CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

RV25.041 Bijlage 1.7 Cultuurhistorisch onderzoek SteenhuisMeurs januari 2025

Raad 16 oktober 2025, gemeente ZeistBij agendapunt: Gebiedsvisie Driebergen-Zeist16.487 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Stationsomgeving Driebergen-Zeist Cultuurhistorisch onderzoek 550|2025

januari 2025

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

2

Inhoudsopgave Inleiding

5

Historische context 1. De vorming van het landschap 2. Vroege bewoning 3. De ontginning 4. De Rijnspoorweg 5. De buitenplaatsen 6. De fabrieken 7. Arbeiders en tuinders 8. Het nieuwe station (1962) 9. De kantoren 10. De OV-knoop

8 9 14 16 21 31 68 76 93 99 107

Waardering Kernwaarden Cultuurhistorische waardering Landschappelijke waarde Stedenbouwkundige en ensemblewaarde Architectonische waarde Associatieve waarde

111 112 117 118 121 125 126

Aanbevelingen

129

Literatuur Eindnoten

131 132

Colofon

135

SteenhuisMeurs

De gradiëntzone tussen de zand- en kleigebieden. [Asman & Tjallingii, 1974, P. 38]

3

De Stichtse Lustwarande van De Bilt tot Rhenen. [Provincie Utrecht, 'De Utrechtse Buitenplaatsbiotoop', 2014]

Zeist

Utrechtse Heuvelrug

Driebergen

Doorn

Kromme Rijngebied

Leersum

Amerongen

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

4

 

Inleiding Het stationsgebied Driebergen-Zeist ligt in een landschappelijk en cultuurhistorisch interessante en waardevolle omgeving. Hier ontmoet het Kromme Rijngebied de Utrechtse Heuvelrug en is een van de fraaiste delen van de Stichtse Lustwarande. Het lint van buitenplaatsen ligt aan een oude route vanuit Utrecht die al in de tiende eeuw bestond. Ook de Odijkerweg dateert uit de middeleeuwen en heette toen de ‘Odycker Steegh’. Vlakbij station Driebergen-Zeist zijn restanten van het oude bisschoppelijk domein Weerdorp gevonden. De natte broeklanden in het rivierengebied van de Kromme Rijn werden in de elfde eeuw ontgonnen voor de landbouw. Hier was eeuwenlang de buitenplaats Rijnwijk, waarvan de omgrachting en oprijlaan bewaard bleven. In de negentiende eeuw werd de Utrechtse Heuvelrug doorsneden en ontsloten door de spoorlijn UtrechtArnhem. De aanwezigheid van het station stimuleerde de bouw van buitenplaatsen in de directe omgeving en leidde tot de komst van verschillende bedrijven (fabrieken en kantoren). In de twintigste eeuw volgde iets zuidelijker de aanleg van rijksweg A12 met een afslag die op de Lustwarande aansluit. Ondanks de doorsnijding van spoor en snelweg en de voortschrijdende suburbanisatie zijn de oude landschappen van de buitenplaatsengordel en het Kromme Rijngebied in de stationsomgeving opmerkelijk goed en gaaf bewaard.

Het belangrijkste mobiliteitsknooppunt van de Utrechtse Heuvelrug is zelfs een van de meest ongerepte delen van de Stichtse Lustwarande in Zeist en Driebergen. Zowel de oude route over de Heuvelrug als de buitenplaatsen van de Stichtse Lustwarande zijn speerpunten van het erfgoedbeleid van de provincie Utrecht.

De laan van Rijnwijk. De Breul.

De planvorming voor woningbouw nabij station Driebergen-Zeist vormt de aanleiding voor dit cultuurhistorisch onderzoek van de stationsomgeving. Het te onderzoeken gebied wordt ruwweg begrensd door rijksweg A12 in het zuiden, de Arnhemse Bovenweg in het oosten, en de Heideweg/Bunsinglaan in het noorden en westen. Het doel van het onderzoek is de cultuurhistorische betekenis van deze omgeving te expliciteren, als a) input voor de landschappelijke en stedenbouwkundig plan- en visievorming, b) inspiratie voor de herontwikkeling van het gebied, en c) als referentiedocument voor plantoetsing. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van literatuur- en archiefbronnen. De Driebergse kunstenaar Max Cramer bracht de relatie van de Stichtse Lustwarande met het slavernijverleden en dwangarbeid onder de aandacht en droeg hier veel informatie over aan. De rapportage is opgebouwd uit een historischruimtelijke analyse van het gebied en resulteert in een cultuurhistorische waardering op hoofdlijnen. Het gaat daarbij vooral om de structuur van het landschap en de occupatiepatronen en de waarden van het gebied in zijn geheel. De bebouwing wordt in relatie tot de ruimtelijke context gewaardeerd. Reeds beschermde waarden, zoals de rijksmonumenten, zijn in de waardering meegenomen.

De studie eindigt met aanbevelingen voor doorontwikkeling, waarin we suggesties doen hoe de bestaande cultuurhistorische kwaliteiten betekenis en meerwaarde voor de gebiedsontwikkeling kunnen opleveren. SteenhuisMeurs januari 2025

SteenhuisMeurs

5

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

Stationsgebied, 1945. [RAF]

6

SteenhuisMeurs

Stationsgebied, 1975. [Stichting Bodemsanering NS, 1975]

7

HISTORISCHE CONTEXT

Reliëf in het landschap. 1: gletsjer, 2: smeltwater, 3: dekzand, 4: rivier. [AHN]

3 2 1

(K ro mm e) Ri jn

4

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

8

1. De vorming van het landschap Station Driebergen-Zeist ligt op de overgang van het zand van de Utrechtse Heuvelrug naar de klei van het Kromme Rijngebied. Zo’n overgang wordt ook wel een gradiënt genoemd. Al sinds de prehistorie zijn dit gewilde vestigingsplaatsen. De Heuvelrug ligt hoog en droog, maar is weinig vruchtbaar. Het Kromme Rijngebied is vruchtbaar, maar vochtig. De landschappen van zand en klei zijn in de loop van duizenden jaren ontstaan onder invloed van ijs, water en wind. Eerst werd de Heuvelrug gevormd. Het landschap van het rivierengebied is van later datum. Vanaf ongeveer het jaar 1000 is het gebied geleidelijk door de mens naar zijn hand gezet. Het ontstaan van de Heuvelrug Tijdens de voorlaatste ijstijd (het Saalien) reikten gletsjers uit Scandinavië ongeveer tot waar nu Woudenberg en Scherpenzeel liggen.1 Ze duwden de bodem voor zich uit omhoog tot langwerpige stuwwallen. Onder de ijsmassa vormden zich diepe valleien, de glaciale bekkens. Het reliëf van de Utrechtse Heuvelrug is het restant van een stuwwal. De Gelderse Vallei werd als een glaciaal bekken gevormd. In het opgestuwde en uitgeschuurde landschap verlegden de rivieren hun koers, waardoor een breed dal tussen de Heuvelrug en Brabant werd uitgeslepen. Hier

SteenhuisMeurs

vonden veel later de Rijn, Waal en Maas hun loop. Met het smelten van de ijskap (in het Eemien, zo’n 126.000 terug) stroomden enorme hoeveelheden smeltwater over de stuwwallen heen. Het water vormde smeltwaterdalen en puinwaaiers. In de laatste ijstijd (het Weichsalien, dat bijna 100.000 jaar duurde en rond 10.000 voor Christus eindigde) waren er geen gletsjers in Nederland. Er heerste een guur en droog klimaat. De Noordzee was een zandwoestijn. Het zand werd door de wind meegevoerd en landinwaarts afgezet. De westzijde van de Heuvelrug werd onder dekzand bedolven, wat in de bodem van Zeist en Driebergen is terug te vinden. Zeist aan de Rijn Na de ijstijd begon een periode die het Holoceen wordt genoemd. Het werd warmer en op de Utrechtse Heuvelrug ontstonden bossen. De waterafvoer van de Rijn werd gelijkmatiger en in enkele diepe hoofdgeulen gebundeld. Door de stijging van de zeespiegel ging de rivier zo’n 6.500 jaar geleden trager stromen, met de afzetting van zand en klei tot gevolg. Geleidelijk ontwikkelde zich het kenmerkende rivierenlandschap met oeverwallen en kommen. Door verschillen in stroomsnelheid in

de bochten kon de rivier binnen de stroomgordel gemakkelijk zijn loop wijzigingen. Op de ene plek werden bochten weggespoeld, terwijl op de andere plek nieuwe oeverwallen werden opgeworpen. Het resultaat was dat meanders in de rivierbedding opschoven en kronkels uit de rivierloop werden gladgestreken. Het landschap van de rivieroevers werd keer op keer overschreven. Vierduizend jaar geleden volgde de hoofdstroom van de Rijn min of meer de bedding van de huidige Kromme Rijn. Een van de Rijnarmen strekte zich naar het noorden uit tot waar nu de Zeister Dorpsstraat ligt.2 In de vroege middeleeuwen verschoof de loop van de Rijn naar het zuiden, waarop de meander van Zeist verzandde.3 Met de afdamming van de Rijn bij Wijk bij Duurstede in 1122 werd de waterafvoer verlegd naar de Lek. In enkele jaren tijd werd vervolgens de moerassige bodem tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Kromme Rijn ontgonnen. De Rijnarm van Wijk bij Duurstede richting Utrecht wordt sinds de zestiende eeuw de Kromme Rijn genoemd en heeft alleen voor de afwatering van zijn directe omgeving betekenis. Het regenwater van de Utrechtse Heuvelrug bereikt deels als kwelwater de Kromme Rijn.

