CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

RV25.041 Bijlage 1.9 Plan-mer beoordeling nota gebiedsvisie stationsomgeving Driebergen-Zeist

Raad 16 oktober 2025, gemeente ZeistBij agendapunt: Gebiedsvisie Driebergen-Zeist14.197 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Plan-mer beoordeling Nota gebiedsvisie stationsgebied Driebergen Zeist 23 mei 2025

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Verantwoording Titel

Plan-mer beoordeling Nota gebiedsvisie stationsgebied Driebergen Zeist

Opdrachtgever

Gemeente Zeist

Projectleider

Martijn Gerritsen

Auteur(s)

Alisa van Gent

Tweede lezer

Martijn Gerritsen

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Aantal pagina’s

49 (exclusief bijlagen)

Datum

23 mei 2025

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Bron foto op de voorpagina: Wikimedia Commons

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Inhoud 1

2

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Introductie en doel .............................................................................................................. 5

1.2

Omschrijving plangebied .................................................................................................... 5

Waarom een mer-beoordeling ................................................................................................... 7 2.1

Procedure mer-beoordeling ............................................................................................... 7

2.2

Inhoud plan-mer-beoordeling ............................................................................................. 8

3

Beschrijving van de kenmerken en de plaats van het project ................................................... 9

4

Kenmerken van potentiële effecten ......................................................................................... 12 4.1

Verkeer ............................................................................................................................. 12

4.1.1

Potentiële effecten .................................................................................................... 12

4.1.2

Conclusies................................................................................................................. 13

4.2

Externe veiligheid ............................................................................................................. 14

4.2.1

Potentiële effecten .................................................................................................... 14

4.2.2

Conclusies................................................................................................................. 15

4.3

Trillingen ........................................................................................................................... 16

4.3.1

Potentiële effecten .................................................................................................... 16

4.3.2

Conclusies................................................................................................................. 16

4.4

Geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen ............................................................... 17

4.4.1

Potentiële effecten .................................................................................................... 17

4.4.2

Wegverkeer ............................................................................................................... 18

4.4.3

Railverkeer ................................................................................................................ 19

4.4.4

Industrieterreinen ...................................................................................................... 20

4.4.5

Conclusies................................................................................................................. 20

4.5

Geluid van activiteiten ...................................................................................................... 20

4.5.1

Potentiële effecten .................................................................................................... 20

4.5.2

Conclusies................................................................................................................. 21

4.6

Water en Bodem .............................................................................................................. 22

4.6.1

Bodem(verontreiniging) ............................................................................................. 22

4.6.2

Waterkwaliteit ............................................................................................................ 23

4.6.3

Water en bodem systeem ......................................................................................... 24

3/49

Kenmerk

4.7

Soorten...................................................................................................................... 28

4.7.2

NNN .......................................................................................................................... 30

4.7.3

N2000........................................................................................................................ 33

Luchtkwaliteit .................................................................................................................... 34

4.8.1

Potentiële effecten .................................................................................................... 34

4.8.2

Conclusies................................................................................................................. 37

4.9

Landschap, cultuurhistorie en archeologie ....................................................................... 37

4.9.1

Potentiële effecten .................................................................................................... 37

4.9.2

Conclusies................................................................................................................. 41

4.10

6

Ecologie ........................................................................................................................... 28

4.7.1

4.8

5

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Cumulatie ......................................................................................................................... 41

Conclusie ................................................................................................................................. 42 5.1

Conclusies samengevat ................................................................................................... 42

5.2

Eindconclusie ................................................................................................................... 44

Advies vervolg MER proces ontwikkeling Driebergen - Zeist .................................................. 45 6.1

Inleiding ............................................................................................................................ 45

6.2

Aanpak ............................................................................................................................. 45

4/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

1 Inleiding 1.1

Introductie en doel

De gemeenten Zeist en Utrechtse Heuvelrug zijn bezig met de planvorming omtrent het stationsgebied. De gebiedsvisie brengt de ambities voor ruimtelijke ontwikkeling samen en biedt richtlijnen voor verdere uitwerking. In het gebied zijn vooralsnog circa 2.000 woningen met een aanvullend programma voor werken en voorzieningen gepland, de mogelijkheden hiervoor moeten nog verder worden onderzocht. De gemeenten werken momenteel aan de gebiedsvisie, welke in afgeslankte vorm (verder Nota gebiedsvisie genoemd) wordt voorgelegd aan de colleges en raden van de gemeenten Zeist en Utrechtse Heuvelrug. Uit het advies1 van de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) blijkt dat deze versie van de gebiedsvisie formeel een kaderstellend plan is voor een mer-beoordelingsplichtige activiteit. In beginsel betekent dit dat het opstellen van een planMER verplicht is. Aangezien er echter sprake is van een “klein gebied op lokaal niveau”, volstaat een plan-mer-beoordeling. In voorliggende notitie is de plan-mer-beoordeling van de gebiedsvisie opgenomen. Daarnaast bevat voorliggende rapportage ook een advies over de rol van de plan-mer (beoordeling) in de volgende stappen van de gebiedsontwikkeling. Dit advies gaat in op hoe de milieuthema’s kunnen worden meegenomen in de stedenbouwkundige uitwerking van de gebiedsvisie en het omgevingsplan.

Leeswijzer In de volgende paragraaf (1.2) beschrijven we het plangebied. In hoofdstuk 2 lichten we nader toe waarom deze plan-mer-beoordeling wordt opgesteld, in hoofdstuk 3 en 4 zijn de effecten van de milieutoetsen opgenomen, in hoofdstuk 5 de conclusie. Tenslotte bevat hoofdstuk 6 een integraal advies over hoe de milieuthema’s in verdere concretisering van de gebiedsvisie een plek kunnen krijgen.

1.2

Omschrijving plangebied

Het station Driebergen-Zeist ligt op de grens van de gemeenten Zeist en Utrechtse Heuvelrug (zie figuur 1.1). Onlangs is het station herontwikkeld tot een modern knooppunt voor openbaar vervoer. Het aantal sporen is uitgebreid, de Driebergseweg-Hoofdstraat is onder het spoor doorgelegd, het busstation is vernieuwd, er is een duurzame parkeergarage toegevoegd en de fietsverbindingen in de omgeving zijn verbeterd (zie figuur 1.2). Door de combinatie van trein, bus, de A12 en de (voormalige) provinciale weg is dit stationsgebied goed bereikbaar. Het stationsgebied bevindt zich in een omgeving met cultuurhistorische waarde en is nabij de Heuvelrug, Kromme Rijnvallei en Langbroekerwetering gelegen.

1

ROM Integraal advies, 19 februari 2025 door Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU)

5/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Figuur 1.1 Gemeentegrenzen: Zeist & Utrechtse Heuvelrug (plangebied rood omcirkeld)

SportRenbaan

Spoorweg

velden

Station

A12

DriebergenRijsenburg

Figuur 1.2 Stationsomgeving Driebergen-Zeist

6/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

2 Waarom een mer-beoordeling In de mer-regelgeving, afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob), wordt onderscheid gemaakt tussen projecten waarvoor een mer-plicht geldt en projecten waar een mer-beoordelingsplicht voor geldt. Mer-beoordelingsplichtige projecten zijn projecten waarvoor de beslissing of de mer-procedure moet worden doorlopen niet bij wet vastligt, maar door het Bevoegd gezag moet worden genomen. Het bevoegd gezag moet dan bepalen of er sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’, welke het doorlopen van de mer-procedure en het opstellen van een plan-MER wenselijk en noodzakelijk maken. De Nota Gebiedsvisie 'Stationsgebied Driebergen-Zeist' fungeert als kader om de ontwikkeling van circa 2.000 woningen verder te onderzoeken. Dit project valt onder de categorie van een aangewezen project, zoals bedoeld in nummer J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit, dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van stedelijke ontwikkelingsprojecten omvat, inclusief de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Daarnaast kan de gebiedsvisie ook betrekking hebben op natuurontwikkeling (nummer J12) en wegen (nummer J1), zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Volgens artikel 16.36, eerste lid, van de Omgevingswet is het noodzakelijk om hiervoor een plan-MER op te stellen.

