CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

23RV078 Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing

Raad 12 december 2023, gemeente ZeistBij agendapunt: Ontwerp VVGB Kerklaan 10 (Sterrenberg)17.216 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

· ·

Wet natuurbescherming: ° Natura 2000-gebieden ° Soorten; Provinciaal beleid: ° Natuurnetwerk Nederland (NNN); ° gebieden buiten het NNN, zoals belangrijk weidevogelgebied; gemeentelijk beleid.

Het verkennend onderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. In dit verkennend onderzoek heeft toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders met uitzondering van het gemeentelijk beleid.

1.3

Biodiversiteit

Bij Sweco zien wij biodiversiteit als een onlosmakelijk onderdeel van een duurzame gebiedsontwikkeling. Het is essentieel voor een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens, plant en dier. In onze visie zijn er bij elke ruimtelijke ontwikkeling mogelijkheden om natuurinclusief te ontwerpen, bouwen en handelen om zo de biodiversiteit te stimuleren. Wij geven in de conclusies een vrijblijvend advies op welke wijze biodiversiteit toegepast en/of geoptimaliseerd kan worden in uw project. Wij staan u graag bij om deze adviezen in een vervolgtraject verder te concretiseren en vorm te geven.

1.4

Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de westrand van Soesterberg in gemeente Soest. Ten zuiden van het projectgebied ligt de A28, Figuur 1. Ten westen van het projectgebied ligt het ecoduct Sterrenberg. Deze bevindt zich op circa 500 m afstand van het plangebied. Verder bevinden zich in de omgeving enkele woonwijken.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

6/36

Figuur 1

Ligging van het projectgebied. Het ecoduct is gelegen bij de witte pijl.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

7/36

1.5

Voorgenomen activiteiten

De geplande werkzaamheden zijn het plaatsen van verlichting rondom het natuurgrasveld, zie Figuur 2. Op dit veld is geen verlichting aanwezig. De specificaties van de te plaatsen verlichting bij het kunstgrasveld (type, etc.) zijn nog niet bekend. De effectanalyse in dit rapport gaat enkel uit van het plaatsen/aanpassen van verlichting bij het natuurgrasveld en niet op andere locaties op het sportterrein. Rondom het kunstgrasveld staat al verlichting.

Figuur 2

Ligging van het natuurgrasveld (rood omlijnt) met de locaties van de toekomstige lichtmasten er ingetekend

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

8/36

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000gebieden

2.1

Toetsingskader

Bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of respectievelijk uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningsplicht voor projecten die significant negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.

Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Toetsing van effecten van stikstofdepositie gaat daarom weer volgens de in voorgaande alinea beschreven procedure. De provinciale beleidsregels stikstof geven hier een nadere inhoudelijke invulling aan. In de navolgende paragrafen is verkend of er effecten op kunnen treden op Natura 2000gebieden op basis van de ligging van het projectgebied en de reikwijdte van effecten.

Indien op basis van deze verkenning effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn: ·

Voortoets geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten van een plan of project op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijk uit de voortoets dat er zeker geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden zijn. Dan is er geen vergunningsplicht en de initiatiefnemer hoeft verder niets te doen. Als er wel mogelijke significant negatieve effecten zijn, volgt een passende beoordeling.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

9/36

·

·

Passende beoordeling: beoordeling of significante gevolgen van het plan of project zijn uit te sluiten rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. In een passende boordeling mag rekening gehouden worden met mitigerende maatregelen. Als significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, volgt een ADC-toets. ADC-toets: aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is Dwingende redenen van groot openbaar belang en in Compensatie is voorzien.

2.2

Inventarisatie

In de omgeving van het projectgebied bevindt zich één Natura 2000-gebied, namelijk: ‘Oostelijke vechtplassen’, zie Figuur 3. Het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke vechtplassen bevindt zich op 11,8 km afstand noordwesten van het projectgebied. De Oostelijke Vechtplassen bestaat uit een reeks van laagveengebieden tussen de Vecht en de oostrand van Utrechtse heuvelrug. In het gebied bevinden zich door turfwinning ontstane meren en plassen, meest met een zandondergrond, sommige aanzienlijk verdiept door zandwinning. De combinatie van rivierinvloeden en invloeden van het watersysteem van de zandgronden heeft een rijke schakering van typen van moeras en moerasvegetaties doen ontstaan1.

1

https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland/oostelijke-vechtplassen

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

10/36

Figuur 3

Ligging projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

11/36

2.3

Analyse en conclusie van de mogelijke effecten

Het projectgebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied ‘Oostelijke vechtplassen’ ligt op grote afstand (> 10 km) van het projectgebied. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen door externe werking, zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring en dergelijke zijn dan ook – gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied – op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het projectgebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. De werkzaamheden kunnen gepaard gaan met emissie van stikstof. Deze emissie kan zich over een afstand van meerdere kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op stikstofgevoelige habitats en/of leefgebieden op Natura 2000-gebieden. In de toekomstige situatie (gebruiksfase) wordt er geen toename aan verkeer verwacht en dus geen toename aan stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie. Om de werkzaamheden uit te kunnen voeren, wordt gebruik gemaakt van verschillend materieel. Deze machines kunnen onder andere stikstof uitstoten wat uiteindelijk neer zal dalen (stikstofdepositie).

