RV25.041 Bijlage 1.7 Cultuurhistorisch onderzoek SteenhuisMeurs januari 2025
Tekst van het document
SteenhuisMeurs
Plan voor aanleg sportvelden, 1969. [RAZU toegang 144 inv. nr. 5334]
Wandelpark Het hoofdhuis werd voor sloop verkocht aan aannemer Meerdink uit Zeist, die het deels hergebruikte voor de bouw van villa Nieuw-Beerschoten.58 Op de plaats van de villa kwam in 1889 een opvallende koepel, ontworpen door C.B. Posthumus Meyes. Deze aanleg sloot goed aan
op de afspraak die ooit met de overburen was gemaakt (in een ‘servituut’) dat op Beerschoten ‘geen gebouwen, beplantingen of bepotingen zullen mogen worden daargesteld of aangelegd welke het uitzicht van de Rose Villa [op de plek waar nu Antropia staat] zou beletten of verhinderen’.59
53
Plan voor aanplant van laanbomen bij het hertenkamp, Gemeentelijke Plantsoendienst, 1970. [RAZU toegang 144, inv. nr. 5270] Volgende pagina: koepel van Beerschoten-Willinkshof vanaf de Hoofdstraat.
Sportterrein In de jaren vijftig wilde de gemeente Driebergen Beerschoten-Willinkshof als sportpark en kampeerterrein inrichten. Het testament van Willink werd erbij gepakt om te controleren of dit gebruik wel paste binnen de voorwaarden. De ambtelijke conclusie was dat recreatie in lijn met de bedoeling van de ‘legataris’ was, die immers de buitenplaats en het hertenkamp wilde bewaren. Een kampeerplaats zou geen afbreuk doen aan de recreatieve waarde van het gebied. Het is curieus dat in deze afweging een wandelpark op een buitenplaats werd vereenzelvigd met een sportpark.60 Veertig jaar na de dood van Willink ontstond het Utrechts Landschap met de doelstelling die Willink wellicht voor ogen had: het behouden en publiek toegankelijk maken van natuurgebieden en buitenplaatsen. De camping is er niet gekomen op Beerschoten-Willinkshof, het sportcomplex wel. Hockeyclub Shinty vond hier onderdak. Vanaf de jaren zestig bestaat het complex uit drie velden met clubhuis. Het geheel ligt verborgen in de groene schil van de verdwenen buitenplaats.
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
54
SteenhuisMeurs
55
Bloemenheuvel
Bouwtekeningen Bloemenheuvel 1925. [RAZU toegang 321, inv. nr. 1909
Tussen Beerschoten-Willinkshof en de afrit van rijksweg A12 staat de opvallende, klassieke buitenplaats Bloemenheuvel in een landschappelijke tuinaanleg. Aan de overkant van de Hoofdstraat is een overplaats: een weiland met een boerderij, die het huis vrij uitzicht op het Kromme Rijngebied bieden. Het initiatief voor de bouw van Bloemheuvel kwam van C.H. Cordes (1802 - 1869), die het perceel in 1843 pachtte van boer W. Dorrestein. De buitenplaats heette eerst Hoogerheide, maar werd na 1870 Bloemenheuvel genoemd, mogelijk als hommage aan de echtgenote van Cordes, Hendrika Bloemen (18111881). Cordes was rijk geworden als suikerfabrikant en bekleedde tussen 1847 en 1850 het burgemeestersambt van Driebergen-Rijsenburg.61 Het echtpaar verloor in 1865 hun oudste zoon Conrad, 27 jaar oud, die onderweg van Java naar Nederland aan boord van het schip Vauban was komen te overlijden.62
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
56
Bloemenheuvel, ca. 1945. [RAZU] Bloemenheuvel, 1919-1920. [WUR Prijscourant]
Na de dood van Cordes werd Sweris Knuttel (1828) in 1870 eigenaar van de buitenplaats, drie jaar later gevolgd door John Melvil (1804-1893) en zijn vrouw M.A. Willink (1812-1875). Melvil was directeur en later commissaris van de Nederlandsche Bank in Den Haag.63 Het echtpaar bracht de zomers door in Driebergen, zoals bleek uit een advertentie in 1874 waarin gezocht werd naar een kamenier, ’zomers buiten en ’s winters te ’s Hage, ervaren in het Kappen en opmaken der Wasch, van middelbare leeftijd, Pr. G. [protestantse godsdienst] en bereid op reis buiten ’s lands mede te gaan, wanneer gevorderd’.64 Melvil overleed op de Bloemenheuvel op 89-jarige leeftijd. Hierna had het huis verschillende andere bewoners. Marinus van Notten (1875-1968) breidde Bloemenhove in 1925 met twee zijvleugels uit. Met de aanleg van rijksweg A12 in 1947 werd de schuine bomenlaan naar het huis door de afrit doorkruist. De entree is sindsdien naar de grens met Beerschoten-Willinkshof verplaatst.
SteenhuisMeurs
57
Dennenoord / Rose Villa
Rose Villa in ca. 1920. [RAZU]
Buitenplaats Rose Villa kwam voort uit logement Dennenoord naast station Driebergen, dat op 23 mei 1844 open ging.65 Kort na het overlijden van kastelein C.A. Bakhuijsen in 1860 werd bekend dat de verhuurder, Jan Kol (1828-1898), er een particulier lustoord van wilde maken.66 Het huis werd verbouwd en op het landgoed verrees een koetshuis met hooizolder waarvan de negenjarige Jan Kol (1850-1919) in 1860 de eerste steen legde. Bij de openbare verkoop van de ‘onbeheerde’ boedel van Bakhuijsen ging de complete inventaris van de hand, inclusief piano, canapé’s, meubels, spiegels en schilderijen, ‘manskleeden’, tafel- en beddenlinnen, zilveren lepels en vorken, een partij 昀椀jne wijn, Frans porselein, glas- en aardewerk, koper, tin, blik, ijzer, paard en rijtuigen, tuigen, stal- en tuingereedschappen, ‘te veld staande aardappelen’ en stambonen.67 Insinger Kol veranderde de naam van Dennenoord in Rose Villa en ging er zelf wonen. Twee jaar later werd er een dochter geboren.68 In 1869 verkocht hij de buitenplaats van zeven hectare, met 13 kamers, een luxe inrichting met veel marmer en sierlijk behang, sier- en moestuinen met ‘perzikken-schutting, broeibakken, druivenkast’ en nog veel meer.69 Ondanks de landelijk stijgende prijzen van huizen en landerijen viel de opbrengst tegen. De verbouwing van Rose Villa in 1869 had ongeveer f. 70.000,- gekost, maar de verkoop leverde slechts f.
