RIB23.032 MER-windenergie
Tekst van het document
Windturbines Isselt (Amersfoort) – vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd
Voor bovengenoemde windlocaties die deel uitmaken van de referentiesituatie geldt dat geen alternatieven worden onderzocht. Bij de begrenzing en beoordeling van de onderzoeksgebieden wordt rekening gehouden met bestaande windparken en bovengenoemde autonome ontwikkelingen (beiden onderdeeldeel van de referentiesituatie). Effecten worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.
18
Hoofdstuk 3 Effectbeoordeling 3.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de wijze van toetsing en beoordeling van de onderzoeksgebieden en de samengestelde alternatieven aan milieuthema’s toegelicht. Per milieuthema wordt ingegaan op: - het geldende toetsingskader - de onderzoeksmethode in het planMER - eventuele aanvullende onderdelen relevant voor het milieuthema - de wijze waarop de onderzoeksgebieden worden beoordeeld voor dat thema. In paragraaf 3.2 wordt eerst een overzicht gegeven van de milieuthema’s die worden beoordeeld in het kader van het planMER.
3.2
Milieuthema’s Er wordt een specifiek beoordelingskader opgesteld waarin de verwachte milieueffecten per onderzoeksgebied voor windenergie in kaart worden gebracht, getoetst en beoordeeld. Het gaat om milieueffecten die zouden optreden in de situatie waarbij in een specifiek onderzoeksgebied een windpark zou worden gerealiseerd. Het beoordelingskader bestaat uit een groot aantal beoordelingscriteria, geclusterd per thema. Het aantal beoordelingscriteria per thema is geen maat voor de relatieve zwaarte van het betreffende thema bij de afweging van een voorkeursalternatief. De volgende thema’s worden uitgewerkt in het planMER:
Leefomgeving: geluid, slagschaduw en gezondheid (paragraaf 3.3) Ecologie (paragraaf 3.4) Landschap (paragraaf 3.5) Cultuurhistorie en archeologie (paragraaf 3.6) Bodem en water (paragraaf 3.7) Recreatie (paragraaf 3.8) Energieproductie en vermeden emissies van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen (paragraaf 3.9)
Daarnaast wordt het aspect Netcapaciteit (paragraaf 3.10) separaat beoordeeld omdat dit geen milieueffect betreft.
3.2.1
Wijze van beoordeling De beoordeling van de milieueffecten wordt uitgevoerd op basis van kwalitatieve en/of kwantitatieve gegevens. De milieueffecten van de onderzoeksgebieden en alternatieven worden ten opzichte van de referentiesituatie beoordeeld waarna de scores ten opzichte van elkaar kunnen worden vergeleken. Hierbij wordt een 5-
19
puntschaal gehanteerd zoals weergegeven in Tabel 4. In het geval van een kwantitatieve beoordeling worden getalsmatige beoordelingen opgenomen in de beoordelingstabel. Tabel 4
5-punts beoordelingsschaal.
Effect
Beoordeling
Positief effect Beperkt positief effect Neutraal effect Beperkt negatief effect Negatief effect
++ + 0 --
Per alternatief wordt ook aangegeven wat de verwachte energieopbrengst is in GWh per jaar. Hiermee kan worden bepaald in hoeverre een alternatief bijdraagt aan de doelstelling van provincie Utrecht voor de hoeveelheid te produceren energie in 2030 (doelbereik).
3.3
Leefomgeving: geluid, slagschaduw en gezondheid Windturbines produceren geluid. Vaak wordt dit geluid beschreven als suizend en/of zoemend. Er is veel onderzoek gedaan naar windturbinegeluid en de effecten van blootstelling aan dit geluid. Windturbines brengen veiligheidsrisico’s met zich mee doe moeten worden getoetst (Plaatsgebonden Risico) of afgewogen (toename veiligheidsrisico van risicorelevante activiteiten) bij vergunningverlening. In het kader van het planMER worden externe veiligheidsrisico’s beoordeeld. Verder veroorzaken windturbines bewegende slagschaduw op gebouwen als gevolg van het draaien van de rotor. Deze bewegende slagschaduw wordt als hinderlijk ervaren en moet daarom worden meegenomen bij de beoordeling van onderzoeksgebieden als het gaat om effecten op de leefomgeving.
3.3.1
Toetsingskader Sinds een uitspraak10 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kunnen de landelijke normen voor windturbines (vastgelegd in Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer) op het gebied van geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid niet langer worden toegepast op windparken van 3 of meer windturbines. Voor opstellingen van 3 of meer windturbines kan op dit moment, na de uitspraak van de ABRvS, geen gebruik worden gemaakt van een landelijke norm. In de uitspraak wordt expliciet genoemd dat een bevoegd gezag ervoor kan kiezen om eigen normen te hanteren en op te nemen in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Deze normen dienen te zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op lokale situatie toegesneden motivering. Begin 2023 worden een planMER van de Rijksoverheid en een concept voor nieuwe landelijke windturbinebepalingen verwacht. In een planMER (dus ook niet in dit planMER) vindt geen toetsing aan normen plaats. In het eerste deel van het planMER wordt het aantal woningen binnen een drietal afstanden tot
10
(ECLI:NL:RVS:2021:1395)
20
windturbineopstellingen binnen zoekgebieden beoordeeld. Wanneer tijdens de uitvoering van het planMER nieuwe landelijke windturbinebepalingen bekend worden kan in het tweede een deel afstandscriterium worden gehanteerd dat op die nieuwe norm aansluit (dat kan één van de drie afstanden uit het eerste deel van het planMER zijn). Op die manier kan bij de beoordeling van alternatieven inzichtelijk worden gemaakt met welke opstellingen met windturbines naar verwachting aan de nieuwe landelijke windturbinebepalingen kan worden voldaan., ook al is de beoordeling gebaseerd op een fictieve opstelling met windturbines en is deze primair bedoeld voor een vergelijking van onderzoeksgebieden. 3.3.1.1
Gezondheid
Er bestaat een relatie tussen het geluidniveau van windturbines en hinderbeleving. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ziet hinder als een gezondheidseffect. Er zijn daarentegen geen eenduidige onderzoeksresultaten naar slaapverstoring door windturbines. Verder blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat er onvoldoende bewijs is dat het geluid van of het wonen nabij windturbines leidt tot directe gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en effecten op mentale gezondheid (RIVM, 2021). Het RIVM voert de komende periode diverse onderzoeken uit naar geluid van windturbines en laagfrequent geluid van diverse bronnen van omgevingslawaai. Zij betrekt in haar onderzoeken ook resultaten uit andere EU-lidstaten. Indien resultaten beschikbaar komen tijdens de uitvoering van het planMER wordt hierop ingespeeld. Bij de beleving van geluidhinder als gevolg van omgevingslawaai spelen akoestische en niet-akoestische factoren een rol. Onder akoestische factoren wordt zaken verstaan als het geluidniveau, de duur van maximale geluidniveaus, het tijdstip en het karakter van het geluid. Onder niet-akoestische factoren worden verstaan: de mate waarin ontvangers zich aan het geluid kunnen onttrekken, de voorspelbaarheid van het karakter/duur van het geluid, en de houding ten opzichte van de bron.
In het planMER wordt het aspect gezondheid beoordeeld met een criterium dat is gebaseerd op het feit dat samenhang bestaat tussen het percentage gehinderden en percentage ernstig gehinderden enerzijds en de geluidsterkte op leefniveau anderzijds (zie Figuur 5). In het planMER wordt geen keuze gemaakt voor een lokale norm. Bij besluitvorming over concrete projecten zijn naar verwachting landelijke normen voor geluid van windturbines van kracht, waaraan op dat moment aan getoetst kan worden.
