RV26.044 WA-Hoeve NZOV Toelichting Bijlage 19 Vooronderzoek CE
Tekst van het document
Op basis van de beschikbare feiten zijn er voldoende indicaties beschikbaar waaruit blijkt dat er mogelijk CE in het onderzoeksgebied aanwezig zijn.
4.2
LEEMTEN IN KENNIS BRONNENMATERIAAL Bij een historisch onderzoek kan nooit een volledig overzicht van alle bronnen worden verkregen. Er is bij dit onderzoek gebruik gemaakt van een bronnenselectie. Getuigen die meer kunnen vertellen over munitiedumpingen, vliegtuigcrashes en bombardementen kunnen ondertussen zijn overleden. Luchtfoto’s van de Royal Air Force geven doorgaans een betrouwbare indicatie betreffende de vraag of er mogelijk CE in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Luchtfoto’s geven altijd een momentopname weer. Er kunnen voor, na en tussen verschillende opnamedata CE in het onderzoeksgebied zijn terechtgekomen. Het is, vanwege getroffen camouflagemaatregelen, maar zeer de vraag of alle geschutopstellingen etc. op luchtfoto’s kunnen worden teruggevonden. De ruimrapporten van de EODD kennen hun beperkingen voor wat betreft de nauwkeurigheid van de vindplaatsbeschrijvingen. Het is niet altijd mogelijk om exact aan te geven waar de CE werden aangetroffen. Deze munitie is bovendien geruimd. Dergelijke beperkingen zijn er ook bij andere geraadpleegde bronnen, zoals bijvoorbeeld documenten uit de gemeentearchieven. Er kan alleen een CE verdacht gebied worden afgebakend met behulp van concrete locatiebeschrijvingen. Er zijn vele vermeldingen over bombardementen op het vliegveld Soesterberg.
Er kon niet van al deze bombardementen na worden gegaan of deze tevens betrekking hadden op locaties in de nabijheid van het onderzoeksgebied. Door de bebossing op het terrein van het onderzoeksgebied zijn mogelijk niet alle sporen van gevechtshandelingen en verdedigende maatregelen waarneembaar. Niet van na elke gevechtshandeling is een bruikbare en relevante luchtfoto beschikbaar van goede kwaliteit. Derhalve heeft een multitemporale luchtfotoanalyse beperkingen.
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 46 van 64
4.3
SOORT EN VERSCHIJNINGSVORM VAN EXPLOSIEVEN
In de lijst van gebeurtenissen (hoofdstuk 3) worden de volgende gevechtshandelingen genoemd: Luchtaanvallen met afwerpmunitie Vliegtuigcrashes Voor de genoemde handelingen is beoordeeld of – als gevolg van de handeling – CE in het onderzoeksgebied kunnen worden aangetroffen. Zo ja, dan is tevens beoordeeld welke van de zestien hoofdsoorten CE uit het WSCS-OCE in de bodem aanwezig kunnen zijn.
4.3.1 Het neerkomen van afwerpmunitie De geraadpleegde bronnen maken melding gemaakt van de volgende gevechtshandelingen: De afworp van geallieerde vliegtuigbommen met een gewicht van 250 lb., 500 lb. en 1000 lb. Er was sprake van tactische duikbombardementen en tapijtbombardementen De volgende soorten CE zijn als gevolg van de bovengenoemde gevechtshandelingen mogelijk in de bodem aanwezig: Soort explosief
Nationaliteit
Gewicht
Verschijningsvorm
Afwerpmunitie
Geallieerd
100 lb t/m 1000 lb.
Afgeworpen
4.3.2 Vliegtuigcrashes Ter plaatse van mogelijke crashlocatie van het Duitse toestel (Dornier Do217) kunnen de volgende CE worden aangetroffen: 5 Soort explosief
Nationaliteit
Verschijningsvorm
Vliegtuigboordwapenmunitie
Duits
Onderdeel van vliegtuigwrak
Afwerpmunitie 6
Duits
Onderdeel van vliegtuigwrak
4.3.3 Aantal mogelijk aan te treffen explosieven De volgende aantallen CE kunnen mogelijk in het onderzoeksgebied worden aangetroffen. Een en ander is gebaseerd op een inschatting van AVG omdat er in de (historische) bronnen geen exacte aantallen worden genoemd: Soort explosief
Aantal mogelijk aan te treffen explosieven
Afwerpmunitie
Eén t/m enkele
CE afkomstig van een vliegtuigcrash (vliegtuigboordwapenmunitie en afwerpmunitie)
Honderden t/m duizenden / één t/m enkele
5
De meeste crashlocaties zijn alleen globaal bekend. Deze locaties worden derhalve alleen globaal op de feitenkaart weergegeven en niet op de CE bodembelastingkaart. CE verdachte gebieden kunnen alleen op basis van concrete feiten worden vastgesteld. Mogelijk dat getuigen de exacte crashlocaties kunnen aanwijzen. AVG beschikt niet over contactgegevens van relevante getuigen.