27.600,- op.70 Koper was J.H. Insinger (1794-1874) van Insinger & CO, een bank en handelshuis met grote belangen in Suriname.71 Na de dood van Insinger ging Rose Villa naar zijn kinderen, waarvan de zussen A.H. Insinger (1824-1910) en M.H.A. Insinger (1831-1916) in de villa trokken.
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
Na het overlijden van haar zus richtte M.H.A. Insinger in 1913 de nog steeds bestaande Insinger Stichting op, waarin de erfenissen van haar zus en later ook van zichzelf werden ondergebracht. Het doel van de stichting was om godsdienstige en liefdadige instellingen in Nederland en zijn koloniën te bevorderen.72 Het vermogen werd voornamelijk in vastgoed in Amsterdam en omgeving belegd. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de stichting niet had kunnen bestaan zonder pro昀椀jt
van slavernij en koloniale dwangarbeid.73 Na de dood van M.H.A. Insinger werd de inboedel van Rose Villa geveild, met onder meer een Japans gelakt scherm, een groot Deventer Smyrna vloertapijt, blauw en gekleurd porselein, een kristallen kaarsenkroon die geschikt was voor elektrisch licht, een marmeren beeld en zilveren compositiewerken.74 Ook de villa werd geveild.
58
Ontwerp van een druivenkast bij Rose Villa. [RAZU toegang 321, inv. nr. 1898]
Brandt In 1917 trokken nieuwe bewoners in Rose Villa: de bankier A.J. Brandt (1879-1971), zijn vrouw J.J. BrandtLuden (1883-1954) en hun drie kinderen. In 1919 werd een vierde kind geboren. Brandt werkte bij verschillende banken en 昀椀nanciële instellingen, voordat hij in 1923 directeur van de N.V. Maatschappij voor Textiel Ondernemingen werd. Deze maatschappij richtte zich op de internationale 昀椀nanciering van grondsto昀昀en voor de textielnijverheid. In de loop der jaren was het, afgaande op de vacatures in de kranten, een komen en gaan van personeel: linnenmeiskes, kameniers, (ongehuwde) huisknechten en werkmeisjes.75 De familie Brandt behoorde tot de vriendenkring van keizer Wilhelm II, die in 1920 op Huis Doorn was komen wonen. Bij het feest ter gelegenheid van de 70e verjaardag van de Keizer in 1929 logeerde de Duitse Prins en Prinses Friedrich von Hessen bij de familie Brandt op Rose Villa.76
SteenhuisMeurs
Brand Op 6 mei 1930 zag Brandt tijdens zijn gebruikelijke ochtendrit op zijn paard vanuit de Willinkshof rook uit zijn huis opstijgen. De Utrechtse kranten schreven nog dagen en tot in detail over de brand.77 Een defecte geiser op zolder was de oorzaak. De liftschacht werkte als een grote schoorsteen en wakkerde het vuur aan. Binnen de kortste keren stond Rose Villa in lichterlaaie. Na een kwartier arriveerde de motorspuit van Driebergen, een half uur later die van Zeist en weer een kwartier later die van Rijsenburg. Om kwart over negen maakte ook voormalig keizer Wilhelm II met de motorspuit van Huis Doorn zijn opwachting, maar toen was de brand al zo goed al onder controle. Omstanders en passagiers van een passerende bus waren te hulp geschoten om huisraad in veiligheid te brengen: schilderijen en oude prenten, oud porselein (‘oud blauw’), Louis XVI-meubels, een doornatte vleugel, een Deventer tapijt - dat wellicht aan de zussen Insinger had toebehoord -, kleden,
afgerukte wandarmen (wandlampen) en servies. Het tafelzilver werd in prullenmanden en etuis gestopt en over het balkon het natte gras in geworpen. Uit de plafonds van de eetkamer en de salons gutste een warme regen van bluswater. Op de dure parketvloer bleef het als een dikke laag lauw zeepwater liggen, waarin Perzische tapijten ronddobberden. De zolder ging geheel verloren, de tweede verdieping brandde uit. De rest van het huis had waterschade. Een keukenmeisje had 500 gulden op haar kamer, die was verbrand. De familie Brandt was evenwel goed verzekerd en werd door de keizer op huis Doorn opgevangen. Dagen later werd nog een oplichter in Zeist gearresteerd, die een verrekijker en andere dure spullen uit Rose Villa bij zich had.78 Het pand werd hersteld, in het voorjaar van 1931 kreeg stukadoor H. Schmidt uit Zeist opdracht om het interieur weer af te werken.79 Oorlog Net als de omringende buitenplaatsen werd ook Rose Villa in 1940 door de Duitsers gevorderd. Hier werd de SS ondergebracht. De familie Brandt vertrok naar Kasteel Moersbergen in Doorn, familiebezit van mevrouw Brandt-Luden.80 Vlak voor de bevrijding bombardeerden de geallieerden Rose Villa, in de veronderstelling dat zich er een generaal schuilhield. De villa ging verloren. Brandt kocht in 1946 de belendende buitenplaats De Reehorst en voegde beide landgoederen samen.
Een jaar later zullen ze zijn verhuisd, in mei 1947 werd nog een kamenier-linnenmeisje gezocht ‘voorlopig voor kasteel Moersbergen en later De Reehorst’.81 Tot hun dood bleven de echtelieden hier wonen.
59
De Reehorst
Familie Crommelin, waarschijnlijk op de Reehorst, 1900. [Crommelin.org]
Ten zuiden van Dennenoord was aan de Hoofdstraat de overplaats van Beerschoten met een hertenkamp. De grond achter de hertenkamp werd in 1900 gekocht door J.W.H. Crommelin (1844-1919), directeur van de Associatie-Cassa in Amsterdam. Met zijn vrouw, C.W. Wilkens (1847-1919) en vijf zonen woonde hij in een villa tegenover het Rijksmuseum in Amsterdam. De Reehorst werd hun buitenhuis, ontworpen door C.B. Posthumus Meyjes (1859-1922), die gelijktijdig opdracht had voor de nieuwbouw van het kantoor van de Associatie-Cassa aan de Herengracht. Aanleg Op het terrein gold een servituut (erfdienstbaarheid) dat bepaalde dat achter de hertenkamp geen bebouwing mocht komen die het zicht vanaf Beerschoten-Willinkshof zou verstoren. Het verklaart waarom de buitenplaats vanaf de Hoofdstraat gezien in de groenstructuur ligt verscholen. De Reehorst oogt moderner dan de koepel van Beerschoten-Willinkshof, die enkele jaren eerder door Posthumus Meyjes was ontworpen. In de villa ontbreken de klassieke ordes (met pilasters en lijsten). Wel werd het bouwvolume geleed met een middenrisaliet, dat is een verspringing in de voorgevel. Rond een relatief klein hoofdvolume was een groepering van lage volumes, zoals een veranda en tuinkamers. De Reehorst werd met dure materialen gebouwd en had een verzorgde detaillering.