21
Figuur 5
De relatie tussen Lden en het percentage gehinderden (wt_%A) en ernstig gehinderden (wt_%HA) binnenshuis door geluid van windturbines. De gestippelde lijnen geven de polynome benadering weer. (Bron: Janssen, Vos, & Eisses, A., Hinder door geluid van windturbines, 2008)
Voor de beoordeling van gezondheidseffecten is een separaat beoordelingscriterium geformuleerd waarmee het aantal woningen op korte afstand van een onderzoeksgebied zwaarder meeweegt dan woningen op grotere afstand. Laagfrequent geluid Windturbines maken geluid over het hele spectrum van lage en hoge tonen, waaronder laagfrequent geluid. Het laagfrequente geluid van windturbines is vergelijkbaar met andere geluidsbronnen van omgevingslawaai, zoals wegverkeer. Uit besluitvormingsprocessen voor windprojecten is in het verleden gebleken dat er zorgen bestaan dat laagfrequent geluid afkomstig van windturbines gezondheidseffecten veroorzaakt. Uit een literatuurstudie van RIVM11 uit 2021 blijkt dat het aandeel laagfrequent geluid van windturbines niet leidt tot een andere mate van hinder dan ‘gewoon’ windturbinegeluid. Op grond van inzichten uit deze studie is geconcludeerd dat wanneer mensen worden blootgesteld aan windturbinegeluid (over alle frequenties), het gehele geluidsspectrum van de windturbine (alle frequenties samen) de voornaamste oorzaak van hinder vormen, dus niet enkel laagfrequent geluid. Naar aanleiding van vragen over gezondheidseffecten van laagfrequent geluid afkomstig van diverse bronnen is het RIVM in 2021, in opdracht van enkele ministeries, het Onderzoeksprogramma Laagfrequent geluid gestart12 en zijn aanbevelingen voor vervolgonderzoek geformuleerd.
Dat vervolgonderzoek wordt momenteel 11 12
RIVM, Gezondheidseffecten van windturbinegeluid, 2021 (rapport: 2020-0214) RIVM, K.White et al., Onderzoeksprogramma laagfrequent Geluid (LFG): Stand van zaken en aanbevelingen voor vervolgonderzoek, 2021 (rapport: 2021-0187)
22
uitgevoerd. Gegeven de meest recente inzichten wordt laagfrequent geluid niet als separaat beoordelingscriterium meegenomen in de effectbeoordeling in het planMER. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het aspect laagfrequent geluid door de Minister wordt betrokken bij de voorbereiding van de nieuwe landelijke normstelling voor geluid van windturbines. Zoals eerder vermeld vindt bij toekomstige besluitvorming over concrete projecten toetsing aan de nieuwe landelijke windturbinebepalingen plaats. 3.3.1.2
Cumulatieve geluidsbelasting
In dit planMER wordt de cumulatieve geluidsbelasting op het abstractieniveau van het planMER beoordeeld. Wanneer in de omgeving van de gemodelleerde opstelling één of meer overige bronnen van omgevingslawaai aanwezig zijn, zoals snelwegen, spoorwegen, bestaande windparken, luchtvaartterreinen, gezoneerde industrieterreinen of vaarwegen, dan komt dit bij het beoordelingscriterium ‘cumulatie’ naar voren. 3.3.1.3
Stiltegebieden
Hoewel windturbines op grond van de provinciale Interim Omgevingsverordening niet zijn uitgesloten binnen stiltegebieden, veroorzaken zij wel geluid en doen zij daarmee af aan de kwaliteit van een stiltegebied. Daarom beoordeelt het planMER de onderzoeksgebieden op hun ligging ten opzichte van de stiltegebieden zoals deze in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht zijn begrensd. 3.3.1.4
Slagschaduw
De beoordeling van het aantal woningen binnen een bepaalde afstand van een gemodelleerde opstelling met windturbines kan tevens worden gebruikt voor de effectbeoordeling van slagschaduw. Dit betreft eveneens een ruimtelijk milieueffect dat van invloed is op het woon- en leefklimaat. 3.3.1.5
Externe veiligheid
Windturbines brengen net als overige productie-installaties voor energie een veiligheidsrisico met zich mee. Om die reden moeten in een planMER de onderzoeksgebieden tevens worden beoordeeld op externe veiligheidsaspecten. Als het gaat (de toename) externe veiligheidsrisico’s van transport van gevaarlijke stoffen is in de belemmeringenstudie al rekening gehouden met een (toename van) veiligheidsrisico’s. Door een bufferafstand aan te houden tot wegen en buisleidingen wordt het ontstaan van veiligheidsrisico’s grotendeels voorkomen. Daarom is geen beoordelingscriterium geformuleerd. Voor risicorelevante bedrijfsactiviteiten geldt dat op planMER-niveau geen risicoanalyse wordt uitgevoerd. Ten tijde van de voorbereiding van een ruimtelijke plan of besluit voor windturbines moet aan de hand van concrete opstellingen met windturbines en kenmerken van de te onderzoeken windturbinetypen een toetsing van de toename van externe veiligheidsrisico’s plaatsvinden. Mede op basis van dat onderzoek kunnen definitieve windturbineposities worden gekozen. Voor wat betreft het plaatsgebonden risico is geen extra beoordelingscriterium nodig. Met het aanhouden van een bufferafstand tot woningen en kernen bedraagt 23
de afstand tot beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten in alle gevallen meer dat de afstand tot de PR10-5 en PR 10-6 contour.
3.3.2
Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Per onderzoeksgebied wordt het aantal woningen binnen een drietal afstanden van de geprojecteerde opstellingen met windturbines beoordeeld. Gekozen is voor de beoordeling binnen 500 meter, 750 meter en 1.000 meter. Een afstand van 1.000 meter is indicatief voor een jaargemiddelde geluidsniveau van moderne windturbines van 42 dB Lden. Hiermee wordt het invloedsgebied goed in beeld gebracht. Het beoordelingscriterium voor ‘gezondheid’ is afgeleid van het beoordelingscriterium geluid omdat geluid van windturbines een milieuaspect is waarvoor een wetenschappelijke basis bestaat voor een samenhang met hinder. Uit Figuur 5 blijkt dat de hinderbeleving van geluid van windturbines afneemt naarmate de afstand tot de windturbines toeneemt (bij grotere afstand neemt de jaargemiddelde geluidsbelasting immers af). Om die reden wordt voor ‘gezondheid’ een beoordelingscriterium gehanteerd waarbij het aantal woningen op kortere afstand van een onderzoeksgebied zwaarder weegt dan het aantal woningen op grotere afstand. Bij het criterium wordt gekeken naar de hinderpercentages bij de afstanden van 500 meter, 750 meter en 1.000 meter (zoals weergegeven in Tabel 5). Tevens wordt beoordeeld in sprake is van cumulatieve geluideffecten door de afstand tot overige bronnen van omgevingslawaai te beoordelen.
Naast een absolute beoordeling bevat het planMER ook een relatieve beoordeling. Hierbij wordt het aantal woningen gedeeld door een schatting van de mogelijke energieproductie in het onderzoeksgebied (de gemodelleerde opstelling met windturbines). Een onderzoeksgebied kan geschikter geacht worden voor windenergie wanneer de energieopbrengst hoger is bij een vergelijkbaar aantal omwonenden.
Tabel 5
Beoordelingscriteria Leefomgeving; geluid, slagschaduw en gezondheid
Thema
Beoordelingscriterium
Methode
Geluid/ Slagschaduw
Aantal gevoelige objecten binnen 500 m
Kwantitatief: absoluut en relatief
Gezondheid
Stiltegeb.
