CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

24RV025 - Bijlage 6 Ruimtelijke onderbouwing

Raad 23 april 2024, gemeente ZeistBij agendapunt: VVGB 2 woningen Duinweg 28 en 30 Bosch en Duin11.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing

Bosch en Duin, Boschlust fase 2

Gemeente Zeist

Datum: 13 oktober 2023 Projectnummer: 180144 ID: NL.IMRO.XXX

INHOUD

1

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing projectgebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer

4 4 5 6

2

Het project

7

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

7 8

3

Beleid en regelgeving

10

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

10 12 15

4

Milieu- en omgevingsaspecten

21

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

21 21 22 23 24 25 26 31 32 33 34

5

Uitvoerbaarheid

35

5.1 5.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

35 35

Bijlagen − Bijlage 1: Bomen effect analyse

− Bijlage 2: Bodemonderzoek − Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai − Bijlage 4: Digitale watertoets − Bijlage 5: Quick scan natuur − Bijlage 6: Onderzoek stikstofdepositie − Bijlage 7: Nader onderzoek natuur

3

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Met de oplevering van Martha Flora heeft het perceel aan de Duinweg 26 in Bosch en Duin een nieuwe impuls gekregen en doet zich nu ook de kans voor om het leegstaande pand ‘Boschlust’ aan te pakken. Het voornemen bestaat om het pand te slopen. Hiervoor in de plaats wordt op de plek van de te slopen bebouwing extra parkeergelegenheid gerealiseerd voor de Wijngaard om de huidige parkeerdruk te verminderen en zijn een tweetal woonkavels voorzien, georiënteerd op de Duinweg. De woningen worden ingepast met behoud van de aanwezige bomen. Tevens kan de verdere verloedering en verpaupering van ‘Boschlust’ tegen worden gegaan. De extra parkeergelegenheid kan reeds binnen de aanwezige maatschappelijke bestemming gerealiseerd worden. Voor de beoogde woningen geldt echter dat het niet mogelijk is binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken wordt met toepassing van artikel 2.1 eerste lid onder c, in samenhang met artikel 2.12 eerste lid onder a sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning aangevraagd. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning geldt als voorwaarde dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Het voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing projectgebied Het projectgebied ligt in het zuiden van villawijk Bosch en Duin (gemeente Zeist, provincie Utrecht). Het betreft de gronden die kadastraal bekend staan als gemeente Zeist, sectie K, perceelnummer 4200. De omgeving van het projectgebied is een bosrijk gebied met veel vrijstaande woningen op grote percelen. Een aantal jaar geleden is op naastgelegen percelen een woonzorginstelling van Martha Flora gerealiseerd. Op navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het projectgebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de kaart met daarop het besluitgebied, behorende bij deze ruimtelijke onderbouwing.

Topografische kaart met de globale ligging van het besluitgebied (rood omkaderd) (bron: PDOK). 4

Luchtfoto met de globale ligging van het besluitgebied (rood omkaderd) (bron: PDOK).

1.3

Geldende bestemmingsplannen Ter plaatse van de ontwikkellocatie geldt een tweetal bestemmingsplannen, namelijk ‘Reparatieherziening Den Dolder Zuid, Bosch en Duin en Huis ter Heide Noord’ (vastgesteld d.d. 19 november 2013) en ‘Den Dolder Zuid, Bosch en Duin en Huis ter Heide Noord’ (vastgesteld d.d. 17 april 2012). Om een gebruiksvriendelijke weergave van beide bestemmingsplannen te kunnen bereiken, is een geconsolideerde versie van deze plannen gemaakt. Raadpleging van deze geconsolideerde versie wijst uit dat de ontwikkellocatie de bestemming ‘Maatschappelijk’ met de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ kent. Tevens heeft een klein deel van de gronden een bouwvlak.

Uitsnede bestemmingsplan ‘Den Dolder Zuid, Bosch en Duin en Huis ter Heide Noord, Geconsolideerde versie’ met daarop het projectgebied globaal rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl). 5

Binnen deze maatschappelijke bestemming zijn maatschappelijke voorzieningen ter zake van religie, verenigingsleven, onderwijs, opvoeding, kinderopvang, gezondheidszorg, bejaardenzorg en andere openbare en bijzondere dienstverlening en voorzieningen, en groen-, parkeer- en overige voorzieningen, zoals fietsenstallingen en nutsvoorzieningen. Gebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de ter plaatse geldende maxima, bijvoorbeeld ten aanzien van de bouwhoogte. De aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ heeft betrekking op een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid ten aanzien van het oprichten van bedrijfswoningen en de bouw van ondergrondse parkeervoorzieningen. Tot slot geldt ter plaatse ook het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeernormen Zeist’ waarmee juridisch-planologisch wordt vastgelegd dat een omgevingsvergunning voor onder andere het bouwen alleen wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd, zoals beschreven in de ‘Parkeerbeleidsnota Zeist’. Het voorgestelde initiatief om twee woningen te realiseren past niet binnen de kaders van de nu geldende bestemmingsplannen. Daarom wordt middels een omgevingsvergunning afgeweken van het geldende bestemmingsplan. De locatie ligt ook buiten de rode contouren van de gemeente Zeist, een gebied waar alleen op basis van visie met gedegen onderbouwing woningen mogen worden toegevoegd.

