CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

01B-22RV004 Bijlage 01B Archeologisch vooronderzoek

Raad 22 februari 2022, gemeente ZeistBij agendapunt: Afronden verkenning A12/Spoorzone14.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAAP-RAPPORT 5192

A12 Spoorzone Zeist Gemeente Zeist Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek Cultuurhistorisch onderzoek

Colofon Titel: A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek Versie: 09-11-2021, Concept Auteur: drs. R.A.C. Kroes, A.M.J. Kuijt, MA, M. IJsselstijn, MA Projectcode: ZEZZ2 Bestandsnaam: RAAPrap_5192_ZEZZ2_20211109 Autorisatie:

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2021 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Samenvatting In opdracht van de gemeente Zeist heeft RAAP in mei 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd voor de A12-Spoorzone te Zeist. Het onderzoek vond plaats in het kader van het opstellen van een gebiedsvisie. De gemeente Zeist ligt op de overgang van de hoger gelegen, zandige stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug naar de lager gelegen rivierkleigebieden van de Kromme Rijn. Het plangebied bevindt zich op de lagere kleigronden langs de rivier, op gemiddeld zo’n 2,5 tot 5 m boven NAP. Aan de zuidzijde loopt sinds de Tweede Wereldoorlog de A12 die het gebied heeft afgesneden van de Kromme Rijn. Aan de noordzijde vormt de spoorlijn Amsterdam-Arnhem (aangelegd tussen 1843-1845) de begrenzing van het plangebied. Eeuwenlang stroomde de Kromme Rijn ongehinderd door het gebied, waarbij de rivier geregeld zijn loop verlegde. Dit proces duurde tot in de eerste eeuw na Christus. Deze rivier behoorde tot het type dat zandig sediment afzet in de vorm van bedding- en geulafzettingen en oeverwallen. Verder van de stroom af werd – bij overstromingen – klei afgezet in de laag gelegen kommen. Wanneer de sedimentatie vanuit de rivier in de kommen stokte, werd er veen gevormd. Mede daardoor ontstond een divers en reliëfrijk landschap.

De komgebieden waren te nat en drassig om te bewonen, maar de hoger gelegen zandgronden moeten aantrekkelijke vestigingslocaties zijn geweest. Verwacht wordt dan ook dat deze geschikt waren voor bewoning, vooral door landbouwers (vanaf het neolithicum). Uit de middeleeuwen is bekend dat de bisschop van Utrecht in de 9de eeuw bezittingen had te Rumpst, waaronder het meest westelijke deel van het plangebied, en dat hier mogelijk een (kleine) agrarische gemeenschap bestond. Ook de Odijkerweg bestond toen reeds. Na de afdamming van de Kromme Rijn in 1122 liet de bisschop de gronden langs de rivier in cultuur brengen. Hij liet deze ontginningen uitvoeren door particulieren die in ruil daarvoor een zekere machtspositie in het nieuw ontgonnen gebied kregen. Op deze manier zijn in het plangebied de ontginningen Stoetwegen en Vierhoeven tot stand gekomen. De begrenzingen zijn nog grotendeels te herkennen. De ontgonnen gronden werden voor agrarische doeleinden gebruikt. Van de wegen- en waterstructuren die met dit gebruik gepaard gingen, vormt onder meer nog de Tiendweg een duidelijke erfenis. Behalve de kerk begonnen ook deze particulieren hun stempel op het gebied te drukken door de bouw van versterkte huizen. Op Blikkenburg heeft een dergelijk kasteel gestaan, dat vermoedelijk door een ontginnersfamilie is gesticht.

Naarmate de welvaart in de steden vanaf de middeleeuwen toenam, ontstond de trend onder rijke stedelingen om in Zeist hun zomerverblijven te stichten. Door het creëren van zichtlijnen ontstond een nieuwe ruimtelijke verbinding tussen het landschap en zijn bewoners. In de zeventiende eeuw werd Rijnwijk door de kanunnik Jacob van Asch van Wijk aangelegd. De sloop van het huis in de 19 e eeuw zou de laatste grote ingreep in het plangebied genoemd kunnen worden; latere ontwikkelingen waren, met uitzondering van de aanleg van de spoorlijn en de snelweg, beperkt van omvang en aard.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[3]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Bovengronds zijn dan ook nog veel sporen aanwezig van de hierboven beschreven episodes. Op sommige plaatsen geldt ook voor de bodem een hoge verwachting voor het aantreffen van resten van bewoning. In deze rapportage zijn de waarden geïnventariseerd en worden adviezen gegeven voor het vervolg. Hierbij is rekening gehouden met het scenario dat er in het plangebied windmolens en/of een zonneveld worden gebouwd. De belangrijkste conclusies en adviezen zijn als volgt: Conclusies 

In het oosten van het plangebied kan sprake zijn van resten van tijdelijke kampementen uit het paleo– en mesolithicum. Verder westelijk is de top van het pleistocene landschap hoogstwaarschijnlijk geërodeerd door holocene rivieractiviteit, maar een exacte begrenzing hiervan kan niet worden gegeven.

In het westen en midden van het plangebied kan sprake zijn van resten van bewoning uit de periode neolithicum tot aan de 17 e eeuw. Het gaat het om bewoonbare rivierafzettingen aan maaiveld.

Door het midden van het plangebied loopt een strook laaggelegen, kleiige afzettingen waarvoor de archeologische verwachting laag is.

Op twee plekken in het plangebied is zeker sprake van resten van bebouwing uit de Nieuwe Tijd: Rijnwijk en een erf iets ten oosten daarvan.

Langs een aantal als ontginningsassen weergegeven stroken op de gemeentelijke verwachtingskaart is sprake van een verwachting op bewonings- en bebouwingsresten voor de periode vanaf de start van de ontginningen aan het begin van de late middeleeuwen tot de 17e eeuw.

Er zijn in het plangebied twee landschapstypen te onderscheiden, die in oorsprong dateren uit de middeleeuwen. De stroomrugontginning van de Rumpst wordt gekenmerkt door een onregelmatige, blokvormige verkaveling die in de loop der tijd is ontstaan. De ontginningen van Stoetwegen, Vierhoeven en het zuidoostelijke deel van de Breul kenmerken zich juist door een hoge mate van regelmatigheid als gevolg van een planmatige ontginning in relatief korte tijd na de afdamming van de Kromme Rijn in 1122.

