03.02-23RV040 Bijlage 2 Effectbeoordeling beschermde soorten
Tekst van het document
Notitie Onderwerp: Effectbeoordeling beschermde soorten t.b.v. wijziging in het bestemmingsplan Sportpark Blikkenburg te Zeist Projectnummer: 376264 / 51003132 Referentienummer: Oplegnotitie effectenbeoordeling Datum: 17-09-2021
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel Gemeente Zeist is van plan om de locatie Sportpark Blikkenburg in Zeist te herontwikkelen. Hiervoor wordt een aanvraag wijziging bestemmingsplan aangevraagd. De bestemmingsplanwijziging is nodig voor de aanleg van onder andere twee parkeerplaatsen en een paviljoen. Daarnaast worden er twee korfbalvelden aangelegd, waarbij verlichting wordt aangebracht en wordt de huidige verlichting bij de Kynologen en Voetbal West aangepast. Deze voorgenomen ontwikkelingen dienen aan de wet- en regelgeving voor natuur te worden getoetst. Deze notitie is opgesteld als oplegnotitie bij reeds uitgevoerde onderzoeken ter onderbouwing van de bestemmingsplanwijziging. De geplande ingrepen worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. In deze notitie is getoetst aan De Wet natuurbescherming beschermde soorten en het Natuurnetwerk Nederland op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken. De onderliggende onderzoeken bij deze oplegnotitie zijn: 1. Spijker, R.R. (2021) Notitie: Verlichting Sportpark Blikkenburg te Zeist. Sweco Nederland B.V., De Bilt. (bijlage 2) 2. Verhoeven, B. (2019) Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte. Plangebied: Sportpark Blikkenburg, Zeist. Rapportkenmerk ER20190110v01. Ecoresult B.V., Dordrecht. (bijlage 3) 3. Brandt, B. (2019) Rapportage soortgerichtonderzoek. Sportcomplex Blikkenburg Zeist.
Habitus natuur en landschap, Bodegraven. (bijlage 4) 4. Veldhuizen, A.J. (2021) Lichthinderonderzoek Sportpark Blikkenburg te Zeist, voetbalvelden 6 en 7, korfbalvelden en kynologenclub. Light Pollution Research & Measurements, Dordrecht. (bijlage 4) 1.2 Ligging van het Sportpark Sportpark Blikkenburg is gelegen in Zeist, gemeente Zeist, provincie Utrecht. De locatie van de drie bestemmingswijzigingslocaties en de te realiseren korfbalvelden zijn weergegeven in figuur 1.1.
Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Raisja Spijker Adviseur Ecologie M +31 6 20 00 04 85 1 (19)
1.3 Geplande werkzaamheden/activiteiten 1. Parkeerplaats Blikkenburgerlaan De parkeerplaats komt op het vrijgekomen veld, hiervoor worden geen bomen gekapt. De ontsluiting wordt ingepast in het Filosofenlaantje, mogelijk dienen hiertoe 1-2 bomen gekapt te worden. Er wordt straatverlichting geplaatst op de parkeerplaats 2. Parkeren bij Paviljoen Realiseren 12 tot 15 parkeervakken bij de Kynologenclub. Hiervoor worden geen bomen gekapt. Er wordt straatverlichting geplaatst op de parkeerplaats en langs wandelpaden 3. Paviljoen Het paviljoen komt deels op de huidige skatebaan en groensingel. Voor de realisatie worden bomen gekapt. Elders op het park wordt de bomenkap gecompenseerd. De huidige bebouwing op het terrein, Blik en Burgers, zal worden verwijderd. De bestaande bomenrij zal doorgetrokken gaan worden. Er wordt verlichting geplaatst langs o.a. wandelpaden. Hier worden de beplanting en enkele bomen gekapt. 4. Korfbalvelden Er worden op deze locatie twee korfbalvelden met verlichting gerealiseerd. 5. Kynologen Op deze locatie wordt de huidige verlichting aangepast 6. Voetbal Op veld 6 (kunstgras met verlichting) wordt de huidige verlichting vervangen door LED-verlichting en anders gesitueerd. 7. Voetbal Vorig jaar (2020) is er ter plaatse van de velden 7 en 8 een tijdelijke LED-installatie geplaatst.
Deze krijgt een definitieve plek op kunstgrasveld 7. 8. Voetbal Veld 8 blijft een natuurgrasveld en onverlicht.
2 (19)
6 3
2
4
7
5 1
Figuur 1.1
8
Globaal aangegeven de toekomstige ligging van de locaties waarvoor een wijziging wordt aangevraagd (rood omlijnd) (Google Maps©). 1: Parkeerplaats Blikkenburgerlaan, 2. Parkeren bij Paviljoen, 3. Paviljoen, 4. Korfbalvelden, 5: Kynologen en 6. voetbal west. Het onderzoeksgebied (Brandt, 2019 en Veldhuizen 2021) is met blauw aangegeven.
3 (19)
2
Toetsingskader
2.1 Wet natuurbescherming: soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld (zie bijlage 1). In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd, waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Naast bovengenoemde bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is altijd van toepassing en geldt ook voor niet-beschermde flora en fauna.
2.2 Provinciaal beleid Provincie Utrecht beschermt het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN) en de beschermde gebieden buiten het NNN via het ruimtelijk beleid om ervoor te zorgen dat de omvang en kwaliteit van deze gebieden niet afnemen. Dit is geregeld in de Interim Omgevingsverordening (2021). In de Interim Omgevingsverordening is de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (art. 6.3), Groene contour (art. 6.8), weidevogelkerngebied(en) (art. 6.12) en ganzenrustgebied(en) (art. 6.45) opgenomen. De afweging voor ingrepen in het NNN en groene contour gaat volgens het ‘nee, tenzijprincipe’. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De effecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dienen te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten uitkomst bieden om projecten in het NNN en groene contour te realiseren. 2.3 Lichthinderonderzoek 2.3.1 Huidige situatie Het grootste gedeelte van de sportvelden op Sportpark Blikkenburg zijn reeds verlicht met traditionele verlichting, zie figuur 2.1.
Op één voetbalveld is in 2019 tijdelijke LED-verlichting geplaatst en momenteel in gebruik. In de huidige situatie staan er in totaal 12 lichtmasten in gebruik.
4 (19)
Figuur 2.1
Ligging van de velden met verlichting (paarse bolletjes traditioneel en blauwe bolletjes LED).
