02-21RV013 Bijlage 2 5 rapport natuurtoets
Tekst van het document
6.2
Mitigerende maatregelen
De doelstelling van de Wet natuurbescherming is de bescherming van de biodiversiteit zonder stijging van lasten voor bedrijven en burgers. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij', dat wil zeggen dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
19
in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken, met behulp van een ontheffing waarvoor de bevoegdheid voor het verlenen van een dergelijke ontheffing bij de provincies ligt. Onderstaand zijn de voor het onderhavige project relevante (verbods-)artikelen genoemd. Daarbij is beschreven met welke mitigerende maatregelen er invulling wordt gegeven aan het voorkomen en uitsluiten van negatieve effecten. 6.2.1 Algemene maatregelen In de Wet natuurbescherming is in Artikel 1.11 de algemene zorgverplichting opgenomen. In dit artikel is beschreven dat eenieder verplicht is om voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De algemene zorgverplichting geldt te allen tijde tijdens het uitvoeren van werkzaamheden, ongeacht of deze te typeren zijn als zijnde ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen, de algemene zorgverplichting ten aanzien van alle soorten in acht genomen dient te worden. Bij de werkzaamheden dienen daarom algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze al- gemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven.
De werkzaamheden dienen door een ter zake deskundige ecoloog begeleid te worden. Hierdoor wordt gewaarborgd dat de mitigerende maatregelen op een juiste manier uitgevoerd worden en zo wordt er tevens invulling gegeven aan de algemene zorgverplichting (Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). In Bijlage B is beschreven wat door het Ministerie van Economische Zaken verstaan wordt onder een ter zake kundige; Er moet per uitvoeringsproject een ecologisch werkprotocol opgesteld worden waarin alle te nemen mitigerende maatregelen, worden vastgelegd. Dit ecologisch werkprotocol moet op de werklocatie aanwezig zijn en bij alle betrokken partijen bekend zijn; Werkzaamheden moeten aantoonbaar conform dit protocol worden uitgevoerd. Mochten er zich gedurende de werkzaamheden ten aanzien van beschermde soorten onvoorziene omstandigheden
voordoen, wordt direct contact opgenomen met de ter zake deskundige ecoloog. 6.2.2 Voorkomen van doden In lid 1 van de artikelen 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming staat beschreven dat het verboden is om beschermde dieren opzettelijk te doden. Het uitvoeren van werkzaamheden en ruimtelijke ingrepen waarbij aanwezige dieren verwond of zelfs gedood kunnen worden, houdt een overtreding van deze artikelen in. Het is daarom noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen om dit zo veel als mogelijk te voorkomen en uit te sluiten. Vleermuizen Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten optreden voor foeragerende vleermuizen, is aan te bevelen om de verlichting in het plangebied tijdens de nachtelijke uren te beperken. Vleermuizen zijn namelijk gevoelig voor lichtverstoring. Bij voorkeur dienen er, in de periode 1 maart tot 1 oktober, om deze reden geen werkzaamheden in de nachtelijke uren te worden uitgevoerd en wordt bij voorkeur nachtelijke verlichting uitgeschakeld. In de periode 1 oktober – 1 maart bestaat er geen bezwaar tegen het gebruik van verlichting omdat vleermuizen dan in winterslaap zijn; Verder is het aan te bevelen om gebruik te maken van objectgerichte verlichting (scherpe afsnede van lichtinval) en amberkleurige UV-vrije ledverlichting. Lichthinder voor vleermuizen kan op deze manier aanzienlijk worden verminderd (Spoelstra et al, 2017).
