01-22RV004 Bijlage 01 Rapportage informatiefase A12-spoorzone
Tekst van het document
A12-spoorzone Zeist Rapportage informatiefase
3 november 2021
A12-spoorzone Zeist Rapportage informatiefase
Opdrachtgever Gemeente Zeist
Uitgevoerd door: ROM3D Nicoline van der Windt m.m.v. ODRU Bart Verhagen
3 november 2021
2
Inhoud Inleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.
Verkenningen wind ............................................................................................................................. 7
1.1.
Eerste verkenning kansrijkheid wind ................................................................................................... 7
1.2.
Verkenning beoordeling kansrijkheid .................................................................................................. 7
2.
Nadere verkenningen wind ................................................................................................................. 9
2.1.
Recente ontwikkelingen wetgeving voor windturbines ....................................................................... 9
2.2.
Quick Scan Geluid ............................................................................................................................. 12
2.3.
Effect van mitigatie op energieopbrengst ......................................................................................... 16
2.4.
Slagschaduw ...................................................................................................................................... 17
2.5.
Visualisaties ...................................................................................................................................... 19
3.
Inzoomen op A12-spoorzone i.r.t. wind ............................................................................................. 22
3.1.
Provinciaal beleid voor wind ............................................................................................................. 22
3.2.
Belemmeringenkaart - veiligheid ...................................................................................................... 22
3.3.
Archeologie & cultuurhistorie ........................................................................................................... 24
3.4.
Watersysteem .................................................................................................................................. 26
3.5.
Natuur .............................................................................................................................................. 27
3.6.
Landschap ........................................................................................................................................ 29
3.7.
Landgebruik en recreatie .................................................................................................................. 30
3.8.
Eigendomssituatie gronden ............................................................................................................... 31
3.9.
Elektriciteitsnetwerk (wind en zon) ................................................................................................... 32
3.10.
Beleid provincie en gemeente ........................................................................................................... 34
4.
Samenvattend voor wind ................................................................................................................... 37
5.
Zonnevelden ..................................................................................................................................... 40
5.1.
Beleidsvisie zonnevelden in Zeist ...................................................................................................... 40
5.2.
Aanvullende informatie .................................................................................................................... 41
5.3.
Zonnepanelen op geluidschermen .................................................................................................... 42
6.
Samenvattend voor zon .................................................................................................................... 43
7.
Denkrichtingen voor vervolg ............................................................................................................. 44
Bijlage A. Quick scan geluid en slagschaduw .................................................................................................. 45 Bijlage B. Fotovisualisaties ............................................................................................................................. 46
3
Bijlage C. Opbrengst derving door mitigatie ................................................................................................... 56
4
Inleiding — De gemeente Zeist wil zo snel mogelijk maar uiterlijk in 2050 energieneutraal zijn. In de routekaart ‘Nieuwe Energie voor Zeist’ is beschreven op welke manier Zeist op weg is naar een energieneutraal gemeente. Doel is om in 2030 33% van de noodzakelijke energiebesparing en 33% van de doelstelling in duurzame energie opwek te hebben gerealiseerd. Concreet betekent het 766 Terra Joule (TJ) duurzame opwek in 2030. Voor 2030 streeft men de volgende mix na: 296 TJ op dak (330.000 panelen), 70 TJ aan zonnevelden (35 hectare), 100 TJ aan windenergie (4 turbines), 200 TJ restwarmte en 100 TJ energie uit afval-/ oppervlaktewater. Deze mix is een indicatie, als er minder zon op dak of minder windenergie gerealiseerd wordt, betekent dit dat een andere techniek meer moet opwekken. Zeist heeft verkenningen laten uitvoeren naar de mogelijkheden voor opwek van duurzame energie in de vorm van windenergie en zonne-energie afkomstig van grondgebonden zonnevelden, naast de mogelijkheden van zon-op-dak op woningen en bedrijven. Er zijn twee verkenningen uitgevoerd naar de plaatsingsruimte en kansrijkheid voor windturbines en één verkenning naar kansrijkheid voor zonnevelden. De verkenning voor zonnevelden is uitgewerkt in de beleidsvisie Zonnevelden in Zeist.
Uit deze verkenningen is de zone tussen de A12 en het spoor (zie afbeelding 1) naar voren gekomen als gebied waar zowel voor wind- als zonne-energie de beste kansen lijken te zijn. Voor de gemeenteraad is dit aanleiding geweest om voor dit gebied aan de slag te gaan met een gebiedsverkenning. Voor Zeist geldt dat de routekaart Nieuwe Energie en het besluit om (naast andere locaties) in de A12/spoorzone de mogelijkheden voor zon en wind verder te verkennen bepalend zijn voor de inbreng van Zeist in de Regionale Energiestrategie RES U16.
Afbeelding 1. Het plangebied (rood omlijnd) met daarin de mogelijke positie van windturbines (blauw)
5
Voordat met het opstellen van een gebiedsvisie wordt begonnen, heeft een fase van informatieverzameling plaatsgevonden. Het doel hiervan was zoveel informatiebronnen die de waarden van het gebied beschrijven boven tafel te krijgen. Daarmee werd ook inzicht verkregen in vragen/ onderwerpen waarover nog onvoldoende bekend of duidelijkheid over is. Tijdens de informatiefase werd duidelijk dat met name rondom de plaatsing van windturbines veel vragen leven. Een uitspraak over de Raad van State over de normering voor windturbines versterkte dat. Dat was reden om in deze informatiefase al aanvullende onderzoeken te laten uitvoeren naar geluidsbelasting, slagschaduw en de visuele aspecten van de windturbines. Deze rapportage is de verslaglegging van de informatiefase. Getracht is de rapportage beknopt te houden en vooral de meeste relevante punten te beschrijven, die van doorslaggevend belang lijken te zijn om beslissingen te nemen over het vervolgtraject. Het is nadrukkelijk geen document dat als een ruimtelijke onderbouwing in het kader van een vergunningaanvraag kan dienen. Als uit de visievorming blijkt dat er windturbines of zonnevelden komen, zal daarvoor een zorgvuldig R.O.-traject moeten worden doorlopen, inclusief het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing.
