CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB23.032 MER-windenergie

Vragenuur Lijst ingekomen stukken 14 maart 2023, gemeente ZeistBij agendapunt: C-Raadsinformatiebrieven23.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

_... ..... ar:

Publiekshal • Het Rond 1, Zeist

www.zeist.nl • www.twitter.com/gemeentezeist

Postbus 513, 3700 AM, Zeist

www.facebook.com/gemeentezeist

Telefoon 14 030 • zeist@zeist.nl

Gemeente Zeist

Aan de gemeenteraad

Datum

7 maart 2023

Ons kenmerk

153148

Uw kenmerk Bijlage(n)

4

Behandeld door

Bosse, Desiree

Onderwerp

MER/Wiindenergie

Portefeuillehouder

Wethouder Catsburg

Geachte leden van de raad, In november bent u geïnformeerd over de formele reactie van de gemeente Zeist op de tussenbalans RES van de Provincie Utrecht (RIB 22.143 Tussenbalans RES). In deze reactie is de Provincie Utrecht uitgegaan van het door de raad vastgestelde beleid rondom de zoekgebieden naar grootschalige duurzame energieopwek. Naar aanleiding van de tussenbalans heeft de Provincie Utrecht een rapportage opgesteld over de voortgang van windenergie in de provincie. Uit deze rapportage blijkt dat de verhouding tussen zon- en windenergie in de Provincie Utrecht uit balans dreigt te raken: het merendeel van de gemeenten heeft enkel zoekgebieden voor zonnevelden. Dit is ongewenst, omdat hierdoor het elektriciteitsnet eenzijdig en ongebalanceerd belast zou worden en belangrijke kansen voor duurzame opwek gemist worden. De Provincie Utrecht wil onderzoeken in welke gebieden extra windenergie (technisch) mogelijk is. Daarom gaat de Provincie Utrecht een plan MER (Milieu Effect Rapport) opstellen. De eerste stap is de publicatie van de ontwerp Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Hierover heeft de Provincie Utrecht gemeente Zeist op 14 februari een brief gestuurd. De NRD wordt vanaf donderdag 23 februari 2023 tot en met woensdag 5 april 2023 ter inzage gelegd, waarna iedereen de kans krijgt om een zienswijze in te dienen.

Ook in de volgende stappen van het plan MER bestaan er meerdere mogelijkheden voor inwoners en betrokkenen om hun mening kenbaar te maken. Daar waar dit relevant is zullen wij dit ook als college doen. Deze stap van het plan MER richt zich op alle locaties die technisch mogelijk zijn. De Provincie Utrecht wil binnen gemeente Zeist de volgende locaties meenemen in het plan MER: • Locatie open gebied bij Brugakker/Couwenhoven • Locatie A12/spoorzone • Kamp Zeist (op verzoek van de gemeente Zeist toegevoegd aan het plan MER) In het plan MER gaat het om locaties waar binnen de huidige wet- en regelgeving technisch gezien windenergie mogelijk is. Eerder gaven wij aan de provincie al input vanuit onze eigen zienswijzen op de genoemde locaties, zie ook RIB 86554. Brugakker/Couwenhoven is voor ons afgevallen bij RES 1.0. De uitkomsten van de gebiedsverkenning A12/spoorzone gaven aan dat we niet eerder dan in 2025 opnieuw kijken wat daar wel of niet

Austerlitz • Bosch en Duin • Den Dolder • Huis ter Heide • Zeist

mogelijk is. Voor de locatie “Kamp van Zeist’ levert de MER belangrijke informatie die als input kan dienen voor de verkenning die wij als gemeente Zeist op die locatie nog willen uitvoeren. In de bijlagen treft u de ontvangen brief en bijlagen van de provincie. We hopen u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.

Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Zeist, de gemeentesecretaris,

dr H.S. Grotens

de burgermeester,

=

Nd

Bijlagen: 1. 2. 3. 4.

Brief aan gemeenten over plan MER windenergie Nieuws-persbericht windenergie 15-2-2023 NRD plan MER windenergie Provincie Utrecht ontwerp Participatieplan-Verkenning-Voorkeursbeslissing-Windenergie-Provincie-Utrecht

Austerlitz „ Bosch en Duin „ Den Dolder „ Huis ter Heide . Zeist

PROVINCIE· UTRECHT

ONDERWERP DATUM DOCUMENTN UMMER VAN

Voortgang Windenergie 14-02-2023 UTSP-1571811695-177 Gedeputeerde Staten

E-MAILA DRES

secretariaatvanEssen@provinc ie-utrecht.nl

Geacht college van burgemeester en wethouders, In onze brief van 6 juli jl. hebben wij een oproep gedaan aan alle gemeenten in de provincie Utrecht om voor 1 december 2022 te komen met concrete (nieuwe) locaties voor grootschalige windturbines. Wij hebben van alle colleges een reactie per brief ontvangen hierop en met alle gemeenten bestuurlijke gesprekken gevoerd. Ook hebben wij verschillende gesprekken gevoerd aan de bestuurstafels van de 3 RES regio's. Wij bedanken u voor de reacties en voor de constructieve houding in de gesprekken. Middels deze brief stellen we u op de hoogte van de uitkomst van deze gesprekken en over het vervolgproces. Provinciale Staten hebben op 21 september 2022 een besluit genomen over de Tussenbalans Regionale Energiestrategieën (RES) Provincie Utrecht. Hierin was afgesproken dat de provincie zou starten met een verkenning als voorbereiding op een projectbesluit- of inpassingsplanprocedure indien er op 1 december 2022 onvoldoende plannen voor de opwek van windenergie door gemeenten ingebracht zouden worden. We hebben een rapportage opgesteld over de voortgang van windenergie in de provincie en hieruit blijkt dat meerdere gemeenten positief staan tegenover windenergie. Tegelijkertijd komt in de rapportage naar voren dat veel plannen op dit moment onvoldoende (concreet) zijn om zicht te hebben op realisatie voor 2030.

De provincie Utrecht gaat daarom een verkenning uitvoeren en daarbij een planMER opstellen om milieu-informatie te verzamelen over een groot aantal onderzoeksgebieden voor windenergie. Hiermee krijgen gemeenten meer informatie om te gebruiken in gemeentelijke processen en wordt een provinciale rol voorbereid. Daarnaast kan de informatie uit het planMER gebruikt worden voor een toekomstige herijking van de RES. Aanleiding In het nationaal Klimaatakkoord (2019) spraken de overheid, maatschappelijke organisaties en bedrijven af om de uitstoot van CO in 2030 met 49% te beperken. Gemeenten, provincies en het Rijk hebben zich gecommitteerd om in 2030 landelijk 35 TWh zonne- en windenergie op land op te wekken. De verantwoordelijkheid voor de realisatie daarvan is via de RES regio's bij gemeenten, provincies en waterschappen neergelegd. In onze 3 RES-regio's hebben wij in de RES 1.0 met elkaar afgesproken hoeveel duurzame elektriciteit we in 2030 gaan opwekken. Bij elkaar opgeteld gaat het in de hele provincie Utrecht om 2,4 TWh. Op basis van de doelstellingen in de RES regio's is de provinciale doelstelling voor de opwek van hernieuwbare elektriciteit opgenomen in de Omgevingsvisie provincie Utrecht (55% in 2030).

