1. 220415 Ingekomen brief inzake gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Holtkamp_geredigeerd_.pdf
Tekst van het document
Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Zoals uit de navolgende parafen zal blijken zijn er geen ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken een m.e.r.-(beoordelings) procedure te volgen. Het aspect milieu vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan
4.2
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij het realiseren van een nieuwe functie moet vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 Past de nieuwe functie in de omgeving? 2 Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie.
17
Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Gemengde gebieden zijn gebieden met functiemenging. Toetsing In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die relevant zijn in het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering. Op basis daarvan wordt geconcludeerd, dat er gezien de afstand tot de omliggende activiteiten er ter plaatse van de woningbouw sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden de bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Conclusie Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.3
Geur Algemeen De Wet geurhinder veehouderij (Wvg) is het toetsingskader bij aanvragen om een vergunning van veehouderijen. De veehouderijen moeten voldoen aan individuele wettelijke normen voor de geurbelasting op een geurgevoelig object. Toetsing In de nabije omgeving van De Holtkamp bevindt zich één veehouderij die mogelijk van invloed is op de voorgenomen ontwikkeling. Door Tritium Advies B.V. is daarom een geuronderzoek (Wgv)2 uitgevoerd (die kan worden gebruikt voor de ontwikkeling van het gehele buurtschap). Navolgend worden de onderzoeksresultaten kort besproken. De beoogde woningbouwontwikkeling is gelegen binnen bebouwde kom en binnen een concentratiegebied (I). Op basis van de Wgv bedraagt de norm voor een geurgevoelige object derhalve 3 ouE/m3. In de Wgv is in artikel 6.1 opgenomen dat gemeenten bij gemeentelijke verordening binnen bepaalde bandbreedten mogen afwijken van de wettelijke standaardnormen. De gemeente Zevenaar heeft in 2008 de beleidsnotitie ‘Geurhinder en ruimtelijke ordening’ opgesteld. In de Geurverordening van de gemeente Zevenaar zijn vijf gebieden aangewezen in het kader van artikel 6 van de Wgv. Onderhavig plangebied maakt geen deel uit van de in deze beleidsnotitie
2
Tritium advies B.V. (2020). Geuronderzoek (Wgv). Sleeg te Zevenaar. Projectnummer: 2001/216/ROS-05. 30 juli 2020. 18
genoemde gebieden. Derhalve is in onderhavig rapportage uitgegaan van een geurnorm van maximaal 3 ouE/m3 conform de Wgv, artikel 3.1. De afstand tussen de begrenzing van de dichtstbijzijnde gelegen stal (zonder geuremissiefactor) aan de Sleeg 21 te Babberich tot de beoogde ontwikkeling bedraagt circa 125 meter. Er wordt hiermee voldaan aan het principe ‘vaste afstanden’ conform de Wgv. Uitgaande van de berekende geurbelastingen is voor het plangebied de voorgrondbelasting maatgevend. Uit de berekening volgt dat de voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied maximaal 2,8 ouE/m3 bedraagt. Dit betekent volgens de beoordeling leefklimaat concentratiegebied Handreiking Wet geurhinder en veehouderij dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er wordt voldaan aan de geurnorm van maximaal 3 ouE/m3 conform de Wgv, artikel 3.1. Daarnaast moet worden opgemerkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied maximaal 2,7 ouE/m3 bedraagt. Dit houdt een zeer goed woon- en leefklimaat in. Vastgesteld kan worden dat het aspect geur geen belemmeringen oplevert ten aanzien van de beoogde woningbouwontwikkeling aan De Holtkamp te Zevenaar. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.4
Bodem Algemeen Voor de vaststelling van een bestemmingsplan moet in verband met de uitvoerbaarheid een reëel beeld aanwezig zijn van de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt moeten zijn voor de beoogde functies. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling in het plangebied is een verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd. In dit bodemonderzoek zijn de volgende gebieden onderzocht: − Deellocatie A: de toegangsweg tot de bestaande boerderij, verhard met puin − (970 m2); − Deellocatie B: woonhuis en erf met opstallen (5.900 m2); − Deellocatie C: overig terrein, de bestaande weilanden (77.125 m2).