Aangezien de aanlegfase valt onder de partiële vrijstelling van de vergunningsplicht voor stikstofemissies, afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden, is een AERIUS-berekening niet noodzakelijk2.

2

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningsplicht voor stikstofemissies, afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwen gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningsplicht. Deze vrijstelling geldt niet alleen voor de bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen en andere bouwwerken (zoals bruggen en viaducten), maar ook voor aanlegactiviteiten van andere werken, zoals voor wegen, rioleringen, leidingen, waterkeringen, duurzame energieopwekking en energie-infrastructuur. De gebruikersfase valt niet onder de vrijstelling.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

12/36

3

Wet natuurbescherming: Soortbescherming

3.1

Toetsingskader

In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) · · · · ·

lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) ·

· · · ·

lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) ·

lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ° onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

13/36

Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde beschermd gedurende het broedseizoen. Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Deze soorten worden genoemd in een beleidsdocument dat onder de Flora- en faunawet is opgesteld3. Ook onder Wet natuurbescherming is deze lijst van kracht, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen. Voor provincie Utrecht geldt de reguliere landelijke lijst. Soorten waarvan de nesten altijd jaarrond beschermd zijn, zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond.

Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 3.10 van de wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer en/of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Met artikel 3.5 van de verordening natuur en landschap van provincie Utrecht wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 1.

De vrijstelling geldt alleen wanneer er voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of het gebruik in redelijkheid alles wordt verricht of gelaten om te voorkomen dat de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, worden overtreden. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet, geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig.

3

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep (Dienst Regelingen, brief 26 augustus 2009, kenmerk ffw2009.corr.046) te downloaden van de website van het Ministerie van EL&I.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

14/36

Tabel 1

Vrijgestelde soorten in Utrecht (Provincie Utrecht, 2017)

Zoogdieren

Ree

Aardmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Bosmuis

Veldmuis

Bunzing

Vos

Dwergmuis

Wezel

Dwergspitsmuis

Woelrat

Egel Gewone bosspitsmuis

Amfibieën

Haas

Middelste groene kikker of Bastaardkikker

Hermelijn

Gewone pad

Huisspitsmuis

Kleine watersalamander

Konijn Ondergrondse woelmuis Rosse woelmuis

Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. Zorgplicht (artikel 1.11) · ·

·

lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: ° onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, ° onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ° onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

3.2

Methode

Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het projectgebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en habitatgeschiktheidsbeoordeling.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

15/36

Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het projectgebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: · ·

Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) periode 2016-2021; NDFF Verspreidingsatlas (https://www.verspreidingsatlas.nl).

Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het projectgebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 15 september 2021 en is uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Sweco. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in het kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Nietbeschermde Rode lijstsoorten die in het projectgebied (kunnen) voorkomen, zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten, worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming.

3.3

Voorkomende ecotopen

Het projectgebied is gelegen aan de Kerklaan te Huis ter Heide. Ten noorden van VV ‘t Vliegdorp ligt het clubhuis van de skiverenging en ten noorden daarvan de Tennisvereniging LTV Soesterberg, deze bestaat uit 4 verlichte tennisvelden en een clubhuis. VV ’t Vliegdorp bestaat uit twee voetbalvelden en één oefenveld. Het noordelijke voetbalveld is van kunstgras met zes lichtmasten rondom het veld. Het zuidelijke voetbalveld is van natuurgras en heeft geen verlichting. De voetbalvelden zijn rondom omgeven door een houtwal. De houtwal is dichtbegroeid en bestaat uit boomsoorten, zoals de grove den en de ruwe berk en struweelsoorten, zoals de braam en de wilde lijsterbes. De bosbegroeiing loopt door tot boven op het talud. Het talud van de A28 is begroeid met gras en struikhei en wat opslag van jonge bomen. Tussen het projectgebied en het talud van de A28 staat een geluidswal, met slechts een enkele opening voor het fietspad over de A28. Een impressie van de voorkomende biotopen in het projectgebied wordt gegeven met Figuur 4.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

16/36

Figuur 4

Impressie projectgebied. Onderste twee afbeeldingen tonen het fietspad buiten het projectgebied.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

17/36

3.4

Vogels

3.4.1

Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4)

Bepaalde vogelsoorten gebruiken nesten buiten het broedseizoen ook als vaste rust- en verblijfplaats. Deze nesten zijn daarom, voor zover ze niet permanent verlaten zijn, jaarrond beschermd. Uit gegevens van de NDFF (2016-2021) blijkt dat in de omgeving van het projectgebied de volgende vogelsoorten voorkomen met jaarrond beschermde nest- en rustplaatsen (categorie 1 tot en met 4): buizerd (cat. 4), boomvalk (cat. 4), gierzwaluw (cat. 2), huismus (cat. 2), havik (cat. 4), sperwer (cat. 4) en wespendief (cat. 4). Van de soorten met een jaarrond beschermd nest uit categorie 1 tot en met 4, de zwaarste categorieën, is de directe omgeving (de houtwal) van het projectgebied geschikt voor buizerd en sperwer. Voor de huismus en de gierzwaluw is het projectgebied door het ontbreken van (geschikte) gebouwen ongeschikt. Voor de overige soorten, boomvalk, havik en wespendief is de directe omgeving ongeschikt, doordat het gebied naar verwachting niet rustig genoeg is. Op het voetbalveld wordt tijdens het broedseizoen regelmatig gespeeld en door de houtwal loopt ook een fietspad. Tijdens het veldbezoek zijn er geen nesten van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de bomen van de houtwal waargenomen.