Conform de afspraken binnen de RES regio's en in lijn met de verzoeken die we vanuit Provinciale Staten hebben gekregen, hebben we in juli 2022 een Tussenbalans opgesteld om te zien of de RES'en op koers liggen. Er is in veel gemeenten hard gewerkt, ook na RES 1.0. Op sommige onderdelen en locaties is goede voortgang geboekt. Zon-op-dak ligt bijvoorbeeld goed en soms zelfs voor op schema. Echter, wat de grootschalige opwek van zonneenergie en windenergie op land betreft loopt de voortgang achter op schema en is de afspraak om de ruimtelijke procedures in 2022 te starten vaak niet gehaald. In de Tussenbalans werd ook duidelijk dat de verhouding zonwind uit balans is met een verwacht opgesteld vermogen van 90% zon tegenover 10% wind. Een goede balans zon-wind is belangrijk voor het toekomstig energiesysteem doordat er ook windenergie opgewekt wordt in de nachten en in de winter (wanneer de zon niet schijnt). Daarnaast is het ook nodig voor lagere maatschappelijke kosten en voor de netinfrastructuur, omdat met een combinatie van zonne- en windenergie 4x meer energie opgewekt kan worden op dezelfde infrastructuur dan wanneer enkel op zonne-energie wordt ingezet. Het belang van een betere balans zon-wind is door afgekondigde netcongestie urgenter geworden, waardoor een efficiëntere benutting van het elektriciteitsnet nog belangrijker is geworden.

Provinciale Staten van Utrecht hebben daarom in september gevraagd om aanvullende inzet en dit te richten op de realisatie van minimaal 1 TWh aan windenergie in de provincie Utrecht.

PROVINCIE'' UTRECHT

Uitkomst oproep aan gemeenten Dit was aanleiding voor de provincie om een oproep te doen aan gemeenten om met concrete windenergielocaties te komen. De reacties van gemeenten zijn geanalyseerd in de Provinciale Rapportage Voortgang Windenergie. De uitkomst van de oproep aan gemeenten laat zien dat een meerderheid van gemeenten op enige wijze wel met windenergie verder wil, maar dat op dit moment hiervan slechts een klein deel concrete plannen heeft met duidelijke locatie en planning. De oproep heeft ervoor gezorgd dat het gesprek over windenergie opnieuw is opgestart en heeft bij een aantal gemeenten tot concretere plannen geleid. Bij elkaar zijn er op dit moment onvoldoende (concrete) plannen om zicht te hebben op de realisatie van een jaarlijkse opwek van 1 TWh aan windenergie in de provincie Utrecht in 2030. Dit betekent dat conform het besluit van Provinciale Staten de provincie Utrecht zal starten met een planMER waarmee milieu-informatie verzameld wordt over onderzoeksgebieden voor windenergie. Deze informatie kan dienen als input voor gemeentelijke processen en processen waarbij de provincie de rol van bevoegd gezag invult. Milieu-informatie verzamelen met planMER Provincie Utrecht gaat een planMER opstellen om inzicht te krijgen in de milieu-informatie over onderzoeksgebieden voor windenergie in de hele provincie Utrecht.

Het planMER is een onderzoek waarin geen beslissingen over gebieden worden genomen. In het planMER wordt alleen milieu-informatie over de onderzoeksgebieden verzameld en zal er dus geen ranking komen van individuele gebieden. De milieu-informatie uit dit planMER zal input zijn voor de voorkeursbeslissing die eind 2023 / begin 2024 genomen zal worden, met daarin de locatiekeuze(s) voor te nemen projectbesluiten. Bij de afweging van de voorkeursbeslissing wordt naast de informatie uit het planMER ook andere informatie betrokken, zoals lokaal eigenaarschap, aansluitbaarheid op het net, lokale participatieprocessen en de inzet van gemeenten. Eerdere besluiten van gemeenten over het verder brengen van windenergie procedures en gemeentelijke onderzoeken zoals resultaten uit een lokale planMER zullen hier dus ook meegenomen worden. Uitgangspunt bij de afweging is dat de provincie terughoudend zal zijn om gebieden in het voorkeursalternatief op te nemen in gemeenten die zelf procedures voor windenergie oppakken. Een aantal gemeenten heeft per brief als reactie op de provinciale oproep al laten weten met procedures aan de gang te gaan. In het proces dat met elkaar is afgestemd is een moment ingepland voor andere gemeenten om een gesprek te voeren over het vervolg en de rol die zij hier mogelijk in willen oppakken.

Eerste stap februari 2023 met publicatie NRD Wij zijn voornemens om een verkenning uit te voeren waarbij het planMER een belangrijk onderdeel vormt. De eerste stap voor het planMER is de publicatie van de ontwerp Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) in februari 2023. Deze ontwerp NRD omschrijft welke milieueffecten onderzocht zullen worden in het planMER, en hoe deze onderzocht gaan worden. Ook staat hierin welke onderzoeksgebieden in het planMER meegenomen zullen worden (zie bijlage Ontwerp NRD). Deze gebieden zijn tot stand gekomen door eerst op grond van wettelijke beperkingen (zoals geluid en veiligheid) en de Interim Omgevingsverordening (Natura 2000 en Ganzen rustgebieden) gebieden af te laten vallen. Vervolgens zijn enkele complexe gebieden voor windenergie buiten beschouwing gelaten. Het gaat hier om: Natuur Netwerk Nederland (NNN), weidevogelkerngebieden, stiltegebieden (stille kern en bufferzone), en rode en oranje zonering van de Nieuwe Hollandse Waterlinies uit het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies. Aan deze potentiële onderzoeksgebieden zijn onderzoeksgebieden toegevoegd die door gemeenten of waterschappen zijn aangedragen bij de provincie met de vraag om deze in het planMER mee te nemen.

Ook zijn in overleg met Rijkswaterstaat gebieden toegevoegd omdat ze samen met gemeenten en provincie worden verkend in het kader van het programma Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER). Het gaat veelal om locaties waarvoor gemeenten een voorkeur uitspreken of die uit eerder doorlopen participatieprocessen naar voren zijn gekomen. Vanwege ligging of opwekpotentie waren deze gebieden in eerste instantie niet door de provincie als onderzoeksgebied opgenomen. Op verzoek van gemeenten, waterschappen of in overleg met Rijkswaterstaat zijn deze locaties alsnog toegevoegd. Verzoeken van gemeenten om locaties uit het planMER weg te laten zijn niet overgenomen. Om de provinciebrede locatieafweging goed te kunnen uitvoeren is het noodzakelijk om te werken met een onderzoeksgebied voor het planMER waarin alle potentiële onderzoeksgebieden voor de ontwikkeling van windenergie zijn meegenomen. Dit betekent dat gebieden alleen op ruimtelijk gronden buiten beschouwing zijn gelaten op basis van de wettelijke beperkingen en complexe belemmeringen (zie hierboven). Op deze manier worden dezelfde criteria gehanteerd voor de hele provincie. Het planMER is enkel een milieutechnisch onderzoek waarin gebieden met elkaar worden vergeleken. Met het

PROVINCIE::UTRECHT opnemen van gebieden in het planMER wordt nog geen voorkeur uitgesproken, de locaties worden enkel beoordeeld op (verwachte) milieueffecten. Participatie en vervolgproces Aangezien wij er veel waarde aan hechten om met de RES-partners in goede samenwerking de participatie vorm te geven, wordt bij de publicatie van de ontwerp NRD ook aangegeven op welke wijze de participatie wordt ingericht. We kiezen dit moment hiervoor zodat op deze manier aan de voorkant voor iedereen helder is wie op welke wijze wanneer in het proces betrokken wordt. Aan de RES bestuurstafels is gesproken over de samenwerking met de RES regio's en gemeenten. Afgesproken is dat er vaste afstemmingsmomenten met gemeenten en RES regio's in het proces plaats zullen vinden. Daarnaast is ook een breder participatieplan opgesteld waarin te vinden is hoe alle stakeholders, waaronder inwoners, in de verschillende fases van het proces betrokken zullen worden. Uitgangspunt bij de participatie is dat het geen lokale participatieprocessen mag doorkruisen en hier zal aandacht voor zijn bij de uitvoering. Ook wordt gewerkt aan de invulling van lokaal eigendom en verschillende vormen van financiële participatie gelet op de oproep van Provinciale Staten om minimaal 50% lokaal eigendom als uitgangspunt te hebben bij de realisatie van windenergieprojecten.