2.3.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is er LED-verlichting aanwezig op de twee voetbalvelden, de twee korfbalvelden en bij de Kynologen. Het effect op beschermde natuurwaarden door de nieuwe LED-verlichting die worden geplaatst bij de voetbalvelden, is in de notitie van Spijker 2021 getoetst (zie bijlage 2). De twee korfbalvelden en het kynologen veld is toen niet beoordeeld. Bij de korfbalvelden worden vier lichtmasten aangebracht, bij de Kynologen worden ook vier lichtmasten geplaatst. Er is in september 2021 een nieuwe lichtberekening uitgevoerd waarin ook het kynologen veld is meegenomen (Veldhuizen, 2021). De velden worden gebruikt in de periode maart tot en met oktober, waarbij de verlichting een kwartier na zonsondergang aan gaat en rond 22:30 uur weer uitgaat. Vleermuizen zijn actief in de periode april tot en met oktober van zonsondergang tot en met zonsopkomst. Vleermuizen zijn gevoelig voor verstoring door verlichting bij de ingang van hun verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. De gevoeligheid voor lichtverstoring verschilt per soort. Daarnaast kan verlichting ook een effect hebben op grondgebonden zoogdieren en vogels die in de directe omgeving voorkomen (Spijker, 2021). 2.3.3 Lichtberekening De lichtberekening van september 2021 is opgenomen als bijlage 5.
Gebaseerd op de waarden, aangegeven in figuur 2.2 waarbij het aantal berekende lux langs de randen van de korfbalvelden op 0,0 m hoger is dan op 1,80 m, wordt aangenomen dat de verstrooiing van verlichting lager is ter hoogte van de lichtmasten en dat het aantal lux richting de omgeving hier lager is dan aangegeven in figuur 2.2 en 2.3. De verlichting dringt niet diep tot in de bosschages door, zie figuur 2.3.
5 (19)
Figuur 2.2
Grafische tabel van de (vlak-)verlichtingssterkte (lux) op 0,0 m (links) en 1,80 m (rechts) in de toekomstige situatie (Veldhuizen 2021). De nummers buiten dit veld geven aan hoeveel verlichting (lux) er op de omgeving schijnt op een hoogte van 0,0 en 1,80 m.
Figuur 2.3
Grafische tabel van de (vlak-)verlichtingssterkte (lux) op 1.80 m in de toekomstige situatie bij de korfbalvelden en Kynologen club (Veldhuizen 2021). De nummers buiten dit veld geven aan hoeveel verlichting (lux) er op de omgeving schijnt op een hoogte van 1,80 meter (0 = < 1 lux). De roze lijn geeft globaal de ligging van de bomenrijen aan.
6 (19)
In figuur 2.4 is een voorbeeld gegeven van de verlichting, waarbij te zien is dat de verstrooiing van de verlichting naar de omgeving minimaal is.
Figuur 2.4
Voorbeeld van de nieuwe verlichting.
7 (19)
3
Effectbeoordeling
3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt het effect van de volgende punten op het sportpark en directe omgeving beoordeeld: 1. de te kapen bomen voor de realisatie van de parkeerplaatsen; 2. de te slopen bebouwing voor het realiseren van een nieuw paviljoen; 3. het aanbrengen van LED-verlichting op de velden 4 t/m 7; 4. Het aanbrengen van verlichting op de parkeerplaatsen en wandelpaden. Deze beoordeling vindt plaats op basis van de volgende beschikbare bronnen: 1. Spijker, R.R. (2021) Notitie: Verlichting Sportpark Blikkenburg te Zeist. Sweco Nederland B.V., De Bilt. (bijlage 2) 2. Verhoeven, B. (2019): Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte. Plangebied: Sportpark Blikkenburg, Zeist. Rapportkenmerk ER20190110v01. Ecoresult B.V., Dordrecht. (bijlage 3) 3. Brandt, B. (2019): Rapportage soortgericht onderzoek. Sportcomplex Blikkenburg Zeist. Habitus natuur en landschap, Bodegraven. (bijlage 4) De natuurrapporten van Verhoeven (2019) en Brandt (2019) zijn na uitvoering van het laatste veldbezoek, drie jaar geldig. In het rapport van Verhoeven (2019) zijn de aanwezige opstallen/gebouwen beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde soorten. Daarnaast zijn de bomen binnen het onderzoeksgebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en/of nesten van beschermde soorten.
In het onderzoek van Brandt (2019) zijn vliegroutes van vleermuizen onderzocht bij alle bomenrijen die aanwezig zijn binnen het onderzoeksgebied. De notitie van Spijker (2021) maakt gebruik van de twee bovenstaande rapporten en een lichthinderonderzoek om het effect van de aan te brengen verlichting van drie te realiseren voetbalvelden te toetsen aan de wet- en regelgeving voor natuur. Deze toetsing heeft niet plaatsgevonden in de rapporten van Verhoeven (2019) of Brandt (2019). In deze beoordeling wordt rekening gehouden met de cumulatie van effecten die ontstaan door de verschillende ontwikkelingen binnen het sportpark. 3.2
Soortbescherming
3.2.1 Planten De meeste beschermde soorten groeien op voedselarme bodems. Op het sportpark is geen sprake van een dergelijke leefomgeving en/of de juiste leefomstandigheden voor beschermde soorten. Het wordt uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect hebben op beschermde flora (Verhoeven, 2019). Het uitvoeren van een aanvullend soortgericht onderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot beschermde flora is niet noodzakelijk.
8 (19)
3.2.2
Grondgebonden zoogdieren
3.2.2.1 Effect van bomenkap en sloop bebouwing Het sportpark is niet geschikt voor verblijfplaatsen van beschermde soorten. Voor de boommarter en eekhoorn ontbreken geschikte holen en boomnesten. Het terrein is volledig omheind en derhalve niet toegankelijk voor das. Voor de steenmarter ontbreekt geschikte bebouwing, bij de loze ruimte onder het clubgebouw van de kynologenclub zijn geen sporen van de steenmarter aangetroffen (Verhoeven, 2019). Een negatief effect op de verblijfplaatsen van deze soorten door de voorgenomen werkzaamheden wordt uitgesloten. De boommarter, steenmarter en eekhoorn kunnen wel van de bomen langs het sportpark gebruikmaken om te foerageren, dit is geen essentieel leefgebied (Verhoeven, 2019), door de menselijke activiteit op het sportterrein en in de omgeving van het sportterrein (recreatie). Een negatief effect op het foerageergebied van deze soorten door de voorgenomen werkzaamheden wordt uitgesloten. Het gehele plangebied is geschikt voor beschermde soorten waarvoor in provincie Utrecht een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen onder andere de egel en verschillende soorten (spits)muizen (Verhoeven, 2019). Voor deze soorten geldt de zorgplicht.
Het uitvoeren van een aanvullend soortgericht onderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot beschermde grondgebonden zoogdieren is niet noodzakelijk. 3.2.2.2 Effect van verlichting Kunstlicht heeft effect op onder andere nachtzoogdieren, deze soorten mijden plekken met kunstmatige verlichting en waar menselijke activiteit is. Het aanbrengen van verlichting op het terrein leidt niet tot wezenlijke negatieve effecten op essentiële functies, zoals foerageergebied en verblijfplaatsen omdat deze functies niet aanwezig zijn binnen het onderzoeksgebied. Er zijn beperkte effecten, maar er blijft voldoende gelijkwaardig foerageergebied over ten noordwesten en westen van het projectgebied. Door het huidig gebruik, de huidige verlichting en recreatie in de omgeving is er al veel verstoring aanwezig. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen van grondgebonden zoogdieren, zoals de das, boommarter, steenmarter, kleine marterachtigen en eekhoorn, worden vanwege de menselijke activiteit op het sportterrein en in de omgeving van het sportterrein (recreatie) uitgesloten. Significante effecten van de werkzaamheden op beschermde grondgebonden zoogdieren worden uitgesloten.