1.4

Leeswijzer De ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit 5 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het besluitgebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het project aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Ten slotte behandelt hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6

2

Het project

2.1

Huidige situatie Omgeving Het projectgebied ligt in de villawijk Bosch en Duin behorende bij de gemeente Zeist. Villawijk Bosch en Duin is een villagebied, dat is verweven met het landschap. Deze verwevenheid is ook in de opbouw en structuur van Bosch en Duin terug te vinden. De villawijk kent een grofmazige opzet, een lage bebouwingsdichtheid en een zeer groen, bebost karakter. Op de gronden op de hoek Duinweg-Dennenweg te Bosch en Duin bevindt zich een maatschappelijk zorgcluster. Dit zorgcluster bestaat grofweg uit een drietal percelen. Het eerste perceel is momenteel bebouwd en in gebruik ten behoeve van de woonzorgvoorziening ‘De Wijngaard’ van Accolade Zorg. Daarnaast is op het tweede perceel het leegstaande pand ‘Boschlust’ aanwezig. Tenslotte geldt voor het derde perceel dat Martha Flora hier in 2019 een nieuw particulier verpleeghuis heeft gerealiseerd. Met de ontwikkelopgave van Martha Flora heeft de locatie een nieuwe impuls gekregen en doet zich nu ook de kans voor om in een tweede ontwikkelfase het leegstaande pand ‘Boschlust’ aan te pakken. Voorliggend project geeft hier invulling aan.

Huidige situatie projectgebied met het te slopen gebouw (grijs) aan de noordwestzijde (bron: Kolpa Architecten).

Projectgebied De gronden op de hoek Duinweg-Dennenweg te Bosch en Duin bestaat uit het leegstaande pand ‘Boschlust’ en meerdere groenvoorzieningen. De groenvoorzieningen bestaan uit bomen, struiken en gazon en liggen voornamelijk aan de randen van het projectgebied. Het grootste deel van de gronden heeft momenteel een open en relatief onbebost karakter. De nieuwbouw van Martha Flora speelt in op de huidige wensen en eisen binnen de zorgsector en heeft alle benodigde faciliteiten onder één dak op toekomstbestendige wijze ondergebracht. Het leegstaande pand ‘Boschlust’ had voorheen een 7

ondersteunende zorgfunctie, maar is voor het uitoefenen van de zorgvraag vanuit Martha Flora niet langer noodzakelijk. Daarbij komt dat het pand kwalitatief en bouwtechnisch gezien in de huidige staat geen reële mogelijkheden biedt voor een nieuwe invulling dan wel transformatie. Het perceel waartoe ‘Boschlust’ behoort is daarmee in onbruik geraakt en kan worden gezien als ‘resterend’. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie van het projectgebied.

Het leegstaande pand vanuit het westen en een impressie van de groenvoorzieningen (bron: SAB).

2.2

Toekomstige situatie Nu Martha Flora inmiddels volop in bedrijf is, bestaat de wens om invulling te geven aan de tweede fase van de totale ontwikkeling. Concreet wordt daarbij de leegstand en verloedering van het nog aanwezige gebouw ‘Boschlust’ aangepakt. Voor dit deel van het perceel geldt dat het na de oplevering van Martha Flora in onbruik is geraakt. Met de sloop van Boschlust ontstaat er ter plekke van Boschlust ruimte om extra parkeergelegenheid voor ‘de Wijngaard’ te realiseren. Met de sloop van Boschlust verdwijnt een groot bouwvolume. Hiervoor in de plaats is gekeken naar mogelijkheden voor nieuwbouw in de vorm van woningen, die het ter plaatse aanwezige boskarakter zoveel mogelijk in stand houden. Er zal daarbij aangesloten worden op de directe omgeving met grote vrijstaande huizen op bosrijke percelen. Voor deze locatie kunnen twee woningen zodanig worden ingepast dat waardevolle boomgroepen behouden kunnen blijven. De nieuw te bouwen woningen maken de sloop en investeringen in de openbare ruimte rendabel en voegen zich geheel naar de bestaande ruimtelijke kwaliteit in de directe omgeving. Daarnaast is geen sprake van meer bouwprogramma buiten de rode contouren dan in de huidige situatie het geval is.

Op deze manier krijgt het besluitgebied een toekomstbestendige invulling en wordt op passende wijze invulling gegeven aan de tweede fase van de ontwikkelingen in het gebied. De woningen zullen ieder een footprint hebben van circa 150 m 2. Dit is ruim minder dan de huidige oppervlakte van het pand ‘Boschlust’, dat circa 530 m 2 bedraagt. De woningen worden bereikbaar via een gezamenlijke inrit op de Duinweg die qua maatvoering aansluit op de omgeving. Om de effecten van de ontwikkeling op de

8

aanwezige bomen te onderzoeken is een Bomen Effect Analyse 1 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat op het projectgebied 67 bomen aanwezig zijn. Van deze bomen is één boom dood en hebben twee andere bomen een slechte conditie en levensverwachting. In totaal komen zes bomen in aanmerking om gerooid te worden vanuit het oogpunt van beheer. Met voorliggende ontwikkeling wordt verwacht dat drie bomen niet duurzaam in te passen zijn. Deze staan in of dicht op de bouwvlakken. Van een enkele boom kan worden overwogen om deze alsnog in te passen of fors te snoeien. De te kappen bomen worden in overleg met de gemeente elders gecompenseerd. Hiervoor wordt een kapvergunning aangevraagd. De overige aanwezige bebossing kan met voorliggende ontwikkeling gehandhaafd blijven. In onderstaande afbeeldingen zijn de toekomstige situatie van het besluitgebied en de globale inpassing daarvan te zien. Ten slotte wordt een gedeelte van het terrein gereserveerd voor de uitbreiding van het parkeerterrein van de aanliggende woonzorgvoorziening uit fase 1.