Opbouw rapport De aanleiding voor het maken van een gebiedsvisie voor het gebied A12-spoorzone is dat deze locatie uit een aantal verkenningen als meest kansrijke/ minst ongunstige locatie naar voren is gekomen voor opwek van wind- en zonne-energie in gemeente Zeist. De mogelijkheden voor daadwerkelijke realisatie blijken echter genuanceerd en de kansen voor ontwikkeling van windenergie en zonne-energie hangen nauw met elkaar samen. Omdat de realisatie van wind doorslaggevend lijkt te zijn en daar ook de meeste vragen over zijn, wordt allereerst op wind ingegaan. Het tweede deel gaat in op zonnevelden. Het eerste hoofdstuk omvat de eerste (globale) verkenningen naar de kansrijkheid voor wind in de gemeente. In hoofdstuk 2 worden aanvullende verkenningen op de aspecten geluid, slagschaduw en visuele aspecten beschreven. Hoofdstuk 3 gaat nader in op de gebiedswaarden in en om de A12-spoorzone, aandachtspunten/mogelijke effecten en kennisleemten. Hoofdstuk vier omvat de conclusies van dit deel over wind. Hoofdstuk 5 gaat nader in op de verkenningen naar en het beleid voor zonnevelden. Omdat de beleidsvisie zonnevelden al heel uitvoerig is, wordt volstaan met een korte samenvatting. Er worden aspecten toegevoegd, die in de beleidsvisie nog onvoldoende naar voren komen. Hoofstuk 6 geeft een aanzet voor vervolg.
6
1. Verkenningen wind — 1.1.
EERSTE VERKENNING KANSRIJKHEID WIND
Door adviesbureau Bosch & Van Rijn zijn twee verkenningen uitgevoerd naar de mogelijkheden voor opwek van windenergie in de gemeente Zeist. In de eerste 1 is een GIS-analyse uitgevoerd naar verschillende ruimtelijke belemmeringen en onderzocht waar ruimtelijke mogelijkheden zijn voor plaatsing van windturbines in de gemeente. De op dat moment geldende wet- en regelgeving (2020, begin 2021) is gebruikt om de minimale afstanden (buffers) weer te geven. Uitgegaan is van een turbine met rotordiameter 150 m en ashoogte 150 m (dus 225 m tiphoogte). Een turbine die naar verwachting gangbaar zal zijn tegen de tijd dat de realisatiefase aanbreekt. De plaatsingsruimte blijkt beperkt tot zes mogelijke locaties in de gemeente, waar in totaal 4-6 turbines gerealiseerd zouden kunnen worden. Redenen dat er zo weinig mogelijkheden zijn, zijn de hoge dekkingsgraad van woningen en de grote oppervlakte aan NNN-gebied en ‘groene contour’-gebieden. Met name in het zuidelijke deel van de gemeente vormen infrastructuur (weg en spoor) en buisleidingen belemmeringen. Het gebied tussen de snelweg A12 en het spoor is windlocatie B genoemd. Afbeelding 2 geeft de mogelijke opstelling weer en de belemmeringen in dit gebied.
Bosch & Van Rijn geeft aan dat er weinig plaatsingsruimte is en dat de realisatie afhankelijk is van het belangrijke feit dat twee woningen als sfeerwoningen/ molenaarswoningen zouden moeten worden aangemerkt. Deze opstellingsvariant kan alleen worden gerealiseerd als de bewoners hier medewerking aan verlenen. Als er in dit gebied twee 5 MW turbines worden gerealiseerd betekent dit een verwachte elektriciteitsopbrengst van 108 TJ/ jaar.
1.2.
VERKENNING BEOORDELING KANSRIJKHEID
In een vervolgverkenning 2 door Bosch & Van Rijn zijn alle potentiele windlocaties in Zeist nader verkend en is aan de hand van een beoordeling van de milieueffecten op hoofdlijnen een inschatting gemaakt van de kansrijkheid. Op basis daarvan heeft men een expert judgement gegeven t.a.v. de kansrijkheid van alle locaties.
1
Windenergie in de gemeente Zeist. Verkenning ruimtelijke mogelijkheden en strategisch advies (Bosch & van Rijn, 2020) (pdf Teams) 2 Beoordeling kansrijkheid windenergie Gemeente Zeist (Bosch & Van Rijn, 2021)
7
Afbeelding 2. Opstellingsvariant en belemmeringen voor windlocatie B: tussen spoor en A12 (bron: Windenergie in de gemeente Zeist. Verkenning ruimtelijke mogelijkheden en strategisch advies (bron: Bosch & van Rijn, 2020)
In deze vervolgverkenning is de beoordeling van de kansrijkheid voor de locatie A12-spoorzone (locatie B) als volgt beschreven: “Hoewel de windturbines bij opstellingsvariant B1 in de nabijheid van woningen in het gebied zelf en nabij woningen in Odijk zullen staan mag wegens het kleiner aantal omliggende woningen wel een minder grote invloed op de leefomgeving worden verwacht dan bij opstellingsvarianten A1 en A2 het geval is. Daarnaast bevinden de windturbines zich in een gebied met veel infrastructuur, waar landschappelijk gezien (enigszins) bij kan worden aangesloten en waarmee aan de voorkeuren vanuit de RES wordt voldaan. Vanwege het kleine aantal windturbines en het feit dat de windturbines niet boven NNN zullen overdraaien zijn de gevolgen voor ecologie niet afwezig, maar in vergelijking tot de overige opstellingsvarianten wel relatief beperkt. Ook op deze locatie is er bij het intekenen van de windturbines van uit gegaan dat woningen als behorende tot de sfeer van de windturbines kunnen worden aangewezen. Mogelijk is hierdoor herziening van de ingetekende posities nodig, of zal slechts één van de windturbines geplaatst kunnen worden”. De locatie A12- spoorzone krijgt hiermee de score 0 (neutraal). Er zijn geen locaties die een positieve beoordeling krijgen.
