02-21RV013 Bijlage 2 5 rapport natuurtoets
Tekst van het document
December 2017
NATUURTOETS BOERDERIJ KOUWENHOVEN
In opdracht van Stichting Het Utrechts Landschap
© 2017 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Beesdseweg 3-18 4104 AW Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87 Btwnr NL 8212 39 119 BO1 IBAN NL46 TRIO 0198 4486 00 Tekst: Controle: Veldonderzoek: Foto’s:
W. A. (Wiegert) Steen T.H. (Theo) de Jong W. A. (Wiegert) Steen W. A. (Wiegert) Steen
Foto voorblad:
Boerderij Kouwenhoven.
Projectnummer: Wijze van citeren:
2017-46 W. A. Steen, 2017. Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2017-46.
In opdracht van: Contactpersoon:
Stichting Het Utrechts Landschap M. (Markus) Feijen
Status: Ondertekening: Paraaf:
Concept, 01-12-2017 T.H. (Theo) de Jong
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal (Basis Registratie Topografie Kadaster 2017, tenzij anders wordt vermeld) inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus.
Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie .
W. A. (Wiegert) Steen
NATUURTOETS BOERDERIJ KOUWENHOVEN
In opdracht van: Stichting Het Utrechts Landschap
Inhoud
1
2
3
Inleiding
4.3
Resultaten en effectbeoordeling
10
Aanleiding en context
1
1.2
Onderzoeksvragen
1
5.1
Vaatplanten
12
1.3
Leeswijzer
1
5.2
Grondgebonden zoogdieren
12
2
5.3
Vleermuizen
13
Plangebied en werkzaamheden
5
Analyse
1.1
12
2.1
Beschrijving van het plangebied
2
5.4
Vogels
15
2.2
Beschrijving van de werkzaamheden
2
5.5
Vissen
17
Wettelijk kader en beschermde soorten
5
5.6
Amfibieën
17
3.1
Wettelijk kader
5
5.7
Reptielen
17
3.2
Wet natuurbescherming
5
5.8
Ongewervelden
17
3.2.1
Soortbescherming
5
5.9
Samenvatting
18
3.2.2
Zorgplicht
6
Conclusie en advies
19
3.2.3
Vogellijst
6
6.1
Beantwoording onderzoeksvragen
19
7
6.2
Mitigerende maatregelen
19
3.3 4
1
Ontheffing, vergunning of vrijstelling
Onderzoeksmethode
6
8
6.2.1
Algemene maatregelen
20
4.1
Literatuuronderzoek
8
6.2.2
Voorkomen van doden
20
4.2
Veldonderzoek
8
6.2.3
Alternatieve vliegroute
21
4.2.1
Vaatplanten
8
6.2.4
Alternatieve verblijfplaatsen
21
4.2.2
Vleermuizen
8
4.2.3
Grondgebonden zoogdiersoorten
10
4.2.4
Broedvogels
10
7.1
Literatuur
24
4.2.5
Vissen
10
7.2
Websites
24
4.2.6
Amfibieën
10
Overzicht algemene vrijstellingen
25
4.2.7
Reptielen
10
Ter zake Kundige
26
4.2.8
Ongewervelden
10
6.3 7
Conclusie
Bronnen
23 24
1 Inleiding
1.1
Aanleiding en context
Met het ontbinden van de hoevepacht op landgoed Niënhof (Nieuwenhof), eind maart 2015, is 26,5 hectare landbouwgrond inclusief de boerderij Kouwenhoven vrijgekomen. Stichting Het Utrechts Landschap wil deze landbouwgronden graag omvormen naar natuur, als belangrijk kerngebied in de ecologische verbinding tussen het Kromme Rijngebied en de Vechtplassen. De boerderij is 0,8 ha groot en bestaat uit een grote melkstal, een ijzeren kapschuur, een houten kapschuur en drie stenen schuren, waarbij aan één een woonhuis vastzit. Stichting Het Utrechts Landschap is voornemens deze objecten te slopen. Alleen de houten kapschuur blijft behouden. Een gedeelte zal omgevormd worden naar twee vrijstaande woningen en een gedeelte zal worden omgevormd tot natuur. De sloop van de bebouwing kan negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende beschermde soorten1. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb) overtreden. In dit kader heeft Stichting Het Utrechts Landschap aan Ecologisch Adviesbureau Viridis opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van beschermde plant- en diersoorten middels een wettelijk verplichte natuurtoets.
1.2
Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Is het noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen?
Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren.
1.3
Leeswijzer
In de rapportage worden bovenstaande onderzoeksvragen beantwoord. In hoofdstuk 2 is het plangebied en de werkzaamheden beschreven. In hoofdstuk 3 is het wettelijke kader met betrekking tot beschermde soorten in Nederland kort benoemd. In hoofdstuk 4 is de onderzoeksmethode beschreven en vervolgens zijn in hoofdstuk 5 de onderzoeksresultaten gepresenteerd (inclusief effectenbeoordeling). De conclusie en het advies zijn in hoofdstuk 6 beschreven. Tot slot is een overzicht van de geraadpleegde literatuur in hoofdstuk 7 opgenomen.
Onderzoeksvragen
Om goed voorbereid te zijn op een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag van de Wet natuurbescherming geeft een Natuurtoets Soortbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen:
Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten?
1
Beschermde soorten: alle onder de Wnb beschermde soorten in de Provincie Utrecht.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
1
2 Plangebied en werkzaamheden
2.1
Beschrijving van het plangebied
Het plangebied is gelegen op landgoed Niënhof (Nieuwenhof) in het buitengebied tussen Zeist en Bunnik (Figuur 1). Het plangebied is een oude boerderij en is ongeveer 0,8 ha groot (Afbeelding 2.1). De boerderij bestaat uit een grote melkstal, een ijzeren kapschuur, een houten kapschuur en drie stenen schuren, waarbij aan één van de schuren een woonhuis vastzit (Afbeelding 2.2). Deze objecten zijn in verschillende tijdsperiode gebouwd. De drie stenen schuren met woonhuis zijn opgebouwd uit met spouwloze buitenmuren bestaande uit baksteen (Afbeelding 2.3). De daken zijn bekleed met dakpannen. De houten kapschuur bestaat geheel uit hout (Afbeelding 2.4). In de kapschuur is een kerkuilenkast geplaatst. De grote melkschuur en de ijzeren kapschuur zijn gebouwd in een veel latere periode. Deze bestaan voornamelijk uit metalen buitenwanden en een dakbedekking van asbest golfplaten (Afbeelding 2.5 en 2.6). De boerderij is op dit moment niet meer bedrijfsmatig in gebruik. De boerderijwoning wordt op dit moment tijdelijk verhuurd op basis van antikraak. Rond de bebouwing is veel groen aanwezig. In het noorden en zuiden van het plangebied zijn drie hoogstamboomgaarden aanwezig. Deze bestaan uit slecht
onderhouden fruitbomen van geringe stamdikte met een onderbegroeiing van gras en ruigte. In het zuiden maakt dit ook onderdeel uit van schapenweide. In één van de bomen is een steenuilenkast geplaatst. Dwars door het plangebied loopt de Kouwenhovenselaan van zuidwest naar noordoost met aan weerszijde o.a. hoge beuken en eiken. Deze laan vormt een lijnvormige element in het landschap. Langs de bomenlaan loopt een smalle watergang die water afvoerend is. In het zuiden ligt een kleine poel die verbonden is met een watergang net buiten het plangebied.
