RV25.042 Bijlage 1 Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist - DEF compressed
Tekst van het document
SteenhuisMeurs
63
De vijver van het Kersbergenplein, 1938. [HUA]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
64
Buitenplaats Kersbergen in 1927. [Volkers, 2011] Stratenplan voor tuinwijk Kersbergen, 1928. [Volkers, 2011]
SteenhuisMeurs
De tuinwijken van Zeist. [HUA]
65
Zeisterbos De wervende kracht van Zeist als ‘Parel van de Stichtse Lustwarande’ was een belangrijke aanjager voor de aanleg van de villaparken. Maar door de villabouw kwam de kwaliteit van die parel onder druk te staan. Al in de jaren tien leidde dat tot bezwaren in het dorp. Op initiatief van raadslid Frederik van de Poll kocht de gemeente Zeist in 1913 het Zeisterbos, om te voorkomen dat er een villapark van gemaakt zou worden. Het ging om een gebied aan weerszijden van de Woudenbergseweg, dat toebehoorde aan de buitenplaatsen Pavia en Hoog Beek en Royen. De huizen bleven buiten de koop. Het bos werd ingericht als een openbaar toegankelijk bospark, met attracties als een dierentuin en vijvers. Om uit de kosten te komen, werd een strook van het bos aan de Lorentzlaan, Krullelaan en Jagersingel verkocht voor de bouw van villa’s. Slot Zeist Slot Zeist werd in 1924 voor 185.000 gulden gekocht door het Technisch Bureau uit Heemstede, met de bedoeling om het Slot te slopen en het terrein van 21 hectare te verkavelen voor villabouw.28 Deze transactie leidde tot veel protest. Alle landelijke kranten schreven over wat er in Zeist dreigde te gebeuren.
Opnieuw kwam de gemeente in actie en binnen drie maanden kon het Slot met een omringend terrein van 7 hectare van de ontwikkelaar worden overgenomen voor 130.000 gulden.29 De Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef: ‘Het aspect van Zeist is hiermede behouden (althans voorzoover het op het Rond niet sinds lang is geschonden), d.w.z. de kijk, de Slotlaan door, met aan weerskanten de Squares
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
der Hernhutters, en het deftige Hooge Huis (als men in de gouden eeuw zei) – achter het water, achter de statige brug, met fraaien vijver aan weerskanten, met breede wegen door hoog, rijk hout, met tuin of park, achter het huis. (..) Het karakteristieke blijft dus.’30 Rijkswegen In de periode tussen de twee wereldoorlogen in groeide het autobezit in Nederland snel. Met name in de villawijken ging het hard. Voor de welgestelden in de steden was de Stichtse Lustwarande een ideale weekendbestemming voor een tochtje met de auto. De forensen in de villawijken ontdekten dat ze niet alleen met tram of trein, maar ook met hun eigen vervoer naar hun werk in de steden konden pendelen. Hoewel de aantallen auto’s vanuit het nu gezien wel meevielen, was het verkeersoponthoud al direct een serieus probleem. De wegen waren smal, de verharding was matig en op straat mengde alles door elkaar: paardenwagens, fietsen, handkarren, spelende kinderen, dieren en auto’s. In het wegenplan van 1927 werd de benedenweg opgenomen als rijksweg A25. Dat de Utrechtseweg, de dorpsstraten en de Driebergseweg zich moeilijk laten ombouwen tot een snelweg was ook voor de ingenieurs van Rijkswaterstaat duidelijk. Ze bedachten in 1927 een by-pass om Zeist heen, waarbij de rijksweg vanuit Utrecht gezien iets voor Ma Retraite afboog naar het kleigebied van de Kromme Rijn.
Het beoogde tracé liep achter de buitenplaatsen De Brink, Beeklust, Stenia en het in aanbouw zijnde villapark Kersbergen langs, ging pal voor Slot Zeist verder om over het puntje van Schoonoord
terug te buigen naar de oude route op de Driebergseweg. Het protest tegen dit wegenplan was enorm, vanwege de aantasting van het natuurschoon. Nieuw was hierbij de stem van Het Utrechts Landschap, een stichting die in 1927 was opgericht met het doel om de natuur- en landschapswaarden in de provincie te behouden. Om de rijksweg bij Utrecht een hoge landschappelijke kwaliteit te geven, kreeg tuinarchitect L. Springer in 1928 van Rijkswaterstaat de opdracht om daar een ontwerp voor te maken. Het was echter duidelijk dat zelfs de beste ontwerpers de schade aan het landschap van de Stichtse Lustwarande en het Kromme Rijngebied niet konden voorkomen. De Utrechtsche Courant: ‘Hier doet zich weder het geval voor, dat, dankzij de schoonheid der streek, het verkeer druk wordt en men, z.g. om aan de eischen van het verkeer tegemoet te komen, de schoonheid gaat vernielen. Terwijl, evenals in het Gooi, de wegaanleg ongetwijfeld zou tengevolge hebben, dat buitens, die tot dusver nog intact zijn gebleven, in korte tijd, na de verknipping als bouwterrein in exploitatie zouden worden gebracht’.31 Door de snelweg uiteindelijk ten zuiden van de Kromme Rijn aan te leggen (rijksweg 12), bleef Zeist een autobaan door het dorp bespaard. Voor het regionale vervoer over de Stichtse Lustwarande kwam daar de N225 voor terug, een nationale hoofdweg over de Utrechtseweg en de Driebergseweg.
Inmiddels is de route tot voorbij Driebergen afgeschaald tot een gemeentelijke weg.