Beoogde situatie (bron: EVE).

Impressie beoogde twee woningen (bron: EVE). 1

Bomen Effect Analyse (2022). 67 bomen Duinweg 28-30 te Bosch en Duin. Projectnummer 180144. 24 februari 2022. 9

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Toetsing Met de sloop van Boschlust verdwijnt een groot bouwvolume.

Hiervoor in de plaats komen een tweetal woningen op bosrijke percelen zoals dat veelvuldig in Bosch en Duin voorkomt. Daarbij ontstaat eveneens ruimte om extra parkeergelegenheid te realiseren en de aanwezige parkeerdruk in het gebied te verminderen. Op deze manier komt er per saldo niet meer bouwprogramma op de locatie, wordt voorzien in een duurzame instandhouding van het gebied en wordt aangesloten op de kenmerken en identiteit van het gebied. Zo sluit dit project aan op het gedachtegoed van de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken van het kabinet die bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

10

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen project raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre de ontwikkeling, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte de voorliggende ontwikkeling mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Uit jurisprudentie volgt dat er in beginsel geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling indien er met een ontwikkeling minder dan 12 woningen worden toegevoegd. In voorliggend project worden twee woningen toegevoegd. Om die reden is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Het doorlopen van een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is om die reden niet noodzakelijk. Conclusie Voorliggend project is niet in strijd met het rijksbeleid.

11

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie legt de provincie het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2050 vast. Het nieuwe ruimtelijke beleid heeft als hoofdvraag: 'Hoe willen wij dat onze provincie er in 2050 er uitziet?'. In de omgevingsvisie komen de volgende aspecten aan de orde: • Woningbouw in principe binnen steden en dorpen en rondom knooppunten; • De beschikbare ruimte meervoudig gebruiken; • Het vergroten van de duurzaamheid; • Specifiek in spelen op wat gebieden nodig hebben. In de Omgevingsvisie ligt de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma's en Omgevingsverordening. In de omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang bezien. Hiermee wordt ruimte geboden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, voor sociale samenhang en wordt zorg gedragen voor behoud of verbetering van kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving.

In het omgevingsbeleid staan twee centrale uitgangspunten centraal: − Gebiedsgericht kiezen voor integrale, toekomstgerichte oplossingen waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo behouden of versterken, zo nodig met compenserende maatregelen. − Concentreren en combineren van nieuwe ontwikkelingen, om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Er blijft ook ruimte beschikbaar voor lokale opgaven. Toetsing Raadpleging van de digitale versie van de Omgevingsvisie wijst uit dat in het projectgebied een aantal provinciale belangen spelen. Navolgend wordt hierop ingegaan. Uitbreiden van mogelijkheden voor drinkwaterwinning Drinkwaterbedrijven en overheden zijn samen verantwoordelijk voor het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening. Dit wordt ook wel de 'zorgplicht drinkwater' genoemd. Voor de bescherming van de bestaande drinkwaterwinningen in de provincie bestaat een beschermingszone drinkwaterwinning. Het projectgebied valt binnen deze zone. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen functies mogelijk gemaakt die de drinkwaterwinning belemmeren. Dit vormt dan ook geen belemmering voor het project. Klimaatbestendig en waterrobuust De provincie streeft naar een klimaatbestendige en waterveilige provincie. Hiervoor wordt een mix aan maatregelen genomen.

Zo wordt gezorgd dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater voldoet aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water en de

12

doelen voor het overig water. Verder dient het watersysteem robuust en veerkrachtiger te worden door onder andere voldoende vasthoudcapaciteit bij neerslag. Omdat voorliggend project voorziet in het verminderen van het verhard oppervlak aan bebouwing, is sprake van het verbeteren van de kwaliteiten voor het klimaatbestendig en waterrobuust maken van de omgeving. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan deze provinciale ambitie. Aantrekkelijke landschappen Elk Utrechts landschap heeft zijn eigen kwaliteiten die mede richting geven aan de daarin gelegen en omliggende functies en hun ontwikkelingsmogelijkheden. Daarom wil de provincie op de kernkwaliteiten van de verschillende landschappen voortbouwen en deze doorontwikkelen. Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten van het landschap. Voor de open landschappen gelden andere principes dan voor de meer gesloten landschappen. Landschappen vragen om bebouwing die qua maat en schaal passen bij de kernen die in het landelijk gebied gelegen zijn. Voorliggende ontwikkeling maakt onderdeel uit van het landschap van de Utrechtse Heuvelrug. Dit landschap kenmerkt zich door de robuuste eenheid, reliëfbeleving en extreme historische gelaagdheid.