3
Tritium advies B.V. (2020). Milieutechnisch onderzoek. Sleeg te Zevenaar. Projectnummer: 2001/283/BST-01. 17 november 2020. 19
Onderzoeksocatie (bron:Tritium Advies)
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de deellocatie B. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden. Deellocatie B In de bodem ter plaatse van het perceel Sleef 17 zijn in de bodem bijmengingen aangetroffen met asbest, puin, metaal, asfalt, glas, houtskool, kolen en kolengruis in verschillende gradaties van voorkomen. Tevens zijn drie stookplaatsen met verbrandingsresten waargenomen. Asbest In de bodem is verspreid over de gehele deellocatie asbest aangetoond in gehalten variërend van 74 tot 150 mg/kg d.s. Ter plaatse van de asbestverdachte puntbron (3 x afwateringszijde asbestverdachte dakconstructie en 4 x asbestverdachte platen, scheidingswand of plantenbak) is in de bodem asbest aangetoond in gehalten variërend van 6 tot 38 mg/kg d.s. Omdat de aangetoonde gehalten aan asbest verspreid over de gehele locatie groter zijn dan de helft van interventiewaarde, kan niet worden uitgesloten dat de grond verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt noodzakelijk geacht voor het vaststellen van het daadwerkelijke asbestgehalte in de grond. Overige parameters Uit de analyseresultaten blijkt de grond licht tot sterk verontreinigd te zijn met zink en PCB, licht tot matig verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met diverse zware metalen en minerale olie. Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met barium.
De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De omvang van de matige en sterke grondverontreinigingen is niet bekend. Geadviseerd wordt om nader onderzoek uit te voeren om de aard en omvang van de aangetoonde verontreiniging met zink, PAK en PCB vast te stellen. De aangetroffen lichte verontreinigingen zijn dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.
20
Conclusie Op grond van de onderzoekresultaten zal voor het plangebied nader onderzoek uitgevoerd moeten worden. Het nadere onderzoek zal in het kader de omgevingsvergunning uitgevoerd worden. Met inachtneming van het nadere onderzoeken en eventueel daarbij behorende maatregelen vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.5
Geluid Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Als geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te doen naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen, zoals in het plangebied, is bijvoorbeeld een geluidgevoelige functie. Voor wegen geldt een voorkeursgrenswaarde voor woningen van 48 dB en voor spoorwegen 55 dB. Deze geluidbelasting op woningen mag in principe deze voorkeursgrenswaarden niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek, maar vanuit een goede ruimtelijke ordening kan onderzoek toch wenselijk zijn. Toetsing Er is in het kader van de ontwikkeling van het gehele buurtschap De Holtkamp een akoestisch onderzoek spoor- en wegverkeerslawaai uitgevoerd4. Navolgend worden de onderzoeksresultaten kort besproken. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Sleeg en Maatjesweg. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur weg Landeweerdijk. In de omgeving van het plangebied zijn drie spoorlijnen gelegen: spoorlijn Zevenaar – Emmerich, spoorlijn Arnhem – Winterswijk en de Betuweroute. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn, ongeacht de van toepassing zijnde geluidzondes, alle drie de spoorlijnen onderzocht.
Voor alle spoorlijnen in onderhavig onderzoek geldt dat de voorkeursgrenswaarde voor spoorweglawaai van 55 dB nergens wordt overschreden. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van spoorweglawaai niet aan de orde. Voor de gezoneerde wegen Sleeg en Maatjesweg geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de 30 km/uur weg Landeweerdijk geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde van 48 dB met maximaal 3 dB overschrijdt. Echter aangezien deze weg niet zoneplichtig is, is er geen sprake van een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai.
4
Tritium Advies B.V. (2021). Akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai. Sleeg 17 te Zevenaar. Projectnummer: 2001/216/ROS-02. 5 januari 2021. 21
Ondanks dat voor het buurtschap De Holtkamp geen hogere waarde aangevraagd kan worden, wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat alsnog geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren voor het bepalen van de geluidwering van de gevels van de woningen binnen bouwblok gb0007 en gb0010. Deze bouwblokken liggen buiten het bestemmingsplangebied. Dit aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning. Geadviseerd wordt aan te sluiten bij voornoemde nieuwbouweis waarbij voor de hogere waarde de gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai kan worden aangehouden.
