01-22RV004 Bijlage 01 Rapportage informatiefase A12-spoorzone
Tekst van het document
Dit heeft te maken met de investeringskosten die Stedin maakt om capaciteit in het onderstation te reserveren. De aansluitkosten op het onderstation Driebergen van een groot zonneveld (> 20 hectare) in de A12/spoorzone bedragen 2,7 miljoen euro. Daarbij is uitgegaan van een afstand tussen zonneveld en aansluitpunt van 3 kilometer. Stedin draagt zorg voor de aansluiting op de gewenste locatie, het tracé naar het elektriciteitsstation Driebergen en de aansluiting op het station. Technisch is het ook mogelijk om meerdere kleinere zonnevelden op middenspanning aan te sluiten. Maar de som van de individuele aansluitkosten is bijna 20% hoger dan de kosten van één aansluiting op hoogspanning. Sinds enige tijd is het mogelijk om meerdere leveranciers op één aansluiting mogelijk te maken. Met dit zogenaamde ‘cable pooling’ is het mogelijk om meerdere duurzame opwekprojecten aan te sluiten op één punt. Voor de tweede aansluiting hoeven dan geen extra kosten te worden gemaakt voor leidingen en aanpassingen in het onderstation. In principe kunnen allerlei duurzame energieprojecten gezamenlijk worden aangesloten. Maar de combinatie van zon en wind is het meest effectief. Doorgaans is er weinig zon als het flink waait en andersom. De piekmomenten, die de benodigde capaciteit bepalen, vallen voor wind en zon meestal niet tegelijkertijd.
Omdat de kosten van Stedin eigenlijk een vast bedrag zijn vanaf een bepaalde capaciteit zijn de aansluitkosten voor een groot zonneveld gelijk aan de aansluitkosten voor een groot zonneveld met twee windturbines van circa 5 MWe elk. Tot aan de aansluiting hoeft Stedin de infrastructuur niet aan te passen en dus zijn er geen extra kosten. Wel moeten de initiatiefnemers zelf de kosten van de kabels tussen de projecten betalen. Maar deze kosten zijn slechts een klein deel van de kosten van een nieuwe aansluiting.
11 De beschikbare netwerkcapaciteit wordt uitgedrukt in MVA. 1 MVA is ongeveer 1 MWe. Omdat een MWe, het vermogen
van een installatie, een bekend begrip is, wordt hier gekozen om de netcapaciteit ook in MWe uit te drukken.
33
CONCEPT
Bronnen: —
Gesprek Stedin op 6 oktober 2021
—
Overleg Stedin in RES-verband
3.10. BELEID PROVINCIE EN GEMEENTE Provincie Een deel van het gebied is onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Een klein deel in het oosten van het gebied is grondwaterbeschermingsgebied.
Afbeelding 21. Gebieden onderdeel van Natuur Netwerk Nederland (donkergroen) en Groene Contour (lichtgroen) (Bron: provincie Utrecht Geodesk)
Gemeente De gronden waarop de windturbines zijn geprojecteerd hebben de volgende bestemmingen (zie afbeelding 22): —
Enkelbestemming Agrarisch – Landschap
—
Gebiedsaanduiding – Overige zone - landschapstype slagenlandschap 1.
—
Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 of 2
Waarde Archeologie betekent dat er uitgebreid onderzoek naar de archeologische waarden in het gebied dient te vinden. Als blijkt dat deze waarden door de activiteit (kunnen) worden verstoord, kunnen extra eisen aan de vergunning worden gesteld, zoals het doen van opgravingen, het nemen van technische maatregelen ter bescherming of de verplichting de werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg (zie ook paragraaf over archeologie en cultuurhistorie). De omliggende bosgebieden en structuren hebben de bestemming ‘bos’ en ‘natuur’ of de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – landschapstype landgoederen en buitenplaatsen’. In het oostelijk deel van het gebied hebben de open gebieden de bestemming ‘Agrarisch met waarden Natuur en landschap’.
34
De omliggende gronden in Bunnik zijn ‘bos’, ‘natuur’ en de gebiedsaanduiding landschapstype Kromme Rijn en oeverwallen’ (zie afbeelding 23).