2.2
Beschrijving van de werkzaamheden
Het Stichting Het Utrechts Landschap is voornemens met uitzondering van de houtenkapschuur alle bebouwing te slopen op boerderij Kouwenhoven. Een gedeelte van het plangebied zal worden omgevormd naar twee vrijstaande woningen en een gedeelte zal worden omgevormd tot natuur. Het is nog onbekend of de bomenlaan behouden blijft. Ook is nog niet exact bekend wanneer de werkzaamheden plaats zullen vinden.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
2
Locatie van de kapschuur. Deze blijft behouden.
Figuur 2.1 | Ligging van het plangebied.
Afbeelding 2.1 | Boerderij Kouwenhoven.
Afbeelding 2.2 | Woonhuis.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
3
Afbeelding 2.3 | Stenen schuren.
Afbeelding 2.4 | Houten kapschuur met kerkuilenkast.
Afbeelding 2.5 | Grote melkschuur.
Afbeelding 2.6 | Metalen kapschuur.
Afbeelding 2.7 | Hoogstamboomgaard.
Afbeelding 2.8 | Kouwenhovenselaan.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
4
3 Wettelijk kader en beschermde soorten
3.1
Wettelijk kader
De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO blijft wel het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken.
3.2
Wet natuurbescherming
Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 3: ‘soortbescherming’: Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1); Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5); Nationaal beschermde ‘andere soorten’ (art. 3.10). 3.2.1 Soortbescherming Het hoofdstuk ‘Soortbescherming’ uit de Wet natuurbescherming bestaat uit drie aparte beschermingsregimes, ook wel de passieve soortbescherming genoemd: 1) de Vogelrichtlijn; 2) de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; 3) na-
tionaal beschermde soorten. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden en wettelijke belangen voor het aanvragen van een ontheffing. Vogelrichtlijn (art 3.1) Voor van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: 1) opzettelijk doden en vangen van vogels; 2) opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren; 3) eieren rapen en onder zich hebben; 4) opzettelijk verstoren van vogels; 5) het verbod onder 4) is niet van toepassing indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 3.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.3, lid 4: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten; 6. het selectief vangen, onder zich hebben of verstandig gebruik van bepaalde vogels. Habitatrichtlijn (art.
3.5) Voor in het wild levende dieren van soorten, genoemd in de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn gelden de volgende verbodsbepalingen: 1) opzettelijk doden en vangen; 2) opzettelijk verstoren;
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
5
3) opzettelijk vernielen of rapen eieren; 4) opzettelijk beschadigen of vernielen voortplantings-plaatsen of rustplaatsen; 5) opzettelijk plukken of vernielen planten. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 1.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.8, lid 5: 1. ter bescherming van flora en fauna, en instandhouding natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek of onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of de daartoe benodigde kweek; 5. op selectieve wijze een aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben.
d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud landbouw of bossen; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of h. in het algemeen belang. Actieve soortbescherming Naast de passieve soortbescherming zijn provincies wettelijk verplicht om soorten te beschermen middels de Natuurvisie (art. 1.7) en de actieve soortbescherming (art 1.12). In het kader van deze actieve bescherming kunnen de provincies de lijst met beschermde soorten uitbreiden en/of gebieden aanwijzen waarvoor een extra inspanning nodig is om de staat van instandhouding van populaties te behouden of herstellen.
3.2.2 Zorgplicht Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht Nationale beschermde soorten (art 3.10) van kracht (art. 1.11). De zorgplichtbepaling houdt in Voor in het wild levende zoogdieren, amfibieën, repdat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoetielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de den dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolsoorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A gelden gen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gede volgende verbodsbepalingen: bieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild 1) opzettelijk te doden of te vangen; levende planten en dieren, evenals voor hun directe 2) opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende Voor vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, maatregelen neemt. onderdeel B gelden de volgende verbodsbepalingen: 1) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzet- 3.2.3 Vogellijst telijk te plukken en te verzamelen, af te snij- Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd in het kaden, te ontwortelen of te vernielen. der van de Vogelrichtlijn en het verdrag van Bern (art 3.1 en 3.5).
Een aantal vogelsoorten hebben een dubEen ontheffing voor het overtreden van de verbodsbebele beschermingsstatus omdat zij onder beide bepalingen van artikel 3.10 kan alleen verleend worden schermingsregimes vallen. Voor deze soorten geldt als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingshet verbod ‘opzettelijk verstoren’ ongeacht of deze aanvraag (zie paragraaf 3.3) en één of meer van de onverstoring van wezenlijke invloed is op de gunstige derstaande wettelijke belangen uit artikel 3.10, lid 2: staat van instandhouding van de populatie. a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling; Tijdens het broedseizoen zijn ook de nesten van vogels b. ter voorkoming van schade of overlast; beschermd, waarbij er geen standaard periode is vastc. ter beperking van de omvang van populaties; gesteld voor het broedseizoen. De meeste vogels maken elk jaar een nieuw nest of zijn in staat een nieuw
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
6
nest te maken. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze nesten zijn jaarrond beschermd waardoor de verbodsbepalingen van artikel 3.1 en 3.5 (afhankelijk van de soort) van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn (zie ook Kader 3.1). De wetgever verstaat onder vaste verblijfplaatsen van vogels ook nesten en holtes waar de vogels ook buiten de broedtijd regelmatig verblijven.