Het uitvoeren van een aanvullend soortgericht onderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot beschermde grondgebonden zoogdieren is niet noodzakelijk. 3.2.3
Vleermuizen
3.2.3.1 Foerageergebieden Belangrijk foerageergebied van vleermuizen is binnen het sportpark niet aanwezig, vliegroutes zijn mogelijk aanwezig langs de bosranden en bomenrijen, grenzend aan het sportpark (Verhoeven, 2019).
9 (19)
3.2.3.2 Vliegroutes Uit het aanvullende vleermuisonderzoek naar vliegroutes komt naar voren dat alle bomenrijen binnen het sportpark door de gewone dwergvleermuis en watervleermuis gebruikt worden als vliegroute en foerageergebied. Laatvlieger en rosse vleermuizen maken minder expliciet gebruik van bomenrijen als vliegroute of foerageergebied (Brandt, 2019). De aangetroffen vliegroutes zijn (figuur 3.1): 1. Blikkenburgerlaan (gewone dwergvleermuis, zuid 35 individuen, oost 80 individuen); 2. Zinzendorflaan (gewone dwergvleermuis, 25 individuen); 3. Filosofenlaantje (gewone dwergvleermuis, 25 individuen); 4. De Blikkenburgervaart (gewone dwergvleermuis, 10 individuen en watervleermuis, 5 individuen). Vliegroutes van vleermuizen zijn niet beschermd, indien er voldoende alternatieven zijn waarvan de vleermuizen gebruik kunnen maken. Rondom het sportpark zijn meerdere bomenrijen aanwezig die door meerdere individuen gebruikt worden als vliegroute. Echter bij een grootschalige ontwikkeling, die effect heeft op meerdere bomenrijen, is het van belang om cumulatie van effecten mee te nemen in de effectbeoordeling. LED-verlichting Door het plaatsen van verlichting langs de voetbalvelden (nr. 6 en 7 in figuur 3.1) wordt de bomenrij en vliegroute Filosofenlaantje (groen in figuur 3.1.) sterk aangelicht door de nieuwe LED-verlichting.
Hierdoor zal de bomenrij langs het Filosofenlaantje zijn functie als vliegroute verliezen (Spijker, 2021). De bomenrij en vliegroute Blikkenburgerlaan zuid worden door het aanbrengen van de nieuwe verlichting van de voetbalvelden niet aangelicht (< 0,2 lux). De zuid-/oosthoek van de vliegroute Blikkenburgerlaan Zuid en Oost wordt donkerder, omdat de softbalverlichting en de verlichting op het trainingsveld aan de oostzijde komen te vervallen (Spijker, 2021). Deze delen van de vliegroute zullen hun functie als vliegroute behouden. Rekening houdend met cumulatie van effecten wordt door het wegvallen van de vliegroute Filosofenlaantje, de vliegroute Blikkenburgerlaan Zuid en Blikkenburgerlaan Oost (paarse pijlen in figuur 3.1) een belangrijke vliegroute. Dit komt omdat deze vliegroute dan nog één van de overgebleven alternatieven is. Daarnaast maken in de huidige situatie al veel meer vleermuizen gebruik van deze route (Zuid 35 en Oost 80 vleermuizen) ten opzichte van de andere vliegroutes (25 vleermuizen). Het is dan ook vanuit ecologisch oogpunt gezien zeer wenselijk om geen activiteiten in of in de directe omgeving van de vliegroute Blikkenburgerlaan Zuid en Blikkenburgerlaan Oost te ontplooien (paarse pijlen in figuur 3.1). Het gaat hierbij om ingrepen, zoals bomen kappen of aanbrengen van verlichting.
Deze type ingrepen kunnen een negatieve invloed hebben op de vliegroute Blikkenburgerlaan Zuid en Blikkenburgerlaan Oost hebben. Voor de verlichting op de korfbalvelden (nr. 4 in figuur 3.1) geldt dat deze niet ver doordringen tot de groen-structuren in de omgeving, in figuur 2.4 is dit zichtbaar. De vliegroute Blikkenburgerlaan Oost is een dubbele bomenrij. Hierdoor kunnen de vleermuizen via twee kanten langs deze bomenrij vliegen. Gelet op de ligging van de vliegroute Blikkenburgerlaan Oost ten opzichte van de twee korfbalvelden blijft er voor vleermuizen voldoende donkerte over om van de vliegroute gebruik te blijven maken. Een
10 (19)
negatief effect op de vliegroute Blikkenburgerlaan Oost door de toekomstige verlichting van de korfbalvelden is niet aanwezig. Voor de verlichting op de Kynologen (nr. 5 in figuur 3.1) geldt dat deze niet ver doordringen tot de groen-structuren in de omgeving, in figuur 2.3 is dit zichtbaar. De vliegroute Blikkenburgerlaan Oost is een dubbele bomenrij. Hierdoor kunnen de vleermuizen via twee kanten langs deze bomenrij vliegen. Gelet op de ligging van de vliegroute Blikkenburgerlaan Oost ten opzichte van de twee korfbalvelden blijft er voor vleermuizen voldoende donkerte over om van de vliegroute gebruik te blijven maken. Een negatief effect op de vliegroute Blikkenburgerlaan Oost door de toekomstige verlichting van de Kynologen is niet aanwezig.
6 3 4
7 1
Figuur 3.1
2 5
8
Samenvattende figuur aangetroffen vliegroutes. Blikkenburgervaart (blauw), Filosofenlaantje (donkergroen), Zinzendorflaan (oranje) en Blikkenburgerlaan (paars). 1: Parkeerplaats Blikkenburgerlaan, 2. Parkeren bij Paviljoen, 3. Paviljoen, 4. Korfbalvelden, 5: Kynologen en 6. voetbal west.