Kerkuil De vaste rust- en verblijfplaats wordt in principe jaarrond gebruikt door de kerkuil. Toch is er een minder kwetsbare periode aan te geven aangezien de kerkuil zich dan niet voortplant, namelijk van 1 september tot 31 januari. Dit is de periode waarbinnen de werkzaamheden plaats dienen te vinden. In een muizenrijk jaar loopt de voortplantingsperiode mogelijk door tot half december. Een kerkuil deskundige kan per situatie bepalen of de voortplantingsperiode voor een specifiek broedpaar al is begonnen of is geëindigd. Huismussen De sloopwerkzaamheden kunnen niet plaatsvinden als huismussen broeden (globaal van 1 maart t/m
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
20
31 augustus) of tijdens de vorstperiode. In deze gevallen dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden of dient een huismusdeskundige geraadpleegd te worden om te kijken wat de alternatieven zijn; Algemene broedvogels Met betrekking tot algemene vogels dienen de volgende algemene maatregelen uitgevoerd te worden: Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met mogelijke broedgevallen van algemene broedvogels. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden in het broedseizoen (half maart – eind augustus) dient het gebied voor aanvang gecontroleerd en vrijgegeven te worden door een ter zake kundige; Ook buiten het broedseizoen zijn broedgevallen mogelijk, indien tijdens het uitvoeren van werkzaamheden een broedgeval aangetroffen wordt dienen de werkzaamheden onmiddellijk stilgelegd te worden en dient er contact opgenomen te worden met een ter zake kundige. Zorgplicht Er dient zo veel mogelijk één richting opgewerkt te worden, de richting waarin soorten kunnen vluchten. 6.2.3 Alternatieve vliegroute Indien de bomen langs de Kouwenhovenselaan (gedeeltelijk) worden verwijderd dan verdwijnt een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 4 van de Wet natuurbescherming en een ontheffing is dan noodzakelijk.
In dat geval dient in overleg met de opdrachtgever een nieuwe lijnvormige structuur in de nabijheid van de huidige laan te worden gecreëerd. De huidige of alternatief aan te leggen vliegroute dient aan een aantal voorwaarden te (blijven) voldoen: Vleermuizen op vliegroute zijn gevoelig voor verlichting. De vliegroute dient in het donker te liggen en niet aangestraald te worden door verlichting; De vliegroute dient beschut te liggen. Beschutting kan bijvoorbeeld worden gecreëerd door behoud of de aanplant van een zoveel mogelijk aaneengesloten rij van bomen met een minimale hoogte van drie tot vier meter; De ruimtes tussen de structuren (bv. kronen van de bomen) van de vliegroute dienen niet al te groot
te zijn. De maximale afstand waarover vleermuizen “gaten” in b.v. een bomenrij nog kunnen passeren verschilt per soort en per situatie (bijvoorbeeld aanwezigheid van verlichtingsbronnen en beschutting t.o.v. wind); De vliegroute kan intact worden gehouden door aanplant van nieuwe bomen, hekwerk, palen, etc. Aanbevolen wordt om een maximale onderlinge afstand tussen structuren van maximaal 30 meter aan te houden. 6.2.4 Alternatieve verblijfplaatsen Het uitvoeren van werkzaamheden waarbij vaste rusten/of verblijfplaatsen van kerkuil of huismus beschadigd of vernield worden, houdt een overtreding van Artikel 3.1, lid 2 en artikel 3.5, lid 4 van de Wet natuurbescherming in. De aanwezige vaste rust- en/of verblijfplaatsen van deze soorten, gaan door de voorgenomen werkzaamheden verloren. De functionaliteit zal, indien geen maatregelen genomen worden, verloren gaan. Het is daarom noodzakelijk om dit verlies van verblijfplaatsen te mitigeren. Kerkuil Voor het aantal vaste rust- en verblijfplaatsen dat verloren gaat dient minimaal het dubbele aantal als alternatieve locatie te worden aangeboden. Als minimaal aantal geldt in dit geval dat er 2 alternatieve locaties dienen te worden aangeboden, waarbij het aanbieden van meer alternatieve locaties de voorkeur heeft.