3.3
Ontheffing, vergunning of vrijstelling
Het is mogelijk om voor de in de Wet natuurbescherming vermelde verboden een ontheffing of vergunning aan te vragen. Er kan alleen een ontheffing verleend worden als er aan drie criteria is voldaan: Er is geen alternatieve bevredigende oplossing mogelijk; Er moet sprake zijn van een wettelijk belang behorend bij het artikel dat overtreden wordt;
Er mag geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de populatie plaatsvinden. Vrijstelling Het is niet altijd nodig om een ontheffing aan te vragen wanneer er gevolgen voor beschermde planten- en diersoorten optreden. Er zijn verschillende soorten vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden indien strikt en aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode. De Zorgplicht blijft ook bij het werken via een gedragscode onverminderd van kracht. Naast de gedragscode is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling te krijgen (art 3.11). Deze ministeriële regelingen zijn opgesteld door Gedeputeerde Staten als vrijstellingslijsten. Zie Bijlage A voor een overzicht voor de vrijgestelde soorten. In onderhavige rapportage wordt niet ingegaan op de voorkomende soorten van de vrijstellingslijst.
Kader 3.1 | Jaarrond beschermde vogelnesten De meeste vogels gebruiken hun nest slechts eenmalig voor de voortplanting. Elk jaar bouwen de dieren een nieuw nest op meestal een andere locatie. Nesten van deze vogels zijn slechts gedurende het broedseizoen beschermd. Er zijn echter ook vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn en waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 en 3.5 (afhankelijk van de soort) van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn. Er worden 5 categorieën onderscheiden: 1. Vogels waarvan de nesten ook buiten het broedseizoen als vaste rust- en verblijfplaats gebruikt worden (voorbeeld: steenuil). 2. Koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: gierzwaluw en huismus). 3. Vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar en kerkuil). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. (voorbeeld: buizerd en ransuil). 5.
De volgende vogelsoorten behoren tot deze categorie: vogels die weliswaar terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of in de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De nesten van deze soorten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
7
4 Onderzoeksmethode
Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeks- vragen is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hiermee is de ecologische waarde van het plangebied door middel van een literatuuronderzoek en soortspecifieke inventarisaties onderzocht op de natuurwaarden. Op deze manier wordt het voorkomen van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming bepaald. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.
4.1
Literatuuronderzoek
Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van bekende verspreidingsgegevens van beschermde soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen van relevante soorten, het archief van Bureau Viridis en vrij beschikbare verspreidingsgegevens. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten.
4.2
Veldonderzoek
Naast het literatuuronderzoek heeft Ecologisch Adviesbureau Viridis soortspecifieke inventarisaties uitgevoerd. Tijdens het veldonderzoek is het voorkomen van de soortgroepen vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden onderzocht. De onderzoeksdata zijn per soort(groep) weergegeven in Tabel 4.1. Indien gedurende een onderzoek naar een specifieke soortgroep andere beschermde soorten zijn waargenomen, zijn deze soorten ook meegenomen in de resultaten. Alle waarnemingen worden digitaal vastgelegd met behulp van een tablet en de software WrnPro.
Tabel 4.1 | Onderzoeksdata en weersomstandigheden. Bezoekdata
Soort
Temp (°C)
Windkracht (Bft)
Waarnemer(s)**
2
Neerslag (mm) geen
16-05-2017
Vleermuizen
20.4
30-05-2017
Vleermuizen
18.3
3
geen
WS & AB
20-06-2017
Vleermuizen
21.6
3
geen
WS
05-07-2017 22-08-2017
Vleermuizen
19.0
2
geen
WS
Vleermuizen
18.2
2
geen
WS
27-09-2017
Vleermuizen
13.6
2
geen
WS
10-04-2017
Huismus
9.8
3
geen
WS
WS
26-04-2017
Huismus
5.0
2
geen
WS
30-05-2017
Gierzwaluw
18.3
3
geen
WS & AB
20-06-2017
Gierzwaluw
21.6
3
geen
WS
05-07-2017
Gierzwaluw
19.0
2
geen
WS
10-04-2017
Overige
9.8
3
geen
WS
30-05-2017
Overige
18.3
3
geen
WS
05-07-2017
Overige
19.0
2
geen
WS
* Voorafgaand aan het vleermuisonderzoek was er een flinke hoosbui. ** WS = Wiegert Steen & AB = Axel Buijs
De inventarisaties zijn uitgevoerd conform de door het Netwerk Groene Bureaus (NGB) ontwikkelde inventarisatieprotocollen. Onderstaand volgt per soortgroep een uitleg betreffende de gebruikte methodiek. 4.2.1 Vaatplanten Het plangebied is op 10 april, 30 mei en 5 juli 2017 vlakdekkend geïnventariseerd op het voorkomen van beschermde plantensoorten. Doordat het veldonderzoek verspreid was over het gehele groeiseizoen van planten, ontstaat hierdoor een compleet beeld. Het plangebied is lopend onderzocht. Indien beschermde soorten zijn aangetroffen, is de exacte groeiplaats ingevoerd. Bijzondere soorten (onder andere soorten van de rode lijst of soorten met een grote indicerende waarde) zijn eveneens op de exacte groeiplaats ingevoerd. 4.2.2 Vleermuizen Gedurende het jaar maken vleermuizen gebruik van verschillende typen verblijfplaatsen en hebben een
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
8
vaste cyclus die gedurende het jaar wordt gevolgd. Afhankelijk van het weer houden vleermuizen van half oktober tot maart winterslaap in een winterverblijf. Na de winterslaap verblijven vleermuizen vaak tijdelijk in kleine groepen in tussenverblijven. Vanaf mei verzamelen de vrouwtjes zich in kraamkolonies en worden de jongen geboren en gezoogd. De mannen leven dan gezamenlijk of solitair in zomerverblijven. In augustus, wanneer de jongen min of meer zelfstandig zijn, breekt de paartijd aan. De grote kolonies vallen dan uiteen. Mannetjes van een aantal soorten bezetten tijdens de paartijd een verblijfplaats binnen een territorium, van waaruit ze vrouwtjes aantrekken om mee te paren. Hierbij maken ze gebruik van een paarroep. Afhankelijk van het weer zet dit door tot september of oktober, waarna vleermuizen weer naar hun winterverblijf vertrekken. Onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd volgens de richtlijnen van het vleermuisprotocol (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit protocol is ontwikkeld door de Zoogdiervereniging en het Netwerk Groene Bureaus in samenwerking met het toenmalige Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. Het protocol wordt jaarlijks in het Vleermuisvakberaad geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO).