Straatverlichting De geplande parkeerplaatsen (nr. 1 en 2 in figuur 3.1) en verlichting langs wandelpaden kan mogelijk de bomenrijen en watergangen aanlichten door verkeerd gerichte verlichting of verstrooiing van verlichting. Een negatief effect door lichtverstoring is hierdoor niet uit te sluiten bij de vliegroutes Blikkenburgerlaan Zuid en Oost en de Blikkenburgervaart (paarse pijlen en blauwe pijl in figuur 3.1). Het treffen van mitigerende maatregelen, het plaatsen van aangepaste verlichting (voorbeelden worden gegeven in hoofdstuk 5), is noodzakelijk. Het toepassen van deze mitigerende maatregelen zal verstoring door verlichting op de twee vliegroutes door (straat)verlichting voorkomen. Indien de verstoring toch niet voldoende kan worden gemitigeerd, is aanvragen van een ontheffing voor het verstoren van vleermuizen en vliegroutes van vleermuizen op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
11 (19)
Bomenkap Voor de realisatie van een inrit, richting de parkeerplaatsen, dienen een aantal bomen gekapt te worden. Het kappen van de bomen heeft geen negatief effect op de aanwezige vliegroute wanneer het ontstane gat niet groter is dan 20 meter. Ontstaat door het kappen van de bomen tussen de boomkronen wel een gat van meer dan 20 m, dan is er wel een negatief effect op de vliegroute. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek naar de aandan wel afwezigheid van een essentiële vliegroute is dan nodig. Bij aanwezigheid van een essentiële vliegroute moet een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. 3.2.3.3 Verblijfplaatsen Het sportpark is niet geschikt als vaste rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen, zowel de bebouwing als de bomen zijn niet geschikt. Een negatief effect op verblijfplaatsen van vleermuizen door de ontwikkeling is uitgesloten (Verhoeven, 2019). Op enkele plekken zijn net buiten het sportpark baltslocaties van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis vastgesteld. Er is geen gericht onderzoek naar paarverblijfplaatsen uitgevoerd en die zijn dan ook niet aangetroffen, maar binnen de baltsterritoria is het aannemelijk dat paarverblijven aanwezig zijn. Er zijn geen baltslocaties van andere soorten waargenomen (Brandt, 2019). Een negatief effect op verblijfplaatsen van vleermuizen door de werkzaamheden wordt uitgesloten.
Het uitvoeren van een aanvullend soortgericht onderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot verblijfplaatsen van vleermuizen is niet noodzakelijk. 3.2.4
Vogels
3.2.4.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten Het sportpark is ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen en bomen. Het sportpark is geschikt als niet essentieel functioneel leefgebied (foerageergebied) voor uilen en roofvogels, maar in de omgeving zijn ruim voldoende vergelijkbare alternatieven aanwezig (Verhoeven, 2019). Vanwege het huidige gebruik en de reeds aanwezige verlichting wordt door het aanbrengen van andere verlichting het foerageergebied van met name uilen niet of nauwelijks aangetast, er blijft voldoende onaangetast terrein in de omgeving over om in te foerageren. Daarnaast brandt de verlichting niet de gehele nacht door en kan er in theorie gefoerageerd worden door uilen op het sportterrein wanneer de verlichting uit staat. In de omgeving zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogels aanwezig, zoals de buizerd, een negatief effect op nesten van jaarrond beschermde vogels is hiermee uitgesloten. Aanvullend soortgericht onderzoek naar jaarrond beschermde nesten of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.2.4.2 Algemene broedvogels In de bomen, het struweel en langs de oevers van watergangen kunnen algemene zangvogels, zoals merel, houtduif, ekster, roodborst, koolmees, pimpelmees, meerkoet, en wilde eend, gaan broeden.
Kunstlicht heeft (mogelijk) een negatief effect op algemene broedvogels. Vogels worden ’s nachts onrustiger, omdat de kans op predatie toeneemt en sommige soorten eerder met
12 (19)
broeden beginnen (Spijker, 2021). Er is momenteel op een deel van de velden al verlichting aanwezig, de nieuwe verlichting dringt niet diep tot in de vegetatie door. Het aanpassen/plaatsen van verlichting zal derhalve niet leiden tot een negatief effect op algemene broedvogels. Alle in Nederland voorkomende broedvogels zijn beschermd gedurende het broeden. Bij uitvoering van verstorende werkzaamheden in het zomerhalfjaar (circa half maart – half juli) is een controle door een deskundig ecoloog op aanwezigheid van nesten of nestindicerende (nest bouw, nest, met jongen, met voedsel) vogels nodig. 3.2.5 Amfibieën en reptielen Het sportpark voorziet niet in geschikt habitat voor beschermde soorten, zoals de heikikker, kamsalamander, alpenwatersalamander, zandhagedis, hazelworm en ringslang (Verhoeven, 2019). Een negatief effect op deze soorten door de voorgenomen werkzaamheden wordt uitgesloten. Het gehele plangebied is geschikt voor beschermde soorten waarvoor in provincie Utrecht een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen onder andere de egel en verschillende soorten (spits)muizen (Verhoeven, 2019). Voor deze soorten geldt de zorgplicht. Aanvullend soortgericht onderzoek naar beschermde amfibieën en reptielen of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
3.2.6 Vissen In de watergangen rondom het sportpark wordt op basis van het aanwezige habitat de aanwezigheid van de grote modderkruiper uitgesloten. Overige beschermde vissen worden vanwege hun habitateisen en verspreiding in Nederland niet verwacht (Verhoeven, 2019). De watergangen zijn potentieel geschikt voor algemene soorten, zoals blankvoorn en baars, voor deze soorten geldt de zorgplicht. Aanvullend soortgericht onderzoek naar beschermde vissen of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.2.7 Ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat, zoals bepaalde waardplanten. In het sportpark is geen sprake van juiste leefomstandigheden voor beschermde soorten, zoals de aanwezigheid van waardplanten (Verhoeven 2019). Beschermde ongewervelde soorten zijn op basis van het aanwezige habitat uit te sluiten. Aanvullend soortgericht onderzoek naar beschermde ongewervelden of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.3 Natuurnetwerk Nederland Het sportpark grenst aan het Natuurnetwerk Nederland, zie figuur 3.2. De geplande wijzigingen op het sportterrein hebben geen effect op het oppervlakte, begrenzing en samenhang tussen de NNN-gebieden.
Door het plaatsen van andere verlichting, kan de uitstraling van deze verlichting een negatief effect hebben op de omgeving. In de huidige situatie is er op het terrein voor een deel al verlichting aanwezig. De verlichting van de sportvelden dringt niet door tot het NNNgebied. Echter over de uitstraling van de te plaatsen straatverlichting zijn geen gegevens
13 (19)
bekend. Wanneer de grenswaarde voor lichthinder in een natuurgebied gedurende de nacht van maximaal 1,0 lux uitstraling wordt gehanteerd (Nieuwe Richtlijn Openbare Verlichting 2011 (ROVL-2011)), treedt er geen negatief effect op.
Figuur 3.2
Ligging van het sportpark (rood) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen) en de groene contour (geelgroen) (Verhoeven, 2019).
