RV25.042 Bijlage 1 Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist - DEF compressed
Tekst van het document
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist 545|2025
mei 2025
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
2
Inhoudsopgave
Inleiding
5
A. Biografische schets 1. De vorming van het cultuurlandschap 2. Vroege bewoning 3. Lusthof op de gradiënt 4. Stichtse Lustwarande 5. Villaparken en tuinwijken 6. De verticale tuinstad 7. Behoud en/door ontwikkeling 8. Beleid: de papieren Lustwarande
10 11 16 22 30 58 76 84 94
B. Transformatiekader 1. Typering van de Stichtse Lustwarande in Zeist 2. Visie op hoofdlijnen 3. Spelregels Spelregels openbare ruimte Spelregens gebouwen, parken, tuinen en erven
105 106 127 131 132 147
Noten en literatuur Colofon
156 159
SteenhuisMeurs
3
Provinciaal speerpunt historische buitenplaatsen. [Cultuurhistorische Atlas, Provincie Utrecht]
De Stichtse Lustwarande in Zeist [Provincie Utrecht, 2014]
STICHTSE LUSTwARANDE
Zandbergen
Beerschoten Dijnselburg
Vollenhoven
De Bilt
Berkenhoven
Blanda Charema Ma Retraite
Zeist
Villa Nuova Zeist Oirschot
Beek en Royen
Veldheim Schaerweijde
Nieuweroord
Lommerlust Stenia Het Hoekje
Neijenheim De Brink
Beeklust
Arendsburg Hoog Beek en Royen
Kersbergen Pavia
Driebergen
Sparrenheuvel
Bunnik
Molenbosch
Niënhof
Blikkenburg
Schoonoord Groenoord
't Kerckebosch
Heerewegen Heidestein
gemeentegrenzen gebied speerpunt historische buitenplaatsen
De Breul Nieuw-Beerschoten Wulperhorst
Tallyho Cottage Bornia
Rose Villa
Hoogerweerd
Rijnwijk Reehorst
Bloemenheuvel Beukenstein Beerschoten - Willinkshof Marienburg Beukenhorst
Nijendal Kraaijbeek Bijdorp Valentijn
DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
STICHTSE LUSTWARANDE 2 Sparrendaal
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
69
4
Inleiding De Stichtse Lustwarande bestaat uit een lang lint van buitenplaatsen op de overgang van de bossen van de Utrechtse Heuvelrug naar het weidse landschap van de Kromme Rijn en de Nederrijn. Dit lint strekt zich uit van De Bilt tot Rhenen. Zeist werd honderd jaar geleden de ‘Parel van de Lustwarande’ genoemd, vanwege de monumentale aanleg van Slot Zeist en het enorme aantal buitenplaatsen in de gemeente. Het Slot dateert uit 1686. Topontwerpers van toen realiseerden een groots ensemble met uitgestrekte tuinen, lanen, parken en bossen, dat prachtig in het landschap is gesitueerd. De meeste buitenplaatsen in Zeist zijn van later datum en stammen uit de negentiende eeuw. De aanleg van de Rijnspoorweg in 1844, met een station tussen Driebergen en Zeist, bracht bankiers en zakenlieden ertoe om hier een buitenhuis te bouwen of zelfs te gaan forenzen naar hun werk in Utrecht of Amsterdam. Transformatiedruk In de loop van de twintigste eeuw is er veel veranderd op de Stichtse Lustwarande in Zeist.Vanwege de toegenomen verkeersdruk zijn de wegen verbreed, wat ten koste ging van een deel van de monumentale bomen en de groenaanleg. De instandhouding van de buitenplaatsen werd voor particuliere bewoners schrikbarend duur. De verstedelijkingsdruk zette een proces van transformatie in gang.
Buitenplaatsen veranderden in instellingen of kantoren, waarbij vaak flinke gebouwen zijn toegevoegd. De parktuinen en bossen van de buitenplaatsen werden woonwijken, bedrijfsterreinen of parkeerplaatsen. Dit alles leidde tot
SteenhuisMeurs
een verschraling van de Stichtse Lustwarande, maar bracht ook nieuwe kwaliteiten: groene woonmilieus, een inspirerende werkomgeving en een vanuit Utrecht gemakkelijk toegankelijk buitengebied. De resterende buitenplaatsen zijn gerestaureerd en een aantal parktuinen is opengesteld voor publiek. Terwijl de Stichtse Lustwarande verstedelijkte, bleven de historische structuur, het groen en veel historische ensembles bewaard, maar wel in een soms verwaterde vorm. Daarmee is de Stichtse Lustwarande nog steeds een representatief en aantrekkelijk vestigingsmilieu om te wonen en te werken. Het wonen op de Stichtse Lustwarande is bovendien niet langer voorbehouden aan de allerrijksten. Ambitie De Stichtse Lustwarande is het visitekaartje van Zeist en beeldbepalend voor de kwaliteit van de gemeente. In de Propositie van Zeist (2020) en de Eerste Zeister Omgevingsvisie (2023) is de ambitie opgenomen om de kwaliteit van de Stichtse Lustwarande als groene ruggengraat van de gemeente te behouden, er nieuwe betekenis aan te geven en de beleving te versterken. Omwille van verduurzaming, klimaatadaptie en biodiversiteit is het de opgave om de Stichtse Lustwarande vanuit de bestaande kwaliteit en cultuurhistorische waarde te behouden en te versterken.
Daarnaast spelen er initiatieven voor nieuwbouw en transformatie van gebouwen, waarbij de unieke kwaliteiten van de Stichtse Lustwarande onder druk kunnen komen te staan. Het is de uitdaging om de
balans te vinden tussen enerzijds landschap, groen en cultuurhistorie, en anderzijds innovatie, nieuwbouw en verkeer. Deze balans is in het verleden doorgeschoten ten koste van erfgoed en ruimtelijke kwaliteit. Toekomstvisie De gemeente Zeist wil in de toekomst zuinig zijn op de Stichtse Lustwarande door kwaliteiten te koesteren, de historische structuur waar nodig te versterken en vernieuwing zorgvuldig in te passen. Zo blijft de Stichtse Lustwarande aantrekkelijk voor inwoners en bezoekers en draagt het gebied bij aan een groene leefomgeving in Zeist. Om dit te realiseren heeft de gemeente Zeist aan SteenhuisMeurs gevraagd om een toekomstvisie voor de Stichtse Lustwarande in Zeist op te stellen. Vanuit de cultuurhistorische waarde worden hierin spelregels voor een ‘gepaste’ ontwikkeling geformuleerd. In alle fases van het proces dat aan de totstandkoming van de toekomstvisie voorafging zijn bewoners, ondernemers en andere betrokkenen zowel online als in fysieke participatiesessies geraadpleegd. Omdat de Stichtse Lustwarande niet alleen een Zeister feestje is, zijn ook de provincie Utrecht en de buurgemeenten De Bilt en Utrechtse Heuvelrug uitgenodigd om mee te denken bij de totstandkoming. Met de toekomstvisie kunnen ruimtelijke initiatieven worden afgewogen tegen de kwaliteiten van de Stichtse Lustwarande en waar nodig worden bijgestuurd.
Cultuurhistorie staat daarbij niet op zich, maar is gekoppeld aan alle gebieds- en beleidsopgaven die in Zeist spelen.
5
Begrippen
Buitenplaats Een luxe woonhuis omgeven door een riante parktuin en parkbos. De eerste buitenplaatsen werden gebouwd als zomerverblijf voor rijke stedelingen. Later dienden ze voor permanente bewoning. Vooral in de zeventiende en negentiende eeuw werden veel buitenplaatsen in Nederland gebouwd. In Zeist gebeurde dat met name in de tweede periode. De buitenplaatsen in Zeist zijn één tot vijf hectare groot. Behalve het hoofdhuis zijn er allerlei bijgebouwen, zoals een portiersen/of tuinmanswoning, een koetshuis, oranjerie (winterstalling van kwetsbare planten en bomen) en kassen. In de parktuinen zijn bomenlanen, boomgroepen, vrijstaande bomen, een parkbos, weiden, een moestuin, waterpartijen en rariteiten (grotten, speelhuisjes, follies) te vinden. De bebouwing, de tuinen en het parkbos vormen een samenhangend geheel.
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
Landgoed Een landgoed onderscheidt zich van een buitenplaats door de aanwezigheid van landbouwgronden en/of productie- en jachtbossen. Parkbos De tuinen rondom de buitenplaatsen zijn doorgaans ingebed in een parkbos. De bossen zijn een onderdeel van de ontworpen tuinaanleg en niet aangelegd voor houtproductie. Bovenweg De bovenweg is een verbindingsweg van Utrecht in de richting van Keulen, die al in de middeleeuwen bestond. De route, die ook wel bekend staat als de Koningsweg, Heerweg of Via Regia, werd vooral in de winter gebruikt, want in de zomer was deze weg erg stoffig. In Zeist wordt de bovenweg gevormd door de Oude Arnhemseweg, de Hogeweg en de Arnhemse Bovenweg.