Vleermuisonderzoek vond plaats met een batdetector (Pettersson D240 of M500) met geluidsopnameapparatuur. Indien een soort in het veld niet op naam gebracht kon worden, zijn automatisch opnames gemaakt die later met speciale computerprogrammatuur (BatSound v.4.1) gedetermineerd zijn. Onderzoek naar verblijfplaatsen Als aanvulling op het vleermuisprotocol is voorafgaand aan het vleermuisonderzoek op 10-04-2017 een Quickscan uitgevoerd naar geschiktheid van het plangebied voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Spouwmuren of kleine openingen in gebouwen en loszittend schors of holtes in bomen zijn normaliter jaarrond geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er is gekeken of deze aanwezig zijn binnen het plangebied. Hierbij is ook gekeken naar eventuele sporen (o.a. keutels of vetvlekken) die op aanwezigheid van verblijfplaatsen kunnen wijzen. Op deze manier kan gerichter onderzoek worden gedaan met de batdetector.
Onderzoek naar kraam- en zomerverblijfplaatsen Het vleermuisonderzoek naar kraam- en zomerverblijfplaatsen in het plangebied heeft plaatsgevonden middels vier veldbezoeken (één ochtendbezoek en drie avondbezoeken) op 16 mei, 30 mei, 20 juni en 5 juli 2017. De avondbezoeken startte telkens circa 30 minuten voor zonsondergang en liepen door tot circa twee uur na zonsondergang. Het ochtendbezoek startte circa 2 uur voor zonsopkomst en liep door tot circa 30 minuten na zonsopkomst. Onderzoek naar verblijfplaatsen heeft plaatsgevonden onder geschikte weersomstandigheden: avondtemperatuur > 13ºC, wind < 4 Bft, zie ook tabel 4.1. Tijdens het onderzoek naar kraam- en zomerverblijfplaatsen is ook onderzoek uitgevoerd naar vliegroutes en foerageergebieden in het plangebied. Onderzoek naar paar- en winterverblijfplaatsen Het vleermuisonderzoek naar paar- en winterverblijfplaatsen in het plangebied heeft plaatsgevonden middels twee bezoeken op 22 augustus en 29 september 2017. Vleermuizen zijn vroeg op de avond goed waar te nemen, waarbij de vleermuizen vanaf circa een uur na zonsondergang duidelijk hun paarroep laten horen. De meeste soorten roepen vanaf een vaste plaats, de gewone dwergvleermuis doet dat echter vliegend. Hierdoor is niet altijd een duidelijke paarplaats aan te wijzen. De onderzoeken startte een uur na zonsondergang tot circa één uur ‘s nachts.
Tijdens de paarperiode zwermen vleermuizen ook rond middernacht bij plekken waar ze (massaal) kunnen overwinteren. De dieren vliegen gedurende enige tijd (half uur) rondom de openingen waarbij deze steeds even een opening aantikken en dan weer verder vliegen. Hierbij kunnen meerdere dieren door elkaar vliegen. De weersomstandigheden waren geschikt voor het uitvoeren van vleermuisonderzoek met een avondtemperatuur > 10ºC en < 3 Bft, zie ook tabel 4.1. Ook is tijdens het vleermuisonderzoek naar paarverblijfplaatsen onderzoek uitgevoerd naar eventuele vliegroutes en foerageergebieden. Foerageergebieden en vliegroutes Tijdens het vleermuisonderzoek zijn belangrijke foerageerplaatsen in beeld gebracht. In de analyse is onderzocht of het hierbij gaat om essentiële foerageergebieden. Vleermuizen verplaatsen zich in het landschap via oriëntatiepunten. In bepaalde gevallen wordt een bepaalde route steeds weer opnieuw gebruikt en spreekt
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
9
men van een vliegroute. Ook vliegroutes zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. In het gebied zijn mogelijk vliegroutes aanwezig die door de werkzaamheden aangetast kunnen worden. 4.2.3 Grondgebonden zoogdiersoorten Tijdens alle veldbezoeken is gezocht naar (sporen van) grondgebonden zoogdieren, vaste verblijfplaatsen en looproutes. Alle zichtwaarnemingen van zoogdieren zijn vastgelegd. Ook vondsten van sporen, keutels en nestjes zijn genoteerd. Er is geen onderzoek met inloopvallen voor muizen uitgevoerd. De reden hiervoor is dat, gezien de terreinopbouw en de bekende landelijk verspreiding van beschermde kleine zoogdieren, de aanwezigheid van dergelijke soorten zeer onwaarschijnlijk is. 4.2.4 Broedvogels Nesten van alle vogels zijn beschermd gedurende de periode dat ze gebruikt worden. Ook zijn de nesten van een aantal vogels jaarrond beschermd. Het betreffen vooral roofvogels en uilen, maar ook huismus en gierzwaluw. De aanwezigheid van nesten of nestlocaties van jaarrond beschermde vogels is onderzocht.. Kerkuil Voor kerkuil geldt dat in de periode van februari tot en met half oktober drie avondbezoeken gebracht moeten worden. Deze avondbezoeken zijn gecombineerd met alle vleermuisonderzoeken (zie Tabel 4.1). Daarnaast is overdag gekeken naar sporen die de aanwezigheid van een nestplek aannemelijk maken, zoals braakballen.
Huismus Voor huismus geldt dat in de periode tussen 1 april en 15 mei twee ochtendbezoeken gebracht moeten worden. Voor deze onderzoeken geldt een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Onderzoek naar huismus is uitgevoerd op 10 april en 26 april 2017 (zie Tabel 4.1). Gierzwaluw Voor het inventariseren van gierzwaluw moeten in de periode tussen 1 juni en 15 juli drie avondbezoeken worden gebracht, waarbij de meest geschikt periode is 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang. Voor deze onderzoeken geldt een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Onderzoek naar gierzwaluw is
uitgevoerd op 30 mei, 20 juni en 5 juli 2017 (zie Tabel 4.1). 4.2.5 Vissen In en rondom het plangebied komen verschillende wateren voor. Tijdens het veldonderzoek op 10 april, 30 mei en 5 juli 2017 zijn de wateren bemonsterd met een schepnet (70 x 55 cm) om te onderzoeken welke beschermde vissoorten aanwezig zijn. Hierbij is het net 1,5 a 2 meter ver in het water gestoken en met kracht vlak boven de bodem in de richting van de oever binnengehaald. 4.2.6 Amfibieën Het veldonderzoek op 10 april, 30 mei en 5 juli 2017 naar beschermde amfibieën heeft zich voornamelijk gericht op geschikte voortplantingswateren. De wateren zijn bemonsterd met het schepnet. In zijn de oevers afgezocht naar juveniele amfibieën als bewijs van voortplanting en is ook geschept naar larven. Tijdens elk veldbezoek is ook onder geschikte schuilplaatsen van amfibieën op het land gezocht naar (sub)adulte dieren. 4.2.7 Reptielen In de omgeving van het onderzoeksgebied is het voorkomen van ringslang bekend. Met name in het voorjaar, direct na de overwintering zijn ringslangen langdurig zonnend aan te treffen. Daarom zijn tijdens bezoeken in april en mei de oevers van de wateren binnen het plangebied afgezocht naar zonnende ringslangen. Andere reptielen worden op basis van de geografische ligging en de inrichting van het plangebied niet verwacht.