14 (19)
4
Conclusie
4.1
Vleermuizen
Verblijfplaatsen Het sportpark is niet geschikt als vaste rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen, zowel de bebouwing als de bomen zijn niet geschikt. Een negatief effect op verblijfplaatsen van vleermuizen door de ontwikkeling is uitgesloten. Foerageergebieden Essentiele foerageergebieden zijn tijdens het nader onderzoek niet aangetroffen, een negatief effect op foerageergebieden is hiermee uitgesloten. Vliegroutes Er zijn vijf vliegroutes aangetroffen in het onderzoeksgebied: 1. Blikkenburgerlaan Zuid; 2. Blikkenburgerlaan Oost; 3. Zinzendorflaan; 4. Filosofenlaantje; 5. De Blikkenburgervaart. Rekening houdend met cumulatie van effecten wordt door het wegvallen van de vliegroute Filosofenlaantje, de vliegroute Blikkenburgerlaan Zuid en Blikkenburgerlaan Oost een belangrijke vliegroute. Het is dan ook vanuit ecologisch oogpunt gezien zeer wenselijk om geen activiteiten in of in de directe omgeving van de vliegroute Blikkenburgerlaan Zuid en Blikkenburgerlaan Oost te ontplooien. Voor de geplande parkeerplaatsen betekent dit dat er door het aanbrengen van straatverlichting een negatief effect door lichtverstoring optreedt bij de vliegroutes Blikkenburgerlaan Zuid en Oost en Blikkenburgervaart. Het treffen van mitigerende maatregelen, het plaatsen van aangepaste verlichting (uitgewerkt in hoofdstuk 5), is noodzakelijk.
Indien de verstoring niet voldoende kan worden gemitigeerd, kan het uitvoeren van aanvullend vliegroute onderzoek of aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. Voor de verlichting op de korfbalvelden en het kynologen veld geldt dat deze niet ver doordringen tot de groenstructuren in de omgeving. Gelet op de structuur (dubbele bomenrij) en ligging van de vliegroute Blikkenburgerlaan Oost ten opzichte van de twee korfbalvelden en het kynologen veld blijft er voor vleermuizen voldoende donkerte over om van de vliegroute gebruik te blijven maken. Een negatief effect op de vliegroute Blikkenburgerlaan Oost door de toekomstige verlichting van de korfbalvelden en het kynologenveld is niet aanwezig. Voor de realisatie van een inrit, richting de parkeerplaatsen, dienen een aantal bomen gekapt te worden. Het kappen van de bomen heeft geen negatief effect op de aanwezige vliegroute wanneer het ontstane gat niet groter is dan 20 meter. Ontstaat door het kappen van de bomen tussen de boomkronen wel een gat van meer dan 20 m, dan is er wel een negatief effect op de vliegroute. Het uitvoeren van een aanvullend vliegroute onderzoek of aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is dan noodzakelijk.
15 (19)
4.2 Algemene broedvogels Algemene vogels, zoals merel, houtduif, ekster, meerkoet en wilde eend, kunnen broeden in de bomen, struweel en oevers in het sportpark. Alle in Nederland voorkomende broedvogels zijn beschermd gedurende het broeden. Bij uitvoering van verstorende werkzaamheden in het zomerhalfjaar (circa half maart – half juli) is een controle door een deskundig ecoloog op aanwezigheid van nesten of nestindicerende vogels nodig. 4.3 Overige soorten Negatieve effecten op beschermde planten, grondgebonden zoogdieren, vogels met jaarrond beschermde nesten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden zijn uitgesloten. 4.4 Zorgplicht De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel als mogelijk worden nagelaten of dat maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Deze maatregelen kunnen worden opgesteld in een ecologisch werkprotocol. 4.5 Natuurnetwerk Nederland Het sportpark grenst aan het Natuurnetwerk Nederland. De geplande wijzigingen op het sportterrein hebben geen effect op het oppervlakte, begrenzing en samenhang tussen de NNN-gebieden. De verlichting van de sportvelden dringt niet door tot het NNN-gebied.
Echter over de uitstraling van de te plaatsen straatverlichting zijn geen gegevens bekend. Wanneer de grenswaarde voor lichthinder in een natuurgebied gedurende de nacht van maximaal 1,0 lux uitstraling wordt gehanteerd (Nieuwe Richtlijn Openbare Verlichting 2011 (ROVL-2011)), treedt er geen negatief effect op.
16 (19)
5
Mitigerende maatregelen
Hieronder worden enkele opties gegeven die als mitigerende maatregel moeten worden ingezet om lichtverstoring bij vleermuizen te voorkomen. Deze maatregelen zijn afkomstig uit het Kennisdocument gewone dwergvleermuis 1. Er dient een lichtplan te worden opgesteld waarin aan de onderstaande eisen wordt voldaan voor de kwetsbare zones. De uitstraling van (straat en/of bouw)verlichting op de bomenrijen Blikkenburgerlaan Zuid en Oost en de watergang Blikkenburgervaart mag maximaal 0,5 lux bedragen. Zo wordt verstoring van vleermuizen voorkomen. Lichtverstoring tijdens de werkzaamheden dient zoveel mogelijk worden voorkomen door met één of een combinatie van de volgende maatregelen te werken: • (bouw)verlichting tijdens de werkzaamheden mag niet gericht zijn op bomenrij tijdens de actieve periode van vleermuizen (maart tot en met oktober) tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopkomst; Lichtverstoring door (straat)verlichting in de toekomstige situatie dient zoveel mogelijk worden voorkomen door met één of een combinatie van de volgende maatregelen te werken: 1. Toepassen van een vleermuisvriendelijke verlichtingskleur, bijvoorbeeld met amber, met een zogenaamde human/bat responseratio groter of gelijk 45, zie figuur 5.1. 2.
Lichtverstoring kan vermeden worden door het nemen van maatregelen om de hoeveelheid licht te beperken tot waar het strikt nodig is, zoals bijvoorbeeld: er kan worden gewerkt met armaturen die het licht goed richten en die een scherpe bundel (‘scherpe cut-off’, figuur 5.2) hebben om onnodige verstrooiing tegen te gaan (geen strooilicht naar boven maar verlichting naar beneden gericht), met name LEDlampen zijn dan geschikt; de positie van een lamp ten opzichte van de vliegroute kan worden aangepast door verlichting op een lagere hoogte aan te brengen (figuur 5.3).
Figuur 5.1
Voorbeeld van amberkleurige verlichting.
1 https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf
17 (19)
Figuur 5.2
Voorbeeld van armaturen met een scherpe ‘cut-off’.
Figuur 5.3
Toepassen van lagere verlichting om verstoring in de boomkroon te voorkomen.
18 (19)
6
Referenties
Brandt, B. (2019) Rapportage soortgerichtonderzoek. Sportcomplex Blikkenburg Zeist. Habitus natuur en landschap, Bodegraven. Provincie Utrecht (2017). Beleidskader Wet natuurbescherming provincie Utrecht 2017. Ingezien van https://www.provincie-utrecht.nl/publish/library/14/ beleidsnota_wet_natuurbescherming.pdf. Spijker, R.R. (2021) Notitie: Verlichting Sportpark Blikkenburg te Zeist. Sweco Nederland B.V., De Bilt. Veldhuizen, A.J. (2021) Lichthinderonderzoek Sportpark Blikkenburg te Zeist, voetbalvelden 6 en 7, korfbalvelden en kynologenclub. Light Pollution Research & Measurements, Dordrecht. Verhoeven, B. (2019) Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte. Plangebied: Sportpark Blikkenburg, Zeist. Rapportkenmerk ER20190110v01. Ecoresult B.V., Dordrecht.