Benedenweg Parallel aan de bovenweg loopt de benedenweg. Deze was in de winter erg nat, maar in de zomer goed te gebruiken. De benedenweg liep oorspronkelijk om de akkers van de Zeistereng via de Kroostweg. Toen de akkers minder belangrijk werden, verplaatste de route zich naar zandpad dwars over de eng, de huidige Utrechtseweg.1 Sindsdien volgt de benedenweg in Zeist het tracé van de Utrechtseweg, de 1e en 2e Dorpsstraat en de Driebergseweg. Tot in de negentiende eeuw was de bovenweg het belangrijkst. Nadat de benedenweg rond 1815 werd verhard, kwam hier het zwaartepunt van de Stichtse Lustwarande te liggen. De benedenweg werd de belangrijkste doorgaande wegverbinding in Zeist.
6
Gebiedsafbakening Het buitenplaatsenlandschap van de Stichtse Lustwarande strekt zich in Zeist uit aan weerszijden van de bovenweg en de benedenweg over de Utrechtse Heuvelrug, met bijbehorende onderdelen en kenmerken zoals zichtlijnen. De bovenweg wordt gevormd door de Oude Arnhemseweg, de 1e en 2e Hogeweg en de Arnhemse Bovenweg. De benedenweg bestaat uit de Utrechtseweg, de 1e en 2e Dorpsstraat en de Driebergseweg. De Stichtse Lustwarande is in de loop der tijd verweven geraakt met andere dorps- en landschapsstructuren. Dit maakt het lastig om aan te geven wat wel en niet tot de Stichtse Lustwarande behoort. De toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist richt zich op: 1) de samenhangende groenstructuur op en aan weerszijden van de boven- en de benedenweg (wegprofiel, bermen, erfafscheidingen, erven); 2) de buitenplaatsen en landgoederen aan weerszijden van deze route; 3) de 1e en 2e Dorpsstraat, de 1e en 2e Hogeweg en de Slotlaan; 4) elementen uit het buitenplaatsenlandschap die
SteenhuisMeurs
in woonwijken bewaard zijn gebleven, net als de groenstructuren van villawijken en tuinwijken die in het buitenplaatsenlandschap zijn ontwikkeld. De toekomstvisie richt zich niet op: 1) De bossen en parken (Walkartpark, Wilhelminapark, Zeisterbos en Sanatoriumbos). Zij horen bij de Stichtse Lustwarande, maar vallen onder het groenbeleid; 2) De ontwikkelingslocaties bij station DriebergenZeist en op het PGGM-terrein. Voor deze locaties wordt een specifiek ontwikkeltraject gevolgd, waar de cultuurhistorische waarden apart in beeld worden gebracht en meegewogen. Leeswijzer De toekomstvisie bestaat uit twee delen: A) een biografische schets van de Stichtse Lustwarande in Zeist en B) een transformatiekader. Het transformatiekader is opgebouwd uit een ruimtelijke typering van de Stichtse Lustwarande in Zeist, de visie op hoofdlijnen en spelregels voor de toekomst. SteenhuisMeurs Mei 2025
7
Begrenzing toekomstvisie Stichtse Lustwarande, Zeist
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
8
Tuinkamer De Brink, 1910. [GAZ]
SteenhuisMeurs
9
A. Biografische schets
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
10
1. De vorming van het cultuurlandschap
SteenhuisMeurs
11
Reliëf in het landschap. 1: gletsjer, 2: smeltwater, 3: dekzand, 4: rivier. [AHN]
3
Zeist
2 1
Bunnik Driebergen-Rijsenburg
Odijk
(K ro mm e)
Doorn
Ri jn
4
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
12
Zeist ligt op de overgang van het zand van de Utrechtse Heuvelrug naar de klei van het Kromme Rijngebied. Zo’n overgang wordt ook wel een gradiënt genoemd. Al sinds de prehistorie zijn dit gewilde plekken voor de mens om te wonen. De Heuvelrug ligt hoog en droog, maar is weinig vruchtbaar. Het Kromme Rijngebied is vruchtbaar, maar vochtig. De landschappen van zand en klei zijn lang geleden onder invloed van ijs, water en wind ontstaan. Eerst werd de Utrechtse Heuvelrug gevormd. Het rivierlandschap van de Kromme Rijn is van latere datum. De afgelopen 1000 jaar is het gebied geleidelijk aan door de mens naar zijn hand gezet. Zeist in de ijstijd Het landschap van de Stichtse Lustwarande zoals we dat nu kennen kreeg zijn vorm in de ijstijd en de duizenden jaren die sindsdien verstreken. De Heuvelrug ontstond toen gletsjers vanuit Scandinavië tot in Nederland reikten en de bodem als een soort sneeuwschuiver voor zich uit omhoog stuwden. Die stuwwallen moeten honderden meters hoog zijn geweest, maar wind en water hebben ze in de loop der tijden afgevlakt. In het opgestuwde en uitgeschuurde landschap verlegden de rivieren hun koers, waardoor een breed dal tussen de Heuvelrug en Brabant werd uitgeslepen. Hier vonden veel later de Rijn, Waal en Maas hun loop.
Aan het einde van de ijstijd, toen de Noordzee een gure zandwoestijn was, zette de wind een dik pakket zand af tegen de stuwwallen, dat in de bodem van Zeist is terug te vinden. Het einde van de ijstijd, zo’n 12.000 jaar geleden, was een periode van klimaatverandering. De Utrechtse
Heuvelrug raakte begroeid met bos. De Rijn, die iets ten zuiden van de stuwwallen stroomde, kreeg een meer geleidelijke wateraanvoer door het jaar heen. Ongeveer 6500 jaar geleden nam door een stijgende zeespiegel de stroomsnelheid af, waardoor de met het water meegevoerde zand- en kleideeltjes naar de rivierbodem zakten. Zo ontstond het kenmerkende rivierlandschap met oeverwallen en komgronden. Het landschap was niet statisch, maar bleef door de dynamiek van het water in verandering. Door verschillen in stroomsnelheid in de bochten kon de rivier binnen de stroomgordel gemakkelijk zijn loop wijzigingen. Op de ene plek werden bochten weggespoeld en trad de rivier buiten zijn oevers, terwijl op de andere plek nieuwe oeverwallen werden opgeworpen. Het resultaat was dat meanders in de rivierbedding opschoven en kronkels uit de rivierloop werden gladgestreken. Het landschap van de rivieroevers werd keer op keer overschreven. Vierduizend jaar geleden volgde de hoofdstroom van de Rijn min of meer de bedding van de huidige Kromme Rijn.
De oude Rijnloop in Zeist en omgeving vóór 1100. [Van Eekeren, 1974, plaat 1] De Lustwarande geprojecteerd op de hoogtekaart. [Provincie Utrecht, 2014]
ruimtelijk kenmerkend is het ‘kantwerk’ van open (weiden, overplaatsen) en gesloten (parken/bossen) delen, waarbij nauwelijks sprake meer is van grotere doorzichten. dit kantwerk wordt gearticuleerd door een fijnmazig patroon van dwars op de hoofdroute gerichte zichtlijnen en laanstelsels. Langs de weg zijn grote verschillen in gaafheid (uitgeklede buitenplaatsrestanten binnen bebouwde kommen), karakteristiek (parken en huizen) en korrelgrootte (kleine en grote buitens, boszone).
Zeist aan de Rijn Met het blote oog is goed te zien dat de Oude Kerk van Zeist op een heuveltje staat. Dit is een natuurlijke uitloper van de stuwwal.2 Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat de Rijn hier ooit op een steenworp vandaan stroomde.3 Langs de Lageweg is de oude Rijnloop blootgelegd. Het is waarschijnlijk dat de 1e en 2e Dorpsstraat ooit aan de Rijn lagen, wat een mogelijke verklaring voor hun licht gebogen vorm is.4 In de vroege middeleeuwen verschoof de Rijnloop naar het zuiden, waarop de meander van Zeist verzandde.5
Heuvelrug
ZEIST
DRIEBERGEN
DOORN
Kromme Rijngebied
LEERSUM AMERONGEN
Buitenplaatsen Stichtse Lustwarande op de gradiënt van de Heuvelrug
SteenhuisMeurs
Toppers en clusters
het Zeister Slotcomplex behoort tot de drie landelijke topvoorbeelden van een grootse zeventiende-eeuwse 13 formele aanleg, huis doorn is vooral bekend als museum van de duitse keizer en kasteelmuseum amerongen is te beschouwen als een hollands-classicistisch icoon van een adellijke levensstandaard. broekhuizen is één van
Zicht vanaf de Laan van Rijnwijk.