3.4.2

Jaarrondbeschermde nesten (categorie 5)

Nesten van categorie 5 soorten zijn enkel beschermd wanneer er een zwaarwegende ecologische reden is. Uit gegevens van de NDFF (2016-2021) blijkt dat in de omgeving van het projectgebied de volgende vogelsoorten voorkomen met jaarrond beschermde nest- en rustplaatsen (categorie 5): bosuil, bonte vliegenvanger, boomkruiper, boomklever, grote bonte specht, koolmees, pimpelmees. Voor de bosuil, koolmees, pimpelmees en de bonte vliegenvanger is het projectgebied ongeschikt door het ontbreken van holen om te broeden en/of ontbreekt het aan geschikt broedhabitat. De grote bonte specht hakt zijn holen in zachte boomsoorten, die veel in de omgeving te vinden zijn. Verder is de boomkruiper niet veeleisend qua nestgelegenheid en broedt bijvoorbeeld zowel achter loshangend schors als tussen klimopbegroeiing langs bomen. Dit is in de omgeving meer dan ruimschoots aanwezig.

3.4.3

Algemene broedvogels

In Nederland zijn alle van nature in het wild levende vogels beschermd. Van broedende vogels zijn daarnaast het nest en de functionele leefomgeving tijdens het broedseizoen ook beschermd. Het projectgebied vormt geschikt habitat voor algemene broedvogels, zoals de roodborst, de merel en de winterkoning. Door het plaatsen van de lichtmasten, kan er lichtverstoring optreden. Kunstlicht heeft mogelijk een negatief effect op algemene broedvogels.

3.4.4

Effectbeoordeling

Er zijn geen jaarrond beschermde nesten (cat. 1 tot en met 4) in de directe omgeving van het projectgebied waargenomen. Wel kunnen er in de omgeving nesten van vogels uit categorie 5 of van algemene broedvogels in de directe omgeving aanwezig zijn. Aangezien er geen bomen worden gekapt, is een broedvogelcontrole niet nodig.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

18/36

Kunstlicht heeft mogelijk een negatief effect op algemene broedvogels. Vogels worden ’s nachts onrustiger, omdat de kans op predatie toeneemt en sommige soorten eerder met broeden beginnen. Momenteel is er op een deel van het terrein al verlichting aanwezig. Het is noodzakelijk om verstoring van broedvogels door verlichting bij de bosrand te voorkomen, hiertoe dient uitstraling van verlichting op de bosrand voorkomen te worden door: · · · ·

het gebruik van de juiste armaturen en (mechanische) afscherming met een goede cut off en uittredingskarakteristiek; alleen verlichten op trainingsavonden; slechts tot 22:00 uur verlichten; maximaal 1,0 lux te zijn (Nieuwe Richtlijn Openbare Verlichting 2011 (ROVL-2011)).

Op deze manier wordt verstoring van algemene broedvogels door licht voorkomen. Als genoemde mitigerende maatregel niet mogelijk zijn, vindt mogelijk een overtreding van de Wnb plaats en dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd en mogelijk een ontheffing Wnb te worden aangevraagd.

3.5

Planten

In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten bekend (NDFF 2016-2021). De lichtmasten worden aan de rand van het voetbalveld geplaatst, waar, net als op het voetbalveld, ingezaaid gras groeit. Geschikte groeiplaatsen zijn binnen het projectgebied voor deze soorten afwezig. De beschermde plantensoorten komen voornamelijk voor in stabiele (voedselarme) habitattypen, zoals duinen, heiden en venen. In het betreffende projectgebied is geen sprake van een dergelijk habitat. De aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen het projectgebied wordt daarom uitgesloten. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van bescherming planten is niet noodzakelijk. Ook is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming niet nodig.

3.6

Vleermuizen

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle vleermuissoorten strikt beschermd conform bijlage IV van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wnb). Daarnaast zijn bij vleermuizen ook de rust- en voortplantingsplaatsen en voor de functionaliteit daarvan, de essentiële onderdelen, zoals foerageergebied en vliegroutes, beschermd. Uit gegevens van de NDFF (2016-2021) blijkt dat de volgende vleermuissoorten in de omgeving van het projectgebied zijn waargenomen: de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.

