01-22RV007 Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
Soortenbescherming
In het kader van voorgenomen ontwikkeling is er een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 11 van deze toelichting. 5.6.3.1 Quickscan Wet natuurbescherming Op basis van verspreidingsgegevens en de aanwezige biotoop kunnen beschermde insecten, ongewervelden, vissen, flora en amfibieën worden uitgesloten. Het onderzoek richtte zich daarom op vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, reptielen en broedvogels. Vleermuizen In het plangebied kunnen verblijfplaatsen en de functie als (essentieel) foerageergebied van vleermuizen in de te kappen bomen niet worden uitgesloten. Er is nader onderzoek en mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig voor vleermuizen. Omdat voldoende bomen behouden blijven waar mogelijke verblijfplaatsen kunnen worden gecompenseerd en rekening kan worden gehouden met de verlichting van de toekomstige gebouwen op foerageergebieden, zijn negatieve effecten op populatieniveau voor vleermuizen te voorkomen. Daarnaast behoort het belang, namelijk woningbouw tot een groot algemeen openbaar belang zoals uit jurisprudentie blijkt (ABRvS 21 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0446, TBR 2009/145, ABRvS 21 september 2006, No. 200508299/1).
Daarmee ligt het verkrijgen van een eventueel benodigde ontheffing van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen de nieuwe bestemming niet in de weg. Grondgebonden zoogdieren In het plangebied zijn geen strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten waargenomen. Vanwege de beperkte oppervlakte, de aanwezige menselijke activiteiten en de omringende drukke wegen worden beschermde zoogdieren niet verwacht. Een nader onderzoek is niet nodig. Reptielen In de directe omgeving van het plangebied is hazelworm waargenomen. Het plangebied is in beperkte mate geschikt voor de hazelworm. Een nader onderzoek naar reptielen is nodig om de aanwezigheid te kunnen vaststellen dan wel te kunnen uitsluiten. Indien de hazelworm wordt aangetroffen is het mogelijk mitigerende maatregelen te nemen om effecten op populatieniveau te kunnen uitsluiten. Omdat de soort niet genoemd is in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, kan voor deze soort ontheffing worden verkregen voor ruimtelijke ontwikkeling zonder het aantonen van een groot algemeen belang. Daarmee ligt het verkrijgen van een eventueel benodigde ontheffing van de Wet natuurbescherming voor de hazelworm de nieuwe bestemming niet in de weg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen Broedvogels Nesten van jaarrond beschermde soorten zijn niet aangetroffen en kunnen worden uitgesloten. In de struiklaag en bomen komen mogelijk nesten voor van zangvogels, zoals heggenmus en merel. Voor een aantal soorten is een inventarisatie gewenst, zoals genoemd in de Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten van Rijksdienst van Ondernemend Nederland. De nesten van deze soorten en de directe omgeving zijn in het broedseizoen beschermd. Indien bomen ruim buiten het broedseizoen (dus tussen september – medio februari) de bomen en begroeiing worden verwijderd, zijn geen maatregelen voor algemene broedvogels nodig. Zorgplicht In het kader van de Zorgplicht worden de volgende maatregelen tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden aanbevolen: • • •
Behoud te allen tijde een vluchtweg voor dieren, bijvoorbeeld door altijd richting een open einde te werken; Verwijder snoei- en takafval zo snel als mogelijk om broedgevallen te voorkomen; Richt verlichting tussen zonsondergang en zonsopkomst in de periode april t/m oktober zoveel mogelijk naar de grond en voorkom uitstraling op de boomkronen. Zodoende wordt voorkomen dat vleermuizen en broedvogels verstoord worden door de werkzaamheden.
5.6.3.2 Nader onderzoek hazelworm en vleermuizen Gelet op de resultaten van de ‘Quickscan Wet Natuurbescherming’ is nader onderzoek uitgevoerd naar de hazelworm en vleermuizen. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Hazelworm Het onderzoek naar de hazelworm bestaat in totaal uit 4 onderzoeksrondes in de geschikte onderzoeksperiode (tussen mei en september). Er zijn zes platen van bitumen golfplaten op kansrijke locaties neergelegd en met een tussengelegen periode van een maand 4 maal gecontroleerd op exemplaren van de hazelworm. De platen zijn op 29 mei 2021 verspreid neergelegd in de met bomen begroeide strook aan de westzijde van het projectgebied, zie afbeelding 1. De platen zijn op 10 juni, 17 juni, 24 juni en 1 juli 2021 onderzocht door de platen om te keren. Er zijn geen hazelwormen of andere bijzonderheden aangetroffen. Vleermuizen Het vleermuisonderzoek is momenteel voor 50% uitgevoerd, omdat het onderzoek in de paarperiode start na 15 augustus 2021 en voor eind september 2021 zal eindigen. Hierna wordt ingegaan op de voorlopige resultaten van het vleermuisonderzoek: In de avond van 9 juni 2021 zijn kort na zonsondergang enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen nabij de woning.
