24RV023 - Bijlage 12. Ruimtelijke onderbouwing Nooitgedacht september 23
Tekst van het document
. Leefgebied diverse broedvogels; . Leefgebied vleermuis; . 1x zomer-/ kraam-/ paar en winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis (3-4 individuen)
Schade kan beperkt of voorkomen worden met het in acht nemen van specifieke maatregelen, echter blijft het aanvragen van een ontheffing van toepassing, of het gebruiken van het SMP. Deze laatste is opgesteld, het betreft het ‘Ecologisch werkprotocol SMP Zeist’ en is opgenomen in bijlage 10. De maatregelen zijn opgesteld in een ecologisch werkprotocol om de kwaliteit van zorgvuldig handelen te waarborgen. De algemene zorgplicht blijft daarbij ook van kracht. Bij calamiteiten zal opnieuw moeten worden beoordeeld welke maatregelen passend zijn.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing 4.6.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt - met inachtname van het Ecologisch werkprotocol SMP Zeist - geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied De locatie heeft de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 2’. Op grond van bijbehorende regels is archeologisch onderzoek nodig bij bodemverstoringen groter dan 1.000 m² en dieper dan 0,3 m. Deze oppervlakte wordt met voorliggende ontwikkeling overschreden. In dit geval is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Laagland Archeologie (opgenomen in bijlage 5) welke bestaat uit een bureau- en een verkennend booronderzoek. Laagland Archeologie heeft in juli 2021 een Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Nooitgedacht 16-26 en 34-38 te Zeist. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom Het onderzoek is uitgevoerd conform het protocol SIKB KNA 4003.
Op basis van het voorgaande bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor de perioden laat-Paleolithicum tot en met de Bronstijd. Voor de perioden vanaf de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd geldt een hoge archeologische verwachting. De verwachting voor de perioden vanaf het Paleolithicum tot en met de Late IJzertijd is gebaseerd op ligging in een overgangsgebied van hoge gordeldekzanden naar een lagergelegen gebied, dat onderdeel uitmaakt van het Nederlandse rivierengebied. Het projectgebied bestaat uit twee grotendeels overbouwde en verharde deelgebieden, maar is zover bekend niet onderkelderd. Omdat de bodemopbouw mogelijk niet geroerd is tussen de funderingen, kunnen eventuele archeologische resten bewaard zijn gebleven. Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het projectgebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het projectgebied in kaart te brengen. Er zijn in het projectgebied archeologische sporen aangetroffen. Waarschijnlijk hangen deze samen met het voormalige landbouwkundige gebruik voor begin 19e eeuw. Verder is in een boring in deelgebied A een cultuurlaag/spoor aangetroffen uit de periode Neolithicum tot Late Middeleeuwen.
Algemeen kan de middelhoge archeologische verwachting vanaf de Bronstijd en de hoge archeologische verwachting vanaf de IJzertijd voor het projectgebied worden gehandhaafd. Omdat een eventuele vindplaats goed beschermd is door opgebrachte lagen en een (rest) van een esdek is behoud in-situ mogelijk. Dit is mogelijk zo lang de bodemingrepen niet dieper dan het niveau van 3,87 m +NAP (deellocatie A) en 4,21 m +NAP (deellocatie B) zijn. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems) als de bodemingrepen dieper dan deze niveaus zijn voorzien. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).1 De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Zeist, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de Omgevingsdienst regio Utrecht. Voor het proefsleuvenonderzoek moet een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld, waarin de onderzoeksmethodiek en randvoorwaarden voor de uitvoering en verslaglegging van het onderzoek vastgelegd zijn. Het PvE dient door de gemeente voorafgaand aan het onderzoek goedgekeurd te zijn. Beoordeling Omgevingsdienst juni 2023 Archeologisch vervolgonderzoek is verplicht wanneer de bodemingrepen dieper zullen reiken dan 3,87 m +NAP (deellocatie A) en 4,21 m +NAP (deellocatie B). Er is geen vervolgonderzoek nog uitgevoerd, dit onderzoek zal nog moeten worden uitgevoerd. Dit kan echter pas worden uitgevoerd, nadat eerst gesloopt is. Eerder kan er niet onder de bestaande bebouwing worden gegraven. Op basis hiervan heeft Laagland onderstaande beoordeling als volgt aangegeven: Er zijn in het plangebied archeologische sporen aangetroffen . Waarschijnlijk hangen deze samen met het voormalige landbouwkundige gebruik voor begin 19e eeuw.