6
Het is onbekend of dit toestel op de heen- of terugvlucht was en dus of het toestel zijn bommenlast nog bij zich droeg.
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 47 van 64
4.4
HORIZONTALE EN VERTICALE BEGRENZING VERDACHT GEBIED
De verdachte gebieden die in deze paragraaf worden besproken zijn ingetekend op de CE-bodembelastingkaart. In de volgende deelparagraaf wordt de begrenzing van ieder verdacht gebied besproken en gemotiveerd.
4.4.1 Verdachte locaties afwerpmunitie Het onderzoeksgebied werd tijdens de Tweede Wereldoorlog meermaals getroffen door bombardementen. Het betrof tapijt- en lijnbombardementen maar ook tactische luchtaanvallen op de spoorlijn. De afbakening is als volgt tot stand gekomen: Tactische luchtaanvallen Dit betreft de locaties die in de Tweede Wereldoorlog het doelwit zijn geweest van tactische luchtaanvallen. Het volgende onderscheid wordt gemaakt: Tactische luchtaanvallen op een ‘line target’: duikbombardement op zgn. line target, inslagenpatroon onbekend. Lineair gebied, nabij een spoorlijn, dat is getroffen door een bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn te treffen (bijvoorbeeld omdat zich hier een trein bevond). Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 91 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn als zijnde CE verdacht aan te merken. Kraterparen, afkomstig van tactische luchtaanvallen. AVG maakt gebruik van een afbakeningsmethodiek voor kraterparen op basis van bijlage 6.6 van het vooronderzoek, waar de wijze van afbakening nader wordt toegelicht. Tapijt en lijnbombardementen: Het WSCS-OCE schrijft de volgende afbakening voor bij een tapijtbombardement: Tapijtbombardement. Gebied dat is getroffen door een bombardement met middelzware en/of zware bommenwerpers, met als doel om schade aan te richten over een groot gebied.
Op basis van een analyse van het inslagenpatroon wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon. Afwerpmunitie van 100 t/m 1000 lbs kan in de vastgestelde verdachte gebieden worden aangetroffen tot een maximale conusweerstand van 10 MPa met een minimale laagdikte van 1 meter. De bovengrens is het maaiveld uit de Tweede Wereldoorlog. Er zijn op Dinoloket geen sondeergegevens beschikbaar aan de hand waarvan vastgesteld zou kunnen worden op welke diepte de 10MPa-laag zich in het onderzoeksgebied bevindt. De exacte indringingsdiepte kan voorafgaand aan de uitvoeringsfase van een project met behulp van sondeergegevens worden bepaald.
4.4.2 Verdachte locatie vliegtuigcrash Dit betreft de locatie waar in de Tweede Wereldoorlog mogelijk een militair vliegtuig is gecrasht . Het WSCSOCE schrijft de volgende afbakening voor: Crashlocaties vliegtuigen: verdacht op aanwezigheid CE vanwege de crashes. Het CE verdachte gebied wordt situationeel bepaald.
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 48 van 64
Op het Actueel Hoogtebestand Nederland is op ongeveer 100 meter afstand van de Dolderseweg 158 een krater zichtbaar. Het betreft een grote krater die zou kunnen duiden op het neerkomen van een bom maar ook op een vliegtuigcrash. In archieven en literatuur zijn vermeldingen aangetroffen over beide gebeurtenissen op ongeveer 100 meter afstand van de Dolderseweg 158. Indien het gaat om een neergekomen bom, zou er geen afbakening benodigd zijn. De bom is dan immers reeds gedetoneerd. Omdat het hier echter mogelijk gaat om een vliegtuigcrash. Is de locatie als zodanig afgebakend en moet er rekening gehouden worden met achtergebleven resten van het vliegtuig, maar ook met achtergebleven klein kaliber munitie en afwerpmunitie. De maximale indringingsdiepte kan niet worden bepaald, omdat de exacte omstandigheden waaronder de crash plaatsvond niet bekend zijn. De minimale indringingsdiepte komt overeen met het maaiveld uit de Tweede Wereldoorlog. Ter plaatse van crashlocaties kunnen niet alleen CE, maar ook verontreinigde grond, asbest en radioactief materiaal worden aangetroffen. Gecrashte vliegtuigen die in de Tweede Wereldoorlog aan de oppervlakte lagen werden meestal nog tijdens de oorlogsjaren afgevoerd, mede vanwege de mogelijkheid om kostbaar aluminium te kunnen hergebruiken. De meeste crashlocaties zijn op basis van de geraadpleegde bronnen alleen globaal bekend.
