23RV078 Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
LICHTMASTEN VOETBALVERENIGING 'T VLIEGDORP Zeist ruimtelijke onderbouwing 25 mei 2023
1/2
DATUM KENMERK
25 mei 2023 ruimtelijke onderbouwing
PROJECT PROJECTLEIDER
Lichtmasten voetbalvereniging 't Vliegdorp
OPDRACHTGEVER Gemeente Soest PROJECTNUMMER 20230293 AUTEUR STATUS
2/2
definitief
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding en doel
7
1.2
Ligging en begrenzing projectgebied
7
1.3
Vigerend bestemmingsplan
9
1.4
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
11
2.1
Huidige situatie
11
2.2
Beoogde situatie
12
Hoofdstuk 3
Beleidskader
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.2
Provinciaal beleid
14
3.3
Gemeentelijk beleid
18
Milieu- en omgevingsaspecten
21
4.1
Milieueffectrapportage
21
4.2
Bodem
21
4.3
Archeologie & cultuurhistorie
22
4.4
Ecologie
22
4.5
Water
25
4.6
Verkeer en parkeren
25
4.7
Geluid
25
4.8
Luchtkwaliteit
26
4.9
Externe veiligheid
27
4.10
Bedrijven en milieuzonering
28
4.11
Kabels en leidingen
28
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
29
5.1
Economische uitvoerbaarheid
29
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
29
Hoofdstuk 4
3/39
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Vergunningstekening veldverlichting
Bijlage 2
Verkennend natuuronderzoek
Bijlage 3
Stikstofmemo
Bijlage 4
Lichthinderonderzoek
4/39
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
In Soesterberg wordt er op dit moment gebouwd als onderdeel van de projecten Hart van de Heuvelrug en Masterplan Soesterberg. In de afgelopen jaren zijn daarom extra woningen gebouwd en komen er nog meer woningen bij de komende jaren. Dat vergroot ook de vraag naar voorzieningen zoals mogelijkheden om te sporten. Bij voetbalvereniging 't Vliegdorp is dat te merken, het aantal leden van de vereniging neemt toe. Op dit moment beschikt deze vereniging over twee voetbalvelden waarvan 1 voetbalveld is verlicht. Door de groei van het aantal leden lukt het de vereniging niet meer om alle trainingen op het kunstgrasveld in te plannen. De vereniging wil daarom ook het tweede veld gaan gebruiken voor trainingen. Om in de avond het veld te gebruiken voor trainingen moet het veld voorzien worden van veldverlichting. De veldverlichting zal gerealiseerd worden in de vorm van lichtmasten van 18 meter hoog. Op basis van het huidige bestemmingsplan is het plaatsen van veldverlichting buiten een bouwvlak niet mogelijk. Om de veldverlichting juridisch planologisch mogelijk te maken is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld.
1.2
Ligging en begrenzing projectgebied
De voetbalvereniging 't Vliegdorp is gelegen aan de Kerklaan 10 in Huis ter Heide. De voetbalvereniging is omringd door bomen waarachter woonwijken gelegen zijn. Ten zuiden van het projectgebied is de A28 gelegen. Binnen het projectgebied bevinden zich twee voetbalvelden, bij de voetbalvelden behorende bouwwerken en een clubhuis. De ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om veldverlichting rondom het natuurgrasveld (zie figuur 1.2) te regelen.
Figuur 1.1 - Ligging projectgebied (rode stippellijn) 7/39
Figuur 1.2 - Ligging van de velden (Bron: Memo ten behoeve van aanvraag vergunning extra verlichting veld 2, gemeente Soest)
8/39
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het projectgebied geldt de beheersverordening Amersfoortseweg e.o. (vastgesteld op 12 december 2017). Met de beheersverordening worden de regelingen uit het voorgaande Bestemmingsplan Amersfoortseweg e.o. opnieuw van toepassing verklaard, met uitzondering van de (algemene) wijzigingsbevoegdheden, strafbepalingen, overgangsrecht en slotbepalingen. Volgens de beheersverordening geldt ter plaatse van het natuurgrasveld de bestemming 'Sport' (zie figuur 1.3).
Figuur 1.3 - Uitsnede bestemmingsplan Amersfoortseweg e.o. (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Binnen de geldende bestemming mag bebouwing uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Omdat veldverlichting onder de definitie van bebouwing valt volgens het vigerende plan mogen deze alleen gesitueerd worden binnen bouwvlakken. Ter plaatse van het natuurgrasveld is geen bouwvlak gelegen en is het plaatsen van veldverlichting niet toegestaan.
9/39
Het plaatsen van lichtmasten met een bouwhoogte van 18 meter valt niet onder één van de activiteiten bedoeld in Artikel 4, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Daarmee is een uitgebreide procedure voor een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van de vigerende bestemmingsregels noodzakelijk.