66
Ontwerp voor het wegvak Zeist bij Ma Retraite, Leonard Springer, 1928. [WUR] Zeist in het Rijkswegenplan, 1927. [WUR]
SteenhuisMeurs
Ontwerp voor het wegvak Zeist bij Ma Retraite, Leonard Springer, 1928. [WUR]
67
Zeist in het Rijkswegenplan, 1927. [WUR]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
68
De Rijksweg zichtbaar vanuit de lucht, 1936. [NIMH]
rijksweg
SteenhuisMeurs
69
Provincie De uitbreidingsplannen voor de bouw van villawijken moesten door de provincie Utrecht worden getoetst, in het kader van de Woningwet uit 1901. D.E. Wentink, inspecteur volkshuisvesting van de provincie, was kritisch over de aantasting van het natuurschoon in de plannen. Zo vroeg hij zich in 1928 in een advies aan Gedeputeerde Staten af of het in het publiek belang was om een ‘geheel onnodige uitbreiding’ toe te staan ten koste van een ‘groote uitgestrektheid natuurschoon’.32 Zijn kritiek op het concept uitbreidingsplan van Zeist uit 1931 spitste zich toe op het Kromme Rijngebied. De gemeente wilde hier een aantal oude wegen verbreden van 4-6 meter tot 15 meter, om aldus de verbinding met Utrecht te verbeteren. Volgens Wentink was dat onzin. Deze wegen hadden een aangenaam, landelijk karakter met grintverharding en een beplanting van beuken, eiken en populieren die afwisselend aan de ene of aan de andere kant van de weg stond. Er was geen enkele verkeerskundige reden om deze wegen breder te maken. Omdat het uitbreidingsplan voorschreef dat op vijf meter van de weg gebouwd mocht worden, ging Wentink er van uit dat woningbouw het werkelijke motief achter de wegverbreiding was. Zo zou het fraaie landschap binnen
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
de kortste keren verdwijnen. In plaats van wegverbreding zou volgens Wentink in het uitbreidingsplan moeten worden vastgelegd dat het aanwezige plattelandskarakter langs de Kromme Rijn diende te worden gespaard. Indien er toch bredere wegen nodig zouden blijken, dan was het advies om langs de weg een wandelpad toe te voegen en te voorkomen dat er lintbebouwing zou kunnen ontstaan. Wentink concludeerde in zijn advies over het uitbreidingsplan dat bij alle ontwikkelingen in Zeist het landschapsschoon in het geding was: ‘Het behoud van dit schoon is voor de Volkshuisvesting van zoo groote betekenis, dat dit geacht moet worden een sociaal belang van den eersten rang te zijn.’ 33 Burgemeester en Wethouders van Zeist reageerden verontwaardigd op de opmerkingen van Wentink. De suggestie dat natuurschoon zou opgeofferd voor projectontwikkeling wees het college van de hand. Juist door het Zeisterbos en Slot Zeist te kopen, parken aan te leggen en eisen te stellen aan de bebouwing van Kersbergen en de Schaerweijder Bossen had de gemeente volgens B. en W. laten zien voorzichtig met het natuurschoon en de geschiedenis om te gaan.34
70
Verkaveling langs de Koppelweg, horende bij notitie van Wentink, 1931. [HUA]
SteenhuisMeurs
71
Uitbreidingsplan Zeist, overzicht, 1937. [HUA]
Uitbreidingsplan 1937 Het gewijzigde uitbreidingsplan voor Zeist werd in 1937 vastgesteld. De gemeente had een draai gemaakt en streefde actief naar een balans tussen behoud en ontwikkeling. Voor het eerst nam de gemeente de regie over nieuwe ontwikkelingen en het behoud van ruimtelijke kwaliteiten op de schaal van Zeist. Ze wilde niet langer de initiatieven van grondeigenaren afwachten en ondersteunen, maar maakte zelf keuzes. Het plan ging uit van een verdubbeling van de bevolking tot 64.000 inwoners in 1987. De groei werd vooral in de kernen gezocht. Lintbebouwing en verspreide bebouwing in het landschap werden tegen gegaan. Het landschap diende behouden te blijven.35 Voor de buitenplaatsen werd een bebouwingscoëfficiënt geïntroduceerd. De helft van de grond zou kunnen worden opgeëist voor het verbreden van omliggende wegen en de aanleg van paden. In ruil mochten op de terreinen huizen worden gebouwd, maar met een hele lage dichtheid van drie woningen per hectare. Veel eigenaren gingen tegen deze regels in beroep, waarop van bijna iedere buitenplaats een afzonderlijke studie werd gemaakt voor verdichting en wegenaanleg. Het doel was om het karakter van de buitenplaatsen zoveel mogelijk te bewaren.
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
72
Uitbreidingsplan Zeist, zone Utrechtseweg, 1937. [HUA]
SteenhuisMeurs
Uitbreidingsplan Zeist, zone Patijnpark, 1937. [HUA]
Uitbreidingsplan Zeist, zone Slot Zeist, 1937. [HUA]
73
Ruimtelijke erfenis Door de opkomst van recreatie, industrie en het forensisme begon Zeist rond 1900 te groeien. De kwaliteit van Zeist was daarbij tegelijk ook een probleem: de gemeente Zeist lag aan alle kanten ingeklemd tussen natuurschoon. De eerste villaparken hadden uitgestrekte parkzones en grote bouwkavels, zodat het groene karakter van Zeist goed bleef bewaard. De villawijken voegden nieuwe kwaliteit aan de Stichtse Lustwarande toe. Met de villa’s kwamen de forensen, die in Zeist een buitenleven konden beginnen. Om de belangrijkste buitens te sparen kocht de gemeente het Zeisterbos (1913) en Slot Zeist (1924). In de jaren twintig en dertig kregen nieuwe woongebieden minder groen en meer bebouwing, wat leidde tot kritische reacties van burgers, raadsleden en de provincie. Geleidelijk ontwikkelde de gemeente een visie op het behoud van de Stichtse Lustwarande, zonder nieuwe ontwikkelingen onmogelijk te maken. In het uitbreidingsplan van 1937 werd bebouwing in het buitengebied aan banden gelegd en kwamen er bouwregels voor in het dorp. Het doel was om de kwaliteiten van het dorp en de buitenplaatsen te bewaren.
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
De erfenis van de vooroorlogse periode op de Stichtse Lustwarande is de toevoeging van groene villaparken met veel kwaliteit, maar ook de verschraling van de landschappelijke kwaliteit door sloop en woningbouw op buitenplaatsen en door verbreding van wegen. Opvallend aan de eerste villawijken zijn de openbare parken, plantsoenen en vijvers die de groene kwaliteit van Zeist hebben versterkt. Eveneens opvallend zijn de sporen van de buitenplaatsen die in de villawijken zijn terug te vinden, zoals oude bomen, bijgebouwen, een enkel hoofdhuis en bomenlanen. De directe relatie van de Utrechtseweg met de achterliggende landschappen (Heuvelrug en Kromme Rijngebied) ging door de uitbreidingen verloren. Door de aanleg van rijksweg A12 hoefde het doorgaande verkeer niet langer via de Stichtse Lustwarande te worden geleid. Voor het lokale en regionale verkeer bleven de Utrechtseweg en de Driebergseweg een belangrijke ader. Tot de oorlog bleven veel buitenplaatsen, voor zover ze niet waren gesloopt, in gebruik als particuliere woningen.
