02-24RV006 Bijlage 2 - Verordening voorz. huisvesting onderwijs Gemeente Zeist 2024
Tekst van het document
het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is toegewezen, en c. de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt. 5. De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 15 mei reageren op het voorstel. 6. Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 1 juni. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel. 7. Het college stelt het rooster voor 15 juni definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen. 8. Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is vastgesteld. 9. Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school.
15
HOOFDSTUK 7 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 31
Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet
In gevallen, die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 32
Indexering
Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling. Artikel 33
Intrekken oude verordening
De verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Zeist 2020 wordt ingetrokken. Artikel 34
Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2024. 2. De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Zeist 2024. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van … januari 2024. De raad voornoemd,
Griffier,
Voorzitter,
16
Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen DEEL A Lesgebouwen De voorzieningen genoemd onder A2 (renovatie), A.3 (vervangende bouw), A.4.1 (uitbreiding met één of meer leslokalen) en A.4.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden.
A.1
Nieuwbouw
De noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als: a. de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; b. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en: 1o. als het een voor blijven gebruik gestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of 2o. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht, en c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en d. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.
A.2
Renovatie
Een schoolgebouw komt na in principe 40 jaar na het oorspronkelijke bouwjaar in aanmerking voor een gemeentelijke bijdrage in de kosten voor renovatie om daarmee het gebouw aan te passen aan de huidige functionele (onderwijskundige) en (technische) kwaliteitseisen voor een levensduurverlenging van tenminste 25 jaar. De noodzaak van renovatie is aanwezig als: a. een schoolgebouw 40 jaar oud is, b. het onderwijskundig concept het noodzakelijk maakt een gebouw functioneel aan te passen, c. uit een energiescan blijkt dat het schoolgebouw slecht presteert en d. uit een scan blijkt dat het gebouw voor de ventilatie niet voldoet aan Frisse Scholen, klasse B. Mocht uit een business case blijken dat renovatie niet tot het gewenste resultaat leidt, kan in overleg besloten worden eerder tot vervangende nieuwbouw over te gaan met inzet van bespaarde onderhoudsmiddelen van het schoolbestuur. Vervolg hernummerd
A.3
Vervangende bouw / ‘vernieuwbouw’
De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als: a. een schoolgebouw in principe 65 jaar oud is; b. op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van tenminste 25 jaar; c. dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie; 1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of 2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en d. dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:
17
geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en e. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. Mocht uit een business case blijken dat vervangende nieuwbouw eerder gewenst is, kan in overleg besloten worden eerder tot vervangende nieuwbouw over te gaan met inzet van bespaarde onderhoudsmiddelen van het schoolbestuur. In plaats van het slopen en vervangen door nieuwbouw kan ook gekozen worden voor ‘vernieuwbouw’. Dit is het ‘strippen’ van een gebouw tot aan het casco en het volledig op nieuwbouwniveau brengen van het gebouw met een levensduurverlenging van 40 jaar.
A.4
Uitbreiding
A.4.1. Uitbreiding schoolgebouw De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als: a. de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een voortgezet onderwijs, gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en b. daarnaast: 1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, 2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of 3°.
de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest, en c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en d. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.
A.4.2. Uitbreiding met een speellokaal De noozaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als: a. b. c. d. e.
A.5
tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen jonger dan zes jaar of tot een school of afdelig van een school voor speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten; de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont, dat de school minstens vijftien jaar zal blijven bestaan; in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is; medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen een afstand van 300 meter hemelsbreed onmogelijk is, en het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van een bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte.
In gebruik nemen van een bestaand gebouw
De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als: a. de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid;
18
b. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en: 1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, of 2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht, en c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; d. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en e. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.
A.6
Verplaatsing tijdelijk gebouw
De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als: a. er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien; b. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; c. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en d. de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.
A.7
Terrein
De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° of 3° tot en met 5°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D.
A.8
Eerste inrichting 1. De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze niet voor 1 januari 2024 is bekostigd. 2. De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal is aanwezig als een speciale school voor basisonderwijs of een speciale school wordt uitgebreid met een speellokaal. 3. Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf van onderwijsleerpakket, meubilair of leer- en hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.