De tuinaanleg werd beïnvloed door de positie van De Reehorst achter de hertenkamp, de erfdienstbaarheid aan Beerschoten-Willinkshof en de ligging in het rivierenlandschap. Rondom de villa is de landschappelijke aanleg van de hertenkamp doorgezet. Daarachter kwam een zone met kassen en moestuinen. De oprijlaan van De Reehorst liep langs de zuidzijde van het hertenkamp.
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
Bicker Na de dood van het echtpaar Crommelin kocht jonkheer P.H. Bicker (1866-1945) De Reehorst in 1919. Hij ging er wonen met zijn vrouw E. van Marwijk Kooy (18731923) en hun twee kinderen. Bicker was een koopman, geboren in Surabaya en een telg uit een Amsterdamse regentenfamilie. Zijn schoonvader was een van de oprichters van de Amstel brouwerij en eigenaar van Ma Retraite in Zeist. Zelf nam Bicker onder meer het initiatief
voor de oprichting van Brand-Assurantiemaatschappij Amsterdam in 1903, waar hij 1/8 van de aandelen bezat.82 Ook was hij commissaris van de Deli-Batavia Rubber Maatschappij te Amsterdam (1910).83 In 1911 nam hij met een compagnon hotel-restaurant De Roode Leeuw over, dat was gevestigd aan het Damrak in Amsterdam.84 Na de dood van zijn vrouw in 1923 hertrouwde Bicker met S.W.P. van Lennep (1892-1966). Uit dit huwelijk werd in 1929 een dochter geboren.
60
Ontwerp voor villa De Reehorst (1929) en een bloemenkas (1927). [RAZU toegang 321, inv. nr. 1903]
Orchideeën Bicker liet op De Reehorst een garage met chau昀昀eurswoning (1921), een orangerie (1927) en een bloemenkas (1927) bouwen. In 1929 volgde een verbouwing van het huis door de architecten Jan en Theo Stuivinga, waarbij de verdieping werd uitgebouwd. Dat Bicker zich persoonlijk met de kwekerij bezighield, bleek op de orchideeëntentoonstelling in het Koloniaal Instituut
SteenhuisMeurs
in Amsterdam in 1931. Hij gooide hoge ogen met ‘een keurig groepje uitnemend gekweekte, bijzonder mooie orchideeën (..), waaronder uitmunten een hooge Vanda tricolor met prachtige trossen van grillig gekleurde, zeer welriekende bloemen.’85 Ook De Reehorst werd in 1940 door de Duitsers gecon昀椀squeerd. Bij de bevrijding was het huis een
treurige bende. Enkele weken later overleed Bicker bij een ongeluk in Driebergen. Zijn weduwe wilde niet terug naar de Reehorst en verkocht het huis in 1946 aan haar oude buren, het echtpaar Brandt. Mevrouw BrandtLuden overleed in 1954 en Brandt zelf bleef tot zijn dood in augustus 1971 alleen op De Reehorst wonen, ondersteund door personeel.
61
De Reehorst, z.j. [Crommelin.org]
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
62
Structuurplan van de Vrije Hogeschool voor De Reehorst. Ontwerp: J.I. Riseeuw, Oosterbeek, 1972. [RAZU toegang 144, inv. nr. 1316]
Vrije Hogeschool Het echtpaar Brandt werd als eigenaar van De Reehorst opgevolgd door stichting Vrij Geestesleven van prof. Dr. B. J. Lievegoed (1905-1992). Hij richtte de Vrije Hogeschool op, die al in 1971 op het terrein een experimenteel jaar met 41 studenten startte. Ze konden na de middelbare school een eenjarige op antroposo昀椀sche leest geschoeide opleiding volgen om daarna elders hun studie te vervolgen. Ook andere instellingen met een antroposo昀椀sche achtergrond vestigden zich op De Reehorst, zoals het Louis Bolkinstituut. In 1972 stelde de stichting een structuurplan op dat voorzag in de bouw van studentenwoningen, een 昀氀ink auditorium, een mensa en een administratiegebouw.86 Het landgoed zou in een campus veranderen, maar de gemeente ging niet akkoord.87 Ze stelde dat het karakter van de buitenplaats leidend moest zijn en dat betekende: geen woningbouw en nieuwbouw met de maten van een gemiddeld landhuis. In die lijn werd in 1977 het opvallende Iona-gebouw gerealiseerd, op de plek van de verdwenen Rose Villa. Het ontwerp was van J. Risseeuw. Het oude koetshuis van Rose Villa werd verbouwd tot vormingscentrum.
SteenhuisMeurs
63
Masterplan 1996 In de jaren negentig werd een grondige reorganisatie van de instellingen op De Reehorst voorbereid. Het idee was om het landhuis en een te bouwen kantoorgebouw te verhuren aan de ‘markt’, om daarmee een gezonde exploitatie van het geheel te krijgen. Copijn Groenadviseurs stelde in 1996 een masterplan op met een opvallende ontwikkelingsas dwars over het terrein.88 Wanneer ooit kwekerij Abbing zou worden herontwikkeld, kon de as over de Odijkerweg worden doorgetrokken. Op De Reehorst verbond de as de nieuwe kantoren met het landhuis. Het koetshuis van Rose Villa en de omliggende gebouwen zouden worden vervangen door nieuwbouw voor de Vrije Hogeschool. Het Iona-gebouw kwam dan vrij om als congrescentrum te worden bestemd.
Ontwikkelingsvisie omgeving landgoed De Reehorst, Copijn Tuin- en Landschapsarchitecten, 1996. [RAZU toegang 144, inv. nr. 2014]
Landschapsplan 2005 Net als het Structuurplan 1972 ging ook het Masterplan 1996 van tafel. De ideeën gingen in afgeslankte vorm door. In 1997 verhuisde de Vrije Hogeschool naar het hoofdhuis van De Reehorst en veranderde het Ionagebouw in cultuur- en congrescentrum Antropia. Het plan om met kantoorbouw de exploitatie van het landgoed te verbeteren kreeg in een landschapsvisie uit 2005 van Kees Dam en Karina Hendriks een nieuwe invulling. Ze bedachten een ‘bosgebouw’ naast het station en een ‘groen kantoor’ achter de bestaande bebouwing aan de Odijkerweg.90 Het verschil met het masterplan van Copijn was dat nu de historische samenhang op
het landgoed beter werd gerespecteerd. Na een brand van het hoofdhuis in 2015 verhuisde de Vrije School naar landhuis Beek en Royen aan de 2e Dorpsstraat in hartje Zeist. De villa werd gerestaureerd en opende in 2018 als kantoorpand. Dat jaar verhuisde ook de Louis Bolkinstituut naar een snelweglocatie in Bunnik. Het boskantoor uit de Landschapsvisie werd het hoofdkantoor van de Triodos Bank, ontworpen door Thomas Rau (2019). Zo veranderde De Reehorst eerst van een buitenplaats in een antroposo昀椀sch onderzoeksen onderwijscentrum en vervolgens tot een landgoed met kantoren- en congresfaciliteit en een biologischdynamische zorgboerderij (De Wederkerigheid).