Verder is in een boring in deelgebied A een cultuurlaag/spoor aangetroffen uit de periode Neolithicum tot Late Middeleeuwen. Algemeen kan de middelhoge archeologische verwachting vanaf de Bronstijd en de hoge archeologische verwachting vanaf de IJzertijd voor het plangebied worden gehandhaafd. Omdat een eventuele vindplaats goed beschermd is door opgebrachte lagen en een (rest) van een esdek is behoud in-situ mogelijk. Dit is mogelijk zo lang de bodemingrepen niet dieper dan het niveau van 3,87 m +NAP (deellocatie A) en 4,21 m +NAP (deellocatie B) zijn. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems) als de bodemingrepen dieper dan deze niveaus zijn voorzien. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Dit advies is overgenomen door de gemeente Zeist, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de Omgevingsdienst regio Utrecht. Om die reden dient in de vergunning als voorwaarde een archeologisch vervolgonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek te worden.
Omdat binnen de aanlegdiepte van de funderingen van de huidige panden de bovengrond voornamelijk bestaat uit een dikke A-horizont en/of verstoord is, is een archeologische begeleiding bij de sloop ook weinig praktisch. Om die reden is dan ook het voorstel om de bebouwing te slopen voordat het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd wordt. Er kan voor gekozen worden om in eerste instantie eerst alleen de bovengrondse sloop uit te voeren en dan nadat het vervolgonderzoek is uitgevoerd, de ondergrondse sloop uit te voeren. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een plan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied of in de directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden die mogelijk negatief zouden kunnen worden beïnvloed door BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing voorliggende ontwikkeling. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat, na uitvoering van het nadere archeologisch vervolgonderzoek, de rapportage van het onderzoek bij de gemeente moet worden ingediend. Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt de gemeente een besluit over de vervolgstappen. Deze vervolgstappen kunnen bestaan uit vrijgave, vervolgonderzoek, behoud van archeologische resten in de bodem, of een combinatie hiervan. Het archeologische onderzoek is pas afgerond als alle archeologische rapportages door de gemeente zijn ontvangen en goedgekeurd. Wel is op voorhand geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.8
Besluit Milieueffectrapportage
4.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (kolom 3, plannen); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (kolom 4, besluiten); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. beoordeling gehanteerd. 4.8.2
Situatie projectgebied
4.8.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ ligt op een afstand van circa 11,6 kilometer van het projectgebied. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit project dan ook niet noodzakelijk. 4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van de bestemmingsplan. Dit betekent dat de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is mogelijk sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Er is in dit kader sprake van m.e.r-beoordelingsplicht indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat voorliggend project niet kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Opgemerkt wordt nog dat er als gevolg van dit project geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is reeds bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten. Desondanks is er een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, welke is opgenomen in bijlage 9. 4.8.3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk het de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
4.9
Wateraspecten
4.9.1
Vigerend beleid
4.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing 4.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 4.9.1.3 Provinciaal beleid De provincie Utrecht heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Bodem-, Water- en Milieuplan 20162021. De provincie richt zich op een behoud en het verder verbeteren van het aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Een provincie met krachtige steden en dorpen en een vitaal landelijk gebied de provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en korte termijn: •
• • •
Streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. Streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. Streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. Streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.
4.9.1.4 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Het Hoogheemraadschap heeft haar ambities en lange termijn visie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021. De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert: Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we, ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar.
Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel: • •
De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Door het grootschalig verharden van tuinen van particulieren neemt de kans op wateroverlast toe. 4.9.2
Waterparagraaf
4.9.2.1 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.9.2.2 Watertoetsproces Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat er sprake is van de normale procedure. Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: ‘het standstill beginsel’.
Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Het voornemen heeft geen groot effect heeft op water. De ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt, hebben een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Het voornemen heeft weinig tot geen gevolgen voor het huidige watersysteem. Op de betreffende locatie is geen oppervlaktewater aanwezig en er zijn geen waterkeringen aanwezig. Het verhard oppervlak neemt gering toe ten opzichte van de huidige bestaande situatie. Deze geringe toename van verhard oppervlak heeft weinig gevolgen voor het watersysteem. Het bestaande watersysteem kan tijdens een hevige regenbui al het hemelwater vanaf dit oppervlak verwerken en bergen. Water wordt niet buiten het projectgebied geborgen. Tevens vindt er geen lozing plaats van verontreinigingen en/of verontreinigd water naar oppervlaktewater. Het projectgebied ligt niet op of nabij een waterkering of belangrijke watergang of een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) of rioolpersleiding. Om wateroverlast te voorkomen heeft de gemeente Zeist aanvullende eisen opgesteld bij nieuwbouw. Voor nieuwbouw geldt dat er een klimaatrobuuste(re) inrichting gerealiseerd kan worden door het toepassen van slimme maatregelen. Zeist hanteert de volgende eisen: 1. Schade aan woningen bij extreme neerslag wordt voorkomen.
Door middel van een modelmatige doorrekening wordt aangetoond dat er bij 90mm neerslag in één uur geen water de woningen in stroomt. Water op straat is in deze situatie acceptabel. 2. Ieder perceel kan 45mm neerslag bergen, waarbij geldt dat ten minste 35,7mm in 45 minuten, dat valt op de daken, direct in de bodem kan infiltreren of geborgen kan worden. Het waterschap adviseert dit met de gemeente af te stemmen. De percelen kunnen deze benodigde mm bergen, het kan deels middels infiltratie en deels middels berging op eigen perceel door gebruik te maken van infiltratiekratten. Dit zou in de praktijk neerkomen, met inachtneming van bovenstaande eisen, dat er per perceel gemiddeld 2 a 3 infiltratiekratten worden aangelegd. Hiervoor zal een hemelwaterberekening worden opgesteld en worden bijgevoegd bij deze omgevingsvergunningsaanvraag.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
4.9
Duurzaamheidsaspecten
4.9.1
Vigerend beleid
Het meenemen van duurzaamheid in nieuwbouwprojecten wordt door steeds meer partijen belangrijk gevonden. Het integreren van duurzaamheid in nieuwbouwprojecten biedt kansen in iedere fase van een project. Zo kan met een slimme ruimtelijke planning het energieverbruik van gebouwen teruggedrongen worden, bijvoorbeeld door zongericht verkavelen. In het ontwerp van een gebouw kan bijvoorbeeld door de juiste materiaalkeuze de impact op milieu verlaagd worden, door bijvoorbeeld het vermijden van uitlogende materialen als zink of door het gebruik van gerecyclede materialen. Het gebruik van natuurvriendelijke materialen binnenshuis kan het binnenklimaat verbeteren. Dit resulteert in een gezonde en toekomst bestendige leefomgeving, met onder andere een hogere kwaliteit en comfort, alsook lagere vaste (energie)lasten. 4.9.2
Vigerende wetgeving
Nationale wetgeving Het nationaal duurzaamheidbeleid voor nieuwbouwprojecten richt zich voornamelijk op zuinig gebruik van fossiele energie en de inzet van hernieuwbare energiebronnen. Hiermee kan de CO2 -uitstoot en daarmee klimaatverandering beperkt worden. In dit kader zijn er in het Bouwbesluit eisen gesteld aan nieuwe gebouwen. Belangrijk daarbij is de gewijzigde Gaswet per 1 juli 2018. Op grond daarvan krijgen nieuwe gebouwen kleinverbruikers (zoals woningen en kleine bedrijfsgebouwen) geen gasaansluiting meer. Tevens geldt dat per 1 januari 2021 nieuwbouwwoningen, waar een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, bijna energieneutraal moeten zijn. Deze woningen moeten dan voldoen aan de BENG (Bijna Energieneutraal Gebouw). Deze eisen komen in de plaats van de voorheen geldende EPC-normen (EPC stond voor Energie Prestatie Coëfficiënt). De geldende indicatoren zijn geïnspireerd op de Trias Energetica: eerst de energievraag beperken, dan energie uit hernieuwbare bronnen gebruiken en voor het restant eindige energiebronnen efficiënt benutten. Provinciaal beleid Het provinciaal beleid voor dit aspect is vastgelegd in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht. In dit beleid wordt ingegaan op ruimtelijke maatregelen inzake de klimaatverandering en anderzijds energiebesparing door het gebruik van duurzame energiebronnen te stimuleren.