Grafische weergave invoergegevens akoestisch model wegverkeerslawaai (born: Tritium advies)
De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai bedraagt maximaal 56 dB excl. aftrek conform artikel 110g Wgh. De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van de spoorlijnen bedraagt maximaal 53 dB. Conform de methode Miedema valt een geluidbelasting vanaf 55 dB binnen de categorie ‘matig’. Bij alle bouwblokken is echter ten minste één gevel geluidluw met een geluidbelasting die conform de methode Miedema valt binnen de categorie ‘goed’. Aangezien conform de vorige alinea wordt geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren ter plaatse van de locaties, buiten het plangebied, met een gecumuleerde geluidbelasting vanaf 54 dB excl. voornoemde aftrek, kan gesteld worden dat bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is van een akoestisch goed woon- en leefklimaat.
22
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (transport gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg en door buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico (PR) mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen.
Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. Toetsing Aangezien het plangebied is gelegen nabij enkele risicobronnen is een quick scan externe5 veiligheid uitgevoerd. Uit de uitgevoerde inventarisatie en de hierop uitgevoerde groepsrisicoberekening met het programma CAROLA is gebleken dat (een gedeelte van) het plangebied gelegen is binnen de 1% letaliteitscontour van beide buisleidingen, en evenals binnen de maximale effectafstanden van gevaarlijke stoffen die vervoerd worden over de spoorlijn Zevenaar – Emmerich (D) en de Rijksweg A12. Uit de groepsrisicoberekeningen ten aanzien van de buisleidingen is gebleken dat er voorts geen groepsrisico is berekend; echter dient wel conform het Bevb, artikel 12 het groepsrisico beperkt te worden verantwoord.
Voorts is conform artikel 7 en 8 van het Bevt ten aanzien van de spoorlijn en de Rijksweg de 5
Tritium Advies B.V. (2021). Quickscan externe veiligheid. Sleeg 17 te Zevenaar. Projectnummer: 2001/216/ROS-04. 22 februari 2021. 23
verantwoordingsplicht beperkt ingevuld. Voor de genoemde mogelijke scenario’s zijn de gevolgen met betrekking tot de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid inzichtelijk gemaakt. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar de rapportage van de quick scan externe veiligheid, bijgevoegd bij deze toelichting. Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.7
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2. Zij vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit. Hierin zijn onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 moet het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden. Deze leiden namelijk niet tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een
24
aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Deze totale ontwikkeling van De Holtkamp (het gehele buurtschap) voorziet in de realisatie circa 180 nieuwe woningen. Conform bijlage 3 van de regeling NIBM geldt dat bij woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen sprake is van een niet in betekenende mate bijdrage aan de luchtverontreiniging vanwege het plan. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s.
Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het project op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Tritium Advies B.V. heeft met een quick scan natuur 6 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aanwezig zijn binnen de ontwikkellocatie De Holtkamp (het gehele buurtschap). Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Daarnaast dient te worden vermeld dat de Gedeputeerde Staten van Gelderland reeds een ontheffing hebben verleend op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van de locatie Sleeg 13. Hiervoor is compensatiegebied gerealiseerd ten zuidwesten van het plangebied 6
Tritium Advies B.V. (2020). Quick scan flora en fauna. Sleeg 17 te Zevenaar. Projectnummer: 2001/261/ROS-01. 31 augustus 2020. 25
Sleeg 17. Met de provincie is overeengekomen dat dit compensatiegebied tevens kan worden ingezet voor de mogelijk aanwezige soorten die op de locatie Sleeg 17 voorkomen (de huidige boerderij in dit plangebied). Hierna worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het GNN. De provincie Gelderland hanteert geen externe werking als het gaat om GNN. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied de “Rijntakken” is met circa 970 meter op relatief korte afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden onderzocht). Gezien deze korte afstand is een stikstofberekening noodzakelijk om eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebied aan te tonen of uit te sluiten. Uit de uitgevoerde berekeningen7 voor de gebruiksfase blijkt dat er sprake is van een significante stikstofdepositie. In de gebruiksfase is er een depositie te weten 0,01 mol/ha/jr op Natura2000-gebied de Rijntakken. In de bouwfase is er geen sprake van een relevante stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Uit de verschilberekening is gebleken dat de toekomstige situatie verbetert door het wegnemen van de bemesting. Door de bemeste gronden in te zetten is aangetoond dat er per saldo geen significante stikstofdepositie is op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Door intern salderen toe te passen wordt de realisatie van De Holtkamp mogelijk gemaakt en is het plan juridisch en planologisch verantwoord voor de bestemmingsplanprocedure. De realisatie van de nieuwbouw én het in gebruik hebben van de woonwijk zal dan ook niet leiden tot mogelijke significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rusten verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels In de tuin rondom de boerderij, is een nestkast voor steenuilen aanwezig. Het gebied rondom deze kast is geschikt als leef- en foerageergebied voor deze soort.