Dit duidt op een mogelijke zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de woning, die buiten het projectgebied is gelegen. Een half uur na de eerste waarneming werd de activiteit beduidend minder, hooguit een enkele langsvliegende gewone dwergvleermuis per 5-10 minuten. Laatvlieger en ruige dwergvleermuis zijn niet waargenomen. In de ochtend van 10 juni 2021 werden 3 gewone dwergvleermuizen waargenomen rond 4:20 uur nabij deze woning. De laatste waarneming was een gewone dwergvleermuis om 4:56 uur langs de westzijde van het plangebied meer richting de Huis ter Heideweg. Er was relatief weinig activiteit van vleermuizen aanwezig in het plangebied en meer activiteit langs de Huis ter Heideweg. Tijdens de avondrondes van 9 en 11 juli zijn verschillende delen van het plangebied onderzocht in verband met de grootte van het te onderzoeken gebied. Het beeld was ongeveer vergelijkbaar met de avondronde van 9 juni, behalve dat 2 laatvliegers tussen 23:00 uur (een half uur na uitvliegtijd voor laatvlieger) en 23:30 uur langs de felle lampen van het parkeerterrein continue aan het foerageren waren. De lampen trekken veel grote insecten aan en dit maakt dat het parkeerterrein aantrekkelijk is als foerageergebied.
Er zijn geen aanwijzingen dat de bomen worden gebruikt door boombewonende vleermuizen zoals gewone grootoorvleermuis, watervleermuis of rosse vleermuis, omdat deze soorten niet zijn waargenomen. De voorlopige conclusie is dat het plangebied de functie heeft als
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen foerageergebied voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Het is echter geen essentieel foerageergebied, omdat het plangebied niet de hele nacht wordt gebruikt als foerageergebied en door kleine aantallen vleermuizen. 5.6.4
Conclusie
De Wet natuurbescherming staat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg. Wel dient het nader onderzoek naar de vleermuis afgerond te worden. Op voorhand kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat, indien noodzakelijk, er een ontheffing kan worden verleend. Tot slot wordt geconcludeerd dat de voorgenomen activiteiten niet leiden tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Op basis van de archeologische verwachtingskaart is de verwachting dat het plangebied verstoord is (zie afbeelding 5.2). De gemeente Zeist stelt geen onderzoeksplicht voor verstoorde grond. Indien tijdens de uitvoer van de werkzaamheden wel archeologische resten worden aangetroffen of resten waarvan redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat dit archeologische resten zijn, dan dient dit zo spoedig mogelijk te worden gemeld bij het bevoegd gezag.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Afbeelding 5.2
5.7.2
Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente Zeist (Bron: Gemeente Zeist)
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Binnen de grenzen van het plangebied bevinden zich geen monumentale gebouwen, structuren of andere cultuurhistorische relicten. Het plangebied ligt tussen de gemeentelijk beschermde structuur van landgoed Dijnselburg (ten westen) en het rijksmonument Oud-Zandbergen (ten oosten). Ontwikkelingen in het plangebied hebben geen invloed op deze beschermde gebieden vanwege de grote afstand tot het plangebied. Ook de zichtlijnen vanaf de landgoederen komen niet in gevaar. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit plan. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat archeologisch onderzoek niet benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
5.8
Wateraspecten
5.8.1
Vigerend beleid
5.8.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.8.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.8.1.3 Provinciaal beleid De provincie Utrecht heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Bodem-, Water- en Milieuplan 20162021. De provincie richt zich op een behoud en het verder verbeteren van het aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Een provincie met krachtige steden en dorpen en een vitaal landelijk gebied. De provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en korte termijn: •
• • •
Streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. Streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. Streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. Streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.