De NRD wordt in februari 2023 ter inzage gelegd, waarna iedereen de kans krijgt om een zienswijze in te dienen. De binnengekomen zienswijzen zullen in het voorjaar van 2023 verwerkt worden in een Nota van Beantwoording. Na de Provinciale Statenverkiezingen wordt een startgesprek met de nieuwe Staten gehouden waarna het planMER-proces, indien wij daartoe in de volgende bestuursperiode besluiten, vervolgd wordt. Gemeenten, inwoners en andere stakeholders worden in het planMER fase op verschillende momenten betrokken. We hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd over het proces. Het is onze wens om het vervolg in goede afstemming met u verder vorm te geven.

Hoogachtend, Gedeputeerde Staten van Utrecht,

Nieuwsbericht corporate website / persbericht d.d. 15 februari 2023 Windenergie provincie Utrecht Provincie Utrecht vindt het belangrijk dat energie voor alle inwoners betaalbaar blijft én duurzaam opgewekt wordt. In ons nationaal Klimaatakkoord en de Regionale Energie Strategie (RES) hebben provincie en gemeenten samen afgesproken om energie op te wekken met zonnepanelen én windmolens. Windenergie is nodig om de kosten laag te houden maar ook om het energienet beter te benutten. De verhouding tussen zonnepanelen en windmolens raakt in de provincie Utrecht echter uit balans. Hierdoor kan de levering van energie steeds moeilijker worden. Provincie Utrecht wil daarom helderheid scheppen in welke gebieden windenergie mogelijk is. Hiervoor zijn milieuonderzoeken nodig. De komende periode worden deze onderzoeken door een onafhankelijk bureau opgesteld. Dit wordt een Milieu Effect Rapport (MER) genoemd. Gemeenten kunnen deze informatie gebruiken om zelf met windenergie aan de slag te gaan of dit door ons te laten doen. We starten met de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Deze notitie ligt vanaf donderdag 23 februari 2023 tot en met woensdag 5 april 2023 ter inzage. In de NRD is te lezen welke milieueffecten onderzocht worden, hoe dit gebeurt en voor welke gebieden. U kunt de notitie inzien en erop reageren door een zienswijze te delen.

Uw zienswijze kan leiden tot aanpassingen in de definitieve uitvoering van de milieuonderzoeken. Nadat de NRD halverwege dit jaar is vastgesteld, worden deze onderzoeken door een onafhankelijk bureau uitgevoerd. Het bureau zal met deze informatie een MER opstellen. Windenergie biedt kansen voor gemeenten en inwoners. Voor de provincie Utrecht is een belangrijk uitgangspunt dat de windmolen minimaal voor 50% in bezit komt van de lokale gemeenschap. Gemeenten en inwoners gaan dan zelf bepalen wat er met de opbrengsten van de windmolen gedaan wordt. Zo kunnen de opbrengsten bijvoorbeeld worden ingezet om energiearmoede tegen te gaan of om maatschappelijke voorzieningen te ondersteunen. Met de inzet van windmolens in lokaal beheer zorgen provincie, gemeenten en inwoners er samen voor dat energie in de toekomst beschikbaar en betaalbaar blijft. Waarom een Milieu Effect Rapportage? De rapportage schept duidelijkheid voor gemeenten, inwoners en bedrijven. Het geeft inzicht in de milieugevolgen op het gebied van geluid, gezondheid, natuur en vele andere onderwerpen. Deze kennis van de gebieden is nodig om keuzes te kunnen maken én om de gezamenlijk afgesproken doelstellingen in 2030 te kunnen halen.

Naast de milieuonderzoeken die gedaan worden, gaan we ook in gesprek met gemeenten en regionale partijen om te vernemen welke randvoorwaarden voor hen van belang zijn, zoals bijvoorbeeld het tegengaan van energiearmoede of de uitwerking van het uitgangspunt van 50% lokaal eigenaarschap. Via een enquête zullen we ook bij inwoners ophalen welke criteria van belang zijn voor de keuze waar windenergie komt. Al deze informatie samen zorgt ervoor dat eind 2023 / begin 2024 een keuze gemaakt kan worden over randvoorwaarden en locaties voor windenergie. Ook deze stukken komen ter inzage te liggen en daar kan iedereen op reageren. Provincie of gemeenten kunnen daarna de uitkomsten van de milieuonderzoeken gebruiken voor de lokale participatie. Dat is dan ook het moment dat op lokaal niveau rondom de gekozen locaties participatie zal gaan plaatsvinden.

Bosch & van Rijn

Auteurs

Opdrachtgever

Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht 030 – 677 6466

Wouter Verweij Berber Koopmans Martijn Maan

Provincie Utrecht

Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER windenergie provincie Utrecht

Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER windenergie provincie Utrecht Ontwerp

Datum

8 februari 2023

Versie

Ontwerp versie 1.0

Auteurs

Wouter Verweij Berber Koopmans Martijn Maan

Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:

030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl

© Bosch & Van Rijn 2023 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie

Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER t.b.v. Windenergie Provincie Utrecht

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

HOOFDSTUK 2

3 3 4 5 5 7

ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN

8

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

Inleiding Voorgenomen activiteit Belemmeringenstudie Onderzoeksgebieden Beoordeling van onderzoeksgebieden Thematische alternatieven Referentiesituatie

8 8 9 13 16 16 17

EFFECTBEOORDELING

19

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11 3.12 3.13

Inleiding Milieuthema’s Leefomgeving: geluid, slagschaduw en gezondheid Ecologie Landschap Cultuurhistorie en archeologie Bodem en water Recreatie Energieproductie Netinpassing Leemten in kennis Mitigerende maatregelen Monitoringsmaatregelen

19 19 20 24 28 29 31 32 33 33 34 34 34

PARTICIPATIE

36

4.1 4.2 4.3

Wat ging aan het planMER vooraf? Doel participatieproces Samenwerking in het verdere proces

36 37 38

FIGUREN VOOR LEZERS MET EEN VISUELE BEPERKING AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN ONDERZOEKSGEBIEDEN WINDENERGIE

39 46 51

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

BIJLAGE A BIJLAGE B BIJLAGE C

INLEIDING Aanleiding Doel van NRD en planMER Reikwijdte van het planMER M.e.r.-procedure Leeswijzer

Inleiding 2

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding De provincie Utrecht heeft op verzoek van Provinciale Staten (PS) een jaar na vaststelling van de Utrechtse Regionale Energiestrategieën (RES) een Tussenbalans RES opgesteld1. Op 21 september 2022 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Tussenbalans RES vastgesteld. Deze Tussenbalans is gebaseerd op de monitoringsrapportages van de drie Utrechtse RESsen2. In de Tussenbalans is geconstateerd dat de ontwikkeling van wind en zon op land achterblijft ten opzichte van het doel van 2,4 TWh opwekcapaciteit in 2030 dat is vastgelegd in de RES 1.0. Het feit dat de balans tussen windenergie en zonne-energie is verslechterd baart de provincie zorgen. Een groter aandeel windenergie is nodig om doelbereik in 2030 te vergroten en tegelijkertijd schaarse aansluit- en transportcapaciteit op het elektriciteitsnet te benutten en de maatschappelijke kosten als gevolg van uitbreiding van het elektriciteitsnet zo laag mogelijk te houden. In de Tussenbalans is de gewenste verhouding tussen zonne-energie en windenergie concreet vertaald naar een aandeel van 1 TWh aan windenergie in de provincie Utrecht als invulling van de RES opgave. Naar aanleiding van deze Tussenbalans is de gemeenten gevraagd middels een collegebesluit uiterlijk 1 december 2022 aan te geven voor welke windenergielocaties of zoekgebieden met welke planning planologische procedures worden voorzien of doorlopen.