9

Fragment van de bodemkaart van het Kromme Rijngebied, 1973. [RAZU]

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

10

Geomorfologische overzichtskaart. [Asman & Tjallingii, 1974, p. 21]

SteenhuisMeurs

Overzicht hoofdwatergangen en hoofdkunstwerken, fragment van een kaart van het waterschap Kromme Rijn, ca. 1990. [RAZU]

11

 

Fragment van een kaart van de ruilverkaveling van het Kromme Rijngebied, ca. 1957-1962. [RAZU] Natuurwaarden in het gebied ten noordwesten van De Breul. [Waardenburg Ecology, Biodiversiteitsplan gemeente Zeist, 2024]

Groen Netwerk Zeist, 2021, fragment. [Gemeente Zeist]

Rijnwijk

Utrechtseweg, 1ste dorpstraat en Driebergseweg

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

12

Rijnwijckse Wetering.

SteenhuisMeurs

13

2. Vroege bewoning Vanaf de prille prehistorie hebben mensen op of bij de Utrechtse Heuvelrug gewoond. Archeologische vondsten tonen dat aan. In de jonge steentijd (het neolithicum), zo’n drieduizend jaar geleden, begon de landbouw. Op de Utrechtse Heuvelrug zijn honderden grafheuvels uit deze periode ontdekt.4 De omstandigheden waren niet echt gunstig. De kleigronden waren een moeilijk toegankelijk moerasbos, dat geregeld overstroomde. Op het zand, waar goed kon worden gewoond, was de grond droog en niet zo vruchtbaar. Er werden raatakkers (‘celtic 昀椀elds’) aangelegd. Door houtkap verdwenen de natuurlijke bossen om plaats te maken voor heide. Overbegrazing en het afplaggen van de heide werkten de vorming van zandverstuivingen in de hand. Romeinen De Kromme Rijn was in de Romeinse tijd een deel van de limes, de grens van het rijk. De grensweg, of Limesweg, liep ten zuiden van de rivier. Bij Bunnik bouwden de Romeinen Castellum Fectio (Vechten). Hoewel de Utrechtse Heuvelrug net over de grens lag, moet de invloed en aanwezigheid van de Romeinen sterk zijn geweest.

Bij de bouw van het nieuwe station DriebergenZeist in 2019 werden sporen van een boerderij gevonden die tussen 250 en 400 na Christus in gebruik was, dat is in de nadagen van het Romeinse Rijk.5 De weg naar Keulen Op de overgang van zand naar klei liep al in de vroege middeleeuwen een doorgaande weg vanuit Utrecht in de richting van Keulen. In Keulen was het aartsbisdom, waar het bisdom Utrecht vanaf 795 onder viel. De vroegst bekende vermelding van de weg dateert uit de tiende eeuw. De route, die bekend stond als Via Regia

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

(Koningsweg) of Heerweg, was opgebouwd uit een boven- en een benedenweg. In de natte winter was de bovenweg in gebruik en in de sto昀케ge zomers bood de benedenweg meer gerief. Beide wegen bestaan nog steeds en vormen de ruggengraat van de Utrechtse Heuvelrug. In de rijkswegenplannen van voor de oorlog was de benedenweg als Rijksweg 25 opgenomen; dit is later afgeschaald tot de N225. Ter plaatse van het station Driebergen-Zeist kruist de benedenweg (Driebergseweg/ Hoofdstraat) de spoorlijn. De Arnhemse Bovenweg ligt iets noordelijker. Weerdorp Langs de weg over de 昀氀anken van de Heuvelrug waren in de middeleeuwen boerenhoeves. Tussen de bovenweg en de benedenweg lagen de akkers, die engen werden genoemd. Er was een bisschoppelijk domein ter plaatse van de huidige Utrechtseweg in Zeist. De Brink, de Zeistereng en de Kroostweg herinneren hier nog aan. Vlakbij de huidige locatie van station DriebergenZeist stond in de middeleeuwen een bisschoppelijke nederzetting aan de Odijkerweg. Zij werd curtis Weerdorp werd genoemd. Het is niet waarschijnlijk dat er veel landbouwgrond bij hoorde, omdat de ontginning van de broeklanden pas na 1122 begon.6 Weerdorp moet ouder zijn geweest, want het werd al in de twaalfde eeuw gesplitst en door de bisschop als leengoed verkocht. In een leengoed kon de leenman recht spreken in kleinere kwesties en voorts een schout aanstellen en belasting he昀昀en.

In ruil daarvoor moesten diensten en belastingen aan de leenheer worden voldaan, in dit geval de bisschop. Het zuidelijke deel van Weerdorp kwam als leengoed in handen van de heer van Amersfoort, die het in 1459 verkocht aan de heer van Abcoude. De heer van Abcoude

bezat ook de leengoederen Driebergen en Aldenwinckel en voegde dit alles samen in de bestuurlijke eenheid (‘het gerecht’) Driebergen.7 Het lukte de Van Abcoudes nimmer om Rijsenburg te kopen van de heer Van Vianen van Rijsenburg. Dit gebied bleef tot in de twintigste eeuw een enclave binnen Driebergen. Het noordelijk deel van Weerdorp, op grondgebied van de huidige gemeente Zeist, behoorde in de twaalfde eeuw aan een onbekend gebleven edelman. Dit leengoed bestond uit vier hoeven die in 1209 door Rudolf van Overdevecht werden overgedragen aan de Abdij Mariënweerd. Hierbij veranderde de bisschop het leengoed in een zogenaamd allodiaal goed. Het kwam er op neer dat de abdij de volle eigendom kreeg en geen belastingen of diensten aan de bisschop was verschuldigd. Een allodium werd ook wel een zonneleen genoemd, waar de eigenaar alleen God en de zon boven zich had te dulden. De abdij verkocht de hoeven in de dertiende eeuw met alle bijbehorende rechten.8 In zijn studie naar het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen stelt C. Dekker dat de vier hoeven in 1413 in het gerecht Breul lagen. Het gebied behoorde aan Jan van Egmond, de heer van IJsselstein.

Er was in 1459 ongeveer 70 morgen (zo’n 65 hectare) landbouwgrond, dat door verdere cultivering van woeste gronden later opliep tot zo’n 100 morgen.9 Volgens Dekker moet de naam Weerdorp in de zestiende eeuw al uit het spraakgebruik zijn verdwenen. Een rentmeester van de domeinen onderzocht in de achttiende eeuw waar Weerdorp was en schreef ‘soo (ik) geïnformeerd ben gelegen aan de Odijkersteegh’.10

14

Odijkersteeg in Zeist, ca. 1905. [GAZ]

Odijkersteeg De Odijkersteeg (nu: Odijkerweg) verbond Odijk over de Kromme Rijn met Weerdorp en de routes over de Heuvelrug. Wanneer de weg ontstond is niet duidelijk, maar het was in ieder geval vóór 1122, toen de ontginning van de broeklanden begon. De heer van Odijk was eigenaar van de weg, maar droeg het eigendom in 1532 over op de kerk van Odijk.11

SteenhuisMeurs

15

3. De ontginning

Kaart van het gerecht Zeist en Driebergen, B. de Roij sr., 1677. [HUA]

De laaggelegen moerassen en broeklanden bij de Kromme Rijn waren te drassig voor de landbouw en hoorden vanouds tot het wildernisareaal van de bisschoppen van Utrecht. Vanaf het jaar 1000 werden de eerste pogingen ondernomen om dit gebied te ontginnen door met sloten en weteringen de afwatering te verbeteren. Pas nadat de Kromme Rijn in 1122 bij Wijk bij Duurstede was afgedamd, nam de wateroverlast zover af dat de ontginning serieus ter hand kon worden genomen. Bisschop Godebald van Utrecht gaf hier concessies voor uit. De zogenaamde cope-contracten gaven de kopers het ‘recht van opstrek’ in een bepaald gebied, dat in grootte varieerde van enkele tientallen tot honderden hectares. In enkele jaren tijd werd het hele Kromme Rijngebied ontgonnen, wat wijst op een planmatige en grootschalige aanpak. De concessies kwamen in handen van kerken, kloosters en de adel. Zij hadden kapitaal om te investeren en de kennis en het ondernemerschap om de projecten uit te voeren. Cope-verkavelingen Iedere ontginning werd door een landmeter opgedeeld in rechthoekige percelen met steeds dezelfde afmetingen, voor zover de omstandigheden in het terrein dat tenminste toelieten. Volgens de toenmalige maten was zo’n kavel zes ‘voorling’ lang (ongeveer 1250 meter) en 30 ‘roeden’ breed (ongeveer 110 meter). De oppervlakte was 16 morgen (14 hectare), destijds de ideale maat voor een boerenbedrijf.