4.2.8 Ongewervelden Beschermde ongewervelde diersoorten worden niet in het plangebied verwacht, vanwege het ontbreken van geschikt oppervlaktewater of habitat. Gericht onderzoek naar deze soorten heeft daarom niet plaatsgevonden. Het voorkomen hiervan is op basis van bekende verspreidingsgegevens en het aanwezige habitat uitgesloten.
4.3
Analyse
De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen verspreidingsgegevens van beschermde soorten zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoe-
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
10
ring van de werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen (art. 3.1, 3.5 of 3.10) van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Wanneer blijkt dat er mogelijk beschermde soorten voorkomen die negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven. Wanner mogelijk worden alternatieven aangeboden om negatieve effecten te voorkomen
of te verzachten. Indien het voorkomen van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft, wordt dit aangeven in de toetsing.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
11
5 Resultaten en effectbeoordeling
Hierna zijn de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Daarbij is per soortgroep een effectenbeoordeling opgenomen, waarin helder beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.
5.1
Vaatplanten
In het plangebied zijn geen beschermde soorten vaatplanten aangetroffen. Binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk agrarische gronden aanwezig met een voedselrijk milieu. Ook is de omgeving van het plangebied goed ontwaterd en wordt er regelmatig gemaaid. Beschermde plantensoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden (NDFF, 2017). Effectbeoordeling Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde vaatplanten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde vaatplanten.
5.2
Grondgebonden zoogdieren
Op basis van het literatuuronderzoek is het voorkomen van de das en boommarter bekend in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2017). Ook vormt een boerderij met kleine landschapselementen een ideaal leefgebied voor steenmarter. De steenmarter verblijft meestal in bebouwing. De boommarter verblijft meestal in holle bomen en de das maakt een burcht in zandgronden. Tijdens het veldonderzoek zijn geen verblijfplaatsen of sporen (keutels, graafputjes, etc.) vastgesteld van deze soorten in het plangebied. Doordat das, boommarter en steenmarter een groot leefgebied hebben en zeer mobiel zijn is niet uitgesloten dat
zich incidenteel zwervende of foeragerende exemplaren zich bevinden in het plangebied. In de omgeving van het plangebied is een dassenburcht bekend en volgens de huidige bewoner heeft hij de das ook een enkele keer op het erf zien lopen (mondelinge med. bewoner). De dichtstbijzijnde dassenburcht is ruim 200 meter ten noorden van het plangebied aanwezig. Ook kunnen de omliggende landbouwgronden en bossen als foerageergebied gebruikt worden door das, maar ook door de boommarter en steenmarter. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere keren hazen en reeën waargenomen. Tijdens het veldbezoek op 5 juli is ook een jonge haas waargenomen in de begroeiing naast het woonhuis. Deze gebruikte begroeiing als schuilplaats. Daarnaast kunnen ook algemene grondgebonden zoogdieren als egel en bosmuis voorkomen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Deze soorten staan op een lijst met soorten die in de Provincie Utrecht vrijgesteld zijn van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (Bijlage A). Andere beschermde grondgebonden zoogdieren worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Effectbeoordeling Op basis van het bureau- en veldonderzoek is niet uit te sluiten dat beschermde grondgebonden zoogdieren incidenteel voorkomen in het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Omdat het plangebied relatief klein is en geen optimaal foerageergebied biedt, is het uitgesloten dat het plangebied essentieel foerageergebied is. .Gezien bovenstaande én gezien voldoende geschikt foerageergebied in de directe omgeving is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op deze beschermde grondgebonden zoogdieren.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
12
5.3
Vleermuizen
Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen verwacht kunnen worden (NDFF, 2017). Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Tijdens de vleermuisonderzoeken op 16 mei, 30 mei, 20 juni en 5 juli 2017 is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen. Hierna wordt per functie een toelichting van de resultaten gegeven. Vaste verblijfplaatsen Alleen het gedeelte van de woning heeft de eigenschappen die in potentie als verblijfplaats geschikt kunnen zijn voor vleermuizen. Vleermuizen maken gebruik van een scala aan verblijfplaatsen. Mogelijkheden voor verblijfplaatsen in de woning bevinden zich onder de dakpannen, tussen de daklagen, achter de dakgoot en in de spouwmuur. Tijdens het vleermuisonderzoek zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld in de woning. De te slopen schuren hebben geen spouwmuur. Ook bevatten de schuren geen daklagen of nauwe ruimtes die geschikt zijn voor vleermuizen als verblijfplaats. De schuren hebben daarom geen potentie als verblijfplaats voor vleermuizen. Wel zijn er in de stenen schuren op de zolders en op de begane grond sporen gevonden van foeragerende grootoorvleermuizen.
Het gaat hier om enkele vlindervleugels van huismoeders en dagpauwogen die de grootoorvleermuis heeft achter gelaten (Afbeelding 5.1). De grootoorvleermuis eet kleine insecten in de vlucht, maar een grote vlinders eet de grootoorvleermuis op vaste eethangplaatsen. De vleermuis eet dan alleen het lichaampje op en laat de vleugels op de grond vallen. Het is onbekend hoe oud deze sporen zijn. Wel is tijdens het vleermuisonderzoek de grootoorvleermuis een enkele keer gehoord. Op basis van het aantal waarnemingen en de sporen gaat het om een individueel dier. Het is onbekend waar de grootoorvleermuis precies verblijft. Grootoorvleermuizen hebben over het algemeen een hele kleine actieradius vanaf hun verblijfplaats. In de directe omgeving zijn genoeg bomen met geschikte holtes aanwezig waar de grootoorvleermuis eventueel kan verblijven.
Afbeelding 5.1 | Vlindervleugels van huismoeders en dagpauwogen die de grootoorvleermuis heeft achter gelaten.