Met die informatie is een rapportage voortgang windenergie opgesteld voor PS waarin wordt onderbouwd of het totaal aan windlocaties voldoende is om 1 TWh te realiseren, uiterlijk in 2030. Nu blijkt dat onvoldoende zekerheid bestaat over het doelbereik in 2030 zijn Gedeputeerde Staten (GS) voornemens een inpassingsplan- of projectbesluitprocedure te starten voor één of meer windprojecten, in opdracht van PS. Ter voorbereiding op een eventueel inpassingsplan of projectbesluit wordt een plan-m.e.r.-procedure doorlopen en wordt een planMER3 opgesteld. Dit planMER brengt de te verwachten milieueffecten van de plaatsing van windturbines in beeld. Bij de start van deze procedure wordt een kennisgeving gedaan als bedoeld in art. 7.9 Wet milieubeheer (Wm) en worden adviseurs en betrokken bestuursorganen geraadpleegd als bedoeld in art. 7.8 Wm. Met het oog daarop hebben GS het initiatief genomen een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) op te stellen, ter voorbereiding op een planMER. Deze NRD is de eerste stap in de plan-m.e.r.-procedure.

1 2 3

Zie: PS2022MM46-02-1-Tussenbalans-Regionale-Energie-Strategieen-provincie-Utrecht-Q2-2022.pdf De drie RES regio’s in de provincie Utrecht zijn U16, Amersfoort en (een gedeelte van) Foodvalley. Met de schrijfwijze plan-m.e.r. wordt gedoeld op het instrument en de procedure. Met de schrijfwijze planMER wordt het rapport bedoeld, het resultaat van de procedure. Vandaar dat in de NRD afwisselend wordt verwezen naar de plan-m.e.r. en het planMER. Het rapport wordt getoetst door de onafhankelijke Commissie voor de m.e.r.

3

Zie Bijlage B voor een duiding van de gehanteerde begrippen in de NRD en het planMER. Figuur 1

Begrenzing (delen van) RES gebieden in Provincie Utrecht

1.2

Doel van NRD en planMER Het doel van het opstellen en publiceren van een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is betrokkenen en belanghebbenden te informeren over de afbakening en diepgang (reikwijdte en detailniveau) van het op te stellen milieueffectrapport (MER) dat wordt opgesteld door de provincie Utrecht. Met de terinzagelegging van de ontwerp NRD worden betrokkenen en belangstellenden geïnformeerd en wordt hen de gelegenheid gegeven om een reactie in te dienen. De opgehaalde reacties kunnen vervolgens worden meegenomen bij de uitvoering van de onderzoeken in het kader van het planMER. Het planMER betreft een strategische milieubeoordeling in de zin van de Europese SMB richtlijn (die is geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.) en is bedoeld om vroegtijdig het milieubelang mee te kunnen wegen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen. Voor provincie Utrecht gelden de volgende specifieke doelen:  Milieueffecten van windenergie in de verschillende onderzoeksgebieden in kaart brengen zodat mede op basis daarvan een nadere afweging en prioritering van onderzoeksgebieden kan plaatsvinden.  Onderbouwing van locatiekeuze waarvoor inpassingsplan- of projectprocedure wordt gestart.

4

Mede met behulp van de informatie uit het planMER kunnen voorkeursgebieden worden geselecteerd waarmee, rekening houdend met de bestaande opwekcapaciteit voor windenergie en pijplijnprojecten, het opwekdoel van 1.0 TWh in 2030 kan worden gehaald. Bij de afweging van voorkeursgebieden speelt niet alleen het milieubelang een rol maar worden ook de uitkomsten van het participatieproces betrokken en wordt rekening gehouden met (eerdere) besluitvorming door gemeenten. Het resultaat, in de vorm van een planMER kan, indien gewenst, vervolgens ook worden gebruikt bij de voorbereiding van overige plannen zoals een gemeentelijke omgevingsvisie, een (gedeeltelijke herziening van het) omgevingsplan, herijking van een RES 1.0 of een mogelijke herziening van de provinciale omgevingsvisie en/of omgevingsverordening.

1.3

Reikwijdte van het planMER Met het planMER worden de milieugevolgen van een inpassingsplan of projectbesluit voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark onderzocht. Het planMER beperkt zich tot onderzoek naar de milieugevolgen van windenergie. Aan de hand van dat onderzoek kan worden bepaald welke onderzoeksgebieden in de provincie Utrecht meer of minder geschikt zijn voor de ontwikkeling van windenergie, of geschikt te maken zijn na het treffen van maatregelen. De milieugevolgen betreffen ruimtelijk relevante milieugevolgen die optreden in de gebruiksfase. Het gaat om effecten op de fysieke leefomgeving. Tijdelijke effecten die kunnen optreden tijdens de bouwfase worden in het planMER niet beschouwd. Dat is niet passend bij het detailniveau van een planMER. Naast het beoordelen van milieugevolgen (negatieve effecten) worden ook effecten op het bereik van overige beleidsdoelen beoordeeld zoals de mogelijkheden voor het combineren van netaansluitingsmogelijkheden met grondgebonden zonnevelden. Verder worden overige effecten onderzocht zoals de impact op het elektriciteitsnet. Met behulp van de verkregen inzichten uit het planMER stelt het bevoegd gezag, GS van Utrecht, een voorkeursalternatief (VKA) samen.

Het planMER is een van de bronnen die input geeft voor dat voorkeursalternatief, naast andere input zoals het participatietraject met gemeenten en overige stakeholders. Verder is de afweging van een voorkeursalternatief ook een politieke beslissing waarbij rekening wordt gehouden met gemeentelijk beleid en bestuurlijke afspraken. Meer informatie over afstemming met gemeenten en RES regio’s is te vinden in Hoofdstuk 4.

1.4

M.e.r.-procedure

1.4.1

Juridische grondslag m.e.r.- procedure Het huidig wettelijk kader bestaat uit de Wet milieubeheer (Wm), het Besluit milieueffectrapportage en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) vervalt de huidige wetgeving waarin MER en m.e.r.5

(beoordelings)procedures zijn geregeld. Daarvoor in de plaats komt een nieuw wetgevingsstelsel. In tegenstelling tot de huidige limitatieve opsomming van kaderstellende planm.e.r.-(beoordelings)plichtige plannen, kent de Ow conform de SMB4-richtlijn een algemene omschrijving. De planMER plicht is van toepassing op omgevingsvisies, omgevingsplannen, het programma en de voorkeursbeslissing5, in het geval deze kaderstellend zijn voor m.e.r.-(beoordelingsplichtige) activiteiten. Afdeling 16.4 Ow en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit bevatten de regelgeving over de milieueffectrapportage. Het doel van milieueffectrapportage (m.e.r.) is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over dergelijke activiteiten. De activiteiten waarvoor dit van toepassing is, zijn gegeven in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). De vereisten voor de inhoud van een planMER staan beschreven in artikel 11.3 van het Omgevingsbesluit. De aparte kennisgeving van het voornemen een MER op te stellen en de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen op het voornemen tot het opstellen van een MER, zoals opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm), zijn niet opgenomen in de Omgevingswet en/of Omgevingsbesluit. Omdat voor de m.e.r.-procedure geen overgangsrecht is geregeld, en de procedure nu start, wordt een kennisgeving gedaan op grond van de Wm.

Wat onder de huidige wetgeving en de Omgevingswet gelijk blijft is dat bij de start van de m.e.r.-procedure de wettelijke overlegpartners moeten worden geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau voor het MER. De notitie die daarvoor wordt opgesteld (ontwerp NRD) wordt tevens gebruikt voor de kennisgeving. De ontwerp NRD wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven (zienswijzen). Gedurende de zienswijzenperiode wordt tevens vrijwillig advies gevraagd aan de Commissie voor de milieueffectrapportage.

1.4.2

Betrokken partijen Over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie in het milieueffectrapport raadpleegt het bevoegd gezag de andere bestuursorganen en instanties. Uiterlijk op het moment van terinzagelegging van de NRD (vrijwillig) en het milieueffectrapport (verplicht in geval van een planMER) stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid hierover te adviseren. Initiatiefnemer De initiatiefnemer van het planMER t.b.v. windenenergie is het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht (kortweg GS).