3.6.1

Verblijfplaatsen

Vleermuizen zijn onder te verdelen in boombewoners en gebouwbewoners. Soorten, zoals de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis, maken gebruik van holtes en spleten in bomen als verblijfplaats en worden soms achter loshangend schors waargenomen. Andere soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, en de laatvlieger, worden in gebouwen aangetroffen. Hier bevinden de verblijfplaatsen zich voornamelijk op zolders, onder dakpannen, in spouwmuren en achter houten betimmering. In het gebied is er geen bebouwing aanwezig. Buiten het projectgebied is er wel bebouwing aanwezig in de vorm van het clubhuis en de woonwijk.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

19/36

Gebouwbewonende soorten In de omgeving van het projectgebied zijn er mogelijke geschikte gebouwen aanwezig voor gebouwbewonende vleermuizen. Daarnaast zijn de woningen in de omgeving ook mogelijk geschikt als vaste rust- en/of voortplantingsplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals de laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Boombewonende soorten Op de noordzijde na is het gehele projectgebied omringd door bomen en struweel. In de houtwal aan de zuidzijde zijn enkele bomen aanwezig met loshangend schors. Er zijn geen bomen met holtes waargenomen. In de bomen met loshangend schors kunnen mogelijk rustplaatsen van boombewonende vleermuizen, zoals de ruige dwergvleermuis en de gewone dwergvleermuis, bevinden.

Figuur 5

3.6.2

Impressie van het clubgebouw en de boom met loszittend schors.

Foerageergebieden

Vleermuizen jagen in zeer uiteenlopende biotopen; hoog boven in de lucht, boven open water, langs heggen en lanen, maar ook in dichte vegetatie. Voorbeelden van foerageergebieden zijn bossen, parken, tuinen, plassen, sloten en halfopen of open grasland. Vleermuizen jagen bij voorkeur op beschutte plekken waar insecten makkelijk te vangen zijn. De plaats waar vleermuizen jagen, is soortspecifiek. Zo jaagt de gewone dwergvleermuis voornamelijk tussen boomkruinen, kleine open plekken en rondom lantaarnpalen en jaagt de laatvlieger liever in open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Het projectgebied is potentieel geschikt als foerageergebied voor vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Het is een klein gebied waarvan de randen van de houtwal en het voetbalveld luwte bieden om te foerageren.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

20/36

3.6.3

Vliegroutes

De foerageergebieden van vleermuizen kunnen op kilometers afstand van de verblijfplaats liggen. Vleermuizen maken gebruik van vaste vliegroutes tussen de verblijfplaats en het foerageergebied. Als een vleermuis onderweg naar een foerageergebied zo’n vliegrouteplek tegenkomt waar veel insecten zijn, zal hij deze route tevens gebruiken om te jagen. De meeste vliegroutes liggen langs lijnvormige landschapselementen, zoals lanen, heggen, bomenrijen en watergangen. In het projectgebied zijn lijnvormige structuren te vinden in de vorm van de houtwal en de hagen rondom het projectgebied. Verder bevindt zich tussen het projectgebied en de snelweg A28 een fietspad, welke door de houtwal heen loopt. Dit fietspad vormt een geschikte vliegroute door de luwe en beschutte ligging. Ondanks de aanwezige verlichting langs dit fietspad zijn er ’s nachts nog donkere plekken rondom te verwachten. Mogelijk vormt het een verbinding voor vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger, tussen de woonwijk in het (noord)oosten en het ecoduct Sterrenberg, zuidwestelijk gelegen van het projectgebied.

3.6.4

Effectbeoordeling

Gebouwbewonende soorten In het projectgebied is een clubhuis aanwezig. Deze is echter niet geschikt voor vleermuizen als vaste rust- en/of voortplantingsplaats, gezien het type dak en het ontbreken aan geschikte invliegopeningen voor vleermuizen, zie Figuur 5. De woningen in de omgeving staan buiten de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden. Nader onderzoek naar rust- en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende soorten in het projectgebied is niet noodzakelijk. Boombewonende soorten In de houtwal zijn er wel mogelijke vaste rustplaatsen voor vleermuizen te vinden door de aanwezigheid van een boom met loshangend schors, zie Figuur 5. Echter is het hoogteverschil tussen het voetbalveld en de locatie van de geschikte bomen, boven op de houtwal, circa 25 meter (bron: ahn.nl). Daarnaast wordt het fietspad dat boven op de houtwal loopt, ook verlicht door lantaarns. De te plaatsen verlichting langs het voetbalveld heeft een geschatte hoogte van ongeveer 18 m en is gericht op het voetbalveld. Beïnvloeding van mogelijke verblijfplaatsen door de mogelijke restverlichting wordt niet verwacht door het verschil in hoogte tussen de geschikte bomen en de verlichting langs het voetbalveld. Negatieve effecten op mogelijk aanwezige rustplaatsen in bomen is daarom uit te sluiten. Nader onderzoek naar rustplaatsen van boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk.

Foerageergebied Gezien de grootte van het projectgebied wordt het projectgebied niet als essentieel foerageergebied beschouwd. In de omgeving zijn er voldoende alternatieve foerageergebieden, zoals de Kozakkenput, groene structuren in de omliggende woonwijk en andere delen van de bosrand, te vinden. Nader onderzoek naar foerageergebieden van vleermuizen is niet noodzakelijk. Vliegroute Langs het sportveld lopen twee bomenrijen die mogelijk als vliegroute kunnen fungeren, langs de oostzijde (Kerklaan) en langs de zuidzijde (houtwal langs de A28), zie figuur 6. De bomenrij langs de Kerklaan is ruim 25 m breed en vleermuizen kunnen langs beide kanten vliegen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