Het beleid is gericht op het stimuleren hiervan bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ingezet wordt op het ruimtelijk mogelijk maken van opwekking en distributie van duurzame energie. Daarnaast geldt de provinciale ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Hierbij gaat het om zowel CO2-reductie alsook het onafhankelijk zijn van de beperkt beschikbare fossiele brandstoffen. Bij gebiedsontwikkelingen wordt daarom gestreefd naar zelfvoorzienendheid voor energie. Om deze reden geldt bij verstedelijking, renovatie, herstructurering, transformatie en uitbreiding de voorwaarde dat omschreven wordt op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie.
Gemeentelijk beleid Het college van burgemeester en wethouders van Zeist heeft in februari 2022 nieuw beleid omtrent duurzaam bouwen vastgesteld. Met de notitie “Zeist bouwt duurzaam” is het beleid uit 2017 en 2019 geactualiseerd en aangescherpt. De ambitie is nog steeds om in 2050 een energie neutrale gemeente te zijn, met als tussendoel de realisatie van 30% van de opgave in besparing en duurzame opwek in 2030. De gemeente wil dat bereiken door onder meer aan gebouweigenaren, bouwers en ontwikkelaars een extra bijdrage te vragen bij nieuwbouwprojecten en ingrijpende renovaties. Hen wordt gevraagd rekening te houden met hergebruik van materialen, natuur en milieu, hittestress, energieverbruik en periodes van droogte en wateroverlast. In dit kader zijn voor alle nieuwbouwprojecten in Zeist eisen én ambities geformuleerd. Ze gelden zowel voor woningen als voor andere gebouwen. Ook is een deel van de eisen en ambities nu gericht op ingrijpende renovaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing Afwijking van de eisen uit het gemeentelijk beleid voor duurzaam bouwen is mogelijk indien inzichtelijk wordt gemaakt dat dit niet haalbaar is. Hiervoor kunnen technische en/of financiële worden aangedragen. In de nota ‘Klimaatbestendig Zeist’ is bovendien een route uitgezet naar een klimaatbestendige gemeente in 2050. Voor nieuwbouw en herinrichtingsprojecten zijn in de bijlagen bij de nota concrete doelen en ambities uitgewerkt ten aanzien van wateroverlast, hitte, droogte en waterveiligheid. 4.9.3
Conclusie
Voor de door te voeren duurzaamheidsambities binnen onderhavig plan worden nog afspraken gemaakt tussen gemeente en ontwikkelaar. In dit plan zal dit een vertaling krijgen binnen vier duurzaamheidspijlers: 1. 2. 3. 4.
Energietransitie, energiebesparing en duurzame energie hebben een hoge prioriteit bij het ontwikkelen van nieuwe gebieden, wijken en woningen; Klimaatadaptatie. De planontwikkeling is zo ingericht dat deze bestand is tegen wateroverlast, hittestress en langdurige droogte; Circulaire gebiedsontwikkeling, hergebruik van grondstoffen en het beperken van afvalstromen wordt gestimuleerd; Gezondheid, leefomgevingen waar het aangenaam te verblijven is en die aanzetten tot gezond gedrag.