A.9
Medegebruik 1. De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte: a. gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en b. een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal termijn van vier jaar noodzakelijk is. 2. Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste afstand van 2000 meter hemelsbreed. 3. Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste twee gebouwen.
19
A.10
Herstel van constructiefouten
De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.
A. 11 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
20
DEEL B – Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs
B.1
Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, renovatie, uitbreiding en ingebruikneming
De noodzaak van: a. nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en onvoldoende ruimte in bestaande lokalen bewegingsonderwijs aanwezig is; b. vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van 25 jaar of dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie; c. renovatie is aanwezig als een lokaal bewegingsonderwijs in principe 40 jaar oud is en het gebouw niet meer voldoet aan de functionele (onderwijskundige) eisen en (technische) kwaliteitseisen van het vigerende bouwbesluit en gecombineerd met het uitvoeren van onderhoud de levensduur van het gebouw weer verlengd wordt met ten minste 25 jaar; d. uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of e. het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als: 1°. de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; 2°. het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in aanmerking komt; of 3°.
de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw, en f. het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs voor: 1°. een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik van: a. ten minste 20 klokuren binnen 1 km hemelsbreed b. ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km hemelsbreed of c. ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km hemelsbreed of 2°. een school voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, bij noodzakelijk gebruik van: a. ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen 1 km hemelsbreed; b. ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs binnen 2 km hemelsbreed; c. ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen 3,5 km hemelsbreed of d. ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen 7,5 km hemelsbreed of 3°. een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km hemelsbreed en een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaar de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht kunnen worden.
B.2
Terrein
De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.
B.3
Eerste inrichting onderwijsleerpakket
De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als: a. nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en b. voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt.
21
B.4
Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs
De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is.
B.5
Medegebruik
De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsruimte geen plaats is.
B.6
Aanpassing (gymnastieklokalen BO, sbo en (V)SO)
Voor gymnastieklokalen van het basisonderwijs, het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs geldt de overheveling van de budgetten onderhoud en aanpassing niet. Voor aanpassingen van gymnastieklokalen kunnen de volgende voorzieningen aangevraagd worden. De aanpassingen bestaan uit: 1. het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; 2. het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; 3. wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D; 4. voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving; 5. vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties. Ad 1 De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn. Ad 2 De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.
Ad 3 De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. Ad 4 De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven. Ad 5 De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Als de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.
22
B.7
Onderhoud (gymnastieklokalen BO, sbo en (V)SO)
Voor gymnastieklokalen van het basisonderwijs, het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs geldt de overheveling van de budgetten onderhoud en aanpassing niet. Voor onderhoud aan gyymnastieklokalen kunnen de volgende voorzieningen aangevraagd worden. De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten: a. Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten b. Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging c. Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders d. Vervangen brandtrap e. Vervangen erfscheiding f. Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein g. Vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk h. Vervangen buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk i. Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale verwarming j. Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten k. Vervangen boeiboorden De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.
Noodzakelijk onderhoud aan: permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders. Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
B.8
Herstel constructiefouten
De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.
B.9
Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
23
Bijlage II – Prognosecriteria A.
Algemeen 1. Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor basisonderwijs een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode). 2. De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud. Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 3. Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van de aannames waarop de prognose is gebaseerd.
B.
Voedingsgebied 1. Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn. 2. De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. 3. Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn toegepast.
C.
Prognose school voor basisonderwijs
De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening wordt gehouden met: a. het voedingsgebied; b. de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen; c. de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele wijziging van het voedingsgebied; d. veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de leeftijdsgroepen, bedoeld onder b; e. veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad; f. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool, en g. het onderwijs dat wordt gegeven.
D.
Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
De prognose van een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs moet inzicht geven in: a. het voedingsgebied; b. de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven; c. de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en d. als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is.
24
E.
Prognose school voor voortgezet onderwijs
De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in: a. de gemeente van herkomst van de leerlingen b. het voedingsgebied; c. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool; d. de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12-jarigen, en e. de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven. De gemeente laat de prognoses voor de verschillende schoolsoorten jaarlijks opstellen. Deze prognoses worden gebruikt bij het beplaen van de ruimtebehoefte. Voor het doen van aanvragen is het dus niet noodzakelijk dat een schoolbestuur zelf een prognose laat opstellen. De enige uitzondering hierop is als een schoolbestuur een nieuwe school wil stichten. Dan moet een schoolbestuur wel zelf voor een prognose zorgen.
