RV25.041 Bijlage 1.9 Plan-mer beoordeling nota gebiedsvisie stationsomgeving Driebergen-Zeist
Tekst van het document
•
een negatieve impact op de kwaliteit van oppervlaktewater en ecosystemen zoals bossen Het toevoegen van woningen, kantoren en voorzieningen in het plangebied kan leiden tot extra lichthinder in de omliggende natuurgebieden. Lichthinder kan afkomstig zijn van woningen, kantoren en straatverlichting. Dit betreft specifiek het zuidoosten van het beoogde te bebouwen gebied, om dat dit grenst aan het NNN-gebied. Licht kan hinder vormen voor de meeste soorten maar voor vleermuizen in het bijzonder. Het is mogelijk om maatregelen te
•
nemen om lichthinder te voorkomen. In de gebiedsvisie wordt op pagina 72 bijvoorbeeld gesproken over diervriendelijke straatverlichting De verwachte toename van recreatie (zeker met honden en katten17) in het omliggende NNNgebied en de verdere omgeving, als gevolg van de beoogde ontwikkelingen, is negatief op de natuurwaarden. Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van Raad van State (11-12-24, betreft recreatiedruk in N2000) blijkt dat recreatiestromen als gevolg van ontwikkelingen goed onderzocht dienen te worden op effecten op de natuur. Er is ook steeds meer onderzoek beschikbaar waaruit blijkt dat een toename aan recreatie een negatief effect op diersoorten kan hebben, bijvoorbeeld het onderzoek naar verstoring door recreatie bij vogels.18 Daarnaast benadrukt een rapport van Staatsbosbeheer dat een toename van recreatie kan leiden tot bodemverdichting, verstoring van planten, en een afname van de biodiversiteit. Deze verstoring dient in relatie tot de huidige situatie worden beoordeeld. Daarnaast is het aantal extra bezoekers van belang en het type recreatie (hardlopen, ommetjes, wandelingen of dag wandelingen). De gebiedsvisie maakt onderscheid in verschillende zones (figuur 4.11) namelijk: natuur, recreatief en bebouwd.
Om de natuurwaarden in het Kromme-Rijngebied te beschermen, wordt in de gebiedsvisie gesproken over een fysieke afscheiding zoals een haag of een hek. Bij het realiseren van fysieke afscheidingen om mensen en huisdieren tegen te houden, dient te worden overwogen dat dieren niet worden belemmerd om vrij te bewegen tussen gebieden. Het is te onderzoeken of een dergelijke afscheiding ook te realiseren valt om de Utrechtse Heuvelrug te beschermen voor recreanten vanuit het Stationsgebied Driebergen-Zeist. De Driebergseweg-Hoofdstraat vormt een barrière tussen deze twee gebieden. Daarnaast kan worden overwogen om paden af te sluiten en/of op te heffen om hinder als gevolg van recreatie te voorkomen. Ook is het
17
De aanwezigheid van katten in de buurt van natuurgebieden vormt een aanzienlijke bedreiging voor de lokale fauna. Katten zijn zeer effectieve jagers en kunnen een negatieve invloed uitoefenen op inheemse vogelpopulaties en andere kleine dieren. Uit een studie van de Nederlandse Zoogdiervereniging (2020) blijkt dat katten jaarlijks verantwoordelijk zijn voor de dood van miljoenen vogels en zoogdieren in Nederland. Het is belangrijk om bewoners bewust te maken van deze impact en om maatregelen te nemen, zoals het aanmoedigen van het binnenhouden van katten of het creëren van kattenvrije zones nabij natuurgebieden 18 Krijgsveld et al., 2022
32/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
belangrijk om bewoners bewust te maken van de impact van huisdieren op natuurgebieden en om maatregelen te nemen zoals het aanmoedigen van het binnenhouden van katten of het creëren van huisdiervrije zones nabij natuurgebieden. Het is van belang om een recreatieplan op te stellen dat rekening houdt met de draagkracht van het natuurgebied en dat maatregelen bevat om de impact van recreatie te beheersen, zoals het aanleggen van paden en het beperken van toegang tot kwetsbare gebieden. Er dienen concrete mitigerende maatregelen te worden uitgewerkt, uitgaande van een worst case-scenario én het moet voldoende zeker •
zijn dat deze worden uitgevoerd Ook is optische verstoring te verwachten, denk hierbij aan het plaatsen van gebouwen nabij NNN. In de gebiedsvisie wordt genoemd dat gebouwen lager worden gebouwd aan de rand
•
bij het landschap Daarnaast kan de bouw van hoge gebouwen kan aanzienlijke schaduwimpact hebben op de omliggende natuur. Schaduw kan de groei van ondergroei en de biodiversiteit in natuurgebieden beïnvloeden. Onderzoek van de Universiteit van Wageningen (WUR) toont aan dat de schaduw van gebouwen de fotosynthese van planten kan verminderen, wat resulteert in verminderde plantengroei en verstoring van het ecosysteem. Het is belangrijk om de hoogte van de gebouwen te beperken en de afstand tot het natuurgebied te maximaliseren om de schaduwimpact te reduceren. Bovendien kan het gebruik van groene daken en gevels bijdragen aan het compenseren van de negatieve effecten van schaduw
•
Tot slot kan, als gevolg van de verwachte verkeerstoename door de beoogde ontwikkeling, geluidshinder toenemen. Er is sprake van meer verkeer op wegen langs en door NNNgebied, onder andere namelijk op de Breullaan, Heideweg en de Driebergseweg
4.7.2.2 Conclusies De gebiedsvisie kent ontwikkelingen in en nabij het NNN gebied. Aanzienlijke effecten als gevolg van externe werking op dit gebied zijn daarom niet op voorhand uit te sluiten. Om de effecten van verstoring en recreatie op het NNN-gebied in kaart te brengen is nader onderzoek is nodig. Uit nader onderzoek moet blijken of en zo ja welke aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de effecten te mitigeren. In veel gevallen zijn maatregelen mogelijk, echter kunnen deze maatregelen wel kaderstellend zijn voor de verdere uitwerking van de gebiedsvisie. 4.7.3 N2000 4.7.3.1 Potentiële effecten Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De Vogelrichtlijn (VR) en de Habitatrichtlijn (HR) zijn door de Europese Unie opgesteld om de biologische biodiversiteit in Europa in stand te houden. Figuur 4.15 weergeeft het dichtstbijzijnde N2000 gebied genaamd Kolland & Overlangbroek op circa 10 km afstand (HR). Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde N2000 gebied is fysieke aantasting uitgesloten en zijn de negatieve effecten beperkt tot stikstof. Stikstof kan ontstaan tijdens de bouwfase en wanneer het project reeds gerealiseerd is. Middels van een berekening in AERIUS, op basis van meer gedetailleerdere gegevens, dient te worden aangetoond dat het plan geen gevolgen heeft voor de stikstofdepositie in beschermde Natura 2000-gebieden.