Kromme Rijn en Lek Om het gebied van het tegenwoordige Zeist veilig te kunnen bewonen en te bewerken heeft de mens het watersysteem aangepast. In een periode met veel wateroverlast werd de Rijn in 1122 bij Wijk bij Duurstede afgedamd. Het gevolg was dat de Rijn zijn koers verlegde en voortaan via de Lek verder stroomde. Sinds de zestiende eeuw wordt de afgedamde Rijntak de Kromme Rijn genoemd. Deze rivier dient nog voor de afwatering van regenwater uit de directe omgeving en kwelwater vanaf de Utrechtse Heuvelrug.
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
Zicht vanaf de Laan van Rijnwijk.
Ruimtelijke erfenis Het natuurlijk landschap was de allesbepalende factor voor de latere ontwikkeling van Zeist. Het dorp ontstond op de overgang van de Heuvelrug naar het Kromme Rijngebied. Hier ging het van hoog naar laag, van zand naar klei, van droog naar nat en van schraal naar vruchtbaar. Ondanks alle latere ontwikkelingen bleef het natuurlijk landschap herkenbaar. Het onderscheid tussen de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied is haarscherp. In dit landschappelijk decor ontstond de Stichtse Lustwarande, precies op de overgang van beide werelden. 14
Fragment van de bodemkaart van het Kromme Rijngebied, 1973. [RAZU]
Slot Zeist
Station Driebergen-Zeist
SteenhuisMeurs
15
2. Vroege bewoning
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
16
Vorige pagina: gravure van Blikkenburg, ca. 1665. [HUA]
Vanaf de prille prehistorie hebben mensen op of bij de Utrechtse Heuvelrug gewoond, zoals honderden grafheuvels en andere archeologische vondsten bewijzen.6 Over een periode van vele duizenden jaren is weinig bekend over hoe al die vroege Zeistenaren leefden. In dit hoofdstuk wordt de schaarse informatie op een rij gezet.
die tussen 250 en 400 na Christus in gebruik was, dat is in de nadagen van het Romeinse Rijk.7
Na de jagers en verzamelaars maakten de eerste boeren zo’n drieduizend jaar geleden hun opwachting op de Heuvelrug. De omstandigheden waren niet echt gunstig. Op de kleigronden was een moeilijk toegankelijk moerasbos, dat geregeld overstroomde. Op het zand, waar goed kon worden gewoond, was de grond droog en niet zo vruchtbaar. Er werden kleine raatakkers (‘celtic fields’) aangelegd, die met plaggen werden bemest. Om de paar jaren werd de uitgeputte bovenlaag van de akkers afgeschraapt en terzijde gelegd, waardoor er walletjes rond de akkers ontstonden. Door houtkap verdwenen de natuurlijke bossen. Er kwamen heidevelden voor terug. Overbegrazing en het afplaggen van de heide werkten de vorming van zandverstuivingen in de hand.
De weg naar Keulen Over de Utrechtse Heuvelrug, precies op de overgang van zand naar klei, liep al in de vroege middeleeuwen een doorgaande weg vanuit Utrecht in de richting van Keulen. In Keulen was het aartsbisdom, waar het bisdom Utrecht vanaf 795 onder viel. De vroegst bekende vermelding van de weg dateert uit de tiende eeuw. De route, die bekend stond als Via Regia (Koningsweg) of Heerweg, bestond uit twee evenwijdig lopende wegen. In de natte winter was de bovenweg in gebruik en in de stoffige zomer bood de benedenweg meer gerief. De bovenweg was eeuwenlang de hoofdroute. De benedenweg werd in Zeist pas na 1818 bestraat en ontwikkelde zich daarna tot een belangrijke doorgaande verbinding.8 Beide wegen bestaan nog steeds en vormen de ruggengraat van de Utrechtse Heuvelrug. In de vooroorlogse rijkswegenplannen was de benedenweg als een snelweg (Rijksweg 25) opgenomen. Dit is later afgeschaald tot een hoofdweg (N225) en tegenwoordig tot een gemeentelijke weg.
Romeinen De tegenwoordige Kromme Rijn was in de Romeinse tijd een deel van de limes, de grens van het rijk. De grensweg, of Limesweg, liep ten zuiden van de rivier. Bij Bunnik bouwden de Romeinen Castellum Fectio (Vechten). Hoewel de Utrechtse Heuvelrug net over de grens lag, moet de invloed van de Romeinen groot zijn geweest. Bij de bouw van het nieuwe station DriebergenZeist in 2019 werden sporen van een boerderij gevonden
De Oude Kerk Op de verhoogde plek van de Oude Kerk stond waarschijnlijk al in de negende eeuw een houten kerkgebouw.9 Het was een van de eerste kerken in het Sticht, waar gelovigen letterlijk uit alle windstreken over kerkepaden naartoe kwamen. In 1180 werd de kerk van tufsteen herbouwd. Het feit dat tufsteen werd gebruikt, duidt erop dat Zeist destijds nog via de Rijn bereikbaar was. Dit kostbare materiaal kwam namelijk uit Duitsland
SteenhuisMeurs
en moest per schip worden aangevoerd. De kerk werd rond 1500 grondig verbouwd en in 1843 grotendeels vernieuwd. Architect N.J. Kamperdijk (1815-1876) maakte een neogotisch ontwerp, naar Engels voorbeeld. Om een goede fundering te kunnen maken werd de kerkheuvel, met alle graven en oude bouwsporen, ongeveer een meter afgegraven. In de toren bleef de oude tufstenen onderbouw bewaard, grotendeels verscholen achter gepleisterd metselwerk. Boeren voor de bisschop Tussen de boven- en de benedenweg ontstond in de middeleeuwen een doorlopend landbouwgebied. De eerste boerenbedrijven werden gesticht door de bisschop van Utrecht. Deze hofdomeinen bestonden uit enkele huisjes en wat bijgebouwen. De bewoners waren horigen, mensen zonder rechten die bij de grond hoorden en daar niet eens van weg mochten gaan. Ze deden het zware werk voor kost en inwoning. Op het grondgebied van Zeist moeten twee bisschoppelijke boerendorpen zijn geweest, die werden aangeduid als curtis of vroonhof. Vlakbij de locatie van station Driebergen-Zeist was de curtis Weerdorp, een kleine boerengemeenschap. Een vergelijkbare nederzetting bestond ook in Zeist, in de omgeving van de Brink. Het oudst bewaard gebleven document waarin de naam Seist voorkomt, dateert uit 838 en spreekt over een dorp met zes ‘onvrije’ families. Het zou om de bisschoppelijke hoeve kunnen gaan, maar zeker is dat niet.
Beide nederzettingen zijn later veranderd in een leengoed, met vrije boeren, die jaarlijks een vergoeding aan de bisschop of de landheer moesten betalen (de zogenaamde ‘tijns’).
17
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
18
Vorige pagina: de Oude Kerk van Zeist, 1858. [WUR]
De grenzen van de ontginningen onder Oostbroek en Zeist. [Dekker, 1983, p. 166]
De ontginning De laaggelegen moerassen en broeklanden bij de Kromme Rijn waren te drassig voor de landbouw en behoorden tot het wildernisareaal van de bisschop. Nadat de Kromme Rijn in 1122 bij Wijk bij Duurstede was afgedamd, kon de ontginning van deze wildernis serieus ter hand worden genomen. Door sloten en weteringen te graven verbeterde de afwatering en werd het mogelijk om landbouw te bedrijven. Bisschop Godebald van Utrecht gaf concessies uit om gebieden te ontginnen. De zogenaamde cope-contracten gaven de kopers het ‘recht van opstrek’. In enkele jaren tijd was het hele Kromme Rijngebied ontgonnen, wat wijst op een grootschalige en goed geplande aanpak. De concessies kwamen in handen van kerken, kloosters en de adel. Zij hadden kapitaal om te investeren en de kennis en het ondernemerschap om de projecten uit te voeren. Als een ontginning klaar was, gaf de bisschop het als een leengoed uit. De gronden leenden zich goed als gras- en hooilanden. De boeren die zich in de ontginningen vestigden moesten jaarlijks een belasting aan de leenman betalen. De grote ontginningen van Zeist en Driebergen waren Zeisteroever, Kattenbroek, Stoetwegen en Vierhoeven.
Iedere ontginning had zijn eigen afwatering op de Kromme Rijn, zoals de Bisschopswetering, de Hakswetering en de Blikkenburger Wetering.10 Landbouw in de middeleeuwen In het overgangsgebied van zand naar klei bestond eeuwenlang een in Nederland gebruikelijke vorm van gemengde landbouw, de zogenaamde potstalcultuur. Op de gemeenschappelijke heide werden schapen gehouden. De akkers (engen of enken genoemd) lagen
SteenhuisMeurs
geconcentreerd op de overgang van zand naar klei en werden bemest met plaggen en schapenmest uit de potstal. De lager gelegen kleigebieden langs de Kromme Rijn dienden als gras- en hooilanden. Het gemengde boerenbedrijf leidde tot een aantrekkelijk landschap, met veel variatie en kleinschalige landschapselementen.