4 5

Smb: strategische milieubeoordeling Art. 16.34 lid 2 Ow

6

Bevoegd gezag GS van Utrecht zijn bevoegd gezag voor windenergieprojecten met een opgesteld vermogen van ten minste 5 MW6. Als GS gebruik maakt van deze bevoegdheid moet GS voor ruimtelijke besluitvorming over windenergie, onder de Omgevingswet, de projectprocedure volgen. Het resultaat moet worden vastgelegd in een projectbesluit. Onder de huidige Wro zijn PS bevoegd gezag voor vaststelling van een inpassingsplan en daarmee ook bevoegd gezag voor het planMER. Overlegpartners Alle organisaties en bestuursorganen die op grond van de Omgevingswet/Wet milieubeheer een rol hebben worden betrokken. Dit zijn in elk geval alle 26 gemeenten in de provincie Utrecht, de RES-regio’s, Rijkswaterstaat, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Stedin, Gasunie, Waterschap De Stichtse Rijnlanden, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Waterschap Rivierenland, Waterschap Vallei & Veluwe, Veiligheidsregio Utrecht en GGD regio Utrecht. Daarnaast moet het dagelijks bestuur van aangrenzende gemeenten en provincies worden geïnformeerd in verband met eventuele grensoverschrijdende milieueffecten. Commissie voor de milieueffectrapportage De onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie. m.e.r.) beoordeelt zowel de ontwerp NRD als het definitieve planMER op juistheid en volledigheid. Op grond van de m.e.r.-wetgeving is toetsing van het planMER door de onafhankelijke Cie. m.e.r.

verplicht. Advies over de reikwijdte en het detailniveau vindt op vrijwillige basis plaats. De Cie. M.e.r. brengt advies uit aan het bevoegd gezag. Overige belanghebbenden In de fase van de tervisielegging van deze ontwerp NRD kiest de provincie ervoor eenieder de gelegenheid te bieden zienswijzen kenbaar te maken via schriftelijke reacties. In Hoofdstuk 4 is beschreven hoe het participatieproces in het kader van de NRD, het planMER en de projectprocedure wordt uitgevoerd.

1.5

Leeswijzer Voorliggende notitie bestaat uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen activiteit en de alternatieven. Hoofdstuk 3 gaat in op de te onderzoeken onderwerpen en de te hanteren beoordelingscriteria. In Hoofdstuk 4 wordt een toelichting gegeven op het beoogde participatieproces. Bijlage A bevat alternatieve versies van een aantal belangrijke figuren t.b.v. lezers met een visuele beperking. Bijlage B bevat een lijst van begrippen die in de NRD en het planMER worden gebruikt. In Bijlage C zijn de onderzoeksgebieden samengevat.

6

Dit volgt uit artikel 9e eerste lid Elektriciteitswet 1998

7

Hoofdstuk 2 Activiteit en alternatieven 2.1

Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de activiteiten en alternatieven voor het planMER Windenergie Utrecht. Het doel is om voor het einde van 2030 ten minste 1 TWh duurzame elektriciteit op te wekken met windenergie in de provincie Utrecht. Begin 2023 is in provincie Utrecht 34 MW opgesteld vermogen aan windturbines aanwezig7, goed voor een opwekcapaciteit van 0,076 TWh aan windenergie. Er zijn twee projecten waarvoor besluitvormingsprocedures zijn gestart of waarvoor een vergunning is verleend: Windpark Goyerbrug (gemeente Houten) en Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop (gemeente Utrecht). Daarnaast is een m.e.r.-beoordelingsbeslissing genomen voor windturbines op De Isselt in Amersfoort. Rekening houdend met deze lopende projecten, samen goed voor circa 0,21 TWh, bedraagt de resterende opgave tot 2030 circa 0,71 TWh aan opwekcapaciteit voor windenergie. Het planMER wordt in verband met deze opgave uitgevoerd. Ruimtelijke besluitvorming over individuele projecten kan ofwel door gemeenten ofwel door provincie Utrecht worden uitgevoerd. Het planMER onderzoekt de milieueffecten van de activiteit en vergelijkt de verschillende onderzoeksgebieden met de referentiesituatie en met elkaar.

De resultaten van dit milieueffectenonderzoek dienen als input voor de zogeheten voorkeursbeslissing (vrijwillige stap in projectprocedure onder de Omgevingswet) en één of meer op te stellen projectbesluiten. Het afgeronde MER kan tevens dienen als planMER voor ruimtelijke besluitvorming door gemeenten en kan dienen als onderlegger of bouwsteen voor een volgende of herijkte RES.. In de volgende paragrafen wordt dieper ingegaan op de referentiesituatie, de te onderzoeken activiteit en de totstandkoming van alternatieven. De beoordeling van effecten in het planMER vindt plaats in twee stappen. Eerst worden effecten van alle onderzoeksgebieden in beeld gebracht. Vervolgens worden thematische alternatieven samengesteld en beoordeeld. Deze alternatieven bestaan uit een verzameling onderzoeksgebieden.

2.2

Voorgenomen activiteit De voorgenomen activiteit betreft de grootschalige opwek van elektriciteit met behulp van windturbines in de provincie Utrecht. Moderne windturbines kunnen jaarlijks meer dan 20 GWh aan elektriciteit produceren, hetgeen gelijk staat aan het jaarlijks elektriciteitsverbruik van circa 6.000 huishoudens. De specifieke productie is afhankelijk van de grootte van de windturbine en de omstandigheden op de betreffende locatie.

7

Bron: www.windstats.nl

8

Om een realistisch beeld te krijgen van de milieueffecten van moderne windturbines worden in het planMER grote, op de Nederlandse markt verkrijgbare windturbines beschouwd. De milieueffecten worden onderzocht aan de hand van een referentiewindturbine met een rotordiameter van 162 m, een ashoogte van 160 en een tiphoogte van 241 m. Een referentieturbine met deze afmetingen is tevens gebruikt voor de inventarisatie van potentiële onderzoeksgebieden (belemmeringenstudie) Het feit dat in het planMER gebieden worden onderzocht met modellering aan de hand van een referentieturbine met bepaalde afmetingen, betekent niet dat met de toekomstige ruimtelijke plannen of omgevingsvergunningen enkel windturbines van deze omvang mogelijk zullen zijn. Het onderzoek is bedoeld voor de afweging van locaties en representatief voor de huidige stand van de techniek. In het kader van het planMER is het niet nodig om per onderzoeksgebied verschillende afmetingen windturbines te onderzoeken gezien het hier gaat om vergelijking van gebieden ten opzichte van elkaar. Verdiepend onderzoek naar milieueffecten van verschillende mogelijke opstellingen en afmetingen per onderzoeksgebied vindt in een later stadium plaats, in het kader van besluitvorming over individuele projecten waarvoor (vanaf 2 windturbines) een m.e.r.-beoordeling of een vrijwillig projectMER8 wordt uitgevoerd.

Dit onderzoek kan ook worden uitgevoerd in een fase waarin een ontwikkelaar of coöperatie betrokken is. In het planMER ligt de focus op grootschalige opwek met behulp van windenergie. Om die reden worden milieueffecten van kleine windturbines niet onderzocht (kleine windturbines zoals bedoeld in artikel 5.3 van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht, soms ook wel agrarische windturbines genoemd). Deze turbines zijn niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en hebben alleen effecten op zeer lokale schaal. Uiteraard telt de opwekcapaciteit – mits de windturbine een vermogen van 15 kW of meer heeft – wel mee in het kader van de RES doelstelling. Naast de ontwikkeling van productie-installaties voor lokale opwek van elektriciteit spelen energieopslagsystemen een steeds grotere rol in het energiesysteem. Milieueffecten van energieopslagsystemen worden in dit planMER niet onderzocht. In de voorkeursbeslissing wordt geen richting gegeven aan locaties waar deze systemen meer of minder geschikt zijn. Per project moet worden beoordeeld op welke wijze een energieopslagsysteem, als dat deel uitmaakt van het voornemen, het beste ruimtelijk kan worden ingepast.