33/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Gezien de dynamiek van het stikstofdossier is nader onderzoek op planniveau noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van plannen te beoordelen. Wanneer keuzes worden geconcretiseerd, zijn verdere stikstofberekeningen nodig om de effecten op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen. Mogelijk kunnen de uitkomsten tot een bijstelling van het stedenbouwkundige programma of een het werken met een fasering in het bouwprogramma.
Figuur 4.15 Ligging plangebied ten opzichte van N2000 gebieden (plangebied blauw omrand)
4.7.3.2 Conclusies Negatieve effecten als gevolg van verstoring door stikstofdepositie, op Natura 2000-gebieden kan op dit moment niet met zekerheid worden uitgesloten. Er dient een stikstofberekening in het kader van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitgevoerd te worden. Voor het uitvoeren van een stikstofberekening zijn gedetailleerde gegevens over de bouw- en gebruikersfase. De stikstofberekening kan pas worden uitgevoerd als er een concreter plan voor het ontwikkelen van de woningopgave rondom het stationsgebied Driebergen-Zeist. Door het treffen van mitigerende maatregelen kunnen eventuele negatieve effecten in de aanleg- en gebruiksfase worden beperkt.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1 Potentiële effecten Een goede luchtkwaliteit hangt direct samen met de mate van afwezigheid van luchtverontreiniging. De overheid streeft met wet- en regelgeving naar een goede luchtkwaliteit en bescherming tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De luchtkwaliteitsregelgeving richt zich voornamelijk op fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). De World Health Organization (WHO) heeft advieswaarden vastgesteld die lager, en daarmee strikter, zijn dan de EU-grenswaarden (Tabel 3.3). In Nederland hanteren wij de EUgrenswaarden als wettelijke normen. Hierbij dient te worden vermeld dat de grenswaarden voor PM2,5, PM10 en NO2 worden aangescherpt in 2030.
34/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Tabel 3.3 WHO-grenswaarden en EU-grenswaarden PM2,5 (µg/m³)
PM10 (µg/m³)
NO2 (µg/m³)
WHO-waarden
5
15
10
EU-grenswaarden (huidig)
25
40
40
EU-grenswaarden in 2030
10
20
20
De gemeenten Utrechtse Heuvelrug en Zeist hebben het Schone Lucht Akkoord (SLA) ondertekend. Het Schone Lucht Akkoord heeft als doel om de luchtkwaliteit in Nederland op een blijvende manier te verbeteren. De deelnemende partijen nemen maatregelen om de luchtverontreiniging afkomstig van binnenlandse bronnen te verminderen. Een van de vaste maatregelen in het Schone Lucht Akkoord is het ontwikkelen van beleid ter bescherming van hooggevoelige groepen, gebaseerd op de GGD-richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid. In dit beleid kunnen gemeenten beslissingen nemen over hoe gevoelige groepen worden beschermd, zoals welke functies als gevoelig worden beschouwd en hoe hiermee wordt omgegaan. De gemeente Zeist heeft aangegeven dergelijk beleid in 2025 te willen opstellen. Op 27 mei wordt het afwegingskader luchtkwaliteit bij ruimtelijke plannen vastgesteld door het college van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het plangebied bevindt zich niet in een aandachtsgebied voor de toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit. In de huidige situatie worden de EU-grenswaarden van 2030 namelijk nergens in het plangebied overschreden. Dit is weergeven in de figuren 4.16, 4.17 en 4.18.