Er kan echter ook eerst een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd in plaats van direct een plan-mer, mits het gaat om een plan dat betrekking heeft op een kleine wijziging van een plan of programma of een klein gebied op lokaal (= gemeentelijk) niveau2 . De gebiedsvisie richt zich op een aantal ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen hebben een totaal oppervlak van minder dan 5 % van het gemeentelijk oppervlak.3 De gemeenten kiezen om deze reden voor het opstellen van een plan-mer beoordeling.

2.1

Procedure mer-beoordeling

De procedure van plan-mer-beoordeling onder het Omgevingsbesluit is als volgt: Bevoegd gezag beoordeelt effecten. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling, of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en dus wel/niet een planMER, met de bijbehorende motivering op in het plan of programma. Voor die beslissing raadpleegt het bevoegd gezag ook andere bestuursorganen en wettelijke adviseurs. Er is voor gekozen voor om dit te doen nadat de Nota gebiedsvisie is behandeld in colleges en raden. De raadpleging met betrekking tot deze plan-mer-beoordeling over de Nota Gebiedsvisie Driebergen-Zeist zal gebeuren nadat de colleges en de gemeenteraden hebben besloten over de nota. Voornaamste reden hiervoor is dat de nota nu een hoog abstractieniveau heeft. Op basis van 2

De Raad van State heeft in 2016 uitspraak gedaan over de reikwijdte van de kleine gebiedenregeling, waarbij zij aangeven dat zij uitgaan van maximaal 1 % van het grondgebied van de gemeente. Marcel Soppe van Soppe Gundelach advocaten beschrijft dit in de blog ‘Raad van State verschaft belangrijke inzichten in toepassing mer-regelgeving in N65-uitspraak’ (zie: RNMW advocaten, artikel). Overigens maakt dat niet dat wanneer een plan of programma procentueel meer grond van een gemeente omvat, er geen sprake is van een klein gebied. Dat zal nadere jurisprudentie moeten uitwijzen (zie: RNMW advocaten, artikel) Zo gaat de Advocaat-Generaal Kokott, van het Hof van Justitie EU, bij de duiding van de kleine gebiedenregeling (die rechtstreeks is te herleiden tot de SMBrichtlijn) uit van een richtcijfer van 5 % (ECLI:EU:C:2016:665, punt 68). (zie: M.A.A. Soppe en T. Rötscheid, RNMW advocaten, artikel) 3 Het betreft een oppervlakte van minder dan 5% van het kleinste van de twee gemeentelijke grondgebieden, namelijk circa 1% van het grondgebied van de gemeente Zeist.

7/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

de raadpleging en de planvorming omtrent het stationsgebied zal de verdere omgang met de plan-mer-beoordeling worden bepaald.

2.2

Inhoud plan-mer-beoordeling

Er zijn een aantal eisen verbonden aan de inhoud van een plan-mer beoordeling4: • De kenmerken van het plan: De mate waarin het plan of programma een kader is voor de ligging, aard, omvang en

-

•

gebruiksvoorwaarden voor projecten en andere activiteiten, en voor de toewijzing van hulpbronnen De mate waarin het plan andere plannen en programma’s beïnvloedt De relevantie van het plan voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling Milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma De relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de gemeenschap, bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming

De kenmerken van de potentiële effecten: De waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten De cumulatieve aard van de effecten -

De grensoverschrijdende aard van de effecten De risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten

-

De waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed, gelet op: Bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed De overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden

-

Intensief grondgebruik De effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend

Waar het bij de criteria 'fysieke kenmerken van het project' en ‘locatie van het project' vooral gaat om beschrijvingen van de voorgenomen activiteiten, de locatie en de omgeving, gaat het bij de 'kenmerken van mogelijke aanzienlijke milieueffecten' juist om de interactie tussen beiden. Hier worden dan ook de effectbeschrijvingen voor de beschouwde milieuaspecten weergegeven en de waarschijnlijkheid van de effecten. De plan-mer-beoordeling maakt gebruik van de direct beschikbare informatie over het plangebied, waaronder ROM integraal advies Stationsgebied Driebergen-Zeist; Gebiedsvisie Driebergen Zeist van de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU). Daarnaast is, zoals gebruikelijk bij merbeoordelingen op dit abstractieniveau, de toetsing gebaseerd op een deskundigenoordeel van verschillende milieuspecialisten.

4

Criteria uit Bijlage II van de smb-richtlijn

8/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

3 Beschrijving van de kenmerken en de plaats van het project In de Nota Gebiedsvisie worden de kaders geschetst voor het nader onderzoeken van de ontwikkeling van circa 2.000 woningen met aanvullend programma voor werken en voorzieningen rondom het station. Figuur 3.1 bevat de visiekaart van de gebiedsvisie. De gebiedsvisie betreft een ‘stip op de horizon’, een beeld dat zowel de gemeente, stakeholders als (huidige en toekomstige) gebruikers richting geeft in het maken van keuzes in de nieuwe plannen. Deze uitgangspunten zijn per thema nader uitgewerkt, met bijbehorende hoofdkeuzes. De visie is opgedeeld in vijf thema’s, namelijk: •

Overgangslandschap op de flank

• • •

Nieuwe bestemming aan de Stichtse Lustwarande Compacte kern Actieve mobiliteit voorop

•

Gezonde buurt voor jong en oud

In de tabel op de volgende bladzijde zijn de hoofdkeuzes opgenomen per thema. Ook is in tabel 3.1 opgenomen wat er per thema in de gebiedsvisie voor het stationsgebied Driebergen-Zeist wordt vastgelegd. Bij verdere concretisering van de Gebiedsvisie is het draagvermogen van de omgeving kaderstellend. Nadere onderzoeken over verschillende thema’s zijn noodzakelijk om de woningbouwmogelijkheden in het stationsgebied te inventariseren en de impact hiervan op de omgeving in beeld te brengen. De resultaten uit de onderzoeken vormen de randvoorwaarden voor de verdere uitwerking van de gebiedsvisie.

9/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Figuur 3.1 Visiekaart gebiedsvisie stationsgebied Driebergen Zeist (Bron: Gebiedsvisie Stationsgebied DriebergenZeist, door PosadMaxwan, Gemeente Utrechtse Heuvelrug en Gemeente Zeist)

10/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Tabel 3.1 Overzicht thema’s en hoofdkeuzes gebiedsvisie Stationsgebied Driebergen Zeist (concept) Thema

Hoofdkeuzes

Wat wordt vastgelegd?