19
Bonneblad, Zeist, 1902. [NA] Volgende pagina: Atlas van Christian sGrooten, 1594. [Koninklijke Bibliotheek, Brussel].
Ridderhofsteden Gedurende de dertiende en veertiende eeuw verrezen in de ontginningen langs de Kromme Rijn vele ridderhofsteden, zoals het Huis Seijst, Blikkenburg en Kersbergen. Deze kastelen of versterkte boerderijen vormden een nieuwe verdedigingslinie aan de zuidzijde van het Nedersticht, noodzakelijk geworden door het droogleggen van de moerassen. De status van ridderhofstad verplichtte de eigenaar om het huis verdedigbaar te maken, onder meer met een slotgracht. In tijden van oorlog moest de bisschop of landheer het huis kunnen gebruiken. In ruil hiervoor kregen de eigenaren belastingvoordelen, toegang tot de ridderschap en daarmee een stem in het provinciaal bestuur.
O ud e Ar nh em se w
is
te
ch
re
eg
Ze
re
oo st
ts
ew
eg
ng
w eg
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
Ut
Kr
Ruimtelijke erfenis Van de hele vroege bewoning in Zeist zijn weinig sporen terug te vinden. Uit de middeleeuwen is veel overgebleven, zoals de opzet van het dorp en het Kromme Rijngebied. In het landschap langs de Kromme Rijn is het patroon van sloten en weteringen uit 1122 opmerkelijk gaaf bewaard gebleven, mede omdat deze kant van de rivier buiten de ruilverkaveling bleef. Hier zijn ook nog oude boerderijen en erven te vinden. De middeleeuwse opzet van het dorp Zeist bestaat uit de boven- en benedenweg, de kerkepaden en andere oude wegen. De Oude Kerk is al meer dan duizend jaar een belangrijke plek voor de Zeister gemeenschap. De drie ridderhofsteden zijn allemaal gesloopt, maar hun locaties zijn herkenbaar gebleven: Slot Zeist, buitenplaats Blikkenburg en villawijk Kersbergen. Een poortje van Kersbergen is aan de Utrechtseweg herbouwd, tussen de buitenplaatsen Ma Retraite en Veldheim in.11
Langs deze weg zijn bij opgravingen funderingsresten gevonden van boerenwoningen, een waterput en een graanschuur (een zogenaamde ‘spieker’). De meest bijzondere erfenis van de landbouw is de bodem terug te vinden. Door de eeuwenlange plaggenbemesting ontstond er zwarte enkeerdgrond, met een humusrijke bruine laag grond van minstens 50 cm dik (het ‘esdek’). Op de bodemkaart is te zien dat de eerdgronden zich beperken tot een smalle strook aan weerszijden van de benedenweg. De akkers op de enken die eeuwenlang met plaggen werden bemest, hebben op deze manier de letterlijke voedingsbodem opgeleverd waarop de Stichtse Lustwarande tot bloei kon komen.
Langs de Utrechtseweg en op de Heuvelrug is het oude agrarische landschap grotendeels verdwenen als gevolg van bosaanplant en de bouw van buitenplaatsen en woonwijken in de negentiende en twintigste eeuw. Wel zijn er nog restanten te zien. Een aantal wegen in Zeist zijn voortgekomen uit de schapendriften, de paden waarlangs de schaapskudde naar de heide liep: Sanatoriumlaan, Schaerweijdelaan, Van Reenenweg, Berkenlaan, Molenweg, Heideweg en de Breullaan. De driehoekige brink aan de Utrechtseweg was ooit een gemeenschappelijke ruimte, waar het vee werd samengedreven. De Kroostweg vormde de grens van de Zeistereng, waar de akkerbouw was te vinden.
De Brink
20
SteenhuisMeurs
21
3. Lusthof op de gradiënt
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
22
In de zeventiende eeuw ontstond langs de rivier de Vecht een imposant lint van tientallen buitenplaatsen. Rijke stedelingen uit Amsterdam en Utrecht vonden hier in de zomer een uitvlucht uit de hitte, de stank en de drukte van de stad. Twee keer per jaar vond er per trekschuit een elitaire volksverhuizing plaats, waarbij families met huisraad, kunstwerken en personeel in de zomer de stad verlieten en aan het einde van de zomer weer terugkeerden. Op de Utrechtse Heuvelrug viel van die trend destijds weinig te merken. In Zeist was het aantal nieuw gebouwde buitens tot ongeveer 1800 op de vingers van een hand te tellen. Daar stond wel iets tegenover: de bouw van Slot Zeist (1681-1686), een lusthof geïnspireerd op het Chateâu de Versailles.
Weergave van de limietscheiding van Zeist en Driebergen, 1678. [NA]
van sulck een fraeye plaets niet te hebben en de wat een eerlycker man te wesen’. Volgens hem stond Van Nassau Odijk bekend als de grootste oplichter en misleider van de wereld.13 Grondaankopen Willem Adriaan van Nassau Odijk werd in 1677 eigenaar van de ambachtsheerlijkheid Seijst. Huis Seijst bestond toen waarschijnlijk al niet meer en als er al resten van waren, werden die met de grond gelijk gemaakt om ruimte te bieden aan het nieuwe slot en de tuinen.14 Door de Staten van Utrecht en op voorspraak van de stadhouder werd het bezit in 1677 verheven tot de Hoge Heerlijkheid Zeist en Driebergen. Van Nassau Odijk betaalde alles bij elkaar 5000 gulden aan de Staten
van Utrecht en kreeg als heer van de hoge heerlijkheid een grote juridische macht en belastinginkomsten. Het grondbezit werd de volgende jaren met tal van aankopen uitgebreid. Zo verwierf hij in 1680 het grondeigendom van de Zeisterstraat (nu: de beide Dorpsstraten) tussen Kersbergen en hofstede De Preekstoel (Schoonoord). In dit gebied stonden 28 woningen en acht boerderijen, die jaarlijks erfpacht moesten betalen.15 De ridderhofstede Blikkenburg werd in 1681 bij de hoge heerlijkheid gevoegd. Slot Zeist groeide uit tot een landgoed van 318 hectare, gelegen op een strook van vijf kilometer lang en 400 tot 800 meter breed.16 Dit landgoed stond haaks op de boven- en benedenweg en liep van de Kromme Rijn tot ver op de heidegronden, met een obelisk als eindpunt.