74
Ma Retraite en villa's aan de Utrechtseweg vanuit de lucht. [NIMH]
SteenhuisMeurs
75
6. De verticale tuinstad
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
76
In de periode na de Tweede Wereldoorlog zette de groei van Zeist door. Steeds was de opgave om uitbreidingen zo min mogelijk schade aan het natuur en landschap van de Stichtse Lustwarande aan te laten brengen. Het leidde tot studies en projecten voor gestapelde woningbouw, in de vorm van beneden- bovenwoningen, portiekflats en hoogbouw in het groen. Hoogbouw maakte het buitenleven in een groene omgeving bereikbaar voor lagere inkomens, zelfs in de sociale woningbouw. De aanjagers van deze ontwikkeling waren de architecten W. de Bruijn en J.B. baron van Asbeck. Een deel van de nieuwbouw werd gerealiseerd op grond van buitenplaatsen en landgoederen, met name aan de Oude Arnhemseweg. Toename van het autogebruik leidde tot aanpassingen aan de doorgaande wegen, die grote gevolgen hadden voor het groene karakter van de Stichtse Lustwarande. Bouwen of behouden? Door woningtekorten en snelle bevolkingsgroei bestond er in de naoorlogse periode een grote woningnood in Nederland. Om te kunnen bepalen hoe Zeist zich het beste kon ontwikkelen en hoeveel nieuwbouwwoningen er nodig of mogelijk waren, stelde de Provinciale Planologische Commissie van de Provincie Utrecht in 1954 een rapport over Zeist op.36 Het constateerde dat de oude schoonheid en harmonische opbouw van de zuidrand van de Heuvelrug door de vooroorlogse dorpsuitbreidingen voor een belangrijk deel waren verdwenen.
Met de komst van nieuwe bewoners had Zeist ook haar deftige cachet verloren en een min of meer stedelijk karakter gekregen. Doordat er weinig sociale woningbouw was gerealiseerd, kampte Zeist direct na
SteenhuisMeurs
de oorlog met een ‘zwaardere bezetting van de oudere leeftijdsklassen’, oftewel met vergrijzing.37 De Provinciale Planologische Commissie concludeerde dat ongeremde groei van Zeist en omringende dorpen in de toekomst zou leiden tot een onacceptabel verlies van natuurschoon en de vorming van een eindeloze ‘voorstad’. Van het ‘buiten wonen’, waar Zeist om bekend stond, was dan geen sprake meer. Om dit schrikbeeld te voorkomen, moest de groei worden beperkt en was strenge regie nodig.38 Voor de economische levensvatbaarheid was de bouw van arbeidswoningen een voorwaarde. Voor het bepalen van het aantal nieuw te bouwen woningen diende de gewenste verhouding tussen enerzijds bos- en heidegebieden en anderzijds het bebouwd oppervlak te worden bepaald. Om alle ambities waar te maken werd het de uitdaging om landschapsschoon te beschermen en nieuwe, compacte vormen aan het buitenleven (voor de massa) te bedenken. De commissie ging ervan uit dat Zeist tot 1970 naar tussen de 65.000 en 73.000 inwoners zou kunnen doorgroeien.39 Hoogbouw in het groen Vanaf 1950 werd in Zeist geëxperimenteerd met compacte woningbouw in het groen. Een eerste aanzet was de parkflat (1952) op een prominente plaats aan het Wilhelminapark. De geschakelde portiekflats van drie en vier lagen hoog voegden 30 woningen aan de villawijk toe.
Een ander voorbeeld is de parkflat met 106 appartementen die in 1956 achter buitenplaats NieuwBeerschoten verrees. Grootschaliger werd de ontwikkeling langs de Oude Arnhemseweg, waar verschillende
eigenaren van buitenplaatsen grond verkochten voor de bouw van een reeks bejaarden- en verzorgingshuizen in hoogbouw. Achter op het terrein van Molenbosch kwamen de serviceflats Midland (1959), Oldenborgh (1960), Nijenhove (1960) en bejaardencentrum Mirtehof (1972). Ter hoogte van Sparrenheuvel werd woonzorgcentrum Amandelhof (1962) en wooncomplex Simarowa (1962) gebouwd, op de plek waar eerder villa Simarowa (1901) had gestaan.40 Buitenplaats Heerewegen werd in 1973 samen met het koetshuis gesloopt, na leegstand en brand. Op het terrein werd vervolgens verzorgingshuis Warande gerealiseerd. Opvallend aan de hoogbouw langs de Oude Arnhemseweg is de landschappelijke inpassing.41 De gebouwen liggen terug van de weg, met daarvoor een parkeerzone en een bosstrook. Bij de Amandelhof en Simarowa is sprake van een gazon met enkele monumentale bomen. Inmiddels is er voor de Amandelhof een vergund plan waarbij de nieuwbouw wordt opgenomen in opgaande boombeplanting. Aan de achterzijde, in de richting van de buitenplaatsen, hebben de gebouwen een gemeenschappelijke tuin, die voornamelijk uit een grasveld bestaat en met een haag of beplanting is afgescheiden van het parkbos van de buitenplaats. Op deze manier bleef het landschap zoveel mogelijk gespaard en is er op de begane grond nauwelijks verrommeling, enkele containers daargelaten.
De hoogbouw contrasteert met de historische buitenplaatsen en hun tuinen. Tegelijkertijd voegen ze een nieuwe woonvorm aan de parkbossen toe: de verticale buitenplaats voor bejaarden en verpleegden.
77
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
78
Hoogbouw in het bos, schematisch plan uit 1953. [GAZ]
De verticale tuinstad De uitbreidingswijken wijken Dijnselburg (Vollenhove) en Kerckebosch werden door de gemeente als hoogbouwwijken in het groen opgezet. Het doel was om zoveel mogelijk woningen te bouwen met een zo minimaal mogelijke impact op het landschap en recreatiegebied van Zeist. De burgemeester sprak in dit verband van het streven om de bebouwing niet te ver het natuurschoon in te laten vreten.42 Bij Dijnselburg dacht architect W. de Bruyn in eerste instantie aan 1700 woningen, verdeeld over negen hoogbouwflats van 100 woningen elk, en de rest in drielagenbouw. De adviseurs van de provincie waren in 1953 positief over deze aanpak. A. Scheffer, hoofdingenieur-directeur van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting, vond dat beter van een stadspark dan van een bos kon worden gesproken. Wel zag hij dat plan liever in drielagenbouw dan in experimentele hoogbouw uitgevoerd.43 G.A. Overdijkink, inspecteur bij Staatsbosbeheer, meende dat het gebied een landschappelijk geheel moest blijven, dus zonder tuintjes. De gemeente zou deze ruimte dienen te beheren. Volgens hem moesten tussen het bos en de hoogbouw gazons met bloemen komen.44
SteenhuisMeurs
Bij de ontwikkeling van de hoogbouwwijk Kerckebosch schreef Overdijkink een advies over de inrichting van de binnenterreinen, zoals die waren ontworpen door J.L. Haverda. Hij beschreef hoe het bos na de bouw een andere functie zou krijgen en daarom aanpassingen noodzakelijk waren: opsnoeien, uitdunnen, herplanten en het aanbrengen van onderbeplanting. Er waren wandelen fietspaden nodig en om het bos te ontlasten stelde Overdijkink voor om enkele speelterreinen te maken voor balspel of tentenkamp. Enkele struikgroepen konden de speelterreinen een besloten karakter geven. Over de omgeving van de flats schreef Overdijkink het volgende: ‘Het bos moet m.i. de flats niet teveel naderen. Slechts een enkele fraaie boom, die een volledige vrijstand verdragen zal, zou daar gespaard kunnen worden. In het algemeen zouden geen bomen op een dichter afstand dan 10 m van de flats moeten worden gehandhaafd. Dit brengt vanzelf mede dat, dat de behoefte zich zal doen gevoelen bij de flats een eenvoudige tuinaanleg in te richten, waarbij geen te hoge struiken dicht bij de huizen moeten worden geplaatst.