Overgangslandschap

•

•

op de flank

Nieuwe bestemming

voor natuur, recreatie en stedelijk leven •

Rijnwijckse Wetering als blauwe drager

•

Ontginningsrichting doorzetten in de bebouwde kern

•

aan de Stichtse Lustwarande

Compacte kern

Ruimte voor kwalitatieve natuur: het definiëren van duidelijke zones

De zonering van bebouwde gebied, recreatie en natuur met de Rijnwijckse Wetering en de Reehorst als grenzen.

•

De Rijnwijckse Wetering is de natte corridor van het gebied

Cultuurhistorische waarden worden in ere gehouden en beter

•

Regels voor zichtbeheersing op gebouwen (vanuit Stichtse Lustwarande)

beleefbaar gemaakt

•

Geen zicht belemmerende elementen voor de open zichtruimten (het

•

Versterken van de open zichtvelden in het gebied

•

Stationsplein als nieuwe actieve parel aan de Stichtse Lustwarande

•

Stationsgebied Driebergen-Zeist als groene poort voor bezoekers

•

Gebiedsontwikkeling met openbaar vervoer als logische keuze

•

Een bebouwde ontwikkeling nabij het station met compacte blokken

•

Dichtheid in afgebakend gebied

•

Een open stationsplein ten noorden van het station

•

Nabijheid van basisvoorzieningen

•

Een gemixt gebied met wonen, kantoren en een aantal dagelijkse voorzieningen

•

Van publiek stationsgebied tot kalm woongebied

•

Ongeveer 2.000 woningen, waarvan 70% betaalbaar

•

Oplopende hoogte in het bebouwde gebied: Van een hoge dichtheid (en

stationsplein en het huidige hockeyveld) •

Alle monumentale gebouwen én die met cultuurhistorische waarde blijven bestaan en worden versterkt

gebouwhoogtes) bij het spoor tot lager aan de rand bij het landschap Actieve mobiliteit

•

Je bent net zo snel bij de trein als bij de auto

•

Een lage parkeernorm voor de nieuwbouw (0-0,5)

voorop

•

Je verplaatst je te voet of te fiets in het gebied

•

Compacte parkeergebouwen binnen het zoekgebied voor parkeren

•

Autovrij woongebied

•

Een autovrije woonbuurt (geen parkeren op straat of in het woonblok)

•

Verbeterde fietsverbinding met de omgeving

•

Verbeterde voetgangersroutes

Gezonde buurt voor

•

Kwalitatieve openbare ruimte

•

Gesloten woonblokken met een collectieve binnenwereld

jong en oud

•

Gemengde wijk

•

Diversiteit in woningplattegronden

•

Prettig bewegen voor iedereen

•

Openbare ruimte op verschillende schalen: van openbaar stationsplein tot buurtplein

•

Actieve mobiliteit wordt gestimuleerd in de openbare ruimte

11/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

4 Kenmerken van potentiële effecten In dit hoofdstuk worden de effecten van de in het voorgaande hoofdstuk beschreven hoofdkeuzes, op de milieuthema’s omschreven. Enkel de keuzes die raakvlak hebben met het milieuthema komen aan bod in de betreffende paragraaf.

4.1

Verkeer

4.1.1

Potentiële effecten

De gemeenten Zeist en Utrechtse Heuvelrug hebben een eerste onderzoek 5 laten uitvoeren om het effect van de groei van het aantal woningen om de auto intensiteiten te kunnen bepalen. Om antwoord te kunnen geven op de hoofdvraag: “Welk effect heeft het toevoegen van een groot aantal woningen en een klein(er) aandeel voorzieningen rond de Regiopoort Driebergen-Zeist op de bereikbaarheid van de kernen Zeist en Driebergen-Rijsenburg?” is een analyse gemaakt van de huidige situatie. Daarnaast zijn doorrekeningen en analyses gedaan van de referentiesituatie en een voorkeursscenario in 2040. Uitgangspunt van deze studie is een parkeernorm voor de beoogde woningbouw van 0,5 waarbij het parkeren (ook van de voorzieningen) in collectieve parkeergebouwen opgelost wordt. Uit het onderzoek blijkt dat de extra woningen en voorzieningen, ten opzichte van de huidige situatie, voor een toename in verkeer zorgen, wat nieuwe knelpunten in het verkeersnetwerk creëert of bestaande knelpunten verergert. De meeste wegvakken hebben voldoende capaciteit om het verwachte verkeersaanbod op te vangen. Echter, specifieke locaties zoals de Stationsweg, Heideweg en Breullaan vereisen nader onderzoek. Op deze wegen is sprake van een negatieve restcapaciteit in de plansituatie. Dit betekent dat de verkeersvraag op die weg groter is dan wat de weg kan verwerken.

Dit kan leiden tot congestie, vertragingen en een verhoogd risico op verkeersongelukken wanneer hier geen adequate maatregelen voor worden genomen. De wegen met een negatieve restcapaciteit zijn in figuur 4.1 weergeven met een rode bol, waarin de restcapaciteit wordt weergeven. De wegen met een positieve restcapaciteit in de plansituatie zijn aangeduid met een groene bol, waarin de restcapaciteit is opgenomen. Het grootste aandachtspunt betreft de capaciteit van de kruispunten, met name de aansluiting op de A12, die in de avondspits al bij een kleine toename van verkeer overbelast raakt. Dit is te zien in figuur 4.1, het kruispunt Hoofdstraat - A12 kent in het voorkeursscenario geen restcapaciteit in de avondspits, dit is te zien in de blauwe bol op de aansluiting op de A12. Het is belangrijk op te merken dat de problemen niet alleen voortkomen uit de nieuwe ontwikkelingen; het verkeersnetwerk heeft ook als gevolg van de autonome groei richting 2040 te maken met knelpunten.

5

Verkeersintensiteiten en doorkijk modelstudiestationsgebied Driebergen-Zeist, 2024 door Goudappel BV

12/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Figuur 4.1 Overzicht van Restcapaciteit per wegvak en kruispunt – Voorkeursscenario 2040 (bron: Goudappel, 2024)

Er moeten nog diverse keuzes worden gemaakt om de gebiedsvisie verder te concretiseren. Dit omvat het bepalen van het aantal te bouwen woningen en werklocaties, het type woningen en werklocaties dat passend is, en het openbaar vervoerbeleid dat zal worden gehanteerd. Daarnaast kunnen andere veranderingen in het verkeersnetwerk in en in de omgeving van het plangebied, zoals de aanleg van nieuwe of verbeterde fietsinfrastructuur, de vermindering van beschikbare parkeerruimte, of aanpassingen aan wegen en kruispunten, invloed hebben op de modal split6 en daarmee op de op de capaciteit van het verkeersnetwerk. Al deze factoren beïnvloeden de effecten van de nieuwe ontwikkelingen in het gebied en moeten daarom zorgvuldig in beeld worden gebracht. 4.1.2 Conclusies Belangrijke negatieve effecten op het thema verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkelingen treden niet op of zijn oplosbaar. Uit het verkeerskundig onderzoek blijken enkele aandachtspunten voor de uitwerking van de gebiedsvisie, te denken aan het verkeersnetwerk en de verdere gebiedsindeling. Er dient te worden onderzocht hoe de negatieve effecten op het thema verkeer beperkt kunnen worden, hiervoor is een mobiliteitsplan nodig. 6

De term 'modal split' verwijst naar de verdeling van verschillende vervoersmodaliteiten die mensen gebruiken om zich te verplaatsen. Dit kan onder meer betrekking hebben op het percentage van de bevolking dat gebruikmaakt van auto’s, openbaar vervoer, fietsen, wandelen of andere vervoersmiddelen. De modal split is een belangrijke indicator voor het vervoer in een gebied en helpt bij het begrijpen van mobiliteitspatronen, het plannen van infrastructuur en het ontwikkelen van duurzaamheidsstrategieën. Een evenwichtige modal split kan bijdragen aan een betere bereikbaarheid, minder verkeersdrukte en een lagere milieu-impact.