25
Bijlage III - Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte
DEEL A – Vaststellen capaciteit A.1
Uitgangspunten
De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden of wordt verhuurd. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs 1. De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld. 2. Voor een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2, aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter in mindering gebracht. 3. De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 vierkante meter als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend. 4. De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet onderwijs wordt vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de lokalen bewegingsonderwijs. 5.
Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de capaciteitsbepaling.
A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E, vastgesteld.
A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk gebouw wordt afgestoten.
A.1.4 Terrein Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
A.1.5 Inventaris Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2024 alle scholen voor basisonderwijs, speciaal
26
basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris.
A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs A.1.6.1
Lokalen bewegingsonderwijs
De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.
A.1.6.2
Terrein
De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.
A.1.6.3
Inventaris
De inventaris aanwezig op 1 januari 2024 wordt geacht voldoende te zijn.
27
Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte B.1
Lesgebouwen
B.1.1 School voor basisonderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en is inclusief een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de gewichtensom. 2. De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule: B = 200 + 5,03 * L, waarbij: B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 3. Indien een school een vergoeding ontvangt op grond van de achterstandsscore van het Besluit bekostiging Wet op het primair onderwijs wordt een toeslag voor de ruimtebehoefte toegekend. De toeslag wordt berekend met de formule: T = 1,40 * G, waarbij: Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. G = De achterstandsscore per basischoolvestiging zoals gepubliceerd door het CBS. De achterstandsscore wordt vermenigvuldigd met 7,17% en rekenkundig afgerond. 4.
Indien een school ruimte biedt aan taalklassen of aan speciale doelgroepen in het kader van inclusiviteit op grond van afspraken met een Samenwerkingsverband Passend Onderwijs, wordt een toeslag toegekend van maximaal 115 m² per groep. 5. Naast onderwijsruimte is de gemeente bereid te investeren in m² voor vroeg- en voorschoolse educatie, kinderopvang of andere maatschappelijke functies indien tegenover de investering een kostendekkend / marktconform / langdurig huurcontract staat.
B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 250 + 7,35 * L, waarbij R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 2. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.
B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type vestiging en het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R= 370 m² + (8,8 m² x leerling SO + 12,2 m² x leerling VSO), waarbij het aantal leerlingen het aantal is dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 2. Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs met lichamenlijk gehandicapte leerlingen of meervoudig gehandicapte leerlingen vindt een toeslag plaats. Voor een SO leerling bedraagt de toeslag 5 m² per leerling en voor een VSO leerling 3,3 m² per leerling. De
28
aantallen van gehandicapte leerlingen of meervoudig gehandicapte leerlingen de worden door DUO niet geregistreerd. Overleg tussen schoolbestuur en gemeente zal hier uitsluitsel over moeten geven. 3. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.
B.1.4 School voor voortgezet onderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het totaal van twee componenten, te weten: a. een leerlinggebonden component, en b. een vaste voet. 2. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 2.a opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, de leerweg of de sector die de leerling volgt. 3. De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die vestiging waar praktijkonderwijs aanwezig is. 4.
De ruimtebehoefte is de som van: a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten; b. de vaste voet per instelling, en c. als dit van toepassing is, een vaste voet per sector, uitgedrukt in bruto vierkante meter. 5. Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent een afzonderlijke normering voor het praktijkonderwijs. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum.