Bij de flats zouden in het tuingedeelte enkele zandbakken moeten worden ingericht aan de achterzijde van de woongedeelten’.45 Mede met de aanwijzingen van Overdijkink werd Kerckebosch gerealiseerd, als een uitzonderlijke uitbreidingswijk, dankzij de situering van grootschalige hoogbouw in een bosrijk landschap.
Laagbouw Het succes van hoogbouw was van korte duur in de volkshuisvesting. Eind jaren zestig was in Nederland sprake van ‘flatneurose’ en werden veel hoogbouwprojecten geannuleerd, bijvoorbeeld in Overvecht.46 De mensen wilden liever in laagbouw met een menselijke schaal en een eigen tuin wonen. In Zeist leidde dat tot een grote stadsuitbreiding in laagbouw, gelegen in het Kromme Rijnlandschap ten zuiden van de Utrechtseweg. Zeist-West grensde aan het vooroorlogse Kersbergen en Griffensteyn. Op enkele plekken kwam hoogbouw met de galerijflats aan Couwenhoven en Nijenheim, en wooncentrum Grote Koppel. Incidenteel zijn sporen van buitenplaatsen of het buitengebied terug te zien, zoals huis Nijenheim, de oude bomenlanen in de omgeving van de Kroostweg en de Zeistervaart (Biltse Grift). Aan weerszijden van het water werd de groenzone smaller dan bedoeld, omdat aankoop van grond te duur uitpakte voor de gemeente. In het gebied zijn wel groenstroken, maar geen parken of plantsoenen, met uitzondering van een natuurpark in aansluiting op het parkbos van buitenplaats De Brink en een groenzone naast de voormalige boerderij Huize Hebe. Van een buitenplaatsenlandschap of een toevoeging aan de kwaliteiten van de Stichtse Lustwarande is geen sprake in Zeist-West.
Door deze ontwikkeling ging de ruimtelijke relatie tussen de buitenplaatsen aan de Utrechtseweg en het landschap van de Kromme Rijn verloren.
79
Kerckebosch, ontwerp W. de Bruyn, 1953. Inrichting buitenruimte door J.A. Haverda, 1964. [WUR]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
80
Dijnselburg, inrichting buitenruimte, 1953. [GAZ]
Ruimtelijke erfenis De naoorlogse woningnood leidde overal in Nederland tot de bouw van de voor deze periode gebruikelijke woonwijken met veel laagbouw. In een poging het landschapsschoon te sparen en een landschappelijk woonmilieu te scheppen, werden in Zeist bijzondere experimenten met hoogbouw in het bos gedaan. De flats detoneren in het decor van historische buitenplaatsen als Molenbosch. Daar steekt zelfs de aangebrachte beplanting met veel coniferen sterk af tegen de oude eiken- en beukenlanen.47 Tegelijk vormen de flats een waardevolle aanvulling op de woonmilieus van de Stichtse Lustwarande, door de kwaliteit van het buiten wonen in natuur en landschap ook beschikbaar te maken voor sociale woningbouw, bejaarden- en verzorgingshuizen. De hoogbouw is bewaard gebleven. Een aantal flats is gerenoveerd of er is vervangende nieuwbouw in laagbouw in studie. Kerckebosch onderging een grootschalige renovatie, waarin nieuwe woningtypes werden geïntroduceerd volgens de aloude opzet van natuur-inclusief bouwen. In Zeist-West is de Stichtse Lustwarande niet of nauwelijks terug te zien. Door deze grootschalige uitbreiding is er geen relatie meer tussen de buitenplaatsen langs de Utrechtseweg en het landschap van de Kromme Rijn.
SteenhuisMeurs
81
Park State, opgeleverd in 1976.
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
82
Simarova, opgeleverd in 1962.
SteenhuisMeurs
83
7. Behoud en/door ontwikkeling
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
84
Gedurende de twintigste eeuw verloren veel van de landgoederen en buitenplaatsen van de Stichtse Lustwarande in Zeist hun oorspronkelijke functie. Met nieuwe eigenaren, ander gebruik en meer of minder zichtbare nieuwbouw konden zij voortbestaan. Zo bleef het ensemble van buitenplaatsen behouden met een divers gebruik door verschillende doelgroepen. De doorlopende strook parkbossen van de buitenplaatsen aan de Driebergseweg is grotendeels openbaar toegankelijk geworden. De buitens zijn veelal verpacht en in gebruik als kantoor, sportveld, (zorg)woning of instelling. Op verschillende plekken, vaak wat op de achtergrond, heeft verdichting plaatsgevonden met kantoren, scholen en woningbouw. Het intensieve gebruik van de buitenplaatsen leidde met name aan de Utrechtseweg tot verlies van parktuinen en -bossen door nieuwbouw en de aanleg van parkeervoorzieningen. Het karakter van de buitenplaatsen, met hun harmonieuze afstemming van gebouwen met het omringende parklandschap is op veel plekken niet of nauwelijks te ervaren.48 Een andere grote verandering aan de Stichtse Lustwarande in Zeist was de verbreding van het wegprofiel rond 1960, waarvoor veel bomen zijn gekapt. Parken Vanaf het moment dat de eerste buitenplaatsen werden gesloopt en opgedeeld tot villaparken, klonk in Zeist de roep om behoud van het landschapsschoon.
Dit richtte zich vooral op de parken en minder op de gebouwen. Zo kocht de gemeente in 1913 de bossen van Beek en Royen en Pavia om te voorkomen dat er villa’s zouden
SteenhuisMeurs
worden gerealiseerd. Na de oorlog kwamen daar de parkbossen van Schoonoord, Molenbosch, Heerewegen en de Brink bij. De gemeente onderhield de parken en maakte ze publiek toegankelijk. Dat leidde tot een iets andere inrichting, met attracties en publieksfuncties, zoals speelweides en een begraafplaats. Ook bij de particuliere buitenplaatsen veranderden de tuinen en parkbossen vooral vereenvoudiging van de tuinaanleg. Zo verdwenen arbeidsintensieve onderdelen, zoals bloementuinen. Ook het gebruik van kassen voor het kweken van bloemen en planten en oranjerieën, waar kuipplanten in de winter werden bewaard, nam af.49 Een andere verandering is de toegenomen aandacht voor natuurlijk beheer, gericht op het versterken van biodiversiteit, planten- en dierenleven. Dit gaat gepaard met minder maaien, de introductie van klimaatadaptieve soorten en het anticiperen op grotere droogte en piekbuien. Het Utrechts Landschap Voor het behoud van natuur- en landschapsschoon in de provincie Utrecht werd in 1927 Het Utrechts Landschap opgericht. Geleidelijke groeide deze stichting tot een grote terreinbeheerder uit. Al in 1940 had Het Utrechts Landschap de buitenplaats en het huis Hoog Beek en Royen uit een legaat in bezit gekregen.
