee maatregelen nader uitgewerkt die binnen de gemeente worden toegepast. Deze maatregelen zijn: stille wegdekken; dove gevels. Het toepassen van dove gevels is alleen toegestaan wanneer bron- en overdrachtsmaatregelen onvoldoende werken of niet mogelijk zijn om uit te voeren. De gemeente beschouwt 30 km/uur-wegen voor wat betreft het aspect geluid als "gewone" wegen. Dit betekent dat bij verandering van bijvoorbeeld de weg of het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen waarbij wordt vermoed dat de geluidbelasting hoger wordt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, onderzoek wordt gedaan naar de akoestische gevolgen van die verandering en naar de oplossingsmogelijkheden. Gegevens Wegverkeerslawaai 26/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Door de Omgevingsdienst Regio Arnhem is een geomilieumodel aangeleverd met de verkeersgegevens in de omgeving van het plangebied voor het prognosejaar 2030 (RVMK regio Arnhem_2021_1_2). Voor het bepalen van de etmaalintensiteiten voor het toekomstig, maatgevende jaar 2031 is aangegeven dat rekening kan gehouden worden met een autonoom groeipercentage van 1% per jaar. De Waterlelie betreft een ontsluitingsweg en wordt vanwege het bestemmingsverkeer als niet relevant beschouwd. De Waterlelie wordt daarom niet verder beschouwd in voorliggend onderzoek. Voor de Ganzepoelweg en het zoneplichtige deel van de Dorpsstraat (ten oosten van het plangebied) geldt dat deze zijn gelegen in stedelijk en buitenstedelijk gebied en dat de wegen 2 rijstroken hebben. De zonebreedte bedraagt derhalve 200 tot 250 meter voor beide wegen afhankelijk van de ligging in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied. Het bouwplan is enkel gesitueerd binnen de zone van de Ganzepoelweg. Op basis van de representatief te achten snelheid bedraagt de aftrek conform art. 110g Wgh 5 dB.
4.1.2 Akoestisch onderzoek In het kader van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als (Bijlage 1) in de toelichting opgenomen. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de Ganzepoelweg op het maatgevende toetspunt ten hoogste 40 dB bedraagt. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh, zijnde 48 dB. De Wet geluidhinder legt verder geen restricties op aan het plan. Aangezien de voorkeursgrenswaard niet wordt overschreden is cumulatie in het kader van de Wgh niet aan de orde.
Tevens blijkt uit het onderzoek dat de geluidbelasting als gevolg van de Dorpsstraat ten hoogste 49 dB bedraagt exclusief aftrek conform art. 110g Wgh. De gemeente Zevenaar heeft in haar geluidbeleid opgenomen dat 30 km/uur-wegen worden beschouwd als "gewone" wegen. Wanneer, conform een "gewone" weg, de aftrek ex art. 110g Wgh wordt toegepast, bedraagt de geluidbelasting 44 dB en voldoet dus ook ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 50 dB (exclusief aftrek conform art. 110g Wgh). Daarmee wordt voldaan aan de ambities van de gemeente Zevenaar en is eveneens sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat. Vanuit het Bouwbesluit geldt voor deze woningen alleen de minimum eis dat de gevelgeluidwering moet voldoen aan minimaal 20 dB. Wanneer wordt voldaan aan de minimumeis van 20 dB, bedraagt het geluidniveau in de woning ten hoogste 33 dB (cumulatieve geluidbelasting exclusief aftrek – 20). Daarmee wordt voldaan aan de eis voor het binnenniveau die het Bouwbesluit stelt indien voor een woning een hogere-waardenbesluit wordt vastgesteld en wordt het goed akoestisch binnenklimaat gegarandeerd. 27/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
Conclusie De woningen in het plangebied zijn krachtens de Wet geluidhinder gelegen binnen de geluidzone van de Ganzepoelweg. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de Ganzepoelweg ten hoogste 40 dB bedraagt inclusief aftrek conform art. 110g Wgh. Daarmee wordt ruim voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh. De Wet geluidhinder legt geen verdere restricties op aan het plan. Daarnaast is het plan gelegen nabij de niet-gezoneerde Dorpsstraat. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing is de geluidbelasting als gevolg van deze weg inzichtelijk gemaakt. Op basis van de Wet geluidhinder zijn geen grenswaarden van toepassing op deze geluidbelasting. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de Dorpsstraat ten hoogste 49 dB bedraagt (exclusief aftrek conform art. 110g Wgh). De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt daarnaast 50 dB exclusief aftrek conform art. 110g Wgh. Daarmee is sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat en wordt ook voldaan aan de ambities van de gemeente Zevenaar zoals opgenomen in het gemeentelijk geluidbeleid. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor het voorliggend bestemmingsplan.
