CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1018359 Bijlage 1 Toelichting

Raadsvergaderingen 2018-2022 26 januari 2022, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/21/381935 ‎ Bestemmingsplan Hoogeweg 23c Pannerden14.968 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet milieubeheer zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);.

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

26

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën zoals hiervoor zijn beschreven in paragraaf 5.3.1.1, kan worden gesteld, vooral omdat er geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen te verwachten is, dat voorliggend project ‘niet in betekende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in aanmerking komt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen beletsel voor de uitvoerbaarheid van het project.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

27

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept 5.4.2

Situatie plangebied

5.4.2.1 Risicokaart Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart)

Binnenvaartroute Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 700 meter van de binnenvaartroute Pannerdenschkanaal. De binnenvaartroute wordt aangeduid als Corridor Rijn - OostNederland. Uit de gegevens van de risicokaart volgt dat over de binnenvaartroute de stof categorieën LT1 en LT2 worden vervoerd. Het invloedsgebied van de stofcategorieën is 35 meter. Het plangebied ligt met 600 meter ruim buiten de invloedsgebied van de stofcategorieën. Advies omgevingsdienst Regio Arnhem De omgevingsdienst Regio Arnhem heeft voor het voorliggende initiatief een advies uitgebracht. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de risicokaart van de provincie Gelderland weergegeven.

28

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

Afbeelding 5.2

Uitsnede advies omgevingsdienst Regio Arnhem (Bron: ODRA)

De beoordeling van externe veiligheid wordt uitgevoerd voor twee risiconormen, namelijk het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een Bevi inrichting, transportroute en hogedruk aardgastransportleiding. Dit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Groepsrisico

29

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept Het plangebied ligt in het invloedsgebied van de toekomstige A15 en de Betuweroute. Daarmee hebben wijzigingen in het invloedsgebied van deze bronnen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Doordat de afstand tussen het plangebied en de toekomstige A15 en de Betuweroute groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In het kader van het groepsrisico is een beperkte verantwoording groepsrisico nodig voor de toekomstige A15 en de Betuweroute. Dit vormt echter geen belemmering voor het plan. Deze verantwoording is een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag waarin zij het restrisico accepteert. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven.

Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’

30

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept Het plangebied is gelegen aan de rand van Pannerden in het buitengebied van de gemeente Zevenaar, waarbij geen sprake is van matige of sterke functiemenging. Er wordt in dit geval dan ook van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ uitgegaan.

31

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals al hiervoor genoemd dient bij het realiseren van nieuwe functies gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De nieuwe functie ‘wonen’ is, evenals de bestaande woonfunctie van de bedrijfswoning, niet milieubelastend voor de omgeving. Wat betreft de overige functies wordt opgemerkt dat deze op basis van het geldende bestemmingsplan reeds planologisch zijn toegestaan. Met het verdwijnen van de visvijvers en horecavoorziening inclusief buitenterrassen zal de situatie voor de directe omgeving sterk verbeteren.

Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom. Binnen het plangebied wordt één extra woning toegestaan. Daarnaast wordt de bedrijfswoning omgezet in een reguliere woning, de overige gewenste functies zijn reeds bestaand. Beide gewenste woningen zijn milieugevoelig, echter is de om te zetten bedrijfswoning reeds bestaand ten opzichte van de bestaande functies buiten het plangebied. Uitsluitend de nieuwe woning moet dan ook ten opzichte van deze functies worden getoetst. Voor de functies binnen het plangebied geldt dat beide woningen nog niet bestaand zijn, aangezien de bestaande bedrijfswoning momenteel onderdeel is van deze functies. Beide woningen moeten dan ook ten opzichte van deze functies worden getoetst. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal milieubelastende functies aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. In de onderstaande tabel zijn de bestemmingen benoemd welke eventueel van invloed kunnen zijn op het plangebied.

Tevens is aangegeven onder welke categorie de functies in de bestemming valt, welke richtafstand voor het omgevingstype rustige woonwijk geadviseerd wordt en wat de afstand van deze bestemmingen tot de woningen in het plangebied is.

