RIB24.067 Onderzoeksrapport omgang met joods vastgoed tijdens en na WOII
Tekst van het document
NIOD, collectie 94f, Omnia-dossiers, inv. nr. 1649, Brief Omnia aan de Wehrmachtsbezirksverwaltung Utrecht, d.d. 23 maart 1944. Het Omnia dossier noemt als Verwalter F.L.H. Schmidt, Charlotte de Bourbonlaan 60 in Zeist, die de schadevergoeding ontvangen zou hebben. Maar volgens het KvK dossier was niet alleen Schmidt de Verwalter maar eerst Willem Marinus Tonnon uit Utrecht, vanaf maart 1942 tot 12 november 1942, en daarna Schmidt, tot 25 februari 1943. Dan zou Tonnon dus de schadevergoeding moeten hebben ontvangen maar het Omnia dossier noemt hem niet. Zie voor het KvK dossier: Het Utrechts Archief, toegang 4004, Kamer van Koophandel te Utrecht: Handelsregister 1921-1982, inv. nr. 6840, jos bannet. 149. Terwijl volgens de benoemingen in het dossier de Omnia pas per 23 februari 1943 het beheer overnam van Schmidt.
67
Op 15 april werd er ook een inventaris van de inboedel opgemaakt. Daaruit blijkt dat er nog een inboedel aanwezig was in het huis maar de kwaliteit ervan was heel slecht. Bannet had spullen in bewaring gegeven bij kennissen en spullen van mindere kwaliteit in het huis achtergelaten. Zie: NL-HaNA, Ned. Beheers instituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, Exposée stand bewindvoeringsopdracht. Object JOS. BANNET c.s., Zeist, 31 Waterigeweg, d.d. 26 maart 1947, p. 4-5. Zie ook: Inventarisatie op 15 april 1942 in het perceel Waterigeweg 31 van Jos. Bannet. En: bijgevoegde notitie, d.d. 27 april 1942. 150. NIOD, collectie 94f, Omnia-dossiers, inv. nr. 1649, brief van de Omnia aan de Wehrmachtsbezirksverwaltung in Utrecht, d.d. 1 februari 1944. 151. NIOD, collectie 94f, Omnia-dossiers, inv. nr. 1649, Brief Omnia aan de burgemeester, d.d. 9 februari 1944. De kosten voor de schadevergoeding staan inderdaad in de jaarrekening van de gemeente in 1942 wat bevestigt dat de gemeente de bedragen voorschoot. De kosten waren eerst aan Bannet zelf betaald maar die werden van hem teruggevorderd omdat hij joods was en vervolgens uitbetaald aan de Verwalter. Zie: NL-ZtGAZ_1024-604, jaarrekening 1942, deel I, hoofdstuk XV, post 686b en Memorie van toelichting, p.12. 152. NIOD, collectie 94f, Omnia-dossiers, inv. nr. 1649.
Dit staat allemaal in een brief van de afdeling Militaire Zaken (van de gemeente kennelijk), ondertekend door de burgemeester, aan heer Wappler van de Omnia d.d. 14 februari 1944. Ook een brief van de Omnia aan de Wehrmachtsbezirksverwaltung gaat in op de vraag of het perceel al dan niet joods is, d.d. 4 september 1943. Zie voor de rol van de burgemeester bij schadevergoedingen van de Weermacht: NL-ZtGAZ_1036-1851, declaratie der gemeente Zeist, ten laste van de algemeen gemachtigde voor de Oorlogs- en Defensieschaden, wegens bij voorschot gedane uitkeering van 1/3 der vastgestelde huurwaarde van door de Duitse weermacht gevorderde perceelen (..), dienstjaar 1942. De Waterigeweg 31 staat niet op deze overzichten overigens. Dit dossier bevat ook een melding over het pand Steniaweg 12. Daar woonde de joodse familie Heijman. Nadat die gedwongen had moeten vertrekken was het zogenaamde ‘jodenhuis’ door de Weermacht gevorderd maar die betaalde een half jaar lang geen huur. De niet-joodse eigenaresse verlangde compensatie. Zie: brief van de burgemeester van Zeist aan de Algemeen Gemachtigde, d.d. 12 april 1943. Op de lijst bij Het Utrechts Archief, toegang 1202, inv. nr. 219, d.d. 3 februari 1943, staat het pand Steniaweg 12 inderdaad met de toevoeging: “Door Ortskomm. in beslag gelegd”. 153. NIOD, collectie 94f, Omnia-dossiers, inv. nr. 1649, brief NGV 25 september 1943. 154.