1.4
Leeswijzer
De voorliggende ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2: Projectbeschrijving Hoofdstuk 3: Ruimtelijk beleidskader Hoofdstuk 4: Omgevingsaspecten Hoofdstuk 5: Uitvoerbaarheid
10/39
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Het projectgebied bestaat uit de voetbalvelden van voetbalvereniging 't Vliegdorp. De voetbalvereniging is gelegen in Huis ter Heide in de gemeente Zeist. Er is een kunstgras- en een natuurgrasveld. Het kunstgrasveld is in de huidige situatie voorzien van verlichting door middel van lichtmasten. De lichtmasten rondom het kunstgrasveld zijn momenteel 12 meter hoog. Rondom het natuurgrasveld is geen veldverlichting aanwezig. Op beide velden wordt reeds training gegeven. Het projectgebied is aan de oost-, zuid- en westzijde omringd door bomen. Aan de noordzijde van het projectgebied is een tennisvereniging gelegen en zijn parkeerplaatsen gesitueerd.
Figuur 2.1 - Bestaande situatie (vergunningstekening)
11/39
2.2
Beoogde situatie
Om in de toekomst ook in de wintertijd voldoende trainingen in te kunnen plannen voor het groeiend aantal leden, is het nodig om het natuurgrasveld van verlichting te voorzien. Met het plaatsen van veldverlichting op het tweede veld wordt de trainingscapaciteit in de wintermaanden uitgebreid. De lichtmasten die geplaatst zullen worden zullen 18 meter hoog zijn. Ook de bestaande lichtmasten rondom het kunstgrasveld worden verhoogd van 12 naar 18 meter. Lichtmasten van 18 meter kunnen het licht beter op het veld projecteren dan lichtmasten van 12 meter. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat het strooilicht minimaal is.
Figuur 2.2 - Beoogde situatie (vergunningstekening)
12/39
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale omgevingsvisie (2020) en Barro (2020) In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) formuleert het Rijk een nieuwe integrale aanpak waarin samen met andere overheden en organisaties optimaal kan worden gewerkt aan behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen spelen de volgende vier prioriteiten de komende jaren een grote rol in de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Nationale belangen De NOVI is vertaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaat echter pas in zodra de omgevingswet in werking treedt. De voorloper van het Bkl is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.
Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Toetsing en conclusie De NOVI en het Barro kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid. 3.1.2 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling (art. 3.6.1 Bro, juli 2017) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe te borgen is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Toetsing en conclusie Met het plaatsen van lichtmasten is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bro. Een toetsing aan de Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is daarom niet nodig.
13/39
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht (vastgesteld d.d. 9 februari 2022) De provincie streeft ernaar om in 2050 een inclusieve en circulaire provincie te zijn. In de omgevingsvisie beschrijft de provincie aan de hand van de volgende zeven beleidsthema's hoe zij een gezonde en veilige leefomgeving wil ontwikkelen en beschermen: 1. Stad en land gezond 2. Klimaatbestendig en waterrobuust 3. Duurzame energie 4. Vitale steden en dorpen 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw Toetsing Met het plaatsen van lichtmasten rondom het natuurgrasveld bij een voetbalvereniging wordt voorzien in voldoende trainingscapaciteit voor het stijgend aantal leden. Zorgen voor voldoende sportmogelijkheden draagt daarmee bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Daarnaast worden de lichtmasten voorzien van duurzame ledverlichting wat bijdraagt aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de provincie. Conclusie De ontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen van de provincie Utrecht. 3.2.2 Interim omgevingsverordening (vastgesteld d.d. 10 maart 2021) De interim omgevingsverordening is een tijdelijke verordening die op 1 april 2021 inwerking is getreden en een looptijd heeft totdat de Omgevingswet van kracht is en de omgevingsverordening in werking treedt.
De interim omgevingsverordening vervangt voorheen geldende verordeningen zoals de ruimtelijke verordening, de milieuverordening, de natuur- en landschapsverordening. De interim omgevingsverordening is gebaseerd op een aantal wetten en algemene maatregelen van bestuur. De interim omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de interim omgevingsverordening direct werkende regels. Deze regels gelden rechtstreeks voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Hieronder wordt nader ingegaan op de relevante thema's en bijbehorende regels uit de interim omgevingsverordening.