Willem Adriaan van Nassau Odijk Na de reformatie (1580) kwam het grote grondbezit van de bisdommen, kerken en kloosters in handen van de Staten van Utrecht. Vooral in de jaren na het rampjaar 1672 werden veel landerijen door de staten weer van de hand gedaan om aan geld te komen.12 Een van de kopers was Willem Adriaan van Nassau Odijk (ca. 16321705), het kind van een bastaardzoon van prins Maurits en een vertrouweling van zijn achterneef Willem III, de koning-stadhouder. Odijk had de naam corrupt en vals te zijn. Zo gebruikte hij zijn positie als plaatsvervanger van de stadhouder in Zeeland om zich te verrijken. Ook pronkte hij met een familiewapen waar hij geen aansprak op mocht maken en noemde zich Heer van Odijk, terwijl dat de titel van zijn broer was. Met de bouw van Slot Zeist maakte hij indruk op zijn tijdgenoten. Constantijn Huygens jr. schreef over een bezoek dat hij met de heer van Sommelsdyck in 1682 aan Slot Zeist bracht: ‘Sommelsdyck (..) seyde dat Odyck beter soude doen SteenhuisMeurs
23
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
24
Vorige pagina: Biltstraat en Biltsche Grift, Gildbrug en herberg Het Boompje, 1772. [HUA] Gravures van Daniël Stopendaal, 1670-1680. [HUA]
De ontwerpers Jacobus Roman (1640-1716) heeft naar alle waarschijnlijkheid Slot Zeist ontworpen. Hij was als architect bij veel prestigieuze bouwprojecten van Willem III en zijn entourage betrokken. Zo ontwierp hij jachtslot Het Loo in Apeldoorn. Hij werd in 1689 benoemd tot koninklijk architect van Willem III. Vanuit die rol verbouwde hij Kensington House bij Londen. Andere projecten waren de uitbreiding van de Hof te Dieren (1679), de galerij van Huis Twickel (1692), de voorgevel van het stadhuis in Deventer (1693), kasteel Middachten (1694) en Huize de Voorst in Eefde (1695, met Marrot). In de Willemszaal en het trappenhuis van Slot Zeist maakte de Franse Hugenoot Daniel Marrot (1661-1752) geweldige muurschilderingen, kort nadat hij uit Frankrijk naar Nederland was gevlucht in 1686. Ook Marrot zou
SteenhuisMeurs
later veel belangrijke werken in Nederland uitvoeren, waaronder Paleis Kneuterdijk en de Trèveszaal in Den Haag en de tuinen van Paleis Het Loo, kasteel Rosendael en het Huis te Heemstede. Het Slot Slot Zeist is gelegen aan de Zeistervaart, die ook wel Biltse Grift wordt genoemd. Deze vaart werd tussen 1637 en 1642 gegraven om Zeist weer over het water bereikbaar te maken. Voor het Slot was de vaart onmisbaar om bouwmaterialen en voedsel aan te voeren en de vijvers, grachten en fonteinen van water te voorzien.17 Het Slot ligt precies op de overgang van zand naar klei en daar was de beste grond voor de tuinen. De bouw van het Slot begon in 1681 met de twee voorhuizen. Hierna volgde haaks hierop het hoofdhuis, zodat een
U-vormig complex ontstond rondom een voorplein dat aan de open zijde met een groot smeedijzeren hekwerk werd afgesloten. Inspiratie voor het Slot en de tuinen kwam uit Frankrijk, waar het Château de Versailles in opdracht van Lodewijk XIV tussen 1654 en 1679 enorm werd uitgebreid. Willem Adriaan van Nassau kende het kasteel, hij maakte lange reizen naar Frankrijk in 1655 en 1678. Bij de tweede reis ging Willem Meester mee, de ‘fontainer’ die fonteinen en pompinstallaties bij Slot Zeist moest maken. Versailles inspireerde niet alleen de algehele hoofdopzet van het terrein met de rechte lanen en tuinen, maar ook het monumentale trappenhuis, waarin een versimpelde uitvoering van de Escaliers des Ambassadeurs is te herkennen.18
25
Gravure van Slot Zeist door Daniël Stoopendaal, ca. 1702. [RCE]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
26
Slot Zeist, J. Bürgin, ca. 1790-1810. [HUA]
SteenhuisMeurs
27
Plattegrond Zeist, I. Petersen en C. Forssell, 1902. [HUA]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
Bron: structuurplan Zeist, Bureau Zandvoort, 1978. [GAZ]
Bron: structuurplan Zeist, Bureau Zandvoort, 1978. [GAZ]
28
De tuinen Het is aannemelijk dat Roman ook de tuinen ontwierp. Ze werden tussen 1681 en 1687 aangelegd met een formele opzet: symmetrisch, met rechte lijnen en strak. Vanaf het huis liepen bomenlanen met lange zichtassen de omgeving in. De zichtas over de Slotlaan en de Koelaan is zelfs de langste van het land.19 Veel lanen van het Slot zijn nog steeds in het stratenpatroon van Zeist herkenbaar. De Zeistervaart werd vergraven tot grachten en waterpartijen. Langs de kilometerslange hoofdas, die ooit de Donkerelaan heette en nu de Slotlaan, ontstond een afwisseling van tuinen, parken, sterrenbossen en open ruimtes. In de directe omgeving van het Slot lagen de mooiste tuinen, verder weg gingen ze over in parken en vervolgens in bossen voor de houtproductie en de jacht. Daniël Stoopendaal maakte 21 gravures die de oorspronkelijke grandeur van het Slot en zijn tuinen laten zien. Er waren fonteinen, beeldengroepen, watervallen, bloemperken, bomenlanen, sierlijke buxustuinen (‘parterres’) en fraai gesnoeide planten. Verdiept aangelegde gazons dienden voor balspelen. Op de kruising van de monumentale as met de Zeisterstraat (Dorpsstraten) was een rondeel, een groene rotonde, die nu voortleeft in de naam Het Rond. Evangelische Broedergemeente Na de dood van Willem Adriaan van Nassau Odijk in 1705 bleef Slot Zeist nog jaren in zijn familie.
In 1745 werd het aan de Amsterdamse doopsgezinde ijzerhandelaar Cornelis Schellinger (1711-1778) verkocht. Schellinger
SteenhuisMeurs
ging zelf op het Slot wonen en gaf een vleugel in gebruik aan Nicolaas Lodewijk von Zinzendorf, een Duitse graaf die in 1722 de Evangelische Broedergemeente had opgericht. Onder de leden van deze beweging, die ook wel de Hernhutters wordt genoemd, waren veel gevluchte Moravische broeders, die vanwege hun geloof in Tsjechië werden vervolgd. De broedergemeente bouwde op twee weilanden aan de voorzijde van Slot Zeist grote carrévormige wooncomplexen: het Broederplein en het Zusterplein. Hier konden 350 mensen wonen. De Hernhutters waren voornamelijk ambachtslieden. Ze stichtten in Zeist allerlei bedrijven, zoals een bakkerij, knopenfabriek en een zilversmederij. Rondom de woonpleinen kwam een cluster van bedrijvigheid, onder meer aan de Lageweg en de Karpervijver. Ruimtelijke erfenis Door de bouw van Slot Zeist met zijn lange lanen, tuinen en bossen, ontstond haaks op de structuur van de boven- en de benedenweg een monumentaal ensemble dat zijn weerga niet kent op de Stichtse Lustwarande. Het Slot is samen met het Broeder- en Zusterplein het beeldmerk van Zeist. De kilometers lange Slotlaan werd de hoofdstraat van het dorp. Tot ver in de negentiende eeuw concentreerde de dorpsbebouwing van Zeist zich rond de kruising van de benedenweg en de Slotlaan, met Het Rond als middelpunt.
De beide dorpsstraten hadden doorlopende gevelwanden en fungeerden vanaf de Utrechtseweg en de Driebergseweg als een soort poorten tot het slotterrein.
29
4. Stichtse Lustwarande
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
30
In Zeist waren in de zeventiende en achttiende eeuw slechts enkele buitenplaatsen waarin rijke kooplieden een zomers of permanent alternatief voor het leven in de stad vonden. Het verschil met kastelen of ridderhofstedes was dat de buitens geen militaire functie hadden en niet gekoppeld waren aan het lidmaatschap van de ridderschap en Provinciale Staten. Het ging puur om vertier en het goede buitenleven. De buitenplaatsen gaven de eigenaar prestige en waren als investering interessant. De huizen waren vaak deel van uitgestrekte landgoederen met boerderijen, bosbouw of tuinderijen, waardoor het nut van de opbrengt kon worden gecombineerd met de lust van ontspanning. Opvallend aan de eerste buitenplaatsen is dat de meeste in de klei van het Kromme Rijngebied lagen. Daar waren ook de ridderhofstedes Kersbergen, Blikkenburg en Huis Seijst, die stuk voor stuk als buitenplaats in gebruik kwamen. Pas in de negentiende eeuw kwam de bouw van buitenplaatsen in Zeist goed op gang. Buitenplaatsen in de klei Huis Rijnwijk werd rond 1610 gebouwd voor Mr. Jacob van Asch van Wijk (1585-1645), de latere president van de Staten van Utrecht. Het was de eerste als zodanig gebouwde buitenplaats bij Zeist, maar in alles leek het op een ridderhofstede. Het buiten lag vlakbij de Kromme Rijn in de ontginning Stoetwegen en zag eruit als een kasteeltje, inclusief omgrachting. Ook de buitenplaats
SteenhuisMeurs
Wulperhorst staat in het landschap van de Kromme Rijn, schuin achter Slot Zeist, ter plaatse van een middeleeuwse boerderij. W.N. de Pesters liet het huis en de tuin in 1772 verbouwen. Spectaculair moet het Grand Canal zijn geweest, dat van de Tiendweg naar de Kromme Rijn voerde. Buitenplaatsen bij de Dorpsstraten Andere vroege buitenplaatsen ontstonden aan de rand van het dorp, op de uiteinden van de Dorpstraat. Pal naast de Oude Kerk en aan het begin van de Utrechtseweg bouwde de schout van Zeist, Louis de Haey, in de tweede helft van de zeventiende eeuw een herenhuis. Dit huis heette Bogaerdslust en werd later Veelzicht genoemd. Vermoedelijk heeft Lodewijk XIV hier tien dagen gelogeerd, toen hij in het rampjaar 1672 met de Franse troepen in Nederland op veldtocht was. Destijds bestond het Slot nog niet en was dit waarschijnlijk het mooiste huis van Zeist.20 Volgende eigenaren breidden het huis uit tot een breedte van 21 meter en de tuin tot vijf hectare. Veelzicht was gericht op het buitenleven met kassen, sier- en moestuinen, een vijver, een stuk bos, slingerpaden, stallen, een koetshuis, tuinmanswoning en een duiventil. In 1888 werd de grond van Veelzicht gesplitst in 22 bouwkavels. De resterende tuin was nog steeds 100 meter diep. In 1939 werd het huis gesloopt voor de bouw van het politiebureau.