Om deze redenen dient aanvullend onderzoek naar de steenuil plaats te vinden.
7
De Essentie (2020). Stikstofdepositie berekening. Holtkamp, Zevenaar. Projectnummer: GBGZ/2020/AvLmsb/01-C1. 1 december 2020. 26
Er zijn geen andere jaarrond beschermde vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nesten kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is geschikt om als vaste verblijf- of voortplantingsplaats te dienen van de steenmarter en kleine marterachtigen. Er dient nader onderzoek te worden verricht naar deze soorten. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijk soorten.
Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De te slopen boerderij is geschikt als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Hier is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De tuin rond de boerderij kan onderdeel zijn van essentieel foerageergebied. Hiervoor is tevens nader onderzoek uitgevoerd. Een negatief effect op vaste vliegroutes is niet te verwachten. Amfibieën, reptielen en vissen In de directe omgeving van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig dat kan dienen als voortplantingswater voor amfibieën. De kenmerken van het onderzoeksgebied en de poel voldoen aan de eisen van zowel de poelkikker als de kamsalamander. Het onderzoeksgebied is tevens geschikt als leefgebied voor de ringslang. In verband met de aanwezigheid van een compensatiegebied dat is aangelegd, is met de provincie overeengekomen dat het compensatiegebied (ten behoeve van de ontwikkeling aan de Sleeg 13) tevens mag worden ingezet voor de locatie Sleeg 17 en dat met het uitvoeren van de geplande werkzaamheden volgens een goedgekeurd werkprotocol er geen negatief effect wordt verwacht voor de voornoemde soorten. De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten amfibieën zoals de gewone pad en bruine kikker vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Ongewervelden/overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
27
Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. Conclusie Uit de quick scan natuur is gebleken dat nader onderzoek nodig is naar steenuilen, steenmarters, kleine marterachtigen en vleermuizen. Nader onderzoek Uit nader onderzoek8 blijkt dat binnen het onderzoeksgebied geen vaste verblijfplaatsen van steenuilen en steenmarters aangetroffen. Wel is een mogelijke dagrustplaats van de bunzing aanwezig. Daarnaast is de tuin van Sleeg 17 onderdeel van het foerageergebied van voorgenoemde soorten. De voorgenomen plannen, zoals het verwijderen van begroeiing in de tuin en de sloop van de bebouwing binnen het plangebied Sleeg 17, zullen een negatief effect hebben op het leefgebied van de steenuilen, steenmarter en bunzing. Om deze reden dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen genomen te worden. Binnen het onderzoeksgebied wordt gefoerageerd door de gewone dwergvleermuis.
Het betreft echter geen essentieel foerageergebied, zoals het compensatiegebied en de omliggende tuinen van woningen worden tevens gebruikt als foerageergebied en zullen behouden blijven. Vanuit de ontheffing die is verleend voor aantasting van enkele soorten voor de locatie Sleeg 13 te Zevenaar, betreft één van de maatregelen, de aanleg van een compensatiegebied. Dit gebied is ingericht voor zowel steenuilen, steenmarters en kleine marterachtigen, als ook voor de huismus, gewone grootoorvleermuis en kamsalamander. Daarnaast is dit gebied uitgebreider gerealiseerd om tevens voor de voorgenoemde soorten als compensatiegebied te dienen die voorkomen in het plangebied Sleeg 17. Om te voldoen aan de maatregelen die voor deze soorten gelden, dienen de voorschriften van de ontheffing die is verleend (documentkenmerk: 2019-010253 d.d. 16 april 2020) en de voorschriften uit het “Activiteitenplan Sleeg 13 te Zevenaar” (Faunaconsult, 2019) te worden toegepast. Tevens dient in overeenstemming met het bevoegd gezag worden bepaald of het compensatiegebied voldoende is ter compensatie van de leefgebieden van steenuilen, steenmarter en bunzing van de locatie Sleeg 17.