13/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

4.2

Externe veiligheid

4.2.1

Potentiële effecten

Voor het thema externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico (PR) en de aandachtsgebieden relevant. Het PR is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Aandachtsgebieden zijn zones waar mensen in gebouwen, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van dergelijke ongevallen. In het Omgevingsplan dient rekening gehouden te worden met het groepsrisico binnen deze aandachtsgebieden. Dit verwijst naar de jaarlijkse kans dat tien of meer personen overlijden als gevolg van een ongewoon voorval binnen het aandachtsgebied.

Figuur 4.2 Uitsnede risicokaart (bron: Register Externe Veiligheid)

Er liggen verschillende bronnen in de nabijheid die mogelijk leiden tot belemmeringen op het gebied van externe veiligheid (zie figuur 4.2). Dit zijn: • De DPO-leiding7 208, met een belemmeringengebied, PR 10-6 contour en een •

brandaandachtsgebied De Basisnetroute spoorlijn 540 (Utrecht-Arnhem), met een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied

Hieronder volgt een toelichting van de verschillende aandachtsgebieden en de PR 10-8 contour binnen, en in de omgeving van, het plangebied: •

Brandaandachtsgebied (rood gemarkeerd op figuur 4.2)

7

De Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) haalt vliegtuigbrandstof uit raffinaderijen en opslagterminals in Rotterdam (Europoort en Botlek) en vervoert deze kerosine via een eigen ondergronds pijpleidingnetwerk naar haar klanten.

14/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Dit is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m 2 is. Binnen dit gebied zijn zeer kwetsbare gebouwen8 niet toegestaan, Voor (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties9 10 is het van belang om maatregelen te treffen om brand te voorkomen •

en de impact van een mogelijke brand te beperken Explosieaandachtsgebied (oranje gemarkeerd op figuur 4.2) Dit is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot a) een BLEVE11 de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is of b) een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in de nabijheid van industriële installaties, opslagplaatsen voor explosieve stoffen of andere activiteiten die explosieve situaties kunnen veroorzaken. Binnen een explosieaandachtsgebied dat is aangewezen als explosievoorschriftengebied dienen (zeer en beperkt) kwetsbare gebouwen te worden voorzien van veiligheidsmaatregelen die de

•

gevolgen van een explosie beperken, zoals de installatie van een type ruiten waarbij letsel door scherfwerking wordt voorkomen. Gifwolkaandachtsgebied (geel gemarkeerd op figuur 4.2) Dit is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof gedurende een daarbij aangegeven periode. Dit kan bijvoorbeeld optreden bij incidenten in de chemische industrie of bij transport van gevaarlijke stoffen. In dit gebied dienen (zeer) kwetsbare gebouwen te worden voorzien van maatregelen om te anticiperen op mogelijke gevolgen voor

•

de gezondheid van mensen en het milieu. Denk hierbij aan uitschakelbare ventilatie. De spoorlijn kent geen plaatsgebonden risicocontour. Echter kent de buisleiding wel een PR10-6 contour en een plaatsgebonden risico. Artikel 5.18 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) geeft aan dat een buisleiding een belemmeringszone van 5 meter heeft. Binnen deze zone zijn kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen niet toegestaan. Daarnaast moet in het omgevingsplan worden gegarandeerd dat andere bouwwerken en activiteiten de veiligheid van de buisleiding niet in gevaar brengen.

4.2.2

Conclusies

Geconcludeerd kan worden dat de gebiedsvisie (mogelijk) plannen bevat voor het ontwikkelen van (zeer) kwetsbare gebouwen in het kader van externe veiligheid, namelijk wonen en mogelijk een kinderdagverblijf, binnen de hierboven beschreven aandachtsgebieden. Op basis van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) moet binnen een aandachtsgebied het groepsrisico in overweging worden genomen. Zeer kwetsbare gebouwen, zoals een kinderdagverblijf, zijn niet toegestaan in het brandaandachtsgebied. Dit stelt nadere randvoorwaarden bij de verdere uitwerking van de

8

Woonfunctie voor 24-uurszorg, basisscholen, scholen voor minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking, dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, gezondheidszorg met bedgebied (ziekenhuizen en verpleeghuizen), Kinderopvang, gevangenissen (bron: Besluit kwaliteit leefomgeving) 9 Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. (bron: Besluit kwaliteit leefomgeving) 10 De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar. 11 Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion (vertaling: kokende vloeistof-gasexpansie-explosie)

15/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

gebiedsvisie. Wanneer aan deze randvoorwaarden wordt voldaan zijn grote nadelige gevolgen uitgesloten.

4.3

Trillingen

4.3.1 Potentiële effecten Diverse (bouw)werkzaamheden kunnen trillingen in de omgeving veroorzaken. Dit betreffen bijvoorbeeld alle werkzaamheden waarbij elementen in de grond worden gebracht door middel van heien of hoogfrequent trillen en het slopen van bestaande objecten. Deze trillingen worden door de ondergrond overgedragen naar belendingen en kunnen daar leiden tot schade. Trillingen ten gevolge van bouw hebben een relatief kleine invloed zone van maximaal 50 m vanaf de bron. Er zijn ook steeds meer trillingvrije of trilling arme technieken beschikbaar. Het plangebied bevindt zich rondom de spoorweg tussen Utrecht en Arnhem. Omwonenden van het spoor kunnen hinder ondervinden van trillingen als gevolg van treinverkeer. Het gebruik van het spoor is de afgelopen jaren toegenomen en naar verwachting zal deze groei zich voortzetten, aangezien vervoer per spoor als veilig en duurzaam wordt beschouwd en bijdraagt aan de transitie naar een klimaat neutrale samenleving. Het toenemende spoorvervoer dient echter in balans te zijn met een zorgvuldige omgang met de leefomgeving en de bescherming van de omwonenden. Ten aanzien van trillingen vanwege (spoorweg)verkeer gelden nog geen wettelijke eisen. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft wel in 2024 een handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgesteld.

Hierin is opgenomen dat, in het algemeen, binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder dient te worden beoordeeld. Tenslotte kunnen trillingen ontstaan rond verkeerswegen (drempels, voegen). De sterkte van deze trillingen is onder ander afhankelijk van: het type voertuig, de rijsnelheid en de vorm van de drempel. Het wordt aangeraden om trillingen rond de spoorweg en trillingen rond verkeerswegen te laten onderzoeken in een quickscan. 4.3.2 Conclusies Om negatieve effecten als gevolg van trillingen uit te kunnen sluiten is nader onderzoek nodig middels een quickscan. Middels (bouwkundige) maatregelen kunnen aanzienlijke negatieve milieueffecten als gevolg van trillingen naar alle waarschijnlijkheid worden uitgesloten. Deze maatregelen kunnen echter wel kaderstellend zijn voor de verdere uitwerking van de gebiedsvisie.