Bij de omgevingsvergunning voor bouwen zullen bovendien ook alle verplichte documenten met betrekking tot het aspect duurzaamheid en energie worden toegevoegd. Naast de BENG zullen de gebouwen ook voldoen aan de MilieuPrestatieGebouw (MPG).
4.10
Bezonningsonderzoek
Er is voor het in kaart brengen van de gevolgen van het voornemen wat betreft het aspect bezonning een onderzoek uitgevoerd, welke als bijlage 7 bij deze onderbouwing is opgenomen. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning of bezonningstudies. De meeste gemeenten hanteren de TNO-norm. Andere gemeenten hebben eigen beleid. Hierna zijn de samenvattende einduitkomsten van het onderzoek opgenomen, voor inhoudelijke behandeling wordt verwezen naar het onderzoek zelf. De bezonningstudies geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de bouwplannen niet zullen leiden tot onevenredige vermindering van bezonning op de percelen van Nooitgedacht 19 t/m 47. Ondanks dat Nooitgedacht 9, 15 en 17 voldoen aan de lichte TNO-bezonningsnorm moet benadrukt worden dat tussen 21 maart en 21 september de invloed aanzienlijk lager is dan op 19 februari en respectievelijk 21 oktober (dit blijkt uit de afbeeldingen in bijlage 1 van het onderzoek). Er wordt aangetoond in het onderzoek dat de zware norm niet gehaald wordt maar de lichte norm wel. Dat deze norm acceptabel is en aanvaardbaar is, komt door het feit dat hier met de planontwikkeling sprake is van een doorgaand straatbeeld, met afwisselende bebouwing in historisch perspectief.
Het huidige bestemmingsplan (waar met deze ontwikkeling van wordt afgeweken) is daarmee in zekere zin een momentopname van de planologische situatie op dat moment (ten tijde van het vaststellen van dat bestemmingsplan) en sluit niet aan op diverse historische achtergronden van eertijds of voorgaande decennia. De lichte norm voor TNO is geschikt voor binnenstedelijke ontwikkelingen. Deze norm is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en gebleken is dat als er meer dan 2 uur bezonning per dag in een woonkamer kan toetreden, er geen klachten in de breedste zin des woords optreden. De geconstateerde afname voor nummer 15 komt voor uit het feit omdat er eerst geen bebouwing stond op deze locatie aan de overkant en nu wel. Ook heeft het pand al minder zonlicht omdat het verder naar achteren staat ten opzichte van het buurpand.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
4.11
Ontplofbare Oorlogsresten
Op basis van het advies van de Omgevingsdienst, de digitale bommenkaart (van de VEO) alsmede op basis van het rapport ‘rapport Historisch vooronderzoek naar bomkraters en blindgangers (Historisch onderzoek Bomkraters en blindgangers gemeente Zeist (Milieudienst Zuidoost Utrecht, documentnummer 553405/2ZC9004, datum december 2004, raadpleegbaar in de gemeentelijke archieven en niet digitaal beschikbaar)’ wordt de locatie als onverdacht beschouwd op de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in de bodem.
Inhoudelijke onderbouwing De risico’s op het mogelijk aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten bij graafwerkzaamheden zijn in voldoende mate in beeld. Uit een historisch vooronderzoek naar bomkraters en blindgangers blijkt dat er geen aanwijzingen zijn om bomkraters en/of andere oorlogshandelingen in het projectgebied te verwachten. De kans op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) in de bodem wordt daarom nihil geacht. Wel wordt opgemerkt dat het genoemde onderzoek niet voldoet aan het onderzoeksprotocol uit het vigerende Certificatieschema voor Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO). Graafwerkzaamheden in de bodem van het projectgebied kunnen regulier worden uitgevoerd. Aangezien het projectgebied als onverdacht naar voren is gekomen kunnen graafwerkzaamheden in de bodem regulier plaatsvinden.