21/36

Door de aanwezigheid van verlichte sportvelden (de tennisvelden en twee velden van de voetbalvereniging) zouden vleermuizen van de andere zijde van de bomenrij Kerklaan gebruik kunnen maken (langs de Antonie van Leeuwenhoeklaan). Zowel bij de Kerklaan als bij de Antonie van Leeuwenhoeklaan is straatverlichting aanwezig. De verlichting is hoofdzakelijk omlaag gericht, waardoor de boomkronen van de bomenrij maar beperkt verlicht worden. De noordzijde van de houtwal langs de A28 wordt momenteel niet door kunstverlichting vanaf de sportvelden en/of straatverlichting verlicht en kan dus fungeren als vliegroute voor vleermuizen uit de naastgelegen woonwijk. In de omgeving zijn een beperkt aantal alternatieve routes aanwezig, zoals de bomenrij langs de Universumlaan. Door de reeds aanwezige verlichting langs de bomenrij Kerklaan vormt de bomenrij langs de zijde van de sportvelden tot aan het verlichte kunstgrasveld van de voetbalvereniging geen belangrijke vliegroute. Doordat de bomenrij breed is (≥ 25m), kan het zijn dat aan de andere zijde van de bomenrij de boomkronen wel voldoende donker zijn en dus fungeert als vliegroute. De houtwal langs de A28 is momenteel niet verlicht en is één van de weinige routes vanuit de woonwijk richting mogelijke foerageergebieden als Sterrenberg en Kozakkenput.

Nader onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen is niet noodzakelijk, indien negatieve effecten van de te plaatsen verlichting voldoende kunnen worden gemitigeerd. Mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk om verstoring door verlichting te voorkomen en de mogelijke vliegroute langs de houtwal in stand te houden (Wnb artikel 3.5 lid 2). Indien het treffen van mitigerende maatregelen niet mogelijk is, is het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar vliegroutes mogelijk nodig.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

22/36

Figuur 6

Het projectgebied en de ligging ten opzichte van mogelijke vliegroutes (wit) in de omgeving.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

23/36

Mitigerende maatregelen Om overtreding van de verbodsbepalingen van de wet natuurbescherming te voorkomen (Wnb artikel 3.5 lid 2) zijn maatregelen nodig om lichtverstoring bij vleermuizen te voorkomen. Het is noodzakelijk om verlichting bij de bosrand rondom de voetbalvelden te voorkomen, hiertoe dient uitstraling van verlichting te worden voorkomen door: · · · ·

het gebruik van de juiste armaturen en (mechanische) afscherming met een goede cut off en uittredingskarakteristiek; alleen verlichten op trainingsavonden; slechts tot 22:00 uur verlichten; maximaal 1,0 lux te zijn (Nieuwe Richtlijn Openbare Verlichting 2011 (ROVL-2011)).

Met een lichtberekening dient aangetoond te worden dat de maximale 1,0 Lux, al dan niet door middel van het afschermen van de verlichting, niet overschreden wordt. Op deze manier wordt verstoring van vleermuizen door verlichting voorkomen. Verder zijn er in de omgeving ook (minder verlichte) alternatieve vliegroutes aanwezig. Als de genoemde mitigerende maatregel niet mogelijk is, vindt er mogelijk een overtreding van de Wnb plaats en dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd en mogelijk een ontheffing Wnb te worden aangevraagd.

3.7

Overige zoogdieren

Uit gegevens van de NDFF blijkt er in de nabijheid van het projectgebied beschermde zoogdieren zijn waargenomen, namelijk: de boommarter, de bosmuis, de eekhoorn, de egel, huisspitsmuis, rosse woelmuis en vos. In de houtwal zijn er geen nesten van de eekhoorn, geschikte boomholten voor de boommarter, of een hol van een vos aangetroffen. Daarnaast vormt het hek rondom het voetbalveld een barrière voor met name de vos om makkelijk richting de voetbalvelden te kunnen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen en foerageergebieden als gevolg van lichtverstoring is voor deze soorten uitgesloten. De houtwal vormt geschikt habitat voor de bosmuis, de egel, de huisspitsmuis en de rosse woelmuis. Deze soorten zijn vrijgesteld door provincie Utrecht. Met de voorgenomen ontwikkeling worden er daardoor geen verbodsbepalingen uit de Wnb overtreden.

3.8

Amfibieën en reptielen

Volgens gegevens van de NDFF komen binnen en in de directe omgeving van het projectgebied de volgende amfibieën en reptielen soorten voor: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, hazelworm, kleine watersalamander, ringslang en zandhagedis. De bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander zijn vrijgesteld binnen provincie Utrecht. Daarnaast ontbreekt er in het projectgebied geschikt (voortplantings-)habitat voor de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor voortplantingshabitat zijn de bruine kikker, de gewone pad en de kleine watersalamander afhankelijk van water, wat in het projectgebied afwezig is. Ditzelfde geldt voor de ringslang. Aanwezigheid van de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de ringslang in het projectgebied is uitgesloten. Voor de hazelworm en de zandhagedis vormt het talud van de A28 geschikt habitat. De hazelworm is waargenomen langs het fietspad. Het voetbalveld en de locaties van de lichtmasten zijn ongeschikt als (voortplantings-)habitat voor de hazelworm en de zandhagedis. De zandhagedis heeft een voorkeur voor een mozaïek van rijk gestructureerde dwergstruikvegetatie, afgewisseld met hogere grassen, ‘kale’ grond en