Hiervoor hebben de Gedeputeerde Staten van Gelderland een ontheffing verleend op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van de locatie Sleeg 13, met uitzondering van de kleine marterachtige, die niet was opgenomen in deze ontheffing. Inmiddels is in samenspraak met de provincie besloten dat een wijzigingsverzoek soortenontheffing wordt toegevoegd onder de oude zaak van Sleeg 13 (Ontheffing voor de Stede).
8
Tritium Advies B.V. (2020). Aanvullend onderzoek steenuilen, vleermuizen, kleine marterachtigen en steenmarters. Sleeg 17 te Zevenaar. Projectnummer: 2002/141/LB-01. 3 december 2020. 28
De projecten worden dus samengevoegd en de ontheffing wordt uitgebreid. De wijziging zal wel opnieuw gepubliceerd worden en 6 weken ter inzage komen liggen. Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.9
Water
4.9.1
Beleid Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. − Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en bereidt hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voor. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien is het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.
Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij de ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.
29
Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater. En het is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.
De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Beleid Waterschap Rijn & IJssel Waterbeheerplan 2016-2021 In november 2015 heeft het Waterschap Rijn & IJssel het waterbeheerplan vastgesteld. Het waterbeheerplan beschrijft op welke wijze de volgende zaken in de periode 2016-2021 gedaan worden: − het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water; − het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; − en het zorgen voor het zuiveren van afvalwater. Het waterbeheerplan zoekt verbinding met het werk van andere overheden: de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk.
Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap. − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. − Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water.
30
− Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. − Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. − Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in lage gebieden zoekt het waterschap naar compensatie van het verlies aan bergingscapaciteit, om een toename van problemen met wateroverlast te voorkomen. De rekening voor de compensatie is voor de initiatiefnemers van de ruimtelijke ontwikkeling. Watervisie 2030 De Watervisie geeft aan hoe het waterschap aankijkt tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het beheersgebied, om de wateropgaven waarvoor ze staan duurzaam op te lossen. Er moet daartoe een betere afstemming worden gevonden tussen de waterwensen van de verschillende grondgebruiksvormen en het watersysteem zelf. Omdat ruimtelijke oplossingen op langere termijn duurzamer zijn, krijgen deze de voorkeur boven technische oplossingen. Bij het zoeken naar ruimtelijke oplossingen geldt het natuurlijk watersysteem als ideaalbeeld. Een dergelijk watersysteem heeft onder meer de mogelijkheid om (in geval van veel neerslag) voldoende water op te vangen en water (in geval van te zware belasting) voldoende te reinigen. Water moet richtinggevend zijn bij toekomstige stedelijke uitbreiding.
Bij overschot wordt regenwater in de bodem geïnfiltreerd of naar het oppervlaktewater geleid. Het waterschap streeft ernaar regenwater niet meer via de riolering af te voeren. Het rioleringsstelsel wordt aldus minder zwaar belast, waardoor de kans op overstorten van rioolwater op oppervlaktewater kleiner wordt. Keur Waterschap Rijn en IJssel legt de eigen regels vast in de zogeheten Keur. Dat is de traditionele benaming voor de verordening waarmee de veiligheid van dijken, watergangen en kades wordt geregeld. Maar ook het al dan niet toestaan van activiteiten of bouwwerken nabij het water en de dijken, lozingen op het oppervlaktewater en het oppompen van grond- en oppervlaktewater zijn erin geregeld. 4.9.2
De waterparagraaf In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met onder andere de waterschappen. In artikel 3.1.6 (Bro) is aangegeven dat in de toelichting van een bestemmingsplan is beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. De relevante waterthema’s worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens hieronder beschreven.
31
Beschrijving van het watersysteem in het plangebied De hoogte van het maaiveld ligt omstreeks NAP +11,5 meter. In navolgende afbeelding is een uitsnede van de legger van het waterschap weergegeven, met daarop De Holtkamp weergegeven (het gehele buurtschap). De groene stippellijn in de legger is een administratieve lijn.