Op de kop van de percelen kwamen de boerderijen. Voor het graven van sloten en het opwerpen van kades (dijklichamen om hoog water tegen te houden) zullen dagloners van buiten het gebied zijn aangetrokken. Om het overtollige water uit de ontginning af te voeren werden weteringen gegraven die stroomafwaarts

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

uitwaterden op de Kromme Rijn. Bij de verdeling of verloting van de gronden onder de concessionarissen behield de bisschop doorgaans een deel in bezit, de ‘voorslagh’.12 Om een eerlijke verdeling te maken moest rekening worden gehouden met de omvang van ieders

aandeel, maar ook met de kwaliteit van de grond. Aan de kant van de Heuvelrug was de bodem beduidend beter geschikt voor landbouw dan in richting van de Kromme Rijn.

16

Kaart van twee wegen door het zuidoostelijke gedeelte van de provincie Utrecht, P. Ruysch, ca. 1640. [HUA]

Ridderhofsteden Als een ontginning klaar was, gaf de bisschop het als een leengoed uit. De leenman mocht zich heer van het gebied noemen en een schout aanstellen. Hij kreeg de lagere rechtsmacht en mocht belastingen he昀昀en, maar had ook verplichtingen jegens de bisschop. De grote ontginningen tussen Zeist en Driebergen waren KattenbroekStoetwegen en de Driebergerbroek. Daartussenin lagen enkele kleinere ontginningen, zoals Vierhoeven en Breul, die beiden grensden aan de Odijkersteeg. Gedurende de dertiende en veertiende eeuw verrezen in de ontginningen langs de Kromme Rijn vele ridderhofsteden, zoals de Blikkenburg bij Zeist en Rijsenburg onder Driebergen. Deze kastelen of versterkte boerderijen vormden een nieuwe verdedigingslinie aan de zuidzijde van het Nedersticht, noodzakelijk geworden door het droogleggen van de moerassen. Kattenbroek en Stoetwegen De ontginning van Kattenbroek en Stoetwegen begon kort na 1122. Het waren twee aparte ontginningen, met elk een eigen afwatering. Kattenbroek was via de Hakwetering en de Kouwenhovense wetering met de Kromme Rijn verbonden. Stoetwegen had de Stoetweegse wetering. Deze watergang kwam in de dertiende eeuw in eigendom van het vrouwenklooster Oostbroek, inclusief een strook grond aan weerszijden met een breedte van 1 roede (3,8 m).13 Het klooster had verschillende bezittingen in Stoetwegen, waaronder een uithof.

Een uithof is een kloosterboerderij die door leken werd gedreven. In de ontginning Stoetwegen stonden grote boerderijen, zoals de Preekstoel, de Bunsing, Schralenburg, De Breul en, dichterbij de Kromme Rijn, Stoetwegen en Zomerdijk.14 De

SteenhuisMeurs

17

belangrijkste wegen in het gebied waren de Bunsinglaan (of ‘Stoetwegensedijk’) en de Tiendweg, die tot 1850 doorliep van de Koelaan tot de Odijkerweg.15 Vanaf 1741 was Stoetwegen een leengoed van het geslacht Wttewaal van Stoetwegen en bleef dat tot in de twintigste eeuw. Veel inwoners waren er niet. Stoetwegen en Kattenbroek telden in 1794 samen slechts 84 inwoners.16 Deze ontginningen vielen vanaf de veertiende eeuw onder eenzelfde lokaal bestuur. Het landschap van Stoetwegen met weiden, akkers en bomenlanen heeft de tijd in grote lijnen goed doorstaan. In de twintigste eeuw was er een sportpark aan de Laan van Rijnwijk en de Koeburgweg. Het functioneerde van 1918 tot 1976 en bestond uit een sintelbaan en een voetvalveld met houten tribune. Hier speelde voetbalvereniging Zeist, tussen 1955 en 1961 zelfs betaald voetbal. Na de opening van sportpark Dijnselburg werd het sportpark gesloten. De houten tribune verhuisde mee naar de nieuwe locatie. Tegenwoordig is het oude sportcomplex nauwelijks nog in het oude landschap zichtbaar. De sintelbaan, pal naast de Laan van Rijnwijk is herkenbaar gebleven. Het loketje voor de kaartverkoop van het voetbalstadion bleef ook bewaard en staat nu in een maisveld. Hockeyclub Phoenix vestigde zich in de overplaats van De Breul. Eerder waren hier weilanden die het uitzicht vanaf het landgoed richting Kromme Rijn garandeerden.

In de loop van de jaren is het groene en landschappelijke karakter van de sportvelden verdwenen, onder meer door de komst van kunstgras en alle voorzieningen en afscheidingen rondom de velden.

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

Vierhoeven Vierhoeven werd kort na 1122 ontgonnen, net als het overgrote deel van het Kromme Rijngebied. Het gebied was 66 morgen (ongeveer 55 hectare) groot en lag tussen Stoetwegen en de Odijkersteeg. De afwatering geschiedde via vier sloten die op de Kromme Rijn uitwaterden. Rond 1830 zou hier de Rijnwijkse wetering, die ook wel Breulse vaart werd genoemd, op worden aangesloten.17 In de middeleeuwen had Vierhoeven twee heren, die van Odijk en van Stoetwegen. Elk bezat de helft van de rechterlijke macht en het tijns- en tiendrecht, dat is het recht om pacht en bepaalde belastingen te he昀昀en. De heer van Stoetwegen was door de bisschop als leenman aangesteld. Het belang van de heer van Odijk had ongetwijfeld met het aloude bezit van de Odijkersteeg te maken en een mogelijke aanspraak op de aanpalende wildernis die daaruit voortvloeide.18 In de praktijk hoorde Vierhoeven bij de gerechten Odijk en Stoetwegen. Driebergerbroek De moerassen en broeklanden in Driebergen werden vanaf 1122 met de ontginning van het Driebergerbroek omgezet in een groot agrarisch gebied. Het gebied strekte zich uit van de Odijkersteeg (Odijkerweg) tot de Veensteeg. Er waren verschillende weteringen, zoals de Langbroekerwetering. Landbouw in de middeleeuwen Op de overgang van zand naar klei bestond eeuwenlang een in Nederland gebruikelijke vorm van gemengde landbouw, de zogenaamde potstalcultuur.

Op de gemeenschappelijke heide werden schapen gehouden. De akkers (engen of enken genoemd) lagen

geconcentreerd in de schrale overgangszone van zand naar klei en werden bemest met plaggen en schapenmest uit de potstal. De lager gelegen kleigebieden in de ontginningen dienden als gras- en hooilanden en werden de ‘maten’ genoemd. Landbouw in de middeleeuwen Op de overgang van zand naar klei kon een in Nederland gebruikelijke vorm van gemengde landbouw plaatsvinden, de zogenaamde potstalcultuur. Op de (gemeenschappelijke) heide werden schapen gehouden. De akkers (engen of enken genoemd) lagen geconcentreerd in de schrale overgangszone van zand naar klei en werden bemest met plaggen en schapenmest uit de potstal. De lager gelegen kleigebieden dienden als gras- en hooilanden en werden de ‘maten’ genoemd. Het gemengde boerenbedrijf leidde tot een aantrekkelijk landschap, met veel variatie en kleinschaligheid. Langs de benedenweg en op de heide is dit landschap grotendeels verdwenen als gevolg van latere ontwikkelingen, zoals bosaanplant en de bouw van buitenplaatsen en villawijken in de negentiende en twintigste eeuw. Wel heeft de landbouw de bodem voorgoed veranderd. Door de eeuwenlange bemesting ontstond er zwarte enkeerdgrond, met een humusrijke bruine laag grond van minstens 50 cm dik (het ‘esdek’). Op de bodemkaart (p. 10) is te zien dat de eerdgronden zich beperken tot een smalle strook aan weerszijden van de benedenweg.

Het ontginningslandschap langs de Kromme Rijn heeft zijn middeleeuwse structuur behouden, mede omdat de ruilverkaveling niet ten noorden van de Kromme Rijn werd doorgevoerd.

18

Sportpark Koeburgweg: kassahuisje van het voetbalstadion (links) en sintelbaan (rechts).