NIOD, collectie 94f, Omnia-dossiers, inv. nr. 1649, Brief NGV 20 juni 1943. 155. NIOD, collectie 94f, Omnia-dossiers, inv. nr. 1649, dossier I, H. van der Meulen, d.d. 13 april 1943. 156. Er werd wel huur betaald voor de volkstuintjes, zo blijkt uit het Omnia dossier: voor de periode 1 oktober 1942 tot 30 september 1943 een bedrag van f 110,50 door 18 verschillende huurders. Dat bedrag verdween direct weer naar W.J. van de Esso (waarschijnlijk een fout want in andere documenten heet hij Eshof ), Pompweg 21 in Zeist. Hij was door Schmidt gevraagd de huur te innen en huurde zelf ook een tuintje. Ook uit november 1943 is er een brief waaruit blijkt dat er toen nog huur betaald werd. Die ging toen naar de NGV. Ook Van de Eshof werd weer genoemd door Schmidt als iemand die je met opdrachten kon belasten en betrouwbaar is en die de huren inde. Zijn adres was Pompweg 21, Zeist. Volgens het Geheugen van Zeist heet die straat nu Johan de Meesterstraat. Zie: NIOD, collectie 94f, Omnia-dossiers, inv. nr. 1649, overzicht huren door F.L.H. Schmidt. En: brief Omnia d.d. 16 november 1943. En: brief Schmidt aan Sprangers, d.d. 16 november 1943. 157. NL-HaNA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, Exposée stand bewind voeringsopdracht. Object JOS. BANNET c.s., Zeist, 31 Waterigeweg, d.d. 26 maart 1947, p. 4. 158. NL-HaNA, Ned.
Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, Rapport No. 4, 1950/1951, betr. de Bwindvoering van wijlen Jos. Bannet c.s., d.d. 16 januari 1952, p. 3-4. 159. NL-HaNA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, brief van het Prijzenbureau voor onroerende zaken aan het NBI, d.d. 5 september 1947. En: brief van Levi aan het NBI, d.d. 31 maart 1947. Het is kenmerkend voor de nauwgezette wijze waarop Levi het bewind voerde dat hij in een van de financiële verslagen het erfrecht bekritiseerde dat de Nederlandse overheid handhaafde bij de nalatenschappen van vermoorde joden. Hij verwoordde het zo in een passage over de sterfdata van het gezin Bannet: “Indien nu aangenomen wordt dat de vrouw onmiddellijk na haar aankomst met haar beide dochters vergast is; verder, dat ook beide zoons in Oswiecim vergast zijn, maar bijna 1 ½ jaar later, is mijn
68
vraag: is aan deze willekeur niets te veranderen? Deze volkomen suppositieve en willekeurige regeling n.l. doet trapsgewijze verervingen onder familieleden ontstaan die in werkelijkheid zeer zeker niet bestaan hebben, en “fokt” op deze wijze volkomen kunstmatig trapsgewijze verervingen en successierechten terwijl – wel zoo goed als zeker! – de zes gedeporteerden tegelijk gemassacreerd zijn. Het zoude mij in het belang der erven ten zeerste interesseeren van U te vernemen of in dergelijke gevallen een speciale regeling bestaat die onbillijkheden van de zijde van de Fiscus voorkomt”. Hij legde de vinger op de zere plek want de vele verervingen kostten de nabestaanden geld en leverde de staat geld op. Ook Isaac Lipschits bekritiseerde deze keuze fel in zijn boekje De kleine sjoa. Zie voor het verslag van Levi: NL-HaNA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, Rapport no. 4 1950/1951, p. 1. Zie ook: Isaac Lipschits, De kleine sjoa. Joden in naoorlogs Nederland (Mets & Schilt: Amsterdam 2001), p. 134-153. Aan de andere kant stelde Wouter Veraart in zijn proefschrift dat de het successierecht bij de tussenverervingen kon worden kwijtgescholden. Het is onduidelijk of en in hoeverre dit gebeurt is.