De Holtkamp
Uitsnede legger, met globale aanduiding buurtschap De Holtkamp (rood) (Bron: Waterschap Rijn & IJssel). Thema
Toetsvraag
Relevant
Intensiteit
Veiligheid
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het
Nee
2
Nee
2
Ja
2
Nee
1
Nee
1
Ja
2
plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? Riolering en
1. Is de toename van het afvalwater
afvalwaterketen
(DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?
Wateroverlast
1. Is er sprake van toename van het
(oppervlaktewater)
verhard oppervlak met meer dan 2500m2?
32
2. Is er sprake van toename van het
Ja
1
Nee
1
Nee
1
Nee
1
Nee
1
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
Nee
1
3. Beoogt het plan dempen van
Ja
1
4. Beoogt het plan aanleg van drainage?
Ja
1
1. Ligt het plangebied in de
Nee
1
Ja
1
Nee
2
Nee
1
Nee
1
Nee
2
Nee
2
Nee
1
Nee
1
Nee
1
Nee
2
verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Oppervlaktewater-
1. Wordt vanuit het plangebied
kwaliteit
(hemel)water op oppervlaktewater geloosd?
Grondwateroverlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
perceelsloten of andere wateren? Grondwaterkwaliteit
beschermingszone van een drinkwateronttrekking? Inrichting en beheer
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Verdroging
1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?
Recreatie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
33
Cultuurhistorie
1. Zijn er cultuurhistorische
Nee
1
waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Riolering en Afvalwaterketen Het rioolstelsel heeft voldoende capaciteit om de toename in het afvalwater van 1,8 m3/uur te verwerken (circa 10 liter per persoon per uur x 180 = 1.800 liter = 1,8 m3/uur). Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en wordt ter plaatse geïnfiltreerd / geborgen. Het functioneren van de riolering wordt niet nadelig beïnvloed en het milieu wordt niet zwaarder belast dan in de huidige situatie. Wateroverlast (oppervlaktewater) Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Binnen het plangebied is in de huidige situatie vrijwel geen m2 verhard oppervlak aanwezig. In de toekomstige situatie zal circa 40% van het plangebied verhard zijn. Bij de uiteindelijke inrichting van het gebied worden voorzieningen gerealiseerd om het regenwater ter plaatse te infiltreren of bergen. Binnen het plangebied is hiervoor voldoende ruimte. Waterkering Het plangebied grenst gedeeltelijk aan een watergang die in het beheer is van het waterschap.
Met dit plan worden geen veranderingen in het watersysteem aangebracht. Procedure Als er op een intensiteit 2 vraag (zie voorgaande tabel) een ‘ja’ is geantwoord is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Gelet op het feit dat het afvalwater met meer dan 1,0 m3/uur toeneemt en het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2 toeneemt, moet een uitgebreide watertoets worden doorlopen. Dit houdt in dat samen met het waterschap een watertoetsproces wordt doorlopen en in overleg met het waterschap wordt bekeken wat de waterkansen en -knelpunten zijn. Nadere afstemming met het waterschap vindt nog plaats. 4.9.3
Conclusie Deze waterparagraaf is aan het waterschap voorgelegd en akkoord bevonden.
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de 34
Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Voor de gronden geldt een archeologische dubbelbestemming. De gronden binnen buurtschap De Holtkamp zijn deels aangeduid als 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting' en deels als ‘specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting'. Ter plaatse van de genoemde aanduidingen geldt dat het verboden is om een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders: − bij ‘specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting' voor bodemingrepen groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 meter; − bij ‘specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting ' voor bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 meter. ADC ArcheoProjecten heeft op de plekken die een hoge archeologische verwachtingswaarde kennen een bureau- en inventariserend veldonderzoek9 in de vorm van boringen uitgevoerd, voor de bouw van woningen in De Holtkamp (het gehele buurtschap). Hierna worden de bevindingen kort omschreven.