Kanttekeningen Ook binnen onverdacht gebied geldt dat het nooit volledig kan worden uitgesloten dat er onverwachts OO worden aangetroffen tijdens werkzaamheden, denk aan een afzwaaier. Bij het aantreffen van zo’n toevalsvondst moet het werk direct worden stilgelegd en moeten de volgende acties worden ondernomen: • • • • • •
Het explosief niet beroeren; De werkzaamheden ter plaatse onmiddellijk te staken; Omstanders uit de omgeving van het explosief houden; De plaatselijke politie van de vondst op de hoogte stellen; Instructies van aanwezige deskundigen strikt op te volgen; Indien nodig en op aanwijzing van aanwezige deskundigen extra beschermende maatregelen uitvoeren voor in de omgeving aanwezige personen of levende have.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5 5.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van het verlenen van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening en de op 3 december 2021 gesloten anterieure overeenkomst (versie 23 november 2021) waarbij het kostenverhaal is geregeld. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Vorenstaande is geregeld in anterieure overeenkomst van de kavel waar deze ontwikkeling betrekking op heeft. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6 6.1
VOOROVERLEG
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
6.2
Provincie Utrecht
Het voeren van vooroverleg met de provincie Utrecht wordt, gelet op het feit dat het gaat om een lokale ontwikkeling gaat die in overeenstemming is met provinciaal beleid en welke is gelegen in bestaand stedelijk gebied, niet noodzakelijk geacht.
6.3
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
De watertoets heeft plaatsgevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een positief wateradvies van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Daarom wordt verwezen naar de watertoetsprocedure opgenomen in subparagraaf 4.9.2.
6.4
Inspraak
Omwonenden zijn uitgebreid geïnformeerd en toegelicht over de plannen. Hierna wordt een samenvatting gegeven van de inspraak. Methode Er is gekozen om te participeren door enkele inloopbijeenkomsten te organiseren, waarop iedereen welkom was, in de vergaderzaal van Hotel Theater Figi in Zeist. Hier is tekenwerk getoond en zijn de plannen mondeling toegelicht. Er zijn verslagleggingen gevoerd, welke op wens zijn in te zien maar welke wegens privacy redenen niet als bijlage bij deze onderbouwing zijn gevoegd. Er zijn afzonderlijke overleggen geweest met een afvaardiging bewoners Nooitgedacht, als ook gesprekken met de bewoners Laan van Beek en Rooijen. Ook is er een gezamenlijke presentatie geweest voor deze beide straten. Als gevolg van deze participatie en de inloopbijeenkomsten heeft het plan diverse aanpassingen gehad. Hiermee zijn enkele wensen van de omwonenden meegenomen in de planvormingen. Als gevolg hiervan zijn de omwonenden en betrokkenen positief over de ontwikkeling en wordt het als een verbetering van de huidige situatie gezien. Wel zijn er ook diverse zorgpunten geuit door de woningen direct aangrenzend aan het projectgebied. Er wordt getracht door gerichte maatregelen de genoemde zorgen zoveel als mogelijk te voorkomen en weg te nemen.
Zowel de gemeente als de ontwikkelaars concludeert dat er het afgelopen jaar goede verbinding is geweest met alle stakeholders en betrokkenen er goed in zijn geslaagd om elkaar te weten vinden. Tevens wordt benoemd dat door kleine wijzigingen in het planvoornemen er ook draagvlak en consensus is verkregen met de omliggende bewoners.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek wegverkeer
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 2
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 3
Stikstofonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 4
Quickscan flora en fauna
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 5
Archeologisch bureau- en veldonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 6
Standaard waterparagraaf
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 7
Bezonningsstudie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 8
Nader onderzoek ecologie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 9
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
63
Nooitgedacht, Zeist Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 10
Ecologisch werkprotocol SMP Zeist
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
64