32

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept Functie

Categorie

Richtafstand

Hoveniersbedrijf (Groenestraat 62) Agrarisch bedrijf – planologisch toegestaan (Groenestraat 9) Agrarisch bedrijf (fruitteler) (Ringdam 4)

3.1

50 meter

Daadwerkelijke afstand (bouwvlakbestemmingsvlak) Circa 182 meter

3.2

100 meter

Circa 240 meter

2

30 meter

Circa 200 meter

Met uitzondering van de ondergrondse schietkelder zijn de dichtstbijzijnde milieubelastende functies gelegen buiten de richtafstanden. Dit betekent dat de nieuw te bouwen woning en voormalige bedrijfswoning in het plangebied geen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Daarom wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De ondergrondse schietkelder is getoetst. Hiervoor wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek in de volgende paragraaf. Omgekeerd resulteert de voorgenomen ontwikkeling niet in een beperking voor de bedrijvigheid van omliggende bedrijven. Akoestisch onderzoek schietkelder Hoogeweg 23c Buijvoets heeft voor voorliggend initiatief een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ondergrondse schietkelder. Hierin is getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van de woningen binnen het plangebied. Hieronder worden de bevindingen uit het onderzoek beschreven. Voor de uitgebreide rapportage wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting. De schietbaan ligt in de kelder met een zwaar betonnen kelderdek met een geluidisolatie voor schietgeluid van ±63 dBA. Alle deuren naar de schietruimten lopen via meerdere aangrenzende (buffer)ruimten.

De uitstraling via het kelderdek en de aangrenzende ruimten is verwaarloosbaar klein en buiten beschouwing gelaten. Bij de voormalige bedrijfswoning is schietgeluid niet herkenbaar. De milieucategorie 4.1 is voor een schietbaan in een betonnen kelder feitelijk te hoog wanneer voor de maximale planologische mogelijkheden de richtafstand van 200 m wordt aangehouden. In het bestemmingsplan kan worden aangeduid dat het om een schietkelder gaat met parkeerplaatsen en een bovengrondse entree. De geluidbelasting wordt daarmee getoetst voor de feitelijke situatie. De enige relevante geluidbron is het rijden van voertuigen op de parkeerplaats en de eigen weg. Omdat het aantal bewegingen is gewijzigd en het geluid op de eigen mandelige weg niet als indirect wordt beschouwd is een nieuw rekenmodel gemaakt. Onder de gestelde representatieve bedrijfssituatie kan ruimschoots aan de ambitiewaarde (50 dBA etmaalwaarde) in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden voldaan. De voertuigbewegingen vinden op voldoende afstand van de geplande woning plaats. De geplande woningen vormen geen beperking voor de schietinrichting omdat ruimschoots aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Ook de norm voor piekgeluiden wordt ruimschoots onderschreden. De eigen weg en parkeerterrein liggen op voldoende afstand uit de woningen. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde

33

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

Aan de Groenestraat 9 bevindt zich een agrarische bestemming, op een afstand van circa 240 meter van het plangebied. Op het perceel bestaat de mogelijkheid om een grondgebonden agrarisch bedrijf te vestigen. Voor een dergelijke inrichting geldt op basis van de Wgv een minimale afstand van 50 meter, vanwege de ligging in het buitengebied. Het bedrijfsperceel bevindt zich dan ook op ruim voldoende afstand. Opgemerkt wordt dat de overige agrarische bedrijven op aanzienlijk ruimere afstanden zijn gelegen dan het bedrijf aan de Groenestraat 9. Deze worden dan ook eveneens niet belemmerd als gevolg van het voornemen en andersom. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gewenste plan.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In afbeelding 5.3 is de ligging van het bedrijfsperceel (rode omlijning) ten opzichte van de Natura 2000 weergegeven.

34

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

Afbeelding 5.3: Ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 (Bron: Provincie Gelderland)

Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Rijntakken” is gelegen op een afstand van circa 150 meter. Om de mogelijke stikstofdepositie op deze gebieden te onderzoeken is door BJZ.nu een stikstofonderzoek met behulp van de AERIUS-rekentool uitgevoerd. In bijlage 3 is dit onderzoek opgenomen, de resultaten worden in onderstaande tekst kort beschreven. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Opgemerkt wordt dat door het verdwijnen van de visvijvers en horecavoorziening een aanzienlijke vermindering van het aantal verkeersbewegingen zal plaatsvinden wat een positief effect heeft op de omliggende Natura 2000-gebieden. 5.7.2.2 Gelders natuurnetwerk Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In of in de directe nabijheid van het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.4 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van het NNN/GNN weergegeven.