Aan het uiteinde van de 2e Dorpsstraat bevindt zich de buitenplaats Beek en Royen, waarin nu de Vrije Hogeschool is gevestigd. Dit huis werd in 1730 gebouwd door Utrechts burgemeester Hendrik Verbeek en staat precies op een oude zichtlijn vanaf Slot Zeist, de tegenwoordige Laan van Beek en Royen. De bomenlaan en de rechthoekige tuinen waren geïnspireerd op de aanleg rond Slot Zeist. Met de ligging aan de benedenweg en met de overtuinen (tuinen aan de overzijde van de weg) was het huis op zijn beurt weer een inspiratiebron voor latere buitenplaatsen op de Stichtse Lustwarande. Bij Slot Zeist en Beek en Royen loopt de belangrijkste zichtas van laag (de rand van het Kromme Rijngebied) naar hoog (de Heuvelrug). Latere buitenplaatsen hadden meestal een omgekeerde oriëntatie: het buitenhuis stond dan aan de hoge zijde van de benedenweg, met een overtuin of overweide aan de lage zijde en zicht op de Kromme Rijn. Een voorbeeld van deze opzet is buitenplaats Hoog Beek en Royen, die in 1825 door bankier Albert Voornbergh schuin tegenover Beek en Royen werd gebouwd op een stuk grond dat enkele jaren eerder van Beek en Royen was afgesplitst en verkocht. Ook dit werd een trend op de Stichtse Lustwarande: het opsplitsen van grootgrondbezit voor de bouw van buitenplaatsen, villa’s of woonbuurten.
Voor de dochter van Voornbergh werd Hoog Beek en Royen in 1855 ook weer gedeeld, zodat zij buitenplaats Pavia kon bouwen.
31
Dijnselburg
Vollenhove Berkenhove Charema
Vollenhove
Valkenbosch
Eikenstein
Blanda
Ma Retraite met (verdwenen) overtuin Villa Nuova met overtuin 1841
Sl ot
Ze
ist
Veldheim
Oirschot (huis verdwenen)
Sonnehaert
n ye Ro
Be
Djimat (verdwenen)
‘t Kerckebosch
ek
Ze i
Be
ot
Molenbosch
og
Sl
ek
en
Sparrenheuvel
en
st
Rhijnsoever
Ro ye n
Lenteleven/Nieuweroord Schaerweijde Zandenhoef (verdwenen) Rozenhoeve/ Welgelegen (verdwenen) Rozenvilla Weltevreden (verdwenen) Huis Ten Bosch Nijenheim (verdwenen) Lommerlust Choisy Arendsburg (verdwenen) De Brink Middenhoek Beeklust 1860 Stenia (verdwenen) Het Kersbergen (verdwenen) Hoekje Pavia Veelzigt (verdwenen)
Oostbroek
Ho
Heidestein
ot Sl
De Beesde
Ze i
st
Niënhof
Wulperhorst
Blikkenburg
Heerewegen met overtuin
Schoonoord Groenoord Kleine Breul
De Breul met overtuin
Bornia
Nieuw-Beerschoten Eikenhorst
Bornia
Tallyho Cottage Beerschoten Willinkshof met overtuin Rijnwijk
Mariënburg
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
32
Vorige pagina: buitenplaatsen geprojecteerd op een topografische kaart uit 1916. [NA, bewerkt door SteenhuisMeurs]
Zeist in 1832 De kadastrale kaart van 1832 geeft een overzicht van het grondeigendom in Zeist. In deze momentopname vallen twee zaken op: het geringe aantal huizen en het geconcentreerde grondbezit. Zeist bestond uit het Slot, het Broeder- en Zusterplein en de 1e en 2e Dorpsstraat met doorlopende gevelwanden. Verder was er een strook bebouwing aan de noordzijde van de Utrechtseweg en langs Nooitgedacht en de Voor- en Achterheuvel. De overige bebouwing lag verspreid. Van de Stichtse Lustwarande zijn de (voormalige) ridderhofsteden Zeist, Kersbergen en Blikkenburg te zien, net als de oude buitenplaatsen Rijnwijk, Veelzicht en Beek en Royen. Na 1800 was daar nog een aantal buitenplaatsen bijgekomen, zoals Ma Retraite (rond 1800 gebouwd, in 1896 vernieuwd), Schaerweijde (in 1807 vernieuwd), Welgelegen (1814), Sparrenheuvel (1818), Schoonoord (1818), Arendsburg (1826), Lommerlust (1829) en De Breul (ca. 1830 vernieuwd). Van een doorlopende reeks buitenplaatsen was geen sprake. Op de kadastrale kaart tekent zich haarscherp af hoe geconcentreerd het grondbezit in Zeist was. Een dozijn eigenaren bezat bijna alle grond buiten het dorp. De grond bij de Utrechtseweg was grotendeels in handen van drie eigenaren. Onder hen was Frans Nicolaas van Bern (1786-1851), de burgemeester van Zeist, die behalve
SteenhuisMeurs
veel land ook de buitens Welgelegen en Schaerweijde bezat. Bij de grens met De Bilt was veel grond in handen van Godert Philip baron van der Capellen. Hij was oudgouverneur-generaal in Nederlands Indië en sinds 1827 eigenaar van de buitenplaats Vollenhove (De Bilt). Langs de Driebergseweg behoorde de meeste grond aan de eigenaren van Beek en Royen, Schoonoord en De Breul. De erven van Petrus Jodocus van Oosthuizen van Rijzenborg bezaten veel heidegrond. De andere grootgrondbezitters van Zeist hadden posities in de ontginningen, rondom Slot Zeist en Kersbergen.
hun huis in de stad en gebruikten de buitenplaatsen alleen in het zomerseizoen. Na 1832 ontstonden langs de Utrechtseweg buitenplaatsen als Bloemenheuvel (1833), Veldheim (1842), Nuova (1842), Oirschot (1843), De Brink (1856), Nieuweroord (1860, later Lenteleven), Beeklust (ca. 1860) en Blanda (1877). Aan de Kroostweg kwamen Landlust (1838) en Nijenheim (1850). Jongere buitenplaatsen langs de Driebergseweg waren Heerewegen (1848), Molenbosch (1849), de Kleine Breul (1850), Tallyho (voor 1883), Groenoord (1888) en NieuwBeerschoten (1899).
Negentiende eeuw Door splitsing van de landgoederen en de bouw van nieuwe buitenplaatsen ontstond geleidelijk aan een doorlopend lint van buitenplaatsen met parktuinen. Na het verharden van de Utrechtseweg en de Driebergseweg rond 1818 gaf de opening van de Rijnspoorweg in 1844, met een station tussen Zeist en Driebergen, een volgende stimulans aan de bouw van de buitenplaatsen. De paardentramverbinding tussen het station en Utrecht, die in 1879 in gebruik werd genomen, maakte de buitenplaatsen helemaal goed bereikbaar. Bankiers of kooplieden uit Utrecht, Amsterdam of Den Haag konden gemakkelijk naar hun buitens reizen en het werd voor hen zelfs mogelijk om vanaf de Stichtse Lustwarande naar het werk te forenzen. Veel families hielden evenwel
Vroege twintigste eeuw De opbouw van de Stichtse Lustwarande ging tot in de twintigste eeuw door. Kasteel Kerckebosch aan de Arnhemse Bovenweg dateert uit 1904. Vier jaar later werd Veldheim gebouwd voor burgemeester Clotterbooke Patijn aan de Utrechtseweg. Een zeer jonge buitenplaats is Charema, ontworpen door H.H,. Jansen voor R.J.A.F. Dreesmann in 1923. De naam is een combinatie van de voorletters van zijn hele gezin. Tegelijk met de bouw van Charema en andere landhuizen begon op de Stichtse Lustwarande de transformatie en sloop van buitenplaatsen, ten behoeve van de bouw van villaparken, instellingen of kantoren. Dit alles komt in de volgende hoofdstukken aan bod.