Zij zijn derhalve niet weergegeven op de feitenkaart en de CE bodembelastingkaart die op basis van concrete feiten wordt vastgesteld.
4.5
CE BODEMBELASTINGKAART
De verdachte gebieden die in dit hoofdstuk zijn besproken zijn ingetekend op de CE-bodembelastingkaart op de hierop volgende pagina. De nummers op de CE bodembelastingkaart corresponderen met de nummering in de chronologietabel in hoofdstuk 3.
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 49 van 64
CE BODEMBELASTINGKAART - WILLEM ARNTSZ HOEVE – DEN DOLDER © OpenStreetMap (and) contributors, CC-BY-SA LEGENDA 462400
Verdacht gebied afwerpmunitie Verdacht gebied klein kaliber munitie
462000
462100
462200
462300
Onderzoeksgebied
461800
461900
B3
Alleen oorlogshandelingen in onderzoeksgebied zijn afgebakend.
B1
of
nabij
het
461700
Nummers naast de symbolen op de kaart verwijzen naar de chronologietabel in hoofdstuk 3 van het vooronderzoek.
0
25
50
461600
PROJECTNUMMER: TEKENINGNUMMER: FORMAAT: GETEKEND DOOR: DATUM: OPDRACHTGEVER: VOOR AKKOORD:
±
2062135 BBK-D1 A2 C. Hendriks 14 mei 2021 Royal HaskoningDHV M.A. Abee
461500
B2
100 Meter
461400
Esri Nederland, Community Map Contributors
144500
144600
144700
144800
144900
145000
145100
145200
145300
145400
145500
145600
145700
145800
Vestiging Veerweg 10 5171 PW Kaatsheuvel 145900
Vestiging Heijen: De Grens 7 6598 DK Heijen 0485-802010
Email: eo@avg.eu Web: www.avg.eu
5 CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN 5.1
CONCLUSIE
AVG heeft in opdracht van Royal HaskoningDHV een vooronderzoek CE uitgevoerd voor het onderzoeksgebied Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder. Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE. De volgende gevechtshandelingen hebben in en nabij het onderzoeksgebied plaatsgevonden: Het neerkomen van afwerpmunitie Een vliegtuigcrash De volgende CE kunnen mogelijk in het onderzoeksgebied worden aangetroffen: Afwerpmunitie CE afkomstig van een vliegtuigcrash
Het onderzoeksgebied is gedeeltelijk verdacht op CE. Het CE verdachte gebied is horizontaal afgebakend op de CE-bodembelastingkaart (zie pagina 50). De horizontale en verticale afbakening van de CE verdachte gebieden wordt besproken in hoofdstuk 4.5.
5.2
ADVIES VERVOLGTRAJECT
De door AVG voor Royal HaskoningDHV geadviseerde vervolgstappen worden in de hierop volgende paragrafen besproken.
5.2.1 Verkleinen CE verdachte gebieden Voor de CE verdachte gebieden wordt geadviseerd om een nadere verdiepingsslag te maken en te kijken of deze met behulp van informatie over naoorlogse werkzaamheden kunnen worden verkleind. Denk hierbij aan: Kaartmateriaal/bestekstekeningen waarmee feitelijk kan worden aangetoond dat (delen van) CE verdachte gebieden naoorlogs zijn geroerd. Op basis van deze gegevens kan mogelijk de horizontale en/of de verticale afbakening van het CE verdachte gebied worden gereduceerd. Gegevens betreffende naoorlogse ophogingen in de CE verdachte gebieden. Een verdiepingsslag wordt geschreven in de vorm van een (projectgebonden) risicoanalyse of een pragmatisch opsporingsadvies. Bij een pragmatisch opsporingsadvies wordt de focus gelegd op de naoorlogse veranderingen binnen uw werkgebied, de verdachte gebieden en mogelijk te verwachte explosieven komende uit het vooronderzoek en uw toekomstig uit te voeren werkzaamheden. Deze 3 “lagen” worden over elkaar heen geprojecteerd om zodoende te bepalen binnen welke gebieden een nader explosievenonderzoek noodzakelijk is. De risico’s en uitwerking van explosieven worden in een pragmatisch opsporingsadvies niet besproken, omdat deze in de meeste gevallen detonatie en dodelijk letsel zullen zijn.
Bij het opstellen van een projectgebonden risicoanalyse wordt net als bij een pragmatisch opsporingsadvies gekeken naar de toekomstige werkwijze in combinatie de verdachte gebieden en mogelijk te verwachte explosieven komende uit het vooronderzoek en uw toekomstig uit te voeren werkzaamheden. Naast voorgenoemde
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 51 van 64
zaken wordt in een projectgebonden risicoanalyse ook de risico’s en uitwerkingen van de mogelijk aanwezige explosieven meegenomen.