Om de opgestelde archeologische verwachtingen (uit het bureauonderzoek) te toetsen en aan te vullen is in het onderzoeksgebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het booronderzoek bleek dat de pleistocene ondergrond van het plangebied bestaat uit zandige Kreftenheye-afzettingen. De top hiervan is aangetroffen tussen 55 en 200 cm -mv (9,3 en 10,6 m +NAP). De pleistocene afzettingen worden afgedekt door een pakket holocene komklei dat een dikte heeft van 50 tot 200 cm. In het zuidwestelijk deel van het plangebied worden de komafzettingen afgedekt door een pakket zandige crevasse- of dijkdoorbraakafzettingen, met een vermoedelijk laatmiddeleeuwse ouderdom. De afzettingen hebben een totale dikte van 50 tot 70 cm -mv en reiken tot aan het maaiveld. Het pleistocene oppervlak vertoont enig reliëf. In de zuidelijke helft van het plangebied is mogelijk sprake van een terrasovergang. Uit de boringen blijkt evenwel geen duidelijke gradiëntzone. Verder heeft het booronderzoek geen aanwijzingen opgeleverd voor archeologisch kansrijke lagen (bijvoorbeeld laklagen, bodems of de Laag van Wijchen). Evenmin zijn cultuurlagen of oude akkerniveaus aangetroffen.
Ten aanzien van het grootste deel van het plangebied (te weten de huidige agrarische percelen) is op basis van de onderzoeksresultaten geconcludeerd dat de kans klein is dat de voorgenomen ingrepen (ontwikkeling van de woonwijk) zullen leiden tot aantasting van archeologische resten. Ten aanzien van (het erf van) de boerderij De Holtkamp alsmede de erven aan de Sleeg 15 en 19 geldt dat de kans hier wél groot
9
ADC ArcheoProjecten (2019). Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Groot-Holthuizen te Zevenaar. Rapportnummer: 4984. 28 november 2019. 35
wordt geacht dat bouw-, sloop- en/of graafwerkzaamheden zullen leiden tot aantasting van archeologische resten.
Landweer
Boerderij De Holtkamp
Advieskaart archeologie (Bron: ADC ArcheoProjecten).
ADC ArcheoProjecten adviseert om in de delen van het plangebied met een hoge archeologische verwachting voor (laat)middeleeuwse bewoningssporen (bovengenoemde erven aan de Sleeg 15, 17 en 19) een inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven uit te laten voeren (IVO-P). Hierbij is van belang dat het onderzoek zich ook richt op de delen die momenteel nog bebouwd zijn (en waar sloopwerkzaamheden gaan plaatsvinden). Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het vaststellen en documenteren van mogelijk aanwezige oudere bebouwingsresten (alsmede erfstructuren) op de erven. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Ten aanzien van de landweer wordt aanbevolen om geen (graaf)werkzaamheden uit te voeren in de (intacte delen van de) landweer, inclusief een (buffer)zone van 5 meter aan weerszijden ervan. Indien dit niet mogelijk is en ingrepen zullen plaatsvinden in de
36
landweer, dan wordt aanbevolen om eveneens een gericht proefsleuvenonderzoek te doen naar de opbouw van de landweer. Ook in dat geval dient hiertoe een PvE te worden opgesteld. Ten aanzien van de overige delen van het plangebied wordt aanbevolen om deze vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Omdat het niet is niet uit te sluiten dat binnen het vrijgegeven gebied toch nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn, verdient het aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Conclusie Voor de gronden van de boerderij De Holtkamp wordt vervolgonderzoek aanbevolen.
Landweer
Boerderij De Holtkamp
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen. 37
Toetsing Het plangebied of de directe omgeving daarvan herbergt geen cultuurhistorische waarden waar in dit bestemmingsplan rekening mee gehouden moet worden. Ten behoeve van landschapswaarden is een landschapsplan opgesteld, zoals besproken in paragraaf 2.2. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.12
Verkeer en parkeren Verkeer In het kader van het aspect verkeer is voor de ontwikkeling van Groot Holthuizen door Antea Group een verkeersonderzoek10 uitgevoerd. Het plangebied wordt voor autoverkeer via de Landeweerdijk in oostelijke en westelijke richting ontsloten, zoals navolgend inzichtelijk gemaakt. Uit verkeerskundig onderzoek volgt dat dit leidt tot een goede verkeersafwikkeling. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
De Holtkamp
Toekomstige verkeersstructuur (Bron: Antea Group).