Bijlagen: 1. Wettelijk kader 2. Notitie ‘Verlichting Sportpark Blikkenburg te Zeist’ 3. Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte 4. Rapportage soortgericht onderzoek. Sportcomplex Blikkenburg Zeist 5. Lichtberekening Light Pollution Research & Measurements, September 2021
19 (19)
Verantwoording Titel
Effectbeoordeling beschermde soorten t.b.v. wijziging in het bestemmingsplan Sportpark Blikkenburg te Zeist
Projectnummer
376264 / 51003132
Referentienummer
SWNL0278056
Revisie
D2
Datum
17-09-2021
Auteur
Raisja Spijker
E-mailadres
raisja.spijker@sweco.nl
Gecontroleerd door
Coen Nell
Goedgekeurd door
Maurits Moes
Klik of tik om tekst i n te voeren.
20 (19)
Bijlage 1
Wettelijk kader
Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd voor soorten, waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) 3. lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 4. lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 5. lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 6. lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 7. lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) 8. lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 9.
lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 10. lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 11. lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 12. lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidings-gebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) 13. lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond.
Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 3.10 van de wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen, om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen. Met artikel 3.5 van de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017 wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 1. De vrijstelling geldt alleen wanneer er voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of bij het gebruik in redelijkheid alles wordt verricht of gelaten om te voorkomen dat de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, worden overtreden.
Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet, geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Tabel 1
Vrijgestelde soorten in Utrecht (provincie Utrecht, 2017)
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat
Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker of Bastaardkikker
Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet-beschermde flora en fauna.
Zorgplicht (artikel 1.11) 14. lid 1) Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 15. lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 16. lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Bijlage 2
Notitie ‘Verlichting Sportpark Blikkenburg te Zeist’
Notitie Onderwerp: Verlichting Sportpark Blikkenburg te Zeist Projectnummer: 376264 Referentienummer: SWNL0274806 Datum: 29-03-2021
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel Gemeente Zeist is voornemens om op de locatie Sportpark Blikkenburg in Zeist de verlichting aan te passen, zie figuur 1. Ten behoeve van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van de verlichting bij Voetbalvereniging Jonathan is deze notitie opgesteld en wordt de ingreep getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Vorig jaar (2020) is er ter plaatse van de toekomstige locatie van velden 7 en 8 al een tijdelijke LED-installatie geplaatst. Deze krijgt een definitieve plek op kunstgrasveld 7. Veld 8 blijft een natuurgrasveld en onverlicht. Op het toekomstige veld 6 (kunstgras met verlichting) staan momenteel nog vier masten met oude traditionele verlichting, deze wordt vervangen door LED-verlichting en anders gesitueerd. Om de aanleg van de velden 7 en 8 mogelijk te maken, komen het honk- en softbalveld van HSV Phoenix te vervallen. Hierbij komt ook de veldverlichting op het softbalveld te vervallen. In deze notitie is het effect van het plaatsen/aanpassen van de verlichting voor deze voetbalvelden en de directe omgeving beoordeeld. 1.2 Ligging van het projectgebied en geplande werkzaamheden/activiteiten Sportpark Blikkenburg is gelegen in Zeist, gemeente Zeist, provincie Utrecht. De locatie van de drie voetbalvelden is weergegeven in figuur 1.
Op de sportvelden worden andere armaturen geplaatst, de maximale verticale verlichtingssterkte op de bosrand met deze nieuwe armaturen is berekend op 1,55 lux op 1,8 m hoogte (Veldhuizen, 2021).
Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Raisja Spijker Adviseur Ecologie M +31 6 20 00 04 85 1 (12)
6
7 8
Figuur 1
2
Globaal aangegeven de toekomstige ligging van de drie voetbalvelden, gelegen op de nu nog aanwezige honk- en softbalvelden (Google Maps©).
Wettelijk kader
2.1 Wet natuurbescherming: soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld (zie bijlage 1). In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd, waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Naast bovengenoemde bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet-beschermde flora en fauna.
2 (12)
3
Samenvatting bevindingen uitgevoerde onderzoeken
Voor de ontwikkelingen op het sportpark is er in 2019 een verkennend natuuronderzoek (quickscan natuur) uitgevoerd door Ecoresult (Verhoeven, 2019). Hieruit blijkt dat het projectgebied ongeschikt is als vaste rust- en verblijfplaats voor vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen en bomen. Het projectgebied is geschikt als niet essentieel functioneel leefgebied (foerageergebied) voor uilen en roofvogels, maar in de omgeving zijn ruim voldoende vergelijkbare alternatieven aanwezig. Het projectgebied is niet geschikt voor vaste rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen, zowel de bebouwing als de bomen zijn niet geschikt. Belangrijk foerageergebied van vleermuizen is binnen het projectgebied niet aanwezig, vliegroutes zijn mogelijk aanwezig langs de bosranden en bomenrijen, grenzend aan het projectgebied. Het projectgebied is door het huidige gebruik niet essentieel voor de boommarter, steenmarter en eekhoorn, echter kunnen deze soorten wel gebruik maken van met name de bomen langs de randen van de sportvelden. Naar aanleiding van het verkennend natuuronderzoek heeft er in 2019 aanvullend vleermuisonderzoek naar vliegroutes plaatsgevonden, uitgevoerd door Habitus (Brandt, 2019), zie figuur 2.
Uit het onderzoek komt naar voren dat alle bomenrijen binnen het projectgebied door de gewone dwergvleermuis en watervleermuis gebruikt worden als vliegroute en foerageergebied. Laatvlieger en rosse vleermuizen maken minder expliciet gebruik van bomenrijen als vliegroute of foerageergebied. Vliegroutes zijn (figuur 3): · Blikkenburgerlaan (gewone dwergvleermuis, zuid 35 individuen, oost 80 individuen); · Zinzendorflaan (gewone dwergvleermuis, 25 individuen); · Filosofenlaantje (gewone dwergvleermuis, 25 individuen); · De Blikkenburgervaart (gewone dwergvleermuis, 10 individuen en watervleermuis, 5 individuen). Op enkele plekken zijn net buiten het projectgebied baltlocaties van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis vastgesteld. Er is geen gericht onderzoek naar paarverblijfplaatsen uitgevoerd en die zijn dan ook niet aangetroffen, maar binnen de baltsterritoria is het aannemelijk dat paarverblijven aanwezig zijn. Er zijn geen baltslocaties van andere soorten waargenomen.
3 (12)
Figuur 2
Resultaten van het aanvullend vleermuisonderzoek (Brandt, 2019).
4 (12)
6
7 8
Figuur 3
Samenvattende figuur aangetroffen vliegroutes. Blikkenburgervaart (blauw), Filosofenlaantje (donkergroen), Zinzendorflaan (oranje) en Blikkenburgerlaan (paars).