De alternatieve locaties kunnen gerealiseerd worden middels het plaatsen van nestkasten of het toegankelijk maken van geschikte gebouwen. Het is belangrijk dat deze alternatieve locaties aangeboden worden terwijl de huidige vaste rust- en verblijfplaats nog intact is, dus ruim voor de werkzaamheden en sloop aanvangen; Een alternatieve locatie wordt gerealiseerd door het maken van een dichte zolder in de houten kapschuur die kan dienen als verblijfplaats voor de kerkuil. Dit is aan de overzijde van de huidige nestkast. Kerkuilen hebben tijd nodig om alternatieve vaste rust- en verblijfplaatsen te vinden en aan deze te wennen. Dit betekent dat de alternatieve locaties aangeboden moeten worden terwijl de oorspronkelijke vaste rust- en verblijfplaats nog intact is. Als minimale gewenningsperiode geldt 3 maanden voor aanvang van de werkzaamheden;
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
21
In de laatste maand van de gewenningsperiode kan al aangevangen worden met het langzamerhand ongeschikt maken van de oorspronkelijke vaste rust- en verblijfplaats. Van belang is de voortplantingsperiode, die begint op 1 maart en loopt tot 31 augustus (met mogelijke uitloop tot half december). In deze periode mag de oorspronkelijke vaste rust- en verblijflocatie niet verstoord of aangetast worden. Dit betekent dat als het gewenst is dat de werkzaamheden op 1 maart aanvangen, de alternatieve rust- en verblijfplaatsen uiterlijk 30 november geplaatst moeten zijn. Voor de kerkuil is het noodzakelijk om rommelhoekjes, takkenhopen, etc. te behouden zodat er genoeg voedsel beschikbaar blijft voor de kerkuilen. Dit zijn namelijk uitermate geschikte plekken voor muizen die als voedsel dienen voor de kerkuil. De nieuwbouw biedt kansen om een nestkast te plaatsen voor de kerkuil. Dit moet een eis zijn van Stichting Het Utrechts Landschap bij de nieuwbouw in het plangebied (NatuurInclusief bouwen); Huismus Voor het aantal nestlocaties van huismus dat verloren gaat dient minimaal het dubbele aantal als alternatieve nestlocatie te worden aangeboden. Als minimaal aantal geldt in dit geval dat er 26 alternatieve locaties dienen te worden aangeboden, waarbij het aanbieden van meer alternatieve locaties de voorkeur heeft.
De alternatieve locaties kunnen gerealiseerd worden middels het plaatsen van nestkasten aan de houten kapschuur. Het is belangrijk dat deze alternatieve locaties aangeboden worden terwijl de huidige vaste rust- en verblijfplaats nog intact is, dus ruim voor de werkzaamheden en sloop aanvangen; Hoe dichter de vervangende verblijfplaats bij de oorspronkelijke verblijfplaats wordt gerealiseerd, hoe groter de kans is op succes. Als vuistregel geldt dat de nieuwe nestlocaties zich bevinden binnen een cirkel van 200 meter van de oorspronkelijke nestlocaties; Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen. Dit betekent dat de alternatieve nestlocaties gerealiseerd moeten worden terwijl de oorspronkelijke nestlocaties nog aanwezig zijn. Een voldoende lange gewenningsperiode is nodig om succes van de maatregelen te waarborgen. Als minimale periode geldt hiervoor
3 maanden. In de laatste maand van de gewenningsperiode kan al aangevangen worden met het langzamerhand ongeschikt maken van de oorspronkelijke nestlocaties. Van belang is het broedseizoen, dat begint op 1 maart en loopt tot 31 augustus. In deze periode mogen de oorspronkelijke nestlocaties niet verstoord of aangetast worden. Dit betekent dat als het gewenst is dat de werkzaamheden op 1 maart aanvangen, de alternatieve nestlocaties uiterlijk 30 november geplaatst moeten zijn; De nieuwbouw biedt kansen om een nestlocaties te plaatsen voor de huismus door het plaatsen van nestkasten of vogelvides. Dit moet een eis zijn van Stichting Het Utrechts Landschap bij de nieuwbouw in het plangebied (NatuurInclusief bouwen); Boerenzwaluw Voor het aantal nestlocaties van boerenzwaluw dat verloren gaat dient minimaal het dubbele aantal als alternatieve nestlocatie te worden aangeboden. Als minimaal aantal geldt in dit geval dat er 2 alternatieve locaties dienen te worden aangeboden, waarbij het aanbieden van meer alternatieve locaties de voorkeur heeft. De alternatieve locaties kunnen gerealiseerd worden middels het plaatsen van speciale nestkommen aan de houten kapschuur. Hiervoor moet een overkapping gemaakt worden aan de buitenzijde van de kapschuur zodat de nestkommen droog blijven. Een andere optie zou zijn om het aan de binnenzijde van de kapschuur te realiseren.