35

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

Afbeelding 5.4: Ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN/GNN (Bron: Provincie Gelderland)

Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 261 meter van het dichtstbijzijnde gebied begrensd als NNN/GNN. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN/GNN. 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Doordat er sprake is van dempen van water, sloop- en bouwwerkzaamheden, is in voorliggend geval door Natuurbank Overijssel een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen. 5.7.3.2 Situatie projectgebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, bezetten sommige grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten er een vaste rust- en voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Voor de beschermde grondbonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en

36

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Het huidige plangebied behoort (nog) niet tot functioneel leefgebied van de rugstreeppad, maar indien de plasdrasvijver blijft zoals die is aangetroffen tijdens het veldbezoek, zal het plangebied vermoedelijk vanaf april-mei 2021 tot functioneel leefgebied van de rugstreeppad gaan behoren. Met uitzondering van de rugstreeppad, geldt voor de amfibieën die in het plangebied voorkomen een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats. De rusten voortplantingsplaats van de rugstreeppad is beschermd. De in het plangebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In het kader van de zorgplicht, mag de plasdrasvijver niet gedempt, vergraven of leeggezogen worden, zolang die in gebruik is als voortplantingsbiotoop (maart-september). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet aangetast. 5.7.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Zevenaar heeft het archeologiebeleid vastgelegd in het beleidsstuk ‘Gemeente Rijnwaarden Archeologische verwachtings- en beleidskaart’. Dit is doorvertaald in de Archeologische beleidskaart gemeente Rijnwaarden. Hieronder is een uitsnede van deze kaart gevoegd waarin het plangebied met rode ster is aangegeven.

37

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

Afbeelding 5.5: Archeologische beleidskaart (Bron: Gemeente Zevenaar)

Zoals in afbeelding 5.5. te zien is ligt het plangebied in een ‘hoge verwachting op archeologische waarden vanaf maaiveld’. Dit houdt in dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij geplande bodemingrepen van > 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld. In voorliggend initiatief wordt de nieuw te bouwen woning gebouwd op de locatie waar nu een forelvisvijvers zijn gelegen. Verwacht wordt dat ter plaatse van deze gronden geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel verstoord zijn. De bodem is ter plaatse reeds verstoord door het graven van de forelvisvijvers tot een diepte van ongeveer 2,2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld. Het nieuw te bouwen ontvangstruimte vindt plaats op gronden boven en direct rond de ondergrondse schietkelder. Ook hier geldt dat de gronden ter plaatse reeds zijn verstoord door het ingraven van de schietkelder. Ter plaatse van de bestaande woning vinden geen bodemingrepen plaats. Verwacht wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is. Bij onverwachts aantreffen van archeologische waarden geldt een meldingsplicht volgens de Erfgoedwet (art. 5.10) bij zowel het bevoegde gezag de gemeente Zevenaar en de regio-archeoloog. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

38

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Zevenaar, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Daarnaast is in het plangebied zelf tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat archeologie geen belemmering vormt er en geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

39

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. 6.1.4

Waterschap Rijn en IJssel

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Rijn en IJssel heeft een waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2016-2021. Dit plan beschrijft het beleid voor alle taakgebieden van Waterschap Rijn en IJssel. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak we deze willen bereiken. Het plan gaat over het waterbeheer in het hele stroomgebied van Rijn en IJssel en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten we in de samenwerking met onze partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden: •

Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water.

40

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept • • • •

Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

In artikel 3.1.6 (Bro) is aangegeven dat in de toelichting van een ruimtelijke onderbouwing is beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. De relevante waterthema’s worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven. 6.2.2

Watertoetstabel

Thema

Toetsvraag

Relevant

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een Nee waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van Nee een rivier?

Intensi teit 2

2

Riolering en 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? Afvalwaterketen 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?

Nee

2

Nee

1

3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?

Nee

1

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2?

Nee

2

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Wateroverlast (oppervlaktewater)

2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater Ja geloosd?

1

Grondwater-

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Ja

1

Nee

1

overlast

2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? Grondwaterkwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

41

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?

Nee

1

Nee

2

Nee

1

2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Nee

1

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?

Nee

2

2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

Nee

2

3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Nee

2

Nee

1

2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? Volksgezondheid 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?

Natte natuur

4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?

Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Cultuurhistorie

6.2.3

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Conclusie

De watertoets heeft plaats gevonden met behulp van de watertoetstabel van Waterschap Rijn en IJssel. Verwezen wordt naar subparagraaf 6.2.2, waarin de watertoetstabel is toegepast en de relevante thema’s zijn uitgewerkt. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er geen vooroverleg hoeft plaats te vinden. Uitwerking watertoets tabel Zoals in het bestemmingsplan al is aangegeven zullen de bestaand waterpartijen op het perceel worden gedempt. Ter compensatie zal een wadi worden aangelegd waarin het overtollige hemelwater zal worden geloosd. Bij het dempen van de waterpartijen zal rekening worden gehouden met eventuele ecologische waarden.