De gemeente Zeist droeg in de jaren negentig het Zeisterbos, Molenbosch en Heerewegen aan Het Utrechts Landschap over en in dezelfde periode werd ook het parkbos van De Breul verworven. Het Utrechts Landschap bezit nu een bijna doorlopend parkgebied langs de Driebergseweg. Alleen de buitenplaats Sparrenheuvel is privaat bezit en
niet toegankelijk. Bij Hoog Beek en Royen bleek na de oorlog hoe lastig het was voor Het Utrechts Landschap om met gebouwd erfgoed om te gaan. De stichting was immers niet opgericht om oude huizen te beheren en kon zich geen grote investeringen in restauraties veroorloven. Huis Hoog Beek en Royen was uitgewoond en vervallen. Het bestuur overwoog in 1952 het huis te slopen en het park zo te laten of om de grond in erfpacht uit te geven voor de bouw van een flat. Ook het koetshuis zou dan gesloopt moeten worden, om niet te detoneren bij de nieuwbouw.50 Aannemer Van de Elshout had interesse en liet architect A. Versteegh uit Leersum in 1953 een ontwerp maken. Het bestond uit een L-vormig volume van drie lagen op een half verdiepte kelder en voorzien van een hoge kap. Het gebouw leek op een uitvergrote buitenplaats, met gevels die eruit zagen als een portiekflat met reeksen ramen en balkons.51 Het Utrechts Landschap zag de inkomsten uit de erfpacht (1200 gulden per jaar) wel zitten, maar twijfelde of dit de beste oplossing was. In 1954 diende zich alsnog een kans aan om het pand te behouden. De gemeente Zeist wilde het huis huren, opknappen en gebruiken als ambtswoning voor de burgemeester. 52 Met de realisatie van dit plan werd het gebouw gered en bleef het oude gebruik in stand.
De gemeente kocht het pand in 1973, zoals bij de verhuur al was afgesproken, en gebruikte het een tijd als kantoor. Het huis werd in 1988 aan een bank verkocht.
85
Sportpark Schaerweijder Bosschen. Ontwerp W. de Bruyn, J.B. van Asbeck en Hein Otto, 1947. [WUR]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
Tuin Lommerlust na uitbreiding van het huis met twee vleugels. Ontwerp door De Groot, 1980. [WUR]
86
Vooroorlogse transformaties Buitenplaats Eikenstein werd al in 1904 gesloopt voor de bouw van een tuchtschool. Huis Kersbergen ging in de jaren twintig tegen de vlakte voor een villapark en Veelzicht maakte in 1939 plaats voor het politiebureau. Vijf andere huizen werden in de vooroorlogse jaren herbestemd tot vormings- of zorginstelling. In Bloemenheuvel was vanaf 1916 het protestantse vormingscentrum Het Kompas gevestigd. Beeklust werd in 1919 gekocht door Bartiméus, een christelijke vereniging die onderwijs voor blinde kinderen en jongeren verzorgt. Huize Veldheim, de burgemeesterswoning uit 1908, veranderde in 1932 in de antroposofische zorginstelling Het Zonnehuis. Sparrenheuvel ging in 1933 over in handen van het Nederlands Zendingsbureau en de Heldring-Gestichten. Nieuweroord (Lenteleven) was vanaf 1939 in gebruik als kindertehuis van het Leger des Heils. Oorlogstijd De Stichtse Lustwarande in Zeist groeide tijdens de Tweede Wereldoorlog uit tot een van de zenuwcentra van de Duitse Luftwaffe in West-Europa.53 Kort na de Duitse inval in 1940 vestigde de Duitse Luftwaffe het hoofdkwartier van de 1. Nagdjagd Division op De Breul aan de Driebergseweg. Het was het onderdeel van de Duitse luchtmacht dat geallieerde bommenwerpers boven Nederland aanviel.
Sinds 14 mei 1940 stond deze buitenplaats leeg, omdat de Joodse eigenaar, de bankier Paul Mey, en zijn vrouw direct na de Nederlandse overgave aan Duitsland zelfmoord pleegden in Amsterdam. Hun dochter was naar Engeland gevlucht. Kort na De Breul werden ook vele andere buitenplaatsen in Zeist en Driebergen door de SteenhuisMeurs
Duitsers gevorderd, zoals Schoonoord, Pavia, NieuwBeerschoten, Eikenhorst, Slot Zeist en Ma Retraite.54 Vanuit Zeist werkte commandant Josef Kammhuber (1896-1986) aan het Duitse luchtverdedigingsstelsel in West-Europa. Hij werd in 1943 opgevolgd door generaalmajoor Joseph Schmid (‘Beppo’, 1901-1956), een vriend van rijksmaarschalk Hermann Göring. In die periode werkten wel 1500 mensen voor de Duitse luchtmacht in Zeist. Waarschijnlijk waren de staf en de officieren op Slot Zeist ingekwartierd. De ‘Luftnachrichtenhelferinnen’ (communicatiemedewerksters, ook bekend als Blitzmädel) zaten in Seminarie Rijsenburg. Een herinnering aan deze duitstere periode is de inmiddels ombouwde bunker Cäsar aan de Breullaan, op de rand van het Driebergse landgoed Bornia. Na de oorlog keerden de meeste eigenaren terug naar hun bezit. Buitenplaats Wulperhorst bleef tot 1991 in gebruik bij het Commando Luchtverdediging en het Commando Tactische Luchtstrijdkrachten van de Koninklijke Luchtmacht. Wederopbouwtijd Na de oorlog kwam op veel buitenplaatsen een einde aan de particuliere bewoning. Dit had te maken met de hoge kosten en nieuwe modes in het luxe wonen. Wanneer de laatste bewoner overleed, werd het gebruikelijk dat de erfgenamen kozen voor verkoop. De kopers waren niet langer welgestelden, die er wilden woonden, maar aannemers, speculanten of instellingen die er iets wilden ontwikkelen.