Afbeelding 22. Uitsnede van het Bestemmingsplan Buitengebied Zuidwest 2018 – gemeente Zeist (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
Afbeelding 23. Uitsnede van het Bestemmingsplan Buitengebied Bunnik 2011 (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
In het huidige ruimtelijk beleid van de gemeente is nog geen standpunt ten aanzien van de realisatie van windmolens vastgelegd. Of en wanneer dit gebied door de gemeente als zoekgebied voor wind in het beleid wordt opgenomen is nog onduidelijk.
35
Informatiebronnen —
Bestemmingsplan Buitengebied Zuidwest 2018 (vastgesteld 2021-04-21)
—
Bestemmingsplan Buitengebied Bunnik 2011 (vastgesteld 2011-11-24)
—
Nota van Uitgangspunten Bestemmingsplan buitengebied Zeist Zuidwest (februari 2016)
—
Provinciale Ruimtelijke verordening en Ontwerp Interim Omgevingsverordening (Ruimtelijkeplannen.nl)
36
4. Samenvattend voor wind — De nadere verkenningen en de aanvullende informatieverzameling geven ons meer inzicht in de kansrijkheid voor winturbines in het gebied tussen de A12 en het spoor en waar nog verder onderzoek voor nodig is. In onderstaande zetten we kort de belangrijkste punten op een rij. Een belangrijke constatering voor het verdere proces is dat de uitspraak van de Raad van State voor onzekerheid zorgt over welke normen voor geluid en slagschaduw gehanteerd kunnen worden. De rijksoverheid zal een plan-mer uitvoeren, waar naar verwachting over 1,5 tot 2 jaar de resultaten van beschikbaar komen. Strik genomen geldt de uitspraak niet voor de situatie in Zeist, omdat het hier geen windmolenpark (van 3 of meer turbines) betreft. Maar in de praktijk zorgt deze uitspraak van de Raad van State ook voor veel discussie rond de geluidsnormen van windmolens: deze onzekerheid raakt ook de twee turbines in de A12/spoorzone. In de Quick scan geluid hebben we aangenomen dat de woning aan de Odijkerweg 152 als molenaarswoning (sfeerwoning) zal worden aangeduid, omdat één van de turbines op de grond behorend bij die woning is geprojecteerd. Deze woning is niet meegenomen in de beschouwing.
Als er uitgegaan wordt van de stilste turbinetypen die nu op de markt zijn, dan blijkt dat met mitigatie (het tijdelijk langzamer laten draaien van de turbine) de geluidsbelasting voor nagenoeg alle gevoelige objecten onder de grens van Lden 45 dB te komen. Hiervoor moeten de turbines in de nacht en, afhankelijk van de standplaats van de turbine, ook in de avond, in een noise-mode worden gezet. De geluidsbelasting op de gevel van de woning aan de Tiendweg die het meest dichtbij de windturbines staat is bepalend. Door de turbines in de noise-mode te zetten, kan de maximale productie niet meer worden gehaald. Het mitigeren van de windturbines zal leiden tot een verminderde energieopbrengst. Bij het stilste type turbine neemt bij Lden 47 dB de berekende opbrengst met 0,53%, af. Bij toepassing van de norm van Lden 45 dB is dit 10,5% minder. Deze opbrengstderving is dusdanig groot dat de kansrijkheid van realisatie twijfelachtig wordt. Het plangebied is als gevolg van industrie-, snelweg- en spoorweglawaai al een matige tot slechte akoestische omgeving. In hoeverre het al aanwezige omgevingsgeluid en het geluid van de turbines interfereren zal nader onderzocht moeten worden. Een aandachtspunt daarbij is dat het geluid van de turbines er ook is als het andere omgevingsgeluid relatief gering is (met name ’s avonds en ’s nachts).
Uitgaand van de maximale slagschaduwcontouren, zien we dat 14 woningen, in de contour vallen van meer dan 15 uur slagschaduw per jaar. Dit betreft vooral de vrijliggende woningen in het buitengebied. De bebouwde kommen van Odijk, Zeist en Bunnik vallen vrijwel geheel buiten het bereik van de slagschaduw. Hoeveel slagschaduw individuele panden zullen ondervinden zal in een latere fase moeten worden bepaald. Op basis van die uitkomsten kunnen afspraken worden gemaakt over de noodzaak en de duur van mitigatie. Mitigatie houdt in dat er een automatische stilstandvoorziening wordt getroffen.