Zie: Veraart, Wouter Jan, Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezetting en wederopbouw (Proefschrift Erasmus Universiteit Rotterdam, 2005), p. 71-72. 160. Het ging om het perceel met kadastraal nummer L 348 dat niet bebouwd was. Mogelijk lagen hier de volkstuintjes. Levie stelde ook vraagtekens bij het bestemmen tot parkgrond van dit perceel dat weliswaar achter het Slot lag maar ook tegen de fabriek aan. Zie hiervoor het beheersdossier van Bannet: NL-HaNA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546. Zie ook: NL-ZtGAZ_1036-199, Stukken betreffende de aankoop van woningen, gebouwen en terreinen van diverse personen en instanties. Zie ook: kadastrale gemeente Zeist, leggerartikelen 7379 en 4500/3796. 161. NL-HaNA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, Exposée stand bewindvoeringsopdracht. Object JOS. BANNET c.s., Zeist, 31 Waterigeweg, d.d. 26 maart 1947, p. 6. Levi had de houtbewerkingsmachines opgeslagen in zijn bedrijfspand te Halfweg. Volgens een advertentie in het Algemeen Handelsblad zouden de machines op 12 november 1947 in Zeist geveild worden maar het beheersdossier geeft niet aan of dit daadwerkelijk gebeurd is en door wie. Als Levi de machines veilde moet dit met toestemming van het NBI gebeurd zijn.
Het dossier bevat verder geen verwijzingen naar de houtbewerkingsmachines en in een voorlopig eindverslag uit 1952 noemt Levi deze machines niet. 162. NIOD, collectie 94f, Omnia-dossiers, inv. nr. 1649, Brief d.d. 18 sept 1943 an die Omnia. Zie ook: Maschinenverwertung van de Zentralauftragstelle für die besetzten Niederländische gebiete (Zast), d.d. 15 oktober 1943. Daarbij speelde de Zast een rol. Waarschijnlijk bemiddelde ze bij de verkoop en haalde ze het materiaal op in Zeist. Dit was een Duitse instantie die bemiddelde bij ordners voor het bedrijfsleven en het leveren van grondstoffen. Er is sprake van dat zij zich met geweld toegang hadden verschaft tot de fabriek. Verkoop was gegaan via een firma Inverna. 163. NL-HaNA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, Exposée stand bewind voeringsopdracht. Object JOS. BANNET c.s., Zeist, 31 Waterigeweg, d.d. 26 maart 1947, p. 5-8. Zie voor het rechtsherstel: Nationaal Archief, Den Haag, Raad voor het Rechtsherstel: Afdeling Rechtspraak, nummer toegang 2.09.48.02, inventarisnummer 211, zaak R 8035. 164. NIOD, collectie 94f, Omnia-dossiers, inv. nr. 1649, brief van de Omnia aan de WPS, d.d. 6 april 1944. 165. NL-HaNA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, Bijlage I. Toelichting bij vermogens-opstelling Jos. Bannet , Zeist, per 31 december 1949, p. 3. 166.
Het gaat hier niet om gemeentebelastingen maar om inkomstenbelasting. Zie: NL-HaNA, Ned. Beheers instituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, Rapport No. 4, 1950/1951, betr. de Bwindvoering van wijlen Jos. Bannet c.s,. d.d. 16 januari 1952, p. 2. Zie voor de betaling: NL-HaNA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, brief van Levi Betr. Uw doss. No. W 4003, d.d. 21 juni 1954. 167. NL-HaNA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, Bijlage I. Toelichting bij vermogens-opstelling Jos. Bannet , Zeist, per 31 december 1949, p. 1. 168. NL-HaNA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, 2.09.16.02, inv. nr. 31546, brief van het kantoor der directe belastingen en accijnzen te Zeist aan het NBI, d.d. 15 augustus 1950. 169. Aalders, Gerard, Berooid, p. 25-27, 37-39. 170. Zie ook: Slaa, Robin te, ‘Daar dit een immorele aanslag is’, p. 162-163. 171. Vos, Maarten-Jan en Serge ter Braake, Rechtsherstel, p. 28-31. 172. NL-ZtGAZ_3500-243, dossier III melding 3996.