Er zijn in de bomen langs de Kouwenhovenselaan verschillende holtes aanwezig die geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende soorten als grootoorvleermuis en rosse vleermuis. Tijdens het vleermuisonderzoek zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld in de bomen. Wel zijn bijna elke avond rosse vleermuizen gehoord. Deze vlogen vroeg in de avond hoog boven het plangebied. Mogelijk verblijven deze ergens anders op landgoed Niënhof of in het populierenbos ten noorden van plangebied. Andere verblijfplaatsen zijn niet vastgesteld op het terrein. Vliegroutes Vleermuizen oriënteren zich door middel van echolocatie. Ze zenden ultrasone geluiden uit. De terugkaatsende geluiden van bijvoorbeeld gebouwen, struiken, bomen of oevers geven de dieren een beeld van de omgeving. Om deze reden vliegen de vleermuizen vaak langs opvallende oriëntatiepunten zoals een rij bomen, langs rietkragen, langs huizenrijen, etc. Als vleermuizen van een dergelijke route gebruik maken spreken we van een vliegroute. Vanuit het literatuuronderzoek is bekend dat de Kouwenhovenselaan met lijnvormige beplanting van o.a. eik en beuk een belangrijke vliegroute is voor vleermuizen die tussen de landgoederenzone (Utrechtse Heuvelrug) en het lager gelegen Kromme Rijngebied vliegen (Afbeelding 5.2).
Om te bepalen hoe belangrijk de Kouwenhovenselaan is tijdens het vleermuisonderzoek gekeken naar het gebruik van de bomenlaan door vleermuizen als vliegroute. Tijdens het vleermuisonderzoek zijn elke avond minimaal 20 gewone dwergvleermuizen en minimaal
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
13
10 laatvliegers waargenomen die gebruik maakte van de bomenlaan als vliegroute. De vleermuizen kwamen aanvliegen vanuit het noorden. Hier ligt de bebouwde kom van Zeist waar deze gebouwbewonende soorten hoogstwaarschijnlijk verblijven en vlogen naar het zuiden richting landgoed Niënhof.
zijn winterverblijf in één van de forten. In het plangebied zijn in ieder geval geen geschikte winterverblijven voor deze soort.
Afbeelding 5.3 | Foeragerende baardvleermuis in de te slopen stalen kapschuur op 29 september 2017. Afbeelding 5.2 | De Kouwenhovenselaan met lijnvormige beplanting vormt een belangrijke vliegroute voor vleermuizen.
Foerageergebied De meeste activiteit van foeragerende vleermuizen is waargenomen langs de bomenlaan. De bomenlaan zorgt voor beschutting en vleermuizen jagen op insecten tussen boomkruinen. Gewone dwergvleermuizen foerageerden kort in het plangebied maar vlogen via de bomenlaan na enkele minuten weer verder richting landgoed Niënhof. Gewone dwergvleermuizen staan er ook om bekend tijdens het gebruik van vliegroutes kort te foerageren om daarna weer verder te vliegen. Ook is een enkele ruige dwergvleermuis en grootoorvleermuis kortstondig foeragerend gehoord. De grootoorvleermuis heeft de zolders en de begane grond van de stenen schuren enkele keren gebruik om binnen te foerageren. Door het beperkt aantal vlindervleugeltjes zal het hier niet gaan om een essentieel foerageergebied. Het is ook onbekend hoe oud de sporen precies zijn. Een opvallende waarneming was die van een baardvleermuis op 29 september (Afbeelding 5.3). De baardvleermuis foerageerde bijna de gehele avond in de stalen kapschuur. Deze soort was hier nog niet eerder gehoord. Het is bekend dat baardvleermuizen in de forten rond Utrecht overwintert. In de buurt van Kouwenhoven liggen zowel Fort Rhijnauwen als Fort Vechten. Mogelijk was de baardvleermuis op weg naar
Effectbeoordeling Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn in het plangebied niet aangetroffen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op verblijfplaatsen van vleermuizen. De bouw van twee nieuwe woonhuizen biedt ook kansen voor gebouwbewonende soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger door de realisatie van nieuwe verblijfplaatsen. Dit wordt besproken in paragraaf 6.2. Vliegroute De Kouwenhovenselaan is van essentieel belang als vliegroute voor gewone dwergvleermuizen en laatvliegers. De vliegroute wordt door minimaal 35 dieren gebruikt. Het is op dit moment onbekend of de bomen langs de Kouwenhovenselaan behouden blijven door de werkzaamheden. Indien de bomen (gedeeltelijk) worden verwijderd dan verdwijnt een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 4 van de Wet natuurbescherming en een ontheffing is dan noodzakelijk. Ook is het noodzakelijk om de vliegroute te vervangen, omdat er in de omgeving geen alternatieve vliegroutes meer aanwezig zijn voor vleermuizen. Indien de bomenlaan behouden blijft of de ruimtes tussen de bomen kleiner blijft dan 30 meter is er geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. De mitigerende maatregelen worden beschreven in paragraaf 6.2.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
14
Foerageergebied In het plangebied zijn lage aantallen foeragerende dieren aangetroffen. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied. Er zal door de werkzaamheden weinig veranderen aan het foerageergebied. Op dit moment is het plangebied grotendeels bebouwd. Daarnaast zijn in de omgeving voldoende alternatieve foerageerplekken voorhanden. De drie hoogstamboomgaarden blijven behouden. Wel kunnen vleermuizen tijdens de sloopwerkzaamheden worden verstoord. Om negatieve effecten op foeragerende vleermuizen te waarborgen is het aan te bevelen om mitigerende maatregelen uit te voeren. De mitigerende maatregelen worden beschreven in paragraaf 6.2.
5.4
Afbeelding 5.4 | De drie jonge kerkuilen in de nestkast in de houten kapschuur tijdens het bezoek op 30 mei 2017.
Vogels
Op basis van het literatuuronderzoek is het voorkomen soorten met jaarrond beschermde nesten als ransuil, kerkuil, huismus en gierzwaluw bekend in de omgeving van het plangebied. In de houten kapschuur is een nestkast aanwezig van kerkuil. In de nestkast wordt al enkele jaren gebroed door de kerkuil (mondelinge med. bewoner). Ook dit jaar heeft de kerkuil gebroed in de nestkast. Op 30 mei waren er 3 jonge kerkuilen aanwezig in de nestkast (Afbeelding 5.4). Deze zijn alle drie succesvol grootgebracht. Op 20 juni zaten de drie jonge kerkuilen nog in de kast, maar waren bijna vliegvlug. Tijdens het bezoek op 5 juli zaten er drie vliegvlugge kerkuilen buiten de nestkast in de houten kapschuur (Afbeelding 5.5). Ook wordt de melkschuur door de volwassen kerkuilen gebruikt als roestplaats (Afbeelding 5.6). Tijdens elk bezoek aan het plangebied was minimaal één van de twee kerkuilen aanwezig in deze schuur. Aan de noordzijde van de schuur is een ruimte tussen het dak en plafon aanwezig waar de kerkuilen zich schuil houden als ze niet in de nestkast zijn. Deze locatie maakt dus ook onderdeel uit van de vaste rust- en verblijfplaats in het plangebied (Afbeelding 5.6).