14/39
Artikel 4.1 Instructieregel bereikbaarheid 1. Een bestemmingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien waarborgt dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen. 2. De motivering op het bestemmingsplan bevat: a. een beschrijving van het aantal verplaatsingen die deze nieuwe ontwikkelingen tot gevolg hebben; b. een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de verschillende vervoerwijzen; c. een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het omliggende (regionale) verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerwijzen kunnen ontstaan; en d. een analyse of de bereikbaarheid door de beoogde ontwikkelingen wordt verslechterd en of de reistijd significant toeneemt. 3. Indien uit de analyse blijkt dat er mogelijk sprake is van verslechtering van de bereikbaarheid of toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk, wordt een mobiliteitstoets als bedoeld in de Bijlage 13 Mobiliteitstoets Cultuurhistorie bij deze verordening uitgevoerd. Binnen deze mobiliteitstoets worden mogelijke oplossingen voor de geconstateerde knelpunten uitgewerkt, waarbij ook realisatie en financiering van deze maatregelen aan bod komen. Artikel 7.7 Beschermen en benutten van de cultuurhistorische hoofdstructuur 1.
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden 2. Als waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage 14 Cultuurhistorie bij deze verordening, voor de volgende gebieden: a. de Historische buitenplaatszone, die bestaat uit de deelgebieden Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Vecht, Amersfoortseweg (Wegh der Weegen), Laagte van Pijnenburg, Valleilandgoederen, Amelisweerd, Kasteel de Haar, Landgoed Linschoten, Maarsbergse Flank en Prattenburg-Remmerstein; b. het Militair erfgoed, dat bestaat uit de deelgebieden Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandsche Waterlinie, Grebbelinie en Soesterberg en omgeving; c. het Agrarisch cultuurlandschap, dat bestaat uit de deelgebieden Lopikerwaard, Kockengen-Kamerik-Zegveld, Westbroek, Linschoten, Ronde Venen, Soester Eng, Cope-ontginningscomplex Hei- en Boeicop e.o. en Zouweboezem; d. de Historische infrastructuur, die bestaat uit de deelgebieden Route Impériale, Via Regia en Wegh der Weegen; en e. de Archeologisch waardevolle zone, die bestaat uit de deelgebieden Utrechtse Heuvelrug, Limes en Dorestad. 3. De motivering van een bestemmingsplan bevat: a.
een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden; en b. een beschrijving en motivering van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden.
15/39
Artikel 7.9 Instructieregel landschap 1. Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. Toetsing Het projectgebied is gelegen nabij de vliegbasis Soesterberg. De vliegbasis vormde in het verleden een belemmering voor de uitbreiding van het aantal woningen in de omgeving van het vliegveld. Met de sluiting in 2008 kwam er een definitief einde aan deze militaire vliegbasis. Het aantal inwoners in Huis ter Heide en Soesterberg is mede dankzij de sluiting van de vliegbasis enorm toegenomen. Ondanks dat de vliegbasis gesloten is, zijn rondom het projectgebied nog veel cultuurhistorische elementen aanwezig.
Het projectgebied is gelegen in de volgende cultuurhistorische hoofdstructuren: CHS - Archeologisch waardevolle zone CHS - Historische buitenplaatszone CHS - Militair erfgoed
Figuur 3.1 - Uitsnede interim omgevingsverordening Provincie Utrecht (Bron: Ruimtelijkeplannen.provincie-Utrecht.nl) Hieronder worden per cultuurhistorische hoofdstructuur de belangrijkste kenmerken en ambities aangeduid.
16/39
Archeologisch waardevolle zone De cultuurhistorische waarde van Archeologie ligt voor de Utrechtse Heuvelrug met name in: a. de samenhang tussen de verschillende archeologische structuren en elementen; b. de relatie tussen archeologische structuren en elementen en het landschap. Historische buitenplaatszone De cultuurhistorische waarde van de Historische buitenplaatszone ligt met name in: a. de samenhang van parkstructuren, hoofdhuizen en bijgebouwen; b. de zichtassen en zichtrelaties tussen buitenplaatsen en de omgeving; c. de kenmerken van de buitenplaatszone in relatie tot het onderliggende landschap. Militair erfgoed - Soesterberg en omgeving Voor het deelgebied van de voormalige Vliegbasis Soesterberg ligt de cultuurhistorische waarde met name in het behoud van de historische structuren en de nog aanwezige objecten van land- en luchtmacht en de elementen uit de Koude Oorlog. Landschap - Utrechtse Heuvelrug Naast de cultuurhistorische waarde kent het projectgebied ook landschappelijke waarden van de Utrechtse Heuvelrug. Dit landschap wordt bepaald door het doorlopende reliëf en manifesteert zich als een eenheid. Het landschap onderscheidt zich sterk van de omliggende vlakkere, meer open landschappen. Er komt veel bos voor op de Utrechtse Heuvelrug, dat wordt afgewisseld met heide, vennen en stuifzand. Open plekken zijn gerelateerd aan het bos en niet aan de wegen.