Uit de waardering van de landschapstypen blijkt het grootste deel van het plangebied positief tot hoog te scoren. De voormalige ontginning Vierhoeven is het best bewaard gebleven. Onlangs de doorsnijding van de snelweg is de oorspronkelijke indeling van deze ontginning nog in hoge mate herkenbaar en heeft dit landschapstype door de aanleg van landgoed Rijnwijk en de aanwezigheid van het historische land- en waterwegenpatroon een hoge zeggingskracht. Ook de ten westen daarvan gelegen ontginning Stoetwegen is hoog gewaardeerd, als goed herkenbaar voorbeeld van de ontginningen langs de Kromme Rijn. Het zuidelijkste stukje van Stoetwegen is door de aanleg van de snelweg echter verstoord en scoort daarom laag. De stroomrugontginning van de Rumpst is minder goed bewaard gebleven en scoort daarom positief. Door latere perceelsveranderingen, bosbouw en de aanleg van de snelweg is het oorspronkelijke open landschapsbeeld met een onregelmatige blokverkaveling in beperkte mate bewaard gebleven. In het deel direct langs de Kromme Rijn is dit beeld wel bewaard gebleven en daarom scoort dat deel van de Rumpst hoog. Het stukje van de ontginning de Breul/Weerdorp in het noordoosten van het plangebied tenslotte scoort laag, omdat het oorspronkelijke landschapsbeeld hier nagenoeg geheel verdwenen is door perceelsveranderingen en bedrijfsbebouwing.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[4]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Uit de waardering van de landschapselementen blijkt eveneens dat de meeste structuren hoog en positief scoren. De Tiendweg en de oudste lanen bij Rijnwijk zijn de belangrijkste historische wegen, daarna volgen de 19 e -eeuwse wijzigingen en toevoeging van lanen in het gebied. De ouderdom van de waterwegen is meestal dusdanig dat ook deze in combinatie met een hoge mate van oorspronkelijkheid hoog scoren.

Diverse stroomruggen van de Kromme Rijn zijn nog als subtiele hoogteverschillen in het landschap aanwezig. Op sommige plekken zijn ze herkenbaar aan de onregelmatig gevormde sloten. Deze hoogteverschillen en sloten zijn waardevolle elementen die de landschapsgeschiedenis van het gebied inzichtelijk maken.

Uit de inventarisatie van gemeentelijke/rijksmonumenten blijkt dat in het onderzoeksgebied geen beschermde objecten liggen. De beschermde boerderij Zomerdijk (gemeentelijk monument) en het jachthuis van Wulperhorst (rijksmonument) liggen aan de grens van het plangebied en zijn derhalve wel aangegeven. Wel is een deel van het plangebied als Beschermde Structuur aangewezen door de Gemeente Zeist.

In het gebied liggen diverse (restanten van) historische zichtassen.

Advies 

Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring wordt voorkomen. Dat kan vanuit archeologisch perspectief door de geplande ingrepen te plannen buiten de zones waarvoor een advies voor vervolgonderzoek geldt.

Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek in de kansrijke zones met een hoge verwachting. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond, de bodemopbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concrete gegevens worden verzameld over gaafheid en diepteligging van de verwachte archeologische resten.

In het overige deel van het plangebied wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).

Het onderzoek naar de bovengrondse cultuurhistorische waarden in het gebied resulteert in een relatief positieve en hoge waardering van de structuren in het gebied. De afweging om op deze locatie een zonneveld of windmolens te plaatsen, zal daarom met grote zorgvuldigheid gemaakt dienen te worden.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[5]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Uit het onderzoek naar de zichtassen kan geconcludeerd worden dat een redelijk groot deel van het gebied buiten deze assen ligt. Afhankelijk van de hoogte van eventuele windmolens is het echter mogelijk dat de kwaliteit van de beleving van de landgoederen alsnog zal afnemen. Een nadere impactanalyse met visualisaties noodzakelijk is om het effect volledig te kunnen te beoordelen.

Bij de beslissing om energieparken in een cultuurhistorisch waardevol landschap aan te leggen, dienen volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een reeks onderwerpen afgewogen te worden. Voortbouwend op de resultaten van dit onderzoek wordt in hoofdstuk 4.2 hier op gereflecteerd.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[6]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................ 3 Inhoud....................................................................................................................................... 7 1 Inleiding ................................................................................................................................. 8 1.1 Kader ....................................................................................................................................... 8 1.2 Administratieve gegevens ......................................................................................................... 10 1.3 Doel- en vraagstelling archeologisch vooronderzoek .................................................................. 11 1.4 Doel- en vraagstelling cultuurhistorisch onderzoek .................................................................... 11

2 Bureauonderzoek ................................................................................................................. 12 2.1 Methode .................................................................................................................................. 12 2.2 Aardkundige situatie ................................................................................................................ 12 2.3 Archeologische gegevens ......................................................................................................... 23 2.4 Cultuurhistorische gegevens ..................................................................................................... 27 2.5 Zichtassen ............................................................................................................................... 44 2.6 Huidige situatie ........................................................................................................................ 47 2.7 Toekomstige situatie ................................................................................................................ 50

3 Gespecificeerde archeologische verwachting ........................................................................ 51 4 Conclusies en advies ............................................................................................................ 53 4.1 Conclusie ................................................................................................................................ 53 4.2 Advies ..................................................................................................................................... 54 4.3 Tot slot .................................................................................................................................... 58

Literatuur ................................................................................................................................ 59 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ............................................................................... 61

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[7]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

1 Inleiding 1.1 Kader Aanleiding In opdracht van de gemeente Zeist heeft RAAP in mei 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd voor de A12-Spoorzone te Zeist in de gemeente Zeist (figuur 1). Het onderzoek vond plaats in het kader van het opstellen van een gebiedsvisie.

Figuur 1. Aanduiding plangebied. Inzet: ligging in Nederland (ster).

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[8]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Juridisch en beleidskader archeologie Het uitgangspunt voor het archeologische onderzoek wordt gevormd door het wettelijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De gemeente is de bevoegde overheid die een besluit zal nemen over hoe om te gaan met de eventueel aanwezige archeologische waarden. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Zeist ligt het plangebied in diverse beleidscategorieën (figuur 2) gebaseerd op meerdere verwachtingen (figuur 3). Het beleid voor deze zones schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 30 cm -mv in een gebied met een hoge verwachting, bij bodemingrepen groter dan 1000 m 2 en dieper dan 30 cm -mv in een gebied met een middelhoge verwachting en bij bodemingrepen groter dan 100.000 m 2 in een gebied met een lage verwachting een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.

Figuur 2. Het plangebied op de gemeentelijke beleidsadvieskaart. Donkergroen: hoge verwachting; lichtgroen: middelhoge verwachting; geel: lage verwachting; roodomrand: bekend archeologisch terrein.

Figuur 3. Het plangebied op de onderliggende archeologische verwachtingskaart. Donkerrood: hoge verwachting voor alle perioden; donkergroen: hoge verwachting voor de ontginningsperiode; lichtgroen: middelhoge verwachting uit periode vanaf de ontginning; geel: lage verwachting voor alle perioden; grijs: verstoringen.

Deze voorschriften zijn verankerd in het bestemmingsplan Buitengebied Zuidwest 2018. De zones met een hoge verwachting (willekeurig voor welke periode) hebben de dubbelbestemming ‘Archeologie Waarde 1’ gekregen 1 en die met een middelhoge ‘Archeologie Waarde 2’. 2 De omvang van de bodemingrepen is nog niet in detail bekend maar zal in ieder geval de vrijstellingsgrens in de zones

1

https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0355.BPBuitengebiedZW -VS01/r_NL.IMRO.0355.BPBuitengebiedZW VS01.html#_24_Waarde-Archeologie1 2 https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0355.BPBuitengebiedZW -VS01/r_NL.IMRO.0355.BPBuitengebiedZW VS01.html#_25_Waarde-Archeologie2

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[9]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

met een hoge verwachting overschrijden. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden zal daarom mogelijk verplicht zijn conform het vigerend beleid en/of het bestemmingsplan. Kwaliteitsborging De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), is door de minister aangewezen als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.