Om deze doelen te bereiken worden in het beleid twee hoofdlijnen onderscheiden: • •
Focus op 4 prioriteiten Werken vanuit 6 basiskwaliteiten
De vier prioriteiten zijn: • • • •
Waterveiligheid en wateroverlast Schoon en voldoende oppervlaktewater Ondergrond Leefkwaliteit stedelijk gebied
De zes basiskwaliteiten zijn: bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid en externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen De zes basiskwaliteiten zijn voorwaardelijk voor het uitvoeren van onze kerntaken en het realiseren van de ontwikkelopgaven en vormen een stevige basis voor een veilige, gezonde en duurzame woon-, werk- en leefomgeving. 5.8.1.4 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Waterkoers 2016-2021 Hoogheemraadschap heeft haar ambities en langetermijn visie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021 (http://www.waterschaponline.nl/hdsr/). De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie.
Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert: Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we, ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel: • •
De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.
Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Door het grootschalig verharden van tuinen van particulieren neemt de kans op wateroverlast toe. 5.8.1.5 Gemeentelijk rioleringsplan Zeist Het gemeentelijk waterbeleid ligt vast in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Via het GRP Zeist 2016-2021 is het beleid ten aanzien van waterbeheer voor een periode van 5 jaar vastgesteld. Het beleid gaat onder ander in op de inzameling en transport van afvalwater, hoe om te gaan met hemelwater en hoe om te gaan met grondwater. 5.8.2
Waterparagraaf
5.8.2.1 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.8.2.2 Watertoetsproces Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Op basis van de uitgevoerde digitale watertoets blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling gevolgen heeft voor water en dat nog niet duidelijk is of het plan voldoet aan de minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Voor het watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage 13. Hierna wordt op enkele relevante aspecten ingegaan.
Hemelwater Uit het beleid van het waterschap volgen de volgende eisen aan de herontwikkeling met betrekking tot het aspect water: 1.
2.
3.
Verhard oppervlak en demping van oppervlaktewater dient als volgt te worden gecompenseerd: • Verhard oppervlak, infiltratievoorziening: hemelwater kan tijdelijk geborgen worden en binnen de planlocatie worden geïnfiltreerd. Wanneer dit het geval is dient er in totaal 45 mm berging over de toename verhard oppervlak te worden gerealiseerd. • Verhardoppervlak, compensatie dooroppervlaktewater: het effect van versnelde afstroming op waterstanden en afvoeren in het watersysteem kan worden weggenomen door het watersysteem te vergroten. Hierdoor ontstaat extra berging, waardoor versnelde afvoer bij hevige neerslag niet tot overlast leidt. De richtlijn die het waterschap hanteert is een compensatie van 15% van de toename verhard oppervlak. • Demping oppervlaktewater: een demping van oppervlaktewater dient 100% gecompenseerd te worden. Ten behoeve van de kwaliteit van het oppervlaktewater dienen maatregelen te worden getroffen om verontreiniging tegen te gaan: • Het gebruik van uitlogende materialen (zink, koper, lood) is niet toegestaan. • Dakwater is schoon en mag direct geloosd worden op oppervlaktewater (mits dit wordt gecompenseerd). • Hemelwater dat afkomstig is van wegen en parkeerplaatsen mag op oppervlaktewater geloosd worden, mits via een grondpassage of een andere zuiverende voorziening geloosd wordt.
• Hemelwater dat afkomstig is van opstelplaatsen voor vrachtwagens dient apart ingezameld te worden en via een wadi of oliewaterscheider af te voeren naar oppervlaktewater, danwel vuilwaterriolering. Bij aanpassingen van de weg en het watersysteem dient gecontroleerd te worden of de waterafvoer goed geborgd is.