Omdat in voorliggende situatie sprake is van het realiseren van een tweetal woningen waarbij het boskarakter ter plaatse behouden blijft, wordt zo de robuuste eenheid van het landschap gehandhaafd. Er is daarbij geen sprake van beïnvloeding van de beleving van het aanwezige reliëf en/of de historische gelaagdheid van de locatie. Op deze manier houdt de ontwikkeling rekening met de landschappelijke kernkwaliteiten van de Utrechtse Heuvelrug. Vitale dorpen en steden Prognoses wijzen uit dat de provincie de komende decennia nog fors gaat groeien, en dat er extra ruimte nodig is om deze groei op te vangen. Om de toekomstige ontwikkeling van woon- en werklocaties in samenhang met bereikbaarheid, en in samenhang met de overige opgaven en kwaliteiten in goede banen te leiden worden bij de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking de volgende basisprincipes gehanteerd: − zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; − daarnaast in overig stedelijk gebied; − eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors. In aanvulling hierop kan onder voorwaarden ruimte worden geboden aan kernen voor kleinschalige uitbreiding van het stedelijk gebied om de lokale vitaliteit of ruimtelijke kwaliteit te vergroten (lokaal maatwerk).

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een tweetal woningen buiten het door de provincie aangewezen stedelijk gebied. De ontwikkeling van de woningen maakt onderdeel uit van de volledige herontwikkelingsopgave van het aanwezige maatschappelijke vastgoed zoals die een aantal jaren geleden is gestart. In deze laatste fase wordt een verouderd en leegstand zorggebouw gesloopt en ingewisseld voor extra parkeergelegenheid in combinatie met de twee woningen. Op die manier is

13

sprake van vergroten van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en is het gerechtvaardigd de ontwikkeling buiten het aangewezen stedelijk gebied te realiseren. De ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de provinciale omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening provincie Utrecht De interim omgevingsverordening (IOVPU) is op 10 maart 2021 vastgesteld. In de verordening zijn instructieregels opgenomen die in acht genomen moeten worden bij het maken van nieuwe ruimtelijke plannen. Op deze manier kan het provinciale ruimtelijke beleid ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Toetsing Navolgend wordt ingegaan op de voor deze ontwikkeling relevante regels uit de IOVPU. Artikel 3.5 Grondwaterbeschermingszones en -gebieden Het projectgebied maakt in de IOVPU onderdeel uit van een ‘kwetsbare strategische grondwatervoorraad’. Doel hiervan is te zorgen dat er in de toekomst voldoende mogelijkheden zijn voor de winning van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Omdat voorliggend project uitsluitend voorziet in de sloop van een verouderd zorggebouw, de realisatie van een tweetal woningen en extra parkeergelegenheid wordt niet voorzien in functies die negatieve invloed kunnen hebben op de grondwaterkwaliteit. Bovendien zorgt de genoemde ontwikkeling voor een afname van het bebouwd oppervlak, waardoor water beter ter plaatse op een betere manier in de bodem kan infiltreren. Voorliggend plan zorgt al met al niet voor een verslechtering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater voor de waterwinning (stand-still principe). Dit aspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling .

Artikel 7.9 Landschap De provincie Utrecht is opgedeeld in een aantal landschapstypen. Ontwikkelingen die betrekking hebben op deze gebieden dienen aan te tonen dat geen nieuw activiteiten worden toegevoegd die de kernkwaliteiten van het desbetreffende landschap niet onevenredig aantasten. Ook de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan moet worden beschreven. Voorliggend project ligt in het landschap Utrechtse Heuvelrug. De ontwikkeling wordt ingepast zonder het verlies van natuur of bodemkwaliteiten. De wijze waarop dit gebeurt wordt nader uitgelegd in voorliggende ruimtelijke onderbouwing, waaruit onder meer blijkt dat de beoogde woning zich naar aard en schaal voegen naar de omgeving en er sprake is van het behoud van het aanwezige bosrijke karakter. Hiermee wordt verwacht dat voldoende wordt aangetoond dat met de ontwikkeling geen negatieve effecten voor het landschap worden veroorzaakt. Artikel 9.2 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied Om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied te behouden, moet een ongebreidelde uitwaaiering van stedelijke bestemmingen hier voorkomen worden. Daarom zijn nieuwe vormen van verstedelijking in het landelijk gebied verboden. Op dit verbod zijn in de verordening uitzonderingen mogelijk. Eén van deze uitzonderingen is dat

14

bebouwing voor stedelijke bestemmingen in de plaats komt van bestaande bebouwing. Hier wordt in artikel 9.7 verder ingegaan. Artikel 9.7 Bestaande stedelijke functies, anders dan wonen In artikel 9.7 staat vermeld dat bepaalde stedelijke functies in landelijk gebied een andere stedelijke functie kunnen krijgen, onder de voorwaarde dat de functiewijziging naar aard en omvang, op basis van een integrale afweging, niet leidt tot vergroting van de locatie en tot een toename van de invloed op de omgeving, dat bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden en dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. In voorliggende situatie wordt voor ruim 500 m2 aan stedelijke bebouwing (hoofdgebouw) gesloopt en slechts voor circa 300 m2 aan stedelijke bebouwing (hoofdgebouwen) toegevoegd. Daarbij komt dat de huidige maatschappelijke bestemming ter plaatse een intensief gebruik toestat, intensiever dan redelijkerwijs valt te verwachten van het gebruik van de locatie voor twee woningen. Ook biedt zowel het huidige planologische regime als de feitelijke inrichting van het perceel mogelijkheden om de kwaliteit van het groen op de locatie te verbeteren en het aanwezige boskarakter zoveel mogelijk in stand houden.