42

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. Dit bestemmingsplan is gebaseerd op het bestemmingsplan “Zevenaar Noord”. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. De begrippen behorende bij het ontwerpbestemmingsplan “buitengebied Zevenaar Noord” zijn, indien van toepassing, overgenomen

•

Wijze van meten (Artikel 2) Om op een eenduidig manier afstanden, oppervlaktes en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. De wijze van meten behorende bij het ontwerpbestemmingsplan “buitengebied Zevenaar Noord” zijn, indien van toepassing, overgenomen

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in: •

Bestemmingsomschrijving: 43

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. •

Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.

•

Afwijken van de bouwregels: Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan.

•

Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of onder voorwaarden wordt toegestaan binnen deze bestemming.

•

Afwijken van de gebruiksregels: Deze afwijking geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om met omgevingsvergunning af te wijken van het plan in het kader van zorgwoningen.

7.2.4 •

Algemene regels Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op basis van de gestelde regels te bouwen.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels beschrijven onder andere op wat voor manier een beroep of bedrijf aan huis mogelijk is, welke voorwaarden voor een bed & breakfast gelden en welke activiteiten tot strijdig met dit bestemmingsplan gerekend worden.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op bepaalde punten het bestemmingsplan te wijzigen.

•

Overige regels (Artikel 11) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van parkeren en laad- en losmogelijkheden opgenomen.

7.2.5

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk is het overgangsrecht opgenomen. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische

44

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Voor het opstellen van de bestemmingsregels is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan “Buitengebied Zevenaar Noord (2018)”. Hierna worden de belangrijkste regels nader toegelicht. Agrarisch (Artikel 3) De gronden rondom de woonbestemmingen en bedrijfsbestemming zijn bestemd tot ‘Agrarisch’. Gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ zijn mede bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, extensief recreatief medegebruik, behoud en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden, ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen, tuinen en bij de bestemming behorende bouwwerken, parkeervoorzieningen en voorzieningen en tuin. Wat betreft de bouwregels geldt dat enkel bouwwerken geen gebouw zijnde mogen worden gebouwd. Bedrijf (Artikel 5) De ondergrondse schietkelder heeft op basis van het voorliggende bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijf’ gekregen. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een ondergrondse schietkelder, ondergeschikte voorzieningen zoals ontvangstruimte, receptie, kantoorruimten, winkel en opslag en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen.

Daarnaast zijn ter plaatse onder meer parkeervoorzieningen, water- en groenvoorzieningen, tuinen en erven toegestaan. Wonen - 1 (Artikel 4) Gronden met de bestemming ‘Wonen – 1’ zijn bestemd voor wonen, woning met bedrijf aan huis en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen. De bestaande (bedrijfs)woning en nieuw te bouwen woning hebben in voorliggend bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen – 1’ gekregen. De bestemmingsvlakken hiervan zijn om de bestaande woning met tuinen en nieuw te bouwen woning gelegd. Voor de nieuw te bouwen woning is een bestemmingsvlak van 1.200 m2 aangehouden. Per bestemmingsvlak is maximaal 1 woning toegestaan. Voor hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, inclusief overkappingen, gelden de algemene bouwregels.

45

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

46

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Rijk

VOOROVERLEG

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat deze ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Gelderland

Het is niet nodig om het bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg naar de provincie toe te zenden aangezien er geen provinciale thema’s worden behandeld. 9.1.3

Waterschap Rijn en IJssel

De watertoets heeft plaats gevonden met behulp van de watertoetstabel van Waterschap Rijn en IJssel. Verwezen wordt naar subparagraaf 6.2.2, waarin de watertoetstabel is toegepast en de relevante thema’s zijn uitgewerkt. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er geen vooroverleg hoeft plaats te vinden.

9.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.

9.3

Zienswijzen

Deze paragraaf wordt ingevuld na afloop van de ter inzage termijn van het ontwerp bestemmingsplan.

47

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1

Erfinrichtingsplan

48

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek schietkelder

49

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

Bijlage 3

AERIUS-berekening

50

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

Bijlage 4

Quickscan Ecologie

51

Bestemmingsplan herziening Hoogeweg 23c Pannerden Concept

Bijlage 5

Gewenste toekomstige situatie

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=0b801868-d9fa-4a76-9d7a-6d4e5719d803