3.4
Aantal gevoelige objecten binnen 750 m Aantal gevoelige objecten binnen 1.000 m Aantal gevoelige objecten binnen 500 m x 4 + aantal gevoelige objecten binnen 750 x 2 + aantal gevoelige objecten binnen 1.000 m x 1 Aanwezigheid overige bron omgevingslawaai binnen 1.000 m (cumulatie)
Kwantitatief
Ligging t.o.v. stiltegebieden
Kwantitatief
Ecologie De realisatie van een windpark kan effecten op beschermde natuurgebieden, soorten en aanwezige natuurwaarden hebben. Voor het aspect ecologie wordt onderscheid gemaakt tussen effecten op gebieden (onderdeel gebiedsbescherming) en effecten op beschermde soorten (onderdeel soortenbescherming).
24
3.4.1
Toetsingskader In de Wet natuurbescherming (Wnb) heeft het Rijk alle verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen verwerkt. Hoofdstuk 2 van de Wnb gaat in op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het ‘beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn’ staat in § 3.1, het ‘beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn’ in § 3.2 en het ‘beschermingsregime andere soorten’ in § 3.3. Hoofdstuk 4 bevat regels voor het verwijderen van bomen in houtopstanden. Daarnaast geldt een algemene zorgplicht op basis van art. 1.11 voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten.
3.4.1.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden Het onderdeel gebiedsbescherming geeft invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en in stand houden van bijzondere gebieden in Nederland. Deze gebieden worden gezamenlijk aangeduid als Natura 2000-gebieden. Op basis van artikel 2.7 lid 2 Wnb is het verboden zonder vergunning (van Gedeputeerde Staten) een project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante effecten kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Zie Figuur 6 voor de Natura 2000-gebieden in en nabij de provincie Utrecht. In dit kader wordt ook aandacht besteed aan het leefgebied van de doelsoort Wespendief voor Natura 2000-gebied de Veluwe en aan het handelingsperspectief13 van provincie Gelderland. In het kader van het planMER wordt geen passende beoordeling uitgevoerd. Daarvoor zijn de activiteiten in het planMER onvoldoende concreet. Het betreft immers fictieve onderzoeksopstellingen voor de vergelijking van onderzoeksgebieden. Ten tijde van de voorbereiding van besluitvorming over een concreet project moet worden beoordeeld of met een zogeheten voortoets kan worden volstaan of dat een passende beoordeling nodig is.
13
https://gelderland.parlaeus.nl/user/voorstel/action=showdoc/gd=27991/JvdM_-_Windparken_op_en_rondom_de_Veluwe__PS2022-1007_.pdf
25
Figuur 6
Natura 2000-gebieden (zowel Vogelrichtlijn als Habitatrichtlijngebieden)
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Met het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beoogd om van bestaande en nieuwe natuur een goed functionerend netwerk te maken. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden’ van het NNN. Op plannen, projecten of handelingen binnen het NNN is het ‘nee, tenzij’- regime van toepassing. Vanaf 1 oktober 2012 is het ‘nee, tenzij’-regime vastgelegd in het Besluit algemene regelingen ruimtelijke ordening (Barro). Plannen in NNN moeten voldoen aan de gestelde regels van de vigerende provinciale Omgevingsverordening, waarin de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk zijn uitgewerkt. Op grond van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht wordt geen externe werking toegekend aan gebieden die deel uitmaken van Natuurnetwerk Nederland. Wanneer een project leidt tot aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden binnen het NNN, dienen gelijktijdig met de ruimtelijke ingreep (compensatie)maatregelen te worden genomen die leiden tot een meerwaarde voor het NNN. Zie Figuur 7 voor NNN-gebieden in/nabij provincie Utrecht.
26
Figuur 7
Begrenzing NNN gebieden in provincie Utrecht en directe omgeving
Weidevogelkerngebieden Een derde categorie beschermde gebieden betreft de categorie weidevogelkerngebieden. Alhoewel op grond van de Interim Omgevingsverordening is zeker gesteld dat de kwaliteit van het leefgebied van weidevogels moet worden behouden in geval van ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de ontwikkeling van windenergie, worden effecten op weidevogelkerngebieden wel inzichtelijk gemaakt in het planMER. Het is immers relevant om te weten in welke gebieden het weidevogelbeheer wordt geconcentreerd zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij afweging van locaties voor de ontwikkeling van windenergie. Soortenbescherming 3.4.1.2
Soortenbescherming
Behalve naar het onderdeel gebiedsbescherming wordt ook gekeken naar het onderdeel soortenbescherming. Windturbines kunnen namelijk effecten op beschermde (dier- en planten)soorten hebben. In dit planMER worden uitsluitend effecten in de gebruiksfase beoordeeld. Beschermde soorten kunnen effecten van windturbines ondervinden door o.a. verlies aan leefgebied, door afname van de kwaliteit van het leefgebied (verstoring), door barrièrewerking, vermijding of door sterfte als gevolg van aanvaringen met de rotorbladen. Windturbines kunnen leiden tot aanvaringsslachtoffers of barotrauma bij met name vogels en vleermuizen. Het opzettelijk doden (de wet gebruikt deze term) van beschermde diersoorten is op basis van de Wet natuurbescherming verboden (zie artikel 3.1, eerste lid, artikel 3.5, eerste lid en artikel 3.10, eerste lid). Hierbij dient te worden opgemerkt dat blijkens de Europese en nationale jurisprudentie onder ‘opzet’ ook voorwaardelijke opzet moet worden verstaan. Dit betekent dat 27
het niet alleen gaat om het moedwillig doden van dieren (dit zal nooit de bedoeling zijn van een exploitant van een windturbinepark), maar dat het verbod ook wordt overtreden indien redelijkerwijs voorzien kan worden dat er dieren worden gedood. Gelet op het feit dat alle van nature in het wild voorkomende soorten vogels en vleermuizen beschermd zijn en deze soortgroepen vrijwel overal voorkomen kan er, redelijkerwijs, van worden uitgegaan dat er bij elk windturbinepark sprake zal zijn van het opzettelijk doden in de zin van de Wnb en dat er altijd een ontheffing op grond van deze wet noodzakelijk is. Voor welke soorten dieren dit het geval is zal uit ecologisch onderzoek moeten blijken.14 In het kader van de ontheffingsaanvraag wordt vervolgens onderzocht onder welke soorten slachtoffers voorzienbaar zijn, om welke aantallen het gaat en of de gunstige staat van instandhouding (SvI) van de soort in het geding is. Toetsing aan de SvI past niet bij het detailniveau van een planMER en maakt wel deel uit van ecologisch onderzoek in het kader van besluitvorming over concrete projecten.
3.4.2
Beoordelingscriterium en effectbeoordeling In het planMER wordt de ligging ten opzichte van beschermde gebieden (Natura 2000, NNN en weidevogelkerngebieden) beoordeeld. Voor de beoordeling van effecten wordt onder meer gebruikt gemaakt van de kaarten die onderzoeksbureau Sovon c.s. in 2021 in opdracht van provincie Utrecht heeft opgesteld.
Tabel 6
3.5
Beoordelingscriterium Ecologie
Thema
Beoordelingscriterium
Methode
Ecologie
- Effecten op beschermde gebieden (Natura 2000, NNN, weidevogelkerngebieden) - Effecten op beschermde soorten
Kwalitatief & kwantitatief
Landschap Windparken hebben impact op de beleving van het landschap. Windturbines kunnen nieuwe kwaliteiten toevoegen, maar bestaande kwaliteiten kunnen ook worden aangetast.