Door het verbeteren van de groene afscherming kan de invloed van de locatie op de omgeving aanzienlijk verminderen, zodat voldaan kan worden aan de gestelde voorwaarden uit artikel 9.7. De ontwikkeling is in lijn met de regels uit de provinciale omgevingsverordening. Conclusie Voorliggend project is niet in strijd met het provinciaal beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Eerste Zeister omgevingsvisie 2023-2026 Op 25 mei 2023 heeft de gemeenteraad van Zeist de Eerste Zeister omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingsvisie beschrijft hoe de gemeente de toekomst ziet van de leefomgeving, en waar inwoners, bedrijven en gemeente rekening mee moeten houden bij het maken van ruimtelijke plannen. De visie is het fundament op basis waarvan men iets onderneemt in de fysieke leefomgeving. Wat in deze visie staat, bepaalt waar rekening mee moet worden gehouden in ons handelen. Het DNA van de gemeente Zeist, haar kernen en buurten staat erin, en gaat in op welke maatschappelijke opgaven en ambities er zijn. Het gaat van thema’s als wonen, tot zorg, tot natuur, tot sport, tot onderwijs, tot mobiliteit en economie. Het DNA in deze visie staat gelijk aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, oftewel: de ‘waarden’ die belangrijk zijn. Op 3 niveaus; 1. Gemeente Zeist, 2. Kernen van Zeist, 3. Buurten van Zeist, is aangegeven wat er belangrijk is in de huidige én de toekomstige uitstraling van het gebied. Toetsing De nieuwe woningen worden ingepast in de bestaande bosachtige setting, waarbij wordt aangesloten op de omliggende bebouwingsstructuur. Hiermee sluit voorliggende ontwikkeling aan bij het huidige karakter en DNA van Bosch en Duin.

Daarnaast wordt met de sloop van ‘Boschlust’ leegstand en verloedering tegen gegaan, wat bedraagt aan een vitale en levendige omgeving en de kwaliteit van de 15

leefomgeving in algemene zin. Voorliggend project vormt geen belemmering voor het gestelde in de omgevingsvisie. 3.3.2

Woonvisie Zeist 2021-2025 De woonvisie heeft als ambitie dat iedereen zich thuis voelt in Zeist en prettig kan wonen. Hierbij is duurzaamheid een belangrijk uitgangspunt, want de gemeente Zeist wil in 2050 energieneutraal zijn. Om dit te bereiken zal de beschikbaarheid van betaalbare woningen voor middeninkomens vergroot dienen te worden. Daarnaast zal er meer aanbod moeten komen voor spoedzoekers en bijzondere doelgroepen. Ten slotte dienen wonen, zorg en welzijn meer met elkaar verbonden te worden in de wijken, omdat de vergrijzing binnen de gemeente Zeist zal toenemen. Aangegeven wordt dat deze vergrijzing in Bosch en Duin een grote rol zal gaan spelen. Toetsing Met voorliggend project worden twee woningen toegevoegd die passen bij de extensieve bebouwing van Bosch en Duin. Het zijn vrijstaande, kwalitatief hoogwaardige woningen waarbij aandacht wordt besteed aan het huidige groen in de omgeving. De woningen sluiten niet direct aan op de kwalitatieve behoefte en beoogde differentiatie in de woningvoorraad zoals beschreven in de woonvisie. De woonvisie biedt daarentegen de mogelijkheid om van deze differentiatie af te wijken mochten daar vanuit het project redenen voor zijn. In voorliggende situatie geldt dat met de sloop van Boschlust een groot bouwvolume verdwijnt.

Hiervoor in de plaats is gekeken naar mogelijkheden voor nieuwbouw in de vorm van woningen, die het ter plaatse aanwezige boskarakter zoveel mogelijk in stand houden. Er zal daarbij aangesloten worden op de directe omgeving met grote vrijstaande huizen op bosrijke percelen. Voor deze locatie kunnen twee woningen zodanig worden ingepast dat waardevolle boomgroepen behouden kunnen blijven. De nieuw te bouwen woningen maken de sloop en investeringen in de openbare ruimte rendabel en voegen zich geheel naar de bestaande ruimtelijke kwaliteit in de directe omgeving. Daarnaast is geen sprake van meer bouwprogramma buiten de rode contouren dan in de huidige situatie het geval is. Een ander programma dan de twee woonkavels met dure woningen is vanuit financieel oogpunt niet rendabel om de beoogde kwaliteitsimpuls en parkeergelegenheid te realiseren. Anderzijds vraagt een ander kwalitatief programma om andere woonkavels die het behoud van het ter plaatse aanwezige bosrijke karakter in gevaar brengen. Om die reden is het gerechtvaardigd om van de differentiatie uit de woonvisie af te wijken.

3.3.3

Groenstructuurplan Groen (voor) Zeist Het groenstructuurplan Groen (voor) Zeist schets de hoofdlijnen voor het beleid voor het openbaar groen binnen de kernen van Zeist. De gemeente zet in op het veiligstellen, koesteren en versterken van het groene karakter van Zeist, dat bestaat uit een rijkdom van samenstellende, kenmerkende groene structuren. Toetsing In het projectgebied is veel groen aanwezig, welke een belangrijke rol spelen binnen de groenstructuur van de omgeving. Ook ligt het projectgebied binnen een landschappelijke zone waarbinnen bomen extra bescherming genieten. Met voorliggend project worden de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op het groen bekeken en wordt hier rekening mee gehouden. Zoals in paragraaf 2.2 ook is terug te lezen is mede daarom 16

een bomeneffectanalyse voor de ontwikkeling toegevoegd waarin de aanwezige bomen verder zijn beschreven en is onderzocht hoe zo veel mogelijk bomen in de ontwikkeling ingepast kunnen worden. Zo is het doel om de groenstructuur zoveel mogelijk intact te houden. Doordat met de ontwikkeling per saldo het oppervlak aan bebouwing zal afnemen doen zich daarbij kansen voor om extra groen in het besluitgebied toe te voegen. Hiermee wordt gesteld dat voldoende wordt voldaan aan de doelen gesteld in het groenstructuurplan. 3.3.4