10
Antea Group (2017). Verkeersonderzoek uitbreiding Groot Holthuizen (deel 2). Projectnummer: 0412259.00. 1 juni 2017. 38
Parkeren Voor wat betreft parkeren geldt dat in de planregels is bepaald, dat er dient te worden voldaan aan de gemiddelde parkeernormen zoals opgenomen in de CROW-publicatie nummer 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Dit is onderdeel van de toets van de omgevingsvergunning, waardoor geborgd is, dat er voldoende parkeervoorzieningen worden aangelegd. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
39
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
40
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de 41
beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.1
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van wat hiervoor is beschreven. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Groot Holthuizen en Hengelder II’. Dit bestemmingsplan kent uitsluitend de enkelbestemming ‘Wonen’. Deze bestemmingen wordt hierna kort toegelicht. Wonen Aan het plangebied is de bestemming ‘Wonen’ toegekend. Hiervoor geldt dat hoofdgebouwen binnen het aangegeven bouwvlak gerealiseerd moeten worden. Binnen dit vlak zijn maximaal 24 woningen toegestaan. Binnen deze bestemming zijn bij recht ook aan huis verbonden beroepen toegestaan, echter beperkt tot een oppervlakte van ten hoogste 30% per woning tot een maximum van 75 m2.
5.2.2
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
42
6
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Voor de gemeente Zevenaar zijn er naast het opstellen van dit bestemmingsplan en de procedurekosten, geen verdere kosten verbonden. De gronden zijn in eigendom van de gemeente. Het plan zal worden ontwikkeld door ontwikkelaars. Met de ontwikkelaars wordt een anterieure overeenkomst afgesloten. De ontwikkelaars beschikken over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. De kosten voor het bestemmingsplan en de procedure worden gedekt via de grondprijs bij de uitgifte van de bouwkavels. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
43
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (zienswijzenprocedure).
7.1
Vooroverleg Volgens artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening moet het bestemmingsplan worden voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
7.2
Ontwerp Op de procedure van het bestemmingsplan is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging heeft het ontwerpbestemmingsplan voor zes weken ter inzage gelegen van 20 mei 2021 tot en met 30 juni 2021. Er zijn tijdens die periode geen zienwijzen ingediend.
44
Raadsvoorstel Onderwerp
Gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan 'De Holtkamp’ Zevenaar' Zaaknummer Z/21/379355 Documentnummer INT/22/1081744 Portefeuillehouder H. Winters Portefeuille Ruimtelijke Ontwikkeling Behandelend ambtenaar/afdeling J. van der Wijk/Ruimtelijke Ontwikkeling Telefoon 0316595428 E-mail j.vanderwijk@zevenaar.nl 1. Samenvatting Voor de woningbouwontwikkeling in Groot Holthuizen zijn verschillende buurtschappen reeds gerealiseerd of zijn nu in ontwikkeling (De Tol, De Bem, De Stede). De Holtkamp dient nog ontwikkeld te worden. Om het buurtschap de Holtkamp in Groot Holthuizen te kunnen realiseren moet het “moederplan” (bestemmingsplan Groot Holthuizen & Hengelder II) ter hoogte van Sleeg 17 te Zevenaar worden herzien. In het voorliggend bestemmingsplan is dit geregeld. Het voornemen bestaat om in de Holtkamp circa 120 woningen te realiseren. Er is door de stedenbouwkundige een verkaveling gemaakt voor deze wijk. Op de afbeelding hiernaast is deze verkaveling weergegeven. Het oranje gedeelte op de onderstaande afbeelding is het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Het overige gedeelte van het buurtschap De Holtkamp is geregeld in het reeds door het college vastgestelde uitwerkings- en wijzigingsplan.
Het oranje gebied kon niet worden meegenomen in het uitwerkings- en wijzigingsplan, omdat de wensen die bestaan voor dit gebied, niet passend waren binnen de uitwerkings- en wijzigingsregels van het moederplan. In het oranje gedeelte (erfgebied) kunnen 24 wooneenheden worden gerealiseerd. Er wordt ruimte gegeven voor bijzondere betaalbare bouwvormen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon een ieder een zienswijze op het (ontwerp)bestemmingsplan naar voren brengen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. De volgende stap in de procedure is het vaststellen van het bestemmingsplan door de