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

24/36

binnen 10 m plekken met open zand waar de eieren gelegd kunnen worden. Dit is in het projectgebied afwezig. De hazelworm kan wel voorkomen in houtwallen met een strooisellaag, maar de lichtmasten komen op het met gras te staan. Lichtverstoring voor deze soorten is niet van toepassing. Nader onderzoek naar beschermde amfibieën of reptielen is niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

3.9

Vissen

Watergangen en/of waterpartijen zijn in het projectgebied afwezig en daarmee ongeschikt als habitat voor beschermde vissoorten. Nader onderzoek naar beschermde vissoorten is niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

3.10

Overige beschermde soortengroepen

Volgens gegevens van de NDFF komen in de directe omgeving van het projectgebied een beschermde keversoort en een vlindersoort voor, namelijk: de kommavlinder en het vliegend hert. De kommavlinder is voor voortplanting gebonden aan droge, schrale open graslanden, duinen en gevarieerde heiden. Deze omstandigheden zijn niet aanwezig in het projectgebied, waardoor de aanwezigheid van de kommavlinder is uitgesloten. Het vliegend hert is voor de ontwikkeling van haar larven afhankelijk van door schimmels aangetast rottend eikenhout. Tegenwoordig is dat beperkt tot gebieden met eikenhakhout. Grote, oudere, Amerikaanse eiken zijn in de houtwal aanwezig. Wel staan deze veelal hoger op het talud en langs het fietspad. Deze bomen bevinden zich niet in een rottende staat, wat de aanwezigheid van het vliegend hert onwaarschijnlijk maakt. Om die reden wordt de aanwezigheid en eventuele lichtverstoring op het vliegend hert uitgesloten. Overige beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitattype en waardplanten die veelal voorkomen in bijvoorbeeld duinen, heiden of venen. In het projectgebied is geen sprake van een dergelijke leefomgeving en de juiste leefomstandigheden voor beschermde soorten. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het projectgebied.

Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet noodzakelijk. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

25/36

4

Natuurbeleidskaders

4.1

Toetsingskader

Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd, bestaat uit: · ·

Provinciaal beleid: ° Natuurnetwerk Nederland (NNN); ° gebieden buiten het NNN (zoals belangrijk weidevogelgebied); gemeentelijk beleid.

4.2

Natuurnetwerk Nederland

Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor provincie Utrecht is vastgelegd in Artikel 2.4 van de PRV (Provinciale Ruimtelijke Verordening). De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dienen te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het projectgebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In provincie Utrecht is de externe werking van het NNN niet van toepassing. Een ‘nee, tenzijtoets’ behoeft alleen te worden doorlopen, indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het projectgebied.

Figuur 7

Schema: Het ‘nee, tenzij’-principe van het compensatiebeginsel.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

26/36

Inventarisatie Voor de inventarisatie van NNN-gebieden is gebruik gemaakt van het geoportaal van provincie Utrecht. Uit het geoprotaal blijkt dat het dichtstbijzijnde NNN-gebied aan de zuidzijde van de A28 op circa 115 m ten zuiden van het projectgebied ligt (Figuur 8).

Figuur 8

Ligging projectgebied ten opzichte van het NNN-gebied en ecologische verbindingszone (in groen).

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

27/36

Analyse en toetsing effecten Het projectgebied is niet gelegen in een NNN-gebied. Effecten op NNN-gebieden zijn, gelet op de ligging buiten een NNN-gebied, voor het voorgenomen project op voorhand uitgesloten. Het uitvoeren van een nee, tenzij-toets is niet noodzakelijk.

4.3

Gebieden buiten het NNN

4.3.1

Toetsingskader

Zowel binnen als buiten het NNN komen plant- en diersoorten voor die in hun duurzaam voortbestaan bedreigd worden. Provincie Utrecht wil de biologische diversiteit van het NNN behouden en, waar mogelijk, vergroten. In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 20132028 (PRS) staat het beleid voor de bescherming van gebieden buiten het NNN. Hieronder vallen de groene contour, rustgebieden van de weidevogels en ganzen en natuurparels. In provincie Utrecht is de externe werking op gebieden buiten het NNN niet van toepassing. In de Natuurvisie Provincie Utrecht 2017 zijn ook de Beleidsregels natuur en landschap (Bnl) vastgesteld, die onderdeel uitmaken van de regels ten aanzien van houtopstanden in de Wet natuurbescherming. Deze beleidsregels hebben deels betrekking op de in het projectgebied aanwezige Oude boskernen en Oude bosgroeiplaatsen. In de provinciale weidevogelvisie (2012) zijn weidevogelkerngebieden vastgesteld en, in overleg met de agrarische collectieven, geactualiseerd op basis van de inventarisaties in 2014 en 2015.