De gemeente Driebergen vroeg SVP architectuur en stedenbouw uit Amersfoort om een advies over dit masterplan. De kritiek van SVP was niet mals. De nieuwe as zou het landgoed opdelen en een barrière vormen op de overgang van het gesloten bosgebied naar het open rivierenlandschap. De landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden kwamen in het geding en er zo ook een ongewenste verkeersdruk op de Odijkerweg ontstaan. Als alternatief suggereerde SVP om eventuele kantoorbouw op het landgoed te koppelen aan het stationsgebied.89 Zo zou het prachtige overgangslandschap van gesloten bos naar open riviergebied gehandhaafd kunnen blijven.
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
64
'Ontmoeting in de overtuin', landschapsvisie Landgoed De Reehorst, Kees van Dam en Karina Hendriks, 2005.
SteenhuisMeurs
65
Kantoorgebouw van Triodos op landgoed De Reehorst.
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
66
SteenhuisMeurs
Oude landhuis De Reehorst. Antropia. Laadstation.
67
6. De fabrieken In de marge van het station ontstond tussen 1900 en 1950 een industriegebied, op grond van Zeist en van Driebergen. Door de nabijheid van de buitenplaatsen, met hun belangen en servituten, en het Kromme Rijngebied, met al vroeg onderkende natuur- en landschapswaarden, bleef de omvang van het industrieterrein bescheiden en beperkt tot de zone tussen de Rijnwijckse Wetering, De Reehorst, de Hoofdstraat en de knik in de Odijkerweg. De ontwikkeling begon aan de Zeister zijde van het spoor, aan weerszijden van de Odijkerweg. De belangrijkste fabrieken aan deze zijde waren de Zeister Machinefabriek en de vanwege zijn stank ‘beruchte’ vleeswaren- en baconfabriek Gevato. In de jaren vijftig ontwikkelde Driebergen een bescheiden industriegebied aan de Stationsweg, dat doorliep langs de Odijkerweg.
Het stationsgebied 1940-1950. [Lanoy Meijer, 2008, p. 24]
c
a b d
f
e h g
i
a b c d e f g h i
Woud en Bergoord logement Dennenoord / Villa Rosa woning familie Prince (Princenhof) Exportslachterij en Vleeschwarenfabriek Gevato Machinefabriek W. van den Broek voormalige Zeister Machinefabriek Machinefabriek C.W. Aben latere locatie Gevato Exportafdeling ‘昀椀nishing 昀椀jne vleeswaren’ latere locatie Nederlandse Drogisterij Centrale
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
68
Zeister machinefabriek In de schuur van boerderij Het Groote Loo aan de Odijkerweg werd in 1899 de Zeister Machinefabriek gevestigd. Het doel van de onderneming was de verkoop van stoom- en elektrische werktuigen, het aanleggen van elektrische installaties en het inrichten van fabrieken.91 Het bedrijf legde zich toe op de ontwikkeling van gasfabrieken. Binnen tien jaar na de oprichting verrees een gebouwencomplex aan de overzijde van de Odijkerweg, bestaande uit fabriekshallen, een smederij, ketelhuis, montagehal, kantoor en een buurtje met arbeiderswoningen. De fabrieksgebouwen hadden een ijzeren constructie en wanden van baksteen, plaatijzer en glas, met een dakbedekking van asfalt en kiezel.92 Het kantoor, dat voor een van de fabriekshallen stond, was sierlijk uitgevoerd met lijsten, een decoratieve gootlijn en een poort, waardoor een fabrieksspoor de fabriek in liep. In 1906 werkten er 47 arbeiders.93 Nog vóór 1909 nam het Duitse concern BamagDidier de fabriek over.94 Bamag stond voor ‘Berlin-
SteenhuisMeurs
A昀케che Zeister Machinefabriek. [GAZ toegang 1025 inv. nr. 927] Plan voor poortgebouw Zeister Machinefabriek, 1905. [GAZ toegang 1023 inv. nr. 2] Volgende pagina: Collage van foto's van de Zeister Machinefabriek, 1915. [HUA]
Anhaltische Maschinenbau A.G.’ en Didier heette ook wel de ‘Stettiner Charnottefabrik A.G.’ Het Technisch Adviesbureau van Bamag-Didier, dat al een vestiging in Den Haag had, kreeg er een 昀椀liaal in Zeist bij. Het was de projectorganisatie voor machinebouw en transportinrichtingen van dit Duitse bedrijf in Nederland en haar koloniën.95 Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog werd er kritisch geschreven over de link met Duitsland, omdat het gevaar bestond dat eventuele strafmaatregelen tegen Duitsland ook bedrijven als de Zeister Machinefabriek zouden tre昀昀en.96 De fabriek sloot in 1928 haar poorten, twee jaar later opende BamagDidier in Geldermalsen een ovenfabriek, gespecialiseerd in gasfabrieken, vuilverbranding en crematoria. De overbodig geworden gebouwen in Zeist huisvestten achtereenvolgens chemische lederver昀昀abriek De Admiraal, T. Hartog’s rijwielfabriek (vanaf 1932), NV Torpedo kantoormachinefabriek (in 1943, in 1949 overgenomen door Remington Rand), groothandels en een autodealer.
69
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
70
Gevato vanuit de lucht. [Lanoy Meijer, 2008, en RAZU]
Gevato In de driehoek tussen de Odijkerweg, de Driebergseweg en het spoor opende exportslachterij Jac Vos uit Amersfoort in 1935 een vleeswaren- en baconfabriek. Om tegemoet te komen aan bezwaren tegen de lozing van afvalwater op de Rijnwijckse Wetering bouwde hij in 1936 tussen de fabriekshal van de voormalige Zeister Machinefabriek en het spoor een zuiveringsinstallatie, ontworpen door huisarchitect H.A. Pothoven uit Amersfoort.97 Na een faillissement in 1936 werd het bedrijf overgenomen door drie Gebroeders Van Toorn uit Rotterdam, wat afgekort de naam Gevato opleverde. Het bedrijf kende een turbulente geschiedenis. Na de oorlog werd het als vijandig vermogen door de staat toegeëigend, de oude eigenaar Vos keerde als beheerder terug, tot Jan van Toorn de fabriek onder gunstige voorwaarden terugkocht in 1948. Er volgde een grote uitbreiding in 1950, waarmee de driehoekige locatie helemaal vol was. Van Toorn kwam door speculatie in problemen, waarop de fabriek in 1953 overging naar de NV De Nieuwe Vleescombinatie van Gerrit van Toorn. Een volgende directeur, J. Köhnen, tevens grootaandeelhouder, werd wegens grove malversaties in 1965 ontslagen.98 Hierna kwam eerst een Engelse en vervolgens een Deense eigenaar, die toegang tot de Europese Economische Unie zocht. Voor de vestiging in Driebergen was minder oog, in 1970 werd ontslag voor alle 398 werknemers aangevraagd.