1.2 Administratieve gegevens Type onderzoek

Bureauonderzoek

Opdrachtgever

Gemeente Zeist

Bevoegde overheid

Gemeente Zeist

Plaats

Zeist

Gemeente

Zeist

Provincie

Utrecht

Centrumcoördinaten (X/Y)

144.588 / 452.556

Kadastrale gegevens

ZEI00 F 907

Oppervlakte plangebied

138 hectare

Afbakening onderzoeksgebied

Tijdens onderhavig onderzoek is het plangebied onderzocht.

Onderzoeksperiode

Mei 2021

Uitvoerder

RAAP West

Projectleider

drs. R.A.C. Kroes, A.M.J. Kuijt MA

RAAP-projectcode

ZEZZ2

ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer

5065151100

Beheer en plaats documentatie

RAAP regio West te Leiden en op termijn het provinciaal Depot, ARCHIS en E-Depot.

Tabel 1. Administratieve gegevens.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[10]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

1.3 Doel- en vraagstelling archeologisch vooronderzoek De doelstelling van het archeologisch vooronderzoek is het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein, dan wel de archeologische vindplaats. Daartoe wordt informatie verzameld over bekende en verwachte archeologische resten teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiertoe is een aantal onderzoeksvragen geformuleerd: 

Hoe ziet de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?

Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen in en rond het plangebied zijn reeds bekend?

Wat was het historisch landgebruik van het plangebied en wat is het landgebruik nu en wat is de invloed daarvan op de (verwachte) archeologie en (bodem)gaafheid?

Wat is de gespecificeerde verwachting ten aanzien van nog onbekende archeologische waarden in het gebied? En wat zijn hiervan de prospectiekenmerken?

Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten?

Op welke wijze kan bij de planvorming met archeologische resten worden omgegaan?

Met de inzet van welke zoekmethoden kunnen verwachte resten systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)?

1.4 Doel- en vraagstelling cultuurhistorisch onderzoek Het doel van dit deel van het onderzoek is om de cultuurhistorische ontwikkelingsgeschiedenis van het onderzoeksgebied te beschrijven en de sporen en structuren die daarvan in de huidige situatie bewaard gebleven zijn te inventariseren en te waarderen. Tevens worden aanbevelingen gedaan over hoe de vastgestelde cultuurhistorische waarden in het kader van de geplande ingrepen behouden of indien mogelijk versterkt kunnen worden. In het verlengde van dit onderzoek zijn ook de zichtassen in het gebied, die zich uitstrekken vanaf de nabije landgoederen, in kaart gebracht.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[11]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

2 Bureauonderzoek 2.1 Methode Archeologisch onderzoek Het bureauonderzoek dient ervoor om – op basis van verschillende bronnen – inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de bodemopbouw en de sporen die het menselijk gebruik in de loop van de tijd heeft achtergelaten. Met behulp van deze gegevens wordt een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Naast de conform de KNA verplichte bronnen is door de gebiedsexperts van RAAP een beredeneerde keuze gemaakt uit betrouwbare bronnen die voor de archeologische verwachting relevante informatie bevatten (zie bijlage 2 voor de motivering). Daarvoor is gebruik gemaakt van de landelijk en voor RAAP digitaal beschikbare archieven. Voor de beschrijving van de historische situatie is gebruik gemaakt van hiervoor relevante informatiedragers. Voor de actuele metadata van de verzamelde gegevens (gemeente, plaats, etc.) wordt verwezen naar het van toepassing zijnde data-archief.

Cultuurhistorisch onderzoek Waar het archeologische vooronderzoek zich vooral richt op de cultuurhistorische sporen onder het maaiveld, focust het cultuurhistorische onderzoek op de bovengrondse sporen en structuren. De cultuurhistorische inventarisatie is middels een GIS opgesteld conform de richtlijnen van de RCE. Hierbij is de veel gehanteerde opdeling gebruikt van cultuurlandschap, landschapselementen en bouwkunst. De toelichting op de waarderingsmethode is in bijlage 3 beschreven. Naast de bronnen die ook voor het archeologische bureauonderzoek gebruikt zijn, en de bronnen zoals die door de opdrachtgever zijn genoemd, is voor het cultuurhistorische onderzoek tevens gebruik gemaakt van relevant archiefmateriaal. Vanwege de sluiting van archieven door COVID-19 kon alleen van online materiaal gebruik worden gemaakt. Daarnaast heeft een veldinspectie van het plangebied plaatsgevonden.

2.2 Aardkundige situatie Aan het einde van de laatste ijstijd lag het plangebied in een zandig, naar het zuidwesten afhellend landschap dat bestond uit eolische dekzanden in het hoge noordoosten en zandige afzettingen van vlechtende rivieren in het laaggelegen zuidwesten. Na de ijstijd werd het klimaat warmer en natter en steeg de zeespiegel. Het grootste deel van het plangebied werd afgedekt door afzettingen van meanderende rivieren, het type dat ook nu nog traag door oneindig laagland gaat. Dergelijke rivieren zetten zandiger sediment af in en vlak bij de bedding in de vorm van bedding- en geulafzettingen en oeverwallen. Deze oeverwallen liggen hoger dan het omringende land en vormen een soort natuurlijke begrenzing van de stroom. Verder van de stroom af wordt – bij overstromingen – klei afgezet in de kommen. Wanneer de sedimentatie vanuit de rivier in de kommen stokt, wordt er veen gevormd. Wanneer de rivier door zijn eigen oeverwallen heen breekt, worden in de komgebieden zandige crevasses afgezet, die ook wat hoger liggen dan de kom.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[12]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

De komgebieden zijn te nat en drassig om te bewonen, maar de hoger gelegen zandige afzettingen van beddingen, oeverwallen en crevasses vormen aantrekkelijke plekken om te wonen en hier zijn dan ook doorgaans resten van menselijke bewoning te verwachten. De tabel op de volgende pagina geeft een overzicht van de geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het plangebied en de directe omgeving.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[13]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Geologische situatie 3

Grotendeels Formatie van Echteld: rivierklei op rivierzand (zandige stroomgordel). Ten westen daarvan Formatie van Echteld en Formatie van Nieuwkoop: rivierklei en zand met inschakelingen van veen (komgebied). Ten oosten daarvan Formatie van Echteld en Formatie van Nieuwkoop op Formatie van Boxtel: rivierklei en zand met inschakelingen van veen op dekzand (komgebied). In het uiterste oosten Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden: dekzand (figuur 4). In het DINO Loket zijn geen boringen geregistreerd in het plangebied die diep genoeg gaan om de plaatselijke geologische opbouw te bepalen. Enkele sonderingen in het tracé van de snelweg langs de zuidrand van het plangebied leveren slechts de informatie op dat de bodemopbouw vrijwel uitsluitend uit zand bestaat. Aangenomen mag worden dat het hier rivierzand op dekzand betreft. Dat zou betekenen dat het basisveen overal verdwenen is en de top van het dekzand dus door latere rivieractiviteit geërodeerd. Pleistocene zandafzettingen (zowel dekzand als rivierzand) dagzomen in de noordoosthoek van het plangebied. Verwacht kan worden dat ze verder naar het westen onder de Holocene rivierafzettingen duiken, alwaar de top ervan mogelijk geërodeerd is.