Zeist bouwt duurzaam Het college van burgemeester en wethouders van Zeist heeft in februari 2022 nieuw beleid omtrent duurzaam bouwen vastgesteld. Met de notitie “Zeist bouwt duurzaam” is het beleid uit 2017 en 2019 geactualiseerd en aangescherpt. De ambitie is nog steeds om in 2050 een energie neutrale gemeente te zijn, met als tussendoel de realisatie van 30% van de opgave in besparing en duurzame opwek in 2030. De gemeente wil dat bereiken door onder meer aan gebouweigenaren, bouwers en ontwikkelaars een extra bijdrage te vragen bij nieuwbouwprojecten en ingrijpende renovaties. Hen wordt gevraagd rekening te houden met hergebruik van materialen, natuur en milieu, hittestress, energieverbruik en periodes van droogte en wateroverlast. In dit kader zijn voor alle nieuwbouwprojecten in Zeist eisen én ambities geformuleerd. Ze gelden zowel voor woningen als voor andere gebouwen. Ook is een deel van de eisen en ambities nu gericht op ingrijpende renovaties. De eisen en ambities uit het gemeentelijk beleid voor duurzaam bouwen worden hieronder per thema puntsgewijs weergegeven. Van de eisen uit dit Duurzaam Bouwen beleid, kan worden afgeweken indien onderbouwd inzichtelijk wordt gemaakt dat het niet haalbaar is. Hiervoor kunnen technische en/of financiële redenen worden aangedragen.

Bij financiële redenen wordt uitgegaan dat alle maatregelen met een eenvoudige terugverdientijd van 15 jaar (woningen) of korter worden meegenomen. Juist bij nieuwbouw en renovaties zijn veel maatregelen kosteneffectief te nemen. Toetsing In voorliggende situatie worden de woningen gebouwd als minimaal BENG. Daarnaast zullen de woningen gasloos zijn. Verder worden zo veel mogelijk duurzame materialen toegepast en wordt ingezet op het realiseren van compacte bebouwing zodat de woonpercelen zo groen mogelijk worden ingevuld en daarmee het natuurlijke en bosrijke karakter aanwezig blijft. Op deze manier wordt invulling gegeven aan duurzaam bouwen.

3.3.5

Archeologische beleidskaart gemeente Zeist De gemeente Zeist heeft in 2008 een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen. Op de kaart staan archeologische monumenten en verwachtingszones aangegeven waaraan oppervlaktes en diepteondergrenzen zijn gekoppeld. Indien een plangebied groter is dan de gestelde ondergrens dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

17

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart met daarop het besluitgebied globaal met een paarse ster aangeduid (Bron: gemeente Zeist).

Toetsing Raadpleging van de archeologische beleidskaart wijst uit dat het besluitgebied in een gebied ligt met een lage archeologische verwachting. Voor bodemverstoringen die kleiner zijn dan 10 hectare gelden hier geen restricties voor planvorming en hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden. Gelet op het feit dat de voorgnomen bodemingrepen veel geringer zijn, is het uitvoeren van onderzoek in voorliggende situatie niet noodzakelijk en vormt het archeologisch beleid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 3.3.6

Erfgoedverordening Zeist 2010 Het cultuurhistorisch beleid van de gemeente Zeist is vastgelegd in de 'Erfgoedverordening Zeist 2010'. Het betreft in dit kader de bescherming van de gemeentelijke monumenten (als gebouw) en archeologische terreinen. Toetsing In het besluitgebied zijn gemeentelijke monumenten of archeologische terreinen aanwezig. Om die reden vormt de erfgoedverordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

3.3.7

Welstandsnota 2010 Bouwaanvragen kunnen uitsluitend aan welstandseisen worden getoetst, op grond van criteria zoals die zijn benoemd in de welstandsnota. De gemeenteraad heeft op 7 september 2010 de Welstandsnota 2010 vastgesteld. Bouwplannen die ter advisering aan de welstandscommissie worden voorgelegd, worden beoordeeld aan de hand van deze welstandsnota. De nota bevat loketcriteria, objectgerichte criteria en gebiedsgerichte criteria. Loketcriteria zijn zo concreet dat een aspirant-bouwer als het ware aan het loket van de gemeente zelf al kan zien of zijn bouwplan daaraan voldoet. Loketcriteria mogen uitsluitend betrekking hebben op de plaatsing, de vorm, de maatvoering, het materiaalgebruik en de kleur van het bouwwerk. De objectgerichte zijn ingedeeld in richtlijnen voor beoordeling van kleine bouwplannen zoals aan- en bijgebouwen. De gebiedsgerichte criteria hebben betrekking op samenhangende stedenbouwkundige en architectonische eigenschappen. Een centrumgebied vraagt immers om een andere benadering dan een bedrijventerrein. 18