Met 1,75 miljoen euro overheidssteun kon het personeel het bedrijf in 1977 overnemen. Het bedrijf kreeg de naam Perco, een afkorting van personeelscombinatie.99 Een derde van de werkgelegenheid bleef behouden maar het liep niet
SteenhuisMeurs
71
Fragment Uitbreidingsplan Driebergen, Architectenbureau W. de Bruijn en ir. J.B. baron van Asbeck, Utrecht, 1950. [HUA toegang 1201, inv. nr. 3924]
goed af. Na overname van Perco door vleesverwerker Smilde uit Heerenveen werd het bedrijf in 1982 voorgoed gesloten. Het complex werd in 1983 gesloopt en herontwikkeld. Industrieterrein Driebergen liet eind jaren veertig voor de hele gemeente een uitbreidingsplan opstellen door architectenbureau W. de Bruijn en ir. J.B. baron van Asbeck uit Utrecht. Het werd in 1950 goedgekeurd door de provincie, met uitzondering van de verkeersoplossing. In het bestemmingsplan werd de industrie geconcentreerd bij het station. Er was een bescheiden terrein beschikbaar aan de Stationsweg en het begin van de Odijkerweg. A.J. Brandt, de eigenaar van De Reehorst, diende tevergeefs een bezwaarschrift in, omdat hij meende dat industrie de natuurwaarden zou aantasten en waardevolle cultuurgrond verloren ging.100 In de jaren vijftig vestigden zich twee machinefabrieken op het industrieterrein: W. van den Broek en C.W. Aben, alsmede de Nederlandse Drogistencentrale.
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
72
Fabrieksgebouw C.W. Aben, getekend in 1954. [RAZU toegang 321, inv. nr. 3047] Hoofdgebouw van de Ned. Drog. Centrale, 1957. [RAZU toegang 312, inv. nr. 3050]
Van den Broek Machinefabriek Van den Broek stond iets voorbij het station aan de overkant van de Stationsweg, tegen De Reehorst aan. Het bedrijf vestigde zich hier in 1952. Aan de weg waren twee kleine bouwvolumes, met daarin drie dienstwoningen en een kantoor. Architect D. Stuurman uit Gouda voorzag ze van grote kappen, pannendaken en klassieke schoorstenen.101 Erachter ontwierp hij de fabriek, op de tweede lijn. Deze bestond uit twee
loodsen op een langwerpig grondplan. In de loop der jaren werden hier nog verschillende loodsen tegenaan gebouwd. Aan de straat breidde het kantoor uit, ten koste van de woning in dit blok. Er kwam wel een blokje met twee woningen bij. Van den Broek produceerde onder meer grasdrooginstallaties, maar was in de jaren tachtig gedwongen 30 van de 100 medewerkers te ontslaan, door een stagnerende markt van landbouwmachines.102
Aben De fabriek van C.W. Aben vestigde zich om de hoek, aan de Odijkerweg. J.J van Leeuwen ontwierp de fabriek in 1954.103 Het pand zat als een basiliek in elkaar, met een hoge middenbeuk en twee lagere zijbeuken. Haaks op de fabriekshallen stond er het kantoor voor. De gevels waren van baksteen, met ramen en details die kenmerkend voor de wederopbouwperiode zijn. Kort na de bouw werd het pand vergroot met een verdieping op een zijbeuk. Aben specialiseerde zich in transportinstallaties, spuitapparaten en machinebouw. Door een overname uit de failliete boedel van Arma uit Soesterberg kwam daar in 1974 warmtetechniek bij: gasbranders, ovens en verwarmingsapparaten, zoals wisselverwarming.104 Aben fuseerde in 1986 met Sinus uit Zeist en deze combinatie richtte zich volledig op warmtetechnologie. Het bedrijf verhuisde naar een nieuwe vestiging achter de voormalige Zeister Machinefabriek aan de Kwekerijweg 6 en is later uit de regio vertrokken. Nederlandse Drogistencentrale Het perceel ten zuiden van de fabriek van Aben werd in 1957 ontwikkeld door de Coöperatieve Inkoopvereeniging voor Drogisten tot een kantoor en distributiecentrum.
Het ontwerp van architecten Van Donkelaar, Bodegraven en Vroman heeft dezelfde typologie als de Zeister Machinefabriek en Aben: een representatief kantoorvolume van twee bouwlagen aan de straat, met daarachter een diep doorlopende hal, in dit geval voorzien van een gebogen schaaldak.105 In 1975 waren de drogisten vertrokken en werd het pand verbouwd tot een bedrijfsgebouw.
SteenhuisMeurs
73
Gevato aan de Hoofdstraat, ca. 1970. [HUA]
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
74
Inventarisatie natuurlijke gegevens, horende bij bestemmingsplan Bornia e.o., 1973. [RAZU toegang 144, inv. nr. 2010]
Bestemmingsplan Bornia e.o., 1973. [RAZU toegang 144, inv. nr. 2010]
Bestemmingsplan 1975 Bij herziening van het bestemmingsplan voor Bornia en omgeving, waar het industriegebied deel van uitmaakte, koos de gemeente Driebergen ervoor om de industrie bij het station te consolideren. Uitbreiding was taboe en alleen reeds aanwezige bedrijfscategorieën werden toegelaten.106 In feite leidde dit het verdwijnen van de fabrieken, omdat er geen ruimte was voor uitbreiding, transformatie of vernieuwing - in een periode waarin de industrie een dynamische ontwikkeling doormaakte met schaalvergroting, fusies en (later) de verplaatsing van productie naar het buitenland. De fabrieken rondom station Driebergen-Zeist verdwenen een voor een. De gebouwen van Gevato, Van den Broek, Aben en de Drogistencentrale bestaan allang niet meer. De locaties werden herontwikkeld tot kantoren (daarover later meer). Alleen het transformatorhuisje bij de fabriek van Aben staat nog 昀椀er aan de Odijkerweg. Het ensemble van de Zeister Machinefabriek bleef wonderwel bewaard, inclusief de arbeiderswoningen. Wel is de ver昀椀jning van het oude kantoor verdwenen achter een strak gesauste voorgevel.