Paleogeografische situatie

Het plangebied ligt grotendeels (westen en midden) op de stroomgordel van de Kromme Rijn, die actief was tot in de eerste eeuw, de Romeinse tijd. Daarnaast ligt onder een deel van het plangebied (oosthelft) nog de afzettingen van een vanuit deze stroomgordel gevormde crevasse die eveneens actief was tot in de eerste eeuw (figuur 5).

Geomorfologische situatie 4

Niet volledig gekarteerd. In het plangebied zelf eveneens twee restgeulen (22R43), in het westen een van de Kromme Rijn, in het oosten van een crevasse; vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (2M53) en gordeldekzandwelvingen (3L52) in het oosten. Net ten noorden van het plangebied is ook dekzandrug (3B53) gekarteerd en net ten zuidwesten rivierdalbodem (22R41). Het is mogelijk dat deze zich tot in het plangebied uitstrekken in de niet gekarteerde gebieden (zie figuur 6). De morfogenetische kaart van zuidelijk Utrecht van Berendsen uit 1982 komt hiermee vrijwel exact overeen, maar is wel vlakdekkend gekarteerd weergegeven. De ongekarteerde delen uit de Geomorfologische Kaart van Nederland zijn weergegeven als oeverwal. Enig verschil zijn enkele oude rivierbeddingen en restgeulen die zeer nauwkeurig zijn weergegeven (figuur 7). 5 Het is niet bekend waar het verloop van deze beddingen op gebaseerd is. Zij komen slechts vagelijk overeen met het kaartbeeld uit het AHN (figuur 13).

Ouderdom geomorfologische structuur

3 4 5

Holoceen

W eerts e.a., 2006 Koomen & Maas, 2004 Feijen, 2011

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[14]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Bodemkundige situatie

Grofweg van west naar oost (zie figuur 8): 

(buiten het plangebied) kalkloze poldervaaggronden in zware klei (Rn47C); gezien de vorm behorend tot rivierdal-afzettingen van de Kromme Rijn (de rivierdalbodem die ook in de geomorfologische kaart te zien is; 22R41).

Kalkhoudende ooivaaggronden ontwikkeld in zware zavel en lichte klei (Rd90A), behorende bij oeverafzettingen vanuit de Kromme Rijn.

kalkloze poldervaaggronden ontwikkeld in zware zavel en lichte klei (Rn95C), een overgangszone tussen oeverwal en kom.

kalkloze poldervaaggronden ontwikkeld in zware klei (Rn47C), behorende bij komafzettingen.

kalkloze poldervaaggronden ontwikkeld in zware klei met een zandondergrond (Rn62C), eveneens komafzettingen afgezet op dekzand.

hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ21), ontstaan door bemesting met potstalmest en heideplaggen van het dekzandlandschap.

De bodemopbouw wijst op lichtere en zandiger rivierafzettingen in het westen op de oeverwallen, die naar het oosten overgaan in kleiiger komafzettingen, die verder oostelijk op Pleistocene zandafzettingen liggen. In de noordoostpunt van het plangebied dagzomen deze zandafzettingen, alwaar zij door het opbrengen van plaggenmest tot enkeerdgronden zijn ontwikkeld met een plaggendek van minimaal 50 cm. Een bodemkundige kaart uit 1961 dekt de zuidwestelijke hoek van het plangebied. 6 Hoewel deze kaart voornamelijk is samengesteld om de vochthuishouding in de bodem te beschrijven, is goed te zien dat ook hier vanuit de rivier ten westen van het plangebied zandige afzettingen langs de restgeul en kleiiger afzettingen verder weg zijn afgezet (figuur 9). De bodemkaart van Kiestra uit 1993 laat iets meer detail zien. 7 Globaal komt deze kaart goed overeen met de andere twee bodemkaarten, met als uitzondering het verloop van enkele oude rivierarmen die met groot detail zijn weergegeven en mogelijk een iets ander verloop hebben door interpretatieverschillen van de velddata (figuur 10). In dit verband is het op te merken dat de meest oostelijke restgeul – die ook op de Geomorfologische Kaart van Nederland (figuur 6) voorkomt –niet overeenkomt met de gedetailleerd weergegeven restgeul in de morfogenetische kaart van Berendsen (figuur 7).

De restgeul van Kiestra ligt een stuk oostelijker dan die van Berendsen. Beide liggen wel binnen de – breder gekarteerde – restgeul in de Geomorfologische Kaart van Nederland. Actueel Hoogtebestand van Nederland

Op een weergave van het AHN is duidelijk te zien dat de zandiger gronden in het plangebied, zoals aangegeven op de bodemkaart, hoger liggen en de kommen lager. De hoger gelegen gronden komen min of meer overeen met het verloop van de crevasse en de stroomgordel van de Kromme Rijn. Zie figuur 13 en figuur 31. Van deze hoger gelegen en dus drogere en dankzij hun zandiger samenstelling beter bewerkbare gronden mag worden verwacht dat deze geschikt waren voor bewoning, vooral door landbouwers.

Verwachte diepteligging van archeologisch relevante lagen

Aan maaiveld dan wel direct onder de bouwvoor en/of een antropogeen ophoogpakket (zoals bijvoorbeeld een plaggendek).

Tabel 2. Overzicht van geraadpleegde geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het plangebied en de directe omgeving.

6 7

Z.a. 1961 Kiestra, 1993.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[15]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 4. Het plangebied op de geologische kaart. In de noordoosthoek is ondoorzichtig een tweede kaart weergegeven: de kaart van pleistocene afzettingen, die iets afwijkt van de Geologische Kaart (Kaart Pleistocene Afzettingen: grijs: onafgedekt; blauw: rivierafzetting; oranje: cultuurdek; geel: stuifzand).

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[16]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 5. Het plangebied op de paleogeografische reconstructie van de Rijn-Maasdelta. Stroomgordels: 397: Kromme Rijn tot in de Romeinse Tijd; 85: Kromme Rijn; 181: Werkhoven (Cohen, 2012).

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[17]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 6. Het plangebied op de geomorfologische kaart.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[18]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 7. Het plangebied op de morfogenetische kaart van zuidelijk Utrecht (bron: Berendsen, 1982).

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[19]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 8. Het plangebied op de bodemkaart.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[20]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 9. Het westelijk deel van het plangebied (blauw) geprojecteerd op een bodemkartering uit 1961. Rood: grofen fijnzandige gronden; geel: lichte komgronden; oranje en beige: overgangsgronden tussen deze beiden; gearceerd: dal van de Kromme Rijn.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[21]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 10. Gedetailleerde bodemkaart van het plangebied (rood). Lichtblauw en lichtgroen: poldervaaggronden; groen tot geel: ooivaaggronden; geel: blauw: oude rivierarmen (Bron: Kiestra, 1993).