4.3.2

Inventarisatie

Het projectgebied valt binnen de aangewezen gebieden als natuurparels. Het is aangewezen als potentiële zandgronden, zie Figuur 9. De houtwal rondom het projectgebied is aangewezen als beheertype N16.03 Droog bos met productie, zie Figuur 10. Droog bos met productie bestaat uit verschillende, veelal van oorsprong aangeplante, bosopstanden van den, (winter)eik, beuk, Douglas, lariks of fijnspar. De voedselarmere delen worden grotendeels gedomineerd door den, eik en beuk, op de wat rijkere bodems is er een hogere groei van beuk, Douglas, lariks en spar, met betere mengingsmogelijkheden4. Verder is het projectgebied niet aangewezen als onderdeel van de groene contour, oude boskernen, oude bosgroeiplaatsen en ganzen- en weidevogelrustgebieden. De oude boskernen en oude bosgroeiplaatsen liggen wel in de nabije omgeving (< 500 m) van het projectgebied, zie Figuur 11. De groene contour en ganzen- en weidevogelrustgebieden liggen verder van het projectgebied af. Voor de ligging van het projectgebied ten opzichte van de groene contour, zie Figuur 12. De ganzen en weidevogelgebieden bevinden zich ook op grote afstand van het projectgebied, namelijk ten noordwesten van Utrecht en de omgeving van Nijkerk (Polder Arkemheen).

4

https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

28/36

Figuur 9

Ligging projectgebied (rood omkaderd) ten opzichte van de natuurparels in provincie Utrecht

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

29/36

Figuur 10

Ligging projectgebied (rood omkaderd) ten opzichte van de natuurbeheertypen uit het natuurbeheerplan van provincie Utrecht

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

30/36

Figuur 11

Ligging projectgebied (rood omkaderd) ten opzichte van de oude boskernen en oude bosgroeiplaatsen in provincie Utrecht

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

31/36

Figuur 12

Ligging projectgebied (rood omkaderd) ten opzichte van de groene contour in provincie Utrecht

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

32/36

4.3.3

Analyse en toetsing effecten

Het projectgebied is gelegen in een als natuurparels aangewezen gebied, namelijk als potentiële zandgronden. Hiervoor zijn geen soortengroepen aangeduid die belangrijk zijn voor het gebied. Het projectgebied valt buiten de overige beschermde gebieden van provincie Utrecht. Er is geen noodzaak tot het nemen van vervolgstappen.

4.4

Gemeentelijk beleid

Er is geen gemeentelijk groen- en/of natuurbeleid van toepassing op het sportterrein. Wel wil gemeente Soest de biodiversiteit in de gemeente stimuleren. Ook bij sportterreinen kunnen maatregelen getroffen worden die de biodiversiteit ten goede komen. Er kan gedacht worden aan het aanbrengen van groene daken, die op hun beurt weer onder andere bijen, vlinders en vogels aantrekken. Bij het plaatsen van beplanting, kan voorrang worden gegeven aan inheemse soorten die voedsel vormen voor bijen, vlinders en vogels.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

33/36

5

Conclusies

5.1

Wet natuurbescherming

5.1.1

Natura 2000-gebieden

Er ligt één Natura 2000-gebied in de omgeving van het projectgebied, namelijk ‘Oostelijke vechtplassen’ op een afstand van 11,5 kilometer. De werkzaamheden in het projectgebied resulteren niet in een oppervlakteverlies, verontreiniging of verdroging van dit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten van geluid, licht en trilling op de instandhoudingsdoelstellingen zijn uit te sluiten. Hoewel stikstofdepositie tot op grote afstand voor effecten op de stikstofgevoelige habitattypen kan zorgen, worden deze effecten – gezien de aard van de werkzaamheden – uitgesloten. Daarnaast valt de aanlegfase van het project onder de partiële vrijstelling van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Een AERIUS-berekening en overige procedurele stappen ten aanzien van stikstofdepositie zijn niet noodzakelijk.

5.1.2

Soortenbescherming

Negatieve effecten op beschermde planten, grondgebonden zoogdieren, vogels met jaarrond beschermde nesten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden, zijn uitgesloten. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet- beschermde flora en fauna. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Het is noodzakelijk om verstoring van vleermuizen en algemene broedvogels door lichtverstoring bij de bosrand te voorkomen. Hiertoe dient uitstraling van verlichting op de bosrand voorkomen te worden door: · · · ·

het gebruik van de juiste armaturen en (mechanische) afscherming met een goede cut off en uittredingskarakteristiek; alleen verlichten op trainingsavonden; slechts tot 22:00 uur verlichten; maximaal 1,0 lux te zijn.

Met een lichtberekening dient aangetoond te worden dat de maximale 1,0 Lux, al dan niet door middel van het afschermen van de verlichting, niet overschreden wordt. Op deze manier wordt verstoring van vleermuizen en algemene broedvogels door licht voorkomen. Als de genoemde mitigerende maatregel niet mogelijk is, vindt mogelijk een overtreding van de Wnb plaats en dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd en mogelijk een ontheffing Wnb te worden aangevraagd.