industrieterrein buitenplaatsen en gebied van landschappelijke waarde hockeyvelden
SteenhuisMeurs
75
7. Arbeiders en tuinders
Odijkerweg, ca. 1900-1920. [RAZU]
In het voorafgaande kwam de Odijkerweg al geregeld aan de orde, als een van de zijden van de driehoek die verder wordt gevormd door de spoorlijn en de Hoofdstraat. De Odijkerweg is een van de oudste wegen in het gebied, in de middeleeuwen aangelegd als verbinding van Odijk met de boven- en benedenweg. De weg is de historische grens tussen Driebergen en Zeist, terwijl hij zelf bij Odijk hoorde, inclusief de tegenwoordige Breullaan. Pas rond 1825 ging het eigendom over naar de gemeente Zeist. De zandweg kreeg een upgrade tot grindweg in 1853, waarna tol werd geheven. Ergens in die tijd veranderde de Odijkersteeg in Odijkerweg, hoewel beide namen nog jaren door elkaar voorkwamen. Een Commissie van Administratie over de Odijkersteeg, bemand door notabelen uit de gemeente, was verantwoordelijk voor de tolhe昀케ng, het onderhoud en het verlengen van het tolrecht, waar toestemming van de koning voor nodig was. Ook toen al werd het werk grotendeels uitbesteed. Zo werd de ‘tolboom’ (het tolpunt) verpacht. De pachter betaalde in 1879 f. 371,- om een jaar lang tol te mogen he昀昀en. De winst mocht hij houden en de commissie was verzekerd van vaste inkomsten. Wanneer de uitgaven van de commissie deze inkomsten overtro昀昀en, vroeg zij subsidie aan bij de gemeente Zeist of Odijk.
In 1919 stelde de commissie voor om het beheer van de weg aan de gemeentes Zeist en Odijk over te dragen en de tol af te scha昀昀en. Zeist stemde in, maar Odijk wilde de lasten aanvankelijk niet dragen. Pas op 1 januari 1924 was Odijk akkoord en vond de overdracht plaats.
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
76
Verbouwing van stal tot rijtje woningne door Gevato, Odijkerweg 100-106. [GAZ]
Fabrieksbuurt Met de aanleg van het spoor kwam er een overweg in de Odijkerweg. Langs het kleine stukje weg ten noorden van het spoor ontstond, zoals hiervoor werd beschreven, een fabrieksbuurt, met de Zeister Machinefabriek en Gevato. Ten zuiden van de overweg liep de Odijkerweg ongeveer 250 meter rechtdoor, om dan met een scherpe bocht naar rechts en wat slingers verder te gaan richting Kromme Rijn. Vanaf 1900 ontstond er aan de Zeister kant van de weg lintbebouwing die tot in de scherpe bocht liep. Aan de Driebergse kant duurde het tot na de oorlog eer er fabrieken en bedrijven werden gebouwd. Lintbebouwing Van het Zeister bebouwingslint tussen de overweg en de bocht in de Odijkerweg was nog niets te zien op de kadastrale kaart van 1832. Er stonden twee boerderijen
SteenhuisMeurs
bij de plek waar twaalf jaar later het station zou komen en verderop aan de Odijkersteeg, voorbij de bocht, waren drie kleine huisjes in het open veld. Tot aan de Kromme Rijn was alles (grond en gebouwen) in Zeist eigendom van grootgrondbezitter Jan Kol en alles in Driebergen behoorde aan landbouwer Willem Hendrikse Woudenberg. Het latere bebouwingslint ontstond op de rand van twee grote kavels die in 1832 nog volledig onbebouwd waren. Rond 1900 was het eigendom van deze kavels niet meer in dezelfde een hand. Ze werden op een verschillende manier ontwikkeld. Arbeiderswoningen Van het noordelijke kavel, dat aan de spoorlijn grensde, werden rond 1900 langs de Odijkerweg percelen afgesplitst en verkocht. Inwoners van Zeist bouwden er arbeiderswoningen als belegging, meestal twee-onder-
een-kap met een mansardedak. In de tuinen was volop ruimte voor moestuinen en schuurtjes. Geregeld werd een plantenkas, varkensstal of schuur bijgebouwd. Op de hoek bij het spoor was een café, even verderop een bakker. In de jaren dertig kocht de vleesfabriek Gevato een aantal van deze huizen en bouwde schuren en stallen voor slachtvee op de achtererven. De arbeiderswoningen bleven gewoon staan. Kort na de Tweede Wereldoorlog werden enkele stallen verbouwd tot woonblokjes met drie of vier woningen elk. Het verklaart de compacte verkaveling, met zijstraatjes en een wirwar van woningen en schuren. Door verdere bouwactiviteiten, zoals het toevoegen van een uitbouw of dakkapel, sloopnieuwbouw en het bouwen van extra woningen tussen de bestaande in, ontstond een compact woongebied.
77
Odijkerweg 100-106.
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
Odijkerweg 136. Odijkerweg 122. Volgende pagina: Odijkerweg 110-126.
78
SteenhuisMeurs
79
De oude kwekerij, z.j. [Abbing.nl]
Het lint van Abbing De zuidelijke kavel, die zich uitstrekte tot voorbij de bocht in de Odijkerweg, werd in of kort vóór 1904 gekocht door kweker Jan Abbing (1843-1929). Als 50-jarige was hij in 1892 in De Bilt een eigen kwekerij begonnen, die hij aan de Odijkerweg voortzette. De menging van zand en klei op de overgang van de Utrechtse Heuvelrug naar het Kromme Rijngebied leverde een vruchtbare bodem op voor het kweken van struiken en bomen.107 Op een hoek van de kavel liet Abbing in 1906 een woonhuis bouwen, dat aansloot op het bestaande lint met bebouwing vanaf de spoorlijn. Het pand kreeg een gepleisterde gevel en een schilddak (Odijkerweg 128). Ernaast was de ingang van de kwekerij, die terug lag ten opzichte van de Odijkerweg. Hier verrees een cluster van bedrijfsbebouwing, dat door de jaren werd uitgebreid en gemoderniseerd. Het begon met een schuur (1906), gevolgd door een hooiberg met stallen en een schuur (1907), een plantenkas (1911), een wagenschuur, een schuur (1915), nog een schuur (1919), een houten tent (prieel, 1923) en zo ging het verder tot de nieuwbouw van Abbing Buitenhof in 2022. Naast en achter de centrale gebouwen was een structuur van evenwijdige paden, met daartussen stroken met bomen en planten. Aan de voorzijde stonden broeikassen in lange rijen opgesteld.