33
Plan van Leonard Springer voor De Breul, 1913. [WUR]
De Breul door P.J. Lutgers, ca. 1868. [HUA]
moestuin kassen en tuinmanswoning paardenstal
ijskelder
hoofdhuis
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
34
De opbouw van de buitenplaatsen
Parkbossen Bij Slot Zeist en Beek en Royen was oorspronkelijk een formele tuinaanleg, geïnspireerd op Chateâu de Versailles, met lange rechte bomenlanen en geometrische tuinen. De parkbossen van de later aangelegde buitenplaatsen op de Stichtse Lustwarande zijn hoofdzakelijk in landschappelijke stijl aangelegd of in een combinatie van beide stijlen. Kenmerkend voor de landschappelijk aanleg is de asymmetrie en het gebruik van kromme lijnen en (kunstmatige) hoogteverschillen in het terrein. Deze vormentaal komt terug in de vijvers en grillig gevormde beken. Veel van de buitenplaatsen zijn wit gepleisterd. Ook hier zijn zichtlijnen, maar minder strak dan in een formele tuinopzet. Zo openen zich al wandelend door het park uitzichten op het huis, het omringende landschap, boomgroepen (clums) of monumentale bomen (solitairen). Rond het huis is een tuin, die overgaat in een parkbos.21 De tuinen werden ontworpen door tuinarchitecten als Jan David Zocher jr (1791-1870), Jan Copijn (1812-1886) en Leonard Springer (1855-1940). Bosbouw De grotere landgoederen, zoals aan de Driebergseweg, bestonden oorspronkelijk niet alleen uit tuinen en parkbossen, maar ook uit productiebos. Veel schrale heidegrond op de Heuvelrug werd in de negentiende eeuw verkocht en omgezet in dergelijke landgoederen. Eigenaren bouwden hierop een buitenplaats en plantten
SteenhuisMeurs
bossen aan. De grote vraag naar naaldhout voor gebruik in de mijnen maakte dit een aantrekkelijke investering. De bosplantages leenden zich prima als jachtterrein. Door de collectief gebruikte heidevelden te privatiseren en te bebossen, kwam een noodgedwongen einde aan de potstallandbouw. Totdat de kunstmest werd uitgevonden was bemesting van de akkers met schapenmest met heideplaggen onontbeerlijk. Een voorbeeld van een rijke stedeling die investeerde in bosbouw op de Utrechtse Heuvelrug was Johannes Bernardus Stoop (1781-1856). Hij was de zakenpartner van de Amsterdamse bankier Willem Borski en na diens dood van zijn weduwe Johanna Borski. Stoop kocht vanaf 1827 enorme stukken heide in Woudenberg, Austerlitz en Zeist, waarop hij bossen liet aanplanten. Daar kwam ook een buitenplaats bij: Molenbosch aan de Driebergseweg (1849). Sociale structuur Op de buitenplaatsen was veel personeel, dat werkte in de huishouding, de bediening en het verzorgen van de tuin. Er was een huisknecht, een kok, meerdere kamermeisjes, een naaister, een tuinbaas en vaak ook nog dagloners voor de tuinen, de bossen of de boerderij. Dienstmeisjes woonden in huis. Voor de tuinbaas was er doorgaans een eigen woning op het terrein. In het dorp vestigden zich wagenmakers, smeden, zadelmakerijen en andere speciaalzaken. Samen met de Broedergemeente zorgden de buitenplaatsen voor veel werkgelegenheid.
In de krant stonden altijd wel advertenties waarin personeel
werd gezocht, vaak met de toevoeging dat ze netjes en protestants dienden te zijn. Koloniale rijkdom Een aanjager voor de ontwikkeling van de buitenplaatsen op de Stichtse Heuvelrug was de koloniale handel die met de oprichting van de Nederlandsche HandelMaatschappij (1824) en de instelling van het Cultuurstelsel in Nederlands-Indië (1830) een enorme impuls kreeg. Buitenplaats Ma Retraite is vernoemd naar een Surinaamse koffieplantage van de familie Nepveu. De naam van buitenplaats Blanda betekent Hollander of Blanke Man in het Maleis. Het kapitaal van H.A.G. Brumond voor de bouw van dit buiten was (deels) afkomstig van de tabakshandel in Indonesië. Families als Kol, Van Loon, Stoop, Huydecoper, Voornbergh, Walkart, De Beaufort en Van der Poll dankten hun fortuin mede aan investeringen in de koloniën of de koloniale handel. Sinds de publicatie van het boek Max Havelaar (1860) is er geleidelijk meer oog voor de keerzijde: de slavernij en koloniale uitbuiting die de excessieve rijkdom mogelijk maakte.22 Het barre leven op de tropische plantages en in de fabrieken was ver weg in de bossen van de Stichtse Lustwarande, waar de nieuwe rijken zich toelegden op de slipjacht, de bosbouw, het tuinieren en het kweken van asperges of orchideeën. In Zeist was er ook via de Evangelische Broedergemeente een link met de kolonies, Suriname in het bijzonder.
Over de sporen van het slavernijverleden in Zeist is een onderzoek in uitvoering.
35
Ontwerp van Leonard Springer voor het trapbordes van Ma Retraite, 1897. [WUR]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
36
Tuinontwerp voor Wulperhorst, J.D. Zocher, 1831. [RCE] Wulperhorst door P.J. Lutgers, 1869. [Volkers, 2011]
SteenhuisMeurs
Zeist in 1847. [Provinciaal Planologische Dienst, 1954, GAZ]
37
Eigendomskaart van Zeist in 1832. [SteenhuisMeurs op basis van hisgis.nl]
Legenda
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
38
Grootse barokaanleg van Slot Zeist.
Ruimtelijke erfenis De Stichtse Lustwarande in Zeist dankt zijn bijzondere kwaliteiten aan Slot Zeist en de buitenplaatsen, die aan de Driebergseweg en de Utrechtseweg tot een doorlopend lint van parken in het landschap zijn uitgegroeid. De meeste buitenplaatsen zijn tussen de boven- en de benedenweg in gebouwd en van elkaar gescheiden door voormalige schapendriften. De buitenplaatsen bestaan uit bossen, parken, tuinen en waterpartijen die werden gevoed door sprengen. Sprengen zijn door mensen gegraven beken die werden gevoed met het grondwater van de Heuvelrug. Aan de overzijde van de benedenweg lagen overplaatsen: weilanden of tuinen die de buitenhuizen een onbelemmerd uitzicht gaven. Kenmerkend voor de
SteenhuisMeurs
Molenbosch: neo-classistisch buiten in een landschapspark.
buitenplaatsen zijn de lange zichtlijnen op het Kromme Rijngebied en langs de bomenlanen op de bossen. Een servituut (erfdienstbaarheid) kon ervoor zorgen dat het uitzicht van de buitenplaatsen vrij bleef. Er mocht door omwonenden dan niet op bepaalde zichtlijnen worden gebouwd. Gedurende de negentiende eeuw zijn verschillende trends te zien in de buitenplaatsbouw. Door opsplitsing werden de landgoederen geleidelijk aan kleiner. De gebouwen kwamen meer aan de weg te staan, maar bleven met groen omspoeld. Ook in de architectuur waren er smaken en modes: van klassiek (Molenbosch) tot Italiaans eclectisch (Ma Retraite). De formele tuinaanleg van Slot Zeist, met de rechte paden en rechthoekige plantvakken, kreeg in
Ma Retraite: eclectisch palazzo.