Huidige bodemopbouw Voor het bepalen of water geïnfiltreerd kan worden in de bodem is vooral gekeken naar de grondwaterstand en de doorlatendheid van de bodem. Voor het bepalen van het grondwatercriterium is de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) van belang. Voor optimale infiltratie dient de onderkant van de voorziening circa 0,7 m boven de GHG te liggen. Indien de GHG op de locatie hoger is dan 0,7 m onder maaiveld kan infiltratie alleen in combinatie met drainage of wordt het regenwater rechtstreeks afgevoerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen Te verkrijging van betrouwbare geohydrologische gegevens is gebruik gemaakt van informatie afkomstig uit het DINO-loket van TNO en eerder in de omgeving uitgevoerde bodemonderzoeken. Het maaiveld bevindt zich op ongeveer 9 m+ NAP. De globale bodemopbouw nabij de onderzoekslocatie bestaat uit zand. In enkele zandlagen kunnen zwakke bijmengingen met grind aangetroffen worden. Het eerste watervoerend pakket reikt tot ongeveer 50 á 60 m-mv. Tot deze diepte komt afwisselend fijn tot uiterst grof (plaatselijk grindhoudend) zand voor. Het grondwater bevindt zich op ongeveer 2 + NAP (circa 7 m-mv). Het eerste watervoerend pakket stroomt globaal in zuidwestelijke richting af. De locatie is gelegen in een gebied waar sprake is van infiltratie van hemelwater naar het grondwater. De locatie is qua bodemopbouw zeer geschikt voor infiltratie mogelijkheden (de verwachting is dat deze groter is dan 9 m/dag en kunnen in principe alle typen infiltratievoorzieningen worden toegepast). Toename verharding Op basis van het stedenbouwkundig plan is de toename van het verhard oppervlak bepaald. Hierbij is onderscheid gemaakt in wegen, daken en is een percentage aangehouden van de verhardingen op de kavels. De volgende oppervlakken zijn berekend: Totaal perceel Verhard totaal nieuw Verhard totaal bestaand Toename verharding Onverhard
12.319 m2 6.516 m2 5.100 m2 1.416 m2 5.803 m2
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
bebouwd oppervlak blok A blok B blok C blok D blok G - woning vrijstaand blok F - 2^1 kap
terrein verharding algemene verharding blok A blok B blok C blok D blok G - woning vrijstaand blok F - 2^1 kap
bestaand bebouwd en terrein hal romneyloods verharding
Toename verharding
tuinen tuinen tuinen tuinen tuinen tuinen
635 420 539 530 70 280 2.474
20%
3.522 100 100 40 80 40 160 4.042
33%
2.000 100 3.000 5.100
41%
1.416
Waterberging Voor het hemelwater dient de toename van verhard oppervlak van circa 1.416 m2 gecompenseerd te worden. De watercompensatie dient te beschikken over een bergingscapaciteit van 68 m3, hierbij uitgaande van 45 mm per m2 afgekoppeld verhard oppervlak. In het geval van compensatie middels het aanbrengen van oppervlakte water, in plaats van droge waterberging, dient een oppervlak van circa 213 m2 open water te worden aangebracht in het plangebied. Dit is lijn met de vuistregel van 15% van het totaal. Hemelwater kan geborgen worden in oppervlakkige of ondergrondse berging. Oppervlakkig kan de waterberging plaatsvinden in droge bergingsvoorzieningen en op het dak van het appartementencomplex. Ondergronds kan de waterberging plaatsvinden in infiltratievoorzieningen onder de verharding en in de tuinen. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de meest voor de hand liggende methodes om water binnen het plangebied te bergen, inclusief de capaciteit die er binnen de beschikbare ruimte gerealiseerd kan worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
mogelijkheden waterberging berging op de daken wadi in groenstook infiltratie riool puinfundering onder wegverharding
niet meegenomen niet meegenomen niet meegenomen
puinfundering onder parkeervoorziening - 200l/m2 voor 50% toepasbaar infiltratie particulier infiltratieputten
800
droge waterberging - (lang 100m, breed 2m, talud 1:2, diep 0,5m)
200
80
niet meegenomen alleen parkeereilanden niet meegenomen
5
2
10 woning achter
50 app.gebouwen 140
Conclusie De ontwikkeling betreft de bouw van 72 woningen inclusief bijhorende, parkeervoorzieningen en infrastructuur in de omgeving. De toename aan verhard oppervlak beslaat circa 1.416 m2. In het plan wordt daarom rekening gehouden met het realiseren van watercompensatie. Het plangebied kent een zandige ondergrond en heeft een diep grondwaterpeil (groter dan 5 meter minus maaiveld). Dit biedt mogelijkheden voor realiseren van een droge waterberging en overige infiltratiemogelijkheden. Richtlijnen voor de dimensies van deze compensatie zijn door Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden aangegeven. De watercompensatie dient te beschikken over een bergingscapaciteit van 68 m3, uitgaande van 45 mm per m2 afgekoppeld verhard oppervlak. Voor de waterberging zijn meerdere oplossingen mogelijk. De waterberging kan bovengronds en ondergronds worden uitgevoerd. Een combinatie van deze voorzieningen dient in het vervolgproces (voor aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen) nader uitgewerkt te worden om de waterberging aantoonbaar te realiseren. Bij lozing van het hemelwater op het oppervlaktewater is bij een toename van verhard oppervlak tussen 1.000 m2 en 10.000 m2 een watervergunning nodig voor werkzaamheden aan watergangen en lozingsconstructies. Afvalwater Afvalwater wordt conform het Gemeentelijk rioleringsplan Zeist verwerkt.