16/49

Kenmerk

4.4

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen

4.4.1 Potentiële effecten Geluid in de leefomgeving kan hinder en gezondheidsklachten zoals stress en slaapverstoring veroorzaken. Om een gewenste geluidkwaliteit te behouden of te behalen bevat de Omgevingswet regels voor het toelaatbare geluid bij geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen, scholen of zorgcentra). De bestuurlijke regels voor het thema geluid die vanuit het Rijk worden opgelegd zijn onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin is een onderscheid gemaakt tussen geluid door railverkeer, wegverkeer en industrieterreinen (zie tabel 4.1). De standaardwaarde is een voorkeurswaarde per geluidbronsoort of activiteit die geldt bij een geluidgevoelig gebouw. Is de geluidbelasting lager dan de standaardwaarden dan is het plan zondermeer inpasbaar. Is de geluidbelasting hoger dan de standaardwaarden of in bijzondere gevallen, hoger dan de grenswaarden (maximaal 5 dB) dan moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt en dienen mogelijk maatregelen te worden toegepast. Afgewogen dient te worden of sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting in combinatie met een evenwichtige toedeling van functies op die locatie. Deze afweging dient door bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Zeist en gemeente Utrechtse Heuvelrug) gemaakt te worden.

Tabel 4.1 Standaardwaarden en grenswaarde voor geluid bij geluidgevoelige gebouw uit Bkl (artikel 5.78t en 5.78u) Standaardwaarde

Grenswaarde

Gemeentelijke en waterschapswegen

53 dB

70 dB

Rijkswegen en Provinciale wegen

50 dB

60 dB

Spoorwegen (lokaal en hoofdspoor)

55 dB

65 dB

Industrieterreinen

50 dB (Lden) en 40 dB (Lnight)

55 dB (Lden) en 45 dB (Lnight)

Verder dient ook het gecumuleerde geluid (geluid van alle bronnen samen, met correctie voor de hinderlijkheid per bronsoort) door het bevoegd gezag beoordeeld te worden. Geluidsluwe gevel Indien één of meer van de standaardwaarden worden overschreden, wordt het belang van een geluidluwe gevel bij de afweging betrokken. Een geluidluwe gevel is een gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid. Denk hierbij aan een gevel aan een geluidluwe binnentuin of een ‘kunstmatige’ geluidluwe gevel in een loggia.

17/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

In sommige situaties is het eisen van een geluidluwe gevel lastig of niet realiseerbaar. Indien geen sprake is van een geluidluwe gevel of indien sprake is van een gedeeltelijke geluidluwe gevel dan dienen in het belang van de gezondheid compenserende maatregelen te worden getroffen. Deze compenserende maatregelen dienen in het omgevingsplan te worden opgenomen. Dit om te borgen dat deze ook daadwerkelijk worden getroffen en duurzaam in stand worden gehouden. Bij compenserende maatregelen kan worden gedacht aan: • Het opnemen van een of meer gemeenschappelijke woonkamers die aan de geluidluwe zijde •

is/zijn gelegen Het opnemen van een of meer gemeenschappelijke buitenruimte(s) of dakterras(sen) die aan de geluidluwe zijde is/zijn gelegen

4.4.2 Wegverkeer In de huidige situatie kent het plangebied, op basis van de geluidskaart van het RIVM, een overschrijding van de standaardwaarden van gemeentelijke wegen en Rijkswegen (53 en respectievelijk 50 dB, zie tabel 4.1) vanuit de A12 en de Hoofdstraat, zie figuur 4.3. Dit geeft een indicatie van de belasting binnen het plangebied en omgeving. Nader akoestisch onderzoek moet uitwijzen wat de exacte gevelbelasting is.

Figuur 4.3 Geluidcontour wegverkeer, indicatief (Bron: ODRU, 2025)

18/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Naar verwachting neemt het verkeer in de autonome situatie 2040 in het plangebied toe. Daarnaast genereert de genoemde woningbouwontwikkeling in de gebiedsvisie ook extra verkeer in het plangebied12. Deze toename in verkeersintensiteiten heeft gevolgen op de geluidsituatie van de bestaande (woon)omgeving. Een verdubbeling van het verkeer betekent een geluidstoename van 3 dB, dit is hoorbaar voor een goedgetraind oor. Op de Stationsweg (ter hoogte van het station) is sprake van een verdubbeling van het verkeer in de plansituatie ten opzichte van de referentie situatie in 2040. Ook voor de Odijkerweg geldt dat de verkeersintensiteiten sterk toenemen ten opzichte van de referentiesituatie. Als gevolg hiervan kan de woonomgeving akoestisch verslechteren. 4.4.3 Railverkeer In de huidige situatie kent het plangebied op een aantal locaties een overschrijding van de standaardwaarde voor spoorwegen (van 50 dB), zie figuur 4.4. Dit geeft een indicatie van de belasting binnen het plangebied en omgeving. Nader akoestisch onderzoek moet uitwijzen wat de exacte gevelbelasting is.

Figuur 4.4 Geluidcontouren railverkeer, indicatief (Bron: ODRU, 2025)

In de gebiedsvisie wordt gesproken over een compacte kern. Dit bestaat uit een gemixt gebied met wonen, kantoren en een aantal dagelijkse voorzieningen. Hierbij is één van de uitgangspunten dat er sprake is van een oplopende hoogte in het bebouwde gebied, namelijk van een hoge dichtheid (en gebouwhoogtes) bij het spoor tot lager aan de rand bij het landschap. In de aanbevelingen is opgenomen dat de kantoren het beste gestapeld nabij het spoor kunnen komen. Deze gebouwen blokkeren het geluid voor het achterliggende (plan)gebied. In het Bkl worden kantoren niet gezien als geluidgevoelig gebouw, voor deze gebouwen gelden geen regels

12

Verkeersintensiteiten en doorkijk modelstudiestationsgebied Driebergen-Zeist, 2024 door Goudappel BV, zie ook paragraaf 4.1

19/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

zoals voor geluidgevoelige gebouwen met de functie wonen. Echter dient ook voor kantoren te worden gekeken naar een wenselijk geluidsniveau binnen. Hiervoor bestaan geen regels, maar wel richtlijnen. Indien er naast het spoor woningen worden gebouwd, in de contouren boven de standaardwaarde en onder de grenswaarde, dienen de bouwblokken te worden voorzien van bouwkundige maatregelen zoals een geluidwerende gevel en loggia’s. 4.4.4

Industrieterreinen

In, of nabij, het plangebied zijn geen industrieterreinen gelegen waarvoor geluidproductieplafonds zijn (of nog moeten worden) vastgesteld. Deze worden derhalve niet verder besproken. Voor het geluid van overige (bedrijfsmatige) activiteiten wordt verwezen naar de volgende paragraaf. 4.4.5 Conclusies Wat betreft geluid is er sprake van een (akoestisch) complexe situatie gezien de ligging van de ontwikkelingen ten aanzien van het spoor, de Driebergseweg/Hoofdstraat en de A12. Om de geluidsituatie goed in kaart te brengen is een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Uit het onderzoek moet blijken wat het (gezamenlijk) geluid op de toekomstige gevels is en op welke wijze de woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Om te voldoen aan te standaardwaarden van het Bkl is het mogelijk om mitigerende maatregelen te nemen. Door het nemen van de juiste maatregelen kunnen belangrijke negatieve effecten worden voorkomen. Echter dit kan wel kaderstellend zijn voor de verdere uitwerking van de gebiedsvisie.