37
De bosrijke omgeving zorgt ervoor dat de zichtbaarheid van de windturbines sterk afhankelijk is van waar men zich bevindt. De visualisaties laten zien dat vanuit Odijk en van af de snelweg A12 de turbines dominant aanwezig zijn. Vanaf andere locaties, met meer bebouwing en groen, zijn de turbines minder zichtbaar. De tiphoogte van de turbines heeft effect op de zichtbaarheid. Ook de referentieturbine is vanuit de nabije omgeving nog vrij dominant. Met name in de nabijheid van de turbines is de tiplaagte een aspect dat in de beleving een rol speelt. In een volgende fase verdient het aanbeveling daar uitvoeriger aandacht aan te besteden. Dit is voor de bewoners van de nabijgelegen woningen een belangrijk aspect. Het is mogelijk om met mitigerende maatregelen het zicht op de windturbines te beperken. Het gaat dan om het aanplanten van bosschages en bomen in zichtlijnen. Dit zal dan wel passend moeten zijn bij de doelstellingen die vanuit landschapsontwikkeling worden nagestreefd. Op een hoger schaalniveau speelt eventuele interferentie met windturbinelocaties in omliggende gemeenten. Uit de nadere verkenningen komen de volgende aandachtpunten naar voren. De provincie geeft aan bij voorkeur windturbines groter van 3 MW in groepen bij elkaar te zien.
Er zijn uitgebreide instructieregels voor de windturbinelocatie en hoe rekening gehouden kan worden met de kernkwaliteiten van het landschap. Uit de belemmeringenkaart komt naar voren, dat de meest westelijke turbine net tegen de buffer van een transportleiding van Defensie is geprojecteerd. Uit nader overleg met Defensie zal moeten blijken of er ruimte is om de turbine op te schuiven naar het westen (als dat bijvoorbeeld vanuit geluid wenselijk zou zijn). Nader (bureau)onderzoek naar de cultuurhistorische en archeologische waarden in het gebied, laat zien dat met name de hogere delen in het gebied, een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. De plek waar de meest oostelijke turbine is geprojecteerd raakt aan/ staat in deze zone en de westelijke turbine er net naast. Het plaatsen een windturbine -het maken van de fundering, de kraanopstelplaats en het leggen van de kabelsleidt tot graafwerkzaamheden. Mogelijk leidt dit ertoe dat er extra archeologisch onderzoek (veldwerk) uitgevoerd moet worden en dat er extra maatregelen moeten worden genomen, zoals opgraving, technische beschermingsmaatregelen of toezicht van een deskundige tijdens de graafwerkzaamheden. Dit blijkt in de fase van nadere detaillering van de plannen. Het cultuurhistorische landschap als geheel wordt positief tot hoog gewaardeerd.
Moderne windturbines contrasteren met dit landschap dat een zeer oude geschiedenis kent. Het oostelijk deel van het plangebied is een kwelgebied met kwelafhankelijke natuur. Over landgoed Rijnwijck loopt een spreng. Op de plaatsen waar de turbines zijn geprojecteerd is sprake van inzijging. Tijdens de bouw van de windturbines zal tijdelijk bronbemaling plaatsvinden. Het vraagt nader onderzoek om het effect hiervan op de hoeveelheid water in de spreng, de kweldruk en de kwelafhankelijke natuur in beeld te brengen. Het gebied speelt een belangrijke rol in de ecologische verbindingen tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Kromme Rijn, en in de verbinding samenhangend met de Kromme Rijn. Doordat het gebied weinig toegankelijk is zijn er relatief weinig waarnemingen in de Nationale Databank Flora en Fauna. Uit nader (veld)onderzoek zal moeten blijken welke soorten in welke aantallen voorkomen.