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
80
Woonhuis Abbing, Odijkerweg 128, met ingang kwekerij en daaronder een overzicht van de kwekerij. Prijscourant Abbing, 1908-1909. [WUR]
De 昀椀rma Abbing specialiseerde zich in het kweken, het ontwerp en de aanleg van tuinen, parken, rozentuinen en boomgaarden. Het bedrijf lag al op een zichtlocatie, lang voordat dit woord bestond. Voor treinreizigers vanuit Utrecht vormde het gra昀椀sche beeld van de kwekerij een aankondiging van station Driebergen. Vanaf de Rijksstraatweg viel de modeltuin op, die prominent in beeld lag. Met de aankoop van omliggende kavels en woningen breidde Abbing zich gestaag uit tot een oppervlakte van 24 hectare aan weerszijden van de spoorlijn. Langs de Odijkerweg kocht en bouwde Abbing tien woningen voor de familie en het personeel, doorgaans met forse (moes)tuinen (nummer 128-146). Voor de familie ontwierp J. Odinot in 1911 een villa met serre (Odijkerweg 136). Voor de oorlog werd ook gewerkt met architecten H.E. van Amerongen en G. Wannemann, na de oorlog met H. Würdemann en J. de Wit. Het interne vervoer op de kwekerij begon met pakezels, die later werden vervangen door smalspoor met lorries. Luchtfoto’s van de Engelse luchtmacht (RAF) uit de Tweede Wereldoorlog laten zien hoe de kwekerij zich tot de Rijnwijckse Wetering uitstrekte. In de naoorlogse periode begon een proces van verdergaande specialisatie, waarbij steeds meer planten en bomen van gespecialiseerde kwekers werden ingekocht.
In de tuinmarkt werden planten rechtstreeks aan consumenten verkocht, waarmee naast het ontwerp en de aanleg van tuinen een nieuwe markt werd aangeboord. Dit proces leidde enerzijds tot de bouw van de hypermoderne, duurzame buitenhof en anderzijds tot inkrimping van de eigen kwekerij.
SteenhuisMeurs
81
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
Bouwtekeningen hooiberg met stallen en een schuur nabij station, 1907. [GAZ]
82
Smalspoor door kwekerij Abbing, z.j. [Abbing]
SteenhuisMeurs
Smalspoor voor de loods van kwekerij Abbing, z.j. [Abbing]
83
Personeel voor de oude kas van kwekerij Abbing, z.j. [Abbing]
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
84
Bouwtekeningen voor een broeikas annex potterie en kantine voor de kwerkers昀椀rma J. Abbing en Zonen. Ontwerp: H. Würdemann, Driebergen, 1967. [GAZ]
SteenhuisMeurs
85
Situatie tuinmarkt Abbing, 1967. [GAZ]
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
Situatie tuinmarkt Abbing, ca. 1990. [GAZ]
86
Ontwerpplan plantenmarkt. Ontwerp: Abbing, 1979. [GAZ]
SteenhuisMeurs
87
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
Luchtfoto 1988. [RAZU]
88
Kwekerij Abbing.
SteenhuisMeurs
89
Kwekerij Abbing nu. Links vanuit de lucht door Breddels Architecten.
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
90
Odijkerweg 33.
De Driebergse zijde Tegenover het Zeister bebouwingslint langs de Odijkerweg, op grond van de gemeente Driebergen, waren aan de kant van het station fabrieken en later kantoren. Het bouwplan voor laatste complex, bestemd voor Van Gendt & Loos en nu in gebruik door de Landelijke Politie, leidde in 1992 tot een bezwaarschrift van de gemeente Zeist vanwege de aantasting van groene en landschappelijke kwaliteit (zie hoofdstuk kantoren). Ter plaatse van dit complex maakt de Odijkerweg een scherpe bocht en opent zich het landschap. Precies in de zichtlijn over landgoed De Reehorst is hier in 2019 een industrieel dak met zonnepanelen voor een laadstation aangelegd. Iets verderop aan de Odijkerweg staat een landhuis en een boerderij, beiden gebouwd voor C. van Dijke. Het landhuis werd in 1934 ontworpen door architect Jan van Leeuwen (Odijkerweg 31) en de boerderij, die iets terug van de weg ligt, is een ontwerp uit 1932 van J.J. Streefkerk uit Loosdrecht (Odijkerweg 33). Aan de Odijkerweg staan richting snelweg en Kromme Rijn op geruime afstand van elkaar enkele woningen en bedrijven in het open landschap.
SteenhuisMeurs
91
File op de Driebergseweg, 1960. [GAZ]
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
92
8. Het nieuwe station (1962)
In de jaren vijftig groeide station Driebergen uit zijn jasje. Het oude gebouw was krap en bouwvallig, de perrons waren te kort en het aantal reizigers was sterk toegenomen doordat Zeist en Driebergen zich ontwikkelden tot forensendorpen. De overweg in de Hoofdstraat werd een verkeersfuik, met langdurig
SteenhuisMeurs
Impressie van het nieuwe station Driebergen-Zeist 1962. [RAZU toegang 485, inv. nr. 25a]
oponthoud tot gevolg. Het leidde tot nieuwbouw van het station en herinrichting van de stationsomgeving. In 1960 werd een voetgangerstunnel onder de sporen aangelegd, met een entreegebouw aan de noordzijde. Het plein ter plekke van het oude logement Woud en Bergoord diende al als parkeerterrein, bushalte en rijwielstalling.
93
Ontwerp stationspleinen Driebergen-Zeist 1983. [RAZU toegang 144, inv. nr. 4348]
Ontwerp stationspleinen Driebergen-Zeist 1962. [RAZU toegang 144, inv. nr. 4348]
Van der Gaast Het station werd in 1961-62 gesloopt en vervangen door nieuwbouw, ontworpen door spoorbouwmeester Koen van der Gaast. Het werd een modern, transparant en langgerekt gebouw, met een opvallende klokkentoren. Binnenin was een wachtruimte, kaartverkoop, een stationsrestauratie en kantoren. Door de aankoop van alweer een 昀氀inke strook grond van Rose Villa (inmiddels onderdeel van De Reehorst) kwam er een ruimer voorplein met bushalte en parkeerplaatsen voor het station. Het oude seinhuis werd in 1971 gesloopt om de spoorwegovergang te verbreden. Het plan om het curieuze gebouwtje naar het Spoorwegmuseum te verplaatsen mislukte.108 Goederenvervoer Met de vernieuwing van het stationsgebied ontstond een knooppunt van personenvervoer, waarin auto-, trein-, bus- en 昀椀etsverkeer op een beperkt oppervlak e昀케ciënt werd afgewikkeld. Het goederenvervoer concentreerde zich langs een laad- en losstraat tussen het station en de Odijkerweg. Er lagen hier twee goederensporen met een losperron, voornamelijk in gebruik voor het lossen van kolen.109 Ook aan de noordzijde van het station waren goederensporen. Ze takten voorbij de overweg in de Hoofdstraat van de spoorbaan af en liepen aan weerszijden van het noordelijke toegangsgebouw naar het terrein van de vleesfabriek en de (huidige) Kwekerijweg. Door de transformatie van fabrieken naar kantoren in de
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
jaren tachtig verdween het goederenvervoer (grotendeels) van station Driebergen. Aan de zuidzijde van het spoor rukte het parkeren op. Tussen het station en de Odijkerweg kwam een 昀椀etsenstalling voor meer dan 500 昀椀etsen. Voorbij de Odijkerweg kon in 1983 naast het spoor een P&R terrein met 198 plaatsen worden aangelegd. Bij latere ingrepen aan de pleinen ten noorden en ten zuiden van het station werd de parkeerruimte gemaximaliseerd. Bussen konden voor het station en aan de noordzijde bij de Hoofdstraat halt houden.