Als vanzelf begon een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de Stichtse Lustwarande. De nieuwe eigenaren gebruikten de buitenplaatsen anders dan de oude elite had gedaan. Dat betekende dat de huizen aangepast moesten worden aan de nieuwe functie en soms zelfs verdwenen. Vaak ging de ontwikkeling
gepaard met schaalvergroting van de bebouwing en dat ging ten koste van het park. In de periode voordat de gebouwen een monumentenstatus kregen, leidde herontwikkeling in een aantal gevallen tot sloop. Het Rijk sloopte de huizen Oirschot (1961) en Schoonoord (1965), in verband met de bouw van TNO en een landbouwkundig instituut. Waar de gemeente Zeist in 1954 als huurder zorgde voor de restauratie van Hoog Beek en Royen, lukte het haar niet om als eigenaar van Heerewegen het huis te behouden. Het was in 1966 aangekocht en werd in 1971 dichtgespijkerd. Na een brand in 1973 volgde sloop van de restanten. Onderwijs Vanaf de jaren vijftig kreeg een aantal buitenplaatsen een publieke functie, zoals een school, een onderzoeksinstelling of een kantoor. Op landgoed De Breul ontstond kort na de oorlog een jongensinternaat onder leiding van jezuïeten. Ter plaatse van de moestuin bouwde architect Bernard Koldewey in 1951 een indrukwekkend gymnasium, dat zou uitgroeien tot een scholengemeenschap. Een tweede katholiek jongensinternaat vestigde zich in 1947 onder de naam Huize Sint Jan in de buitenplaats Ma Retraite. Na een brand in 1976 bleef een geblakerde ruïne over, die pas elf jaar later werd hersteld. Ook Schoonoord kreeg een onderwijsbestemming. In 1955 opende een rijks HBS, waar later een Middelbare Meisjesschool bij kwam.
In 1968 gingen beide scholen samen met de gemeentelijke MAVO op in een scholengemeenschap.
87
Paasdrukte op de Driebergseweg, 1960 [GAZ]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
88
Verbreding Driebergseweg, 1968 [GAZ]
SteenhuisMeurs
89
Niet uitgevoerd ontwerp voor nieuwbouw Beek en Royen t.b.v. pachtinkomsten voor het Utrechts Landschap, ontwerp A. Versteegh, 1953. [HUA]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
90
Onderzoek Het Rijk kocht in 1954 buitenplaats Schoonoord aan. Twee rijksinstellingen kregen er een plek: een HBS en het Rijksinstituut voor Veeteeltkundig Onderzoek. Het duurde tot 1963 voor het hoofdgebouw van dit instituut was opgeleverd. Tegenwoordig staat hier het kantoor van het Wereld Natuurfonds. Een ander rijksinstelling die zich in Zeist vestigde was het Centraal Instituut voor Voedingsonderzoek van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (CIVO TNO). Voor deze instelling werden in 1957 de landgoederen Oirschot en Villa Nueva aan de Utrechtseweg gekocht.55 Het was de bedoeling om een flink complex met kantoren en laboratoria te realiseren, waarvoor Villa Oirschot moest wijken. Villa Nueva mocht blijven staan. Het ontwerp was van J. Wiedijk, een architect uit Wageningen, die daar verschillende gebouwen voor de landbouwhogeschool had gerealiseerd. Het complex werd in twee fases opgeleverd in 1961 en 1965. Door het gebouw op enige afstand van de Utrechtseweg te plaatsen, met een riante groenstrook ervoor, bleef het groene karakter van de Stichtse Lustwarande aan de voorzijde redelijk bewaard. De gebouwen lagen aanvankelijk in een groene omgeving, met aan de achterzijde een parkeerplaats.
In de loop der tijd groeide het complex, waarbij het groen verdween en de voortuin deels in een parkeerterrein veranderde, vanaf de weg gezien nog steeds verscholen achter een strook met bomen en struiken. Inmiddels is CIVO TNO vertrokken en kwam daar een wetenschappelijk instituut voor terug.
SteenhuisMeurs
Zorg Voor de oorlog waren er in Zeist al vier buitenplaatsen door zorginstellingen in gebruik genomen. Na de oorlog kwamen daar nog drie bij. Stenia werd in 1948 aangekocht door de Vereniging voor Heilpaedagogie, als uitbreiding van Het Zonnehuis in Veldheim. Schaerweijde veranderde in 1951 in een rusthuis van de Doopsgezinde Gemeente Utrecht. Het gebouw kreeg er hiervoor een verdieping erbij. In Huize Lommerlust opende Teuntje Blichner-Van der Wiel eveneens in 1951 een rusthuis. Nijenheim, aan de Kroostweg, is opgegaan in de ZeistWest. Het huis bleef bewaard en is sinds 1970 in gebruik als uitvaartcentrum. Instellingen en kantoren In de jaren vijftig was het, enkele uitzonderingen daargelaten, in Zeist niet gebruikelijk om buitenplaatsen als kantoor in te richten. Villa Nueva was tussen 1953 en 1957 kortstondig eigendom van de Congregatie van de Broeders van de Liefde, die het pand doorverkochten aan TNO. Vanaf 1955 hield het Produktschap voor Pluimvee en Eieren kantoor op buitenplaats Blanda, waarbij in de tuin achter het oude pand een nieuw kantoor verrees. Vanaf eind jaren zestig veranderde de situatie tamelijk abrupt en werd de ene na de andere buitenplaats tot kantoor verbouwd. Dit ging bijna altijd gepaard met de toevoeging van nieuwbouw bij of achter de huizen en de aanleg van parkeerterreinen in de tuin. Sparrenheuvel is in dit verband exemplarisch.
In 1969 bouwde Akzo Plastics BV een kantoor achter het pand, dat in volgende jaren steeds meer werd vergroot. Sinds 1978 huist hier de Vereniging van Nederlandse Ziekenfondsen
(nu: Zorgverzekeraars Nederland). Na de dood van de laatste bewoner van de Brink werd het landgoed aan de gemeente verkocht en ontwikkeld tot park en woonwijk De Brink. Het huis kwam in privaat eigendom en is sinds 1970 als kantoor in gebruik. De ruïne van Ma Retraite kon in 1976 worden gerestaureerd en ook hier kwamen kantoren. Direct achter het hoofdhuis werd een woonbuurt gebouwd. Schaerweijde was tussen 1979 en 1993 in gebruik als opleidingscentrum van de Pinkstergemeente. Andere kantoorfuncties kregen een plek in Charema (Youth for Christ, 1979), Nieuweroord/ Lenteleven (1979), Bloemenheuvel (1987), Schaerweijde (1993, met toevoeging van een vierde verdieping) en Villa Nueva (1991). In het bos achter De Breul werd in de jaren negentig nog een kantorencluster toegevoegd. Recent is Nieuweroord/Lenteleven opnieuw getransformeerd naar sociale woningbouw. Wonen Molenbosch is uniek voor de Stichtse Lustwarande in Zeist. Aan de achterzijde van het landgoed zijn een woonwijk en verschillende verzorgingshuizen gebouwd. Het parkbos werd overgedragen aan Het Utrechts Landschap. Maar het huis is nog altijd in bezit en in gebruik bij de nazaten van de eerste eigenaar, tegenwoordig de familie Van Wageningen-de Beaufort. Elders in Zeist nog wel enkele oude villa’s en kleinere buitenplaatsen van de Stichtse Lustwarande bewoond. Enkele buitenplaatsen zijn omgebouwd voor nieuwe woonvormen.