Toetsing Het besluitgebied maakt onderdeel uit van het deelgebied Bosch en Duin. De welstandsnota geeft voor de dit deelgebied onder meer de volgende criteria: − Algemeen: de bestaande gebouwde en groene omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering dient te passen binnen de oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik. − Ruimtelijke structuur: de situering van bouwwerken is gericht op de bestaande wegenstructuur en beplantingen. − Plaatsing: de bebouwing is centraal op de kavels geplaatst en staat in de rooilijn. − Massa en vorm: de bebouwing heeft een individuele uitstraling, aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen, zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, de massa’s van de bouwwerken passen binnen de bestaande parcellering en de gevelopbouw is samenhangend en evenwichtig. − Detaillering, kleur- en materiaalgebruik: detaillering, kleur- en materiaalgebruik zijn van een hoog niveau. Met het ontwerp is rekening gehouden met bovenstaande welstandcriteria. Het ontwerp is afgestemd met de welstandscommissie (Commissie Ruimtelijke Kwaliteit). Op die manier voldoet dit project aan de welstandsnota. 3.3.8

Brede milieuvisie Zeist De Brede Milieuvisie geeft aan wat de doelstellingen van de gemeente Zeist zijn op het gebied van milieu. Het geeft een intentie en richting weer voor het handelen van de gemeente op het gebied van verkeer en mobiliteit, afval, groen en landschap, ruimtelijke ordening en economie. Een gedeeld toekomstbeeld helpt de gemeente Zeist de komende jaren samen de koers te maken en vast te houden: een klimaatneutraal Zeist, minder grondstoffenverbruik, een groen Zeist met gezonde leefomstandigheden. De breedte van de visie zit in het samenbrengen van de verschillende milieu- en duurzaamheidsambities. Zodat de visie als kapstok kan fungeren voor alles wat er op milieugebied en aan de ‘Planet’ kant van duurzaamheid gebeurt in en voor Zeist. De vier inhoudelijke pijlers van het milieubeleid zijn: − Klimaat en energie: we gaan op weg naar een klimaatneutraal Zeist in 2030; − Circulaire economie: we handelen vanuit kringlopen en hergebruik, delen en gebruiken in plaats vanuit bezit; − Levend netwerk van natuur, landschap en cultuurhistorie: we zorgen voor een met groen dooraderd Zeist; − Gezonde leefomgeving en kwaliteit van leven: we zetten ons in voor een goede lucht- en waterkwaliteit, minder geluidshinder en een duurzame voedselvoorziening.

Klimaat en energie Met betrekking tot klimaat en energie is een van de speerpunten dat zoveel mogelijk wordt voorzien in de opwekking en opslag van zelfvoorzienende energie. Energiezuinigheid van woningen is belangrijk. In Zeist wordt altijd gestreefd naar nul-op-de-meter

19

woningen. Daarnaast wordt door middel van goede fiets- en wandelroutes en autoluwe wijken het gebruik van de auto afgeremd en het fietsen gestimuleerd. Circulaire economie Circulaire economie is een economisch systeem, dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. Afval als hergebruikmateriaal is hierbij een belangrijke pijler. Levend netwerk van natuur, landschap en cultuurhistorie Een heel belangrijke kernkwaliteit van Zeist is (de kwaliteit van) de groene omgeving. Het gaat daarbij om de kralen natuur, biodiversiteit en water. Groen en natuur hebben een intrinsieke waarde, maar de groene omgeving is ook van belang om letterlijk en figuurlijk op adem te komen: er is een sterke relatie tussen natuur en gezondheid. Gezonde leefomgeving en kwaliteit van leven Gezondheid en kwaliteit van leven draait om de kralen: groen (natuur en biodiversiteit), water, bodem en ondergrond, externe veiligheid, luchtkwaliteit en geluidshinder (mobiliteitskeuzes). Doelen op deze vlakken zijn (op korte termijn) minder zichtbaar en voelbaar, maar zijn (op de lange duur) van groot belang voor onze gezondheid en ons welbevinden. Toetsing De woningen worden gebouwd als minimaal BENG en zullen gasloos zijn. Hiermee wordt aangesloten bij de doelstelling om energiezuinige woningen te realiseren.

Verder worden zo veel mogelijk duurzame materialen toegepast en wordt ingezet op het realiseren van compacte bebouwing zodat de woonpercelen zo groen mogelijk worden ingevuld en daarmee het natuurlijke en bosrijke karakter aanwezig blijft. Op deze manier wordt voldaan aan de Brede Milieuvisie Zeist. 3.3.9

Waterplan Zeist In 2004 is een integraal waterplan voor de gemeente Zeist vastgesteld. Dit plan is een samenwerking tussen gemeente, hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Hydron Midden Nederland en provincie Utrecht. Met dit plan wordt beoogd de effectiviteit en efficiëntie van het water(keten)-beheer in Zeist te verhogen. Dit heeft betrekking op zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Toetsing In paragraaf 4.7, de 'waterparagraaf', wordt nader ingegaan op de wateraspecten in het besluitgebied. Daaruit volgt dat de waterbelangen in voorliggend project niet het geding zijn. Conclusie Het gemeentelijk beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

20

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het project formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen.

Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een ‘aanmeldingsnotitie’. Het uiteindelijke besluit dient als bijlage bij de stukken van het ruimtelijke plan worden gevoegd. Toetsing Onderhavig project betreft de sloop van een gebouw en de realisatie van twee woningen. Als gevolg van deze sloop en ontwikkeling zal het bebouwd oppervlak afnemen, waardoor niet tot nauwelijks milieueffecten te verwachten zijn. Dit maakt dat, gelet op de aard (wonen) en omvang (twee woningen), gesteld wordt dat er geen sprake is van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r. Conclusie Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van de omgevingsvergunning moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk.