8
2. Nadere verkenningen wind — 2.1.
RECENTE ONTWIKKELINGEN WETGEVING VOOR WINDTURBINES
2.1.1.
Uitspraak Raad van State
Zoals eerder aangegeven zijn de verkennende onderzoeken van Bosch & Van Rijn uitgevoerd met de op dat moment geldende wettelijke normen. Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State op basis van een arrest van het Europese Hof een belangwekkende uitspraak gedaan 3. De Raad heeft geoordeeld dat voor de algemene regels voor windturbines in paragraaf 3.2.3 Activiteitenbesluit milieubeheer en paragraaf 3.2.3 Activiteitenregeling milieubeheer (de zgn. windturbinebepalingen) een strategische milieubeoordeling (een plan-mer) op grond van de richtlijn Strategische milieubeoordeling had moeten worden uitgevoerd. Dit betekent dat naar oordeel van de Raad de normen voor windmolens niet op de juiste manier zijn onderbouwd. De normen kunnen dan ook niet worden gebruikt bij de beoordeling van windparken. Met deze uitspraak is er nu grote onduidelijkheid over de normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid rondom windparken. Op 6 juli 2021 heeft de staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat de Tweede kamer geïnformeerd over de gevolgen van deze uitspraak. In deze brief heeft de staatsecretaris aangegeven dat de Rijksoverheid snel zal starten met een plan-mer om te komen tot een goede onderbouwing van normen voor windturbines. Verwacht wordt dat het proces om te komen tot goed onderbouwde milieunormen 1,5 tot 2 jaar in beslag zal nemen. 2.1.2.
Betekenis uitspraak RvS voor proces A12-spoorzone
Strikt genomen geldt de uitspraak van de Raad van State niet voor de situatie in de A12/spoorzone, omdat het hier geen mer-plichtig windpark van 3 of meer turbines betreft, maar slechts twee turbines. In deze situatie blijven de bestaande rijksregels onverkort gelden. Dat betekent dat de bestaande normen van kracht zijn én dat de gemeente geen strengere eisen kan opleggen aan windprojecten met twee turbines. Als de Raad van State oordeelt dat de milieueisen formeel niet juist zijn onderbouwd, dan is het raar dat diezelfde eisen wel goed genoeg zijn voor projecten met twee turbines. Dat is niet uit te leggen aan de inwoners van het gebied en de omwonenden in Zeist en Odijk. De enige manier om toch strengere eisen op te leggen aan een project is als een projectontwikkelaar er vrijwillig voor kiest om in de aanvraag voor de omgevingsvergunning strengere normen te hanteren. Deze maatwerkvoorschriften worden dan vastgelegd in de vergunning. De gemeente Zeist heeft er voor gekozen om via deze Quick scan in kaart te brengen wat de huidige normen en wat strengere normen betekenen voor de geluidsbelasting in het gebied. Voor de strengere normen is daarbij gekeken naar de adviezen van de WHO. Deze varianten worden hieronder toegelicht.
3 Bron: https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/@125920/milieubeoordeling-voor-windturbinenormen/
9
Variant 1, huidige normen De geluidsnormen voor windturbines zijn opgenomen in paragraaf 3.2.3. van het Activiteitenbesluit. De wettelijke geluidsnormen bedragen Lden 47 dB en Lnight 41 dB op gevels van geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen. Geluidsgevoelige gebouwen zijn naast woningen, ook scholen, kinderdagverblijven en verpleeg- en ziekenhuizen. Recreatiewoningen zijn geen geluidsgevoelige gebouwen. De Rijksoverheid heeft de Lden waarde van 47 dB gebaseerd op onderzoek van het RIVM in 2009 in opdracht van het (toenmalige) ministerie van VROM. Volgens de Rijksoverheid geeft een Lden waarde van 47 dB ongeveer evenveel ernstig gehinderden (ca. 8 % ernstig gehinderden binnenshuis, zie afbeelding 3) als de al veel langer bestaande grenswaarden voor andere geluidsbronnen, zoals wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. De dosismaat “Lden” (Level day, evening, night) betreft een jaargemiddelde geluidsbelasting. Voor de avondperiode (19.00 uur – 23.00 uur) wordt hierbij een toeslag van 5 dB gehanteerd ten opzichte van de dagperiode (07.00 uur – 19.00 uur). Voor de nachtperiode (23.00 uur – 07.00 uur) geldt een toeslag van 10 dB ten opzichte van de dagperiode. Voorgaande houdt dus in dat het geluidsniveau bij woningen gedurende een bepaalde periode van bijvoorbeeld enkele weken in het jaar, ook hoger mag zijn dan 47 dB.