3.5.1
Toetsingskader Op grond van de Interim Omgevingsverordening worden kernkwaliteiten behorende bij de onderscheiden landschapstypen beschermd. Onevenredige aantasting door nieuwe activiteiten moet worden voorkomen. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden gemotiveerd wat de aanwezige kernkwaliteiten zijn en wat de wijze is waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. In de Interim Omgevingsverordening zijn tevens gebieden met aardkundige waarden onderscheiden. De ontwikkeling van windenergie kan effect hebben op deze waarden.
14 Zie voor meer informatie: https://www.provincie-utrecht.nl/onderwerpen/energie-en-kli-
maat/wind/windturbineparken-en-de-wet-natuurbescherming
28
3.5.2
Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Effect op landschappelijke waarden Effecten op de landschappelijke waarden worden beoordeeld aan de hand van de locatie van de windturbines en het landschapstype waarin deze is geprojecteerd. Elk landschapstype kent zijn eigen kenmerken en kwaliteiten, daarom is het van belang om dit specifiek per landschapstype te beoordelen. Bij de beschrijving van de landschappelijke waarden wordt zoveel mogelijk aangesloten bij beschikbaar provinciaal beleid zoals de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen en de in de Omgevingsverordening vastgelegde kernkwaliteiten. Effect op landschappelijke structuren Effecten op landschappelijke structuren worden beoordeeld aan de hand van de locatie van de windturbines ten opzichte van aanwezige grootschalige landschappelijke structuren. Beoordeeld wordt of het windpark aansluit bij (parallel loopt aan) de landschappelijke structuren op macroniveau. Aanname is dat windturbines alleen op macroniveau een relatie aangaan met het landschap. Aardkundige waarden Op grond van de Interim Omgevingsverordening worden gebieden met aardkundige waarden beschermd. Het betreft onder meer gebieden met geologische, geomorfologische en bodemkundige verschijnselen, die representatief zijn voor de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van het landschap, zoals kenmerkend reliëf of een kenmerkende bodemopbouw.
Visuele interferentie met bestaande windturbines en/of hoogspanningstracés Voor elk onderzoeksgebied wordt beoordeeld in hoeverre sprake is van interferentie met bestaande windparken en hoogspanningsverbindingen. Alhoewel deze beoordeling lastig is uit te voeren voor alle standplaatsen rond een onderzoeksgebied is een beoordeling of sprake is van een storend beeld waardevol voor de vergelijking van onderzoeksgebieden.
Tabel 7
Beoordelingscriteria Landschap
Thema Landschap
Beoordelingscriterium
Methode
- Effect op landschappelijke waarden - Effect op landschappelijke structuren - Ligging t.o.v. aardkundige waarden - Visuele interferentie met andere windturbines/hoogspanningsverbindingen
Kwalitatief
3.6
Cultuurhistorie en archeologie
3.6.1
Toetsingskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) In de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht zijn regels gesteld met het oog op het beschermen en benutten van de waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). Doel is om cultuurhistorische waarden van de leefomgeving te beschermen en te benutten, door ze beter zichtbaar en beleefbaar te maken en door ze te gebruiken als dragers en aanjagers van ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur ligt de nadruk op gebieden die gemeentegrenzen overstijgen: historische buitenplaatszones, militair 29
erfgoed, agrarische cultuurlandschappen, archeologisch waardevolle zones en historische infrastructuur. Hollandse Waterlinies UNESCO is een organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur. Een van de doelen van UNESCO is om cultureel- en natuurlijk erfgoed van unieke en universele waarde te behouden voor de toekomst. UNESCO heeft binnen Nederland 12 werelderfgoederen aangewezen die vanwege hun landschappelijke en cultuurhistorische waarden ook op grond van rijks- of provinciaal beleid beschermd werden. Een van deze werelderfgoederen betreft de Hollandse Waterlinies, een gezamenlijke noemer voor de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Op grond van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht gelden regels voor instandhouding en versterking van de Hollandse Waterlinies. Figuur 8
Zoneringskaart Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies
In opdracht van provincies Noord-Holland, Gelderland, Utrecht en Noord-Brabant is het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies opgesteld. Het Afwegingskader geeft inzicht in de risico’s op aantasting van de kernkwaliteiten (uitzonderlijke universele waarde) van de Hollandse Waterlinies en geeft daarmee inzicht in de kansrijkheid van initiatieven voor zonne- en windenergie binnen het Werelderfgoedgebied. Om te kunnen toetsen of een specifieke ruimtelijke ontwikkeling daadwerkelijk wel of niet in het Werelderfgoed kan worden ingepast moet een Heritage Impact Asessment (HIA) worden uitgevoerd. Een HIA maakt geen onderdeel uit van dit planMER.
30
Archeologie Het in 1992 door Nederland ondertekende Verdrag van Malta regelt archeologisch erfgoed op Europees niveau, met als belangrijkste doel het behoud van dit erfgoed in situ. Dit is verder uitgewerkt in de Monumentenwet, Ontgrondingwet, de Wet milieubeheer en de Woningwet. De Monumentenwet is in 2016 komen te vervallen en deels opgegaan in de Erfgoedwet. Bij een activiteit dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. In de Erfgoedwet is beschreven in welke gevallen onderzoek en/of behoud noodzakelijk is. Het deel van de Erfgoedwet dat betrekking heeft op besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over in de toekomstige Omgevingswet.
3.6.2
Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Ligging t.o.v. cultuurhistorische gebieden en objecten Bij dit beoordelingscriterium wordt de mate en wijze van aantasting van cultuurhistorisch waardevolle gebieden en objecten van het landschap door windturbines beoordeeld. Het gaat om de vraag in hoeverre de komst van windturbines invloed heeft op de beleving en zichtbaarheid van de cultuurhistorische gebieden en objecten van het landschap. Hierbij wordt aangesloten bij de Cultuurhistorische Hoofdstructuur zoals begrensd in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht. Ligging t.o.v. UNESCO werelderfgoed Hollandse Waterlinies In het planMER worden effecten op ‘gele zone’ uit het Afwegingskader beoordeeld. De ‘rode’ en ‘oranje’ zone zoals begrensd in het Afwegingskader zijn in het planMER als complexe belemmering voor windenergie opgenomen. Ligging t.o.v. gebieden met archeologische waarden De effecten op archeologische waarden worden kwalitatief beschreven. Hierbij wordt gekeken naar de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van archeologisch waardevolle zones, zoals de Limes, Utrechtse Heuvelrug en Dorestad. Om de ligging van en effecten op archeologische waarden te bepalen, wordt gebruik gemaakt van beschikbare geo-informatie en van provinciaal beleid.
Tabel 8
Beoordelingscriteria Cultuurhistorie en archeologie
Thema Cultuurhistorie en archeologie
Beoordelingscriterium
Methode
- Ligging t.o.v. op cultuurhistorische gebieden en objecten - Ligging t.o.v. UNESCO werelderfgoed Hollandse Waterlinies
kwantitatief
- Ligging t.o.v. gebieden met archeologische waarden
kwalitatief
3.7
Bodem en water
3.7.1
Toetsingskader Bodem Bij de aanleg van de windturbines zullen bodemwerkzaamheden plaatsvinden. De windturbines worden gefundeerd op een betonnen voet met een paalfundatie. Daardoor zal een hoeveelheid grond ontgraven moeten worden. Op grond van de Wet bodembescherming dient, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit.