De ambities voor de Utrechtse Heuvelrug zijn het in stand houden van het reliëf en het samenhangend boscomplex. Dit betekent focus op: reliëf en doorsteken - heuveltoppen en wegen zonering gebruik: wonen - werken - recreatie bijzondere aandacht voor drie gebieden: Amersfoortse straatweg, Doorn-Maarsbergen en Rhenen Het projectgebied voor het plaatsen van lichtmasten beperkt zich tot één veld van de voetbalvereniging het vliegdorp. Het aanbrengen van lichtvoorzieningen heeft geen invloed op de bovenstaande landschappelijke en cultuurhistorische waarden en ambities. Archeologische samenhang, cultuurhistorische structuren en het militair erfgoed blijven behouden. Conclusie Het plaatsen van lichtmasten voldoet aan de regels uit de interim omgevingsverordening van de provincie Utrecht.
17/39
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Zeist (vastgesteld op 7 maart 2021) De Structuurvisie Zeist 2020 bouwt voort op het eerder ontwikkelde Ontwikkelingsperspectief 2030. In dit perspectief werden vier kernwaarden geformuleerd: natuur en landschap, cultuurhistorie, duurzaam en zorgzaam en de kwaliteit van vijf kernen met een eigen identiteit. Deze kernwaarden zijn nu vertaald naar tien hoofdkeuzes. 1. Groen versterken 2. Verleden zichtbaar maken 3. Ervaren en gebruiken 4. Kracht van buurten, wijken en kernen 5. Leefomgeving en milieu: zone A28, onderzoek overkapping 6. Beter bereikbaar 7. Bouwen en wonen: maatwerk en kwaliteit voorop 8. Centrum aantrekkelijk 9. Economisch gezond en duurzaam 10. Van visie naar uitvoering
Figuur 3.2 - Uitsnede visiekaart Structuurvisie Zeist met projectgebied rood omcirkeld (Bron: Structuurvisie Zeist)
18/39
Sport De komende jaren zal er in Zeist flink meer gesport worden. Dat past bij de trend om bewegen te stimuleren (landelijk en lokaal beleid). Bijzonder genoeg speelt de vergrijzing daarbij ook een actieve rol. De groep ouderen die (blijft) sporten neemt toe. De verlengde schooldag zorgt dat sport ook onder kinderen (meer) beoefend wordt. Kinderen maken steeds vaker gebruik van buitenschoolse opvang. In dat kader worden meer activiteiten na schooltijd georganiseerd, zodat ouders de zorg voor de kinderen en werk beter kunnen combineren. Sommige activiteiten van die naschoolse opvang maken gebruik van sportaccommodaties. Al met al ontstaat er meer druk op de beschikbare capaciteit aan sportaccommodaties. In Zeist zijn vooral tennis-, voetbal- en hockeyverenigingen erg populair en zij hebben ruimtetekort. Wachtlijsten zijn groot en de ruimte is beperkt. Voor Zeist ligt de oplossing in de combinatie van een aantal maatregelen. Op korte termijn kan met aanleg van kunstgrasvelden en realisatie van veldverlichting nog een eerste groei worden opgevangen. Op langere termijn is dit niet voldoende. Het groeperen van sportverenigingen, zoals in een omnisportvereniging, kan meerwaarde bieden, maar dit mag niet ten koste gaan van de spreiding van sportvoorzieningen. Geen van de bestaande sportterreinen kan deze vraag aan, behalve mogelijk rond de huidige atletiekbaan.
Toetsing en conclusie De druk op de beschikbare capaciteit aan sportaccommodaties is groot in de gemeente Zeist. Het aanbrengen van veldverlichting wordt in de structuurvisie genoemd als een van de oplossingen om op korte termijn de eerste groei van de verenigingen op te vangen. Deze ruimtelijke onderbouwing voorziet in het aanbrengen van veldverlichting en is daarmee in lijn met de structuurvisie van de gemeente Zeist.
3.3.2 Brede milieuvisie (vastgesteld op 4 oktober 2016) Hoog op de maatschappelijke en politieke agenda van de gemeente Zeist staat duurzaam omgaan met de leefomgeving. In de Brede milieuvisie wordt ingegaan op kansen om het milieu en de leefomgeving in Zeist te verbeteren. Dit wordt gedaan aan de hand van de volgende vier pijlers: 1. Klimaat en energie: we gaan op weg naar een klimaatneutraal Zeist in 2030; 2. Circulaire economie: we handelen vanuit kringlopen en hergebruik, delen en gebruiken in plaats vanuit bezit; 3. Levend netwerk van natuur, landschap en cultuurhistorie: we zorgen voor een met groen dooraderd Zeist; 4. Gezonde leefomgeving en kwaliteit van leven: we zetten ons in voor een goede lucht- en waterkwaliteit, minder geluidshinder en een duurzame voedselvoorziening. Toetsing en conclusie Het plaatsen van lichtmasten rondom het natuurgrasveld heeft in beperkte mate raakvlak met de pijlers uit de Brede milieuvisie van de gemeente Zeist. De lichtmasten worden voorzien van energiezuinige armaturen en de groene omgeving wordt niet aangetast. De Brede milieuvisie vormt geen belemmering voor het aanbrengen van veldverlichting. 3.3.3 Groenstructuurplan Het groenstructuurplan Groen (voor) Zeist schetst de hoofdlijnen van het beleid voor het openbaar groen binnen de bebouwde kom van de kernen van Zeist.
