24RV025 - Bijlage 6 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart.
27
Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal I&W binnen deze budgettaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.
Regionaal Bodem- en waterprogramma Utrecht 2022-2027 Het Regionaal Bodem- en waterprogramma (RWBP) 2022 - 2027 Provincie Utrecht is op 14 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Bodem- en waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Utrecht. Ten eerste zijn er een aantal overkoepelende thema’s voor bodem en water uitgelegd: − Een duurzaam ondergrondgebruik: Het is belangrijk voor mens en dier in een geschikte leefomgeving te kunnen leven. De ondergrond wordt steeds meer gebruikt (drinkwater, bodemenergie…). Daarom vraag deze ontwikkeling om samen met betrokkenen te gaan werken. Elk project is maatwerk; − Een circulaire economie maakt deel uit van de beleidskeuzes. De ambitie is onder andere om te gaan innoveren met verkenning naar een circulair watersysteem in de provincie, met zo weinig mogelijk afval. Verder is het plan onderverdeeld in zes deelprogramma’s: 1. Schoon oppervlaktewater: Dit programma draait om de bescherming van biodiversiteit. De principe wijst ‘waterparels’ aan om wateren met specifieke soorten te beschermen. Daarnaast is een goede kwaliteit van oppervlaktewater van belang voor vele gebruiksfuncties; 2.
Schone bodem en grondwater: Het programma draait om het beperken van verontreinigende stoffen en het voorkomen van achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen. Schoon water is ook belangrijk voor mensenconsumptie; 3. Bodem: kwaliteit, vruchtbaarheid, aardkundige waarden en ontgrondingen: Dit programma vooral een administratief punt over taken en rollen in de transitie naar (en na) de Omgevingswet. Kennisontwikkeling en kennisdeling zijn onder andere belangrijke opgaven. Verder focust het beleid zich op het faciliteren van kringlooplandbouw en de borging van de aardkundige waarden in de ruimtelijke ontwikkelingen. Tot slot wordt er randvoorwaarden opgesteld aan delfstoffenwinning;
28
4. Voldoende water en voorkomen wateroverlast: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let de provincie op de hoeveelheid :goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; 5. Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem; 6. Energie uit bodem en water: De provincie wil zich inzetten op ondergrondenenergie (aquathermie en ondiepe bodemenergie…) mits de netwerken optimaal benut zullen worden en mits het verantwoord is voor mens, bodem, water en milieu. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. De provincie is ook onderverdeeld in deelgebieden. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Utrecht. Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Op 22 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: − Zuiver afvalwater: Bij dit programma speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol met oog voor circulaire economie en energieneutraliteit. − Robuust en gezond watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op het tegengaan van de bodemdaling, het bevorderen van biodiversiteit en een gezond (grond)water. − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Toetsing Voor voorliggend project is de digitale watertoets4 doorlopen waaruit volgt dat de ontwikkeling onder de korte procedure valt en overleg met het waterschap hiervoor niet noodzakelijk is. Er zijn geen specifieke waterbelangen in het projectgebied, zoals de aanwezigheid van een waterkering of watergang. Wat betreft verharding geldt dat momenteel zo’n 1.301 m2 verhard is, wat neer komt op circa 24%.
4
De Watertoets (2022). Vergunningencheck Digitale Watertoets. Bosch en Duin, Boschlust fase 2. Projectnummer 180144. 5 januari 2022. 29
Huidige verhardingssituatie projectgebied (bron: EVE).
In de beoogde situatie zal het verhard oppervlak teruggebracht worden naar circa 1.119 m2, zo’n 21%. Dat maakt dat er sprake is van een geringe afname in het verhard oppervlak, hetgeen een positief effect heeft op klimaatadaptatie en de kansen voor hemelwater om via een natuurlijke weg in de bodem te filtreren.
Beoogde verhardingssituatie projectgebied (bron: EVE).
30
Tot slot geldt het projectgebied door de provincie is aangewezen als een kwetsbare strategische grondwatervoorraad. Het doel hiervan is zorgen dat er in de toekomst voldoende mogelijkheden zijn voor de winning van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Voorliggend project staat dit doel niet in de weg. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het projectgebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing SAB heeft met een quick scan natuur 5 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het projectgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het projectgebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan volgt dat het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied op 9,6 kilometer afstand van het projectgebied ligt. Het project voorziet in een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel geldt dat effecten als gevolg van stikstofdepositie op grotere afstand op kunnen treden.