31
Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit zijn in 2008 in werking getreden. Het Bbk bevat regels voor duurzaam bodembeheer voor enerzijds de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu en anderzijds gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen. Water Op grond van de Wet ruimtelijke ordening moet bij een ruimtelijke ontwikkeling inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding. In de Waterwet zijn de waterhuishouding, veiligheidsnormering voor primaire waterkeringen, het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld. In de Keur van de Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Rivierenland en Vallei en Veluwe staan de regels voor het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden, grondwater en ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken. Daarnaast heeft de provincie Utrecht beschermingsgebieden aangewezen voor drinkwaterwinning, namelijk waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. Binnen deze gebieden gelden beperkingen voor overige ruimtelijke functies.
3.7.2
Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Bodem Om een inschatting te maken van de effecten op de bodem binnen de onderzoeksgebieden worden beschikbare bronnen over bodemkwaliteit geraadpleegd zoals gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten. Water Op basis van de Legger van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Waterschap Rivierenland, Waterschap Vallei en Veluwe en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Rijkswaterstaat wordt in kaart gebracht of de onderzoeksgebieden nabij primaire of secundaire waterkeringen gelegen zijn. Verder wordt voor elk onderzoeksgebied in kaart gebracht of het gelegen is in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.
Tabel 9
Beoordelingscriteria Bodem en water
Thema
Beoordelingscriterium
Methode
Bodem
Ligging t.o.v. zones in de bodemkwaliteitskaart Ligging t.o.v. waterkeringen Ligging t.o.v. waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden
Kwantitatief
Water
3.8
Kwantitatief
Recreatie Hoewel er geen toetsingskader is voor het beoordelen van de effecten van windparken op recreatie wordt het relevant geacht als het planMER tevens inzicht biedt in mogelijke effecten op recreatie. Dat kan worden uitgevoerd door de onderzoeksgebieden te beoordelen op hun ligging ten opzichte van recreatiegebieden waar op jaarbasis grote groepen bezoekers aanwezig zijn van binnen en buiten de provincie. Te denken valt aan gebieden voor waterrecreatie zoals Vinkeveense en Loosdrechtse plassen, Maarsseveense plassen en het Henschotermeer en wandel- en
32
fietsgebieden zoals het Oortjespad en Kwintelooijen maar ook aan overige recreatiezones. Groen Groeit Mee Provincie Utrecht, U10, Regio Amersfoort, het Utrechtse deel van de Regio Foodvalley en de vier Utrechtse waterschappen werken samen in het kader van Groen Groeit Mee aan de afspraak gemaakt om bij alle ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkelingen, groenontwikkeling evenwichtig en volwaardig mee te nemen. Groen Groeit Mee pleit niet alleen voor meer groen, maar ook voor beter groen: groen dat bekender is, diverser en makkelijk toegankelijk. Vijf groene waarden geven invulling (en afbakening) aan Groen Groeit Mee: toegankelijk groen, landschapsinclusieve landbouw, veerkrachtige natuur, beleefbaar landschap en zichtbaar water. In dit planMER komen deze waarden van Groen Groeit Mee terug in de invulling van verschillende milieuthema’s, in de eerste plaats bij het milieuthema ‘Recreatie’, maar er zijn ook raakvlakken met ‘Landschap’ en ‘Cultuurhistorie en archeologie’. Tabel 10
3.9
Beoordelingscriterium Recreatie
Thema
Beoordelingscriterium
Methode
Recreatie
Ligging t.o.v. recreatiegebieden
Kwantitatief
Energieproductie Wanneer windturbines elektriciteit produceren, wordt op dat moment minder ‘grijze’ stroom door kolen- en (vooral) gascentrales geproduceerd. Hierdoor wordt de uitstoot van CO2, fijnstof en emissies van luchtverontreinigende stoffen verminderd.
3.9.1
Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Per onderzoeksgebied wordt een lijn of clusteropstelling gemodelleerd. Voor deze opstelling wordt een berekening gemaakt van de energieopbrengst aan de hand van langjarige meteogegevens en de powercurve van de referentieturbine (elektriciteitsproductie per windsnelheid). Hoe groter de energieopbrengst, hoe groter de vermeden emissies.
Tabel 11
3.10
Beoordelingscriteria Energieopbrengst en vermeden emissies
Thema
Beoordelingscriterium
Methode
Energieopbrengst
Elektriciteitsproductie
Kwantitatief
Vermeden emissies broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen
Kwantitatief
Netinpassing Het Nederlandse elektriciteitsnet staat onder druk door de snelgroeiende vraag naar aansluitcapaciteit. Netinpassing is daarom een belangrijk aandachtspunt bij de energietransitie.
33
3.10.1
Beoordelingscriterium en effectbeoordeling De onderzoeksgebieden worden beoordeeld op de afstand tot de dichtstbijzijnde mogelijkheid voor aansluiting op het elektriciteitsnet (zoals transformatorstations en onderstations). Het gaat om stations in provincie Utrecht en directe omgeving. Hierbij wordt ook expliciet de beschikbare ruimte meegewogen, waarvoor overleg met netbeheerder Stedin wordt gevoerd. Tevens wordt rekening gehouden met de uitvoering van het investeringsplan 2022 van Stedin met het oog op 2030.
Tabel 12
3.11
Beoordelingscriterium netinpassing
Thema
Beoordelingscriterium
Methode
Netinpassing
Ligging t.o.v. netinpassing
Kwantitatief
Leemten in kennis Het planMER zal een hoofdstuk bevatten waarin leemten in kennis worden beschreven. Het gaat daarbij ook om zaken die wel bekend zijn voor windturbines, maar die niet passen bij het detailniveau van een planMER, omdat ze niet relevant zijn voor de locatiekeuze en beleidsontwikkeling. Veel van deze aspecten komen aan bod bij nader onderzoek naar opstellingsmogelijkheden binnen een onderzoeksgebied, in geval van besluitvorming over concrete projecten.
3.12
Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die genomen kunnen worden om effecten te beperken (verminderen) dan wel geheel te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is de inzet van een transpondersysteem waarmee vliegtuigen en andere luchtvaartuigen kunnen worden gedetecteerd zodat verlichting op de windturbines niet permanent hoeft te branden. Ook kan techniek worden ingezet om vogels en vleermuizen te detecteren, in combinatie met een stilstandregeling. Een ander voorbeeld van een maatregel bestaat uit het kiezen van een stiller windturbinetype. Veel maatregelen zijn generiek en daarmee voor alle onderzoeksgebieden gelijk. Mitigerende maatregelen in de zin van een projectMER, waarbij tevens de economische uitvoerbaarheid wordt beoordeeld, vallen buiten het detailniveau van dit planMER en kunnen worden meegenomen bij onderzoek in geval van besluitvorming over concrete windenergieprojecten. Waar mogelijk wordt wel op hoofdlijnen aangegeven of milieueffecten nog verder terug te dringen zijn met mitigerende maatregelen, zodat dit kan worden meegenomen bij eventuele toekomstige besluitvorming over windprojecten.
3.13
Monitoringsmaatregelen In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels opgenomen over monitoring. Deze monitoring heeft als doel om te beoordelen of doelstellingen en/of verplichtingen vanuit de Europese wetgeving en internationale verdragen worden behaald. Op grond van artikel 11.5 (monitoring planMER) van het Omgevingsbesluit geldt het volgende:
34
1. Het bevoegd gezag monitort de aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma, waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2. Het bevoegd gezag kan hiervoor gebruik maken van bestaande monitoring. 3. Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar. 4. Het bevoegd gezag neemt, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de onvoorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Op basis van de resultaten van het planMER worden aanbevelingen voor de wijze van monitoring en aanbevelingen voor passende maatregelen opgenomen.