Afbeelding 5.5 | Eén van de jonge kerkuilen die is uitgevlogen tijdens het bezoek op 5 juli 2017.
Afbeelding 5.6 | De melkschuur wordt door de volwassen kerkuilen gebruikt als roestplaats.
Tijdens de avondbezoeken op 30 mei, 20 juni en 5 juli 2017 zijn geen nestlocaties van gierzwaluwen vastgesteld in het plangebied. Er foerageerde wel elke avond enkele gierzwaluwen boven het plangebied, maar waarschijnlijk verblijven deze ergens in de bebouwde kom van Zeist of Bunnik.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
15
Er broeden 12 paar huismussen onder dakpannen van de woning. Ook is een nestlocatie aanwezig van huismus in de stalen kapschuur (Afbeelding 5.7).
Afbeelding 5.8 | Jonge boerenzwaluwen in de meest zuidelijke stenen schuur.
Afbeelding 5.7 | Huismussen broeden onder de dakpannen van de woning en in de stalen kapschuur.
Er hangt een steenuilenkast in de hoogstamboomgaarden. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat deze kast in gebruik is als nestlocatie door spreeuwen. Er zijn geen waarnemingen gedaan van steenuil tijdens het onderzoek. Er is geen nestlocatie van steenuil aanwezig binnen het plangebied. In de meest zuidelijke stenen schuur zijn acht in gebruik zijnde nesten van de boerenzwaluw aangetroffen (Afbeelding 5.8). Ook zijn enkele oude nesten aangetroffen in twee andere stenenschuren en in de melkschuur. Verder komen algemene broedvogels als merel en heggenmus tot broeden in begroeiing op Kouwenhoven. In de bebouwing zijn op verschillende locaties nesten van spreeuw en ringmus aanwezig. Deze vogelnesten zijn alleen beschermd gedurende de periode dat de nesten in gebruik zijn.
Effectbeoordeling De nestkast van de kerkuil in de houten kapschuur blijft tijdens de werkzaamheden behouden. Gezien het feit dat de kerkuil de te slopen melkschuur gebruikt als roestplaats is er daar ook sprake van een vaste rust- en verblijfplaats. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de kerkuil zijn jaarrond beschermd. Ook wordt de woning gesloopt, waarbij nestlocaties van huismussen wordt vernietigd. Ook de nestlocaties van huismussen zijn jaarrond beschermd. Het verwijderden van een vaste rust- en verblijfplaats is een overtreding van artikel 3.1, lid 2 en 4, en artikel 3.5, lid 2 en 4 van de Wet natuurbescherming van de Wet natuurbescherming en een ontheffing is noodzakelijk. Door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen zal de functionaliteit van het plangebied en de gunstige staat van instandhouding niet worden aangetast voor de kerkuil en huismus in het plangebied. Deze mitigerende maatregelen worden beschreven in paragraaf 6.2. Nesten van boerenzwaluwen zijn niet standaard het gehele jaar beschermd. De nesten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Door de sloopwerkzaamheden blijft alleen de houten kapschuur aanwezig om tot broeden te komen. Hierdoor zijn er nog weinig nestmogelijkheden voor de boerenzwaluw.
De omgeving blijft wel geschikt als foerageergebied voor de boerenzwaluw omdat de hoogstamfruitbomen met schapen behouden blijft. Om negatieve effecten op de boerenzwaluw zoveel mogelijk voorkomen wordt aanbevolen om mitigerende maatregelen uit te voeren. Deze mitigerende maatregelen worden beschreven in paragraaf 6.2.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
16
Daarnaast is het mogelijk dat algemene vogels tot broeden komen in het plangebied en hierdoor tijdens de werkzaamheden worden verstoord of nesten verloren gaan. Om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. De mitigerende maatregelen worden beschreven in paragraaf 6.2.
5.5
Vissen
In de wateren in het plangebied zijn vissen aangetroffen, maar het betroffen geen exemplaren van beschermde soorten. Het ging om een zeelt en enkele tiendoornige stekelbaarzen. Beschermde vissen worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden (NDFF, 2017). Effectbeoordeling Vanwege het ontbreken van beschermde soorten in het plangebied treden er geen negatieve effecten op ten aanzien van beschermde vissen. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming).
5.6
Amfibieën
Er zijn een aantal soorten beschermde amfibieën aangetroffen in het plangebied waaronder gewone pad, meerkikker en kleine watersalamander. Deze soorten zijn beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, maar deze soorten zijn door de Provincie Utrecht vrijgesteld van de verboden in de Wet natuurbescherming (Bijlage A). Andere beschermde amfibieën worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden (NDFF, 2017). Effectbeoordeling Er zijn beschermde soorten aangetroffen in het plangebied, echter zijn deze soorten niet ontheffing plichtig. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming).
5.7
Reptielen
Op basis van het literatuuronderzoek is het voorkomen van de ringslang bekend in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2017). De ringslang komt ten zuiden voor van het plangebied op Landgoed Niënhof. Hier zijn enkele broeihopen speciaal voor de ringslang aangelegd. Om eieren te kunnen leggen is de ringslang afhankelijk van dit soort warme en broeiende plekken. Deze broeihopen zijn niet aanwezig op Kouwenhoven. In het voorjaar (april en mei) zijn de oevers van de wateren afgelopen op zonnende ringslangen. Hierbij zijn geen ringslangen aangetroffen. Wel vormen de oevers geschikt foerageergebied voor de ringslang. Daarom is niet uitgesloten dat zich incidenteel zwervende of foeragerende exemplaren zich bevinden in het plangebied. Andere beschermde reptielen worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Effectbeoordeling beschermde reptielen Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is te verwachten dat incidenteel zwervende of foeragerende exemplaren van de ringslang zich bevinden in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Bij werkzaamheden langs de wateren in de periode april t/m oktober kunnen incidenteel aanwezige ringslangen verwond of gedood worden.
Om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. De mitigerende maatregelen worden beschreven in paragraaf 6.2.