29
Tabel 2.a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs Onderwijssoort Leerweg1 Ruimtetype BVO/leerling Onderbouw (leerjaar 1 en 2)
-
Algemeen
6,18 2
Bovenbouw AVO/VWO
-
Algemeen
5,85
Bovenbouw theoretische leerweg
TLW
Algemeen
6,41
-
LWOO
Algemeen
7,07
Bovenbouw techniek
GLW
Algemeen
5,98
-
-
Specifiek
5,47
-
BLW
Algemeen
4,69
-
-
Specifiek
8,99
-
LWOO
Algemeen
4,44
-
-
Specifiek
12,72
Bovenbouw economie
GLW
Algemeen
5,95
-
-
Specifiek
0,89
-
BLW
Algemeen
5,56
-
-
Specifiek
2,25
-
LWOO
Algemeen
5,85
Specifiek
3,06
Algemeen
5,33
Specifiek
2,10
Algemeen
4,71
Specifiek
4,22
Algemeen
4,85
Specifiek
5,53
Algemeen
5,94
Specifiek
0,78
Algemeen
5,37
Specifiek
2,34
Algemeen
5,03
Specifiek
4,69
Algemeen
4,41
Specifiek
7,72
Bovenbouw zorg/welzijn
GLW BLW LWOO
Bovenbouw landbouw
GLW BLW LWOO
Praktijkonderwijs
1
TLW = LWOO = GLW = BLW =
theoretische leerweg leerwegondersteunend onderwijs gemengde leerweg beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)
2
Voor onderbouwleerlingen van het LWOO zal worden gerekend met een dubbele ruimtebehoefte. Per leerling wordt 6,18 m² BVO extra toegekend.
30
Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs Onderwijssoort Ruimtetype Vaste voet Hoofdvestiging
Algemeen
980
Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak
Algemeen
550
Tijdelijke nevenvestiging
3
550 3
VMBO-techniek BLW
Specifiek
299
VMBO-economie BLW
Specifiek
196
VMBO-zorg/welzijn BLW
Specifiek
168
VMBO-landbouw BLW
Specifiek
117
Praktijkonderwijs
Algemeen
306
Voorheen ‘nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak’. Bij deze nevenvestigingen wordt ook een vaste voet van 550 m² toegepast, vanwege het feit dat het om schoolgebouwen gaat die oorspronkelijk gebouwd zijn als hoofdvestiging.
31
B.2
Lokalen bewegingsonderwijs
De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld: a. voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder; b. voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, op 2,25 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en c. als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuren per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar. d. Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 455. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322. Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs Onderwijssoort Leerweg BVO per leerling Onderbouw (leerjaar 1 en 2)
-
1,66
Bovenbouw AVO/VWO
-
0,78
Bovenbouw theoretische leerweg
TLW
1,11
-
LWOO
1,26
Bovenbouw techniek
GLW
1,11
-
BLW
1,38
-
LWOO
1,57
Bovenbouw economie
GLW
1,11
-
BLW
1,38
-
LWOO
1,57
Bovenbouw zorg/welzijn
GLW
1,11
-
BLW
1,38
-
LWOO
1,57
Bovenbouw landbouw
GLW
1,11
-
BLW
1,38
-
LWOO
1,57
Praktijkonderwijs
-
1,99
32
Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte C.1
Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen
Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft bestaan.
C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.
C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen 1. Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, ingebruikneming of medegebruik wordt voor een: a. school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van: 1°. 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs; 2°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal basisonderwijs; 3°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs; b. school voor voortgezet onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan tien procent van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 vierkante meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%. 2.
Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoelt in het eerste lid, 90 vierkante meter.
C.2
Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het verschil: a. bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en b. bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder b.
C.3
Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
De omvang van een goedgekeurde voorziening: a. voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D; b. eerste aanschaf van: 1°. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school basisonderwijs, een speciale school voor
33
basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en 2°. leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening. c. tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. d. herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
C.4
Lokalen bewegingsonderwijs 1. De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt: a. voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte, en b. voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit. 2. De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel D, onder D.3. 3. De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren. 4.
De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt uitgebreid. 5. De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
34
Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen D.1
Terreinoppervlakte buitenruimte (exclusief bebouwd oppervlak) 1. Voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs geldt voor het verharde gedeelte (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3 vierkante meter per leerling, met een minimum van 300 vierkant meter netto. 2. Voor een school voor voortgezet onderwijs geldt een oppervlakte van 300 m² voor de eerste 300 leerlingen en vanaf 301 leerlingen een oppervlakte van 0,75 m² per leerling; 3. Voor parkeervoorzieningen geldt de gemeentelijke parkeernorm.
D.2
Speellokaal
Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter netto, inclusief een berging van 6 vierkante meter netto.
D.3
Lokaal bewegingsonderwijs
4. De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens 252 (21m x 12 m) vierkante meter netto en de hoogte minstens 5 meter. 5. Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een was- of douchegelegenheid. 6. De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs bij (vervangende) nieuwbouw is minstens 308 (22m x 14 m) vierkante meter netto en de hoogte minstens 5,5 meter.