Om slaapverstoring te voorkomen heeft de wetgever ook een extra dosismaat geïntroduceerd: de Lnight. De Lnight is de jaargemiddelde waarde, uitsluitend in de periode tussen 23.00 uur en 07.00 uur. Uit de praktijk volgt dat als aan de Lden norm van 47 dB wordt voldaan en vrijwel altijd ook wordt voldaan aan de Lnight norm van 41 dB. De Lden norm is dus in de regel maatgevend ten opzichte van de Lnight norm. Sommige deskundigen vinden de huidige geluidsnorm van 47 dB te ruim. Zij stellen dat het ritmisch karakter van het windturbinegeluid, in combinatie met de aanwezigheid van laagfrequent geluid (20 – 125 Hz) een (forse) aanscherping van de geluidsnormen rechtvaardigt. Ook wijzen deskundigen op het zogenaamde infrageluid (onder de 20Hz). Het betreft hierbij geluid dat niet hoorbaar is, maar wat wel kan leiden tot gezondheidsproblemen zoals hoge bloeddruk, hoofdpijn, etc. De extra hinderlijk c.q. gezondheidsproblemen door laagfrequent geluid en infrageluid, worden weer tegengesproken door o.a. het RIVM. Zij stelt dat hiervoor geen wetenschappelijk bewijs is. Variant 2, norm gebaseerd op WHO-richtlijn4 De World Health Organisation (WHO) heeft in oktober 2018 een richtlijn uitgebracht voor omgevingsgeluid. De WHO beveelt overheden aan te overwegen om het geluidsniveau van windturbines te reduceren tot onder de Lden 45 dB.
Het aantal ernstig geluidhinder daalt bij een waarde van 45 dB van 8% naar ten hoogste 5% (zie grafiek in afbeelding 3). Omdat 5% ernstig gehinderden in (randen van) woonwijken nog altijd zal leiden tot grote aantallen gehinderden, maken we onderscheid tussen: —
Individuele woningen;
—
Woonkernen waar grotere aantallen woningen relatief dicht op elkaar zijn gelegen.
Voor individuele woningen wordt hierbij uitgegaan het advies van de WHO (Lden ca. 45 dB) en voor woonwijken wordt uitgegaan van een Lden waarde van 42 dB. Een Lden waarde van 42 dB komt overeen met ca. 2,5% ernstig gehinderden. Dit percentage is gelijk aan het percentage ernstig gehinderden bij toepassing van de in de Wet geluidhinder opgenomen voorkeursgrenswaarde voor weg- en railverkeerslawaai. 4 https://www.euro.who.int/en/health-topics/environment-and-health/noise/publications/2018/environmental-noise-
guidelines-for-the-european-region-2018 https://www.rivm.nl/sites/default/files/2020-12/WHO-richtlijnen%20voor%20geluid.pdf
10
.
Afbeelding2. Percentage ernstig geluidgehinderden in relatie tot type geluidsbron (bron TNO)
Uit de grafiek volgt dat een verdere verlaging van de Lden waarde naar bijvoorbeeld 40 dB beperkt effect heeft op een verdere afname van het aantal ernstig geluidgehinderden. Dit heeft er waarschijnlijk mee te maken dat een gering deel van de bevolking erg gevoelig is voor geluiden vanuit de omgeving en ook bij lage geluidniveaus hinder blijft ondervinden. Afstanden tot windturbines of geluidsbelasting Vaak worden de geluidsnormen vertaald naar afstanden tot een gevoelig object. Dan worden de geluidsnormen doorgaans uitgedrukt in een afstand tussen de windturbine en een woning van aantal keer de ashoogte. Afhankelijk van de bron wordt hierbij een getal van drie tot tien keer de ashoogte gebruikt. In de Quick scan wordt gekeken naar de geluidsbelasting. Op dit moment worden de Nederlandse geluidsnormen uitgedrukt in dB’s geluidsbelasting en naar verwachting zal dat dit ook in de toekomst het geval zal zijn. De afstand tot een windmolen geeft een beperkte indicatie van de geluidsbelasting. Er zijn stillere turbines en turbines die meer geluid produceren. Bovendien geeft het hanteren van geluidsnormen meer flexibiliteit. Bij het absoluut hanteren van afstanden tussen windturbines en gevoelige objecten, woningen, blijft er zeker bij ruimere afstanden in Nederland weinig ruimte voor windturbines over. Het hanteren van geluidsnormen stimuleert het gebruik van stillere turbines.
Ook maken geluidsnormen het mogelijk om bedrijfsvoering van de turbines aan te passen. Het zogenaamde mitigeren. Om aan de gestelde geluidsnormen te voldoen moet de productie van een turbine, met name in de avond en de nacht, worden beperkt. Het effect van mitigeren wordt duidelijk gemaakt via de berekeningen die voor deze Quick scan zijn uitgevoerd.
11
CONCEPT
2.2.
QUICK SCAN GELUID
Bureau LBP Sight heeft de Quick scan 5 voor geluid en slagschaduw uitgevoerd (zie bijlage A). Doel van het onderzoek is inzichtelijk te maken tot welke geluidseffecten windturbines leiden. Molenaarswoning Voor het geluidsonderzoek is uitgegaan van de posities van de turbines zoals ingetekend door Bosch & Van Rijn. Er is uitgegaan van 1 molenaarswoning (sfeerwoning), namelijk de woning oostelijk van de oostelijke windturbine (Odijkerweg 152). Deze blijft buiten beschouwing in het onderzoek. Een molenaarswoning, ook wel sfeerwoning, is een woning die binnen de sfeer van een windpark valt en die een technische, organisatorische of functionele binding met het park heeft. Deze woning wordt dan niet aangemerkt als gevoelig gebouw voor de aspecten geluid en slagschaduw. Om een woning tot sfeerwoning te benoemen, is altijd medewerking van de bewoner nodig. De betreffende woning Odijkerweg 152 heeft een binding met de oostelijke windturbine: de turbine is geprojecteerd op de grond die hoort bij deze boerderij. Turbinetypen Voor het aspect geluid zijn meerdere turbinetypes onderzocht binnen een range van turbines met een maximale ashoogte van 150 m en maximale rotordiameter van 150 m en een vermogen van ca. 5 MW. Ook de geluideffecten van een (kleinere) referentieturbine, vergelijkbaar met die van windpark Autena ten zuiden van Vianen, zijn beschouwd.