38
De windturbines zullen (naar alle waarschijnlijkheid) met hun wieken slachtoffers maken onder vliegende insecten, vleermuizen en vogels. Met name vleermuizen verdienen in dit gebied aandacht, onder andere de Rosse Vleermuis is hier waargenomen. Als duidelijk is welke soorten voorkomen, kan worden vastgesteld of en welke mitigerende maatregelen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld een automatische stilstandvoorziening voor de momenten dat de vleermuizen actief zijn. Voor de beleving en het effect op het landschap zijn inpassingsmaatregelen voor windturbines niet aan de orde, daarvoor is de schaal van de windturbines te groot. Versterking van de bestaande landschappelijke structuur en het aanbrengen van opgaande beplanting in zichtlijnen draag er wel toe bij dat die dominantie wordt ingetoomd. Zowel voor het woongenot van bewoners als voor de recreatieve beleving van recreanten is dit van belang. Deze aspecten kunnen worden uitgewerkt in een latere fase. De gronden waarop de turbines zijn geprojecteerd, zijn in handen van twee verschillende eigenaren. Eén perceel is verpacht aan een melkveehouderij. De realisatie van de windturbines hoeft daaraan niks te veranderen. Op het elektriciteitsnetwerk is tekort aan capaciteit. Er is pas weer ruimte voor nieuwe terugleverende aansluitingen vanaf 2029.
Voor de ontwikkeling van windturbines hoeft dit geen belemmering te zijn, omdat de aanloopperiode tot aan realisatie vaak zo’n 5-7 jaar in beslag neemt. De problemen op het netwerk zorgen wel voor extra financiële onzekerheid. Omdat er pas SDE-subsidie kan worden aangevraagd als er elektriciteit kan worden teruggeleverd, moeten we er nu van uit gaan dat een project pas over zeven jaar duidelijkheid over de subsidie kan krijgen. Omdat de SDE++ subsidies langzaam dalen is de hoogte van de subsidie over zeven jaar een belangrijke financiële onzekerheid voor windprojecten. De kosten voor de aansluiting bedragen op moment van schrijven 2,7 mln. euro voor aansluitingen boven 20 MWe. Als zowel een groot zonneveld (>20 ha) als twee windturbines worden gerealiseerd kunnen de kosten worden gedeeld. Dit zgn. cable pooling heeft ook als voordeel dat het aanbod van opgewekte elektriciteit beter wordt verdeeld in de tijd doordat de pieken in de opwek voor wind en zon anders liggen.
39
5. Zonnevelden — In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verkenningen en het beleid ten aanzien van zonnevelden. Ook wordt stilgestaan bij een aantal aanvullende aspecten die niet naar voren zijn gekomen in de beleidsvisie, zoals eigendom en netwerkaansluiting.
5.1.
BELEIDSVISIE ZONNEVELDEN IN ZEIST
In oktober 2020 heeft de gemeente Zeist de beleidsvisie Zonnevelden in Zeist 12 gepresenteerd. De beleidsvisie dient als beoordelingskader voor grootschalige opwek door zonnevelden in het buitengebied. Op basis van te beschermen waarden in het buitengebied van Zeist is een inschatting gemaakt van de kansrijkheid van gebieden. Het gebied tussen het spoor en de A12 is als ‘kansrijk’ gebied aangeduid, zie afbeelding 24. In de beleidsvisie staat het volgende: “Dit gebied tussen A12 en het spoor (tussen Driebergen-Zeist en Bunnik wordt benoemd als kansrijk voor zonnevelden (groen op de kansenkaart). Er is ruimte voor grotere of meerdere kleine zonnevelden vergeleken met de overige gebieden (oranje en groen op de kaart). Het landgebruik is grotendeels agrarisch (veeteelt en fruitteelt). Echter, een deel van het gebied is ofwel Natuur Netwerk Nederland of buitenplaats, waar de gemeente terughoudend is met zonnevelden. Extra aandacht bij een eventueel zonneveld gaat ook uit naar behoud van de functie ‘ecologische verbindingszone’, de biodiversiteit en bodemkwaliteit. Insteek is dat in de toekomst agrarisch landgebruik mogelijk is. Ook mag een zonneveld niet de komst van eventuele windmolens belemmeren. Er is een goed landschapsplan (inrichtingsen beheerplan) nodig voor inpassing en inrichting op alle benoemde waarden in bijlage A [van de Beleidsvisie].