4
Effectbeoordeling
4.1
Verlichting
4.1.1 Huidige situatie Het grootste gedeelte van de sportvelden op Sportpark Blikkenburg zijn reeds verlicht met de traditionele verlichting, zie figuur 4 en bijlage 2. Op het voormalige veld 6 in de nieuwe situatie ter hoogte van veld 7 is er in juli 2019 een aanvraag ingediend voor het plaatsen van tijdelijke verlichting. Deze aanvraag is vergund en de verlichting is in het najaar van 2019 geplaatst en momenteel in gebruik.
5 (12)
Figuur 4
Ligging van de velden met verlichting (paarse bolletjes traditioneel en blauwe bolletjes LED).
4.1.2 Toekomstige situatie In de huidige situatie ter plaatse van de velden 7 en 8 staan er nu 12 stuks lichtmasten, inclusief de lichtmasten, aanwezig bij de honk- en softbalvelden. In de nieuwe situatie worden dat er 6. Ter plaatse van het nieuwe veld 6 staan nu 4 lichtmasten en dat worden er 6 stuks. In de toekomst komen er nog 4 lichtmasten bij voor het korfbalveld. Per saldo zijn dat 16 lichtmasten in de huidige situatie in de toekomst ook 16 lichtmasten. In de toekomstige situatie wordt andere verlichting aangebracht dan die in de huidige situatie aanwezig is. In figuur 5 en 6 is te zien dat de bomenrij en vliegroute Filosofenlaantje sterk worden aangelicht door de nieuwe LED-verlichting. De bomenrijen en vliegroute Blikkenburgerlaan worden het aanbrengen van de nieuwe verlichting niet aangelicht (< 0,2 lux). De zuid-/oosthoek wordt donkerder, omdat de softbalverlichting en de verlichting op het trainingsveld aan de oostzijde komen te vervallen. De velden worden gebruikt in de periode maart tot en met oktober, waarbij de verlichting een kwartier na zonsondergang aan gaat en rond 22:30 uur weer uitgaat. Vleermuizen zijn actief in de periode april tot en met oktober van zonsondergang tot en met zonsopkomst. Vleermuizen zijn gevoelig voor verstoring door verlichting bij de ingang van hun verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden.
De gevoeligheid voor lichtverstoring verschilt per soort. Daarnaast kan verlichting ook een effect hebben op grondgebonden zoogdieren en vogels die in de directe omgeving voorkomen.
6 (12)
Langs een deel van de sportvelden is momenteel al verlichting aanwezig, zie figuur 4. Dit is echter wel een ander type verlichting (richting en sterkte) dan die in de toekomstige situatie wordt aangebracht. In de toekomstige situatie zijn er meer lichtmasten aanwezig dan in de huidige situatie. Gebaseerd op de waarden, aangegeven in figuur 5 waarbij het aantal berekende lux langs de randen van de softbalvelden op 0,0 m hoger is dan op 1,80 m, wordt aangenomen dat de verstrooiing van verlichting lager is ter hoogte van de lichtmasten en dat het aantal lux richting de omgeving hier lager is dan aangegeven in figuur 5 en 6. In figuur 7 is een voorbeeld gegeven van de verlichting, waarbij te zien is dat de verstrooiing van de verlichting naar de omgeving minimaal is. De verlichting dringt niet diep tot in de bosschages door, zie figuur 6.
Figuur 5
Grafische tabel van de (vlak-)verlichtingssterkte (lux) op 0,0 m (links) en 1,80 m (rechts) in de toekomstige situatie (Veldhuizen 2021). De nummers buiten dit veld geven aan hoeveel verlichting (lux) er op de omgeving schijnt op een hoogte van 0,0 en 1,80 m.
Figuur 6
Grafische tabel van de (vlak-)verlichtingssterkte (lux) op 1.80 m in de toekomstige situatie (Veldhuizen 2021). De nummers buiten dit veld geven aan hoeveel verlichting (lux) er op de omgeving schijnt op een hoogte van 1,80 meter (zie ook bijlage 3).
7 (12)
Figuur 7
Voorbeeld van de nieuwe verlichting.
4.2 Vleermuizen Er heeft geen gericht onderzoek plaatsgevonden naar de verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen. Er zijn vier baltsterritoria aangetroffen, drie van de gewone dwergvleermuis en één van de ruige dwergvleermuis. Maar aannemelijk is dat zich binnen de baltsterritoria ook de paarverblijfplaatsen bevinden. Deze ondervinden geen negatief effect van de aan te brengen verlichting op de twee voetbalvelden, omdat deze niet binnen de effectafstand liggen van de verlichting. In de huidige situatie is al verlichting aanwezig op het sportpark, hierdoor is het aannemelijk dat (lichtschuwe) vleermuizen hun mogelijke verblijfplaatsen dieper in de niet onderzochte delen van de bosschages hebben liggen. Onder de verschillende soorten vleermuizen verschilt de mate van lichttolerantie. Lichtschuwe soorten zullen door het huidige gebruik geen verblijfplaatsen hebben in de directe omgeving van de sportvelden. De verlichting dringt niet diep tot in de vegetatie door (met uitzondering van de bomenrijen), zie figuur 6. Hierdoor blijft er voldoende donkerte over voor mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. De bomenrij langs het Filosofenpaadje wordt in de huidige situatie al van twee kanten aangelicht, de verwachting is dat er door het huidige gebruik geen verblijfplaatsen in deze bomen zitten.
De zuid-/oosthoek wordt donkerder, omdat de softbalverlichting en de verlichting op het trainingsveld aan de oostzijde komen te vervallen. De verlichting zal niet leiden tot het verstoren van de verblijfplaatsen van de vleermuizen. Soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis, maken gebruik van lijnvormige structuren, zoals bomenrijen en watergangen om zich van hun verblijfplaatsen richting hun foerageergebieden en weer terug te verplaatsen. Soorten, zoals de laatvlieger en rosse vleermuis, vliegen op grotere hoogtes en maken vaak geen gebruik van lijnvormige structuren om zich te oriënteren.
8 (12)
In de omgeving zijn meerdere bomenrijen en bosschages aanwezig die gebruikt worden als vliegroutes. In de directe omgeving zijn twee vliegroutes aanwezig; Blikkenburgerlaan (gewone dwergvleermuis, zuid 35 individuen, oost 80 individuen) en Filosofenlaantje (gewone dwergvleermuis, 25 individuen). De vliegroute Blikkenburgerlaan ondervindt geen negatieve effecten door uitstraling van verlichting (< 0,2 lux). De zuid-/oosthoek wordt donkerder, omdat de softbalverlichting en de verlichting op het trainingsveld aan de oostzijde komen te vervallen. De vliegroute Filosofenlaantje wordt in de toekomstige situatie aan de ene zijde door de toekomstige LED-verlichting aangelicht en aan de andere zijde door de reeds aanwezige traditionele verlichting. In de huidige situatie wordt deze vliegroute aangelicht aan twee kanten door de traditionele verlichting. De uitstraling van de verlichting naar de bomenrij in de huidige situatie is niet bekend. Echter, omdat de vliegroute Blikkenburgerlaan in tact blijft, kunnen de vleermuizen die gebruik maken van de vliegroute Filosofenlaantje bij een te hoge uitstraling van verlichting uitwijken naar de vliegroute Blikkenburgerlaan.