5.2.2 Opsporing CE Het CE onderzoek maakt onderdeel uit van de opsporingsfase die in paragraaf 6.6 van het WSCS-OCE is beschreven. De opsporingsfase omvat het geheel van organisatie en uitvoering, achtereenvolgens: werkvoorbereiding, detecteren, interpreteren, lokaliseren, laagsgewijs ontgraven en identificeren van de vermoede explosieven, tijdelijk veiligstellen van de situatie tot aan overdracht aan de EOD en proces-verbaal van oplevering aan de opdrachtgever en Bevoegd Gezag. Om een gedegen detectieonderzoek te kunnen uitvoeren dient het opsporingsgebied goed beloopbaar en vrij van obstakels te zijn. Dat wil zeggen dat alle bovengrondse obstakels, zoals hekwerk, begroeiing en gewas voor aanvang van de detectie moet zijn verwijderd. Na het verwijderen van de bovengrondse obstakels kan de locatie worden gedetecteerd. Bomen en begroeiing dienen boven het maaiveld te worden gerooid/gesnoeid. Indien een analoge detectie wordt uitgevoerd dienen alle verdachte objecten die worden gedetecteerd en waarvan de meetwaardenovereenkomsten vertonen met mogelijk aanwezige CE in kaart te worden gebracht door de locatie door middel van GPS in te meten. Bij deze vastlegging dient tevens de vermoedelijke diepte te worden vastgelegd. Bij het uitvoeren van een computerondersteunde detectie wordt de data vastgelegd in een datalogger.
De data wordt na de detectie uitgelezen in een speciaal hiervoor ontworpen softwareprogramma. De hoeveelheid te benaderen objecten kan pas worden bepaald na het uitvoeren van de detectie. De uit de detectie aangemerkte verdachte objecten worden uitgezet in het opsporingsgebied met behulp van GPS. Deze punten worden vervolgens handmatig en indien nodig machinaal benaderd. Aangetroffen objecten worden vervolgens geïdentificeerd en indien nodig veiliggesteld.
5.2.3 Update rapportage naar CS-VROO Ten opzichte van het WSCS-OCE zijn er nog enkele zaken nodig om tot een rapportage te komen die voldoet volgens het CS-VROO 7. Dit heeft voornamelijk te maken met het bestellen van luchtfoto’s, indien beschikbaar, het meer gedetailleerd verwerken van de informatie in ons GIS en in het verantwoorden van bepaalde zaken in deze rapportage. Tevens dienen er nog enkele zaken op de Bodembelastingkaart te worden aangepast conform de nieuwe eisen van het CS-VROO.
Binnen de branche van de explosieven opsporing is afgesproken dat rapporten die volgens het WSCS-OCE zijn opgesteld voldoen en dat deze niet per definitie moeten worden aangepast aan het CS-VROO. Echter: indien aan de hand van deze rapportage een risicoanalyse op wordt gesteld, is er wel een upgrade voor dit rapport benodigd. 7
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 52 van 64
6 BIJLAGEN 6.1
BRONNENLIJST
6.1.1 Archieven en overige instanties
Explosieven Opruimings Dienst Defensie te Soesterberg / Semi-Statisch Informatiebeheer te Rijswijk Bedrijfsarchief AVG Gemeentearchief Zeist Imperial War Museum Kadaster te Zwolle Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage Library and Archives Canada Luftbilddatenbank te Estenfeld Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam Nederlands Instituut voor Militaire Historie te ’s-Gravenhage Provinciaal Archief / Utrechts Archief te Utrecht Universiteit Wageningen, afdeling Speciale Collecties The National Archives te Londen
6.1.2 Literatuur
H. Amersfoort / P. Kamphuis (red.), Mei 1940. De strijd op Nederlands Grondgebied (’s-Gravenhage 2005) S. Bottinga, De Willem Arntsz Stichting tijdens de Tweede Wereldoorlog (Utrecht 1983) E.H. Brongers, De gebroken vleugel van de Duitse adelaar: inventarisatie van de Duitse verliezen in de luchtoorlog van mei 1940 boven Nederland (Soesterberg 2010) E.H. Brongers, De oorlog in mei ‘40 (Baarn 1969) C. Huurman, Het spoorwegbedrijf in oorlogstijd 1939-1945 (’s-Hertogenbosch 2001) A. A. Jansen, Sporen aan de hemel: kroniek van een luchtoorlog. Deel 1 t/m 3 (Baarn 1979-1981) C.D. Kamerling, Algemeen overzicht van de strijd om en in de Vesting Holland (zonder het Oostfront); en, De strijd tegen de luchtlandingstroepen rondom 's-Gravenhage, mei 1940 ('s-Gravenhage 1954) C. Klep / B. Schoenmaker (red.), De bevrijding van Nederland 1944 – 1945. Oorlog op de flank (Den Haag 1995) A. Korthals Altes, Luchtgevaar: luchtaanvallen op Nederland 1940-1945 (Amsterdam 1984) D.W. van Lier e.a., 100 jaar Den Dolder. 1912-2012 (Utrecht 2012) A. Meijers, Achtung Minen – Danger Mines. Het ruimen van landmijnen in Nederland 1940-1947 (Soesterberg 2013) F.J. Molenaar, De luchtverdediging in de meidagen van 1940. Deel 1 en deel 2 (’s-Gravenhage 1970) B.C. de Pater/ B. Schoenmaker e.a., Grote Atlas van Nederland 1930-1950 (’s-Gravenhage / Utrecht / Zierikzee 2006) D.