Figuur 4.16 Fijnstof concentratie PM2,5: 8-9 µg/m³ (Bron: Atlas Leefomgeving, 2023)
35/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Figuur 4.17 Fijnstof concentratie PM10: 14-15 µg/m³ (Bron: Atlas Leefomgeving, 2023)
Figuur 4.18 NO2 concentratie PM10: 10-16 µg/m³ (Bron: Atlas Leefomgeving, 2023)
36/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Zoals omschreven in paragraaf 4.1, neemt het wegverkeer zowel autonoom als met de beoogde ontwikkelingen toe, met de realisatie van 2.000 woningen met werkgelegenheid en voorzieningen. Als gevolg van het extra wegverkeer door de beoogde ontwikkeling zal de luchtkwaliteit in het plangebied mogelijk verslechteren. De rapportage2 van Goudappel beschrijft dat voor een aantal locaties nader onderzoek nodig is (restcapaciteit). De extra ontwikkelingen van de gebiedsvisie verhogen de verkeersdruk, vooral op de Odijkerweg en Stationsweg. Dit vraagt om gerichte maatregelen, aangezien deze wegen hun maximale capaciteit dreigen te bereiken. Deze maatregelen hebben naar verwachting een positieve invloed op de luchtkwaliteit. Het verkeer in een file stoot namelijk meer vervuilende stoffen uit dan het verkeer dat gewoon kan doorrijden. Volgens de GGD-richtlijn wordt aangeraden om nieuwe gevoelige bestemmingen, zoals woningen en ziekenhuizen, bij voorkeur niet binnen 150 meter van een snelweg en niet binnen 25 of 50 meter van een drukke weg met meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal te plaatsen, ongeacht of de grenswaarden worden overschreden. De Driebergseweg / Hoofdstraat heeft een verkeersintensiteit van meer dan 10.000 motorvoertuigen, wat betekent dat de GGD adviseert om geen gevoelige bestemmingen, inclusief woningen, binnen 25 meter van deze weg te bouwen.
4.8.2 Conclusies Uit nader mobiliteitsonderzoek wanneer de plannen concreter zijn moet blijken of de NIBM-tool kan worden ingezet om de bijdrage van het plan aan de luchtverontreiniging te beoordelen of dat een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gezien de omvang van het project is het aan te bevelen een luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.
4.9
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
4.9.1
Potentiële effecten
Het landschap is gekenmerkt door verscheidene deelgebieden, zie figuur 4.19. Het plangebied ligt te midden van de Flank (blauw), een deelgebied is van het Landschap Rivierengebied. Nabijgelegen zijn de deelgebieden de Kromme Rijn (roze) en de Langbroek (zalmroze) die eveneens deel uitmaken van het Landschap Rivierengebied. Verder ligt het deelgebied de Zuidflank (okergeel), ten noordoosten van het plangebied, onderdeel van het Landschap Utrechtse Heuvelrug.
37/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Figuur 4.19 Kwaliteitsgids deelgebieden (Bron: Atlas provincie Utrecht)
Aangezien het plangebied is gelegen in het deelgebied de Flank, ligt de focus op de kernkwaliteiten van dit landschap. De Flank kent vier kernkwaliteiten: • • •
Schaalcontrast van zeer open naar besloten Samenhangend stelsel van rivier – uiterwaard – oeverwal – kom; Samenhangend stelsel van hoge stuwwal – flank – kwelzone – oeverwal – rivier
•
De Kromme Rijn als vesting en vestiging
De bouwlocaties die zijn aangewezen in de gebiedsvisie vallen binnen de bebouwde zone op de kaart, en vallen daarmee dus buiten de deelgebieden. Ook uitstraling van de stedelijke omgeving naar het omliggende landschap toe blijft beperkt omdat dit in de huidige situatie ook zo is. Het schaalcontrast van open naar besloten landschap blijft bestaan en ook de landschappelijke samenhang gaat door de woningbouw niet verloren. De ontwikkeling van het stationsgebied zal geen effect hebben op de kernkwaliteiten van het landschap. Cultuurhistorische waarden zijn onderverdeeld in historisch-geografische waarden en gebouwd erfgoed. Historisch geografische waarden in het plangebied uiten zich voornamelijk in landgoederen met belangrijke cultuurhistorische elementen zoals lanen en singels. Rondom het plangebied liggen de landgoederen: De Breul, Reehorst, Rijnwijck en Heerewegen (zie figuur 4.20). Deze landgoederen zijn onderdeel van de Stichtse Lustwarande. De Stichtse Lustwarande is een lange reeks van meer dan honderd buitenplaatsen en landgoederen langs de zuidwestelijke rand van de Utrechtse Heuvelrug. Deze reeks strekt zich uit van De Bilt tot Rhenen. De kenmerken van de landgoederen (zowel de parkaanleg als de historische bebouwing) wordt door
38/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
de ontwikkeling van het plangebied niet aangetast. De schakering van landgoederen aan de Stichtse Lustwarande op grotere schaal blijft ook onaangetast.
Figuur 4.20 Landgoederen (Bron: Atlas provincie Utrecht)
Gebouwd erfgoed bestaat uit gemeentelijke monumenten, rijksmonumenten, en beschermde stads- en dorpsgezichten. Rondom en in het plangebied komen slechts rijksmonumenten voor die visueel zijn gemaakt in figuur 4.21. Deze monumenten blijven gehandhaafd.
Figuur 4.21 Rijksmonumenten contouren en punten (Bron: Atlas provincie Utrecht)
39/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Verder zal er rekening gehouden moeten worden met een aantal monumentale bomen (figuur 4.22). Deze bomen mogen niet worden aangetast bij het uitvoeren van gebiedsontwikkelingen. Door de stedelijke ontwikkeling van het gebied in de 20e eeuw is de bodem reeds geroerd. De verwachting is dat bekende archeologische waarden in de bodem reeds aangetast zijn. Desondanks moet nader archeologisch onderzoek worden uitgevoerd, zoals hieronder is beargumenteerd.