De drie turbines die worden onderzocht zijn weergeven in onderstaande tabel 1: Windturbines
Luid Enercom E 138
Ashoogte (m) Rotordiameter (m) Tiphoogte (m) Vermogen (MWe)
Stil Vestas V 136 149 138 218 4,2
Referentie Nordex N 131 117 136 185 4,0 – 4,2
99 131 164,5 3,6
Tabel 1. De kenmerken van de drie onderzochte windturbines (Bron: LBP Sight).
Er wordt gekozen voor een luide en een stille turbine om de bandbreedte van de geluidscontouren te verkennen. De referentieturbine is toegevoegd omdat we verwachten dat men zich daarbij een beeld kan vormen. Dit is ongeveer het type windturbine dat nu in Vianen, in windpark Autena, staat. Dit is echter een type dat door ontwikkelaars nu al als niet rendabel meer wordt ingeschat. Geluidsnormen Voor geluid is onderzocht welke mitigerende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de volgende mogelijke grenswaarden (voor toelichting zie hierboven): —
Een grenswaarde van 47 dB Lden, de huidige wettelijke eis 6.
—
Een grenswaarde van 45 dB Lden zoals aanbevolen door de WHO 7.
Met mitigerende maatregelen bedoelen we maatregelen, zoals beperking van de productie in de nacht om te voldoen aan grenswaarden.
5 D. Vrolijk, Wind A12 Spoorzone in Zeist. Quick scan geluid en slagschaduw. LBP Sight, 5 oktober 2021. 6 Artikel 3.14a Activiteitenbesluit 7 Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid (2018)
12
De geluidcontouren zijn bepaald voor de waarden vanaf 42 dB Lden. Vervolgens is bepaald hoeveel gevoelige objecten aanwezig zijn binnen de verschillende geluidklassen, vanaf 42 dB Lden. Dit is gedaan voor de situatie zonder en met mitigatie. Berekende geluidsbelasting Na uitvoering van de berekeningen blijkt de hoogste bijdrage per turbinetype bij de omliggende woningen van derden als volgt: E138 op 149 m ashoogte: 49 dB Lden V136 op 117 m ashoogte: 48 dB Lden N131 op 99 m ashoogte: 47 dB Lden De woning aan de Tiendweg 28 in Zeist ligt het dichtst bij een windturbine. De geluidsbelasting op de gevel van deze woning is bepalend voor het voldoen aan de grenswaarden. Mitigatie voor Lden 47 dB Om te voldoen aan de grenswaarde van 47 dB zal de westelijke turbine in de nacht in een noise-mode 8 gezet moeten worden bij de Enercon E138 op 149 m en Vestas 136 op 117 m. De Nordex N131 op 99 m behoeft voor een grenswaarde van 47 dB niet gemitigeerd te worden. Als voorbeeld zijn hier de geluidscontouren van de Enercom E138 bij mitigatie tot 47 Lden (de huidige normen) weergegeven (zie afbeelding 4).
Afbeelding 4. Geluidscontouren van de Enercom E138 met mitigatie Lden 47 dB (Bron: LBP Sight)
8 Noise-mode-instellingen zijn maatregelen aan rotatiesnelheid van de rotor van de turbine waarmee de geluidsemissie
van de windturbine naar de omgeving wordt verminderd. Dit is van invloed op de vermogensopbrengst van de windturbine.
13
Mitigatie voor Lden 45 dB Om te voldoen aan de grenswaarde Lden 45 dB is, naast mitigatie in de nacht, meestal ook mitigatie nodig in de avonduren. De meest westelijke turbine zal in de avond en de nacht in een noise-mode moeten worden gezet. De oostelijke turbine alleen ’s nachts, behalve de Nordex N131 op 117m, die hoeft niet gemitigeerd te worden. Mitigatie leidt ertoe dat de energieopbrengst van de turbines minder zal zijn, dan in de situatie zonder mitigatie. De Vestas V136 zal in dit geval maximaal 3,4 MW kunnen leveren, de Nordex N131 maximaal 2,9 MW. De mitigatie van de Enercon E138 heeft als consequentie dat de energieopbrengst daalt tot maximaal 1000-500 kW. Als voorbeeld is zijn geluidscontouren van de Vestas V136 bij mitigatie Lden 45 dB opgenomen in afbeelding 5. Per turbine is er een verschillend beeld (zie bijlage A).
Afbeelding 5. Geluidscontouren van de Vestas V136 met mitigatie Lden 45 dB (Bron: LBP Sight)
Uit een vergelijking van de geluidscontouren wordt zichtbaar dat het effect van mitigatie op de geluidsbelasting niet alleen van belang is voor het gebied zelf. Als de geluidsbelasting op de woning die het dicht bij de windmolens ligt wordt beperkt tot 45 Lden, heeft dat ook effect op de woningen net buiten de A12/spoorzone en op de noordzijde van Odijk. Voor Odijk wordt de norm van 42Lden voor woonkernen ruim gehaald. Overzicht reductiemodi Onderstaande tabel 2 geeft het overzicht van de reductiemodi voor de twee windturbines bij de normen 45 en 47 dB Lden.