Top, Soesterberg en omgeving in de oorlogstijd (Alphen aan den Rijn 1995) D. Top, Soesterberg vliegveld 1939-1945: Oorlogsgeweld in en boven 't hart van Nederland (Alphen aan den Rijn 1994) J. van Woensel, Vrij van Explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers 1944-2004 (Amsterdam 2004)
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 53 van 64
G.J. Zwanenburg, En nooit was het stil….Kroniek van een Luchtoorlog. Deel 1 & 2 (’s-Gravenhage 1990/1992)
6.1.3 Websites
https://www.archieven.nl/nl/ http://www.avg.eu https://beeldbankwo2.nl/nl/ https://www.delpher.nl/ http://www.echodelta.net/mbs/eng-translator.php http://www.explosievenopsporing.nl https://www.iwm.org.uk/collections https://www.oorloginblik.nl https://nimh-beeldbank.defensie.nl/beeldbank https://www.tracesofwar.nl/ http://www.vergeltungswaffen.nl http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl
6.1.4 Overig
T. Eversteijn, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 - 5 mei 1945 (2003)
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 54 van 64
6.2
CERTIFICAAT WSCS-OCE
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 55 van 64
6.3
RICHTLIJNEN WSCS-OCE AFBAKENING VERDACHTE GEBIEDEN Algemene omschrijving
Verdedigingswerk
Groepering van wapenopstellingen en/of geschutsopstellingen, rondom afgezet met een versperring (bijvoorbeeld weerstandskern of steunpunt).
x
Het grondgebied binnen de grenzen van het verdedigingswerk is verdacht. De grenzen worden bij voorkeur bepaald aan de hand van georefereerde luchtfoto’s.
Wapenopstelling
Opstelling van handvuurwapen, machinegeweer of andere (semi-) automatisch wapen, niet zijnde onderdeel van een verdedigingswerk.
x
Locatie van de wapenopstelling.
Geschutopstelling (statisch en mobiel)
Locatie van geschut, niet zijnde onderdeel van een verdedigingswerk.
x
25 meter rondom het hart van de geschut-opstelling, maar niet verder dan een eventueel aangrenzende watergang.
Munitieopslag in open veld
Locatie van munitievoorraad in het open veld, niet zijnde binnen een verdedigingswerk.
x
Locatie van de veldopslaglocatie.
Loopgraaf
Militaire loopgraaf.
x
Het gebied binnen de contouren van de loopgraaf is verdacht, bij voorkeur bepaald aan de hand van georefereerde luchtfoto’s.
Tankgracht of –geul
Een diepe (al dan niet droge) gracht of geul met steile wanden, aangebracht om pantservoertuigen tegen te houden.
x
Niet verdacht, tenzij er aanwijzingen zijn dat er mogelijk munitie in gedumpt is.
Landmijnen verdacht gebied
Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. In het verdachte gebied zijn bij de controle door de MMOD géén landmijnen aangetroffen.
x
n.v.t.
Landmijnen verdacht gebied
Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. In het verdachte gebied zijn bij de controle door de MMOD, of bij naoorlogse activiteiten landmijnen aangetroffen.
Mijnenveld
Geregistreerd mijnenveld, waarvan mijnenlegrapport aanwezig is. Alle volgens het legrapport gelegde landmijnen zijn geruimd.
Mijnenveld
Geregistreerd mijnenveld waarvan mijnenlegrapport aanwezig is. Niet alle volgens het mijnenlegrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Geen feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist.
2062135-VO-02
Verdacht
Onverdacht
Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied
Indicatie
De grenzen zoals aangegeven in het ruimrapport.
x
x
x
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
n.v.t.
De grenzen zoals aangegeven in het mijnenlegrapport en/of ruimrapport.
Pagina 56 van 64
Verdacht
Onverdacht
Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied
Indicatie
Algemene omschrijving
Mijnenveld
Mijnenlegrapport aanwezig. Niet alle volgens het legrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist.
x
n.v.t.
Versperringen
Versperringen, zoals strand-versperringen en Drakentanden.
x
Tenzij er indicaties zijn dat CE onderdeel uitmaken van de versperring.