Daarom is voor de ontwikkeling een onderzoek stikstofdepositie6 uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat zowel voor de aanleg- als gebruiksfase geldt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde gedeelte van het Natuurnetwerk Nederland bevindt zich op circa 75 meter ten oosten van het projectgebied. De bescherming van het NNN kent in de provincie Utrecht niet het begrip externe werking. Aangezien het besluitgebied niet in het NNN of de Groene Contour ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De 5
SAB (2020). Quick scan natuur. Bosch en Duin, Boschlust fase 2. Projectnummer: 180144. 17 maart 2020.
6
SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Bosch en Duin, Boschlust fase 2. Projectnummer: 180144. 9 februari 2023. 31
voorngenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. Soortenbescherming In en rondom het projectgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het projectgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het projectgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden loopt globaal van half maart tot half augustus. Indien de werkzaamheden in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk.
Verder blijkt uit de quick scan dat mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Met een nader onderzoek7 naar soorten is onderzocht of kan worden uitgesloten dat vleermuizen negatieve effecten ondervinden door de voorgenomen ontwikkeling. Uit dit onderzoek blijkt dat geen vleermuizen aanwezig zijn binnen het projectgebied. Met de geplande werkzaamheden gaan dus geen essentiële elementen voor vleermuizen verloren. De aanvraag van een ontheffing Wet natuurbescherming is dan ook niet nodig. Houtopstanden Het projectgebied ligt in een bosachtige setting en daarmee ook in een houtopstand. De bomen hebben geen beschermingsregime onder de Wet natuurbescherming, waardoor voor kap van eventuele bomen het gemeentelijk beleid van toepassing is. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten
7
SAB (2020). Nader onderzoek Wet natuurbescherming Bosch en Duin, Boschlust fase 2. Projectnummer: 180144. 19 oktober 2020. 32
archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Bij raadpleging van het geldende bestemmingsplan, waarin het gemeentelijk archeologisch beleid is opgenomen, blijkt dat voor het projectgebied een lage archeologische waarde geldt. Voor bodemverstoringen die kleiner zijn dan 10 hectare gelden hier geen restricties voor planvorming en hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden. Hierdoor wordt aangenomen dat er geen archeologische waarden in de grond zullen worden gevonden. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Wanneer tijdens de uitvoering van werkzaamheden een monument wordt gevonden moet dit op grond van de Erfgoedwet (artikel 5.10 en 5.11) verplicht worden gemeld aan de Minister van OCW en de gemeente Zeist. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.10
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Toetsing Binnen het projectgebied is geen monumentale en/of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Wel wordt in dit project gestreefd naar de realisatie van woningen met een opzet en uitstraling die past binnen de context van Bosch en Duin. Dit maakt dat voorliggende ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden in en rondom het projectgebied aantast. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.
33
4.11
Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW8 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op de ligging van het projectgebied worden de kencijfers voor het gebied ‘rest bebouwde kom’ gehanteerd. De gemeente Zeist wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘sterk stedelijk’ gebied. Voor de toevoeging van twee vrijstaande koopwoningen volgt uit de kerncijfers de volgende verkeersgeneratie: Koop, huis, Vrijstaand (2) Minimaal
7,8 x 2 = 15,6
Maximaal
8,6 x 2 = 17,2
Gemiddeld gezien zullen 16,4 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. De verkeersgeneratie is zodanig laag dat er geen significant negatieve effecten worden verwacht. Parkeren De gemeente Zeist heeft eigen parkeerbeleid en hanteert voor dure woningen een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per wooneenheid met 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers. Voor de twee woningen bij elkaar levert dit een behoefte van circa 4 parkeerplaatsen op. Deze parkeerplaatsen worden binnen het projectgebied op eigen terrein gerealiseerd. Op deze manier wordt binnen de kaders voorzien in de benodigde parkeerbehoefte. Daarnaast wordt een deel van het projectgebied geschikt gemaakt om meer parkeerplaatsen te kunnen realiseren voor woonzorginstelling ‘De Wijngaard’, om zodoende de bestaande parkeerdruk te kunnen verlagen. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.
8
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 34
5 5.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en welke zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn: − de bouw van een of meer woningen; − de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen; − de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; − de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; − de bouw van kassen met een oppervlakte van tenminste 1.000 m2. Het voorliggende project wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal.
Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit project is hiermee aangetoond.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijke onderbouwing, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van de ontwikkeling. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.
35
In deze paragraaf of in een bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing zullen de binnengekomen reacties worden samengevat en van een antwoord worden voorzien. 5.2.2
Inspraak Gedurende het planproces zijn verschillende overlegmomenten geweest met Accolade en de Vereniging Bosch en Duin. Daar waar de vereniging niet positief tegenover de ontwikkeling staat, is Accolade gebaat bij de ontwikkeling en blij dat er straks extra parkeergelegenheid ontstaat.
5.2.3
Zienswijzen Het ontwerpbesluit zal te zijner tijd voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
36