2.3

Belemmeringenstudie De mogelijkheden voor windturbines worden ruimtelijk beperkt doordat afstand tot verschillende objecten en functies moet worden aangehouden. Enkele voorbeelden hiervan zijn de afstand tussen windturbines en hoogspanningsverbindingen, spoorwegen en buisleidingen. In verband met de begrenzing van het plangebied voor het planMER is voor woningen en ander gevoelige objecten eveneens een 8

Een planMER betreft een MER dat wordt opgesteld voor kaderstellende plannen, zoals visies, verordeningen en een omgevingsplan. Een projectMER wordt opgesteld voor besluiten over m.e.r.-plichtige activiteiten, zoals vergunningen. Voor besluiten over windparken tot 20 windturbines geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor windparken van 20 windturbines of meer is sprake van een projectm.e.r.-plicht. Een plan-m.e.r.-plicht geldt voor alle kaderstellende plannen, zowel voor m.e.r.-beoordelingsplichtige als project-m.e.r.-plichtige activiteiten.

9

minimale afstand aangehouden waarbinnen naar verwachting geen ontwikkeling van windenergie mogelijk is, in dit geval vanwege onaanvaardbare effecten op het woon- en leefklimaat. Voorafgaand aan de start van de m.e.r.-procedure heeft provincie Utrecht een inventarisatie9 laten uitvoeren naar potentiële onderzoeksgebieden voor windenergie. Deze inventarisatie vormt tevens het vertrekpunt voor het planMER. De in die inventarisatie gehanteerde belemmeringen (voor het kunnen ontwikkelen van windturbines) en buffers tot objecten en functies vormen tevens het vertrekpunt voor het planMER. De belemmeringen zijn daarom hieronder toegelicht. Deze eerste stap zorgt er in grote mate voor dat er geen geschikte onderzoeksgebieden over het hoofd worden gezien en dat in het planMER geen op voorhand technisch onhaalbare onderzoeksgebieden en onderzoeksgebieden met complexe belemmeringen worden meegewogen.

2.3.1

Harde belemmeringen voor windturbines De belemmeringenanalyse bevat de volgende onderwerpen:

Tabel 1

Belemmeringenanalyse  Woningen en andere geluidgevoe-

lige objecten*  Overige bebouwing: panden  Rijks-, spoor en vaarwegen  Luchtvaartrestrictievlakken

    

Hoogspanningsinfrastructuur Buisleidingen (zoals aardgasleidingen) Bestaande windturbines (referentiesituatie) Natura 2000-gebieden Ganzenrustgebieden

* Geluidgevoelige objecten zijn objecten met een woon-, zorg- of onderwijsfunctie die als zodanig aangemerkt staan in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), alsmede ligplaatsen voor woonschepen en staanplaatsen.

Rondom belemmeringen die zich in of nabij de onderzoeksgebieden voor windenergie bevinden, worden minimale afstanden (buffers) aangehouden die volgen uit of zijn afgeleid van wet- en regelgeving. Deze bufferafstanden staan beschreven in Tabel 2. De referentiewindturbine is schematisch weergegeven in Figuur 4. Tabel 2 Toelichting afstanden harde belemmeringen voor windenergie Belemmering Toelichting Woningen en anVoor woningen en andere geluidsgevoelige objecten gelden geen wetdere geluidsgevoetelijke minimumafstanden tot windturbines. In 2023 treden naar verlige objecten, buiten wachting nieuwe landelijke windturbinebepalingen in werking waarde bebouwde kom mee geluid, slagschaduwduur en externe veiligheidseffecten van windturbines worden genormeerd. Bij een afstand kleiner dan 300 meter tussen windturbines en woningen kan naar verwachting niet aan normen met betrekking tot geluid, slagschaduw en externe veiligheid worden voldaan. In het planMER zijn alle verblijfsobjecten die in het BAG een woon-, zorg- of onderwijsfunctie hebben als geluidsgevoelige objecten beschouwd. Woningen en anDe mate waarin een windpark tot (al dan niet toelaatbare) hinder leidt dere geluidsgevoeis locatie-specifiek maatwerk, dat onder andere afhangt van het aantal geluidsgevoelige objecten in de omgeving. Nabij gebieden met een dichte bewoning zal een windpark eerder tot meer hinder leiden. Om

9

Afstand 300 m

400 m

https://www.stateninformatie.provincie-utrecht.nl/documenten/Overig-1/PS2022MM46-09-8-Potentiele-onderzoeksgebieden-windenergie-Provincie-Utrecht-220704.pdf

10

Belemmering lige objecten, binnen de bebouwde kom

Overige bebouwing: panden

Rijkswegen

Spoorwegen Vaarwegen

HoogspanningsInfrastructuur

Buisleidingen

Bestaande/geplande windturbines

Bouwhoogtebeperkingen luchtvaart

Toelichting deze reden is er een aanvullende minimumafstand tot woningen en overige geluidsgevoelige objecten binnen de bebouwde kom gehanteerd. In het Provinciaal Programma Wonen en Werken (2021) en in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie/ Provinciale Ruimtelijke Verordening (2016) zijn uitbreidingslocaties wonen opgenomen. Omdat de woningbouwplannen in deze gebieden vergevorderd zijn, is een afstand van 400 meter tot deze gebieden tevens als harde belemmering beschouwd. Overige panden vormen een harde belemmering omdat een windturbine vanzelfsprekend niet op het pand kan komen te staan. Omdat overdraai van windturbines boven overige bebouwing niet bij voorbaat is uitgesloten, is tot panden geen bufferafstand aangehouden. Langs rijkswegen wordt op basis van een Beleidsregel van Rijkswaterstaat plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van een halve rotordiameter, met een minimum van 30 meter uit de rand van de verharding. ProRail hanteert een afstandseis van 11 meter + ½ x rotordiameter (met een minimum van 30m) vanaf het hart van het buitenste spoor. De beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken schrijft een minimale afstand tot de rand van de vaarweg voor van ten minste de helft van de rotordiameter, voor vaarwegen waarvoor Rijkswaterstaat vaarwegbeheerder is.

Tennet heeft in het Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW 2020) een adviesafstand opgenomen voor het transportnetwerk van 110 kV tot en met 380 kV. Deze afstand is gelijk aan de maximale werpafstand bij nominaal toerental of indien deze groter is, de ashoogte + ½ rotordiameter (in het planMER is 241m aangehouden). Deze adviesafstand geldt niet als harde eis, kleinere afstanden zijn in overleg met Tennet bespreekbaar. Voor het MER is uitgegaan van een minimumafstand gelijk aan de tiphoogte van het referentiewindturbinetype. Handreiking Risicozonering Windturbines 2020 houdt voor ondergrondse gasleidingen als risicoafstand de grootste waarde aan van: De tiphoogte De maximale werpafstand bij nominaal toerental Deze risicoafstand geldt niet als harde eis, kleinere afstanden zijn in overleg met de leidingbeheerder bespreekbaar, mits wordt aangetoond dat geen ontoelaatbare veiligheidsrisico’s optreden. Voor het planMER is uitgegaan van een afstand ter grootte van een halve rotordiameter tot de buisleiding. Om verhoogde slijtage als gevolg van turbulentie en een verminderde elektriciteitsopbrengst te vermijden dient een minimumafstand tussen windturbines te worden aangehouden. Deze is niet vastgelegd in wetof regelgeving, maar wordt door fabrikanten en ontwikkelaars wel vereist bij realisatie van nieuwe windparken.