Figuur 4.22 Monumentale Bomen (Bron: Landelijk Register Monumentale Bomen)
Uit de notitie14 van de ODRU blijken de volgende aandachtspunten voor het thema archeologie: • Het plangebied heeft grotendeels een hoge archeologische waarde door de ligging op zogenoemde gordeldekzandwelvingen • • •
In het Driebergse deel van het plangebied ligt tevens een terrein van zeer hoge archeologische waarde De overige delen van het plangebied betreffen zones met een middelhoge en lage archeologische verwachting Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 waarvoor een vrijstelling geldt voor bodemingrepen tot 100 m2 en 30 cm -mv
40/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Op basis van deze aandachtspunten wordt geconcludeerd dat in een vroeg stadium nader archeologisch onderzoek (te beginnen met een bureauonderzoek) nodig is, omdat de grenzen voor vrijstelling worden overschreden, zodat tijdig gepaste maatregelen genomen kunnen worden. 4.9.2 Conclusies Al deze informatie samengenomen, kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkelingen geen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het thema landschap en cultuurhistorie. Voor archeologie geldt dat een bureauonderzoek nodig is om de archeologische verwachting voor het plangebied te specificeren.
4.10
Cumulatie
Direct rondom het Stationsgebied Driebergen-Zeist spelen geen (autonome) projecten die leiden tot samenhangende effecten. Op grotere afstand speelt in de gemeente Utrechtse Heuvelrug het project Boshove, dit betreft de ontwikkeling van 300-350 woningen op ruim 2 km vanaf het plangebied. De gemeente Zeist kent twee grotere projecten die in voorbereiding zijn, namelijk: 1. Herontwikkeling PGGM-terrein: De nieuwe woonwijk wordt gevarieerd en biedt ruimte aan minimaal 450 en maximaal 650 woningen 2.
Herstructurering Staatsliedenkwartier: 308 portiekwoningen worden gesloopt en vervangen door nieuwe, toekomstbestendige woningen De afstanden tot het plangebied betreffenrespectievelijk 4,3 en 3,9 km. Gezien de afstand en de omvang van de hierboven beschreven ontwikkelingen is vooral het eventuele cumulatieve effect van verkeer, en daaraan gerelateerde effecten, relevant. Omdat gedetailleerd verkeersonderzoek in dit stadium ontbreekt kunnen hier nog geen harde uitspraken over worden. Wel kan gesteld worden dat de ontwikkelingen binnen de gemeente Zeist geheel aan de westzijde van de kern Zeist liggen. Het is niet aannemelijk dat dit tot grote en merkbare gevolgen leidt ter plaatse van het plangebied. Het project Boshove zal mogelijk wel deels gebruik maken van dezelfde ontsluitingswegen als het plangebied. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of dit leidt onderscheidende cumulatieve effecten en vervolgens in hoeverre leidt tot beperkingen binnen het plangebied.
41/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
5 Conclusie 5.1
Conclusies samengevat
De Nota Gebiedsvisie voor het stationsgebied Driebergen-Zeist is kaderstellend voor een aantal activiteiten uit bijlage V, categorie J11 van het Omgevingsbesluit. Op basis van de kleine gebiedenregeling is er een plan-mer-beoordeling opgesteld. De voorliggende plan-merbeoordeling brengt de potentiële effecten in beeld van de gebiedsvisie van het stationsgebied. In deze conclusie worden de potentiële effecten op de verschillende milieuthema’s: verkeer, externe veiligheid, trillingen, geluid, bodem en water, ecologie, luchtkwaliteit, en cultuurhistorie samengevat. De conclusie sluit af met een onderbouwing waarom aanzienlijke milieueffecten wel of niet zijn uitgesloten en in hoeverre sprake is van cumulatie met andere projecten. Er is onderzoek gedaan naar de potentiële effecten van de voorgestane ontwikkelingen binnen de gebiedsvisie op het thema verkeer. Uit dit onderzoek blijkt dat de extra woningen en voorzieningen voor een toename in verkeer zorgen, wat nieuwe knelpunten in het netwerk creëert of bestaande knelpunten verergert. Er dienen mitigerende maatregelen worden getroffen om potentiële negatieve effecten op het thema verkeer te kunnen uitsluiten.
Wat betreft externe veiligheid worden er, mits er mitigerende maatregelen worden genomen voor de ontwikkelingen binnen de aandachtsgebieden en er bij de toedeling van functies rekening wordt gehouden met het Stappenplan uit de concept-beleidsnotitie van de ODRU wordt gehanteerd, geen negatieve effecten voor externe veiligheid verwacht. Het thema externe veiligheid kan leiden tot beperkingen in de toedeling van functies, een quickscan externe veiligheid is nodig om dit verder in beeld te brengen. Trillingen als gevolg van bouwwerkzaamheden, drempels en het spoor kunnen optreden binnen het plangebied. Deze trillingen kunnen een belemmering vormen voor de verdere uitwerking van de gebiedsvisie. Nader onderzoek is noodzakelijk, in de vorm van een quickscan, om dit verder in beeld te brengen. Wat betreft geluid is er sprake van een (akoestisch) complexe situatie gezien de ligging van de ontwikkelingen ten aanzien van het spoor, de Driebergseweg/Hoofdstraat en de A12. Om de geluidsituatie goed in kaart te brengen is een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Uit het onderzoek moet blijken wat het (gezamenlijk) geluid op de toekomstige gevels is en op welke wijze de woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Wanneer de juiste mitigerende maatregelen worden toegepast is de verwachting dat er geen aanzienlijke negatieve effecten op het gebied van geluid optreden.