De hoofddoelstelling van het groenstructuurplan is het veiligstellen en koesteren en versterken van het groene karakter van Zeist.
19/39
Figuur 3.3 - Ligging projectgebied (rode cirkel) op de kaart 'Groenstructuur van de gemeente Zeist' (Bron: Groenstructuurplan deel I en samenvatting, gemeente Zeist) Toetsing en conclusie Het projectgebied is gelegen in (restant) buitenplaats (S2). S2 duidt het groene cultuurhistorische raamwerk aan. Het beleidsdoel voor dit gebied is het koesteren, zichtbaar houden en versterken van de groene samenhang binnen het cultuurhistorisch raamwerk als geheel, inclusief laanpatronen en lopen van oude waterwegen. Met het plaatsen van lichtmasten vinden geen ingrepen in de groenstructuren rondom het projectgebied plaats. Het Groenstructuurplan vormt daarom ook geen belemmering voor het aanbrengen van veldverlichting. 3.3.4 Masterplan buitensportaccommodaties Het masterplan buitensportaccommodaties is op 7 november 2017 vastgesteld door de gemeente Soest. Het plan is een vervolg op de sport- en beweegvisie Zeist 2015-2020. In deze visie is het belang van sport en bewegen binnen (het beleid van de gemeente) Zeist benadrukt. Wekelijks maken namelijk duizenden sporters gebruik van de verschillende sportparken die Zeist rijk is, en dat wil de gemeente graag zo houden. Het masterplan in het kort heeft de volgende doelen: Een kwaliteitsimpuls voor de buitensportaccommodaties en velden. Meer samenwerking tussen verenigingen door het delen van velden en buitensportaccommodaties.
Naast het sporten ook andere functies (bijvoorbeeld recreatie en zorg) toestaan op de locaties Toetsing en conclusie Het Masterplan buitensportaccommodaties benadrukt het belang van buitensportaccommodaties en is opgesteld met als doel de buitensportaccommodaties te optimaliseren. In het masterplan worden geen specifieke uitgangspunten en concrete maatregelen benoemd voor voetbalvereniging 't Vliegdorp. In het kader van sportpark Dijnselburg wordt wel aangestipt dat de voetbalvereniging 't Vliegdorp overcapaciteit heeft. Met het plaatsen van lichtmasten wordt bijgedragen aan het algemene doel van het Masterplan om een kwaliteitsimpuls te realiseren voor de buitensportaccommodaties en velden. 20/39
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek en conclusie Met het plaatsen van lichtmasten rondom het natuurgrasveld is geen sprake van een ingrijpende verandering met aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Ook valt de ontwikkeling niet onder de genoemde activiteiten uit bijlage C of D van het besluit m.e.r. De ontwikkeling is niet MER-plichtig en ook niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.
4.2
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
21/39
Onderzoek en conclusie De functie van het projectgebied als sportterrein blijft ongewijzigd met het plaatsen van lichtmasten. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Archeologie & cultuurhistorie
Op basis van de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) is geregeld dat de verantwoordelijkheid voor het beheer van de archeologie bij de gemeente ligt. Dit houdt onder andere in dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Onderzoek Ter plaatse van het natuurgrasveld is in het bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het gebied wordt in de provinciale verordening van de provincie Utrecht wel aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol gebied. In paragraaf 3.2.2 is een toetsing aan de cultuurhistorische waarden opgenomen. Geconcludeerd wordt dat de waarden en ambities op het gebied van cultuurhistorie niet aangetast worden met het aanbrengen van veldverlichting. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
22/39
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek In november 2021 is door onderzoeksbureau Sweco een rapportage opgeleverd waarin een verkennend natuuronderzoek is uitgevoerd naar gebieds- en soortenbescherming. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 2. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor zowel gebiedsbescherming als voor soortenbescherming aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht mits met een lichtberekening aangetoond is dat door de lichtmasten geen verstoring van vleermuizen en algemene broedvogels optreedt. Echter wordt het project in het onderzoek van Sweco nog vrijgesteld van het berekenen van de aanlegfase. Er wordt verwezen naar de partiële vrijstelling van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak (zaaknummer: 202107079/1/R4) gedaan die luidt dat de bouwvrijstelling uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in strijd is met de Habitatrichtlijn. De bouwvrijstelling is met deze uitspraak komen te vervallen. Om deze reden is aanvullend op het onderzoek van Sweco alsnog de aanlegfase van het project berekend.