35
Hoofdstuk 4 Participatie Deze NRD beschrijft de onderzoeksopzet voor het planMER voor de beoordeling van onderzoeksgebieden windenergie in de provincie Utrecht. In het ‘Participatieplan Verkenning en Voorkeursbeslissing windenergie Provincie Utrecht’ is beschreven hoe belanghebbenden bij dit proces van de NRD, het planMER en de afweging van het voorkeursalternatief worden betrokken. Dit participatieplan is door eenieder te raadplegen op www.provincie-utrecht.nl/wind. Dit hoofdstuk beschrijft in het kort welk proces tot nu toe is doorlopen (voornamelijk in het kader van de RES 1.0) en welke structuren op dit moment al functioneren. Vervolgens wordt in het kort toegelicht wat het doel is van het participatieproces dat specifiek voor de windenergieopgave voor 2030 wordt doorlopen en hoe de input van derden wordt verwerkt in het m.e.r.-proces. Meer informatie over het participatietraject staat in het participatieplan.
4.1
Wat ging aan het planMER vooraf?
4.1.1
RES 1.0 Zoals afgesproken in het Klimaatakkoord zijn er in Nederland 30 RES-regio’s, waarin een regionaal aanbod voor duurzaam opgewekte elektriciteit en warmte in de periode tot 2030 wordt uitgewerkt. De afspraken over elektriciteit hebben betrekking op de inpassing en realisatie van 35 TWh (grootschalig) duurzaam opgewekte elektriciteit uit zonne- en windenergie. Tijdens de vergaderingen van Provinciale Staten (PS) van Utrecht in juni en oktober 2021 zijn de RES 1.0 van de regio’s Amersfoort, Foodvalley en U16 vastgesteld. Ook de gemeenteraden en algemene besturen van de waterschappen hebben de RES 1.0 aangenomen met uitzondering van de gemeenteraad van Montfoort. Na de besluitvorming over de RES 1.0 is in elke regio een plan van aanpak of uitvoeringsplan gemaakt. Hierin zijn activiteiten beschreven om de afspraken die in de RES 1.0 gemaakt zijn tot uitvoering te brengen. Bij het opstellen van deze plannen is rekening gehouden met de moties en amendementen die door gemeenteraden en PS zijn aangenomen. Bij een aantal gemeenten zijn tijdens het vaststellen van de RES 1.0. zoekgebieden voor wind geschrapt waardoor er spanning is gekomen op de realisatie van het bod van de RES en de verhouding zon/wind.
4.1.2
Oproep provincie n.a.v. Tussenbalans De provincie Utrecht heeft medio 2022 een Tussenbalans opgesteld met daarin een analyse van de plannen van de RES regio’s. De Tussenbalans is aan de hand van de monitoringsrapportages van de drie RES-regio’s opgesteld. De Tussenbalans laat voor zon op dak een positieve groei zien. De ontwikkeling van zon op land en met name wind op land blijft echter achter. Hierdoor staat de haalbaarheid van de RES’en onder druk en is er een scheve verhouding zonne-/windenergie. Dit was aan-
36
leiding voor de provincie om een oproep te doen aan gemeenten om voor 1 december 2022 bestaande windplannen te concretiseren en tot aanvullende windenergielocaties te komen. Uit de reacties op deze oproep komt naar voren dat een meerderheid van de gemeenten ervoor open staat om met windenergie aan de slag te gaan. De meeste gemeenten maken de plannen echter nog niet concreet door (extra) zoekgebieden toe te voegen. Desalniettemin zijn er enkele nieuwe zoekgebieden door gemeenten naar voren geschoven die meegenomen kunnen worden in de provinciale planMER.
4.1.3
Bestuurlijke afstemming In de tweede helft van 2022 heeft de provincie Utrecht met alle gemeenten bestuurlijke gesprekken gevoerd over de mogelijkheden voor extra windenergie. Hieruit blijkt dat de oproep van de provincie in meerdere gemeenten heeft geleid tot nieuwe gesprekken over windenergie. De uitkomst van deze gesprekken is verschillend per gemeente zoals ook valt te lezen in de provinciale rapportage voortgang windenergie van februari 2023. Daarnaast zijn er aan de bestuurstafels van de RES regio’s afspraken gemaakt over de afstemming tussen het vervolgproces van het planMER voor windenergie en het RES proces (zie ook 4.3). Eén van de afspraken is dat de provinciale planMER voor windenergie zo opgesteld wordt dat het ook benut kan worden voor de herijking van de RES’en.
4.2
Doel participatieproces Participatie wordt georganiseerd met het oog op een verkenning van meningen en standpunten ten aanzien van de geschiktheid van onderzoeksgebieden voor windenergie zodat bij de samenstelling van een voorkeursalternatief geen zaken over het hoofd worden gezien. In het participatieplan is beschreven welke belanghebbenden in welke fase en op welke manier bij de voorbereiding van besluiten worden betrokken. In het participatieplan worden 4 fasen of stappen onderscheiden: 1. Verkenningsfase 1 : (ontwerp) NRD 2. Verkenningsfase 2: planMER 3. a. Afweging voorkeursalternatief b. Voorkeursbeslissing 4. Projectbesluit Partijen die bij het proces zullen worden betrokken zijn erg divers en zijn ingedeeld in de volgende groepen van belanghebbenden: i. Medeoverheden: 26 gemeenten (bestuurlijk, ambtelijk en raadsleden), RES regio’s, buurprovincies en waterschappen; ii. Stakeholders: netbeheerder, natuurorganisaties, landbouworganisaties, ontwikkelaars, energiecoöperaties ect.; iii. Inwoners; omwonenden, voor- en tegenstanders en bewonersgroepen. Het participatieplan bevat een beschrijving van inspanningen tot en met de fase waarin het voorkeursalternatief in ontwerp wordt gepubliceerd en vervolgens vast-
37
gesteld. Daarna starten participatietrajecten per projectlocatie, waarin ofwel gemeenten of provincie een rol heeft als bevoegd gezag. Voor stap 4 wordt een participatieproces ontworpen dat is afgestemd op de lokale omstandigheden.
4.3
Samenwerking in het verdere proces Met de RES regio’s en gemeenten is afgesproken dat er afstemming is over het plan m.e.r. proces, zowel ambtelijk als bestuurlijk. De afstemming is besproken aan de bestuurstafels van de 3 RES regio’s en komt neer op de volgende 5 afstemmingsmomenten: Plan van aanpak: Zoals besproken met de RES regio’s zijn de afstemmingsmomenten in dit plan van aanpak opgenomen en is hierin ook aangegeven dat het planMER óók ten dienste staat van het RES proces. Dit houdt in dat het planMER benut kan worden voor de herijking van de RES, maar ook dat gebieden meegenomen worden van gemeenten met eigen onderzoekswens. Het plan van aanpak is besproken op de bestuurstafels van de RES’en. Notitie Reikwijdte en Detailniveau: De NRD is opgesteld in afstemming met en ook ten dienste van RES en individuele gemeenten. Gemeenten, RES regio’s en buurprovincies hebben de mogelijkheid gekregen om input te geven op de ontwerp NRD voordat deze ter inzage kwam te liggen. Op de bestuurstafels van de RES’en is de ontwerp NRD ter consultatie geagendeerd voordat de NRD ter inzage kwam te liggen. PlanMER: Overleg in RES regio’s over thematische alternatieven en ontwerp planMER. Afgesproken is dat de ontwerp planMER eerst met gemeenten besproken wordt (zowel ambtelijk als bestuurlijk) wordt zodat eventuele input meegegeven kan worden.