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[22]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

2.3 Archeologische gegevens Gemeentelijk archeologiebeleid Bestemmingsplan

Zie § 1.1 ‘kader’

Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart

Zie § 1.1 ‘kader’

Gemeentelijke archeologische beleidskaart

Zie § 1.1 ‘kader’

Tabel 3. Overzicht van het geldende archeologiebeleid en achterliggende verwachtingskaart.

Monument

Complex

Datering

Waarde

2216

Borg/stins/versterkt huis

Nieuwe tijd

Hoge waarde

Zaakidentificatienr.

Complex

Datering

Materiaal

Verzamelwijze

4718245100

Onderzoeksmelding zie tabel 5 hieronder

2986871100

Onderzoeksmelding zie tabel 5 hieronder

2749435100

Kasteel

Late middeleeuwen

Fundering

Veldkartering

3075970100

Onbepaald

Late middeleeuwen

Aardewerk

Veldkartering

3082514100

Onbepaald

Late middeleeuwen

Aardewerk

Veldkartering

Tabel 4. Overzicht van de bekende archeologische monumenten en archeologische vondstlocaties in en rond het plangebied.

De in het plangebied aangetroffen archeologische resten wijzen op bewoning in de late middeleeuwen en de aanwezigheid van een tweede versterking naast Rijnwijk. De onderzoeksmeldingen worden hieronder in tabel 5 behandeld.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[23]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 11. Archeologische waarnemingen en terreinen rond het plangebied.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[24]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Eerder in de omgeving uitgevoerd veldonderzoek volgens ARCHIS3 Zaakidentificatienr

Resultaat/advies

Opmerking

4718245100

Niet intact bodemprofiel (A/C-profiel). Vooral recente verstoringen en paalkuilen van een klein gebouw aangetroffen. Lage waardering, geen vervolgonderzoek.

Proefsleuven ADC2019. 8

2986871100

Diverse onderzochte deelgebieden. Plangebied niet onderzocht.

Veldkartering RAAP 1997. 9

2043340100

Onderdeel van een langlopend onderzoek in Kromme Rijngebied. Geen locaties in het plangebied.

Veldkartering ROB 1960.

2321438100

Onbekend

Booronderzoek Arcadis 2011. 10

3075970100

Vondstmelding, zie tabel 4 hierboven.

3082514100

Vondstmelding, zie tabel 4 hierboven.

2088264100

Langs gehele zuidrand van het plangebied beddingafzettingen binnen 2 m diepte, restgeulen en dekzand met fluviatiel kleidek. Advies begeleiding werkzaamheden.

Booronderzoek RAAP 2002. 13

Vervolgonderzoek in het kader van ditzelfde project net ten zuiden van het plangebied leverde hetzelfde advies op. 11 Er is geen verslag van een begeleiding in dit gebied bekend. Wel is ten oosten van het plangebied een vindplaats uit de ijzertijd en de Romeinse tijd opgegraven in het kader van hetzelfde project. 12 Tabel 5. Overzicht van eerder archeologisch veldonderzoek in en rond het plangebied.

8

Van Benthem, 2019 Marinelli, 1997 Brokke, 2012; nier in Archis of Dans Easy aanwezig 11 Kruidhof & Jansen, 2004 12 Tol, 2008 13 Jansen & Van Eijk, 2002 9

10

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[25]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 12. Eerder uitgevoerd archeologisch veldonderzoek.

Bekende archeologische gegevens uit andere bronnen In de cultuurhistorische studie Tastbare Tijd zijn in het plangebied enkele kades en doorgaande wegen opgenomen die vanaf de late middeleeuwen kunnen zijn gebruikt om het landschap te ontginnen. Dit is waarschijnlijk de reden dat ze in de gemeentelijke verwachtingskaart als ‘ontginningsas’ zijn opgenomen (zie § 1.1 “kader’). Het gaat om de Zeisterweg-Odijkerweg, een nu niet meer bestaande dwarsweg tussen deze weg en de Tiendweg en in het westen van het plangebied een nu niet meer bestaande oost-westverbinding. Deze assen waren onderdeel van de ontginning Stoetwegen. 14

14

Blijdenstijn, 2005.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[26]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Verwacht kan worden dat hier langs bewoning en bebouwing heeft plaatsgevonden vanaf de 11e eeuw, de periode van de eerste ontginningen. In het plangebied zijn geen bestaande of verdwenen molens geregistreerd. 15 Ook voor de periode van de Tweede Wereldoorlog zijn geen resten te verwachten volgens de Indicatieve Kaart van het Militair Erfgoed (IKME). 16 Geallieerde kaarten uit de bezettingstijd laten in het plangebied ook geen militaire inrichting van het landschap zien. Ten noorden van de spoorlijn, buiten het plangebied zijn wel foxholes aangegeven. 17

2.4 Cultuurhistorische gegevens 2.4.1

Middeleeuwen

Kromme Rijn De gemeente Zeist ligt op de overgang van de hoger gelegen, zandige stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug naar de lager gelegen rivierkleigebieden van de Kromme Rijn. Het plangebied bevindt zich op de lagere kleigronden langs de rivier, op gemiddeld zo’n 2,5 tot 5 m boven NAP. Eeuwenlang stroomde de Kromme Rijn ongehinderd door het gebied, waarbij de rivier geregeld zijn loop verlegde. Op de figuren figuur 6 en figuur 13 zijn verschillende oude meanders, die tot in de Romeinse tijd actief waren, te herkennen. In het veld zijn ze vaak wat lastiger te herkennen vanwege de subtiele hoogteverschillen, hoewel het reliëfverschil op sommige plekken (zoals op landgoed Rijnwijk) meer dan een halve meter bedraagt. In de vroege middeleeuwen werd de huidige loop van de Kromme Rijn de hoofdgeul, al lag de rivierbedding niet vast en zal deze voor de afdamming bij Wijk bij Duurstede een stuk breder zijn geweest dan tegenwoordig. Uit een overgeleverde goederenlijst van de Utrechtse kerk is bekend dat de bisschop van Utrecht in de 9de eeuw in het plangebied bezittingen had te Rumpst. 18 Waarschijnlijk moeten we daarbij denken aan boerderijen die onder het domaniale stelsel geëxploiteerd werden. Ook uit de latere boerderij de Rumst moest hofgeld worden betaald. Boerderij de Rumst had een grootte van 62 morgen of vier hoeven. Het oostelijk deel ervan ligt binnen het plangebied.

Uit latere documenten blijkt er in Rumpst ook een eng en een brink te zijn 19 waaruit de indruk ontstaat van een (kleine) agrarische gemeenschap op de oostelijke oeverwal van de Kromme Rijn. Kerkelijk behoorde Rumpst tot Zeist, maar juridisch en bestuurlijk behoorde het tot het aan de overzijde van de Kromme Rijn gelegen Bunnik. In het oostelijke deel van Rumpst lagen twee blokvormige percelen; het noordoostelijke hoorde onder Zeist en was sinds 1313 bezit van het Kapittel van Sint-Pieter. Het zuidwestelijke was van 1531 tot 1697 eigendom van het kartuizerklooster op de Sonnenberg bij Kampen. In de 18de eeuw kwamen zowel de Rumst, de hoeve van Sint-Pieter als de hoeve van de Kartuizers bij Kampen in bezit van Willem Nicolaas Pesters (1717-1794), eigenaar van de buitenplaats Wulperhorst. Zijn bezittingen staan afgebeeld op een kaart uit 1782 of kort daarna (figuur 16).