Er is nader onderzoek vereist voor het thema bodem en water. Grote delen van het plangebied zijn verdacht van de aanwezigheid bodemverontreiniging en daarom mogelijk nog niet geschikt voor de functie wonen. Het is daarom wenselijk om in deze fase vooronderzoek uit te voeren om inzicht te verkrijgen in de (financiële) haalbaarheid van de plannen. Eventuele verontreinigingen dienen te worden gesaneerd, wat de bodemkwaliteit ten goede komt. Vanwege
42/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
klimaatverandering en extra verharding van de ontwikkelingen kunnen effecten optreden op wateroverlast, droogte en hitte. Echter, door het treffen van klimaat adaptieve maatregelen, zoals opgenomen in de gebiedsvisie, worden deze effecten gemitigeerd. Indien rekening wordt gehouden met de waterkwaliteit van nabijgelegen KRW-waterlichamen, worden er geen aanzienlijk negatieve effecten voor het oppervlaktewater verwacht. De effecten van de ontwikkelingen op beschermde planten- en dierensoorten moeten worden vastgesteld. Indien vooraf mitigerende maatregelen worden genomen, worden er geen negatieve effecten op soortenbescherming verwacht. Aangezien het ontwikkelgebied (wonen en zoekgebied functiemix en parkeren) uit de gebiedsvisie niet in NNN-gebieden zijn gepland, treden er geen effecten op zoals areaalverlies of versnippering. Verstoring door bijvoorbeeld recreatie, licht en geluid kan wel optreden. Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van Raad van State (11-12-24, betreft recreatiedruk in N2000) blijkt dat recreatiestromen als gevolg van ontwikkelingen (in N2000) goed onderzocht dienen te worden op effecten op de natuur. Uit onderzoek moet blijken wat deze effecten zijn en welke maatregelen deze effecten kunnen mitigeren.
Negatieve effecten als gevolg van verstoring door stikstofdepositie, op Natura 2000-gebieden kan op dit moment niet met zekerheid worden uitgesloten. Door het treffen van mitigerende maatregelen kunnen eventuele negatieve effecten in de aanleg- en gebruiksfase worden beperkt. Gezien de dynamiek van het stikstofdossier is nader onderzoek op planniveau noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van plannen te beoordelen. Wanneer keuzes worden geconcretiseerd, zijn verdere stikstofberekeningen nodig om de effecten op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen. De ontwikkelingen zullen naar verwachting geen aanzienlijk negatieve effecten op de luchtkwaliteit veroorzaken, omdat de verwachte toename van verkeersbewegingen beperkt is en de luchtkwaliteit in het stationsgebied Driebergen-Zeist momenteel voldoet aan de EU-grenswaarden. Tot slot is het plangebied gelegen in een omgeving met cultuurhistorische waarde, rondom het plangebied liggen namelijk de landgoederen als onderdeel van de Stichtse Lustwarande. Gezien de ligging van het ontwikkelgebied hebben de beoogde ontwikkelingen geen belangrijke nadelige gevolgen heeft op het thema landschap en cultuurhistorie. Voor archeologie geldt dat een bureauonderzoek nodig is om de archeologische verwachting voor het plangebied in kaart te brengen.
Gezien de afstand tot het plangebied en de omvang van (autonome) projecten in de gemeenten Utrechtse Heuvelrug en Zeist, is vooral het mogelijke cumulatieve effect van verkeer en de daarmee samenhangende effecten relevant. Aangezien gedetailleerd verkeersonderzoek in dit stadium echter ontbreekt, kunnen hier nog geen harde uitspraken over worden gedaan. Wel kan gesteld worden dat de ontwikkelingen binnen de gemeente Zeist zich geheel aan de noordzijde van de kern Zeist bevinden, en het is niet waarschijnlijk dat dit tot grote en merkbare gevolgen zal leiden voor het plangebied. Het project Boshove zal mogelijk deels gebruikmaken van dezelfde ontsluitingswegen als het plangebied. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of dit
43/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
leidt tot onderscheidende cumulatieve effecten en in hoeverre dit beperkingen met zich meebrengt binnen het plangebied.
5.2
Eindconclusie
Op basis van de kwalitatieve beoordeling van de milieuthema’s wordt geconcludeerd dat de nieuwe concrete ontwikkelingen uit de gebiedsvisie kunnen leiden tot verschillende milieueffecten. Om deze effecten te voorkomen kunnen maatregelen, voor een groot deel ook ingegeven vanuit wettelijke kaders, worden genomen waarmee het aannemelijk is dat aanzienlijke milieueffecten kunnen worden voorkomen. Het is echter belangrijk op te merken dat deze maatregelen mogelijk wel gevolgen hebben voor de ambities zoals geformuleerd in de gebiedsvisie en de financiële haalbaarheid van de plannen. Nader onderzoek moet uitwijzen of deze gevolgen acceptabel, bijvoorbeeld in relatie tot hinderbeleving, zijn en of ze nog passen binnen de vooraf gestelde doelen. Door milieuonderzoek een prominent onderdeel te laten zijn van de verschillende stappen in het proces en de besluitvorming, kan tijdig worden bijgestuurd. Het is mogelijk zinvol, naar aanleiding van de uitkomsten van de milieuonderzoeken om inrichtingsalternatieven en/of varianten (zoals het aantal woningen) te onderzoeken. Het MER is hiervoor een geschikt instrument. Verder kan het doorlopen van een mer procedure, inclusief toetsing door de Commissie mer, bijdragen aan de beeldvorming dat het milieu serieus wordt genomen door bevoegd gezag.