Hiervoor worden in gezamenlijk overleg mogelijk extra RES bestuurstafels ingepland indien dit voor de planning nodig is. Instapmoment voor gemeenten: Provincie Utrecht brengt ontwerp planMER en het voorkeursalternatief in RES regio’s ter bespreking ten behoeve van een open gesprek over wie welke volgende stap neemt. Samen met gemeenten zal besproken worden hoe de rolverdeling tussen gemeente en provincie zal zijn. Voor de provincie Utrecht staat het doel (1TWh) en de planning (vergunning 2025) wel vast. Bij het voorkeursalternatief dat door de provincie ontwikkeld wordt zal rekening worden gehouden met de uitkomst van de gesprekken met gemeenten. Voorkeursbeslissing: De afweging van criteria om tot keuzes te komen moet nog uitgewerkt worden en zal o.a. met RES partners nog besproken worden. Elke RES regio krijgt de mogelijkheid om een gezamenlijk advies te geven over hoe om te gaan met verwerking van het voorkeursalternatief in de voorkeursbeslissing. Gemeenten kunnen hierbij aandachtspunten en voorkeuren meegeven voor ruimtelijke inpassing van windturbine. Dit advies wordt door de provincie meegenomen in de afwegingen die genomen moeten worden bij het opstellen van de voorkeursbeslissing.
38
Bijlage A Figuren voor lezers met een visuele beperking De volgende pagina’s tonen de figuren 1, 2, 3, 6, 7 en 8 op groot formaat en in een kleurstelling die geschikter is voor mensen met een visuele beperking. Het betreft de volgende figuren: Figuur 1 Begrenzing (delen van) RES gebieden in Provincie Utrecht .......................... 4 Figuur 2 Gebieden met harde of complexe belemmeringen voor windturbines, al lopende projecten en resterende ruimte ................................................................................... 13 Figuur 3 Begrenzing plangebied MER: onderzoeksgebieden windenergie ............... 15 Figuur 6 Natura 2000-gebieden (zowel Vogelrichtlijn als Habitatrichtlijngebieden) 26 Figuur 7 Begrenzing NNN gebieden in provincie Utrecht en directe omgeving ....... 27 Figuur 8 Zoneringskaart Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies ... 30
39
Figuur 1
4 0 40
Figuur 2
4 1 41
Figuur 3
4 2 42
Figuur 6
4 3 43
Figuur 7
4 4 44
Figuur 8
4 5 45
Bijlage B Afkortingen en begrippen Activiteitenbesluit milieubeheer Een set van regels voor bedrijven die onder de Wet milieubeheer vallen. Alternatief Eén van de mogelijke (sets) oplossingen voor het initiatief. Ashoogte De hoogte van de rotor-as, waaraan de rotorbladen van de windturbine zijn bevestigd, ten opzichte van het maaiveld. Autonome ontwikkeling Ontwikkelingen, die optreden zonder dat één van de alternatieven wordt uitgevoerd. Bevoegd gezag Overheidsorgaan dat bevoegd is het m.e.r.-plichtige besluit te nemen en die de m.e.r.- procedure organiseert. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen ten opzichte van kwetsbare objecten. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Algemene maatregel bestuur die een veiligheidsnorm oplegt aan overheden, welke besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein.
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Bevat regels met het oog op de externe veiligheid voor bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Contour Een lijn getrokken door een aantal punten van gelijke (geluids)belasting. Door contouren te berekenen, is het mogelijk het gebied vast te stellen dat een bepaalde (geluids)belasting ondervindt. dB(A) Maat voor het geluiddrukniveau waarbij een frequentieafhankelijke correctie wordt toegepast voor de gevoeligheid van het menselijke oor. Geluidhinder Gevaar, schade of hinder als gevolg van geluid. GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Dienst voor openbare gezondheidszorg van één of meerdere samenwerkende gemeenten. Gedeputeerde Staten (GS) Het dagelijks bestuur van de provincie. Habitatrichtlijn Europese richtlijn uit 1992 die de instandhouding van de biodiversiteit op het oog heeft door bepaalde habitats en soorten te beschermen.
46
Handreiking Risicozonering Windturbines Hierin wordt het bevoegd gezag geadviseerd zich ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening rekenschap te geven van de gevolgen van de plaatsing van een windturbine nabij een risicovol bedrijf voor het groepsrisico van dat bedrijf. Immissie De concentratie van een bepaalde stof op leefniveau (1,5 meter). Infrageluid Geluid dat niet meer te horen is door het menselijk oor, <20 Herz. Inpassingsplan Ook het Rijk en de provincies hebben op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de bevoegdheid om bestemmingsplannen te maken. In die situaties wordt in de Wro gesproken van inpassingsplannen. Met dit instrument kunnen de nationale en/of provinciale belangen ruimtelijk vastgelegd worden. Voor provinciale inpassingsplannen is dit in paragraaf 3.5.1 van de Wro geregeld. Instandhoudingsdoelstellingen De doelen die in een Natura 2000-gebied moeten worden bereikt (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een bepaald aantal broedparen van een bepaalde soort). Interim Omgevingsverordening Tijdelijke omgevingsverordening van de provincie Utrecht met alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving die is vastgesteld in maart 2021 en geldt tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Laagfrequent geluid Geluid met een frequentie tussen 20-125 Herz.
Lden Afkorting van Level day-evening-night, een Europese maat om de geluidsbelasting over een heel etmaal uit te drukken. Mitigatie Het verminderen van nadelige effecten (op het milieu) door het treffen van bepaalde maatregelen. M.e.r. De procedure van milieueffectrapportage: een hulpmiddel bij de besluitvorming, dat bestaat uit het maken, beoordelen en gebruiken van een milieueffectrapport en het evalueren achteraf van de gevolgen voor het milieu van de uitvoering van de activiteit waarvoor een milieueffectrapport is opgesteld. MER Milieueffectrapport. Een openbaar document waarin van een voorgenomen activiteit van redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven of varianten de te verwachten gevolgen voor het milieu in hun onderlinge samenhang op systematische en zo objectief mogelijke wijze worden beschreven. Een planMER wordt opgesteld voor plannen en visies die een ruimtelijk kader bieden voor m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten zoals de oprichting wijziging of uitbreiding van een windpark. Een projectMER wordt opgesteld voor besluiten zoals vergunningen. MW MegaWatt. 1MW = 1.000 kiloWatt. MW en kW zijn eenheden voor het weergegeven van het vermogen van een windturbine. Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Nederlands systeem waarmee gegevens over de geografische verspreiding van flora en fauna inzichtelijk gemaakt worden. 47
Natura 2000 Een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de EU-lidstaten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. Voorheen (voor 2013) heette dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Omgevingsbesluit (Ob) Algemene Maatregel van Bestuur onder de Omgevingswet die onder meer procedureregels bevat. Omgevingswet (Ow) Een aangenomen, maar nog niet in werking getreden wet die beoogt de wetten rondom de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving te bundelen en te vereenvoudigen. Overgangsrecht Het overgangsrecht regelt de verhouding tussen een nieuwe wet en de bestaande rechtstoestand. De opstellers van nieuw beleid- en regelgeving gaan na welke gevolgen een nieuwe regeling met zich meebrengt voor de bestaande rechtssituatie en treffen waar nodig, eventueel in de vorm van overgangsrecht, maatregelen. Dit speelt bijvoorbeeld bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Participatie Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (bestuursorganen, bedrijven, inwoners en maatschappelijke organisaties) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Plangebied Het gebied, waarbinnen de voorgenomen activiteit of een van de alternatieven kan worden gerealiseerd. Projectbesluit Het besluit dat volgt uit een provinciale projectprocedure.