69
Bronnen en overig
Met dank aan
■
Pierre Rhoen, oud-archivaris gemeente Zeist
■
Nathan Looije, collectiebeheerder Gemeentearchief Zeist
Afkortingen
■
ANBO = Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen
■
CABR = Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging
■
NBI
= Nederlands Beheersinstituut
■
NGV
= Niederländische Grundstücksverwaltung
■
RvR
= Raad voor het Rechtsherstel
■
VO
= Verordening
■
VVRA = Vermögensverwaltungs- und Renteanstalt
■
NIK
= Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, overkoepelende organisatie van Joodse Gemeenten
in Nederland
■
NIHS
= Nederlands Israëlitische Hoofdsynagoge, joodse gemeente Amsterdam en Arnhem
■
SD
= Sicherheitsdienst, geheime inlichtingendienst van de SS, in de praktijk één geheel met de Sipo
■
Sipo
= Sicherheitspolizei, politieke recherche van de SS, in de praktijk één geheel met de SD
■
WPS
= Wirtschaftsprüfstelle
■
Literatuur Aalders, Gerard, Roof. De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag: Sdu Uitgevers 1999).
■
Aalders, Gerard, Berooid. De beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945 (Amsterdam:
■
Bij ’t Vuur, Heleen en Gerrit van der Vorst, Dan komen angst en wanhoop aangeslopen (Zeist, 2020).
■
Bakker, R. (2020). Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie (Hilversum: Verbum
Boom 2001).
2020). ■
Bal, Annemiek, Het Zeister verzet. De geschiedenis van de gemeente Zeist in oorlogstijd 1940-1945, (2007, derde druk 2018).
■
Blauw, Maili, Roof en rechtsherstel in Haarlem. Vastgoed uit joods bezit en de rol van de gemeente tijdens de bezetting en de naoorlogse jaren (rapportage december 2021).
■
Bossenbroek, De Meelstreep. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam: Bert Bakker 2001).
■
Citroen, Michal, U wordt door niemand verwacht. Nederlandse joden na kampen en onderduik (Alfabet Uitgevers, 2021).
■
Croes, Marnix en Peter Tammes, ‘Gif laten wij niet voortbestaan’. Een onderzoek naar de overlevingskansen van joden in Nederlandse gemeenten, 1940-1945 (Amsterdam: Aksant 2004).
70
■
Deckers, Mark, Geruisloos verdwenen uit de bibliotheekgeschiedenis. Het lot van de ontslagen Joodse bibliotheekmedewerkers (Zutphen: Walburgpers 2022).
■
Derks, Elvire, Piet van Seeters, Jorien van der Sluijs en Flora de Vrijer, De Openbare Bibliotheek te Zeist. Zeist, Groei en Bouw (Zeist: Kerckebosch 1983).
■
Duijvendak, Maarten en Stefan van der Poel, Lege plekken. Ontvreemding van Joods vastgoed en rechtsherstel in de gemeente Groningen (1940-1955), (Onderzoeksrapport Rijksuniversiteit Groningen: November 2021).
■
Frijtag Drabbe Künzel, Geraldien von, Het geval Calmeyer (Amsterdam: Mets & Schilt 2008).
■
Gietema, Marco en Cecile aan de Stegge, Vergeten slachtoffers. Psychiatrische inrichting de Willem Arntsz Hoeve in de Tweede Wereldoorlog (Boom: Amsterdam 2017).
■
Griffioen, Pim en Ron Zeller, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België 1940-1945. Overeenkomsten, verschillen, oorzaken (Amsterdam: Boom 2011).
■
Katja Happe, Veel valse hoop. De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 (Amsterdam/Antwerpen, 2018).
■
Helmstrijd, F.A., Het Vorderingsbesluit Woonruimte toegelicht (Alphen aan de Rijn 1946).
■
Lipschits, Isaac, De kleine sjoa. Joden in naoorlogs Nederland (Mets & Schilt: Amsterdam 2001).
■
Moore, Bob, Slachtoffers en overlevenden. De nazi-vervolging van de joden in Nederland (Amsterdam: Bert Bakker 1998).
■
Michman, Jozeph, Hartog Beem en Dan Michman, Pinkas. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland (Ede/Antwerpen: Kluwer Algemene Boeken 1992).