4.5

Geluid van activiteiten

4.5.1 Potentiële effecten Naast weg- en railverkeer is er sprake van geluid van (bedrijfsmatige) activiteiten en geluid van geluid van sporten, scholen en stemgeluid. In het Bkl zijn standaardwaarden voor het geluid van activiteiten opgenomen. In tabel 4.2 zijn deze weergegeven. Om aan de standaardwaarden te voldoen zijn verschillende mitigerende maatregelen mogelijk, zoals het beperken van de geluidbron, het vergroten van de afstand tot de bron of het extra isoleren van woningen. Tabel 4.2 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw (Bkl art. 5.65)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van

07.00 -

19.00 -

23.00 -

19.00 uur

23.00 uur

7.00 uur

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

--

70 dB(A)

70 dB(A)

--

65 dB(A)

65 dB(A)

activiteiten op een geluidgevoelig gebouw Maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen Maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door ander piekgeluiden

Overschrijding van de standaardwaarden is uitsluitend toegestaan als voldaan wordt aan de grenswaarden in geluidgevoelige ruimten (Bkl art. 5.66).

20/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Stemgeluid (behalve wanneer het samengaat met muziek) is uitgezonderd van beoordeling en mag ook niet door middel van waarden worden gereguleerd. Dit betekent echter niet dat hieraan bij de planvorming niet voldoende aandacht hoeft te worden besteed (of misschien juist zelf meer) en dit bij de evenwichtige toedeling van functies dient te worden betrokken. In het plangebied worden wonen, werken en voorzieningen gecombineerd. In de gebiedsvisie wordt gesproken over dagelijkse voorzieningen. Op pagina 60 van de gebiedsvisie worden de volgende voorzieningen genoemd: horeca, café, supermarkt, huisarts/gezondheidsvoorzieningen, kinderdagverblijf en kleine winkels. Op pagina 55 wordt genoemd dat de visie ruimte laat voor een mogelijke toevoeging van maatschappelijke voorzieningen zoals een zorglocatie of een basisschool. Voor voorzieningen zoals horeca, café, supermarkt en kleine winkels geldt dat er sprake is van laden en lossen op de locatie, daarnaast kan er bij een horeca en café gelegenheid sprake zijn van geluidsoverlast als gevolg van muziek en/of stemgeluid. Een kinderdagverblijf (of school) kan ook hinder opleveren voor de omgeving, door bijvoorbeeld het geluid van spelende kinderen. Verder wordt gesproken over kantoorvoorzieningen en woningen, waarbij (onder andere) klimaatinstallaties geluidshinder voor direct omwonenden kunnen veroorzaken.

Als maatregelen nodig zijn om hinder te voorkomen, dan moeten deze geborgd worden in het omgevingsplan. Deze bouw- en gebruiksregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Eén van de hoofdkeuzes van een gezonde buurt voor jong en oud betreft ‘prettig bewegen voor iedereen’. In de huidige situatie kent het plangebied een hockeyvereniging ‘SV Phoenix’ ten noorden van het station Driebergen-Zeist. Een aandachtspunt voor het te ontwikkelen gebied op het thema geluid hierbij is het stemgeluid, (bal)sportgeluid en incidentele activiteiten zoals feesten van de vereniging. In de gebiedsvisie zijn ook zoekgebieden aangewezen voor sport. In bijlage A5 van de handreiking activiteiten en milieuzonering van de VNG is een indicatieve lijst met de inschatting van geluid (en geur) door activiteiten opgenomen. De potentiële effecten voor het thema geluid zijn afhankelijk van het type sport en de omvang van de locatie. Tot slot wordt in de gebiedsvisie gesproken over collectieve woongebouwen met binnentuinen. Deze binnentuinen vormen ook een aandachtspunt voor het thema geluid. Deze binnentuinen maken het mogelijk om elkaar te ontmoeten, met als gevolg dat stemgeluid voor alle aangrenzende woningen overlast kan veroorzaken. Dit is een aandachtspunt voor verdere uitwerking van de gebiedsvisie.

4.5.2 Conclusies Het combineren van woningen met bedrijven kan leiden tot geluidsbelasting voor woningen en beperkingen voor bedrijven. Dit is een belangrijk aandachtspunt in de verdere uitwerking van het plan gezien de reeds geluid belaste omgeving in de huidige situatie (gezien de ligging van de spoorweg en in mindere mate het wegverkeer). Er zijn immers grenswaarden voor geluid van activiteiten, dit vormt een inpassingsvraagstuk dat maatwerk vereist. Bij verdere concretisering

21/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

van de plannen dienen akoestische onderzoeken te worden uitgevoerd om in het plangebied te kunnen voldoen aan de grenswaarden. Wanneer de juiste mitigerende maatregelen worden toegepast is de verwachting dat er geen aanzienlijke negatieve effecten op het gebied van geluid optreden.

4.6

Water en Bodem

4.6.1

Bodem(verontreiniging)

4.6.1.1

Potentiële effecten

De gebiedsvisie voorziet activiteiten die de bodem en ondergrond verstoren of waardoor de blootstelling aan de aanwezige bodemverontreiniging kunnen veranderen (toenemen), namelijk het ontwikkelen van woningen in het stationsgebied met aanvullend programma voor werken en voorzieningen rondom het station. Tot dusver zijn er verschillende bodemonderzoeken uit een inventarisatie van oktober 2022 bekend. Hieruit blijkt dat grote delen van het plangebied zijn verdacht op de aanwezigheid van bodemverontreiniging en mogelijk nog niet geschikt voor de bestemming wonen. Uit de notitie13 van de ODRU blijken de volgende aandachtspunten voor het thema bodem. •

Binnen het plangebied zijn er verschillende locaties met ondergrondse tanks, die, indien niet gecertificeerd, als verdachte locaties moeten worden beschouwd en gesaneerd

•

Binnen het plangebied zijn voormalige boomgaarden aanwezig die nog niet milieu hygiënisch zijn onderzocht; tot dat onderzoek heeft plaatsgevonden, wordt de bovenste 30 cm van de bodem in deze gebieden als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van organochloor

•

bestrijdingsmiddelen (OCB) Binnen het plangebied zijn (sloot)dempingen aanwezig die nog niet milieu hygiënisch zijn onderzocht. Het gebruikte dempingsmateriaal is verdacht op de aanwezigheid van

•

bodemverontreiniging Op een aantal locaties waar bodemonderzoek heeft plaatsgevonden is sprake van bijmenging met puin in de bodem. Deze locaties moeten beschouwd worden als verdacht op het

•

voorkomen van asbest in bodem Er liggen ook enkele gevallen van ernstige bodemverontreiniging (volgens de voormalige Wet bodembescherming Wbb) binnen het plangebied. De beschikbare bodeminformatie voor deze locaties wordt beheerd door de RUD Utrecht en is nog niet beschikbaar. Afhankelijk van de status van deze gevallen en de geplande functies, kan sanering onder het Overgangsrecht Wet bodembescherming noodzakelijk zijn, wat de financiële haalbaarheid van het plan kan

•

13

beïnvloeden Bovendien zijn er minimaal drie gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging in de zin van de voormalige Wbb, waar vanuit de huidige functie geen maatregelen voor nodig zijn.