Het is belangrijk dat deze alternatieve locaties aangeboden worden terwijl de huidige vaste rust- en verblijfplaats nog intact is, dus ruim voor de werkzaamheden en sloop aanvangen; Werkzaamheden worden uitgevoerd in de periode tussen oktober tot en met maart. In deze periode zijn boerenzwaluwen niet in Nederland aanwezig, en zijn de nesten dus met zekerheid verlaten; Voorafgaande aan de werkzaamheden wordt de verblijfplaats van de boerenzwaluw verwijderd door een ter zake kundige, wanneer deze heeft vastgesteld dat zich hierin geen broedende boerenzwaluwen bevinden; De alternatieve verblijfplaatsen dienen ten minste drie maanden voorafgaande aan de werkzaamheden in/nabij verblijfplaatsen te zijn geïnstalleerd. In de tussenperiode kan gewenning aan de alternatieve verblijfplaatsen plaats vinden;
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
22
Aanvullend Op dit moment worden alle mitigerende maatregelen uitgevoerd in en rond de houten kapschuur. Uit verschillende onderzoeken en ervaring blijkt dat overlast door de kerkuil een zeer gering aandeel vormt in het mislukken van de zwaluwbroedsels en dit vooral het geval is bij slechte muizenjaren. Ook zijn er voorbeelden waar de soorten gewoon samengaan. De huismussen zullen in de nestkasten geen hinder ondervinden van kerkuil. Deze broeden nu al bijna naast de kerkuilenkast. Uiteindelijk wordt de kerkuil aan de binnenzijde en de huismussen en boerenzwaluwen aan de buitenzijde van de kapschuur gemitigeerd; Er is ook een mogelijkheid om in het plangebied een faunatoren te plaatsen om een alternatief te bieden door de dieren. Afhankelijk van het ontwerp
kan de toren woonruimte bieden voor verschillende diersoorten als huismussen, kerkuilen en boerenzwaluw, maar ook andere soorten als vleermuizen.
6.3
Conclusie
Omdat negatieve effecten, ondanks het nemen van mitigerende maatregelen niet in alle gevallen geheel te voorkomen zijn door de aard van de werkzaamheden, is het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
23
7 Bronnen
7.1
Literatuur
BIJ12, 12 juli 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 1.0. Publicatienummer BIJ12-2017-004 BIJ, 12 juli 2017. Kennisdocument Gierzwaluw 1.0 Publicatienummer BIJ12-2017-6 BIJ12, 12 juli 2017. Kennisdocument Huismus 1.0 Publicatienummer BIJ12-2017-009 BIJ, 12 juli 2017. Kennisdocument Kerkuil 1.0 Publicatienummer BIJ12-2017-11 BIJ12, 12 juli 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis 1.0. Publicatienummer BIJ12-2017-009 Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina.
De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht.
Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Vleermuisprotocol 2017 Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017) Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Spoelstra, K., R. H.A. van Grunsven, J. J.C. Ramakers, K. B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E. M. Veenen-daal and M. E. Visser, 2017. Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bat presence is affected by white and green, but not red light. Proceedings of the Royal Society B.
7.2
Websites
Verspreidingsatlas planten Via www.verspreidingsatlas.nl/planten Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
24
Overzicht algemene vrijstellingen
Tabel 1 | Overzicht vrijgestelde soorten Provincie Utrecht
Soortgroep
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Reptielen/amfibieën Reptielen/amfibieën Reptielen/amfibieën Reptielen/amfibieën Reptielen/amfibieën
Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis* Vos Wezel Woelrat Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker / Bastaardkikker
Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Mustele putorius Micromys minutus Sorex minutus Erinaceus europaeus Sorex areneus Lepus europeus Mustela erminea Crocidura russula Oryctolagus cuniculus Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Vulpes vulpes Mustela nivalis Arvicola terrestris Rana temporaria Bufo bufo Triturus vulgaris Pelophylax ridibundus (Rana ridibunda) Pelophylax klepton esculentus (Rana esculenta)
* voor deze soort geldt een algemene vrijstelling in/op gebouwen bijbehorende erven (Wnb 3.10, lid 3)
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
25
Ter zake Kundige KADER: TER ZAKE KUNDIGE Alle mitigerende maatregelen moeten worden begeleid en/of uitgevoerd door een ter zake kundige op het gebied van vleermuizen, jaarrond beschermde nestplaatsen en broedvogels. Voorafgaande aan de uitvoering van de gewenste werkzaamheden, dient te alle tijden de aannemer/uitvoerder de werkzaamheden af te stemmen met een ter zake kundige. Het Ministerie van Economische Zaken verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie.
De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of; op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of; als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of; zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals Zoogdier-vereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied); en/of; zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of –bescherming.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
26