14
Type Enercon E 138
Voldoen aan 47 dB Lden 45 dB Lden
Windturbine 1 Nacht: mode 1000 kW Avond: mode 500 kW Nacht: mode 500 kW
Windturbine 2 n.v.t. Nacht: mode 500 kW
Vestas V 136
47 dB Lden 45 dB Lden
Nacht: mode S01 Avond: mode S02 Nacht: mode S02
n.v.t. Nacht: mode S02
Nordex N 131
47 dB Lden 45 dB Lden
n.v.t. Avond: mode 5 Nacht: mode 5
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Tabel 2. Samenvattend overzicht reductiemodi (Bron: LBP Sight)
Aantallen gevoelige objecten De aantallen gevoelige objecten binnen de verschillende geluidscontouren verschillen per type turbine en zijn afhankelijk van de mitigatie. De lagere Lden contouren liggen over de bebouwde kom van Odijk, en daarbinnen zijn dus relatief meer gevoelige objecten. Bij het mitigeren is te zien dat deze aantallen snel afnemen. Bij een mitigatie naar de norm van 45 dB Lden ligt de Lden 42 contour buiten de bebouwde kom en neemt het aantal woningen binnen de lagere contourklassen significant af. Het aantal woningen binnen de hogere Lden contouren is beperkt, ook zonder mitigatie. Als voorbeeld is de situatie voor de Vestas V136 in tabel 3 weergegeven. V136 op 117 m Lden klasse 42 43 44 45 46 47 48 49 Totaal
Geen 244 22 1 2 1 1 0 0 271
Mitigatie Lden 47 dB 158 5 2 2 0 1 0 0 168
Lden 45 dB 3 1 0 1 0 0 0 0 5
Tabel 3. Aantallen geluidsgevoelige objecten binnen de verschillende Lden geluidscontouren Vestas V136 (Bron: LBP Sight)
Bij een mitigatie tot 47 Lden ligt er één woning in de Lden klasse 47. Dat is de meest zuidelijke woning aan de Tiendweg. Bij mitigatie tot 45 Lden ligt er één woning in de Lden klasse 45. De overige woningen die op grotere afstand van de windturbines liggen verschuiven bij een verdergaande mitigatie naar lagere klassen. Het aantal geluidsgevoelige objecten geeft een indicatie van hoeveel mensen gehinderd worden door het geluid van de windturbines. Uit onderzoek weten we dat er naast het geluidsniveau ook andere factoren zijn die de hinder van windturbines bepalen. Het is ook bekend dat slecht een percentage van de mensen in een geluidsklasse ernstig gehinderd zijn. De aantallen woningen in tabel 1 laten vooral zien dat de mitigatie effectief om de geluidsoverlast op flinke aantallen woningen te beperken. Overige geluidsbronnen De A12/spoorzone en de omgeving zijn al hoog belast met geluid vanuit verschillende bronnen, zie afbeelding 6. Bij een groot aantal woningen heerst al een matige tot slechte kwaliteit van de akoestische omgeving. Het
15
is niet zonder meer te zeggen dat als gevolg van het windturbinegeluid de situatie verslechterd. Het geluid van de turbines kan wegvallen tegen het overige omgevingsgeluid, het kan echter ook zijn dat het geluid van de turbines juist te horen is op momenten dat het normaal gesproken rustig is. In de Quick scan is het effect van cumulatie van verschillende geluidsbronnen met het windturbine geluid niet onderzocht. Dit is wel een aspect dat in een vervolgprocedure uitgevoerd dient te worden. Met de windturbines wordt er wel extra geluidsbelasting toegevoegd aan een hoog belast gebied. Dat kan een argument zijn om strenge eisen aan windturbines op deze locatie te stellen.
Afbeelding 6. Geluidskaart RIVM alle bronnen (bron: RIVM)
Nader te onderzoeken: —
De ontwikkeling van de geluidsnormen op de langere termijn
—
Wat is de impact van nieuwe stillere windturbines
—
Welke bijdrage kunnen andere mitigerende maatregelen leveren om de geluidsbelasting te reduceren, denk aan geluidsschermen en gevelisolatie
—
In hoeverre draagt verplaatsen van de westelijke turbine bij aan geluidsreductie (rekening houdend met de mogelijkheden van de transportleiding)
—
2.3.
Cumulatie van geluid
EFFECT VAN MITIGATIE OP ENERGIEOPBRENGST
Aan de hand van de gegevens over de mitigerende maatregelen die in de Quick scan voor geluid zijn genoemd, is door adviesbureau Bosch & Van Rijn doorgerekend welk effect dit heeft op de elektriciteitsproductie. De uitgebreide toelichting op de berekeningen is in bijlage C. opgenomen. In afbeelding 7 is het samenvattend overzicht grafisch weergegeven. Wat opvalt is dat de N136 om te voldoen aan de Lden 45 dB een daling van de productie heeft van meer dan 35%. Voor de V131 is dit ruim 10%. Het is niet mogelijk, zo schrijft Bosch & Van Rijn in de conclusies, om een concrete grens van opbrengstderving aan te geven waarboven een windpark niet meer rendabel is. Dit hangt immers af van de rendementseisen van
16
de ontwikkelaar, maar ook van andere onderdelen van de business case, zoals de SDE++, de aanschafprijs, de kosten voor netaansluiting etc. Wel is het zo dat de hoogte van de SDE-subsidieregeling wordt jaarlijks zo bepaald dat een partij die een windpark bouwt 15% rendement op eigen vermogen ontvangt. Een opbrengstderving van 10% of meer betekent wel zo’n grote aanslag op het rendement dat de kansrijkheid van realisatie twijfelachtig wordt.
Afbeelding 7. Grafische weergave van het effect van mitigerende maatregelen op de opbrengst (Bron: Bosch & Van Rijn).
De hier gepresenteerde berekening omvat alleen de daling van de energieproductie als gevolg van mitigatie om aan de geluidsnormen te voldoen. Het is mogelijk dat uit nader onderzoek blijkt dat er extra maatregelen nodig zijn in de vorm van een stilstandvoorziening vanwege slagschaduw of ecologische waarden (bijvoorbeeld een vleermuis die moet worden beschermd). Dat betekent dat de elektriciteitsproductie mogelijk nog verder beperkt wordt.
2.4.