Gebiedsbescherming Met het rekenmodel Aerius (versie 2022) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats betreft de Oostelijke Vechtplassen. De minimale afstand tot het projectgebied bedraagt 11,5 kilometer.
23/39
In Bijlage 3 is de stikstofberekening bijgevoegd waarin het toetsingskader, berekeningsuitgangspunten, de berekening en resultaten en conclusies zijn opgenomen. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (versie 2022) blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Negatieve effecten op beschermde planten, grondgebonden zoogdieren, vogels met jaarrond beschermde nesten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden, zijn uitgesloten. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet- beschermde flora en fauna. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Het is noodzakelijk om verstoring van vleermuizen en algemene broedvogels door lichtverstoring bij de bosrand te voorkomen.
Hiertoe dient uitstraling van verlichting op de bosrand voorkomen te worden door: het gebruik van de juiste armaturen en (mechanische) afscherming met een goede cut off en uittredingskarakteristiek; alleen verlichten op trainingsavonden; slechts tot 22:00 uur verlichten; maximaal 1,0 lux te zijn. In Bijlage 4 is een lichthinderonderzoek toegevoegd. Uit de berekening blijkt dat de berekende lichtwaarde aan de onderzijde van de bomenrij 1,56 lux bedraagt. Dit is iets meer dan de grenswaarde van 1,0 lux. Ondanks dat alle armaturen reeds voorzien zijn van een maximale interne en extra externe afscherming kan in de nieuwe situatie net niet voldaan worden aan de gestelde grenswaarden. Echter is de overschrijding dusdanig laag dat dit te verwaarlozen is. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
24/39
4.5
Water
Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen. De watertoets omvat het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is het bevoegde waterschap. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). HDSR heeft zijn digitale waterbeheerplan, getiteld 'Waterkoers 2016 - 2021', vastgesteld. Hierin legt het waterschap zijn koers voor de komende zes jaar op hoofdlijnen vast. De Waterkoers 2016 - 2021 is een omslag in denken. Het is niet meer vanzelfsprekend dat het waterschap alles wat met water te maken heeft, zelf oppakt, bepaalt of betaalt. Het motto is van 'zorgen voor' naar 'samen doen'. De waterkoers is een middel om het gesprek aan te gaan met partners in het gebied. Het waterschap werkt samen met medeoverheden, belangen- en maatschappelijke organisaties, bedrijven en bewoners aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving waarin wordt geanticipeerd op veranderingen, binnen en buiten haar beheergrenzen. Onderzoek en conclusie Het plaatsen van lichtmasten heeft geen invloed op de waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid.
Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de impact van verkeer en parkeren op een bepaalde locatie beoordeeld te worden en wordt gekeken of voorgestelde ontwikkeling aanvaardbaar is en niet leidt tot knelpunten in de verkeersgeneratie, verkeersafwikkeling, parkeren en verkeersveiligheid. Toetsing en conclusie Het plaatsen van veldverlichting heeft geen gevolgen voor het aspect verkeer en parkeren. De verkeersontsluiting en de parkeersituatie veranderen niet en er wordt voorzien in een goede verkeersafwikkeling. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het plaatsen van veldverlichting.
4.7
Geluid
Toetsingskader Wet geluidhinder Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij geluidgevoelige functies worden opgericht, dienen getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. Indien geen sprake is van een geluidgevoelige functie is de Wet Onderzoek en conclusie Met het plaatsen van lichtmasten wordt geen geluidgevoelige functie opgericht. Daarnaast is een sportpark in het kader van de Wet geluidhinder ook geen geluidsgevoelige functie. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het aanbrengen van veldverlichting.
25/39
4.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 3 weergegeven. Tabel 1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
fijn stof (PM2,5)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek en conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt.
De bestaande voetbalvereniging met daarbij twee voetbalvelden blijven behouden. Het aspect luchtkwaliteit is niet relevant voor het aanbrengen van veldverlichting rondom een bestaand voetbalveld.
26/39
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.
Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
27/39
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek en conclusie Sportvelden worden aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. Het plaatsen van lichtmasten op een bestaand voetbalveld heeft geen gevolgen voor het groepsrisico of het persoonsgebonden risico. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Bedrijven en milieuzonering Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek en conclusie In de beoogde situatie worden geen nieuwe woningen toegevoegd en er zijn geen bedrijven in de nabije omgeving gesitueerd die belemmerd worden door de beoogde ontwikkeling.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
28/39
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
In het kader van een bestemmingsplan is het van belang om de uitvoerbaarheid na te gaan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Kostenverhaal Het project, zijnde het realiseren van lichtmasten bij een bestaand natuurgras voetbalveld, is geen aangewezen bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de gemeenteraad voor de omgevingsvergunning ten behoeve van dit project geen exploitatieplan hoeft vast te stellen of het kostenverhaal anderszins dient te verzekeren. Kostenverhaal is voor dit project niet aan de orde. Economische uitvoerbaarheid De gemeente Soest is eigenaar van de gronden waarop de voetbalvereniging is gevestigd en waarbij dus de werkzaamheden aan de lichtmasten worden uitgevoerd. De voetbalvereniging huurt de locatie van de gemeente Soest. De gemeente Soest draagt als initiatiefnemer voor deze omgevingsvergunning de investeringskosten voor de aanschaf en plaatsing van de lichtmasten. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het project voldoende aangetoond.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie Bij de uitvoering van het project zijn de buurt- en belangenvereniging Huis ter Heide en de direct omwonenden op de hoogte gesteld van het voornemen. Vooroverleg In het kader van het vooroverleg artikel 3.1.1 Bro wordt de ontwerp-omgevingsvergunning aan de gebruikelijk overleginstanties toegestuurd. Terinzagelegging De ontwerp-omgevingsvergunning, inclusief bijbehorende ruimtelijke onderbouwing, wordt gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze kenbaar te maken.
29/39
30/39
BIJLAGEN
Bijlage 1 Vergunningstekening veldverlichting
10
Kerklaan
10
Kerklaan
Nieuwe lichtmast 18m hoog met 1 armatuur
Bestaande lichtmast vervangen voor nieuwe lichtmast 18m hoog met 2 armaturen
Bestaande lichtmast vervangen voor nieuwe lichtmast 18m hoog
kunstgras voetbalveld
korfbal
natuurgras voetbalveld
natuurgras voetbalveld
kunstgras voetbalveld
korfbal
Nieuwe lichtmast 18m hoog met 2 armaturen Bestaande lichtmast vervangen voor nieuwe lichtmast 18m hoog met 4 armaturen
Bestaande lichtmast vervangen voor nieuwe lichtmast 18m hoog
Bestaande lichtmast vervangen voor nieuwe lichtmast 18m hoog met 2 armaturen Bestaande lichtmast vervangen voor nieuwe lichtmast 18m hoog Nieuwe lichtmast 18m hoog met 1 armatuur
Dierenriem
Dierenriem
Bestaande situatie
Nieuwe situatie
schaal 1:500
schaal 1:500
VERKLARING Werkgrens 0
Bestaande lichtmast met 1 armatuur
Bestaande lichtmast met 2 armaturen
5
10
15
20m
Schaal 1:500
Maten in meters, tenzij anders aangegeven Materialen in millimeters Hoogtematen in meters t.o.v. N.A.P.
CONCEPT
Opdrachtgever
Nieuwe lichtmast met 1 armatuur
Gemeente Soest
Nieuwe lichtmast met 2 armaturen
Sportpark Kerklaan Onderdeel
Nieuwe lichtmast met 4 armaturen
Vergunningstekening lichtmasten Bestaande & nieuwe situatie Projectnummer
Tekeningnummer
Versie
Datum van uitgave
Ontwerpfase
Contractnummer
-
-
-
02-05-2023
-
.
Blad
Van
Schaal
Formaat
Kantoor
Get.
Gez.
Acc.