In Lommerlust zijn in 1981 met een uitbreiding in ‘passende stijl’ veertien appartementen gemaakt. Nieuw-Beerschoten is in vier appartementen
91
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
92
/
Vorige en deze pagina: zoeken naar balans tussen behoud en ontwikkeling van de Stichtse Lustwarande.
gesplitst, die samen met parkflat uit 1956 en een bungalow een bewoond landgoed vormen. Recentelijk zijn verschillende buitenplaatsen omgebouwd tot zorgvilla’s. Blanda heeft vijftien appartementen voor dementiezorg van Stepping Stones. Domuas Valuas ontwikkelde vijftien zorgappartementen in Pavia en vijfentwintig woonstudio’s in Wulperhorst, aangevuld met negentien luxe hotelkamers in het koetshuis. Appartementen Na de publieke instellingen in de jaren vijftig en de kantoren uit de jaren zeventig, vormen de appartementencomplexen de hoofdmoot uit de derde en huidige cyclus van herontwikkeling op de Stichtse Lustwarande. Met name langs de Utrechtseweg zijn grootschalige woongebouwen gerealiseerd. De link met de buitenplaatsenlandschap is veelal beperkt tot de geabstraheerde vorm van een landhuis, zij het op grotere
SteenhuisMeurs
schaal en met repeterende balkons en raampatronen. Van de kenmerkende typologie van de buitenplaats, met hoofdhuis, tuin en parkbos en op de achtergrond een of meerdere bijgebouwen is geen sprake. Er is geen of nauwelijks een relatie tussen het wonen en het parklandschap. De buitenruimte is doorgaans beperkt van maat met amper groenelementen. Parken veranderen in parkeren, wat gewoonlijk op het maaiveld of half verdiept plaatsvindt. Voorbeelden van dergelijke wooncomplexen zijn aan de Zeister Eng, de Mijnhardtweg en de bebouwingswand langs de Lageweg te vinden. Ook bij Schaerweijde zij dergelijke blokken gerealiseerd maar is wel een parktuin aanwezig. Utrechtseweg 91-95 is een appartementencomplex in een voormalig kantoor. Ruimtelijke erfenis De herontwikkeling van buitenplaatsen is van cruciaal belang geweest voor het behoud van de
historische bebouwing. De resultaten van ruim 100 jaar herbestemmen en ontwikkelen zijn divers. Over de volle lengte van de Stichtse Lustwarande in Zeist is het aantal behouden hoofdhuizen groot, daar tegenover staat dat slechts op enkele plekken deze huizen nog volop deel uitmaken van een parklandschap. De aanslag op de tuinen door nieuwe bebouwing en parkeren was enorm groot. In de herontwikkeling van de buitenplaatsen in de twintigste eeuw zijn drie fases te onderscheiden op de Stichtse Lustwarande in Zeist. Het begon met de vestiging van voornamelijk publieke en zorginstellingen, vanaf de jaren zeventig trad er een concentratie van (grote) kantoren op en vanaf de jaren negentig kwamen er voornamelijk grote appartementencomplexen bij. Met name de laatste twee gebruiksvormen hebben een groot beslag op de buitenruimte gelegd, waarbij de parkaanleg in veel gevallen is verwaterd of verdwenen.
93
8. Beleid: de papieren Lustwarande
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
94
Opvallend aan de ontwikkeling van de Stichtse Lustwarande in Zeist in de twintigste eeuw is dat veel ad hoc gebeurde en de sturende rol van de gemeente beperkt was. Bij de buitenplaatsen waren de eigenaren in hoge mate bepalend voor de aard van de transformaties. In de vooroorlogse periode werden buitenplaatsen die te koop stonden veelal overgenomen door maatschappelijke organisaties of vastgoedondernemers. Daarmee veranderden de buitenplaatsen in instellingen of villaparken. Een volgende generatie kopers bestond meer uit beleggers en ondernemingen, waarop de buitenplaatsen veranderden in kantoorparken, met allengs meer kantoor en minder groen. De laatste generatie ontwikkelaars richt zich op het realiseren van grote aantallen woningen, mede ingegeven door woningnood en de schaarse ruimte. De rol van de gemeente in deze processen was vooral faciliterend. Geleidelijk werd het wel de inzet om ruimtelijke ontwikkelingen in balans te brengen met natuur en landschap. De praktijk was evenwel weerbarstig, door het gewicht van economische of andere belangen. De tientallen beleidsstukken en ruimtelijke plannen die door de gemeente en de provincie zijn opgesteld in de afgelopen ruime halve eeuw, staan vol scherpe analyses en duidelijke uitgangspunten voor ruimtelijk beleid.
Onder grote druk van woningnood en economische belangen, is van de uitvoer van dit beleid in de zone van de Stichtse Lustwarande weinig terug te zien. In dit hoofdstuk wordt de eerdere planvorming geïllustreerd met enkele studies, waarin het behoud van de bestaande kwaliteit als
SteenhuisMeurs
uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen zijn voorgesteld. Structuurplan Zeist, 1978 Aan het einde van de wederopbouwperiode, waarin Zeist sterk groeide, was er behoefte aan een nieuwe visie voor de lange termijn. Na enkele verkennende onderzoeken werd in 1975 F.J. Zandvoort aangesteld als stedenbouwkundig adviseur van de gemeente en kreeg hij de opdracht om een structuurplan te maken. Het werd in 1978 door de gemeenteraad vastgesteld. Zandvoort werkte in de lijn die al in de jaren twintig door Wentink was ingezet: het landschap rondom Zeist zou volgens hem moeten worden beschermd en nieuwbouw zou aan strenge regels moeten voldoen. Zandvoort vroeg zich af welke processen de voortdurende uitbreiding van Zeist veroorzaakten en hoe die konden worden afgeremd. Volgens hem had Zeist vooral de groei van Utrecht en de buurgemeenten opgevangen. Dankzij de auto woonden veel mensen die in Zeist werkten ergens anders. En andersom woonden veel mensen in Zeist, die elders werkten. Het gevolg van deze ontwikkeling was dat vooral het verkeer veel ruimte nodig had. Met de uitbreidingen ontstonden er monotone woonwijken, zoals die overal in het land te vinden waren.