In de afweging moet ook eventuele toekomstige woningbouw meegenomen worden”. Er is geen grenswaarde vastgesteld voor het maximaal aantal hectare zonneveld. De wijze waarop de inrichting van het zonneveld wordt vormgegeven en hoe daarbij rekening wordt gehouden met de waarden in het gebied is bepalend. De waarden van het gebied zijn uitvoering beschreven in bijlage A van de beleidsvisie. Bij het vormgeven van zonnevelden moet een eventuele negatieve impact op de waarden zoveel mogelijk worden tegengegaan, en anders worden gecompenseerd in de nabije omgeving. Anders dan bij wind zijn er geen ‘harde’ normen op basis waarvan zonnevelden worden gereguleerd. Het beleid van provincie en gemeente is leidend. En anders dan bij de ‘eerste generatie’ zonnevelden, is er tegenwoordig meer aandacht voor beleving en inpassing in het landschap, behoud van de bodemkwaliteit en de biodiversiteit bij het ontwerpen van zonnevelden. Door een goede vormgeving van het zonneveld en invulling van het panelenveld kan een achteruitgang van de bodemkwaliteit worden voorkomen. Ook de biodiversiteit profiteert daarvan.
12 Gemeente Zeist, oktober 2020. Beleidsvisie Zonnevelden in Zeist.
40
Afbeelding 24. Kansenkaart voor zonnevelden (bron: Beleidsvisie zonnevelden Gemeente Zeist)
Informatiebronnen —
Gemeentelijk beleid: Beleidsvisie zonnevelden in Zeist.
—
Provinciaal beleid voor zon: Interim Omgevingsverordening (ontwerp) Artikel 5.5.
—
Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen.
—
Provinciale Ruimtelijke Verordening
—
Gedragscode zon op land (2019)
5.2.
AANVULLENDE INFORMATIE
In het gebied zijn zeven grondeigenaren en er is één pachter. Waar de bedrijfsvoering van de melkveehouderij in combinatie met windturbines vrij onbelemmerd kan doorgaan, is dit niet zo wanneer op die gronden of een deel daarvan een zonneveld wordt gerealiseerd. In dat geval zal gezocht moeten worden naar een maatwerkoplossing. Dat kan variëren van kiezen voor bifacial panelen waarbij het land als hooiland gebruikt kan blijven worden, een aangepaste inrichting en kavelruil of verplaatsing van de melkveehouderij. Alle opties hebben een impact op de businesscase voor het zonneveld. Een optie waarbij de melkveehouderij kan blijven functioneren, vraagt medewerking van andere grondeigenaren in het gebied. De eigendomssituatie en het grondgebruik zijn zodanig (lees: leiden waarschijnlijk tot hogere kosten), dat een haalbare businesscase voor zonnevelden sterk afhankelijk is van het feit of er ook een netaansluiting voor windmolens gerealiseerd wordt, zodat de kosten kunnen worden gedeeld. Uitgaande van de aansluitkosten van 2,7 mln. euro en de mogelijke extra kosten voor compensatie van de melkveehouderij, betekenen dat de omvang van het zonnepark tenminste 40-45 ha groot moet zijn. Het is de vraag in hoeverre er in de businesscase ruimte is voor win-win, dus of er voldoende geld kan worden gereserveerd om te investeren bijvoorbeeld in verbetering van het landschap en ecologie.
41
5.3.
ZONNEPANELEN OP GELUIDSCHERMEN
Door verschillende partijen is de mogelijkheid van zonnepanelen op geluidschermen langs de A12 als mogelijkheid geopperd. Daarbij moet worden aangetekend dat: —
De afstand tussen de afslag Bunnik en de Odijkerweg langs de A12 is ongeveer twee kilometer. Als het geluidscherm (maximaal) 8 meter hoog wordt dan leidt dit tot maximaal 16.000 m2, oftewel 1,6 hectare zonnepanelen. Slechts een deel van de doelstelling van 25 hectare kan dus via geluidschermen worden gerealiseerd.
—
Rijkswaterstaat ziet nu vanuit verkeerslawaai geen aanleiding om geluidschermen te realiseren op dit deel langs de A12. Dat betekent dat RWS niet zal investeren in deze geluidschermen.
—
Rijkswaterstaat moet rekening houden met toekomstige verbredingen van de A12. Op dit moment lijkt daar geen noodzaak toe te zijn, maar dit zal bij een aanvraag om te komen tot een geluidscherm opnieuw moeten worden beoordeeld.