4.2 Luchtkwaliteit 4.2.1 Niet in betekenende mate In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. De bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij van het vigerende bestemmingsplan wordt afgeweken is opgenomen in artikel 5.16 lid 2 als een bevoegdheid waarbij de luchtkwaliteit in de besluitvorming moet worden meegewogen. Als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De 3%-grens van een project dat ‘niet in betekenende mate bijdraagt’, is ook omgezet in een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt deze 3%-grens gerespecteerd.
kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. (voorschrift 3A.1) woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2) In dit geval worden 4 woningen toegevoegd. Dit valt ruim onder de hiervoor vermelde drempel, wat inhoudt dat het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert. Op grond van artikel 5.16 lid 1 onder c. Wm jo. artikel 5.16 lid 4 Wm jo. artikel 4 lid 1 Besluit niet in betekenende mate jo. bijlage 4a voorschrift 3A.2, draagt de bouw van de woningen niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
28/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
4.2.2 Woon- en leefklimaat Om te bepalen of de luchtkwaliteit in het plangebied zodanig is dat qua luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden is gebruik gemaakt van de NSL Monitoring (Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht), ronde 2021. Het plangebied zelf bevat geen rekenpunten, omdat het niet is gelegen langs wegen die in het NSL voorkomen. Gekeken is daarom naar de situatie in rekenpunten in de omgeving van het plangebied, langs de Provinciale Weg N338 ten noorden van het plangebied l. Uit de gevens op de rekenpunten langs de genoemde weg blijkt dat de waarden voor de relevante luchtverontreinigende stoffen (NO2, PM10 en PM2,5) ruim onder de grenswaarden blijven. Dit betekent dat in het plangebied, voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit, een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden.
Afbeelding 4-1 uitsnede kaart NSL Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.3 Bodemkwaliteit 4.3.1 Algemeen In het kader van een nieuw bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. De aanleiding voor dit actualiserende bodemonderzoek is enerzijds het nu voorliggend bestemmingsplan, voor zo ver het gaat om het realiseren van 4 nieuwe woningen aan de Waterlelie, en anderzijds de in 2009 aangetoonde licht verhoogde gehalten in het plangebied. Voor de al bestaande woningen in het plangebied is bij de desbetreffende besluitvorming bodemonderzoek gedaan en beoordeeld.
29/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
4.3.2 Bodemonderzoek In het kader van het bestemmingsplan is bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 2 in de toelichting opgenomen. Het onderzoek is uitgevoerd op het voorliggende plangebied (fase 4), maar ook op een perceel waarop een toekomstige ontwikkeling gaat plaatsvinden (fase 3), zie onderstaande situatieaanduiding.
Afbeelding 4-2 aanduiding fases uitgevoerde bodemonderzoek Voorgaande bodemonderzoeken Uit de diverse bodemonderzoeken blijkt dat het gebied altijd een agrarische bestemming heeft gehad en in de grond zeer lichte verontreinigingen kunnen worden verwacht met zware metalen en PAK. In het grondwater kunnen lichte verontreinigingen met zware metalen en vluchtige aromaten (xylenen) worden aangetoond. Uit navraag bij de gemeente Zevenaar blijkt dat zich in de periode vanaf 2016 tot heden geen calamiteiten en/of morsingen hebben voorgedaan die een nadelig effect op de bodemkwaliteit hebben. Asbest In het vooronderzoek is tevens nagegaan of er sprake is van een asbestverdachte locatie (bijvoorbeeld bij ongecontroleerde sloop van gebouwen met asbesthoudende bouwstoffen, bij de aanwezigheid van ophooglagen of bij het gebruik van asbesthoudende beschoeiingen/afscheidingen). Op basis van het vooronderzoek is er geen sprake van een asbestverdachte locatie. Terreininspectie Voorafgaand aan het veldwerk is een terreininspectie uitgevoerd. Tijdens de terreininspectie ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn aan het maaiveld geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van morsingen en/of lekkages die een nadelige invloed op de bodemkwaliteit tot gevolg hebben.