Dit betekent dat de vliegroute Filosofenlaantje minder vaak gebruikt zal worden door de gewone dwergvleermuis en de vliegroute Blikkenburgerlaan intensiever, waardoor deze vermoedelijk van essentieel belang zal worden voor de gewone dwergvleermuis. Bij toekomstige ontwikkelingen in of in de directe omgeving van de vliegroute Blikkenburgerlaan zuid en oost dient hiermee vanuit de Wet natuurbescherming rekening gehouden te worden. Het aanpassen/ plaatsen van verlichting zal niet leiden tot een negatief effect op essentiële vliegroutes. Soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger, komen voor in het stedelijk gebied en zijn minder lichtschuw als bosbewonende soorten of soorten die meer in het buitengebied voorkomen, zoals de gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis. De gewone dwergvleermuis wordt vaak foeragerend waargenomen in de nabijheid van verlichting/lichtmasten vanwege de aanwezigheid van prooidieren (insecten) op deze locaties. Momenteel is er al verlichting aanwezig op Sportpark Blikkenburg. Het aanpassen/plaatsen van verlichting zal niet leiden tot een negatief effect op de foerageergebieden en kan op sommige soorten wellicht juist een positief effect hebben, omdat het aanbod van insecten rondom de lichtmasten toeneemt.
4.3 Grondgebonden zoogdieren Kunstlicht heeft effect op onder andere nachtzoogdieren, deze soorten mijden plekken met kunstmatige verlichting en waar menselijke activiteit is. Het aanbrengen van verlichting op het terrein leidt niet tot wezenlijke negatieve effecten op essentiële functies, zoals foerageergebied en verblijfplaatsen. Er zijn beperkte effecten, maar er blijft voldoende gelijkwaardig foerageergebied over ten noordwesten en westen van het projectgebied. Door het huidig gebruik, de huidige verlichting en recreatie in de omgeving is er al veel verstoring aanwezig. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen van grondgebonden zoogdieren, zoals de das, boommarter, steenmarter, kleine marterachtigen en eekhoorn, worden vanwege de menselijke activiteit op het sportterrein en in de omgeving van het sportterrein (recreatie) uitgesloten. Significante effecten van de werkzaamheden op beschermde grondgebonden zoogdieren worden uitgesloten. 4.4 Vogels Vanwege het huidige gebruik en de reeds aanwezige verlichting wordt door het aanbrengen van andere verlichting het foerageergebied van met name uilen niet of nauwelijks aangetast, er blijft voldoende onaangetast terrein in de omgeving over om in te foerageren. Daarnaast brandt de verlichting niet de gehele nacht door en kan er in theorie gefoerageerd worden door uilen op het sportterrein wanneer de verlichting uit staat.
In de omgeving zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogels aanwezig, zoals de buizerd, een negatief effect op nesten van jaarrond beschermde vogels is hiermee uitgesloten.
9 (12)
Kunstlicht heeft (mogelijk) een negatief effect op algemene broedvogels. Vogels worden ’s nachts onrustiger, omdat de kans op predatie toeneemt en sommige soorten eerder met broeden beginnen. Er is momenteel op een deel van de velden al verlichting aanwezig, de nieuwe verlichting dringt niet diep tot in de vegetatie door. Het aanpassen/plaatsen van verlichting zal derhalve niet leiden tot een negatief effect op algemene broedvogels.
5
Conclusie
De verlichting zal niet leiden tot het verstoren van de verblijfplaatsen van de vleermuizen. Aangezien er in de huidige situatie al verlichting aanwezig is, is het aannemelijk dat vleermuizen hun verblijfplaatsen dieper in de bosschages hebben liggen. De verlichting dringt niet diep tot in de bosschages door. Hierdoor blijft er voldoende donkerte over voor mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. De zuid-/oosthoek wordt donkerder, omdat de softbalverlichting en de verlichting op het trainingsveld aan de oostzijde komen te vervallen. Het aanpassen/plaatsen van verlichting zal niet leiden tot een negatief effect op de verblijfplaatsen van vleermuizen. In de omgeving zijn meerdere bomenrijen en bosschages aanwezig die gebruikt kunnen worden als vliegroute en waar gefoerageerd kan worden. In de directe omgeving van de voetbalvelden zijn twee vliegroutes aanwezig. Dit zijn Blikkenburgerlaan (gewone dwergvleermuis, zuid 35 individuen, oost 80 individuen) en Filosofenlaantje (gewone dwergvleermuis, 25 individuen). De vliegroute Blikkenburgerlaan ondervindt geen negatieve effecten door de uitstraling van verlichting (< 0,2 lux). De zuid-/oosthoek wordt donkerder, omdat de softbalverlichting en de verlichting op het trainingsveld aan de oostzijde komen te vervallen.
De vliegroute Filosofenlaantje wordt in de toekomstige situatie aan de ene zijde door de toekomstige LED-verlichting aangelicht en aan de andere zijde door de reeds aanwezige traditionele verlichting. In de huidige situatie wordt deze vliegroute aangelicht aan twee kanten door de traditionele verlichting. Echter omdat de vliegroute Blikkenburgerlaan in tact blijft, kunnen de vleermuizen die gebruik maken van de vliegroute Filosofenlaantje bij te hoge uitstraling van verlichting uitwijken naar de vliegroute Blikkenburgerlaan. Dit betekent dat de vliegroute Filosofenlaantje minder vaak gebruikt zal worden door de gewone dwergvleermuis en de vliegroute Blikkenberglaan intensiever, waardoor deze vermoedelijk van essentieel belang zal worden voor de gewone dwergvleermuis. Bij toekomstige ontwikkelingen in of in de directe omgeving van de vliegroute Blikkenburgerlaan zuid en oost dient hiermee vanuit de Wet natuurbescherming rekening gehouden te worden. Het aanpassen/ plaatsen van verlichting zal niet leiden tot een negatief effect op essentiële vliegroutes. Kunstlicht heeft effect op nachtzoogdieren, deze soorten mijden plekken met kunstmatige verlichting en waar mensen aanwezig zijn. Het aanbrengen van verlichting op het terrein leidt niet tot wezenlijke negatieve effecten op essentiële functies, zoals foerageergebied en verblijfplaatsen.
Door het huidig gebruik, de huidige verlichting en recreatie in de omgeving is er al veel verstoring aanwezig. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen van grondgebonden zoogdieren, zoals de das, boommarter, steenmarter, kleine marterachtigen en eekhoorn, worden vanwege de menselijke activiteit op het sportterrein en in de omgeving van het sportterrein (recreatie) uitgesloten. Significante effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren worden uitgesloten.