Samengevat is in dit stadium de inschatting dat het initiatief, na het nemen van maatregelen, niet leidt tot aanzienlijke negatieve effecten op het milieu. Het doel van deze stap, zoals ook geformuleerd in de Nota Gebiedsvisie 'Stationsgebied Driebergen-Zeist' is daarnaast ook onderzoek naar de draagkracht van het gebied en haar omgeving. Het uitvoeren van een volledige mer -procedure is daarom niet persé noodzakelijk is (zie ook paragraaf 2.1 voor de procedurele vereisten). Hierbij moet wel vermeld worden dat eisen en randvoorwaarden vanuit milieu wel gevolgen kunnen hebben voor de ambities zoals geformuleerd in de gebiedsvisies en daarmee mogelijk ook de financiële haalbaarheid van de plannen. Verder zijn er een aantal voordelen te benoemen van het doorlopen van een mer procedure. Zoals het onderzoeken van inrichtingsalternatieven en het onderstrepen van het milieubelang. Daarnaast biedt het proces van een MER ook de mogelijkheid om belanghebbenden te betrekken bij de planning en de besluitvorming. Dit kan leiden tot meer draagvlak en acceptatie van het project. In hoofdstuk 6 worden verdere aanbevelingen gegeven met betrekking tot het vervolgproces.
44/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
6 Advies vervolg MER proces ontwikkeling Driebergen - Zeist 6.1
Inleiding
De Nota Gebiedsvisie Driebergen-Zeist en bijhorende gebiedsvisie hebben momenteel een relatief globaal niveau van uitwerking. In de volgende fase(n) zal er een nadere uitwerking van de visie plaatsvinden, waarbij de focus ligt op financiële haalbaarheid, milieueffecten, ontwikkelstrategie en samenwerking. De resultaten van de uitwerking worden vastgelegd in een stedenbouwkundig- en een landschappelijk plan dat maatregelen in de omgeving van het plangebied vastlegt. Daaropvolgend en deels parallel wordt gewerkt aan een wijziging omgevingsplan, dat een economisch haalbaar en uitvoerbaar kader biedt. Dit advies richt zich specifiek op de manier waarop milieuaspecten concreet kunnen worden onderzocht in de genoemde uitwerking van de visie.
6.2
Aanpak
Om het milieu een volwaardige plek te geven in het proces kunnen een aantal stappen worden doorlopen: Deze aanpak is mede gebaseerd op een aanpak zoals wordt toegepast in MER-en. Indien nu of in een later stadium alsnog wordt gekozen voor het doorlopen van een mer procedure dan kunnen onderstaande stappen worden doorlopen. Stap 1. Uitwerken meetbare doelen op het gebied van milieu. Allereerst is van belang om (meetbare) doelen te stellen: wat is een acceptabel geluids- en trillingsniveau in het gebied (en omgeving) en wat zijn de (gemeentelijke) ambities op het gebied van bijvoorbeeld klimaat of biodiversiteit? Deze doelen worden ingegeven door participatie, beleid of wettelijke verplichtingen (bijvoorbeeld rondom geluid, NNN of stikstof). De notitie “Inventarisatie milieubeleid en aandachtspunten gebiedsontwikkeling stationsgebied Driebergen Zeist” is gesteld dat naast wettelijke eisen ook de ambities uit de omgevingsvisie een rol te laten spelen in de verdere uitwerking van het plan. In een workshop met specialisten, de GGD, milieuadviseurs en stedenbouwkundigen kunnen de randvoorwaarden, doelen en kansen voor de verschillende milieuthema’s vroegtijdig in kaart worden gebracht en integraal worden beschouwd. De doelen kunnen worden vertaald in concrete normen en deels, met bijhorende randvoorwaarden en eisen, op kaart gezet.
Hiervoor zal deels ook onderzoeksinformatie die voortkomt uit stap 2 nodig zijn. In de visie is al een inventarisatie opgenomen van te behouden waarden in het gebied, die binnen deze stap nog verder uitgewerkt kan worden. In deze stap wordt ook de zogenaamde referentiesituatie (de huidige situatie plus autonome ontwikkeling) voor de relevante milieuthema’s in beeld gebracht. Dit geeft input voor het stellen van bovengenoemde doelen. Deze stap draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
45/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Stap 2. Confronteren met het gewenste programma/ stedenbouwkundig plan. Het gewenste stedenbouwkundige programma en bijhorende uitwerking wordt gespiegeld aan de (meetbare) doelen uit stap 1. Hiervoor worden diverse meer gedetailleerde (milieu) onderzoeken uitgevoerd. Op basis van deze confrontatie wordt duidelijk waar sprake is van synergie tussen milieu (en bijhorende ambities) of waar het juist knelt. Thema
Onderzoek
Verkeer
Een vervolgstap voor het thema verkeer is het ontwikkelen van een Mobiliteitsplan van Eisen (MpvE). Hierbij dient mobiliteit niet te worden gezien als een doel op zichzelf, maar als een middel om specifieke ambities te realiseren. Mobiliteit draagt bij aan stedenbouwkundige ambities wanneer het op een integrale manier wordt beschouwd. Hierbij kan worden gekeken naar onder andere: verdichting (verstedelijkingskeuze), verbinden (STOMP -netwerken) of verleiden (gedragsbeïnvloeding) . Uiteindelijk landen bijbehorende eisen voor verschillende vervoersmodaliteiten en parkeeroplossingen, wensen en randvoorwaarden in het MpvE. Hierdoor kan worden gegarandeerd dat het autogebruik van de nieuwe bewoners daadwerkelijk wordt beperkt en dat alternatieven, zoals adequaat openbaar vervoer en hoogwaardige fiets- en voetgangersvoorzieningen, stevig worden geïntegreerd in de planning.