Infrastructuur zonder geschutsopstelling of munitievoorraad
Militaire werken zoals woon-onderkomen of werken met een burgerdoel zoals schuilbunker.
x
Tenzij er indicaties zijn op CE vanwege de aanwezigheid van nabij verdediging in de vorm van bijvoorbeeld wapenopstellingen.
Schuilloopgraaf
Loopgraaf voor burgerbevolking om in te schuilen.
x
n.v.t.
Kampementen
Grondgebied met onderkomens zoals tenten.
x
Tenzij er indicaties zijn op CE vanwege de aanwezigheid van munitieopslag of nabij-verdediging in de vorm van bijvoorbeeld wapenopstellingen.
Mangat
Gat in grond met schuilfunctie, niet in gebruik genomen als schuttersput.
x
n.v.t.
Vernielingslading
Locatie van aangebrachte vernielingslading.
x
Locatie van de vernielingslading.
Artillerie-, mortier- of raketbeschieting
Gebied dat is beschoten door mobiel of vast geschut, mortieren of grondgebonden (meervoudig) raketwerpersysteem.
x
Situationeel te bepalen.
x
Op basis van een analyse van het in-slagenpatroon wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslag-patroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon.
Raketbeschieting inslagenpatroon bekend
Gebied dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers.
Inslagpunt blindganger, zijnde een vliegtuigbom
Vliegtuigbom die niet in werking is getreden.
x
Te bepalen volgens rekenmethode waarin ten minste rekening wordt gehouden met de volgende parameters: de afwerphoogte, de afwerpsnelheid, het gewicht van de bom, de diameter van de bom en de weerstand van de bodem. Op basis van in ieder geval deze vijf parameters wordt berekend tot welke diepte CE theoretisch kunnen indringen en hoe ver de maximale horizontale verplaatsing is.
Crashlocatie vliegtuig
Aanwezigheid van CE vanwege de crash.
x
Situationeel te bepalen.
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 57 van 64
Verdacht
Onverdacht
Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied
x
Tenzij er indicaties zijn dat het geen incidentele luchtafweergranaat betreft.
Indicatie
Algemene omschrijving
Krater van gedetoneerde incidentele luchtafweergranaat
Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een incidentele luchtafweergranaat bevindt.
Inslagpunt van een V1 wapen
Gebied dat is getroffen door de inslag van een V-1 wapen.
x
15 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke horizontale verplaatsing onder de grond.
Krater van een (gedeeltelijk) gedetoneerd V-1 wapen
Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een V-1 wapen bevindt.
x
50 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke aanwezigheid van explosieve componenten.
Krater van een (gedeeltelijk) gedetoneerd V-2 wapen
Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een V-2 wapen bevindt.
x
Situationeel te bepalen.
Dumplocatie van munitie en/of toebehoren
Dumplocatie van CE en/of toebehoren in landbodem of op waterbodem.
x
Locatie van de dump en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld dumping in stilstaand of stromend water.
Ongecontroleerde (massa)explosie
(Sympathische) detonatie van een explosieven voorraad zoals ontploffing munitieopslag of munitie trein.
x
Situationeel te bepalen.
Vernietigingslocatie voor CE
Eén of meerdere springputten.
x
De contour(en) van de springput(ten) en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld gelet op de afstand van eventuele uitgeworpen CE buiten deze contour(en).
Vernielingslading (in werking gesteld)
Locatie van in werking gestelde vernielingslading, waarbij de mogelijkheid bestaat op het aantreffen van niet (geheel) gedetoneerde springlading(en).
x
Locatie waar de vernielingslading in werking is gesteld en afbakening verder situationeel te bepalen.
Tapijtbombardement
Gebied dat is getroffen door een bombardement met middelzware en/of zware bommenwerpers, met als doel om schade aan te richten over een groot gebied.
x
Op basis van een analyse van het inslagenpatroon (1) wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon.
Duikbombardement op zgn. ‘Pin Point Target’, inslagenpatroon onbekend
Gebied dat is getroffen door een bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen.
x
Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 181 meter gemeten vanuit het hart van het doel. (2/3)
Duikbombardement op zgn. ‘Line Target’, inslagenpatroon onbekend
Lineair gebied, nabij een spoorlijn, dat is getroffen door een bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn te treffen.
x
Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 91 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn. (2/4)
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 58 van 64
Algemene omschrijving
Raketbeschieting op zgn. ‘Pin Point Target’, inslagenpatroon onbekend
Gebied dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen.
x
Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 108 meter gemeten vanuit het hart van het doel. (2/5)
Raketbeschieting op zgn. ‘Line Target, inslagenpatroon onbekend
Lineair gebied, nabij een spoorlijn, dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn of treinstel op deze spoorlijn te treffen.