SteenhuisMeurs

19

4. De Rijnspoorweg

Kaart van het spoortracé uit het archief van koopakten en grondplannen van de Nederlandse spoorwegen, z.j. [HUA toegang 922 inv. nr. 1096]

Op het moment dat de eerste plannen werden gesmeed voor de aanleg van spoorwegen in Nederland kwam de spoorverbinding van Amsterdam via Arnhem naar Keulen al ter sprake. In 1831 diende de Engelsman William Blake een voorstel voor deze verbinding in bij Koning Willem I. Het tracé liep via Amersfoort. Steun en 昀椀nanciering bleven evenwel uit. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken liet hoofdingenieur B.H. Goudriaan in 1836 een ontwerp maken voor de Rijnspoorweg AmsterdamArnhem-Duitse grens. Hij opteerde voor een tracé via Utrecht en Wageningen. Hoewel de Utrechtse Heuvelrug niet echt tot het hooggebergte kan worden gerekend, gaf de passage over de stuwwal de nodige kopzorgen. Het spoor werd tussen Driebergen en Maarsbergen als een verdiepte doorsnijding van het zandmassief bedacht: de ‘Maarnse doorgraving’.19 Andere uitdagingen lagen tussen Wageningen en Arnhem, waar hoog water van de Rijn problemen voor de spoorlijn kon opleveren.20 Koning Willem I In 1838 werd het plan voor de Rijnspoorweg vanwege de verwachte kosten door de regering verworpen, waarop Koning Willem I op eigen gezag besloot tot realisatie. Hij stelde zich persoonlijk garant voor de rente op de 昀椀nanciering. De aanleg gebeurde door de Maatschappij Rhijn-spoorweg, geleid door Goudriaan. Het was een onderneming met privaat kapitaal en een publieke aansturing.

In 1845, daags na de opening van de lijn, werd de exploitatie geprivatiseerd en kreeg de voor dit doel opgerichte Nederlandsche Rhijnspoor Maatschappij (NRM) een concessie. Het uitgevoerde tracé liep om militaire redenen niet via Wageningen maar langs Ede. Zo omzeilde de spoorlijn de strategische Grebbelinie en maakte hij de vele kazernes in Ede

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

goed bereikbaar. De NRM zou in 1890 door de Staat worden overgenomen en ging op in de Maatschappij tot Exploitatie Staatsspoorwegen (MESS), een voorloper van de Nederlandse Spoorwegen (NS).

20

Station Driebergen, 1934. [NIMH] A: Rose Villa B: station C: Bornia D: Princenhof E: Zeister Machinefabriek F: Koepel Beerschoten-Willinkshof G: Odijkerweg H: boerderij Het Groote Loo

D

C E H

B

A G

SteenhuisMeurs

F

21

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

Kaart van het spoortracé (horizontale rode lijn), 1841. [RAZU toegang 141, inv. nr. 648] Grondaankopen rondom station Driebergen, 1840. [HUA, toegang 922 inv. nr. 1101]

22

Kaart uit het archief van Beerschoten met daarop de spoorweg en het station, z.j. [RAZU toegang 141, inv. nr. 648]

Grondaankopen in Zeist en Driebergen De Rijnspoorweg volgde vanaf Bunnik een vrijwel rechte lijn tot Maarn, die schuin over de Utrechtse Heuvelrug ging. Het gevolg was dat de spoorlijn ook schuin op de dominante verkavelingsrichting kwam te staan. Bij station Driebergen ontstond een driehoek van de benedenweg (Hoofdstraat), de Odijkersteeg en het spoor. In het archief van buitenplaats Beerschoten zit een tekening uit 1841 waarop de kavels rondom het station zijn getekend en de toekomstige spoorlijn daar als een rode streep schuin overheen is getrokken.21 De spoorbaan had een breedte van 13 ellen aan weerszijden van deze lijn, wat een totale breedte van 26 ellen opleverde, zo’n 18 meter. Opvallend op de tekening is dat er behalve twee boerenhoeves nog geen bebouwing was te zien. Het ging om boerderij Het Groote Loo van W.H . Woudenberg aan de Odijkersteeg (naast het station) en boerderij Brandolie, ongeveer op de plek waar nu buitenplaats Bornia is te vinden. In het register van de grondaankopen voor de Rijnspoorweg werd per perceel opgetekend hoeveel grond voor het spoor nodig was en hoeveel dat kostte. Zo kon Jan

SteenhuisMeurs

Kol f. 22.629,- tegemoet zien voor het gedeelte van de spoorbaan dat over Rijnwijk, De Breul, Brandolie (Bornia) en Beerschoten liep.22 Aanleg Toen de aanleg van de Rijnspoorweg eenmaal was begonnen, ging het snel. Vanaf 1838 werden gronden aangekocht, de ‘aarden baan’ opgeworpen, kunstwerken zoals bruggen gebouwd en de eigenlijke spoorbaan aangelegd. Het eerste gedeelte, van Amsterdam Weesperpoort tot Utrecht was gereed in 1843, een jaar volgde de verlening tot Driebergen en in 1845 was Arnhem bereikt. De verlening naar het Duitse Elten was in 1856 gereed en in 1889 werd de lijn doorgetrokken tot het Centraal Station van Amsterdam. Om op het Duitse spoornet te kunnen aansluiten, moest de spoorbreedte over de hele lengte van de Rijnspoorweg worden aangepast, van breed naar normaal spoor. Dit gebeurde tussen 1854 en 1856 waarbij het spoor ook grotendeels werd verdubbeld en Driebergen een tweede perron kreeg. Een volgende mijlpaal was de elektri昀椀catie van de lijn in 1938.

23

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

24

Vorige pagina: ontwerp van het stationsgebouw van Driebergen, 1864. [HUA]

 

Bouwtekeningen van een opzichterswoning (1893), een abri (1884) en een postgebouw/goederenbergplaats (1895). [HUA] Het emplacement, 1892. [HUA]

Bouwtekeningen van de voetbrug (1893), de perronoverkapping (1900) en een toiletgebouw (1900). [HUA]

Station Driebergen De meeste stations langs de Rijnspoorlijn waren in het begin verbouwde stenen directieketen uit de bouwtijd van het spoor. In Driebergen duurde het tot 1864 eer er een echt station kwam. Dat jaar veranderde de naam van het station van ‘Driebergen’ in ‘ZeistDriebergen’. In 1904 werd dat weer teruggedraaid om in 1948 te veranderen in de huidige naam: ‘DriebergenZeist’.23 Het eerste station had een bouwlaag met een kaartjesbureau in een vestibule, twee wachtkamers, een damessalon en een dienstwoning. Aan de kant van het perron was een luifel. Naast het gebouw stond een ‘retirade’, een toiletgebouwtje. In de jaren die volgden werd het stationsemplacement uitgebreid met een opzichterswoning (1883), een overdekte voetbrug (1893), een laad- en losplaats voor vracht (1893), een abri (1894) en een post- en goederengebouwtje (1895). In 1898 verrees pal naast de overweg in de Hoofdstraat een seinhuis op terrein van Beerschoten, waarvan het bovenste gedeelte bestond uit een oud houten tuinhuis van dit landgoed.24 Het station zelf werd in 1899 met een verdieping uitgebreid, de dienstwoning verhuisde naar boven en beneden kwam een extra wachtruimte, een groter kantoor en een bagageafdeling. Een jaar later volgde de gietijzeren perronoverkapping (die nog steeds bestaat) en een toiletgebouw met doorgang.

SteenhuisMeurs

25

 

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

Het seinhuisje (een voormalig theehuis) in het groen, 1971. [RAZU toegang 485 inv nr. 41] Het seinhuisje (een voormalig theehuis) in het groen, 1971. [RAZU toegang 144 inv. nr. 4343]

26

Impressies van het station Driebergen, ca. 1900-1960. [RAZU, toegang 485 inv. nr. 178]

SteenhuisMeurs

27

Logement Dennenoord, het eerste 'stationshotel'. [RAZU]

Logementen Pal tegenover het station opende het logement Dennenoord in 1844, kort voordat het spoor operationeel werd. Binnen een jaar, op 1 mei 1845, kwam er aan de andere kant van het spoor een tweede hotel, ’t Woud en Bergsoord (later: Bergoord), met C.A. Bakhuijsen als kastelein.25 Dit logement stond achter op het erf van boerderij Het Groote Loo. De uitbater van Dennenoord was Albert Kobus, die eerder appartementen met kost en inwoning verhuurde aan de Buzziburglaan in Rijsenburg.26 Dennenoord werd een logement met ko昀케ehuis, een grote zaal voor partijen en ruime vertrekken die ‘s-zomers aan families werden verhuurd. In 1853 bood Kobus Dennenoord ter overname aan, waarop Bakhuijsen in 1853 naar Dennenoord overstapte, als opvolger van Kobus.27 Hotel Woud en Bergoord heropende in maart 1857 met uitbater H. Velaars, die zich vleide ‘dat zijn groot aantal goede en zindelijk gemeubileerde kamers door geachte familien zullen worden bezocht, te meer daar hij de verzekering geeft, niets onbeproefd te zullen laten om het zijnen geëerden begunstigers aangenaam te maken.’28 Na de dood van Bakhuijsen in 1860 werd Dennenoord verbouwd tot de buitenplaats Rose Villa. Woud en Bergoord kreeg na 1882 een aantal malen een nieuwe exploitant. In 1919 kwam het logement in bezit van de Ooster Stoomtram Maatschappij.