5.2

Natuurbeleidskaders

5.2.1

Natuurnetwerk Nederland

De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden in het kader van het NNN. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Tevens zijn er geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

34/36

5.2.2

Gebieden met natuurwaarden buiten het NNN

De voorgenomen werkzaamheden vallen binnen de aangewezen gebieden als natuurparels, namelijk als potentiële zandgronden. Er zijn echter geen soortengroepen voor dit gebied aangeduid. Verder valt het projectgebied buiten de groene contour, oude boskernen, oude bosgroeiplaatsen of ganzen- of weidevogelrustgebieden. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Tevens zijn er geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

35/36

Referenties NDFF (2021). Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2016-2021. Ingezien van https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/. NDFF Verspreidingsatlas. http://verspreidingsatlas.nl. Provincie Utrecht, 2018 Natuurvisie Provincie Utrecht. Een plus op natuurbeleid 2.0. Ingezien van https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/202002/natuurvisie_provincie_utrecht_2017.pdf. Provincie Utrecht, 2017. Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 Provincie Utrecht (Herijking 2016). Vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht in de vergadering van 12 december 2016. Publicatiedatum: 19 januari 2017, Status: PS-besluit, Referentienummer: 81A2D63B.

Websites SOVON

www.sovon.nl.

EIS Nederland

www.eis-nederland.nl.

Vlinderstichting

www.vlinderstichting.nl.

RAVON

www.ravon.nl.

Zoogdiervereniging

www.zoogdiervereniging.nl.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021

Versie: D2

36/36

Bijlage 3 Stikstofmemo

- MEMO Memo

DATUM KENMERK VAN

17 mei 2023 20230293/77298/ Luuk van de Gevel

20230293 Soesterberg, RO lichtmasten voetbalvereniging 't Vliegdorp OPDRACHTGEVER Gemeente Soest PROJECT

STIKSTOFBEREKENING AANLEGFASE LICHTMASTEN V.V. 'T VLIEGDORP

1. INLEIDING Bij voetbalvereniging ’t Vliegdorp in Soesterberg is het voornemen om werkzaamheden te verrichten ten behoeve van extra veldverlichting. Het plaatsen van bouwwerken buiten het bouwvlak is niet toegestaan op basis van het vigerend bestemmingsplan. De werkzaamheden bestaan uit het vervangen van de aanwezige veldverlichting en rondom veld twee verlichting aan te brengen. De beoogde ontwikkeling dient te worden getoetst aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij onder andere de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Figuur 1 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000‐netwerk zien. Figuur 1 Locatie beoogde ontwikkeling ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: Aerius calculator)

Niet alle Natura 2000‐gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Natura 2000‐gebieden Eemmeer & Gooimeer Zuidoever en Markermeer & IJmeer. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000‐gebied Oostelijke Vechtplassen op circa 11,6 kilometer afstand. De andere Natura 2000‐gebieden met verzuringsgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand. Met het rekenmodel Aerius is een verschilberekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 voor de aanlegfase in beeld te brengen. In deze notitie wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer‐ en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in de bijlagen bij deze notitie.

2/3

2. TOETSINGSKADER Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming: ● verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; ● vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; ● legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: ● De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. ● Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

● Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk.

3/4

3. AANLEGFASE Voor de aanlegfase zijn door de opdrachtgever gegevens aangeleverd met betrekking tot het gebruik van materieel op de locatie en de benodigde vervoersbewegingen. Het brandstofverbruik is gebaseerd op (l/uur) is gebaseerd op de Excel-tabel behorende bij het TNO-rapport ‘AUB (AdBlue verbruik, Uren en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen’, gepubliceerd op 13 december 2021. Voor het materieel is uitgegaan van een gemiddelde motorbelasting van 36,7%. De verwachting is dat de bouwwerkzaamheden plaatsvinden in 2023. Met het bouwbedrijf zal de afspraak gemaakt worden dat machines uitgezet worden indien deze niet in bedrijf zijn. Zodoende is er geen sprake van stationair draaien van machines. Daarnaast zullen ook verkeersbewegingen in de aanlegfase leiden tot uitstoot van stikstofdepositie. Tabel 1 - Materieel inzet vervangen bestaande en aanbrengen nieuwe veldverlichting

Materieel

Hijswerktuig (Hoeflon C6)

Stageklasse en/of bouwjaar

Vermogen (kW)

2017

15

Aanvoer materialen Vrachtwagens Woon-werkverkeer

Brandstof verbruik (diesel per uur) 2,5

Totaal aantal draaiuren 12

6 10

Totaal brandstof verbruik (liters per jaar) 30

zware bewegingen lichte bewegingen

Het verkeer wikkelt af via de Kerklaan naar de Novalaan richting de Amersfoortseweg/Amersfoortsestraat (N237). Op deze wegen gaat het extra verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor Aerius juli 2020, zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer.

4. RESULTATEN EN CONCLUSIE De uitkomsten op jaarbasis zijn ingevoerd in AERIUS Calculator. AERIUS Calculator geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr voor de aanlegfase (rekenjaar 2023). Op grond van de Wet natuurbescherming voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project. De berekening is als bijlage bij deze memo gevoegd.

4/5

BIJLAGEN

Bijlage 1 Aerius berekening

5/5

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:

www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Luuk van de Gevel Kerklaan 10, - Huis ter Heide voetbalvereniging 't Vliegdorp Aanlegfase veldverlichting

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

RqYKHCm4EHcv 11 mei 2023, 13:30 Wnb-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

Resultaten

Hoogste bijdrage

Hexagon

Gebied

Situatie 1 - Beoogd Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname

RqYKHCm4EHcv (11 mei 2023)

2023 -

0,0 kg/j

0,7 kg/j

2/6

Projectberekening

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13525874/2