Voor het planMER is uitgegaan van een minimale onderlinge tussenafstand van 3 maal de rotordiameter, in dit geval dus 486 meter. Nabij luchthavens, radarposten voor defensie en nabij opstellingen met communicatie en navigatieapparatuur gelden vlakken waarbinnen een bouwhoogtebeperking van toepassing is. Na toetsing door het bevoegd gezag kan soms van deze bouwhoogtebeperkingen worden afgeweken; de kansrijkheid tot afwijken verschilt per bouwhoogtebeperkingsvlak. Bouwhoogtebeperkingsvlakken waarbinnen een zeer kleine kans op afwijken wordt verwacht zijn in dit planMER als harde belemmeringen beschouwd. Het gaat daarbij om bouwhoogtebeperkingsvlakken die dichtbij de luchthaven liggen: met name binnen deze vlakken zullen naar verwachting relatief veel vliegtuigen laag vliegen. Bouwhoogtebeperkingsvlakken waarbinnen een grotere kans op afwijken wordt verwacht (omdat deze bouwhoogtebeperkingsvlakken relatief verder van de luchthaven liggen) zijn in dit planMER niet als harde

Afstand

n.v.t.

½ x rotordiameter

½ x rotordiameter + 11 m ½ x rotordiameter

ashoogte + ½ rotordiameter

½ x rotordiameter

3 x rotordiameter

½ x rotordiameter

11

Belemmering

Natura 2000-gebieden

Ganzenrustgebieden

Waterwingebied

2.3.2

Toelichting belemmeringen beschouwd. Binnen de provincie Utrecht geldt dat rekening moet worden gehouden met dergelijke bouwhoogtebeperkingen rond luchthaven Hilversum, opgenomen in de Verordening luchthavenbesluit Hilversum en de Omgevingsverordening Noord-Holland. De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staat het ontwikkelen van windturbines in Natura 2000-gebieden niet toe. Om overdraai over een Natura 2000-gebied uit te sluiten is een afstand van een halve rotordiameter tot deze gebieden als harde belemmering beschouwd. De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staat het ontwikkelen van windturbines in ganzenrustgebieden niet toe. Om overdraai over een ganzenrustgebied uit te sluiten is een afstand van een halve rotordiameter tot deze gebieden als harde belemmering beschouwd. Binnen de waterwingebieden bevinden zich onttrekkingsputten waarmee grondwater voor de bereiding van drinkwater wordt onttrokken. De Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht staat binnen waterwingebieden geen activiteiten toe die een risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater, zoals het verstoren van de bodem. Omdat de fundering van een windturbine naar alle waarschijnlijkheid wel tot een dergelijke verstoring zal leiden, zijn de waterwingebieden als harde belemmering beschouwd.

Afstand

½ x rotordiameter

½ x rotordiameter

n.v.t.

Complexe belemmeringen provincie Utrecht Naast ‘harde’ belemmeringen op grond van landelijk beleid en normstelling wordt bij de locatieafweging voor windenergie tevens rekening te worden gehouden met enkele overige belemmeringen voor windenergie. Dit betreft gebieden waar de ontwikkeling van windenergie niet is uitgesloten maar waar wel een beperkende werking uitgaat van overige (provinciale) beschermingsregimes. Het betreft gebieden waar opgaven liggen om specifieke natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en/of recreatieve waarden te behouden. Inpassing van windenergie in dergelijke gebieden is complex, vraagt veel onderzoek en kent een lange doorlooptijd. Gelet op het feit dat de opgave voor 2030 volgens afspraken in het kader van de RES 1.0 voor het einde 2024 moet zijn vergund ligt het niet voor de hand om deze gebieden mee te nemen in een provinciebrede onderzoeksgebieden (tenzij een van de gemeenten daarvoor een verzoek heeft ingediend, zie paragraaf 2.4). Ze zijn waarschijnlijk ook niet nodig om de doelstelling te behalen, de verwachting is dat het resterende plangebied voldoende onderzoeksruimte en keuzemogelijkheden biedt voor windenergie. Om bovengenoemde redenen is gekozen om gebieden als benoemd in Tabel 3 als complexe belemmeringen te beschouwen.

Tabel 3 Complexe belemmeringen Belemmering Toelichting Natuurnetwerk NeBinnen het Natuurnetwerk Nederland, als begrensd in de Provinciale Omderland (NNN) gevingsverordening, gelden regels met het oog op natuurbescherming, het in stand houden en versterken van een robuust netwerk van natuurgebieden en het behouden en versterken van de biodiversiteit. WeidevogelkerngeGebieden waar op grond van de provinciale Omgevingsverordening inbieden spanningen voor het behoud en beheer van weidevogels en weidevogelgebied zijn geconcentreerd. Stiltegebieden Binnen stiltegebieden gelden regels voor behoud van rust en het weren van gebiedsvreemd geluid met het oog op het beleven van de rust door mens en dier. De ‘stille kern’ en ‘bufferzone stiltegebied’, als begrensd in

Afstand ½ x rotordiameter

½ x rotordiameter n.v.t.

12

Belemmering

Unesco Werelderfgoed Hollandse Waterlinies

Toelichting de Interim Omgevingsverordening, zijn in deze studie als complexe belemmering beschouwd. Het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinie bevat een zonering die een risico aangeeft op aantasting van kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinies bij de ontwikkeling van windenergie. Het afwegingskader sluit geen gebieden uit maar geeft inzicht in de kansrijkheid. De in het Afwegingskader begrensde rode en oranje zones zijn getypeerd als belemmeringengebied voor het planMER.

Afstand

½ x rotordiameter

Hieronder is de kaart met belemmeringen weergegeven die tot stand is gekomen aan de hand van belemmeringen uit bovenstaande tabellen 1 en 2. Deze kaart laat zien waar windturbines op voorhand niet worden onderzocht in het planMER en geeft daardoor ook inzicht in de resterende gebieden die gezamenlijk het plangebied vormen voor het planMER. Dit betekent niet dat de ontwikkeling van windenergie is uitgesloten in gebieden die in het planMER als belemmeringengebied zijn beschouwd. Het provinciaal ruimtelijk beleid, vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening, is leidend voor ruimtelijk ontwikkelingen. Figuur 2

Gebieden met harde of complexe belemmeringen voor windturbines, al lopende projecten en resterende ruimte

2.4

Onderzoeksgebieden Na de begrenzing van het belemmeringengebied resteren gebieden die gezamenlijk worden beschouwd als onderzoeksgebieden voor windenergie. Om onderzoeksopstellingen te modelleren en gebieden te kunnen vergelijken is een logische begrenzing van onderzoeksgebieden gekozen. In het planMER worden alle mogelijke onderzoeksgebieden voor windenergie onderzocht waarna vervolgens alternatieven

13

(verschillende groepen van onderzoeksgebieden die samen een invulling aan de opgave zouden kunnen geven) worden samengesteld en beoordeeld. Aan de potentiële onderzoeksgebieden uit de reeds uitgevoerde belemmeringenstudie zijn onderzoeksgebieden toegevoegd die door gemeenten of waterschappen zijn aangedragen bij de provincie met de vraag om deze in het planMER mee te nemen. Ook zijn in overleg met Rijkswaterstaat gebieden toegevoegd omdat ze samen met gemeenten en provincie worden verkend in het kader van het programma Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER project A28): 1. Windlocaties die op verzoek van gemeenten zijn toegevoegd aan de NRD. Het gaat hierbij om locaties waarvoor gemeenten een voorkeur uitspreken of die uit eerder doorlopen participatieprocessen naar voren zijn gekomen. Het kan zijn dat deze locaties in de belemmeringstudie buiten de onderzoeksgebieden zijn gevallen, bijvoorbeeld vanwege ligging of opwekpotentie. Op verzoek van gemeenten worden deze locaties toegevoegd. 2. Windlocaties die deel uitmaken van een gemeentelijk planMER. Gebieden uit een gemeentelijk planMER die nog geen deel uitmaakten van de studie van de provinciale belemmeringenstudie zijn toegevoegd aan de lijst met onderzoeksgebieden. Dit betreft locaties in gemeente Utrecht en gemeente Vijfheerenlanden.