Zijn opvolger, de Nederlandsche Buurtspoorwegen Maatschappij, liet het pand in 1929 slopen. De NS kocht het perceel in 1933 en richtte het als noordelijk stationsplein in. De bomen uit de tuin hebben het plan nog jaren gesierd.

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

28

 

Situatie van de toegangsweg en het stationsplein van Driebergen, 1878. [HUA toegang 901 inv. nr. 478] Situatie station Driebergen, ca. 1950. [RAZU toegang 144 inv. nr. 3840]

Parallelweg Bij het station was in 1844 een smalle parallelweg langs het spoor aangelegd, van de Hoofdstraat naar de Odijkerweg. Veel ruimte voor koetsen en karren was er niet. Met de aankoop van een strook grond van Rose Villa kon in 1878 de ruimte voor het station worden verbreed en verbeterd. Er zouden nog veel uitbreidingen en herinrichtingen volgen, onder meer voor de trams, bussen, auto’s en het parkeren. Vanaf 1882 verzorgde de Ooster Stoomtram Maatschappij (OSM) aanvullend vervoer naar Zeist en Driebergen, eerst per paardentram en al snel met een stoomtram. In 1924 werd de tram geëlektri昀椀ceerd, drie jaar later ging de OSM in de Nederlandsche Buurtspoorwegen Maatschappij op. De trams reden tot 1949, waarna het streekvervoer per bus werd voortgezet. In 1951 besloot de gemeenteraad om de naam Parallelweg o昀케cieel te veranderen in Stationsweg.29

SteenhuisMeurs

29

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

30

5. De buitenplaatsen Al in de zeventiende eeuw hadden enkele rijke stedelingen zomerverblijven op de 昀氀anken van de Utrechtse Heuvelrug. De landhuizen waren omringd door tuinen en bossen en boden een uitvlucht uit de hitte, de stank en de drukte van de stad. Ze gaven de eigenaar prestige en waren als investering interessant. De grond werd veelal gekocht van de Staten van Utrecht en bestond deels uit voormalig religieus bezit dat na de reformatie was gecon昀椀squeerd. Vooral in de jaren die volgden op het rampjaar 1672 werden uitgestrekte landerijen door de Staten van de hand gedaan.30 De buitens maakten doorgaans deel uit van grote landgoederen met boerderijen of tuinderijen, waardoor het nut van de opbrengt kon worden gecombineerd met de lust van ontspanning. Sommige oude ridderhofsteden in de ontginningen langs de Kromme Rijn werden verbouwd en uitgebreid tot buitenplaats. De Wulperhorst in Zeist is daar een voorbeeld van. Ook de ontwikkeling van Slot Zeist begon met een oud kasteel. Willem Adriaan van Nassau liet dit echter slopen en vervangen door nieuwbouw, die tussen 1677 en 1686 werd gerealiseerd. Voor en achter dit slot kwamen kilometers lange assen met lanen, tuinen, waterpartijen en bossen. Deze structuur doorkruist de boven- en benedenweg, met Het Rond als markering van de kruising.

Rijnwijk is een voorbeeld van een rond 1640 gebouwde buitenplaats in de ontginning Vierhoeven, waarover later meer. Negentiende eeuw Het leeuwendeel van de buitenplaatsen op de grens van de Utrechtse Heuvelrug en het Kromme Rijngebied werd pas gerealiseerd nadat de Rijnspoorweg in 1844

SteenhuisMeurs

in bedrijf was genomen. Op de kadastrale kaart van 1832 tekent zich het grootgrondbezit duidelijk af. Een handvol eigenaren bezat enorme landerijen in Zeist en Driebergen, die doorgaans van hoog op de Heuvelrug tot aan de Kromme Rijn doorliepen. Door afsplitsing en verkoop van de landgoederen ontstond geleidelijk aan een lint van buitenplaatsen met parktuinen. Veel nieuwe buitens stonden tussen de beneden- en bovenweg in, omgeven door bossen, tuinen en waterpartijen die werden gevoed door sprengen. Aan de overzijde van de benedenweg lagen overplaatsen: weilanden of tuinen die de buitenhuizen een onbelemmerd uitzicht gaven. Kenmerkend voor de buitenplaatsen waren de lange zichtlijnen op het Kromme Rijngebied en de bossen van de Heuvelrug. Een servituut (erfdienstbaarheid) kon ervoor zorgen dat het uitzicht van de buitenplaatsen vrij bleef. Er mocht door omwonenden dan niet op bepaalde zichtlijnen worden gebouwd. Het lint van parken en buitenplaatsen werd al in de negentiende eeuw als de Stichtse Lustwarande aangeduid. Dominee J. Craandijk gebruikte de term in zijn wandelingen door Nederland (1886) en boekhandel W. Kraal gaf in 1901 de Nieuwe Groote Gids van de Stichtse Lustwarande uit.31 Bosbouw Er zijn verschillende oorzaken voor de relatief late ontwikkeling van de buitenplaatsen op de Heuvelrug.

Ten eerste was de Vechtstreek al in de zeventiende eeuw grotendeels met buitenplaatsen volgebouwd, terwijl er op de Heuvelrug in de negentiende eeuw nog volop ruimte was om buitenplaatsen te bouwen. Dankzij het station was de regio snel en comfortabel bereikbaar vanuit

Vorige pagina: Bloemenheuvel vanaf de Hoofdstraat.

Utrecht en de Hollandse steden. De grote vraag naar naaldhout voor gebruik in de mijnbouw was aanleiding om productiebossen aan te planten op de schrale gronden van de Heuvelrug, de Veluwe en in Brabant. Ze leenden zich prima voor nevengebruik als jachtterrein of buitenplaats. Door de collectief gebruikte heidevelden te privatiseren en te bebossen, kwam een noodgedwongen einde aan de potstallandbouw. Voor de bemesting van de akkers was schapenmest vermengd met heideplaggen onontbeerlijk, totdat de kunstmest werd uitgevonden. Koloniale rijkdom Een andere aanjager voor de ontwikkeling van de buitenplaatsen was de koloniale handel die met de oprichting van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (1824) en de instelling van het Cultuurstelsel in Nederlands-Indië (1830) een enorme impuls kreeg. Families als Kol, Insinger, Van Loon, Willink en Crommelin waren actief als bankier of investeerder in de koloniën of de koloniale handel en konden het zich veroorloven om een buitenplaats te kopen of te bouwen.

Sinds de publicatie van het boek Max Havelaar (1860) is er geleidelijk meer oog voor de keerzijde: de slavernij en koloniale uitbuiting die de excessieve rijkdom mogelijk maakte.32 Het barre leven op de tropische plantages en in de fabrieken was ver weg in de bossen van de Lustwarande, waar de nieuwe rijken zich toelegden op de slipjacht, het tuinieren en het kweken van asperges of orchideeën. Ruimtelijke opzet van de buitenplaatsen De typologie van de buitenplaats wordt bepaald door

31

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

32

 

Vorige pagina: theekoepel Beerschoten-Willinkshof Driebergseweg, 1920. [GAZ]

SteenhuisMeurs

Koeien op het land langs de Driebergseweg, 1925. [GAZ]

33

het groen, dat in allerlei hoedanigheden voorkomt: laanbeplanting, siertuinen, moestuinen, gazons, borders, parkbossen en bossen. De hoofdhuizen zijn in het groen gepositioneerd met lange zichtlijnen op het landschap rondom. Kenmerkend zijn de brede erven, die zijn ingedeeld met een groen voorgebied, een middenzone met hoofdgebouw en een groene achtergrond. Vanaf de weg kon de parken en tuinen in worden gekeken. In de architectuur van de buitenplaatsen zijn verschillende stijlen en opvattingen over vormgeving en natuurbeleving terug te vinden. Allengs werden de panden meer op de weg georiënteerd en kregen zij een sterkere expressie. De gemene deler was en bleef de oriëntatie op het groen, met allerlei overgangszones van binnen naar buiten, zoals tuinkamers, serres, waranda’s, balkons, terrassen en erkers. In de tuinen verrezen theekoepels, speelhuisjes, paardenstallen, kassen en prieeltjes. De architectuur van de Stichtse Lustwarande is rijk en divers, afkomstig uit verschillende bouwperiodes.