94
Het nieuwe station in 1962. [RAZU toegang 485, inv. nr. 178]
SteenhuisMeurs
95
Het nieuwe station in 1962. [RAZU toegang 485, inv. nr. 178]
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
96
Het nieuwe station in 1962. [RAZU toegang 485, inv. nr. 178]
SteenhuisMeurs
97
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
98
9. De kantoren Het conserverende bestemmingplan Bornia uit 1975 verloor binnen tien jaar zijn relevantie voor het industrieterrein. Zo waren de gebouwen van de vleesfabriek in 1983 gesloopt, maar bleef de bestemming onverminderd ‘vleesverwerkende industrie’. Aan de Stationsweg kwam een terrein vrij voor herontwikkeling, maar de bestemming ‘metaalconstructiebedrijf’ was een belemmering. De kavel was daar niet (meer) voor geschikt. Het was tijd voor een herziening van het bestemmingsplan, waarbij de vraag was welke functies voor de industrie in de plaats konden komen. Als nieuwe opties werd door de gemeente gedacht aan bedrijvigheid met een lokaal belang.110 In de praktijk kwam het er op neer dat fabrieken of distributiehallen plaatsmaakten voor kantoren. Op basis van het aangepaste bestemmingsplan uit 1988 werden nieuwe kantoren gebouwd op de vrijgekomen locaties van Gevato, de machinefabrieken en de Nederlandse Drogistencentrale. Princenhof Park De laatste eigenaar van de vleeswarenfabriek was Gebroeders Smilde uit Hoogeveen. Zij gaf na de sloop van de fabriek opdracht aan architectenbureau Van Overhagen uit Utrecht om samen met de gemeente te onderzoeken welke nieuwbouwmogelijkheden er waren. Al snel was duidelijk wat niet kon: woningen, winkels en grootschaligheid. De eerste studie liet een groot kantoorcomplex zien.
Het was uit kleinere eenheden opgebouwd, in de geest van het structuralisme van tien jaar eerder. De gemeente vond het plan te groot en te hoog voor de plek.111 Destijds was het niet gebruikelijk om ‘contextueel’ te bouwen. Architecten focusten zich
SteenhuisMeurs
volkomen op functionele programma’s van eisen, zonder oog voor de kenmerken en kwaliteiten van de plek. Daar werd hier juist wel om gevraagd. P. Ubbels van Openbare Werken, gemeente Driebergen, verwoordde het in 1984 heel duidelijk: a) vanuit landschappelijke overwegingen is doorzicht vanaf de Hoofdstraat tussen de kantoorvilla’s wenselijk (coulissene昀昀ect), b) belangrijk is om de ontwikkeling goed in het groen in de pakken, om geparkeerd blik te camou昀氀eren en ‘het steenklompe昀昀ect’ te vermijden, zoals bij Gevato het geval was, en c) de gebouwen aan de Hoofdstraat dienen de allure van de Stichtse Lustwarande te hebben.112 De studies en schetsen van Van Overhagen laten zijn beste bedoelingen zien om de logica van de Lustwarande te volgen, maar ook zijn worsteling om het complex in zijn omgeving in te bedden.113 Als tussenstap werd OD205, een gerenommeerd Delftse architectenbureau, bij de plantontwikkeling betrokken. Het bureau schetste hoe elke zijde van de driehoekige locatie een andere sfeer en eigen ruimtelijke logica kende. De Hoofdstraat had allure en hoge bomen, het was de sfeer van de lustwarande. De Odijkerweg kende een landelijke sfeer, met wonen en bedrijven. En bij het spoor was de levendigheid van het station.
Volgens OD205 vroeg deze situatie om duidelijkheid van het te ontwikkelen complex, zoals een villa-achtige opzet in het groen, doorzicht vanaf de Hoofdstraat en een langwerpig volume aan de Odijkerweg of langs het spoor. In het verlengde van deze suggestie ontwikkelde Van Overhagen enkele varianten met kantoorvilla’s langs de Hoofdstraat en een groter Iof L-vormig kantoorgebouw langs de Odijkerweg of het
Vorige pagina: Princenhof Park.
spoor. De kantoorvilla’s waren opgezet als ‘historische’ landhuizen, die op allerlei manieren werden bewerkt – met grote glasstroken, transparante kappen, moderne bouwconstructies etc. De architect wilde overduidelijk geen imitatie buitenplaats, maar zocht een eigentijdse interpretatie en uitwerking van een historisch gebouwtype. Geen enkel ontwerp van Van Overhagen haalde de eindstreep, omdat de locatie in 1986 van eigenaar wisselde. De nieuwe eigenaar, Cunera Beleggingsmij uit Huizen, kwam met een andere architect, H.A. Abbas uit Westerbroek, die alle variantenstudies nog eens overdeed. Het verschil was dat ditmaal alle gebouwen net een maatje forser en grover werden. Van buiten bleef de moderne interpretatie van het landhuis het thema, maar binnenin ontstonden vrij indeelbare kantoorverdiepingen rondom een kern met de stijgpunten. Uiteindelijk werden de ontwerpen wat verkleind, zodat er meer buitenruimte overbleef. Landschapsarchitect Pieter van Loon ontwierp parkeerterreinen rondom de gebouwen, in combinatie met bomen. In 1988 kon een bouwvergunning worden aangevraagd. Ondertussen was het terrein overgenomen door J.G. Visser Beleggingen uit Leeuwarden. Het kantorencomplex werd Princenhof Park gedoopt. De naam was afkomstig van het woonhuis op Hoofdstraat 1, aan de overzijde van de Hoofdweg, op de hoek van de Breullaan.
Rond 1910 woonde hier de familie Prince, die leefde van de handel in zelfgemaakte briketten.114 Het huis kreeg de naam Princenhof en bestaat nog steeds als pannenkoekenhuis. Op het Princenhof Park was jarenlang het hoofdkantoor van Staatsbosbeheer gevestigd.
99
Schetsen voor nieuwbouw Princenhof op Gevato-terrein. Ontwerp: Architectenbureau van Overhagen, Utrecht, 19831984. [RAZU toegang 144 inv. nr. 2124]
Stationsomgeving Driebergen-Zeist
Schetsen voor nieuwbouw Princenhof op Gevato-terrein. Ontwerp: OD 205, Delft, Utrecht, 1983-1984. [RAZU toegang 144 inv. nr. 2124]
100