21

Toetsing Ter plaatse van de beoogde woonkavels is een verkennend bodemonderzoek 2 uitgevoerd. Uit het bodemonderzoek volgt dat in de bovengrond een licht verhoogd gehalte PAK is aangetroffen boven de achtergrondwaarde. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater bevindt zich op een grotere diepte, waardoor onderzoek niet noodzakelijk is. Op basis van deze resultaten wordt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit project.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Voorliggend project voorziet in de sloop van een gebouw en de ontwikkeling van twee nieuwe vrijstaande woningen. Conform de Wet geluidhinder worden deze als geluidsgevoelige functie gezien. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 3 uitgevoerd naar meerdere omliggende wegen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting vanwege de meeste gezoneerde wegen (Populierlaan, Dennenweg en Amersfoortseweg) lager is dan de voorkeursgrenswaarde. Echter bedraagt de geluidbelasting vanwege de gezoneerde Duinweg maximaal 52 dB. Dit is hoger dan de toegestane voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar lager dan de maximaal te ontheffen geluidsbelasting van 63 dB. Daarom zijn maatregelen onderzocht. Hieruit blijkt dat maatregelen aan de ontvanger zijde gewenst zijn, waardoor de binnenwaarde van 33 dB gewaarborgd kan worden.

Voor beide woningen dienen tevens hogere grenswaarden aangevraagd te worden ten gevolge van de Duinweg. Het gaat om een ontheffing van 52 dB bij de rechter woning en 51 dB bij de linker woning. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen dient een nader bouwakoestisch onderzoek te kunnen aantonen dat de maximale binnenwaarde vanuit het Bouwbesluit 2012 wordt gewaarborgd. Conclusie p.m. hogere grenswaarden

2

De Klinker (2021). Verkennend bodemonderzoek Voorstraat 10, Vlijmen. Rapportnummer: K21000901. 24 februari 2021.

3

SAB (2022). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Bosch en Duin, Boschlust fase 2. Projectnummer: 180144. 21 oktober 2022. 22

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.

Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.

23

Toetsing Voorliggend project voorziet in de realisatie van twee woningen. Het project draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van het Centraal Instrument Monitoring luchtkwaliteit heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen (zie navolgende tabel). Nu kan echter niet worden voldaan aan de WHO-advieswaarde. In 2030 wordt wel voldaan aan de WHO-advieswaarde wat betreft NO2 en PM10. De WHO-advieswaarde is echter niet bindend en daarom wordt geacht dat is aangetoond dat voorliggend project niet leidt tot een vermindering van de luchtkwaliteit. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Op basis van zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het project op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering. Zichtjaar

2021 2030 Grenswaarden WHO-advieswaarden

Concentraties Duinweg stikstofdioxide (NO2), jaargem. concentratie

fijn stof (PM10), jaargem. concentratie

fijn stof (PM2.5), jaargem. concentratie

NSL-monitoringstool

NSL-monitoringstool

NSL-monitoringstool

12,9 μg/m

3

16,3 μg/m

3

9,3 μg/m3

3

14,1 μg/m

3

7,2 μg/m3

40,0 μg/m3

40 μg/m3

25 μg/m3

10,0 μg/m3

15,0 μg/m3

5,0 μg/m3

8,7 μg/m

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit van het dichtstbijzijnde meetpunt ten opzichte van het besluitgebied (bron: Rijksoverheid).

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit project.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een

24

dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van nieuwe, gevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. Het project gebied maakt onderdeel uit van een maatschappelijk cluster binnen de villawijk Bosch en Duin, waar woningen en maatschappelijke voorzieningen op korte afstand voorkomen. Hierdoor wordt de locatie van het projectgebied op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering (2009)’ beschreven als een ‘gemengd gebied’. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfssoort

Adres

Zorg Zorg Sport

Duinweg 26 Dennenweg 2 Dennenweg 6

Omschrijving VNG Verpleeghuizen Verpleeghuizen Tennisbanen (met verlichting)

Grootste richtafstand (m) 10 (geluid) 10 (geluid) 30 (geluid)

Gemeten afstand (m) ± 10 ± 20 ± 400

Zoals uit voorgaande tabel blijkt, kan in voorliggende situatie voldaan worden aan de indicatieve richtafstanden. Om die reden kan worden verondersteld dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat en omliggende functies niet onevenredig in hun functioneren worden geschaad. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig project.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de

25

miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Voorliggend project voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten (woningen). Raadpleging van de risicokaart wijst uit dat in de omgeving van het projectgebied enkele relevante risicobronnen aanwezig zijn. Het betreft een bovengrondse propaantank, chlooropslag, twee LPG-reservoirs, een pijpleiding van Defensie en de Rijksweg A28. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart met daarop het projectgebied en de risicobronnen. De risicobronnen liggen op tenminste 400 meter afstand van het projectgebied, zodat deze buiten de meest relevante zones van het groepsrisico (de 200 meter zone voor de snelweg), een plasbrandaandachtsgebied en plaatsgebonden risicocontour ligt.

Risicobronnen in de omgeving van het projectgebied (ster) (bron: Risicokaart.nl).

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.

4.7

Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet

26

speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is.

In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13954000/1