ROM integraal advies Stationsgebied Driebergen-Zeist; Gebiedsvisie Driebergen-Zeist

22/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Afhankelijk van het geplande gebruik of om civieltechnische reden kan ontgraving toch nodig •

zijn en leiden tot extra kosten Niet overal is reeds bodemonderzoek uitgevoerd. Het is mogelijk dat er verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden door voormalige of huidige bedrijven binnen het plangebied die nu

•

nog niet in beeld zijn Vanuit gevoelige functie of gevoelige typen bodemgebruik kan het nodig zijn om lagere normen aan te houden dat de generieke normen, met name bij de toetsing van aangetroffen loodgehalten. Dit speelt bijvoorbeeld in gebieden die worden gebruik als tuin of kinderspeelplaats worden gebruikt. Op pagina 70 van de gebiedsvisie wordt gesproken over lokale voedselproductie in de directe omgeving van de woonomgeving, met mogelijke koppeling aan een toekomstige school. De bodem van de locatie voor de beoogde voedselproductie dient goed te worden onderzocht. Het kan nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen of te kiezen voor een minder gevoelige vorm van bodemgebruik

4.6.1.2 Conclusies Geconcludeerd kan worden dat grote delen van het plangebied verdacht zijn van de aanwezigheid bodemverontreiniging en daarom mogelijk nog niet geschikt voor de functie wonen. Het is daarom wenselijk om in deze fase vooronderzoek uit te voeren om inzicht te verkrijgen in de (financiële) haalbaarheid van de plannen. 4.6.2

Waterkwaliteit

4.6.2.1 Potentiële effecten Vanuit de Kader Richtlijn Water (KRW) zijn er geen wettelijke normen, zolang de waterkwaliteit door de nieuwe concrete ontwikkelingen niet achteruitgaat. Rondom het stationsgebied van Driebergen-Zeist bevinden zich een aantal KRW oppervlaktewaterlichamen, zie figuur 4.5. De beoogde ontwikkelingen bevinden zich hier niet bij in de buurt. Ten zuidwesten van het stationsgebied bevindt zich de Kromme Rijn. De Kromme Rijn is aangewezen als KRWoppervlaktewaterlichaam. De Rijnwijckse Wetering die door het plan gebied stroomt, staat in verbinding met de Kromme Rijn. Negatieve invloed op de waterkwaliteit moet worden voorkomen door bijvoorbeeld voldoende ruimte rondom wateren te waarborgen, zodat afvloeiing van afvalstoffen wordt tegengegaan. Indien rekening wordt gehouden met de waterkwaliteit van nabijgelegen KRW-waterlichamen, worden er geen aanzienlijk negatieve effecten voor het oppervlaktewater verwacht.

23/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Figuur 4.5 Oppervlaktewaterlichamen KRW-status (Bron: informatiehuis water)

4.6.2.2

Conclusies

In het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewaterlichamen met KRW-status. De Rijnwijckse Wetering die door het plangebied stroomt, staat in contact met de Kromme Rijn (ten zuidwesten van het plangebied en is aangewezen als KRW oppervlaktewater lichaam). Indien rekening wordt gehouden met de waterkwaliteit van nabijgelegen KRW-waterlichamen, worden er geen aanzienlijk negatieve effecten voor het oppervlaktewater verwacht. 4.6.3

Water en bodem systeem

4.6.3.1

Potentiële effecten

Naast een kwaliteitsbeoordeling voor bodemverontreiniging is het belangrijk om het bredere kwaliteitskader van bodem in ogenschouw te nemen in het kader van de Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’ 14 en de kamerbrief15 en de daaropvolgende Statenbrief Uitwerking en borging van water bodem sturend rekening houden met water en bodem16. Er zal dus ook betekenis toegekend moeten worden aan zowel biologische als fysische aspecten die invloed hebben op geschiktheid van een locatie voor het bouwen van nieuwe functies.

14 15 16

Kamerbrief over rol Water en Bodem bij ruimtelijke ordening | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl Kamerbrief: rekening houden met water en bodem - Basisregistratieondergrond Statenbrief Uitwerking en Borging Water Bodem Sturend, Provincie Utrecht, 08-04-2025

24/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Figuur 4.5 geeft het plangebied weer ten opzichte van het ‘Ruimtelijk afwegingskader klimaat adaptieve gebouwde omgeving’ (hierna: afwegingskader). Het afwegingskader is een instrument dat helpt om het water en bodemsysteem (mede) sturend te laten zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het ruimtelijk afwegingskader houdt rekening met waterveiligheid, wateroverlast, bodemdaling en de beschikbaarheid van drinkwater. Uit figuur 4.6 blijkt dat het plangebied op basis het water- en bodemsysteem geschikt is om op te bouwen mits er aanvullende (maatregelen worden genomen, zie hiervoor de Maatlat voor een klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving). Het plangebied is op basis van het afweegkader gemarkeerd als ‘Ja, mits: kleine opgave’ vanwege de (extreem kleine kans) op overstroming. Figuur 4.7 laat zien dat bepaalde delen van het plangebied een overstromingsdiepte van 0,5 meter of meer kunnen hebben. De kans dat deze overstroming plaatsvindt in het gebied is ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar.

Figuur 4.6 Uitsnede Afwegingskader klimaatadaptief bouwen (bron : IenW en BZK) plangebied blauw omcirkeld

Figuur 4.7 Overstromingsdiepte, extreem kleine kans (bron: LIWO, 2024)

25/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Specifiek moet er binnen het plangebied rekening worden gehouden met de flanken van de Utrechtse Heuvelrug die zeer droogtegevoelig zijn, waardoor er nood is om water vast te houden in het gebied, en dat tegelijkertijd de Rijnwijckse Wetering kan worden gekarakteriseerd als een gebied met mogelijke wateroverlast waar water moet worden afgevoerd. Aangezien de Wetering door het gebied loopt, kan men ervan uitgaan dat vooral in de winter hoge grondwaterstanden voorkomen. Verder komt in het plangebied ook kwelwater omhoog (figuur 4.8). Het kwelwater moet volgens de gebiedsvisie gescheiden blijven van het watersysteem. Aangezien er kwelwater omhoogkomt, zal, in lijn met de Kamerbrief, rekening gehouden moeten worden met het feit dat de ondergrond zo min mogelijk gewijzigd moet worden om te voorkomen dat de kwelstromen worden verstoord. Een praktisch voorbeeld hiervan kan zijn om geen ondergrondse parkeergarages te bouwen.

Figuur 4.8 Kwel en infiltratie in het plangebied (bron: Nationaal Water Model, 2016)

Hoewel klimaat adaptief bouwen vanuit het perspectief van bodemkwaliteit wordt aanbevolen, zal dit gebied, dat enerzijds gevoelig is voor extreme droogte en anderzijds is het plangebied gevoelig voor wateroverlast, hier extra profijt van hebben. De kaartlaag ’kwel en infiltratie’ laat zien dat in het plangebied voornamelijk wegzijgingen plaatsvinden. Al met al ligt er bij de inrichting van het gebeid een uitdaging hoe wateroverlast in het westelijk deel van het plangebied en droogte in het oostelijk deel kan worden geminimaliseerd. Met het begrip ‘wateroverlast’ wordt verwezen naar te veel neerslag en grondwateroverlast. In het algemeen neemt de kans op extreme regenval toe als gevolg van klimaatverandering. Dit betekent dat ook de kans op wateroverlast in het plangebied toeneemt. Omdat het plan bestaat uit het toevoegen van woningen, voorzieningen en werkgelegenheid, zal het aandeel verhard oppervlakte naar verwachting toenemen. Het is daarom van belang om nader onderzoek naar het verbeteren van de waterbergingsfunctie en de sponswerking van het plangebied om wateroverlast

26/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

door neerslag te voorkomen. In de gebiedsvisie op pagina 42 wordt genoemd dat woonstraten voldoende ruimte hebben voor groen, met natuurlijk waterbeheer. Om wateroverlast in het plangebied te voorkomen kunnen eisen worden opgenomen in het omgevingsplan. Het kan dan ook nuttig zijn om nader onderzoek te doen waar kwelwater omhoogkomt in het plangebied en hier speciale kwelwater gebieden van te maken met een ecologische functie. Tenslotte kan worden geconcludeerd dat in het plangebied bodemdaling niet of nauwelijks van toepassing is (figuur 4.9) en er geen aardkundige waarden zijn (figuur 4.10).