later jaren op de Stichtse Lustwarande in Zeist weinig navolging. De overheersende parkaanleg volgde de meer de organische landschapsstijl, met gebogen paden en kronkelende waterlopen. De parken gaven de illusie van ongerepte natuur, maar alles was ontworpen op een soort gesublimeerde natuurbeleving. De beweging door de tuin werd als een choreografie gecomponeerd, waarbij het groene decor tot in de details werd vormgegeven. Al in de negentiende eeuw werd het lint van parken en buitenplaatsen als de Stichtse Lustwarande aangeduid. Dominee J. Craandijk gebruikte de term in zijn wandelingen door Nederland (1886) en boekhandel W. Kraal gaf in 1901 de Nieuwe Groote Gids van de Stichtse Lustwarande uit.23
39
Zonering van buitenplaatsen in Zeist door Buro Maas, 1981. [WUR]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
Van boven naar beneden: Beeklust in 1904, de Utrechtseweg in 1905 en Villa Oirschot in 1842. [GAZ]
40
Buitenplaatsen en zichtlijnen. [Buro Maas, 1981]
SteenhuisMeurs
41
Intermezzo: de Stichtse Lustwarande vanaf 1900 in beeld
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
Het leven op Schaerweijde omstreeks 1900. [GAZ en HUA]
42
De entree van Ma Retraite, ca. 1900-1905. [HUA]
SteenhuisMeurs
43
De Utrechtseweg ter hoogte van Lommerrijk, 1903. [GAZ]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
44
De Utrechtseweg met de theekoepel van Schaerweijde, 1908. [GAZ]
SteenhuisMeurs
45
Kersbergen in 1918. Het huis werd in 1934 gesloopt. [GAZ]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
46
De Utrechtseweg bij Nieuweroord, 1920. [GAZ]
SteenhuisMeurs
47
Veldheim in 1923. [GAZ]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
48
Hotel Parkoord aan de Slotlaan, 1919. [GAZ]
SteenhuisMeurs
49
De nieuwe sociëteit aan de Donkerelaan in 1912. [GAZ]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
De Slotlaan ca. 1930. [GAZ]
50
De Driebergseweg met tramrails, ter hoogte van Klein Schoonoord (links) tegenover Hoog Beek en Royen, ca. 1900. [GAZ]
SteenhuisMeurs
51
Hoog Beek en Royen in 1925. [GAZ]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
52
De tuinbaas van Schoonoord, met zijn gezin, huis en moestuin, 1930. [GAZ]
SteenhuisMeurs
53
Plantenkassen, locatie onbekend, 1935. [GAZ]
Tuinman met kuipplant, 1925. [GAZ]
Tuinpersoneel van Hoog Beek en Royen, 1930. [GAZ]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
54
Driebergseweg ter hoogte van de Molenweg, 1949. [GAZ]
SteenhuisMeurs
55
Molenbosch, 1957. [GAZ]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
56
Molenbosch, 1957. [GAZ]
SteenhuisMeurs
Juffrouw Annie in het Molenbosch, z.j. [GAZ]
57
5. Villaparken en tuinwijken
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
58
Rond 1900 was het buitenplaatsenlandschap van de Stichtse Lustwarande in Zeist volgroeid. Langs de Utrechtseweg en de Driebergseweg stonden monumentale bomen en was een doorlopend lint van buitenplaatsen. Het groen was overweldigend, het liep door vanuit de openbare ruimte in de tuinen en parken van buitenplaatsen en de villa’s. ’s-Zomers reed de paardentram door een tunnel van groen, met afwisselende vergezichten over het rivierenlandschap en op de bossen. De ruimtelijke ontwikkeling ging echter onverminderd verder. Door economische groei, industrialisatie en het verbeteren van de verbindingen met Utrecht, transformeerde Zeist van een buitenplaatsendorp in een forensendorp. De kwaliteit van het groene buitenleven, die tot dan toe was voorbehouden aan een kleine elite, werd geleidelijk bereikbaar voor de hogere middenklasse en middeninkomens. Behalve de groene omgeving waren ook de lage gemeentelijke belastingen een reden om naar buiten te verhuizen. De transformatie van Zeist begon op de voormalige gronden van Slot Zeist, langs de Slotlaan. Hier werd het eerste villapark gebouwd, kwam een treinstation en ontstond een nieuw centrum. Door de verkoop van buitenplaatsen aan ontwikkelingsmaatschappijen werden in de jaren twintig en dertig ook buitenplaatsen gesloopt, verkaveld en volgebouwd met villa’s en luxe woningen. Dat ging
SteenhuisMeurs
niet zonder slag of stoot. In de gemeenteraad en met de provincie werden felle discussie gevoerd over het behoud van het natuurschoon van de ‘parel van de Lustwarande’. Bereikbaarheid Station Driebergen (nu: Driebergen-Zeist), dat in 1844 in gebruik kwam, was voor de eigenaren van de buitenplaatsen een zegen. Ze konden uit het hele land aanreizen en werden bij het station opgewacht door hun eigen koetsier of een ingehuurde koets (diligence). Pas in 1882 kwam er een paardentram met een vaste dienstregeling tussen het station en de Slotlaan in Zeist. Drie jaar eerder was al een paardentramverbinding vanuit Utrecht naar Zeist geopend. Een grote doorbraak voor Zeist was de opening van een spoorlijn tussen Bilthoven en Zeist door de Nederlandsche BuurtspoorwegMaatschappij in 1901. Het eindstation lag aan de Verlengde Slotlaan, waar ook de paardentram uit Utrecht zijn eindhalte had. De rechtstreekse treinverbinding naar Zeist stimuleerde de verkoop van bouwkavels en woningen in de villaparken. De tram naar Driebergen werd in 1911 geëlektrificeerd, de tram naar Utrecht volgde in 1914. Na de oorlog namen busdiensten het vervoer over. De buurtspoorweg van Bilthoven naar Zeist vervoerde na de Tweede Wereldoorlog alleen nog maar goederen en werd in 1972 opgeheven.
Fabrieken De verbeterde bereikbaarheid van Zeist leidde niet alleen tot de komst van forensen en toeristen. Ook de industrie profiteerde. In 1899 werd de Zeister Machinefabriek opgericht in een schuur van boerderij Het Groote Loo aan de Odijkerweg, pal naast station Driebergen.24 Binnen tien jaar stond aan de overzijde van de weg een groot complex met fabriekshallen, een smederij, ketelhuis, montagehal, kantoor en arbeiderswoningen. Veel van die gebouwen bestaan nog steeds. Andere fabrieken kwamen voort uit de werkplaatsen van de Evangelische Broedergemeente, in de omgeving van de Karpervijver. Daar vestigde de Amsterdamse zilversmid J.A.A. Gerritsen in 1904 een zilverfabriek in een opgedoekte rijwielfabriek. De NV Nederlandsche Fabriek van Gouden en Zilveren Werken breidde sterk uit en bouwde in 1931 een statig fabriekspand van drie verdiepingen met kap aan de Karpervijver. Zoon M.J. Gerritsen stond aan de wieg van Gero en Sola, twee andere zilverfabrieken in Zeist, die zich op het zand aan de noordzijde van de bovenweg vestigden. De fabrieken zorgden voor werkgelegenheid en dat leidde tot de behoefte aan (betaalbare) woningen. De Slotlaan werd een scherpe grens tussen de villagebieden van het Lyceumkwartier en de volksbuurten achter het station.25
59
Plan voor Wilhelminapark. [WUR]
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
60
Plan voor Wilhelminapark. [WUR]
Villaparken Het Wilhelminapark is het oudste villapark van Zeist. Het werd ontwikkeld door de Bouwonderneming Zeister Park op 80 hectare grond, die in 1881 door enkele ondernemers was gekocht. Ooit was het gebied onderdeel van Slot Zeist geweest. Het villapark werd door tuinarchitect H. Copijn ontworpen. Opmerkelijk is dat begonnen werd met de aanleg van een groot park, enkele plantsoenen en een vijver. De bouwkavels voor de villa’s lagen eromheen gegroepeerd, aan rechte en gebogen straten met veel groen. De verkoop kwam pas goed op gang na de opening van de buurtspoorweg. In 1910 was het park gereed.
SteenhuisMeurs
61
Ontwerp voor villapark Schaerweijde Park, H. Poortman, 1905. [Volkers, 2011]
Villapark Schaerweijder Bosschen werd vanaf 1905 ontwikkeld vanuit de nalatenschap van I.D.F. Fransen van der Putten (1822-1902). Deze zakenman had op Java fortuin gemaakt met suiker- en tabaksbedrijven. In 1880 werd hij eigenaar van de buitenplaats Schaerweijde, waarna hij allemaal heidevelden ten noorden van de Oude Arnhemseweg kocht. Hier plantte hij dennenbossen aan. Zijn nazaten ontwikkelden er een villapark, het latere Lyceumkwartier. Zoals het Wilhelminapark een
Toekomstvisie Stichtse Lustwarande Zeist
Gewijzigd ontwerp voor villapark Schaerweijde Park, K.C. Nes, 1925. [Volkers, 2011]
blijvend groen karakter kreeg met de parkenzone van Copijn, zo gebeurde dat bij de Schaerweijder Bosschen met strenge bebouwingsregels. Kopers van bouwkavels en ook toekomstige eigenaren moesten zich aan dit zogenaamde servituut houden. Op deze manier kon de samenhang en ruimtelijke kwaliteit van het gebied worden bewaakt, zonder dat de overheid er aan te pas kwam. Zo moesten de kavels minstens 1000 m2 groot zijn en mocht op die maat alleen maar een woning met
bijgebouwen staan. Voor een twee-onder-een-kap woning moest het perceel anderhalf keer groter zijn. Verder lag de diepte van de voortuinen vast en gold er een maximum bebouwingspercentage. Zelfs voor de beplanting waren er allerlei regels. In de crisisjaren voor de oorlog werden de regels wat soepeler, maar toch bleef ook hier het buitenplaatsengevoel van de wijk aardig intact.26
62
Ontwerp voor Lommerlust, J. Baanders en J. Peters, 1933. [Volkers, 2011]
Een derde villapark in Zeist was Kersbergen, ditmaal niet op het zand maar in het kleigebied gelegen. Na aankoop van de buitenplaats door een ontwikkelingsmaatschappij werd het terrein vanaf 1928 als villapark ingericht. De gemeente dwong bij de aanleg een groot publiek plein af, het Kersbergenplein, waar een vijver kwam en enkele monumentale bomen van het oude landgoed behouden bleven. Aan de overzijde van de Zeistervaart (of Biltse Grift) ging de ontwikkeling in 1931 verder met de wijk Griffensteijn. Door de economische crisis werd dit plan minder luxueus in uitvoering, met minder groen, minder openbare ruimte en meer, kleinere woningen.27 Ook het idee om een ruime groenzone langs de Grift te behouden, bleek in de praktijk niet haalbaar. Andere vooroorlogse woningbouwprojecten op delen van buitenplaatsen waren bij Kerckebosch, Ma Retraite, Lommerlust en Veldheim. Vergeleken met de eerste villaparken waren de latere projecten schraler. De villaparken werden tuinwijken, in plaats van parken kwamen er plantsoenen of bomenlanen, de kavels werden kleiner, met rijwoningen in plaats van villa’s. Ondanks al deze veranderingen was er nog steeds sprake van groene stedenbouw.