—
Voor een effectief geluidscherm is de samenwerking met RWS noodzakelijk. Een geluidscherm moet zo dicht mogelijk op de weg staan. In het geval van de A12 ter hoogte van Odijk betekent dit dus boven op het talud op de grond van RWS.
Geluidschermen zijn duur. Veel duurder dan de gebruikelijke draagconstructies voor zonnevelden. Dat maakt dat projecten met PV-panelen op geluidschermen niet aantrekkelijk zijn puur als zonneproject. Alleen als het geluidsscherm noodzakelijk is, dan heeft het meerwaarde om zonnepanelen op geluidsschermen toe te passen.
42
6. Samenvattend voor zon — In de beleidsvisie zonnevelden heeft gemeente Zeist het gebied A12-spoorzone als kansrijk aangeduid. Veel belang wordt gehecht aan een zorgvuldige inpassing met oog voor de natuur- en landschapswaarden in het gebied. De gemeente streeft naar realisatie van in totaal 35 ha zon in de gemeente in 2030, waarvan het grootste deel in dit gebied. Het grondeigendom is verdeeld over meerdere eigenaren en er is een pachter. Voor de realisatie van zonnevelden betekent dit dat samenwerking voor de hand ligt, om kosten te delen en tot een zo optimaal mogelijke inrichting te komen. De netwerkkosten voor een paar kleine zonnevelden of één grote zijn relatief hoog. Het is gunstiger als via cable pooling zowel één of meerdere zonnevelden als twee windturbines kunnen worden aangesloten; kosten kunnen worden gedeeld en de belasting van het elektriciteitsnetwerk is effectiever en gelijkmatiger. Ontwikkeling van een geluidscherm met zonnepanelen langs de A12 lijkt niet waarschijnlijk. Rijkswaterstaat heeft geen plannen voor een geluidscherm op deze locatie. Zo’n geluidscherm zou hier hooguit 1,6 ha aan zonnepanelen opleveren. Zonnepanelen op een geluidscherm zijn alleen financieel haalbaar als een geluidscherm noodzakelijk is.
43
7. Denkrichtingen voor vervolg Tijdens de informatiefase voor de gebiedsverkenning heeft de uitspraak van de Raad van State het proces ingewikkelder gemaakt, doordat de normeringen voor windturbineparken ter discussie staan. In de Quick scan hebben we daarop voorgesorteerd door ook de effecten op de geluidscontouren bij een strengere normering (die van de WHO) in beeld te brengen. Als er wordt gekozen voor een stille turbine, kan worden voldaan aan die strengere normen, mits mitigatie wordt toegepast. Dat zorgt wel een forse beperking van de energieopbrengst. Het is twijfelachtig of de businesscase voor wind nog haalbaar is in dat geval. Voor de ontwikkeling van een of meerdere zonnevelden is de situatie complex vanwege het feit dat een deel van de gronden gepacht wordt en een zorgvuldige oplossing daarvoor extra geld vraagt. Ook is de aansluiting voor alleen zonnevelden relatief duur, wat betekent dat een fors aantal hectaren (globale schatting minimaal 40-45 ha bruto) moet worden gerealiseerd uitgaande van de huidige SDE++ normbedragen. Er zijn nu een paar keuzes/ opties: —
De grondeigenaren in het gebied verkennen of zij gezamenlijk wind en zon in dit gebied willen ontwikkelen.
—
De gemeente besluit om de beslissing over het bieden van beleidsruimte voor wind uit te stellen tot er meer zekerheid is over de normen.
—
Als er een situatie ontstaat waarin (voorlopig) wordt afgezien van de ontwikkeling van windturbines, zal verder verkend kunnen worden in hoeverre op deze locatie ontwikkeling van een of meerdere zonnevelden haalbaar is. Hierbij spelen de kosten van de aansluiting op het netwerk en de toekomst van de melkveehouderij een belangrijke rol. Deze verkenning zal in nauw overleg met de verschillende grondeigenaren moeten plaatsvinden. Er kan onderzocht worden wat er nodig is en welke inrichting gewenst is als de melkveehouderij in dit gebied actief blijft en wat het betekent als de melkveehouderij op een andere locatie de bedrijfsvoering voortzet.
44