Externe
Voor het thema externe veiligheid dient een quickscan externe veiligheid te worden uitgevoerd
veiligheid
en zo nodig vervolgonderzoek. Het is daarbij nuttig om de ODRU en de VRU vroegtijdig te betrekken. Verder heeft het ODRU een stappenplan opgesteld voor (zeer en beperkt) kwetsbare gebouwen voor een uitwerking van de voorwaarden hoe om te gaan met de aandachtsgebieden.
Trillingen
Aangezien nieuwbouw in de gebiedsvisie binnen een zone van 100 meter tot het spoortracé is geprojecteerd is het verstandig om een quickscan trillingshinder uit te voeren in het plangebied. De quickscan is bedoeld om te beoordelen of nader trillingsonderzoek nodig is. Hiertoe worden de volgende factoren beschouwd: •
Bodemgesteldheid en opbouw in een plangebied of projectlocatie
•
Aanwezigheid en ligging van waterpartijen
•
Inventariseren treinbeeld (treintypen en -passages)
•
Locaties van ES-lassen, wissels en overgangsconstructies van kunstwerken
•
Voorziene locaties van bebouwing en type bebouwing
•
Toekomstige wijzigingen spoor
Uit de quickscan kan blijken dat vervolgonderzoek moet plaatsvinden. Dit is met name relevant wanneer bepalende factoren zoals de ondergrond, het treinbeeld en het ontwerp van de geplande nieuwbouw zodanig zijn dat de kans op trillingshinder aanwezig is. De meet- en beoordelingsprocedure in relatie tot trillingshinder dient te worden uitgevoerd conform de SBR trillingsrichtlijn deel B (SBR B, hinder voor personen in gebouwen). In een later stadium is het van belang om bij de woningbouw nabij het spoor voldoende afstand te houden en/of rekening te houden met de trillingen in het ontwerp van de gebouwconstructie (fundering, vloeren en wanden). In sommige gevallen kunnen ook aanvullende maatregelen nodig zijn, zoals trilling
46/49
Kenmerk
Thema
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Onderzoek afscherming in de bodem. Daarnaast wordt ook een quickscan geadviseerd voor de effecten van trillingen als gevolg van verkeersdrempels.
Geluid (spoor
Bij verdere concretisering van de plannen dienen akoestische onderzoeken te worden
en weg)
uitgevoerd om in het plangebied te kunnen voldoen aan de grenswaarden. Geadviseerd wordt om een geluidsadviseur mee laten kijken voordat stedenbouwkundig plan definitief is. Er zijn verschillende mitigerende maatregelen mogelijk, zoals het beperken van de geluidbron, het vergroten van de afstand tot de bron of het extra isoleren van woningen. Om de gebouwen tussen het spoor en de Rijksweg toch van een geluidluwe zijde te voorzien kan met de vorm van het gebouw worden gespeeld. Denk hierbij aan een geluidluwe binnentuin of een L-vorm van het gebouw met geluidluwe zijgevels. Het is ook mogelijk om met ProRail in gesprek te gaan over het plaatsen van geluidschermen rondom het spoor in het plangebied om (een deel van) de gebouwen naast het spoor af te schermen.
Geluid
De gebiedsvisie kent een aantal aandachtspunten wat betreft geluid van activiteiten, te denken
(activiteiten)
aan voorzieningen als horeca, kinderdagverblijf of een school, de hockeyclub en stemgeluid in binnentuinen van de woningen. Overige aanwezigen bedrijven met geluidsoverlast moeten worden geïnventariseerd. Uit akoestisch onderzoek moet blijken of maatregelen nodig zijn om hinder te voorkomen. Als dit het geval is dan moeten deze geborgd worden in het ruimtelijke plan. Deze bouw- en gebruiksregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
Water en
De bodem van de locatie voor de beoogde ontwikkelingen moet worden onderzocht. Het kan
bodem
nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen of te kiezen voor een minder gevoelige vorm van bodemgebruik. Daarnaast dient te worden onderzocht wat de effecten zijn van de ontwikkelingen op de nabijgelegen KRW-oppervlaktewaterlichamen. Gezien er sprake kan zijn van bodemenergie in de beoogde ontwikkelingen, dient te worden onderzocht wat het gemeentelijk beleid hierop is. Naast bodemverontreiniging en waterkwaliteit is het belangrijk om rekening te houden met het bredere kwaliteitskader van bodem en water. Hierbij zal rekening moeten worden gehouden met kwelstromen. Het is belangrijk om kwelstromen niet te verstoren, waardoor het bijvoorbeeld beter is om geen parkeergarages te bouwen. Ten slotte, wat betreft klimaatadaptie moet rekening worden gehouden met periodes van droogte en wateroverlast. Maatregelen om de infiltratie capaciteit te bevorderen en verharding te minimaliseren kunnen helpen om effecten van klimaatverandering te mitigeren.