■
Piersma, Hinke en Jeroen Kemperman, Openstaande rekeningen. De gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950 (Amsterdam: Boom 2015).
■
Piersma, Hinke, Op eigen gezag. Politieverzet in oorlogstijd (Amsterdam/Antwerpen: Querido 2019).
■
Presser, J., Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945 (Amsterdam: Aspekt 1965/2005).
■
Rhoen, R.P.M., Zij zochten Adullam in Zeist. Overzicht van de joodse inwoners van de gemeente Zeist 1940-1945 (Rotterdam: Barjesteh van Waalwijk van Doorn & Co’s Uitgeversmaatschappij 2001).
■
Rhoen, R.P.M., Een joodse school te Zeist, 1942-1943, in: Oud-Utrecht, juli/augustus 1996, p. 86-90.
■
Roof en rechtsherstel. Rapport inzake de gedwongen vervreemding en de herverkrijging door rechtsherstel van onroerende goederen van joodse eigenaren en erfpachters in de gemeente Leeuwarden, alsmede de afwikkeling van eigendomsgebonden betalingsverplichtingen dienaangaande gedurende het tijdvak 1941-1957, (Rapportage Historisch Centrum Leeuwarden 2021).
■
Romijn, Peter, Burgemeesters in oorlogstijd. Besturen onder Duitse bezetting (Amsterdam: Balans 2006).
■
Rijsselt, René van, Erik van Rijsselt en Marjolein Vlieks, Onvoltooid verleden. Ontrechting en rechtsherstel van Joodse inwoners in de gemeenten Maastricht, Amby en Heer (z.p., 2023).
■
Schütz, Raymund, Kille mist. Het Nederlandse notariaat en de erfenis van de oorlog (Amsterdam: Boom 2016).
■
Schütz, Raymund, ‘Het eeuwig terugkerende rechtsherstel (1954-2017)’. In: Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden, 20e jrg. (2018) aflevering 1, p. 118-141.
■
Slaa, Robin te, ‘Daar dit een immorele aanslag is’. De houding van de gemeente Den Haag tegenover Joodse eigenaren van onroerend goed 1940-1955 (Den Haag: De Nieuwe Haagsche 2017).
■
Slot, Eric, ‘Crimineel vastgoedcircuit verdiende grof geld aan de Jodenvervolging,’ Historisch Nieuwsblad, nr. 9/2008.
■
Tammes, Peter, ‘Nederlandse burgemeesters en de vervolging van joden’, in: Henk Flap en Marnix Croes (reds), Wat toeval leek te zijn maar niet was. De organisatie van de jodenvervolging in Nederland (Amsterdam: Het Spinhuis, 2001), p. 69-95.
■
Verordnungsblatt für die besetzten Niederländischen Gebiete Jahr 1941.
■
Vos, Maarten-Jan en Serge ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog van geroofd Joods onroerend goed. Inzicht in een administratief proces (Amsterdam: Boom 2013).
71
Archieven
Gemeentearchief Zeist ■
Toegang 1024 Gemeentebestuur Zeist, 1906-1945
■
Toegang 3500 Gemeentepolitie Zeist, 1933-1994
■
Toegang 1036 Gemeentebestuur Zeist 1946-1975, 1932-1996
■
Toegang 1044 Dienst Openbare Werken
■
Toegang 1066 Gemeentearchivaris Zeist
■
Toegang 5004 Firma H. Broedelet te Zeist, 1895-1985
■
Toegang 1029 Bouw- en Woning Toezicht (BWT), 1903-2010
Nationaal Archief in Den Haag ■
2.09.16 Nederlands Beheersinstituut (NBI), met diverse subnummers (toegang 2.09.16.01 tot en met 2.09.16.15): Beheersdossiers
■
2.09.48 Raad voor het Rechtsherstel Afdeling Onroerende Goederen, Geschillendossiers
■
2.04.53.13 Prijzenbureau onroerende zaken
■
2.09.48.02 Vonnissen van de Raad voor het Rechtsherstel, afdeling rechtspraak, kamer Utrecht
■
2.11.08.01 Directie van de Landbouw: Afdeling Grond- en Pachtzaken, (1906) 1935-1964 en de Stichting Pachtbureau van Noord-Brabant, 1938-1941
■
2.08.46 archief van het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade-uitkeringen (CADSU), 1959-1966
NIOD ■
Toegang 093a, Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg
■