D.4
Kwaliteitseisen (vervangende) nieuwbouw / vernieuwbouw
Bij vervangende nieuwbouw gelden de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in het ‘Kwaliteitskader Huisvesting, Kwaliteitscriteria voor onderwijsvoorzieningen in het Funderend Onderwijs’, welke Ruimte-OK op verzoek van de VO-Raad, de PO-raad en de VNG heeft uitgewerkt.
D.5
Kwaliteitseisen renovatie
Bij renovatie, onderhoud en aanpassingen met een levensduurverlenging van 25 jaar, gelden minder strenge eisen. De bijdrage van de gemeente van 30% van het nieuwbouwbudget is bedoeld om een kwaliteitsslag te maken. Dit zal niet op alle aspecten tot nieuwbouwkwaliteit kunnen leiden. Voor de ventilatiecapaciteit wordt wel Frisse Scholen Klasse B aangehouden.
35
Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen E.1
Meetinstructie voor schoolgebouwen
De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN 2580.
E.2
Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen
E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs 1. De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend. 2. De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw. 3. Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.
E.2.2 Voortgezet onderwijs De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoren eveneens: a. de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau, en b. de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 vierkante meter.
E.2.3 Uitzonderingen 1.
2. 3.
De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen. Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend. Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.
De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) ÷ 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) ÷ 322. Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1). De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) ÷ 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) ÷ 322.
36
Bijlage IV – Indexering en normbedragen voor vergoeding Deel A – Indexering De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de onderstaande systematiek van prijsbijstelling:
A.1
(Vervangende) nieuwbouw / vernieuwbouw en uitbreiding
Voor (vervangende) nieuwbouw / vernieuwbouw en uitbreiding wordt aangesloten bij de index voor referentiegebouwen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs van BDB Bouw(kosten)data, die als financiële bijlage is toegevoegd aan het Kwaliteitskader Huisvesting, Kwaliteitscriteria voor onderwijsvoorzieningen in het Funderend Onderwijs, zoals jaarlijks wordt gepubliceerd door Ruimte OK.
A.2
Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
Voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair geldt de index die jaarlijk wordt gepubliceerd door de VNG. Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t)
1 --------------------------------------MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector)
*
--------------------------------------Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t1)
37
*
MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector) --------------------------------------1
Deel B – Normbedragen voor vergoedingen (prijspeil 2024) Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW. De bedragen zijn prijspeil 2024. De prijzen zijn aangepast aan het Kwaliteitskader Huisvesting, Kwaliteitscriteria voor onderwijsvoorzieningen in het Funderend Onderwijs en marktontwikkelingen in de bouw voor onderwijsgebouwen volgens de BDB-index. Voor 1e inrichting onderwijsleerpakket en meubilair gelden de normen volgens de VNG-index.
A.
(Vervangende) nieuwbouw / vernieuwbouw / renovatie
A.1
(Vervangende) nieuwbouw / vernieuwbouw met permanente bouwaard 1. De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende kostencomponenten: a. kosten voor terrein b. bouwkosten; c. toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw; d. als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag paalfundering; e. als het een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal, en f. als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie. 2. Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld in paragraaf B.
A.2
Kosten voor terreinen inclusief sloopkosten oude gebouw
Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats als het oude gebouw behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.
A.3.1 Bouwkosten 1. Tot de bouwkosten behoren: a. de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en b. de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein. 2. De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.
A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m² bvo4 Voor elke volgende m² bvo Bijdrage schoolbestuur per m² bvo totaal
4
€ 1.827.372,40 € 3.127,16 - € 154,95
Onder m² bvo wordt hier en verder verstaan: vierkante meter bruto vloeroppervlakte.