SLAGSCHADUW
Om de slagschaduw door de twee turbines in beeld te brengen, is in het onderzoek van LBP Sight uitgegaan van een turbine met een tiphoogte van 223 m: de Vestas V150 met een rotordiameter van 150 m op een ashoogte van 148 m. Deze turbine is niet meegenomen in de Quick Scan voor geluid. Dit type turbine is van het formaat waarvan Bosch & Van Rijn verwacht dat dit de gangbare turbinehoogte zal zijn op het moment van realisatie. De contouren uit het slagschaduwonderzoek laten dus een soort ‘worst-case’ beeld zien. De drie onderzochte turbines van het geluidsonderzoek leveren contouren die kleiner zijn. Afbeelding 8 laat de slagschaduwcontouren zien, met daarin verwerkt de verschillende verwachte slagschaduwuren. Het aantal gevoelige objecten binnen de verschillende klassen van 0 tot meer dan 15 uren verwachte slagschaduw per jaar is geteld. In tabel 4 zijn de resultaten opgenomen. De Quick scan geeft niet de daadwerkelijke duur van de slagschaduw per woning, maar de berekende, verwachte duur. Dat zal in een (eventuele) latere fase preciezer berekend moeten worden. Uit de figuur met de slagschaduwcontouren is af te lezen, dat de bebouwde kommen van Odijk en DriebergenRijsenburg vrijwel geen hinder zullen ondervinden. In het oostelijk deel van Bunnik is beperkt hinder, die met
17
name optreedt in het voor- en najaar in de vroege ochtenduren als de zon laag staat. De slagschaduw valt dan ook over het bedrijventerrein in Bunnik, echter bedrijven worden niet als een gevoelige functie gezien in relatie tot slagschaduw. Een deel van de hinder zal in werkelijkheid minder zijn, omdat de schaduwwerking door andere woningen of door beplanting wordt geblokkeerd. De slagschaduw zal het meest optreden bij vrijstaande woningen aan de Tiendweg, Odijkerweg, Bunsinglaan en Schoudermantel. Om ernstige overlast door slagschaduw te beperken is het gebruikelijk dat er, aan de hand van maatwerk per woning/ gevoelig object, een stilstandvoorziening wordt getroffen. De windturbine die de overlast veroorzaakt wordt dan tijdelijk stilgezet.
Afbeelding 8. Slagschaduwcontouren van Vestas V150 op as 148 m (Bron: LBP Sight)
Klasse 0 tot 1 uur 1 tot 2 uur 2 tot 3 uur 3 tot 4 uur 4 tot 6 uur 6 tot 10 uur 10 tot 15 uur meer dan 15 uur
Aantal 1109 467 200 89 48 30 22 14
Tabel 4. Aantal woningen binnen de verschillende slagschaduwklassen (Bron: LBP Sight)
Ook over de slagschaduwnormen is door de uitspraak van de Raad van State onzekerheid ontstaan. In vervolgonderzoek zal kunnen worden afgestemd op de mogelijke slagschaduwnormstelling in het projectgebied. Voor vervolgonderzoek zijn de volgende aspecten van belang: —
Te onderzoeken gebied. Binnen welke slagschaduwcontouren, afstand tot windturbines, of bij welke aantallen slagschaduwuren worden gevoelige objecten nog meegenomen?
18
—
Hoeveel slagschaduw wordt acceptabel geacht en vanaf hoeveel slagschaduw is mitigatie nodig? Dit kan een aantal uren verwachte slagschaduwduur per jaar zijn, maar ook maximale slagschaduwduren per dag zijn denkbaar.
2.5.
VISUALISATIES
Om de zichtbaarheid van de turbines in het landschap te tonen zijn fotovisualisaties gemaakt. Deze zijn gemaakt met behulp van het door ROM3D ontwikkelde programma WIN3D. WIN3D maakt gebruik van GISdata om op basis van de exacte locaties en de hoogte van de windturbines het beeld samen te stellen, zodat het waarheidsgetrouw is. Om de beelden levensecht te maken is een integratieslag gemaakt van WIN3D met beelden uit Google Streetview. De beelden zijn uitgewerkt voor twee verschillende hoogtes van de windturbines: —
Laag: vergelijkbaar met Nordex N131, ashoogte 99 m, tiphoogte 165 m (de referentieturbine uit het geluidsonderzoek).
—
Hoog: vergelijkbaar met Vestas V150, as op 148 m, tiphoogte 223 m (volgens Bosch & Van Rijn een gangbaar type turbine in nabije toekomst).
Doordat de omgeving erg bomenrijk is zijn de turbines op veel plekken niet of nauwelijks te zien. Voor de visualisaties zijn juist die plekken gekozen waar wel zicht is op de turbines. Hoe sterk de windturbines zichtbaar zijn is afhankelijk van de positie waar men zich bevindt en de kijkrichting Vanuit sommige posities zijn de turbines zeer dominant aanwezig, vanuit andere posities weinig of helemaal niet. Of er opgaande beplanting (bomen of houtsingels) of bebouwing tussen de kijker en de turbines aanwezig is, is daarbij bepalend. Als men zich door het gebied heen beweegt zullen de windturbines, dan weer opvallen, dan weer uit het beeld verdwijnen. Uit de afbeeldingen 9 a t/m n (zie bijlage B voor groter formaat) blijkt dat voor de zichtbaarheid van de turbines het verschil in formaat beperkt van invloed is. Ook de referentieturbine is namelijk al fors. Het verschil in schaal van de turbines ten opzichte van de kijker en het hem zo vertrouwde landschap is groot. Voor de kijker is er daarmee lastig om te bepalen waar de turbines staan en wat hun grootte precies is. Wat niet uit deze beelden blijkt is de mate waarin de twee turbines vanaf een grotere afstand (enige kilometers) zichtbaar zijn en in hoeverre ze dan interfereren met andere opstellingen van windturbines in de omgeving. Nader te onderzoeken —
In hoeverre treedt interferentie op met andere (potentiele) windlocaties in de omgeving?