x
Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 80 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn. (2/6)
1) 2) 3) 4) 5) 6)
Verdacht
Onverdacht
Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied
Indicatie
Verzameling van de locaties van inslagen van één bepaald toestel of één bepaald bombardement. Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige jachtbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322). Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel waarbij opgemerkt moet worden dat 50% van de vliegtuigbommen binnen 119 meter neer is gekomen en de maximaal gemeten afstand t.o.v. het doel 181 meter was. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel waarbij opgemerkt moet worden dat 50 % van de vliegtuigbommen binnen 46 meter neer is gekomen en de maximaal afstand t.o.v. het doel 91 meter was. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel (gebouwen) waarbij opgemerkt moet worden dat de gemiddelde spreiding van de raketten t.o.v. het middelpunt van een salvo 69 meter was, en dat de gemiddelde afstand van het middelpunt van een salvo t.o.v. het doel 39 meter was. De genoemde afstand is de maximale afstand gemeten n.a.v. luchtfoto-interpretatie.
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 59 van 64
6.4
TOELICHTING AFBAKENMETHODE AFWERPMUNITIE (EXCL. DE LINE / PIN POINT TARGET AFBAKENING)
Kraterparen afkomstig van tactische luchtaanvallen: Kraterparen worden als volgt door AVG afgebakend: Expload heeft het document getiteld ‘aanvallen door jachtbommenwerpers: tactieken en nauwkeurigheid/spreiding van inslagen’ opgesteld (informatiebundel IB14021-1). Hierin wordt het volgende vermeld voor wat betreft het spreidingspatroon van door een Spitfire in salvo afgeworpen bommen: De twee bommen onder de vleugels slaan gemiddeld 17 meter uit elkaar in (vergelijkbare afstand ingeval een Typhoon) De bom onder de romp slaat gemiddeld op een afstand van 82 meter ten opzichte van de overige twee bommen in De maximale afstand tussen de inslaglocaties bedroeg 91 meter Dit betekent dat als een (Spitfire-) jachtbommenwerper drie bommen heeft afgeworpen -één onder iedere vleugel en één onder de romp- de maximale afstand tussen de bommen 91 meter bedraagt. Dit is de maximale afstand die wordt gehanteerd bij het afbakenen van kraterparen (91 meter gezien vanuit het hart van de kraters). Uitgangspunt bij deze afbakening is dat als er een kraterpaar wordt waargenomen, een mogelijke derde blindganger hier in de buurt ligt. Dergelijke blindgangers zijn in veel gevallen niet op de geanalyseerde luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog zichtbaar.
Voor het bepalen van de afstand van de derde krater, indien een kraterpaar zichtbaar is, wordt de volgende formule gehanteerd: A ___ * 91 = B 29
A = Afstand tussen de twee kraters gemeten op de luchtfoto B = de straal van het verdachte gebied gemeten vanaf het midden tussen de twee kraters met een maximum van 91 meter.
Vaststellen kraterpaar: de maximale afstand tussen twee kraters (een kraterpaar) is 29 meter 8. Indien twee kraters verder uit elkaar liggen dan 29 meter, dan is er sprake van twee bommen vanonder de romp en wordt een straal van 91 meter rondom iedere krater getrokken in verband met de mogelijke aanwezigheid van een blindganger (ingeval een context van tactische luchtaanvallen).
De gemiddelde afstand van 17 meter minus de afstand van de bommen onder de romp, ca. vijf meter, plus de gemiddelde afstand is de maximale afstand van de onderlinge twee kraters. 8
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 60 van 64
6.5 AFKORTINGENLIJST Afkorting
Betekenis
2nd TAF
Second Tactical Air Force
ABTA
All Bombs in Target Area
ARTA
All Rockets in Target Area
A/C
Aircraft
BG
Brisantgranaat
D/H
Direct Hit
FO
Flight Officer
Jabo
Jachtbommenwerper
Kkm
Klein kaliber munitie
Lbs.
Ponden
MET
Military Enemy Transport
N/M
Near Miss
NRO
No Results Observed
NYR
Not Yet Returned
Rly.
Railway
R/P
Rockets
TA
Target Area
ZA
Zoekactie
VZA
Verkennende zoekactie
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 61 van 64
6.6
CS-VROO
Dit vooronderzoek is opgesteld conform het WSCS-OCE. Om dit vooronderzoek te laten voldoen aan de nieuwe regelgeving, het CS-VROO, dienen de volgende stappen te worden gezet: De organisatie raadpleegt in ieder geval: de VEO Bommenkaart de gemeente(n) waarbinnen het onderzoeksgebied is gelegen ProRail indien in het onderzoeksgebied railinfrastructuur aanwezig is Rijkswaterstaat, waterschap, en / of provincie indien in het onderzoeksgebied infrastructuur aanwezig is die in het beheer van één of meerdere van deze organisaties is. Enkele van bovenstaande organisaties moeten nog geraadpleegd worden ten behoeve van dit vooronderzoek. Te raadplegen verplichte literatuur: Nierstrasz e.a. (Ministerie van oorlog, hoofdkwartier van de chef van de generale staf, krijgsgeschiedkundige afdeling,) De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, diverse delen, ’sGravenhage Molenaar, F.J.; De luchtverdediging in de meidagen 1940 (2 delen, 's-Gravenhage 1970) Voor dit onderzoek is deze literatuur reeds ingezien. Om dit rapport aan te passen aan het CS-VROO hoeft er geen aanvullende literatuur te worden geraadpleegd.