38
A.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m² bvo, waarin niet € 2.960.893,16 Voor elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel € 3.274,55 speellokaal Toeslag voor elk speellokaal € 280.935,43 Bijdrage schoolbestuur per m² bvo totaal - € 154,95
A.3.4 Bouwkosten school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal Voor elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal Toeslag voor elk speellokaal Toeslag liftinstallatie als bij nieuwbouw een liftinstallatie inclusief een schacht wordt aangebracht Bijdrage schoolbestuur per m² bvo totaal
€ 2.849.380,88 € 3.255,13 € 280.935,43 € 276.130,31 - € 154,95
A.3.5 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs 1. Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. 2. De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 vierkante meter bruto vloeroppervlak uit een vast bedrag per voorziening en een vast bedrag per sectie. 3. Voor projecten kleiner dan 460 vierkante meter bruto vloeroppervlakte worden geen sectieafhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimteafhankelijke kosten per vierkante meter bruto vloeroppervlakte. 4. De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen per vierkante meter bruto vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. 5. Voor het berekenen van de vergoeding voor de: a. ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aantal vierkante meter per type ruimte van de voorziening, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort: < 460 m² Algemene en specifieke ruimte Werkplaatsen Werkplaatsen consumptief
€ 5.129,76 € 5.010,32 € 6.084,05
≥ 460-2.500 m² € 3.044,37 € 4.052,95 € 5.126,68
≥ 2.500 m² € 2.971,44 € 4.052,95 € 5.126,68
b. sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de algemene vaste voet of de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, afhankelijk van de secties waaruit de overeenkomstig bijlage III, deel C, toegekende voorziening bestaat, verhoogd met de onderstaande bedragen: <460m² > 460 <2.500 m² > 2.500 m² Algemeen € 0,00 € 323.677,60 Algemene sectie € 0,00 € 635.354,68 € 887.100,48 Werkplaatsen € 0,00 € 117.479,19
39
6. Tot de algemene en specifieke ruimte behoren: a. (uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie, en b. handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren. 7. Tot de werkplaatsen behoren: a. techniek algemeen: 1°. Bouwtechniek; 2°. Machinale houtbewerking; 3°. Meten; 4°. Elektrotechniek; 5°. Installatietechniek; 6°. Lasserij; 7°. Metaal; 8°. Motorvoertuigentechniek, en 9°. Mechanische techniek; b. consumptief: werkplaats consumptieve techniek; c. grafische techniek: werkplaats grafische techniek, en d. landbouw: groen-praktijk. 8. De overige ruimten behoren tot de categorie algemene ruimte.
A.3.6 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs 1. Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de normkosten gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende aanvullende investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld: a. paalfundering, en b. bemaling. 2. De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte in relatie met de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte en wordt bepaald op basis van de volgende formules: Nieuwbouw en uitbreiding < 1000 m² Paallengte 1 tot 15 meter Paallengte 15 tot 20 meter Paallengte 20 meter of langer
€ 9.435,66 € 10.045,43 € 11.215,41
+ + +
(€ 49,52 * A) (€ 83,74 * A) (€ 149,85 * A)
Uitbreiding ≥ 1000 m² Paallengte 1 tot 15 meter Paallengte 15 tot 20 meter Paallengte 20 meter of langer
€ 11.522,63 € 15.029,35 € 22.823,34
+ + +
(€ 17,34 * A) (€ 45,00 * A) (€ 90,98 * A)
3. Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per vierkante meter goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 32,16 per vierkante meter terrein.
A.3.7 Toeslag voor verhuiskosten bij vervangende nieuwbouw 1. Als een school tijdens de realisatie van vervangende nieuwbouw gebruik kan blijven maken van het bestaande gebouw, bestaat aanspraak op bekostiging van de verhuiskosten voor één verhuizing. 2. Als een school tijdens de realisatie van vervangende nieuwbouw tijdelijk op een andere locatie moet worden gehuisvest, , bestaat aanspraak op bekostiging van de verhuiskosten voor twee verhuizingen. 3. De vergoeding wordt vastgesteld op basis van feitelijke kosten.
40
A.4
Renovatie
De bijdrage van de gemeente aan renovatie bedraagt 30% van de normering voor nieuwbouw als bedoeld in deze bijlage onder A.1 tot A.3.
B.
Uitbreiding met permanente bouwaard
B.1
Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs tot 1.035 m² bruto vloeroppervlakte en van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs tot 1.000 m² bruto vloeroppervlakte. Op grotere uitbreidingen is paragraaf A overeenkomstig van toepassing.
B.2
Kosten terrein
Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in B.1.1 overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor uitbreiding benodigde terrein.