Grondwaterbeschermingsgebieden Het plangebied ligt binnen het grondwaterbeschermingsgebied Zeist. Van uit de Provinciale Milieuverordening (PMV) Utrecht gelden er regels voor grondwaterbeschermingsgebieden. In het voorliggende uitwerkingsplan zijn in de regels bepalingen opgenomen omtrent de bescherming van grondwaterbeschermingsgebieden. 5.8.2.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat, met inachtneming van het treffen van compenserende maatregelen ten aanzien van de waterberging, het aspect water geen belemmering vormt voor de in dit uitwerkingsplan besloten ontwikkeling.
5.9
Bomen
In 2019 is door een boomtechnisch ingenieursbureau een boominspectie uitgevoerd in het plangebied. Daarbij zijn de bomen gekwalificeerd op type, afmetingen en is de kwaliteit van de bomen beoordeeld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Afbeelding 5.3
Staat van de bomen ter plaatse van het plangebied (Bron: Treevision)
Op de Groene Kaart heeft de gemeente Zeist vastgelegd in welke delen van Zeist wel of geen kapvergunning hoeft aan te vragen om een eigen boom om te kappen. In de groene delen zijn veel van de bomen kapvergunning plichtig (in veel gevallen) en voor de overige delen hoeft veelal géén kapvergunning aangevraagd te worden. Voor onderhavig plan ligt een deel in het groene deel, dit is de groene strook aan de Huis ter Heideweg. Voor bomen buiten het groene gebied binnen plangebied hoeven geen kapvergunning te worden aangevraagd.
Afbeelding 5.4
Uitsnede Groene Kaart Zeist (Bron: gemeente Zeist)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen Binnen het groene gebied hoeven niet voor alle bomen een kapvergunning aangevraagd te worden, een en ander is vastgelegd in de bomenverordening Zeist 2016. Kortweg komt het neer op dat binnen de groene gebieden hoeft u geen kapvergunning aan te vragen voor: 1. 2. 3.
een dode boom een boom die op 1,30 meter hoogte een omtrek heeft van minder dan 80 centimeter de volgende boomsoorten: a. berken b. wilgen en populieren die niet geknot zijn c. schubconiferen met een stamomtrek van minder dan 1,50 meter (gemeten op een hoogte van 1,30 meter) die behoren tot de soorten: d. Chamaecyparis (schijncypres) e. xCupressocyparis (leylandcypres) f. Platycladus (Japanse levensboom) g. Thuja (levensboom) h. Thujopsis (Hiba cypres)
In de eerder vastgestelde uitwerkingsregels van het bestemmingsplan staat “indien er in de bosstrook langs de Huis ter Heideweg bomen worden gekapt dienen deze conform de daarvoor geldende, gemeentelijke regels te worden gecompenseerd”. De groenstrook aan de Huis ter Heideweg zal voor een groot deel behouden blijven. Wel zal de nieuwe weg aansluitend op Huis ter Heide weg moeten worden gerealiseerd en ook het onderliggende gebouw. Hiervoor zullen de bomen worden gecompenseerd. In de aan te vragen omgevingsvergunning zal exact worden bepaald welke bomen gekapt moeten gaan worden. Tevens zal dan de compensatie nader worden onderbouwd met onder andere de posities, types etc. De compensatie danwel herplant zal voldoen aan de richtlijnen geformuleerd in de bomenverordening Zeist 2016.
5.10
Besluit milieueffectrapportage
5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
•
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
•
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.10.2 Situatie plangebied 5.10.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 10 kilometer afstand van het plangebied. Zoals in paragraaf 5.6.2.1 en bijlage 10 van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.10.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r.