5.8
Ongewervelden
In het plangebied zijn geen beschermde soorten ongewervelden aangetroffen. Dergelijke soorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden (NDFF, 2017). Strikt beschermde ongewervelden als dagvlinders en libellen stellen specifieke eisen aan hun biotoop. In het plangebied zijn in het geheel geen geschikte biotopen voor deze soorten aanwezig.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
17
Effectbeoordeling Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde ongewervelden in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde ongewervelden .
5.9
Samenvatting Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn in het plangebied niet aangetroffen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op verblijfplaatsen van vleermuizen; De gewone, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en baardvleermuis gebruiken het plangebied om in kleine aantallen om te foerageren. Er is geen sprake van een essentieel foerageergebied. Om negatieve effecten op foeragerende vleermuizen te waarborgen is het aan te bevelen om mitigerende maatregelen uit te voeren; De Kouwenhovenselaan is van essentieel belang als vliegroute voor gewone dwergvleermuizen en laatvliegers. De vliegroute wordt door minimaal 35 dieren gebruikt. Indien de bomen (gedeeltelijk) worden verwijderd dan verdwijnt een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 4 van de Wet natuurbescherming en een ontheffing is dan noodzakelijk. Daarnaast is het noodzakelijk om de vliegroute te vervangen, omdat er in de omgeving geen alternatieve vliegroutes meer aanwezig zijn voor vleermuizen. Indien de bomenlaan behouden blijft is er geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming; In de te slopen melkschuur bevindt zich een vaste rust- en verblijfplaats van de kerkuil. De nestlocatie in de houten kapschuur blijft behouden. Door
de sloop van de melkschuur gaat een vaste rusten verblijfplaats verloren. Dit is een overtreding van artikel 3.1, lid 2 en 4, en artikel 3.5, lid 2 en 4 van de Wet natuurbescherming en een ontheffing is dan ook noodzakelijk. Door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen worden negatieve effecten voorkomen of verzacht; In de te slopen woning (12) en stalen kapschuur (1) bevinden zich in totaal 13 nestlocaties van de huismus. Door de sloop van deze gebouwen gaan de nestlocaties verloren. Dit is een overtreding van artikel 3.1, lid 2 en 4 van de Wet natuurbescherming en een ontheffing is dan ook noodzakelijk. Door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen worden negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen; In de te slopen schuren bevinden zich 8 nestlocaties van boerenzwaluw. Om negatieve effecten op de boerenzwaluw zoveel mogelijk te voorkomen wordt aanbevolen om mitigerende maatregelen uit te voeren; Algemene broedvogels kunnen worden verstoord in de broedperiode. Door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen worden negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen; Incidenteel zwervende of foeragerende exemplaren van de ringslang kunnen zich bevinden in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen.
Door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen worden negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen; Er zijn geen beschermde soorten van andere soortgroepen aangetroffen in het plangebied, negatieve effecten op deze soortgroepen zijn uitgesloten.
Tabel 5.1 | Overzicht van aanwezige soorten, functie, bescherming, overtreding, mitigatie en ontheffing Wet natuurbescherming Soort Functie Bescherming Overtreding Mitigatie Ontheffing Gewone dwergvleermuis Vliegroute 3.5 Artikel 3.5, lid 4 Ja* Ja* Laatvlieger Vliegroute 3.5 Artikel 3.5, lid 4 Ja* Ja* Huismus Nestlocaties 3.1 Artikel 3.1, lid 2 en 4 Ja Ja Kerkuil Vaste rust- en 3.1, 3.5 Artikel 3.1, lid 2 en 4, Arti- Ja Ja verblijfplaats kel 3.5, lid 2 en 4 Boerenzwaluw Nestlocaties 3.1 Artikel 3.1, lid 2 en 4 Ja Nee Algemene broedvogels Nestlocaties 3.1, 3.5 Artikel 3.1, lid 2 en 4, Arti- Ja Nee kel 3.5, lid 2 en 4 * Indien de bomenlaan behouden blijft is er geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming en zijn mitigerende maatregelen en is een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Natuurtoets Boerderij Kouwenhoven
18
6 Conclusie en advies
6.1
Beantwoording onderzoeksvragen
Om na te gaan of door de werkzaamheden in het plangebied verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming al dan niet overtreden worden, worden de onderzoeksvragen onderstaand beantwoord.
Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ja, er zijn beschermde soorten aangetroffen binnen de begrenzing van het plangebied. In het plangebied is een essentiële vliegroute van gewone dwergvleermuis en laatvlieger aanwezig. Ook is in het plangebied een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats van de kerkuil aanwezig en zijn 12 jaarrond beschermde nestlocaties van huismus aanwezig. Daarnaast broeden 8 boerenzwaluwen in het plangebied. Verder is er in het plangebied broedgelegenheid voor algemene vogels aanwezig. Ook kunnen incidenteel zwervende of foeragerende exemplaren van de ringslang zich bevinden in het plangebied.
Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Ja, door de sloopwerkzaamheden gaat een vaste rusten verblijfplaats van de kerkuil verloren en gaan 12 jaarrond beschermde nestlocaties van huismus verloren. Ook gaan 8 nestlocaties van boerenzwaluw verloren. Indien de bomenlaan (gedeeltelijk) wordt verwijderd, dan wordt een essentiële vliegroute voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger aangetast. Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen ondervinden algemene broedvogels schade zoals verstoring of vernietiging van nesten door de geplande werkzaamheden. Daarnaast kunnen in de periode april t/m oktober incidenteel aanwezige ringslangen verwond of gedood worden. Negatieve effecten op andere soorten zijn uit te sluiten.
Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Ja, door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen worden negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen. Deze mitigerende maatregelen worden uitgebreid beschreven in paragraaf 6.2.
Is het noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen? Ja, door de sloopwerkzaamheden een vaste rust- en verblijfplaats van de kerkuil verloren, gaan 8 jaarrond beschermde nestlocaties van huismus verloren. Dit is een overtreding van artikel 3.1, lid 2 en 4, artikel en artikel 3.5, lid 2 en 4 van de Wet natuurbescherming. Indien de bomenlaan (gedeeltelijk) worden verwijderd dan verdwijnt een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Dit is een overtreding van artikel 3.5 lid 4 van de Wet natuurbescherming. Omdat negatieve effecten, ondanks het nemen van mitigerende maatregelen niet te voorkomen zijn door de aard van de werkzaamheden, is het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Voor de beschermde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die zijn aangetroffen in het plangebied is een ontheffing niet noodzakelijk. Deze soorten zijn opgenomen op de Algemene vrijstellinglijst van de Provincie Utrecht waardoor er voor deze soorten geen ontheffing noodzakelijk is (zie Bijlage A).