Bodembeleid Voor het grondgebied van de Milieusamenwerking regio Arnhem (de gemeenten Arnhem, Doesburg, Duiven, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Westervoort en Zevenaar) is een bodemkwaliteitskaart opgesteld (Nota bodembeheer gemeente Zevenaar, februari 2011). Bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart is het beheersgebied op basis van de gebiedskenmerken ingedeeld in verschillende regionale deelgebieden. Binnen deze regionale 30/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
deelgebieden is de verwachting dat de chemische bodemkwaliteit vergelijkbaar is. De huidige onderzoekslocatie is voor de bovengrond gelegen in het deelgebied B8 'Overige bebouwing landelijke gemeente' en voor de ondergrond in het deelgebied O24 Zand. Conclusie vooronderzoek Op basis van eerder uitgevoerde (voor)onderzoeken en de aanvullende gegevens blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie maximaal licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater worden verwacht. Aangezien er in het verleden eveneens geen asbestverdachte bodemvreemde materialen (puin e.d.) in de grond zijn aangetroffen is uitbreiding van het bodemonderzoek met een asbestonderzoek niet noodzakelijk. PFAS Er is geen aanleiding om aan te nemen dat op onderhavige onderzoekslocatie hoge gehalten aan PFAS en/of GenX in de grond aanwezig zijn, er is geen puntbron in de directe omgeving bekend. In vrijwel heel Nederland zijn (zeer) licht verhoogde gehalten aan PFAS verbindingen in de grond aanwezig als gevolg van atmosferische depositie. Indien er grond zal worden afgevoerd zal het wel noodzakelijk zijn om deze af te voeren grond te onderzoeken op de aanwezigheid van PFAS. Aangezien vooralsnog geen afvoer van grond is voorzien is hier geen rekening mee gehouden in onderhavig onderzoek.
Verkennend bodemonderzoek Op basis van de indeling is het onderzoek verdeeld in drie deellocaties die alle drie als separate locatie zijn onderzocht: Deellocatie A: Bouwfase 3 - noord, circa 16.665 m2; Deellocatie B: Bouwfase 4 - kavel 41, circa 450 m2; Deellocatie C: Bouwfase 4 - kavel 49, 50 en 51, totaal circa 1.050 m2. Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn enkel deellocatie B en C relevant. Deelgebied A zal niet verder worden beschreven. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt per deellocatie dat: Deellocatie B: Grond: Uit de analyseresultaten blijkt dat in het mengmonster van de ondergrond (MMB2_OG) kobalt licht verhoogd is aangetoond. De overige onderzochte parameters zijn niet aangetoond in gehalten die de achtergrondwaarde overschrijden. Grondwater: In het grondwater (peilbuis B01) is een licht verhoogde concentratie aan barium gemeten. De overige onderzochte parameters zijn niet aangetoond in gehalten die de streefwaarde overschrijden. Deellocatie C: Grond Uit de analyseresultaten komt naar voren dat in de monsters van de bovengrond (MMC1_BG en MMC2-BG) en in het monster van de ondergrond (MMC3_OG) de onderzochte parameters niet zijn aangetoond in gehalten die de achtergrondwaarde overschrijden. Grondwater In het grondwater (peilbuis C01) is een licht verhoogde concentratie aan barium gemeten.
De overige onderzochte parameters zijn niet aangetoond in gehalten die de streefwaarde overschrijden. Resumé: In bebouwde omgeving worden regelmatig verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen 31/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
aangetroffen in de bovengrond. Dit is vaak het gevolg van jarenlange activiteiten op en rond het terrein, waardoor verhoogde gehalten van een groot aantal stoffen, waaronder PAK en zware metalen, zijn ontstaan. Vaak gaan de verhoogde gehalten aan PAK en zware metalen samen met de aanwezigheid van bodemvreemde bijmeningen in de bodem. De hier aangetroffen gehalten moeten vermoedelijk in dit licht worden gezien. In ondiep grondwater worden zware metalen (waaronder barium) vrij regelmatig aangetroffen in concentraties die de toetsingswaarden overschrijden. Er is in deze gevallen doorgaans sprake van een van nature verhoogde achtergrondwaarde. Er wordt vanuit gegaan dat dat ook hier het geval is. Conclusie Uit het verkennend bodemonderzoek is voor het plangebied gebleken dat: Deellocatie B: in de zandige bovengrond is geen van de geanalyseerde parameters verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond; in de zandige ondergrond is een licht verhoogd gehalte kobalt aangetroffen. Indicatief gezien kan zowel de bovengrond als de ondergrond worden geclassificeerd als AW2000 en is vrij toepasbaar; het grondwater is licht verontreinigd met barium.