Ecologie en
Uit de ecologische quickscan blijkt dat wanneer de planvorming concreet genoeg is, kan
recreatie
worden bepaald naar welke soorten nader onderzoek uitgevoerd dient te worden. Hierbij moet rekening worden gehouden met planning van de beoogde ontwikkeling, een nader onderzoek naar vleermuizen loopt bijvoorbeeld van maart tot en met september
De bouw van 2.000 woningen nabij een NNN brengt aanzienlijke milieukwesties met zich mee die zorgvuldig moeten worden beoordeeld. De schaduwimpact van hoge gebouwen, de aanwezigheid van katten en de toegenomen recreatiedruk zijn belangrijke factoren die de lokale biodiversiteit en ecosystemen kunnen beïnvloeden. Het is essentieel om passende
47/49
Kenmerk
Thema
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Onderzoek maatregelen te nemen om deze effecten te mitigeren en de integriteit van het natuurgebied te waarborgen. Verdere studies en monitoring zijn noodzakelijk om de impact van deze ontwikkelingen op de natuur te evalueren en aan te passen waar nodig. Om meer inzicht te verkrijgen in de effecten van de gebiedsvisie op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) moet de ‘nee, tenzij toets’ worden uitgevoerd. In dit onderzoek dient in te worden gegaan op de recreatieve druk van de beoogde ontwikkelingen en de druk hiervan op NNN. Aan de hand van deze toets beoordeelt het Bevoegd Gezag (provincie of ministerie) of het voornemen doorgang kan vinden en onder welke voorwaarden. Een Nee tenzij toets is alleen verplicht voor de ontwikkelingen binnen het NNN.
Er dient een onderzoek naar stikstofdepositie te worden uitgevoerd in het online rekenprogramma AERIUS, wanneer het plan verder is geconcretiseerd. Afhankelijk van de uitkomst van deze berekeningen dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld. Luchtkwaliteit
Uit nader mobiliteitsonderzoek wanneer de plannen concreter zijn moet blijken of de NIBM-tool kan worden ingezet om de bijdrage van het plan te toetsen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit of dat een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gezien de grootte van het project wordt een luchtkwaliteitsonderzoek aanbevolen. Bezien vanuit luchtkwaliteit wordt bij voorkeur in de planuitwerking afstand bewaard te worden langs de weg tot gevoelige bestemmingen. Als dit niet mogelijk is, kunnen aanvullende maatregelen worden getroffen treffen zoals rekening houden met situering en ventilatie. Daarnaast kan de wijk houtstook vrij worden gemaakt, dit kan worden vastgelegd in het omgevingsplan, deze maatregel draagt bij aan de luchtkwaliteit.
Landschap en
In de verdere uitwerking van de gebiedsvisie is afstemming gewenst met het komende
cultuurhistorie
cultuurhistorische onderzoek en de bureaustudie archeologie. Afhankelijk van de uitkomsten van het bureauonderzoek dient een vooronderzoek met karterende boringen worden uitgevoerd. De uitkomsten van deze onderzoeken bieden een kans om het gebied meer karakter te geven tijdens de verdere planvorming.
Stap 3. Optimalisatie programma (mitigerende maatregelen). Op basis van de uitkomsten van voorgaande stap wordt bepaald hoe het programma vanuit milieu verder geoptimaliseerd kan worden (mogelijk via alternatieven/scenario’s op inrichtingsniveau). Door de milieueffecten van de verschillende alternatieven/scenario’s inzichtelijk te maken, kan wisselwerking plaats vinden tussen de onderzoeken en het integrale stedenbouwkundig- en landschappelijke plan voor de omgeving. De uitkomsten van de onderzoeken kunnen leiden tot aanvullende maatregelen in en buiten het plangebied, ook kunnen bepaalde maatregelen ertoe leiden dat doelen, ambities of het programma wordt aangepast. Het is essentieel dat de relevante stakeholders nauw worden betrokken in deze uitwerking.
48/49
Kenmerk
R001-1301628AVG-V01-mdg-NL
Stap 4. Definitief programma + tweede plan-mer-beoordeling Op basis van de voorgaande stap wordt door de gemeenten een definitief programma gekozen. Dit programma kent een concrete uitwerking van de gebiedsvisie waarbij op basis van de info uit voorgaande stappen een nieuwe plan-mer-beoordeling wordt opgesteld, waarin de uitkomsten van de genoemde onderzoeken, en zover relevant de afweging van inrichtingsvarianten, worden samengevat. Op basis van deze beoordeling wordt opnieuw de afweging gemaakt of een MER noodzakelijk is of van toegevoegde waarde is. De plan-mer beoordeling of het MER (indien dit noodzakelijk is) ligt samen met ontwerp programma (of omgevingsplan) ter inzage. Overigens wordt geadviseerd om voorgenoemde afweging zo vroegtijdig mogelijk te maken zodat, indien gekozen wordt voor een MER, dit instrument nog ten volle benut kan worden.
49/49