Driebergseweg, 1918. [GAZ]

buitenplaatsen Schoonoord bij Zeist, de Kleine Breul en Dennenoord/Rose Villa en De Reehorst bij Driebergen met daartussen een mix van overplaatsen, weilanden, kleinere buitenplaatsen en villa’s, zoals Groenoord, Nieuw

Beerschoten, Eikenhorst en Tallyho Cottage. Opvallend is dat de meeste buitenplaatsen in de directe omgeving van het station pas na de komst van het spoor werden aangelegd.

Ensemble Driebergseweg-Hoofdstraat Langs de benedenweg ontstond in de loop van de negentiende eeuw een herkenbaar ensemble van buitenplaatsen, villa’s en andere gebouwen. Aan de hoge zijde liggen uitgestrekte landgoederen. De hoofdhuizen zijn omgeven door groen, op enige afstand van de weg. Gezien vanuit Zeist bestaat de reeks uit Hoog Beek en Royen, Sparrenheuvel, Molenbosch, Heerewegen, De Breul, Bornia, Beerschoten-Willinkhof en Bloemenheuvel. Aan de overzijde van de benedenweg, ofwel de lage kant met de ontginningen en het agrarisch landschap van de Kromme Rijn, was meer afwisseling, met de

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

34

Bunker Cäsar aan de Breullaan, 1947. [NIMH]

Luftwaffe Kort na de Duitse inval in 1940 vestigde de Duitse Luftwa昀昀e het hoofdkwartier van de 1. Nagdjagd Division aan de Driebergseweg. Het was het onderdeel van de Duitse luchtmacht dat geallieerde bommenwerpers boven Nederland aanviel. In mei 1940 werd de leegstaande buitenplaats De Breul gevorderd, snel gevolgd door Bornia, Schoonoord, Pavia, Nieuw Beerschoten, De Reehorst, Rose Villa, Eikenhorst, Slot Zeist en andere gebouwen verspreid over Zeist en Driebergen.33 Vanuit Zeist werkte commandant Josef Kammhuber (18961986) aan het Duitse luchtverdedigingsstelsel in West-

SteenhuisMeurs

Sector Operations Centre, Nederlandse Landmacht, Koude Oorlog. [Tiemens, 1992]

Europa. Hij werd in 1943 opgevolgd door generaalmajoor Joseph Schmid (‘Beppo’, 1901-1956), een vriend van rijksmaarschalk Hermann Göring. In die periode werkten wel 1500 mensen voor de Duitse luchtmacht in Zeist. Waarschijnlijk waren de staf en de o昀케cieren op Slot Zeist ingekwartierd. De ‘Luftnachrichtenhelferinnen’ (communicatiemedewerksters, ook bekend als Blitzmädel) zaten in Seminarie Rijsenburg. Eind 1943 begon de bouw van commandobunker Cäsar voor het operationeel hoofdkwartier van de staf van het 1. Jagdkorps. De betonnen kolos aan de

Breullaan, op grond van landgoed Bornia, leek met het afgeschuinde dak vanuit de lucht op een landhuis en werd ter camou昀氀age als een buitenplaats beschilderd. Nog voor de bunker af was, verhuisde de divisie in mei 1944 plotsklaps naar Braunschweig. Tijdens de Koude Oorlog vestigde de Nederlandse Luchtmacht alsnog een luchtverdedigingscentrum in de bunker, het Sector Operations Centre. Om de bunker werd een schil met het uiterlijk van een landhuis opgetrokken. Sinds 1996 is het pand in gebruik als kantoor.34

35

Voormalige bunker Cäsar, met bakstenen ombouwing.

Nieuw gebruik Gedurende de twin琀椀gste eeuw verloren veel van de landgoederen en buitenplaatsen tussen Zeist en Driebergen hun oorspronkelijke func琀椀e. Met nieuwe eigenaren, ander gebruik en meer of minder zichtbare nieuwbouw konden zij voortbestaan. Zo bleef het ensemble behouden, maar dan met een divers gebruik door verschillende doelgroepen. De doorlopende strook parkbossen van de buitenplaatsen is grotendeels openbaar toegankelijk geworden, met het Utrechts Landschap als belangrijkste eigenaar. De buitens zijn veelal verpacht en in gebruik als kantoor, sportveld, (zorg) woning of instelling. Op verschillende plekken, vaak wat op de achtergrond, hee昀琀 verdich琀椀ng plaatsgevonden met kantoren, een school en woningbouw. Aan de lage zijde van de benedenweg is het open landschap nog steeds goed te ervaren. Schoonoord en De Reehorst werden bestemd voor onderwijs. In de jaren vij昀琀ig ves琀椀gde zich het Ins琀椀tuut voor Veeteeltkundig Onderzoek op de loca琀椀e van een verdwenen boerderij op landgoed Schoonoord. Veer琀椀g jaar later vertrok het ins琀椀tuut en bouwde het Wereld Natuurfonds er een nieuw kantoor. Op het erf van boerderij De Bunsing staan inmiddels acht boerdere琀琀es. Nieuw-Beerschoten bestaat tegenwoordig uit de oude villa, een bungalow en een park昀氀at, een complex met in het totaal 110 appartementen in een collec琀椀ef park.

De buitenplaatsen rondom het sta琀椀on worden hieronder getypeerd.

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

36

Globale beschrijving van het landschapsbeeld van de Hoofdstraat, deel uitmakend van de Stichtse Lustwarande (fragment), 1975. [RAZU toegang 144 inv. nr. 212]

SteenhuisMeurs

37

Rijnwijk

Vlakbij de locatie van station Driebergen-Zeist stond eeuwenlang de buitenplaats Rijnwijk in de ontginning Vierhoeven. Het was een vroeg voorbeeld van een nieuw gebouwde buitenplaats met de uitstraling van een oude ridderhofstad. Het huis was omgracht en omringd met tuinen, bos, bouwland en een boerenhoeve. Mr. Jacob van Asch van Wijk (1585-1645) was bouwheer van Rijnwijk. Zijn vader kocht rond 1600 landerijen die aan kloosters hadden toebehoord. Er stond een boerenhofstede, die al in 1501 was .35 Van Asch van Wijk was secretaris van het kapittel en president van de Staten van Utrecht.36 Stoetwegen-Vierhoeven Op een kaart van het gerecht Stoetwegen uit 1701 van J. Van Broeckhuijsen is Rijnwijk in zijn omgeving afgebeeld.37 Het huis stond op een eiland met een fors bijgebouw, aan de kruising van de Laan van Rijnwijk en de Tiendweg, die van de Odijkersteeg tot Cattenbroek liep. Het huiseiland was aan de oost-, west- en zuidzijde door bos omgeven. Laanbeplanting deelde de ontginning in landschappelijke ‘kamers’ op. Daarnaast waren er bossen en beplante erven in het gebied. Een andere kaart, uit 1770 laat de boerenhofsteden zien, zoals Zoomerdijk en Stoetwegen, beiden aan de Tiendweg, De Preeckstoel, den Bunsingh, Schralenburg, de Breul en Den Hoef (bij Wulperhorst). Ook de buitens Blickenburg, Wulperhorst en Rhijnwijk zijn afgebeeld.

De Laan van Rijnwijk heette destijds Rhijnwijker Steeg.

 

Gezicht op het omgrachte huis Rijnwijk bij Zeist, ca. 1650. [HUA] Huis Rijnwijk met twee bijgebouwen, L.P. Serrurier, 1731. [HUA]

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

38

Fragment van een kaart van de tiendblokken in het gerecht van Stoetwegen bij Zeist, J. van Broeckhuijsen, 1701. [HUA]

SteenhuisMeurs

39

Kaart van Stoetwegen/De Breul, 1770. [Volkers, 2011, p. 78]

Jansenisten In de achttiende eeuw vond een dozijn cisterciënzer monniken uit het klooster van Orval (destijds Frankrijk, nu België) een toevlucht op Rijnwijk. Het waren jansenisten, navolgers van de strenge kerkleer van Cornelius Jansenius. Paus Clemens XI veroordeeld dit gedachtengoed in 1713 als ketters. In Nederland leidde dit tot een kerkscheuring en de stichting van de OudKatholieke kerk in 1723. In het buitenland waren de jansenisten hun leven niet zeker. De broeders uit Orval vluchtten in 1725 naar Nederland. Een jaar later kocht mr. Adriaan Wittert (1692-1748), een vooraanstaand jansenist, huis Rijnwijk van Gideon Boudaen om hen onder te brengen. De boerderijen Rijnwijk en de Nieuwe Breul (Schralenburg) bleven buiten deze transactie. Tot 1743 hield Wittert het huis aan, waarop hij het aan twee Franse geestelijken verkocht die er een seminarie begonnen. Rijnwijk kreeg internationale bekendheid. De kloosterlingen bleven tot 1772 op Rijnwijk wonen en verhuisden toen naar huis Clarenburg in Utrecht. Jan Kol I (1726-1805), een Utrechtse bankier die was gehuwd met Anna Elisabeth Vlaer en samen met zijn schoonvader de 昀椀rma Vlaer & Kol oprichtte, kocht Rijnwijk in 1772 en in dat jaar ook de boerderijen Rijnwijk en de Nieuwe Breul (Schralenburg).