Deellocatie C: In zowel de bovengrond als in de ondergrond is geen van de geanalyseerde parameters verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond; Indicatief gezien kan zowel de bovengrond als de ondergrond worden geclassificeerd als AW2000 en is vrij toepasbaar. het grondwater is licht verontreinigd met barium. De aangetroffen licht verhoogde gehalten komen overeen met de in eerdere onderzoeken aangetoonde bodemkwaliteit. Een directe verklaring voor de lichte verontreinigingen met zware metalen en PAK in de grond en barium in het grondwater is niet te geven. Mogelijk betreft het verhoogde achtergrondwaarden. Er wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit op de onderzoekslocaties in voldoende mate is vastgelegd. De aangetoonde licht verhoogde gehaltes in de grond vormen, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie en het voorliggend bestemmingsplan.
4.4 Natuurwaarden 4.4.1 Algemeen Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming voorziet in het wettelijk kader voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, planten- en diersoorten en houtopstanden. In de Wet natuurbescherming zijn de provincies primair bevoegd gezag voor bescherming van soorten en natuurgebieden.
4.4.2 Quickscan ecologie In het kader van het bestemmingsplan is een Quickscan Natuurwetgeving uitgevoerd. De quickscan of vooronderzoek is geen soortgerichte inventarisatie, maar de eerste fase in het kader van de procedure van de Wet natuurbescherming (Wnb). De quickscan is als Bijlage 3 in de toelichting opgenomen.
32/49 - ontwerp - NL.IMRO.0299.BP06WTRLELLI-ON01 -
4.4.2.1 Algemeen Het plangebied is tweedelig, bestaat in totaal uit vier percelen en is gelegen aan de kruising van de Waterlelie en Dorpsstraat aan de Oostkant van het dorp Angerlo in de gemeente Zevenaar.
Het plangebied is op 7 juli 2021 bezocht en ten tijde van de inspectie was het 24 graden Celsius, droog, zonnig en windstil. Tijdens het veldbezoek is gezocht naar beschermde natuurwaarden en is een inschatting gemaakt van de potenties van het plangebied voor beschermde soorten op basis van een habitatbeoordeling. 4.4.2.2 Beschermde soorten Vogelsrichtlijnen Bij de effectenbeoordeling op broedvogels is onderscheid gemaakt in nesten die eenmalig in gebruik zijn en nesten die vast in gebruik zijn en daarmee ook permanent zijn beschermd. Algemene broedvogels Nesten van de meeste soorten vogels zijn beschermd tijdens het gebruik ervan, overtreding van artikel 3.1, lid 2 (beschadigen/ vernielen van nesten) is buiten het broedseizoen niet aan de orde. Voor deze vogelsoorten volstaat om rekening te houden met het broedseizoen (globaal de periode 15 maart tot en met 15 juli). In het geval het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken, moet in overleg met een ecoloog bepaald worden hoe overtreding van het eerdergenoemde verbodsartikel voorkomen kan worden. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of door uitvoering van broedvogelcontroles door de ecoloog. Vogels met een jaar rond beschermde nestplaats Naast algemene broedvogels zijn er ook vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is.
Deze vogelsoorten keren jaarlijks terug naar hetzelfde nest, of nestplek. Dit betekent dat het verwijderen of aantasten van deze nesten leidt tot overtreding van verbodsartikel 3.1, lid 2, ook al worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Tevens is de functionele leefomgeving rondom de nestlocatie van deze broedvogels beschermd. Het plangebied vervult geen functie voor vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen. Habitatrichtlijn Ten aanzien van Habitatrichtlijn soorten kan sprake zijn van overtreding van de artikelen 3.5, lid 4 (aantasten en vernietigen van rustplaatsen) en 3.5, lid 2 (opzettelijk verstoren). Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder alle soorten vleermuizen. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling zijn er geen raakvlakken met het voorkomen soorten die beschermd zijn onder de habitatrichtlijn. Vleermuizen komen mogelijk voor in de directe omgeving van het plangebied maar de voorgenomen ontwikkelingen zullen niet leiden tot het overtreden van verbodsartikelen. Nationaal beschermde soorten Ten aanzien van Nationaal beschermde soorten kan sprake zijn van overtreding van de artikelen 3.10, lid 1b (aantasten en vernietigen van rustplaatsen). Verstoring is ten aanzien van deze soorten niet benoemd als verbodsartikel.