15

Allemolenskaart.nl www.ikme.nl https://www.bac-lac.gc.ca/eng/CollectionSearch/Pages/record.aspx?app=fonandcol&IdNumber=5082970&new=8586026536465541236 18 Dekker 1983, p. 31-32 19 Dekker 1983, p. 81, 85 16 17

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[27]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

In de 19de eeuw werd de grens tussen Bunnik en Zeist verlegd en kwam het hele plangebied in de gemeente Zeist te liggen. Een deel van het landgoed Wulperhorst ging van Zeist over naar Bunnik. Het boerenerf van de Rumst bleef Bunniks grondgebied.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[28]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 13. Verschillende oude meanders van de Kromme Rijn zijn nog te herkennen op deze uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[29]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Ontginningen: Stoetwegen en Vierhoeven Ook de Odijkerweg dateert van voor de eerste middeleeuwse ontginningen langs de Kromme Rijn. Deze weg vormde vanouds de verbinding tussen Odijk, waar in de 9de eeuw een bisschoppelijk domein functioneerde, en de routes over de flank van de stuwwal (de huidige Driebergseweg en Arnhemse Bovenweg). Na de afdamming van de Kromme Rijn in 1122 werd het mogelijk de broekgronden langs de rivier grootschalig in cultuur te brengen. De bisschop van Utrecht liet deze ontginningen uitvoeren door particulieren, die in ruil daarvoor vaak aanspraak konden maken op het uitoefenen van de lage rechtspraak en het innen van opbrengstbelastingen in het nieuw ontgonnen gebied. Op deze manier zijn in het plangebied rond het midden van de 12e eeuw de ontginningen Stoetwegen en Vierhoeven tot stand gekomen, waarvan de begrenzingen nog grotendeels zijn te herkennen. Stoetwegen waterde in westelijke richting af via de Stoetweegse wetering, een afwateringskanaal waarvoor een restgeul van de Rijn werd benut. Uit 18de- en 19de-eeuwse kaarten is af te leiden dat deze wetering toen nog bestond. Tegenwoordig resteert slecht een klein slootje ten zuidwesten van Tiendweg 28. Vierhoeven waterde via vier tochtsloten in zuidelijke richting af op de Kromme Rijn. De Rijnwijkse wetering was in oorsprong een van deze afwateringskanalen.

Uit de eerste particuliere ontginners kwamen families voort die een zekere lokale machtspositie wisten op te bouwen. In ruimtelijke zin manifesteerden zij dat door het bouwen van een versterkt huis, dat vaak bestond uit een bakstenen woontoren op een omgracht erf. Mogelijk was ook het oudste Blikkenburg, net ten noorden van het plangebied, oorspronkelijk zo’n versterkt huis van een lokale ontginnersfamilie. In Stoetwegen lag in de 13e eeuw ook een uithof (boerderij) van het Vrouwenklooster bij De Bilt. Deze bevond zich ten noorden van het plangebied, ter hoogte van Tiendweg 14. Vrouwenklooster bleef tot eind 17de eeuw de grootste grondeigenaar in Stoetwegen. De Tiendweg is vermoedelijk na de ontginning van het gebied aangelegd. Tiendwegen komen op meer plaatsen in Nederland voor en bestonden doorgaans uit twee parallel liggende waterwegen, gescheiden door een iets hoger liggende weg of kade. De meeste lopen parallel aan de ontginningsbasis (vaak een rivier) en staan haaks op de sloten. Dankzij deze tiendwegen kon het gebied tussen de weg en de rivier in het voorjaar eerder worden ontwaterd, waardoor het bijvoorbeeld geschikt bleef voor akkerbouw. 20

Figuur 14. Ontginningen Kattenbroek, Stoetwegen en Vierhoeven (bewerkt naar Dekker 1983).

20

Minkjan 2005, p. 58

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[30]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 15. Tiendkaart van Stoetwegen uit 1701 (Het Utrechts Archief). De landgoederen Rijnwijk en Wulperhorst nemen een prominente plaats in het landschap in. De grenzen tussen de tiendblokken zijn in donkerrood aangegeven.

Vroege Nieuwe Tijd: aanleg landgoederen Slot Zeist, Blikkenburg, Wulperhorst, Rijnwijk De overgang tussen de hoge zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug en de nattere kleigronden langs de Kromme Rijn schiep de ideale condities voor het aanleggen van fraaie landgoederen. Zeist raakte vanaf de 17e eeuw dan ook in trek als zomerverblijf voor rijke stedelingen die er lommerrijke verblijven lieten aanleggen. Het dorp groeide uit tot de ‘Parel van de Stichtse Lustwarande’. Deze ontwikkeling is in de literatuur uitgebreid beschreven. Onder meer langs de Utrechtseweg en de Driebergseweg werd een kralensnoer van villa’s en buitens gebouwd, waaronder Blikkenburg, Wulperhorst en Rijnwijk. Blikkenburg en Rijnwijk waren via lange lanen met de Driebergseweg verbonden. Wulperhorst ligt iets verder afgelegen naar het zuidwesten. Het heeft historisch gezien een sterke relatie met Blikkenburg en Slot Zeist, omdat het gedurende diverse perioden in de geschiedenis dezelfde eigenaar had. Rijnwijk is van deze buitens het minst als buitenplaats herkenbaar, maar kent nog wel zeer oude structuren (12 e -19 e eeuw). Het huis en de overige opstallen zijn gesloopt en de landschappelijk aanleg is verwilderd. De oorspronkelijke relatie tussen de buitens en de Kromme Rijn is door de latere aanleg van de spoorlijn en de snelweg niet geheel verloren gegaan.

De verbindende waterwegen, waarvoor oude ontginningssloten werden vergraven en die voor aanvoer van bouwmateriaal en afvoer van hakhout zullen zijn gebruikt, zijn nog herkenbaar en lopen nog door tot aan de Kromme Rijn (‘grand canal’ bij Wulperhorst en Rijnwijkse Wetering bij Rijnwijk). 21

21

Geopark Heuvelrug, https://www.geopark-heuvelrug.nl/geo-info/specifieke-onderwerpen/waterwegen/

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[31]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Slot Zeist Willem Adriaan van Nassau-Odijk werd in 1677 eigenaar van de nieuw gecreëerde heerlijkheid Zeist en Driebergen. Vervolgens liet hij het grootse Slot Zeist met lusthof bouwen. De ridderhofstad was omgeven met 400 hectare aan tuin en bos, ingericht volgens de Franse formele stijl. Aan twee zijden strekte zich een monumentale centrale as uit; in zuidwestelijke richting bedroeg de lengte van deze as anderhalve kilometer. De as is nog duidelijk herkenbaar, maar verder is de aanleg aan de zuidwestkant in de 19 e en 20e eeuw ingrijpend veranderd. Eerst door de aanleg van een landschapspark in opdracht van J.E. Huydecoper (ontwerp J.D. Zocher jr., zie figuur 18), later door de bouw van onder andere sportvelden en villa’s. 22 Wulperhorst Wulperhorst ligt op de plaats van een oude hofstede. In de veertiende eeuw was het een leen van Kasteel Hardenbroek. Het huis staat op het hoogst gelegen deel van het perceel, een oude oeverwal. Uit kaarten blijkt dat de oriëntatie van het landgoed en waarschijnlijk ook de begrenzing zijn gebaseerd op de middeleeuwse verkaveling. Op de kaart van Stoetwegen van 1701 is een vroege aanleg te zien. Over het perceel liep een brede weg van noordoost naar zuidwest met het huis en enkele bijgebouwen aan de oostzijde gelegen.