Figuur 4.9 Signaalkaart bodemdaling okt 2016 – okt 2018 (Bron: Klimaateffectatlas, 2019)

Figuur 4.10 Utrecht: Aardkundige waarden (Bron: Atlas Provincie Utrecht, 2021)

27/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

4.6.3.2 Conclusies Vanuit het water en bodemsysteem geredeneerd is het plangebied geschikt voor de beoogde ontwikkelingen. Echter kunnen kwelstromen, wegzijging, wateroverlast en overstromingen plaatsvinden in het plangebied. Hier dient nader onderzoek naar te worden verricht, passende maatregelen moeten worden opgenomen in het stedenbouwkundig plan.

4.7

Ecologie

Voor het thema ecologie is een onderscheid gemaakt in soortenbescherming en gebiedsbescherming, die betrekking heeft op gebieden zoals Natura 2000 en het Natuur Netwerk Nederland (NNN). In november 2024 is een ecologische quickscan uitgevoerd in het plangebied, de resultaten hiervan dienen als input voor de omschrijving van de effecten op het thema ecologie. Ook het onderwerp recreatieve druk op natuur wordt behandeld in deze paragraaf. 4.7.1

Soorten

4.7.1.1 Potentiële effecten Hoe meer planten- en dierensoorten in een gebied voorkomen, hoe groter de soortendiversiteit. Figuur 4.11 toont de geschatte soortendiversiteit in het plangebied per vierkante kilometer, waarbij de negen belangrijkste en best onderzochte soortgroepen zijn meegenomen: vaatplanten, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, vleermuizen, landzoogdieren en vogels. Des te donkerder het groen, des te meer verschillende soorten planten en dieren er in dat gebied voorkomen ten opzichte van een ander gebied. Op basis van de geschatte soortendiversiteit kent het plangebied relatief veel planten- en dierensoorten variërend tussen de 401 en 700 soorten. Met name aan de noordwestzijde en zuidoostzijde van het station Driebergen-Zeist is de biodiversiteit hoog: tussen de 601 en 700 soorten.

28/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Figuur 4.11 Soortendiversiteit (Bron: Nationale Databank Flora en Fauna, 2017)

De gebiedsvisie stelt verschillende nieuwe concrete ontwikkelingen voor die effect kunnen hebben op de planten- en dierensoorten in het plangebied door bijvoorbeeld werkzaamheden op nu onbebouwd gebied of aantasten van verblijfplaatsen in bestaande gebouwen. Het gaat om het onderzoeken van de ontwikkeling van circa 2.000 woningen met een aanvullend programma voor werken en voorzieningen. Om de effecten van de beoogde ontwikkelingen op soortendiversiteit nader te kunnen bepalen is onderzoek nodig omdat effecten niet kunnen worden uitgesloten. Uit de ecologische quickscan blijkt dat omdat de planvorming nog niet concreet genoeg is, op basis van de nu bekende informatie nog niet met zekerheid bepaald kan worden naar welke soorten een nader onderzoek uitgevoerd dient te worden. In het nader onderzoek moet ook worden gekeken naar de mogelijke inzet van mitigerende en compenserende maatregelen. 4.7.1.2 Conclusies Gezien de ligging van het plangebied moeten de effecten op beschermde planten- en dierensoorten worden onderzocht bij verdere concretisering van de gebiedsvisie. In dit onderzoek moet ook worden gekeken naar de mogelijke inzet van mitigerende of compenserende maatregelen. Bij het inachtneming van deze maatregelen, geen aanzienlijke negatieve effecten verwacht.

29/49

Kenmerk

4.7.2

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

NNN

4.7.2.1 Potentiële effecten De gebiedsvisie bevat een conceptuele kaart van de zonering, hierin zijn natuurlijke verbindingen weergeven met donkergroene pijlen (zie figuur 4.12). Recreatiegebied is in deze kaart lichtgroen weergeven en bebouwd gebied is grijs gemarkeerd. De Rijnwijckse Wetering is aangeduid als een blauwe drager. Deze wetering fungeert als ecologische verbinding tussen het Kromme Rijngebied en de Utrechtse Heuvelrug binnen het plangebied en vormt de scheidslijn tussen de bebouwde en natuurlijke gebieden.

Figuur 4.12 Conceptuele kaart van de zonering (Bron: Gebiedsvisie Stationsgebied Driebergen-Zeist, door PosadMaxwan, Gemeente Utrechtse Heuvelrug en Gemeente Zeist)

Figuren 4.13 en 4.14 weergeven de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Hieruit is af te leiden dat de beoogde ontwikkelingen voor bebouwing niet leiden tot fysieke aantasting van het NNN-gebied. In de provincie Utrecht geldt geen externe werking voor het NNN. Ontwikkelingen buiten het NNN hoeven daarom niet te worden onderzocht op effecten binnen het NNN. Binnen het plangebied liggen echter delen van het NNN waar

30/49

Kenmerk

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

ontwikkeling van recreatie is voorzien. Hoewel dit niet leidt tot bebouwing of fysieke aantasting van het NNN, kan het wel tot een toename van verstoring leiden. Het is daarom alsnog noodzakelijk om aan het NNN te toetsen. Bovendien is aan te raden om ook op externe werking te toetsen van het NNN ook al is niet wettelijk verplicht. Dit geeft een beter beeld van alle mogelijke effecten op de natuur.

Figuur 4.13 NNN-gebied rondom plangebied (blauw omcirkeld) (Bron: Atlas Leefomgeving, 2022)

Figuur 4.14 NNN-gebied rondom plangebied (ingezoomd) (Bron: Atlas Leefomgeving, 2022)

Er kunnen als gevolg van de beoogde ontwikkeling namelijk nog wel effecten optreden door toename van stikstof, licht, recreatie, geluid en optische verstoring. Hier wordt in de navolgende paragraaf op in gegaan.

31/49

Kenmerk

•

R001-1301628AVG-V01-mdg-NL

Wettelijk gezien hoeft stikstofdepositie op NNN-gebieden niet onderzocht te worden. Het toevoegen van circa 2.000 woningen met een programma voor wonen en werken leidt tot extra verkeersbewegingen in het plangebied, zoals omschreven in paragraaf 4.1. Deze extra vervoersbewegingen leiden ook tot extra stikstofuitstoot. Stikstofdepositie kan nadelige effecten hebben op de omliggende NNN-gebieden rond het plangebied. Stikstofvervuiling leidt tot een toename van de groei van planten zoals bramen, brandnetels en gras, wat resulteert in overwoekering van andere planten en het verdwijnen van insecten, vlinders en vogels. Daarnaast veroorzaakt stikstof vergiftiging, vermesting en verzuring, waardoor vegetatie gevoeliger wordt voor droogte en ziekten. Bomen kunnen hun vitaliteit verliezen en worden vatbaarder voor schadelijke schimmels, bacteriën, virussen en insecten. Verder heeft stikstof

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15681837/1