Het betreft een besluit als bedoeld in artikel 9c lid 1 Elektriciteitswet (na inwerkingtreding bij Koninklijk Besluit) waarvoor GS optreedt als bevoegd gezag en wordt vastgesteld voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit door windenergie met een capaciteit van 5 MW en maximaal 100 MW. Projectprocedure Openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 5.2 Omgevingswet welke van toepassing is op de voorbereiding van een projectbesluit. Provinciale Staten (PS) Het algemeen bestuur van de provincie en vertegenwoordiging van de inwoners van de provincie. Raad van State (RvS) Zowel adviesorgaan van de regering als de hoogste rechtsprekende instantie in het bestuursrecht. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is een onderdeel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zij geeft onder andere advies over rijksmonumenten, landschap & leefomgeving, archeologie en roerend erfgoed.
48
Regionale Energiestrategie (RES) De samenwerking tussen provincie, gemeenten en waterschappen bij het opstellen van een plan voor lokale opwek van duurzame elektriciteit en warmte (dat laatste voor de gebouwde omgeving). De afspraak voor het opstellen van de RES is te vinden in het nationaal Klimaatakkoord. De RES 1.0 is de eerste versie van deze Regionale Energiestrategie. Rotordiameter De diameter van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine worden bestreken. SMB-richtlijn Europese richtlijn voor strategische milieubeoordeling. Deze EU-richtlijn heeft ten doel te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen tot de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma's, met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling, door ervoor te zorgen dat bepaalde plannen en programma's die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben overeenkomstig deze richtlijn aan een milieubeoordeling worden onderworpen (richtlijn 2001/42/EG, Pb. EG 2001 L 197, p. 30 e.v.). Sovon Stichting Ornithologisch Veldonderzoek Nederland. Nu Sovon: Samenwerkende Organisaties Vogelonderzoek Nederland. Deze organisatie brengt de ontwikkeling in aantallen en verspreiding van vogels in kaart. Staat van Instandhouding (SvI) Een maat voor de duurzaamheid van een populatie.
Deze wordt bepaald door een weging van vier factoren: verspreiding, populatie, leefgebied en toekomstperspectief. Studiegebied Dat gebied, waarbinnen de milieugevolgen dienen te worden beschouwd. De omvang van het studiegebied kan per milieuaspect verschillen. Tussenbalans Een monitoring door de provincie Utrecht (zomer 2022) van de vorderingen op weg naar eerder afgesproken doelen in de Regionale Energiestrategieën. TWh TeraWatt uur. 1 TWh = 109 kWh. Een kWh is een energiehoeveelheid. Varianten Mogelijkheid om via (een) iets andere deelactiviteit(en) de doelstelling(en) in redelijke mate te realiseren. Dit wordt niet als complete activiteit beschreven in het MER (want dan zou er sprake zijn van een alternatief). Vogelrichtlijn Richtlijn van de Europese Unie uit 1979 die van lidstaten vereist dat ze bepaalde handelingen die schadelijk zijn voor vogels verbieden. Voorkeursalternatief Het alternatief dat de initiatiefnemer na afweging van alternatieven prefereert. In het geval van een planMER is het bevoegd gezag voor het plan-m.e.r.-plichtige plan initiatiefnemer voor het planMER. I dit geval is dat GS van Utrecht. Het plan-m.e.r.-plichtige plan betreft de voorkeursbeslissing in het kader van de projectprocedure. Het voorkeursalternatief kan samenvallen met of elementen bevatten uit één of meer onderzochte alternatieven en maatregelen.
49
Voorkeursbeslissing Onder de Omgevingswet geldt de fase van de voorkeursbeslissing als afsluiting van de verkennende fase binnen de projectprocedure en voorbereiding op het projectbesluit. Provinciale Rapportage Voortgang Windenergie Vervolg op de Tussenbalans waarin gemonitord wordt in hoeverre de RES-doelstellingen voor 2030 gehaald worden. Waterwet Wet uit 2009. Regelt het beheer van watersystemen (waterkeringen, oppervlaktewater, grondwater) Wet Milieubeheer (Wm) Wet uit 1993. Het juridisch kader met het doel het milieu te beschermen. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Deze wet uit 2010 bevat samen met de Wro het wettelijk kader voor activiteiten met gevolgen voor de leefomgeving. Wet ruimtelijke ordening (Wro) Wet uit 2008 die gebruik van schaarse ruimte door ruimtevragende functies regelt en beschrijft op welke ruimtelijke plannen in Nederland tot stand dienen te komen en hoe die gewijzigd kunnen worden. Wet natuurbescherming (Wnb) Wet uit 2017 die de bescherming van natuurgebieden, soorten en bos regelt.
50
U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16 U16
ja ja ja ja ja nee ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja nee ja ja ja ja nee ja ja ja ja ja ja nee ja nee ja ja ja ja ja ja ja ja ja nee ja nee nee ja ja nee nee ja nee ja
nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee ja ja nee nee ja ja nee nee nee nee ja nee ja nee ja ja nee nee ja nee nee ja ja ja nee nee ja nee nee ja ja ja nee nee ja
Aanvullend aangedragen door gemeente
Volgt (deels) uit gemeentelijk planMER
Gemeente 1 Woerden 2 Woerden 3 Woerden 4 Oudewater 5 Oudewater 6 Oudewater 7 Woerden 8 Oudewater 9 Lopik 10 Lopik 11 Woerden 12 Oudewater 13 Woerden 14 De Ronde Venen 15 Montfoort 16 Lopik 17 Woerden 18 Montfoort 19 Woerden 20 Vijfheerenlanden 21 Montfoort, Woerden 22 Stichtse Vecht 23 Lopik 24 Vijfheerenlanden 25 Woerden, Utrecht, Stichtse Vecht 26 De Ronde Venen 27 Vijfheerenlanden 28 Vijfheerenlanden 29 Utrecht 30 De Ronde Venen, Stichtse Vecht 31 Woerden 32 De Ronde Venen 33 Stichtse Vecht 34 Utrecht, Stichtse Vecht 35 Lopik 36 Vijfheerenlanden 37 De Ronde Venen 38 Vijfheerenlanden 39 Vijfheerenlanden 40 Stichtse Vecht 41 Stichtse Vecht 42 Vijfheerenlanden 43 Lopik 44 IJsselstein, Utrecht 45 Vijfheerenlanden 46 Utrecht 47 Vijfheerenlanden 48 IJsselstein 49 Nieuwegein 50 Vijfheerenlanden 51 Nieuwegein 52 Vijfheerenlanden 53 Vijfheerenlanden 54 Utrecht 55 Vijfheerenlanden 56 Vijfheerenlanden 57 Houten 58 Vijfheerenlanden
Volgt uit belemmeringenanalyse provincie
Onderzoeksgebieden windenergie
RES
Nr. in figuur
Bijlage C
Toelichting Genoemd door gemeente in brief aan provincie voor na 2030
ja
Volgt uit het gemeentelijk afwegingskader duurzame energie
Genoemd door gemeente in brief aan provincie voor na 2030
Bevat gemeentelijk planMER locatie 2 Bevat gemeentelijk planMER gebied Haarzuilens
Bevat gemeentelijk planMER locatie 1 Bevat gemeentelijk planMER gebied Dorpeldijk
Bevat gemeentelijk planMER gebied Ockhuizen Bevat gemeentelijk planMER locatie 5 Bevat gemeentelijk planMER locatie 4 Bevat gemeentelijk planMER locatie 3 en 13