Toegang collectie 94f, Collectie dossiers afkomstig uit de archieven van de Omnia-Treuhandgesellschaft
■
Toegang 270a Bijzondere Rechtspleging
Het Utrechts Archief (HUA) Toegangen ■
310 Raden van beroep voor de belastingen te Utrecht 1894-1957
■
825 Nederlandsch Israëlitische gemeente te Utrecht 1789-1965 (1979)
■
1136 Militair gezag in de provincie Utrecht 1945-1946 (1948)
■
1201 Gedeputeerde Staten van Utrecht 1920-1954
■
1202 Commissaris der Koningin in de Provincie Utrecht 1920-1954
■
1203 Gedeputeerde Staten van Utrecht 1920-1954: Gedeponeerde archieven
■
4004 Kamer van Koophandel te Utrecht: Handelsregister 1921-1982
Websites
■
https://pointer.kro-ncrv.nl/onderzoeken/de-vastgoedboeken
■
https://www.kadaster.nl/
■
https://labs.kadaster.nl/stories/verkaufsbucher/index.html
■
https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/open-data/open-data-indexen
■
https://www.joodsmonument.nl
72
73
Colofon Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Zeist in 2022-2024 Onderzoek & redactie: Maarten-Jan Vos, www.maartenjanvos.nl Grafische vormgeving: effectgroep*, Utrecht Copyright: Maarten-Jan Vos, Historisch onderzoek & meer, 2024 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur. Voor het overnemen van gedeelten uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de auteur te wenden.
74
April 2024 Historisch onderzoek & meer www.maartenjanvos.nl
Aan deburgemeester van Zeist, Mevrouw Joyce Langenacker Zeist, 19 april 2024
De Begeleidingscommissie van het onderzoek ‘Joods vastgoed in de gemeente Zeist in de Tweede Wereldoorlog’ heeft met veel belangstelling kennisgenomen van de definitieve versie van het rapport, dat historisch onderzoeker Maarten-Jan Vos in opdracht van de gemeente Zeist heeft opgesteld. Naar ons oordeelis “ Vermoedelijk met achterlating van meubilair vertrokken. Ontrechting en rechtsherstel van joodse Zeistenaren en de betrokkenheid van de gemeente tijdens de Tweede Wereldoorlog’ een op grondig feiten-en documentenonderzoek gebaseerd rapport over de gedwongen verkoop van joods onroerend vastgoed tijdens de Tweede Wereldoorlog in de gemeente Zeist en de betrokkenheid van de gemeente Zeist bij de uitvoering van de anti-Joodse maatregelen. De begeleidingscommissie onderschrijft de conclusies van de onderzoeker volledig.
Het onderzoek van Maarten-Jan Voslaat duidelijk zien dat er op geen enkele manier sprake is geweest van een directe betrokkenheid van de gemeente bij de roof van joods vastgoed. De gemeente heeft in de oorlogsjaren ook nooit zelf joods onroerend goed in beslag genomen, verkocht, aangekocht of bemiddeld bij de aankoop door anderen. De voor heel Nederland werkende Raad voor Rechtsherstel heeft er na de oorlog voor gezorgd dat de 15 panden en percelen in Zeist, die door de bezetter aan het bezit van joodse burgers waren onttrokken en ook zijn verkocht, weerin hun bezit of dat van nabestaanden zijn gekomen dan wel dat er restitutie van de waarde van het bezit heeft plaatsgevonden. Met één uitzondering, een in de oorlog bij herhaling doorverkocht perceel, is dat ook steeds in de vorm van een zogenaamde ‘minnelijke schikking’ gebeurd. In de uitzondering is ten gunste van de oorspronkelijke joodse eigenaar beslist. De gemeente Zeist heeft evenmin als andere gemeenten enige bemoeienis gehad met het werk of de beslissingen van de Raad voor Rechtsherstel. Dat neemt niet weg dat de strikt formele en van empathie verstoken gebleven procedure van de Raad voor Rechtsherstel juist voor veel joodse overlevenden en naasten vaak krenkend en pijnlijk is geweest.