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

40

Entree van Rijnwijk vanaf de Odijkerweg.

Van Pallandt Via verschillende eigenaren kwam Rijnwijk in 1856 in handen van W.J.A. van Romondt, bewoner van Schoonoord en eigenaar van De Breul. Het huis was toen bouwvallig en werd al snel gesloopt. Via vererving kwam het landgoed in bezit van W. baron van Pallandt en sindsdien bleef het in die familie. Het landgoed bestaat tegenwoordig uit bos, landbouwgrond en natuur. Het wordt door het spoor doorsneden. Aan de omgrachting en de oprijlaan (Laan van Rijnwijk) is de locatie van de vroegere buitenplaats te herkennen. De boerenhofstede is in 1979 vervangen door een nieuwe boerderij (Odijkerweg 152).38

SteenhuisMeurs

41

De Breul

De oudst bekende vermelding van de naam De Breul dateert uit 1413. Het was een leengoed van de heer van IJsselstein. Er waren boerenhofstedes, pas vele eeuwen later ontstond de buitenplaats. Jan Kol (1789-1848 kocht verschillende percelen grond aan de Driebergseweg in 1823 en 1824, met het doel hier een buitenhuis te bouwen om er de zomers door te brengen. Dit huis werd omstreeks 1824 gebouwd en omgeven door een parktuin in Engelse landschapsstijl.39 Zo veranderde de heide in een parkbos met een serpentinevijver rond het huis en de karakteristieke brug. In het verlengde van de waterpartij werd de Rijnwijckse Wetering of Breulse Vaart gegraven. Deze sloot via de overplaats van De Breul en boerderij De Koeburg aan op de vaarsloot van Rijnwijk.40 Volgende bewoners van De Breul waren een ondero昀케cier van de cavalerie uit Den Haag, een weduwe uit Semarang en een speculant uit Kortrijk, die het huis liet opknappen en verbouwen in classicistische stijl.41 Reineke In 1912 kocht P. Reineke (1869-1948) uit Hilversum het landgoed. Hij was de stuwende kracht achter

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

De Rijnwijkse Wetering of Breulse Vaart tussen de Driebergseweg en de spoorlijn, 1918. [Volkers, 2011, p. 55]

het agrarisch -imperium van de Handels Vereening Amsterdam. Dit bestond in 1921 uit 21 ondernemingen in Indonesië die ko昀케e, suiker (27.000 ha), cassave, sisal en rubber produceerden. Hij maakte reizen naar Nederlands-Indië en reisde ook naar Louisiana en Cuba voor ‘industriële spionage’ in de suikerfabrieken aldaar.42 Reineke ging op De Breul wonen. Zijn vrouw plaatste in 1913 advertenties in de krant, op zoek naar een keukenmeid en een derde meid, die goed moest kunnen tafeldienen, naaien en mazen (dat is het herstellen van versleten breiwerk).43 Reineke vroeg landschapsarchitect L.A. Springer in 1913 om de tuin te reorganiseren en liet een jaar later ook het huis verbouwen. Springer maakte een gedetailleerde inventarisatie van het park, waarvan sommige delen in slechte staat verkeerden. Onder een ansicht van rond 1910 met de vijver en het huis schreef hij in potlood: ‘drijvend bloemeneiland, bewijs van wansmaak bij eigenaar-tuinbaas’.44 Springer respecteerde de parkaanleg van zijn voorganger Zocher en richtte zich op snoeien, opruimen, bijplanten en het vervangen van boomgroepen, laanbeplanting en rododendrons.

42

Situatie tuinen De Breul, opgetekend door L. Springer, 1913. [WUR]

 

SteenhuisMeurs

Ansichtkaart van de Breul uit het archief van tuinarchitect Springer. [WUR] Portret van Pieter Reineke. [SAA]

43

 

Tuin van de Breul, 1923. [GAZ] De Breul, 1930. [GAZ]

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

Driebergseweg, bij De Breul, 1925. [GAZ]

44

De Breul vanuit de lucht, 1930. [GAZ]

Paul May In januari 1917 woonde de familie Reineke alweer in Hilversum. De Breul werd verkocht aan de Duits-Joodse bankier Paul (S.P.D.) May (1868-1940) en zijn vrouw Rosine Fuld (1871-1940). Ze gingen er na een grote verbouwing wonen. May was directielid van de Joodse Lippmann & Rosenthal Bank in Amsterdam. Hun eerste toevoeging aan het landgoed was de bouw van een garage met chau昀昀eurs- en huisknechtenwoning (1920). In 1926-29 volgde de uitbreiding en verbouwing van het hoofdhuis, onder leiding van architect J.W. Hanrath. Er ging een verdieping op, de bepleistering van de buitengevels verdween en er kwamen schuiframen. Geregeld stelde May de tuinen voor belangstellenden open en ontving hij excursies. Het leidde tot boeiende verhalen in de plaatselijke kranten over de pracht en praal van de tuinen. Op 15 mei 1940, de dag dat Nederland capituleerde, pleegde het echtpaar May zelfmoord in Amsterdam. Hun dochter Ellen von Marx-May (1897-1970) was halsoverkop met man en kinderen naar Engeland gevlucht en vandaar naar New York. De Luftwa昀昀e vorderde De Breul vrijwel meteen. Onder leiding van een Duitse bewindvoerder werd de inboedel in Amsterdam geveild, gedurende negen dagen. De opbrengst van f. 450.000,- ging grotendeels naar de Deutsche Revisions- und Treuhand AG. Het verhaal van de Lippmann & Rosenthal bank kreeg een bizar vervolg na con昀椀scatie van de bank door de Duitsers.

Ze zetten een nepvestiging op aan de Sarphatistraat, met een 昀椀liaal in Westerbork, uitsluitend gericht op het roven en wegsluizen van Joods bezit. Na de oorlog procedeerde Ellen von Marx verschillende keren voor teruggave van

SteenhuisMeurs

bezittingen en veilingopbrengsten. Nog in 2007 wees de Restitutiecommissie van het Ministerie van OCW enkele schilderijen aan haar erfgenamen toe.45

45

Scholengemeenschap De Breul.

Hockeyvelden op de overplaats van de Breul.

Scholengemeenschap Na de oorlog verkocht Von Marx-May De Breul aan de Sint Willibrordusstichting die er een jongensinternaat onder leiding van jezuïeten vestigde. Voor het gymnasium kwam nieuwbouw ter plaatse van de vroegere moestuin en bijgebouwen, ontworpen door Bernard Koldewey in 1951. Het internaat groeide uit tot een scholengemeenschap. Het hoofdhuis werd een 昀椀loso昀椀eschool en kantoor. Aan de zijde van de Arnhemse Bovenweg is ter plaatse van een voormalige groentetuin veel recenter een kantorencomplex ontwikkeld. Sinds 1993 is het landgoed in bezit van het Utrechts Landschap.

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

46

Bornia

Niet uitgevoerd plan voor de tuinaanleg van Bornia, door Leonard Springer, 1910. [RAZU]

Het landgoed Bornia ligt aan de Zeister zijde van het spoor, maar behoort tot de voormalige gemeente Driebergen-Rijsenburg (nu: Utrechtse Heuvelrug). De Breullaan (Odijkerweg) is de gemeentegrens. Deze ligging keert terug in de naam Bornia, Fries voor grensgebied. De buitenplaats werd ontwikkeld door de familie Kol. Jan Kol (1789-1848) had veel grond rond De Breul aangekocht. Een volgende Jan Kol (18281898) ontwikkelde buitenplaatsen op die familiegrond en verkocht ze vervolgens door. Zo ontstond Bornia in 1870, gebouwd op de fundamenten van de oude hofstede Brandolie.46 Huize Bornia had twee verdiepingen en was bepleisterd. De buitenplaats werd in 1873 verkocht aan mr. Jacobus Johannes Uytwerf Sterling (1817), destijds secretaris en later directeur van de Nederlandsche Rhijnspoorwegmaatschappij. Bornia was omgeven door zand, heide en bosschages. Uytwerf Sterling nam de bosaanplant van het landgoed ter hand. In 1895 verkocht hij Bornia aan G.J.E. du Marchie van Voorthuysen en zijn vrouw A.J. Wttewaall van Stoetwegen. Een jaar eerder had hij een deel van het bezit afgesplitst en separaat verkocht, dit werd landgoed Heidestein.

SteenhuisMeurs

47

 

Bornia vanuit de lucht, 2000. [RAZU] Volgende pagina: entree Bornia vanaf de Arnhemse Bovenweg.