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden (2000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.plicht is in dit geval geen sprake.
Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.rbeoordeling opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 14 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. 5.10.3 Conclusie Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
HOOFDSTUK 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het uitwerkingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
6.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 6.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in: •
Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen •
Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.
•
Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd
6.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel zijn bepalingen opgenomen omtrent het onderkelderen van gebouwen.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel zijn enkele vormen van verboden gebruik opgenomen.
•
Algemene aanduidingsregels (Artikel 10) Deze regel is opgenomen ten behoeve van de bescherming van de ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. Deze gronden zijn mede bestemd voor de belangen van de drinkwaterwinning.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het uitwerkingsplan af te wijken.
•
Overige regels (Artikel 12) In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van parkeren.
6.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
6.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het uitwerkingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het uitwerkingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen Groen (Artikel 3) De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, watergangen en waterpartijen, fiets- en voetpaden, in- en uitritten en andere ondergeschikte verhardingen en overige bij de bestemming behorende voorzieningen. Alsmede voor het behoud van een groenstrook met landschappelijke en ecologische waarden te plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’. Op en in gronden met de bestemming ‘Groen’ mogen uitsluitend worden gebouwd bij de bestemming behorende andere bouwwerken, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan: Bouwwerken Licht- en andere masten Beeldende kunst Speelvoorzieningen Overige andere bouwwerken
Max. bouwhoogte 10 m 4m 4m 3m
Verkeer (Artikel 4) De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, verhardingen voor woonstraten, pleinen, auto-, fiets- en voetgangersverkeer en parkeervoorzieningen, parkeerstroken en –voorzieningen, fiets- en voetpaden, bermen, groen- en speelvoorzieningen, watergangen en bij een en ander behorende andere voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen en beeldende kunst. Op de gronden met de bestemming ‘Verkeer’ mogen uitsluitend worden gebouwd; ondergeschikte gebouwen en andere bouwwerken en nutsvoorzieningen zoals abri’s en telefooncellen en andere bouwwerken, zoals lichtmasten, informatieborden, verkeerstekens en –regelinstallaties en straatmeubilair.
Wonen (Artikel 5) De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, beroep of bedrijf aan huis, tuinen en erven, waterhuishouding, parkeervoorzieningen en ontsluitingsvoorzieningen. Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de beoogde vrijstaande en half vrijstaande woningen. Op en in gronden met de bestemming ‘Wonen’ mogen uitsluiten woningen, aan- of uitbouwen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen en andere bouwwerken, zoals erf- en perceelsafscheidingen en tuinmeubilair worden gebouwd. In de bouwregels is een onderscheid gemaakt in de bouwregels voor ‘hoofdgebouwen’, ‘aan- of uitbouwen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen’ en ‘andere bouwwerken’.
Wonen - Gestapeld (Artikel 6) De voor ‘Wonen – Gestapeld’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, beroep of bedrijf aan huis, tuinen en erven, waterhuishouding, parkeervoorzieningen, ontsluitingsvoorzieningen en ondergrondse parkeergarages met bijbehorende voorzieningen. Op en in gronden met de bestemming ‘Wonen – Gestapeld’ mogen uitsluitend gestapelde woningen met bijbehorende bergingen, aan- of uitbouwen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen en andere bouwwerken, zoals erf- en perceelsafscheidingen en tuinmeubilair worden gebouwd. In de bouwregels is een onderscheid gemaakt in de bouwregels voor ‘hoofdgebouwen’, ‘aan- of uitbouwen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen’ en ‘andere bouwwerken’. Met de uitwerkingsregel zoals opgenomen in artikel 2.9, onder C, sub l van het ‘Bestemmingsplan Oud Zandbergen e.o.’, is beoogd te borgen dat ook daadwerkelijk wordt gecompenseerd wanneer er in de bosstrook langs de Huis ter Heideweg bomen worden gekapt. Daarvoor biedt de bomenverordening van de gemeente Zeist geen absolute garantie. Daarin is de herplantverplichting namelijk gekoppeld aan de vergunningplicht (kapvergunning). Deze vergunningplicht geldt alleen in de aangewezen Groene gebieden, die
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen eens per 5 jaar door het College worden vastgesteld. De redengeving voor aanwijzing als groengebied is niet per definitie gelijk aan de waarborg die in de Uitwerkingsplicht voor Huis ter Heide Zuid is beoogd. In deze Uitwerkingsplicht heeft de Raad voorgeschreven dat een uitwerking waarvoor bomen moeten worden gekapt in de bosstrook langs de Huis ter Heideweg, wat de Raad betreft alleen aanvaardbaar is als kap wordt gecompenseerd (ook in het geval deze bosstrook niet langer als Groengebied wordt aangewezen). Om de compensatie juridisch te kunnen garanderen is onderstaande regeling opgenomen binnen de bestemming ‘Wonen – Gestapeld’. Specifiek ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – herplant bomen’ geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gestapelde woningen slechts wordt verleend indien er een plan voor herplant van de te vellen bomen als voorschrift aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, met dien verstande dat: 1.