Slechts enkele restanten van het open rivierlandschap waren in de nieuwbouw gespaard, zoals een weidepark bij het Kroost en het weidegebied ten oosten van de Griftlaan.56 Ook waren hier en daar watergangen, bomenrijen en een enkele boerderij in de wijken opgenomen. Desondanks was Zeist veranderd van een welvarende villa-tuinstad in een wat fletse en eentonige randzone in
een stedelijk agglomeratie.57 Hoewel de structuur van de buitenplaatsen was bewaard, was het beeld ingrijpend gewijzigd. De structuur van Zeist Het structuurplan ging uitgebreid in op de bestaande dorpsstructuur en het belang van de Driebergseweg en de Utrechtseweg. Dit was ooit een lint van buitenplaatsen. Veel van de parken van de buitenplaatsen waren door schaalvergroting van gebouwen verdwenen of aangetast. Wegverbreding had ertoe geleid dat de het bijzondere wegprofiel, met bomenrijen en een groene inrichting, was veranderd in een ‘betrekkelijk neutrale en grootschalige hoofdweg (..), zoals die (al) te vaak in andere plaatsen voorkomt’.58 Aan de Utrechtseweg was volgens Zandvoort de kwaliteit van de groene straatweg tot ongeveer 1950 redelijk bewaard gebleven. Daarna had de schaalvergroting van de gebouwen en de verbreding van de weg die kwaliteit aangetast. De relatie met het achterliggende landschap was door dorpsuitbreiding en verdichting niet meer te ervaren. De Driebergseweg had de groene kwaliteit beter vastgehouden, mede omdat hier altijd veel meer bomen hadden gestaan dan langs de Utrechtseweg. De grote buitens in de bossen en de doorzichten op het Kromme Rijngebied gaven de weg een afwisselend en groen karakter. Bij de Driebergseweg was het oorspronkelijke beeld enigszins verwaterd, maar nog wel te ervaren.
Komend uit Driebergen, kwam je volgens Zandvoort door een lange groene poort Zeist binnen. Vervolgens leidde
95
Structuurplan Zeist, bureau Zandvoort, 1978. [GAZ]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
96
Structuurplan Zeist, bureau Zandvoort, 1978. [GAZ]
de vernauwing van de Dorpsstraat en de open ruimte van Het Rond naar het hart van het dorp met het Slot, de pleinen van de Broedergemeente, het gemeentehuis en het postkantoor. Echt storend in deze omgeving was de grote verkeerslast. Zandvoort pleitte voor het herstel van de karakteristiek van de Utrechtseweg, de Driebergseweg en de Dorpsstraten – wat impliciet betekende dat de verkeersintensiteit naar beneden moest.59 Volgens Zandvoort werd Zeist op allerlei manier door het groen gekleurd en verrijkt. Dat gold voor het Zeisterbos, de bomenlanen, de buitenplaatsen en de vele plantsoenen en parken. Alleen in de recente buitenwijken was het groen minder aanwezig. Het eigenlijke dorpscentrum lag aan weerszijden van de Slotlaan, met de winkels en belangrijke gebouwen. Voor Zandvoort was de Slotlaan met recht een laan, die met de boombeplanting, een rijkdom aan panden en zicht op Slot Zeist beeldbepalend was voor het dorp.60
SteenhuisMeurs
97
Structuurplan Zeist, bureau Zandvoort, 1978. [GAZ]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
98
Agenda voor de toekomst Zandvoort stelde dat Zeist, ondanks het verlies van natuur en landschap, nog steeds was omringd door bos en een prachtig rivierlandschap. De gemeente had een gunstige ligging, maar zou eigenlijk niet meer verder het landschap in moeten groeien. Voor de toekomst was Zandvoort duidelijk: het remmen van de groei, het stoppen met uitbreiden en het verbieden van verdere nieuwbouw op de buitenplaatsen.61 Nieuwbouw kon nog wel in het centrum gebeuren. Daarna zou men moeten zeggen: Zeist is vol.62 De dorpskom kon een aantrekkelijk centrum worden met wonen, winkelen, het bestuurlijk centrum (gemeentehuis en stadskantoor) en vermaak. Woningbouw zou gericht moeten zijn op de behoeften van de eigen bevolking. Voor het verkeer moest het accent verschuiven van de auto naar de fiets of het lopen, door de aanleg van comfortabele routes. In het dorp zou geen ruimte meer moeten worden geboden aan doorgaand verkeer. Voor de verdere ontwikkeling moesten de natuurlijke kwaliteiten het uitgangspunt zijn, met het versterken van de uiteenlopende ecosystemen als doel. Dat betekende het herstel van de natuurlijke draagkracht in de gradiëntzone tussen de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied.63 Ook pleitte hij voor herstel van de rijke bomenlanen en parken en het weghalen van verharding en parkeerplaatsen. Auto’s konden een plek krijgen in geconcentreerde parkeervoorzieningen.
Om de kwaliteit van het buiten wonen te versterken was de aanbeveling om de landgoederen publiek toegankelijk te maken en wandelroutes en speelvoorzieningen te ontwikkelen.
SteenhuisMeurs
Aaneengesloten bebouwing van Zeist, omringd door natuurgebieden. [Stedebouwkundige studiegroep kern Zeist, 1973, p. 35]
Groen en erfgoed Over de Slotlaan, de Utrechtseweg en de Driebergseweg stelde Zandvoort dat het verkeer hier niet de belangrijkste maar wel de overheersende functie was. Hij wilde dat deze ooit groene hoofdassen zouden worden hersteld ‘en dat betekent, dat de verkeersmaatregelen zo enigszins mogelijk, gericht zijn op het niet in sterke mate bevorderen van verkeer op deze assen.’64 Naast het groen vond Zandvoort ook de cultuurhistorische gebouwen bepalend voor de kwaliteit van Zeist. Dat ging om Slot Zeist en zijn omgeving en de oude villa’s en buitenplaatsen. Om deze kwaliteit voor Zeist te bewaren waren oplossingen nodig ‘van enkele beeldverstorende problemen, waaronder het verkeer op de Lageweg en het parkeren binnen het Slotplein. De oude villa’s en buitenhuizen moeten beschermd worden tegen voortschrijdende kantorificatie.’65 Centrumplan Gelijktijdig met het structuurplan voor Zeist werd gewerkt aan een structuurplan voor het centrum. Het was een vervolg op de doelstellingennota centrum (1972) en een onderzoek naar het afbreken of opknappen van de kern. In het structuurplan werd gezocht naar mogelijkheden om de oude dorpskern, met zijn vervallen oude bebouwing, te vernieuwen en te verdichten.
Deze plannen leidden tot een grootschalige vernieuwing die in de jaren tachtig zijn beslag kreeg in het gebied ten noordwesten van de Slotlaan en de Verlengde Slotlaan aan de Antonlaan, Boulevard, Voorheuvel en Achterheuvel, Torenlaan, Emmaplein en omgeving.
99
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
Functiekaart van de bestaande bebouwing, Doelstellingennota centrum, 1972 [GAZ]
100