1
1
1:500
A1-L (ISO)
De Bilt
ATS
MvV
MvV
www.sweco.nl © Sweco Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden
Vergunningstekening lichtmasten sportpark Kerklaan
Project
Bijlage 2 Verkennend natuuronderzoek
Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide
Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Verantwoording Titel
Projectnummer: Klant: Referentienummer Versie:
Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur 51001179 Gemeente Soest NL21-648800269-8489 D2
Datum:
05-11-2021
Auteur E-mailadres
Rens Huizinga rens.huizinga@sweco.nl
Gecontroleerd door Paraaf gecontroleerd
Raisja Spijker
Goedgekeurd door Paraaf goedgekeurd
Maarten Mouissie
Onderwerp:
2/36
Inhoudsopgave Samenvatting .....................................................................................................................................................4 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding ...................................................................................................................................................6 Aanleiding ................................................................................................................................................6 Kader van het onderzoek ........................................................................................................................ 6 Biodiversiteit ............................................................................................................................................ 6 Ligging projectgebied ..............................................................................................................................6 Voorgenomen activiteiten ........................................................................................................................ 8
2 2.1 2.2 2.3
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ....................................................................................9 Toetsingskader ........................................................................................................................................ 9 Inventarisatie .........................................................................................................................................10 Analyse en conclusie van de mogelijke effecten ...................................................................................12
3 Wet natuurbescherming: Soortbescherming .........................................................................................13 3.1 Toetsingskader ......................................................................................................................................13 3.2 Methode .................................................................................................................................................15 3.3 Voorkomende ecotopen ........................................................................................................................16 3.4 Vogels ....................................................................................................................................................18 3.4.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) .................................................18 3.4.2 Jaarrondbeschermde nesten (categorie 5) ........................................................................................18 3.4.3 Algemene broedvogels .......................................................................................................................18 3.4.4 Effectbeoordeling ...............................................................................................................................18 3.5 Planten
..................................................................................................................................................19 3.6 Vleermuizen ...........................................................................................................................................19 3.6.1 Verblijfplaatsen ...................................................................................................................................19 3.6.2 Foerageergebieden ............................................................................................................................20 3.6.3 Vliegroutes..........................................................................................................................................21 3.6.4 Effectbeoordeling ...............................................................................................................................21 3.7 Overige zoogdieren ...............................................................................................................................24 3.8 Amfibieën en reptielen ...........................................................................................................................24 3.9 Vissen ....................................................................................................................................................25 3.10
Overige beschermde soortengroepen ...................................................................................................25 4 Natuurbeleidskaders..............................................................................................................................26 4.1 Toetsingskader ......................................................................................................................................26 4.2 Natuurnetwerk Nederland .....................................................................................................................26 4.3 Gebieden buiten het NNN .....................................................................................................................28 4.3.1 Toetsingskader ...................................................................................................................................28 4.3.2 Inventarisatie ......................................................................................................................................28 4.3.3 Analyse en toetsing effecten ..............................................................................................................33 4.4 Gemeentelijk beleid ...............................................................................................................................33 5 Conclusies
.............................................................................................................................................34 5.1 Wet natuurbescherming ........................................................................................................................34 5.1.1 Natura 2000-gebieden ........................................................................................................................34 5.1.2 Soortenbescherming ..........................................................................................................................34 5.2 Natuurbeleidskaders..............................................................................................................................34 5.2.1 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................34 5.2.2 Gebieden met natuurwaarden buiten het NNN ..................................................................................35 Referenties ......................................................................................................................................................36
Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021
Versie: D2 3/36
Samenvatting In onderstaande tabel is een samenvatting weergegeven van conclusies, voortkomend uit het verkennend natuuronderzoek. Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming
Effecten
Nader veld- en/of effectenonderzoek
Nadere procedure/ mitigerende maatregelen
Natura 2000-gebieden
Geen
Nee
N.v.t.
Wet natuurbescherming: soortbescherming
Effecten
Nader veld- en/of effectenonderzoek
Nadere procedure/ mitigerende maatregelen
Planten
Geen
Geen
Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
Vleermuizen
Verstoring door verlichting
Nee, indien voldoende gemitigeerd
Grondgebonden zoogdieren
Geen
N.v.t.
Juiste armaturen en (mechanische) afscherming met een goede cut off en uittredingskarakteristiek; Alleen verlichten op trainingsavonden; Slechts tot 22:00 uur verlichten; Uitstraling naar de bosrand max. 1,0 lux, aantonen met een lichtberekening. Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
Vogels – jaarrond beschermde nesten
Geen
N.v.t.
Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
Vogels – algemene broedvogels
Lichtverstoring algemene broedvogels
N.v.t.
Juiste armaturen en (mechanische) afscherming met een goede cut off en uittredingskarakteristiek; Alleen verlichten op trainingsavonden; Slechts tot 22:00 uur verlichten; Uitstraling naar de bosrand max. 1,0 lux.
Amfibieën
Geen
n.v.t.
Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021
Versie: D2
4/36
Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
Reptielen
Geen
n.v.t.
Vissen
Geen
n.v.t.
Overige soortengroepen
Geen
n.v.t.
Natuurbeleidskaders
Effecten
Nader veld- en/of effectenonderzoek
Nadere procedure/ mitigerende maatregelen
Natuurnetwerk Nederland
Geen
n.v.t.
n.v.t.
Gebieden buiten het NNN
Geen
n.v.t.
n.v.t.
Houtopstanden
Geen
N.v.t.
N.v.t.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek V.V. ’t Vliegdorp te Huis ter Heide Projectnummer: 51001179 Datum: 05-11-2021
Versie: D2
5/36
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Gemeente Soest is voornemens om bij Voetbalvereniging (VV) ’t Vliegdorp de verlichting van de sportterreinen aan te passen. Wanneer bij dergelijke ontwikkelingen beschermde gebieden en/of beschermde plant- of diersoorten in het geding (kunnen) zijn, dienen deze te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Om inzichtelijk te maken of de kans bestaat dat dit het geval is bij de voorgenomen plannen, is dit verkennende onderzoek uitgevoerd.
1.2
Kader van het onderzoek
Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: ·