Tegenover het huis lag een onbebouwd perceel; verder was het terrein ingericht met rechthoekig gevormde bospercelen, grachten en sloten. De sloot aan de zuidoostzijde werd in de 18e eeuw in opdracht van eigenaar W.N. Pesters getransformeerd in een breed kanaal (‘grand canal’) dat voorbij de hofstede De Rumpst naar de Kromme Rijn liep. De centrale laan werd tevens doorgetrokken naar de hofstede Rumpst. De laan (niet meer herkenbaar) en het kanaal maakten onderdeel uit van een lusthof met siertuinen, sterrenbossen, moestuinen en boomgaarden.

Figuur 16. De formele aanleg van Wulperhorst op de kaart gemaakt door P. Huguenin, na 1782. In deze eeuw werd Wulperhorst uitgebreid in zuidwest- en zuidoostelijke richting. (Zeister Historisch Genootschap)

22

IJsselstijn & Kruidenier 2012, pp.527-532.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[32]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

De literatuur vermeldt nog diverse latere aanpassingen in de aanleg van Wulperhorst, achtereenvolgens door de ontwerpers S.A. van Lunteren (ook verantwoordelijk voor de bouw van het huis, 1857-1858) en L.A. Springer (1923). Voortbouwend op eerder onderzoek zijn verderop in dit rapport de gerealiseerde zichtlijnen geïnventariseerd.

Figuur 17. Kaart uit 1910 met de landschappelijke aanleg van Wulperhorst gedeeltelijk te zien (Zeister Historisch Genootschap; het noorden ligt rechtsonder).

De formele, op de Franse stijl geënte tuin is in de 19 e eeuw vervangen door een aanleg in (Engelse) landschappelijke stijl. Dit gebeurde in opdracht van de familie Huydecoper die aan het begin van die

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[33]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

eeuw zowel Slot Zeist, Blikkenburg als Wulperhorst in hun bezit kregen. Het geïntegreerde ontwerp van J.D. Zocher voor het gebied tussen de bezittingen in (1831) bevatte diverse lanen teneinde ze ruimtelijk en visueel met elkaar te verankeren. Dit plan is gedeeltelijk gerealiseerd. Bij de aanleg van de spoorlijn in 1844 was Wulperhorst tot onvrede van de Huydecopers doorsneden. Een jaar later bouwden zij pal naast het spoor een jachthuis (‘Het Chalet)’, ook kwam er een halte waar op verzoek uitgestapt kon worden. 23 De nog aanwezige gebogen laan vanaf de spoorwegovergang door het plangebied naar Zomerdijk (destijds eveneens in bezit van Huydecoper) 24, dateert ook uit deze periode. Hier is sprake van een wandelbosje of, gezien de verbinding met het Chalet, mogelijk een jachtweg. In elk geval werden alle drie de bezittingen op deze manier aan elkaar verbonden. Van de landschappelijke aanleg zijn nog diverse elementen herkenbaar, waaronder het grand canal dat bij de formele aanleg hoorde. De tuin is na 2004 deels gereconstrueerd, ten tijde van het opstellen van het onderhavige rapport worden opnieuw werkzaamheden uitgevoerd.

Figuur 18. Ontwerp van J.D. Zocher (1831) voor het gebied tussen Slot Zeist (links), Blikkenburg (boven) en Wulperhorst (rechts). (RCE)

23 24

Volkers 2011, p. 97 Kadastrale kaart 1832, OAT, Sectie F blad 7

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[34]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Blikkenburg Blikkenburg zou in de veertiende eeuw al gesticht zijn als kasteel. Zeventiende-eeuwse tekeningen tonen een door een gracht omgeven fors bouwwerk met hoge trapgevels. In de achttiende eeuw resteerde van het kasteel alleen nog een toegangspoort. 25 Voor Blikkenburg leverde K.G. Zocher in 1852, nadat het in handen was gekomen van de familie Huydecoper, een ontwerp voor zowel een nieuw huis en koetshuis als een tuin in landschappelijke stijl. Twintig jaar daarvoor had zijn oudere broer J.D. Zocher al een integraal ontwerp gemaakt voor Slot Zeist en Wulperhorst, destijds alle in handen van Huydecoper. Dit ontwerp is zoals gezegd ten dele gerealiseerd. Vanuit Blikkenburg is heden ten dage met name de zichtlijn naar Wulperhorst nog goed te beleven. Van Groningen typeert Zochers ontwerp als een in zichzelf besloten ‘geschakeerd plantsoen’ met korte zichtassen, kronkelende paden en waterlopen en een rijke aanplant van bomen en struiken. De uitvoering was vermoedelijk bescheidener; 26 dat is ook hoe de tuin zich vandaag de dag toont. Een projectie van Zochers ontwerp op de huidige situatie laat bovendien zien dat het huis iets westelijker staat ten opzichte van het ontwerp.

Figuur 19. Ontwerp van K.G. Zocher voor Blikkenburg, 1852. (Gemeentearchief Zeist).

25 26

IJsselstijn & Kruidenier 2012, p. 162 Van Groningen 1999, p. 298

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[35]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Rijnwijk Het landgoed Rijnwijk gaat terug op een boerderij die al voor 1500 bestond. In dat jaar werd de helft van het erf, dat in totaal 43 morgen besloeg, aan het klooster Nieuwlicht bij Utrecht verkocht. De andere helft raakt in drie delen verdeeld. Twee van deze delen, ter grootte van 14 morgen, bezat Johan van Wijck volgens het Oudschildregister al vóór 1600; hij, zijn weduwe en/of hun zoon Jacob van Asch van Wijck verwierven vervolgens de rest van het erf en ook vele aangrenzende kleinere percelen in de ontginning Vierhoeven. Jacob van Asch van Wijck liet er vervolgens het landhuis Rijnwijk bouwen. 27 Van dit prachtige renaissancehuis Rijnwijk resteert boven de grond vermoedelijk niets meer. Net als bij Wulperhorst werd de voor de landschappelijke aanleg de oriëntatie van het middeleeuwse verkavelingspatroon gevolgd en werden diverse oudere structuren gehandhaafd of hergebruikt. Het huis en de bijgebouwen stonden in de zeventiende eeuw op een eiland, omringd door een gracht. Deze gracht takte vermoedelijk aan of maakte gebruik van een oudere sloot die de grens markeerde tussen de ontginningen Stoetwegen en Vierhoeven. Ter hoogte van die grens liep ook de Laan van Rijnwijk die de toegang verschafte tot Rijnwijk vanaf de Driebergseweg.