Te raadplegen verplichte archieven: Het NIOD, toegangen 216k en 077 Het Nationaal Archief, toegang 2.04.110 Het archief van het Semi-Statisch Informatiebeheer, de collectie van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst Het NIMH, toegang 575 The National Archives te Londen, gegevens inzake Bomber Command RAF, Coastal Command RAF, Fighter Command RAF, Air Defence Great Britain en de Second Tactical Air Force Het Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg, Lageberichte van de Luftwaffenführungsstab Ic De luchtfotocollectie van het RCAHMS (NCAP), de collecties ‘JARIC’ en ‘ACIU’ (luchtfoto’s van zo kort mogelijk vóór en van zo kort mogelijk ná de relevante gebeurtenis) Krantenberichten via de online zoekmachine Delpher, en via de verzameling krantenknipsels uit het archief van de Hulpverleningsdienst (Nationaal Archief toegang 2.04.110) Naoorlogs kaartmateriaal uit het archief van het Kadaster Bovenstaande bronnen zijn reeds geraadpleegd voor dit vooronderzoek. Aanvullende zaken: Tevens zijn er enkele zaken met betrekking tot de rapportage en de bijbehorende kaarten en data die geverifieerd/aangepast dienen te worden: Bij de classificatie van objecten op luchtfoto’s dient de validiteit van de classificatie vastgelegd te worden in de volgende drie niveaus van betrouwbaarheid. Bevestigd: betrouwbaarheid grenst aan zekerheid.
De waarneming kan worden bevestigd met een tweede bron (betrouwbaarheid 99%) Waarschijnlijk: de organisatie is overwegend zeker van de validiteit van de classificatie van het object op de luchtfoto (betrouwbaarheid 50% of hoger) Mogelijk: de organisatie is overwegend onzeker van de validiteit van de classificatie van het object op de luchtfoto (betrouwbaarheid lager dan 50%)
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 62 van 64
De betrouwbaarheid van de classificatie wordt per object vastgelegd. Indien een object met de betrouwbaarheid “mogelijk” invloed uitoefent op de afbakening van het verdachte gebied, wordt dit duidelijk in de rapportage beschreven. Er dienen luchtfoto’s te worden gebruikt (afkomstig van NCAP, Wageningen UR en/of het Kadaster) van zo kort mogelijk vóór de gebeurtenis, en van zo kort mogelijk ná de relevante gebeurtenis (mits van voldoende kwaliteit voor interpretatie op oorlogsschade). Voor wat betreft de luchtfoto’s wordt de wijze waarop deze zijn gegeorefereerd beschreven. Voor alle archiefbewaarplaatsen c.q. bronnen dient de wijze van raadplegen zo specifiek mogelijk te worden aangegeven. Hierbij worden bijvoorbeeld de volgende vragen beantwoord. Heeft er een fysiek bezoek plaatsgevonden; en zo ja, wanneer en door wie? Is een database met eerder verworven informatie uit een archief geraadpleegd? Is enkel de website van de archiefbewaarplaats geraadpleegd? Heeft de organisatie de bron zelf benaderd, of is dit uitbesteed aan derden - en zo ja, aan wie? Zijn van de archiefbewaarplaats enkel telefonische inlichtingen verkregen? Is de bron op een andere wijze benaderd? Het verdachte gebied wordt horizontaal en verticaal afgebakend, gespecificeerd per hoofdsoort van mogelijke ontplofbare oorlogsresten.
De verticale afbakening wordt uitgedrukt in de diepte ten opzichte van NAP, en als dat niet mogelijk is, wordt dit uitgedrukt in de diepte ten opzichte van de maaiveldhoogten ten tijde van WOII. Op de CE Bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten wordt het verdachte gebied (horizontaal) binnen het onderzoeksgebied weergegeven, gespecificeerd naar hoofdsoort ontplofbare oorlogsresten.
Om deze rapportage te laten voldoen aan het CS-VROO dienen uit bovenstaande lijst nog enkele zaken aangepast / uitgebreid te worden.
2062135-VO-02
Willem Arntsz Hoeve – Den Dolder
Pagina 63 van 64
Infra Bouwstoffen Transport Explosieven Opsporing