2.
de herplant van de te kappen bomen uitsluitend geldt voor bomen waarvoor een velverbod geldt conform de 'Bomenverordening Zeist 2016' zoals deze geldt ten tijde van de vaststelling van dit uitwerkingsplan; een plan voor herplant niet noodzakelijk is indien aangetoond kan worden dat er geen sprake is van het kappen van bomen waarvoor een velverbod geldt conform de 'Bomenverordening Zeist 2016' zoals deze geldt ten tijde van de vaststelling van dit uitwerkingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het uitwerkingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten en plankosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening en via de anterieure overeenkomst. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe is een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Zeist. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
HOOFDSTUK 8 8.1
Vooroverleg
8.1.1
Het Rijk
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat dit uitwerkingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2
Vooroverlegpartners
In het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept van het uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid (versie juli 2020) toegestuurd aan de volgende overlegpartners: • • • • • •
Provincie Utrecht Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Rijkswaterstaat Vitens Veiligheidsregio Utrecht Stichting Milieuzorg Zeist
Tevens is het concept uitwerkingsplan toegezonden aan de Buurt- en Belangenvereniging Huis ter Heide en het Buurtcomité Korte Poot Veilig. In bijlage 15 is het verslag van het vooroverleg opgenomen.
8.2
Inspraak
Op 21 november 2018 heeft RV&O een participatie bijeenkomst gehouden bij Abrona Restaurant & Zalencentrum ’t Lichtpunt in Huis ter Heide voor belanghebbenden. Voor de participatiebijeenkomst zijn er met verschillende organisaties en belanghebbende initiërende gesprekken geweest. Op verzoek is de presentatie digitaal verstrekt aan de genodigden. Van de participatieavond is een verslag rondgestuurd op 27 november 2018. Op 13 mei 2019 is gezamenlijk met de gemeente Zeist een informatieavond gehouden over de ontwikkeling op Huis ter Heide Zuid, Huis ter Heide West en het verkeer. Aansluitend is op 3 juni 2019 een vervolg (thema) avond over verkeer en 19 juni 2019 over Huis ter Heide West gehouden, beide door de gemeente Zeist. Op 3 juli 2019 is de uitslag van deze vervolgavonden gepresenteerd met daarbij ook Huis ter Heide Zuid. Tot slot hebben op 2 en 3 september 2020 inloopavonden plaatsgevonden. Tijdens deze inloopavonden is de laatste versie van het plan gepresenteerd.
8.3
Zienswijzen
Het ontwerpuitwerkingsplan het voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er door een aantal belanghebbenden zienswijzen op het plan ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de in bijlage 16 opgenomen zienswijzennota.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1
Verkeerskundig onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 2
Second opinion verkeerskundig onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 3
Quickscan verkeersafwikkeling ovonde Zandbergenlaan Blanckenhagenweg
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
63
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
64
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 5
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
65
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 6
Luchtkwaliteitsonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
66
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 7
Onderzoek externe veiligheid
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
67
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 8
Verantwoording groepsrisico
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
68
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 9
Advies Veiligheidsregio Utrecht
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
69
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 10
AERIUS berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
70
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 11
Quickscan Wet natuurbescherming
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
71
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 12
Nader onderzoek hazelworm en vleermuizen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
72
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 13
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
73
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 14
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
74
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 15
Verslag vooroverleg uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
75
Uitwerkingsplan Huis ter Heide Zuid Vast te stellen
Bijlage 16
Zienswijzennota
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
76