Zeist telde voor de oorlog op een bevolking van bijna 25.000 niet meer dan ongeveer 60 joodse inwoners. Naar verhouding heel weinig in vergelijking metsteden als Utrecht of Amersfoort. In 1941 was het aantal opgelopen tot 284, voor een belangrijk deel door de komst van joodse Nederlanders uit de kustprovincies, uit Duitsland (vluchtelingen) en uit inrichtingen elders (overgeplaatste joodse patiënten). In 1941 werd de gemeente Zeist verplicht over te gaan tot registratie van alle joodse inwoners. Dat is ook gebeurd, waarbij opgemerkt moet worden dat burgemeester Willem Visser bij de bekendmaking van de registratieplicht ook de geldende strafbepalingen uitdrukkelijk vermeldde. Dat deed niet elke burgemeester. Al in november 1940 verplichtte de bezetter het ontslag van alle joodse ambtenaren. In Zeist betrof dat een onderwijzer aan een openbare school (ambtenaar) en een medewerker van de bibliotheek (via een subsidierelatie aan de gemeente verbonden). Na de oorlog hebben beiden rechtsherstel gekregen. Ze keerden ook beiden in hun oorspronkelijke functie terug. De onderwijzer kwam na enige tijd terug in dienst van de gemeente en de bibliotheekmedewerker vertrok naar Den Haag vanwege een aanstelling bij de Koninklijke Bibliotheek.
In de loop van 1941 en 1942 werden de joodse burgers stap voor stap verder ontrecht. Alle maatregelen die de gemeente moest nemen, zijn door de bezetter dwingend aan de gemeente opgelegd. Een deel van de maatregelen werd ook door de bezetterzelf uitgevoerd. De gemeentepolitie werd belast met de taak joodse inwoners te arresteren en er zorg voor te dragen dat hun huizen werden afgesloten. Inboedels werden op enkele locaties opgeslagen, waaronde r het
SlotZeist, dat al ruimvoor deoortog eigendom vande-gemeenteZeist was geworden. De roerende. goederen zijn voor een belangrijk deel naar Duitsland afgevoerd. Via de gemeentepolitie was de gemeente hierbij betrokken en in een enkel geval ook zelf actief bij het leeghalen van de huizen, maar er zijn geen aanwijzingen dat de gemeente daarvan ook geprofiteerd heeft. Vanaf juli 1942 begonnen de deportaties van joodse inwoners van Zeist naar de concentratie-en vernietigingskampen. Voor zover ze er nog waren, werden alle joodse inwoners van de provincie Utrechtverplicht in april 1943 de provincie te hebben verlaten. Er waren na medio 1943 zeker nog
joden in Zeist, maar alleen nog in de onderduik. Net als andere onderduikers moesten zij steeds
vrezen verraden of ontdekt te worden bij huiszoekingen. Dat gebeurde ook regelmatig.
Het onderzoek van Maarten-Jan Vosis beperkt gebleven totde vraag naarde rol van de gemeente als institutie. Het is geen onderzoek geweest naar het gedrag van individuele ambtenaren van de gemeente en ook niet naar het verzet. De eerdere onderzoeken van Heleen bij t Vuur & Gerrit van der Vorst (2020) en van Annemiek Bal (2007) gevendaar veel-informatie-over. Maarten-JanVos heeft wel de Zeister geschiedenis van ontrechting en roof in het bredere kader geplaatst van de verordeningen die door de bezetter lokaal en nationaal werden uitgevaardigd. Ook heeft hij laten zien hoe degreep van de bezetter op het gemeentelijk bestuur en de gemeentepolitie steeds harder en dwingender werd. Voor een goed begrip van het rechtsherstel na de oorlog is het ook belangrijk te weten dat het bij rechtsherstel om restitutie ging, om het ongedaan maken van het onrecht van de bezetter. Het doel was niet meer enniet minder dan het herstel van-de-situatie voor de bezetting. Het ging inderdaad niet om de erkenning en vergoeding van leed, maar alleen om de teruggave van geld en goed. De Raad voor Rechtsherstel maakte daarbij ook geen verschil tussen joden en nietjoden.