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

48

SteenhuisMeurs

49

Thurkow-Dorrepaal In 1908 verwierven de voorouders van de huidige eigenaren het landgoed: C.T.F. Thurkow (1850-1919) en zijn vrouw W.G.L. Dorrepaal (1856-1922). Ze kochten er 500 hectare grond bij van de familie Van Tuyl van Serooskerken van Coelhorst. Het gezin, met drie kinderen, woonde in Den Haag en kwam naar Bornia voor het buitenleven, zoals het kweken van asperges en tropische planten. Een aspergeschuur werd verbouwd tot dubbel woonhuis (1909) en er kwam een tuinmanswoning met orangerie (1910), een dienstwoning (1911), een jachthut (1922) en een zomerhuis (1922).47 Thurkow was directeur van de Klattensche Cultuurmaatschappij, die in 1887 in Den Haag was opgericht.48 Hierin waren de Indische bezittingen van zijn overleden schoonvader G.L. Dorrepaal ondergebracht. Het ging om uitgestrekte plantages en fabrieken in Gondang, Kebanaroem, Papringan en Gaijamprit, allen gelegen in de afdeling Klatten (of Klaten) op Java, met een in 1887 geschatte waarde van 1,6 miljoen gulden. Op de plantages werd suiker, ko昀케e, tabak, indigo en rubber verbouwd. De weduwe en de vijf dochters van Dorrepaal hadden elk 10% van de aandelen in de Klattensche Cultuurmaatschappij en Thurkow 40%. Het echtpaar Thurkow had daarmee de helft van de onderneming in handen. De Klattensche Cultuurmaatschappij liet in 1918

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

Plan voor een badhuisje. Ontwerp H. van Dusschoten te Driebergen, 1925. [RAZU, toegang 321 inv. nr. 549]

een rijk gedecoreerd kantoor aan de Wassenaarsweg 36 in Den Haag bouwen, ontworpen door architect S. de Clercq (inmiddels een gemeentelijk monument). Clifford Kocq van Breugel In 1922 werd Bornia overgedragen aan de volgende generatie, waarbij het landgoed in drie delen werd gesplist.49 Het gedeelte met het woonhuis kwam toe aan dochter J.S. Cli昀昀ord Kocq van Breugel-Thurkow (18851973). Zij was gehuwd met de diplomaat J.R. Cli昀昀ord Kocq van Breugel (1882-1957). Het echtpaar breidde hun bezit met 50 hectare uit en verkocht in 1923 de grond aan de overzijde van het spoor aan de gemeente Driebergen, die het bij Willinkshof-Beerschoten voegde. Bornia had nu een omvang van 330 hectare. Opnieuw werd er gebouwd: een rijwielbergplaats (1923), bijgebouw (1923), een badhuis met een pagode-achtig torentje (1925) en een drooginrichting (1939). In 1940 werd Bornia gevorderd door de Duitsers. Cli昀昀ord Kocq van Breugel werd vastgezet en verbleef het grootste deel van de oorlog als gijzelaar in het Grootseminarie in het Brabantse Haaren. Zijn vrouw bracht de oorlog elders in de Driebergen door. Op het landgoed werd oorlogsbuit uit Frankrijk onder zware bewaking opgeslagen. De inventaris van het huis en het familiearchief zijn tijdens de oorlog verdwenen.

50

Uitbreiding van het huis Bornia. Ontwerp J.E.C. Majoor te Naarden, 1951. [RAZU, toegang 321, inv. nr. 1897]

Naoorlogse periode Na de oorlog keerde het echtpaar Cli昀昀ord Kocq van Breugel-Thurkow terug op Bornia. In 1946 vroeg Cli昀昀ord Kocq van Breugel een vergunning om een landhuisje op het terrein te bouwen, ontworpen door H.A. Hoogervorst uit Amersfoort en bestemd voor ‘oorlogsinvalide Gerrit Koot’.50 Rond 1950 onderhandelde Cli昀昀ord Kocq van Breugel met het Ministerie van Oorlog over de overdracht van bunker Cäsar die in zijn tuin was gebouwd. De uitkomst was dat het ministerie de bunker vorderde. Nieuwe bouwactiviteiten op Bornia betro昀昀en onder meer de uitbreiding van het hoofdhuis met een extra verdieping

SteenhuisMeurs

en grote serre (1951), de ombouw van de orangerie tot kantoor (1957) en de bouw van een schiethut (1958), een houten gebouw bij de tennisbaan (1961) en een woonkeet (1966).51 In 1982 werd 300 hectare aan de overzijde van de Arnhemse Bovenweg overgedragen aan het Utrechts Landschap. Het gebied dat ligt tussen het spoor, de boven- en benedenweg en de Breullaan bleef privé. Jarenlang woonde jonkvrouw I.C.A.L. de Beaufort-Cli昀昀ord Kocq van Breugel (1923-2023) in het landhuis. Het landgoed is aangelegd als parkbos met een gesloten karakter aan de randen. In het centrale deel zijn siertuinen.

51

Beerschoten-Willinkshof

Net als Bornia werd buitenplaats Beerschoten gebouwd nadat de Rijnspoorlijn al in bedrijf was. Het huis dateerde van 1850 en net als bij De Breul ontwierp J.D. Zocher het park, met een heuvel en waterpartijen. Opdrachtgever was A.C. Bouman uit Amsterdam, werkzaam in het verzekeringswezen. In 1864 zette Bouman Beerschoten te koop: ‘een kapitale Heerenhuizinge, Koetshuis met Stalling voor zeven Paarden, Tuinmanswoning, Daggelderswoning, Stalling voor Hoornvee, Schuurberg met stalling voor jong vee, en verdere Betimmeringen; Terrein van Vermaak met Waterpartij, Terrassen en Wandelingen, Boomgaard, uitgestrekte Moezerij en Broeijerij, Dennen- en Eiken Bosschen, Bouw- en Weiland, twee schuren bij de Broeijerij, enz., Te zamen groot 14 Bunders 61 Roeden 15 Ellen’.52 De naam Willinkshof kwam van de nieuwe eigenaar, de bankier J.A. Willink (1812-1887), die was getrouwd met M.R. (‘Mimi’) Jansen Eijken Sluijters (1823-1888). Zij was weduwe en trouwde beide keren buiten gemeenschap van goederen. Haar vader D. Jansen Eijken Sluijters was predikant van de Lutherse gemeente in Paramaribo geweest en bezat de plantages La Prosperité, Geijersvlijt, Ornamibo, Vredenburg en 1/9 deel van Livorno. Na zijn overlijden in 1840 had Maria Rebecca 1/6 aandeel in dit bezit geërfd, inclusief honderden slaven.53

Stationsomgeving Driebergen-Zeist

52

 

Vorige pagina: Beerschoten rond 1860. Litho van PW van de Wijer, naar A. Wouters. [RAZU toegang 167 inv. nr. 72] Vorige pagina: Beerschoten in 1869. Litho van J.D. Steuerwald naar P.J. Lutgers. [RAZU toegang 167 inv. nr. 72]

De tuin Het echtpaar Willink had op Beerschoten grote kassen en een verzameling varens en orchideeën. Bij de bloemententoonstelling van 1869 in Sint Petersburg werd Willink door tsaar Alexander II ontvangen.54 Na het overlijden van de tuinbaas van Beerschoten plaatste Willink een advertentie in de krant: ‘Op Beerschoten, bij Driebergen, overleed, den 13den Maart 1876, mijn Tuinbaas I.W. Mahl, nauwkeurig en kundig in zijnen werkkring, diende hij ons eenen reeks van jaren; trouw en eerlijk en welverdiend is de hulde, die ik gaarne aan zijne nagedachtenis hierbij toebrenge. J.A. Willink WSzn.’55 Vier jaar later overleed Willem, het enig kind van Willink, op zestienjarige leeftijd.56 Zonder erfgenaam liet het echtpaar de buitenplaats na aan de gemeente Driebergen. Er waren vier voorwaarden aan het legaat verbonden. De belangrijkste was om hoofdhuis, tuinmanswoning, stalling en kassen te slopen en de buitenplaats, inclusief de hertenkamp aan de overkant van de Hoofdstraat, in te richten als een openbare wandelplaats en daar de naam ‘Beerschoten-Willinkshof’ aan te geven.

De andere voorwaarden waren 2) om de opbrengst van de sloop te gebruiken voor de inrichting van het terrein, 3) om twee arbeiders van Beerschoten in dienst te nemen voor het onderhoud en ze in de koetsierswoningen te huisvesten en 4) om de opbrengsten van het landgoed (hooi, vruchten, hakhout) te bestemmen voor terreinbeheer en een eventueel overschot aan de armenkas te schenken. Willink doneerde tevens f. 30.000,- om een onderhoudsfonds te vormen.57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15681835/1