Voor zover deze locaties overlappen met onderzoeksgebieden zoals die in de belemmeringenstudie van de provincie zijn begrensd, wordt de begrenzing van de provincie aangehouden. Deze gebieden worden toegevoegd om het provinciale planMER zo compleet mogelijk te maken. Beoordeling van onderzoeksgebieden in het provinciale planMER staat los van de beoordeling in een gemeentelijk planMER omdat sprake is van verschillen in begrenzing van gebieden en beoordelingscriteria. Bij de samenstelling van het voorkeursalternatief wordt rekening gehouden met besluitvorming over gemeentelijke planMERren en de gemeentelijke plannen en besluiten waarvoor die planMERren zijn uitgevoerd. In Bijlage C is ter informatie een tabel opgenomen waarin alle onderzoeksgebieden die deel uitmaken van het planMER zijn opgesomd. In de kolom ‘toelichting’ is inzichtelijk gemaakt of het onderzoeksgebied voortkomt uit de provinciale inventarisatie of daaraan is toegevoegd. In het planMER hebben alle onderzoeksgebieden dezelfde status. Er wordt geen onderscheid gemaakt in status of herkomst van onderzoeksgebieden, de milieueffecten van alle gebieden binnen de provincie worden op eenzelfde manier inzichtelijk. Dat betekent niet dat de context en historie van de totstandkoming van gebieden niet wordt betrokken bij de uiteindelijke afweging.

Dit vindt echter pas plaats in de fase van de afweging van het voorkeursalternatief en de samenstelling van de provinciebrede voorkeursbeslissing.

14

Figuur 3

Begrenzing plangebied MER: onderzoeksgebieden windenergie

Bij de start van het planMER kan blijken dat bepaalde onderzoeksgebieden toch geen ruimte blijken te bieden voor windturbines of dat onderzoek en beoordeling van effecten in bepaalde gebieden niet doelmatig is. In dat geval zal het planMER hiervan een gedegen onderbouwing bevatten. NB: Het feit dat gebieden deel uitmaken van het planMER betekent niet dat dergelijke gebieden automatisch in beeld komen voor daadwerkelijke plaatsing van windturbines: dat is een keuze die pas in de fase van de afweging van het voorkeursalternatief en de voorkeursbeslissing wordt gemaakt. De keuze wordt mede op basis van de resultaten van het planMER gemaakt,.

2.4.1

Onderzoeksgebieden en onderzoeksopstellingen Om milieueffecten te kunnen onderzoeken wordt in het planMER gewerkt met indicatieve lijn opstellingen of clusteropstellingen met windturbines. Deze modellering van opstellingen is indicatief maar wel noodzakelijk om effecten te kunnen beoordelen en opwekpotentie per onderzoeksgebied inzichtelijk te maken. Voor alle onderzoeksgebieden geldt dat effecten op alle in deze NRD genoemde milieuaspecten worden beoordeeld. Voor de modellering van opstellingen met windturbines is gebruik gemaakt van een referentiewindturbinetype waarvan de afmetingen zijn weergegeven in Figuur 4.

15

Figuur 4

Schematische weergave afmetingen referentiewindturbinetype.

2.5

Beoordeling van onderzoeksgebieden Elk onderzoeksgebied wordt aan dezelfde effectbeoordeling onderworpen. Op deze manier kan een vergelijking gemaakt worden tussen de onderzoeksgebieden. Hoofdstuk 3 beschrijft in meer detail hoe de onderzoeksgebieden worden beoordeeld. Vervolgens worden milieueffecten in kaart gebracht en beoordeeld voor alternatieven die zijn samengesteld uit één of meer onderzoeksgebieden (zie volgende paragraaf). Op basis van de verwachte milieueffecten en de verwachte opbrengst kan de provincie keuzes maken voor de samenstelling van een voorkeursalternatief waarbij de relatie met het doelbereik (de doelstelling voor opwek van windenergie) bij de besluitvorming wordt betrokken.

2.6

Thematische alternatieven Na de effectbeoordeling van de onderzoeksgebieden (stap 1) worden enkele thematische alternatieven samengesteld (stap 2). Door alternatieven te formuleren die vanuit het oogpunt van één onderzoeksthema optimaal zijn samengesteld (lees: zo min mogelijk negatieve milieueffecten op dat thema) en deze alternatieven op alle beoordelingscriteria te scoren, wordt een beeld verkregen van de mogelijkheden voor het maken van beleidskeuzes. Te denken valt aan een alternatief ‘landschap’, een alternatief ‘leefomgeving’ of een alternatief ‘netaansluiting’. De formulering en samenstelling van alternatieven kan pas plaatsvinden nadat de effectbeoordeling van onderzoeksgebieden is afgerond. Omdat voor alle alternatieven tevens de mate van doelbereik (1 TWh) wordt beoordeeld, wordt alle relevante informatie aangereikt om een voorkeursalternatief te formuleren en gebieden te selecteren voor opname in de voorkeursbeslissing. In het planMER worden slechts alternatieven beoordeeld en vergeleken zonder rekening te houden met in het verleden opgestelde beleidskaders. De beoordeling van alternatieven in het planMER vindt plaats op een systematische en zo objectief 16

mogelijke wijze. De afweging van het voorkeursalternatief (dat kan zijn samengesteld uit verschillende alternatieven) vindt vervolgens plaats op basis van de verkregen informatie uit het planMER en overige bronnen zoals uitkomsten van het participatieproces, lokale beleidskaders, bestuurlijke afspraken en andere afwegingen. Mogelijk worden de onderzoeksgebieden en beoordelingscriteria bij de samenstelling en beoordeling van thematische alternatieven aangepast. Het gaat in dat geval om aanpassingen die leiden tot een optimalisatie vanuit het thema waarvoor het alternatief is geformuleerd. Ook is het mogelijk dat voor de beoordeling van thematische alternatieven andere beoordelingscriteria worden gehanteerd dan voor de beoordeling van de individuele onderzoeksgebieden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als blijkt dat de gehanteerde beoordelingscriteria in stap 1 leiden tot onvoldoende onderscheidende effecten. Het kan ook zijn dat voor stap 2 effecten beoordeeld worden aan de hand van nieuwe landelijke normen voor geluid, als die tijdens de uitvoering van het planMER bekend worden. Als daarvoor aanleiding is wordt dit nader toegelicht in het planMER.

2.7

Referentiesituatie In het planMER worden de milieueffecten van de windturbines ten opzichte van een zogenoemde ‘referentiesituatie’ beschreven: de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. De referentiesituatie is de situatie waarin de voorgenomen activiteit niet wordt uitgevoerd. Deze beschrijving is relevant voor de beoordeling van de effecten van de alternatieven, aangezien er meer ruimtelijke opgaven liggen in de provincie Utrecht. Autonome ontwikkelingen zijn andere (ruimtelijke) ontwikkelingen waar concreet zicht op bestaat maar die nog niet zijn gerealiseerd. Dit betekent dat er sprake moet zijn van voorbereiding van een ruimtelijk plan, besluit of planologische procedure. In het planMER worden de milieueffecten onderzocht ten opzichte van de referentiesituatie (de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen).

2.7.1

Autonome ontwikkelingen Voor de gehele provincie geldt dat er veel plannen bestaan voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Wanneer het gaat om voorzienbare ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor concrete informatie voorhanden is, worden deze meegenomen in de referentiesituatie. Een deel van deze autonome ontwikkelingen is met de belemmeringenanalyse al meegenomen in de startkaart voor de NRD en het planMER. Overige specifieke ruimtelijke ontwikkelingen die deel moeten uitmaken van de referentiesituatie worden in het planMER benoemd in relatie tot de relevante onderzoeksgebieden. Ook als het gaat om windparken zelf moet rekening worden gehouden met autonome ontwikkelingen. Deze windparken hoeven niet opnieuw te worden beoordeeld in een planMER maar maken deel uit van de referentiesituatie. Naast bestaande windparken maken de volgende beoogde windparken in de provincie Utrechtdeel uit van de referentiesituatie voor het planMER:  Windpark Goyerbrug (Houten) – vergunning verleend door gemeente  Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop (Utrecht) – in ruimtelijke procedure 17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12490052/1