Is dit het nu? Uiteraard is nooit met zekerheid te zeggen dat met dit en de eerder uitgevoerde onderzoeken een volledig beeld is gegeven van ontrechting en rechtsherstel van joodse inwoners van Zeist in de jaren van en na de Tweede Wereldoorlog. Niet alles is gedocumenteerd en nietalle documenten zijn ook bewaard gebleven. Toch laat het onderzoek naar de roof van roerend en onroerend goed in Zeist de conclusie toe dat er geen belangrijke nieuwe inzichten of feiten meer te verwachtenzijn. De verschillende bronnen overlappen elkaar inhoudelijk tot op grote hoogte en ook het tijdens het onderzoek opgedoken onderdelen van het politiearchief heeft geen nieuw materiaal of nieuwe namen opgeleverd.
De conclusie dat de gemeente Zeist op geen enkele manier betrokken is geweest bij de roof van onroerend goed van joodse inwoners van Zeist is misschien een opluchting, maar zeker geen reden voor een gevoel van trots. Los van wat individuele ambtenaren en politiemensen gedaan hebben om hun joodse medeburgers te helpen, blijft het bij alle begrip voor de zeer geringe mogelijkheden om verzet tegen vormen van ontrechting aan te tekenen, toch ongemakkelijk om te lezen hoe passief en lijdzaam de gemeente de verordeningen van de bezetter ten uitvoer bracht. Vanuit het heden gezien is het dan eens te meerpijnlijk te zien dat ook na de oorlog heel lang weinig begrip, mededogen en medelevenis getoond met de moord op zoveel medeburgers en met het lijden van hun nabestaanden. Burgemeester Visser was geen collaborateur en was na de oorlog nog enige tijd burgemeester van Zeist, maar hij wijdde nooit een woord aan het lot van de joodse inwoners, die tijdens zijn bewind zijn beroofd en weggevoerd. De joodse gemeenschap van Zeist was klein, maar de kleine schaal maakt hun ondergang meteen ook een heel persoonlijke. Hun huizen staan er nog en maken deel uit van het decor van de levens van de huidige Zeistenaren. Er zijn foto's van hen en hun kinderen, vaak gemaakt in een nu nog vertrouwde omgeving.
Het zijn - de huizen, de foto’s, de familienamen - stuk voor stuk de ‘Stolpersteine’ van wat collectief de lokale herinnering moet blijven. Dat gebeurt al in de jaarlijkse herdenking bijhet monumentin het Walkartpark. Net als elders neemt met de tijd de belangstelling en betrokkenheid van jaar op jaar toe. Uiteraard is het aan u als bestuurder en aan de gemeenteraad te komen tot een
eigen wegingvan de-onderzoeksresultaten. De Begeleidingscommissiegeeft daarbij graag als overweging mee te streven naar een bij nieuwe generaties passend besef van de herinnering aan de doelbewust georganiseerde ondergang van de joodse bevolking van Zeist. Een herinnering, maar ook een waarschuwing voor de toekomst. Op basis van het onderzoek van Maarten-Jan Vos en de eerdere publicaties over wat er in Zeist in de oorlogsjaren is gebeurd zou een lesprogramma voor de Zeister scholen ontwikkeld kunnen worden, dat juist aan de hand van foto's, adressen en namen de gevaren van antisemitisme, discriminatie en vervolging tot een actuele en levende ervaring kan maken.
In grote, tendele ook persoonlijke betrokkenheid hebbende leden van deBegeleidingscommissie hun taak uitgevoerd. In totaal is de commissie in de periode van september 2022 tot maart 2024 acht
keer bij elkaar geweest om mee te denken met de onderzoeker, lokale informatie aan te vullen, te
reflecteren en reageren op degevonden gegevens, adviesuit te brengen aande ambtelijk en bestuurlijk opdrachtgevers en kritisch mee te lezen met het rapport van het onderzoek. Een speciaal woord van dank gaat uit naar Gerrit van der Vorst, die metzijn grote kennis van de lokale situatie in de oorlogsjaren de onderzoekerdirecte ondersteuning heeft gegeven bij zijn onderzoek.
Namens de leden van de Begeleidingscommissie — André Hamburger, Gerrit van der Vorst, Marianne Morren, Noortje van Hofwegen en Saskia van den Berg- Ebbenhorst(projectsecretaris).
Paul Schnabel Voorzitter