Deze laan passeerde de westzijde van het eiland met behulp van twee kleine bochtjes, en liep aan de zuidoostzijde in een kaarsrechte lijn door tot aan de Kromme Rijn. Tussen 1701 en 1832 is blijkens kaarten dit deel van de laan iets naar het zuidoosten verlegd. Aan de noordzijde van het huis onderbrak het eiland de oude Tiendweg. Rijnwijk was in de 17 e eeuw ingericht met tuinen, bos en rechte lanen. Deze water- en laanstructuur is nog ten dele herkenbaar. Aan de zuidoostzijde van de buitenplaats ligt nog steeds de Rijnwijkse Wetering, waarvan de oorsprong teruggaat tot de ontginning van Vierhoeven. Na 1830 is hier de Breulse Vaart op aangesloten, die ten zuiden van de spoorlijn nog een kleine knik maakt. De Rijnwijkse wetering speelt nog een actieve rol in het ecologische- en waterbeheer van het onderzoeksgebied. Ten zuiden van de A12 ligt nog een voormalige schutsluis (Odijkersluis), gebouwd in 1870 bij de kanalisatie van de Kromme Rijn. 28 In de decennia rond 1800 kreeg Rijnwijk een ander aanzicht. Een deel van het formele lanenstelsel werd vervangen door een landschappelijke aanleg. Een forse ingreep uit deze periode was het verplaatsen van het zuidelijke deel van de Laan van Rijnwijk naar de as van het huis Rijnwijk. Diverse rechte lanen werden vervangen door een wandelbosje met slingerpaden.

Oorspronkelijk vormde dit een aaneengesloten wandeling langs de oever van de Kromme Rijn. Door de aanleg van de A12 is deze wandeling niet meer volledig intact. Van de wijziging is geen nadere beschrijving of tekening aangetroffen. Twee ijzeren poorten bij de spoorlijn markeren op die plaatsen nog de grenzen van de buitenplaats. Op de locatie van de 18e eeuwse hoeve Klein Rijnwijk 29 staat een boerenbedrijf met een recent woonhuis. Het deel van Rijnwijk waar het huis (dat voor afbraak werd verkocht in 1856 en kort daarna werd gesloopt 30) en de overige opstallen op stonden, is te voet niet meer toegankelijk.

27

Volkers 2011, p. 77 GIS-viewer Watererfgoed in de Stichtse Rijnlanden via https://hdsr.maps.arcgis.com/ 29 Volkers 2011, p. 56 30 Rhoen 2007, p. 41 28

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[36]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 20. Gezicht op de voorgevel van het omgrachte huis Rijnwijk (135424, collectie Utrechts Archief).

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[37]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

Figuur 21. Het plangebied op de kadastrale minuutplan uit 1832.

Op de kadastrale minuutplan van 1832 is het plangebied geheel agrarisch (weiland, bouwland en boomgaard) en bos. Alleen Rijnwijk en Klein Rijnwijk kennen bebouwing.

RAAP-rapport 5192 / versie 09-11-2021

[38]

A12 Spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek | cultuurhistorisch onderzoek

2.4.2

Nieuwe Tijd

Aanleg spoorlijn Door het plangebied werd in de jaren veertig van de 19 e eeuw de Rhijnspoorweg aangelegd. In 1844 opende station Driebergen-Zeist. Doordat de spoorlijn door het buitengebied liep konden er meer plaatsen bediend worden en kregen zowel Driebergen en Zeist, als Ede en Wageningen een soort dubbelstation. 31 De komst van een station stimuleerde het in de 19 e eeuw opkomende forensenverkeer, toerisme en de industrie. Behalve tot de bouw van pensions en logementen leidde dat bij station Driebergen-Zeist aan de Odijkerweg tot de aanleg van een industriegebied. De spoorweg loopt op ongeveer 2 kilometer langs de zuidzijde van Zeist, dwars door de landgoederen Wulperhorst en Rijnwijk. Daardoor ging voor Wulperhorst de relatie met de Kromme Rijn deels verloren. Dankzij een tunnel bleef een pad tussen Wulperhorst en de rivier wel bestaan. Het water van het grand canal wordt middels een duiker onder het spoor doorgevoerd. Ook het water van de Breulse Vaart, die na 1830 op de Rijnwijkse Wetering werd aangetakt, loopt door een duiker. Verschillende oude wegen bleven door spoorwegovergangen begaanbaar, hoewel tegenwoordig de onbewaakte overgangen zijn afgesloten. De hoogte van de spoordijk maakt deze goed zichtbaar en onderbreekt hier en daar ook enkele oudere zichtassen (zie figuur 25).

Aanleg A12 De volgende grote ingreep in het gebied was de aanleg van het A12-traject tussen Bunnik en Driebergen. Dit traject opende in 1947 en was onderdeel van de naoorlogse verlenging van de in de jaren dertig gereedgekomen ‘Rijksweg 12’ tussen Den Haag en Utrecht. Het grondwerk voor de aanleg was tijdens de Tweede Wereldoorlog al uitgevoerd, omdat de weg door de Duitse bezetter tot Kriegswichtig was verklaard. De drang om een snelweg naar de Heimat aan te leggen, leidde bij de bevolking tot de wens dat de bezetter er ooit over zou vertrekken, wat de A12 de bijnaam ‘Hazepad’ opleverde. De knik die de A12 ter hoogte van het onderzoeksgebied maakt, zou een gevolg zijn geweest van de wens om Rijnwijk te sparen. 32 De A12 doorsnijdt de ontginning Rumpst. Sinds de gemeentegrens is verlegd naar de noordzijde van de A12, grenst Zeist nergens meer aan de Kromme Rijn. Aan de zuidzijde van het tracé zijn in de jaren negentig geluidswallen aangelegd. In 2011 is de weg verbreed van 2x2 naar 2x3 stroken, waarvoor met name grond aan de noordelijke kant is betrokken. Bij deze verbreding zijn de geluidswallen opgehoogd en zijn de onderdoorgangen van de Rijnwijkse Wetering en de Zeisterweg/Odijkerweg vernieuwd.

33 Omdat de A12 Nederland van oost naar west doorkruist en de automobilist daarbij een breed palet aan landschapstypen passeert, is de weg is door Rijkswaterstaat aangemerkt als ‘Regenboogroute’. 34 De ambitie om de kwaliteit van de snelweg in relatie tot de omliggende landschappen waaronder die van het Kromme Rijngebied en de landgoederen van de Utrechtse Heuvelrug te versterken, is in 2004 verregaand uitgewerkt als onderdeel van een routeontwerp voor de gehele A12. 35

31

Dijksterhuis 1984, p. 6, p. 198; Canonvannederland.nl, z.j. IJsselstijn & Kruidenier 2012, p.45 Bestemmingsplan Verbreding A12, https://www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.1581.bpUHRa12va01/t_NL.IMRO.1581.bpUHRa12-va01_4.2.html 34 https://www.rijkswaterstaat.nl/wegen/wegbeheer/aanleg-wegen/routeontwerp-van-snelwegen/regenboogroute 35 Ministerie van Verkeer en Waterstaat 2004 32 33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11712914/1