—
Welke mitigerende maatregelen zijn mogelijk om bijvoorbeeld vanuit woonbebouwing of recreatieve routes het zicht op de turbines te beperken? Op welke locaties kan opgaande beplanting toegevoegd worden om kan het zicht op de turbines beperken?
19
Op de volgende twee pagina’s zijn de afbeeldingen 9 a t/m n. opgenomen. Het zijn fotovisualisaties met in de linker kolom windturbines, met as 150 m, rotordiameter 150 m, tiphoogte 225 m en in de rechter kolom met de referentieturbine as 99 m, rotordiameter 131 m, tiphoogte 165 m. In bijlage B zijn de foto’s in groter formaat opgenomen. Afbeelding 10 geeft de positie en de kijkrichting weer.
Afbeelding 9 a. A12 afslag Bunnik, naar het oosten
b.
c. A12 kijkend naar westen
e. Odijk Kromme Rijnbrug
f.
g. Koeburgweg
h.
20
Afbeelding 9 i. Wandelpad ten noorden van Odijk
j.
k. Tiendweg
l.
m. Zeisterweg
n.
Afbeelding 10. Positie en kijkrichtingen voor fotovisualisaties
21
3. Inzoomen op A12-spoorzone i.r.t. wind
—
In de verkenningen door Bosch & Van Rijn zijn globaal de mogelijke effecten van windturbines op de gebiedswaarden beschreven. In dit hoofdstuk zoomen we verder in op het plangebied en deze waarden. De informatiebronnen worden op een rij gezet, aandachtspunten en kennisleemten/vragen worden benoemd. Er is hierbij uitgegaan van de posities van de windturbines die zijn voorgesteld in de eerste verkenningen.
3.1.
PROVINCIAAL BELEID VOOR WIND
Provincie Utrecht heeft in de Ontwerp Interim Omgevingsverordening (2020) haar beleid ten aanzien van wind beschreven. De Provincie heeft een voorkeur voor het bij elkaar plaatsen van meerdere turbines met een vermogen van minimaal 3 MW. De provincie vindt het belangrijk om bij een zorgvuldige locatiekeuze omwonenden, naburige grondeigenaren en grondgebruikers te betrekken in een gebiedsproces. Bij de locatieleuze dient rekening houden te worden met de kernkwaliteiten van de Utrechtse Landschappen (Kromme Rijn/Rivierengebied en Utrechtse Heuvelrug). Een bijzondere positie neemt het Unesco wereld erfgoed, de Nieuwe Hollandse Waterlinie in. Informatiebronnen —
Provinciale Ruimtelijke Verordening
—
Ontwerp Interim Omgevingsverordening (2020) •
H 5.1 Omgevingsverordening gaat over Wind, zon en biomassa
•
Artikel 5.4 Instructieregel windenergielocatie
•
Artikel 7.9 Instructieregel landschap. Bijlage 14 Omgevingsverordening bevat de beschrijving van de kernkwaliteiten van de landschappen van de Utrechtse Heuvelrug en het Rivierengebied
•
3.2.
De Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen beschrijft de Cultuurhistorische hoofdstructuur
BELEMMERINGENKAART - VEILIGHEID
Vanuit het oogpunt van veiligheid is plaatsing windturbines op veel locaties uitgesloten. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de spoorlijn Arnhem-Utrecht en aan de zuidzijde door de snelweg A12. Aan de zuidzijde van de snelweg loopt een hoogspanningsleiding. Aan de westzijde door gebied loopt een transportleiding van defensie. Om elke van deze infrastructuurlijnen ligt een buffer, waarbinnen windmolens niet zijn toegestaan, ook niet de overdraai, zie afbeelding 11.
22
Afbeelding 11. Veiligheidsbuffers rondom infrastructuur, buisleiding en hoogspanningsleiding. De blauwe punten zijn de potentiele windturbinelocaties.
Vanuit deze harde randvoorwaarden, in combinatie met de geluidscontouren (zie paragraaf 2.2), en de veiligheidsafstanden tot panden, zijn er maximaal twee windturbines in het gebied te plaatsen. De turbines moeten op ruime afstand van elkaar staan. Een vuistregel voor de onderlinge afstand is ca. 3 keer de diameter van de rotor als de opstelling uit de hoofdwindrichting (westzuidwest) staat gesitueerd en ca. 5 keer als de opstelling in de hoofdwindrichting staat gesitueerd. Een kleinere onderlinge afstand heeft tot gevolg dat de turbines niet optimaal profiteren van de wind. Ze vangen dan elkaar de wind af en wekken daardoor minder duurzame energie op. In het plangebied staan de turbines op 700 meter uit elkaar gepositioneerd. Er is nauwelijks ruimte om de turbines op een andere plek in het gebied te plaatsen. Informatiebronnen: —
Handboek risicozonering windturbines (HRW2020), Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving.
—
Risicokaart.nl
Nader te onderzoeken: —
In hoeverre is het mogelijk de meest westelijke turbine verder naar het westen te plaatsen, zodat en meer gevoelige objecten in een lagere geluidscontour vallen. Het betreft hier een transportleiding van Defensie.
23
3.3.
ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE
Windturbines staan stevig verankerd in de grond. De ronde fundering van vlechtijzer en beton is verankerd aan een serie heipalen. Daarvoor wordt een gat gegraven van ca. 3 meter diepte, afhankelijk van de situatie is dat meer of minder. De fundering heeft een diameter van ca. 25 meter, ook dit is situatie specifiek. Daarnaast is er een zogenaamde kraanopstelplaats nodig, waar de onderdelen van de turbine worden geplaatst, tot de turbine met behulp van een hoge kraan vanaf deze plek wordt opgebouwd. De fundering en de kraanopstelplaats samen zijn ca. 2500 m2 groot. De omvang en diepte zijn afhankelijk van het turbinetype en de bodemopbouw ter plaatse. Vanaf de turbine lopen ondergrondse kabels op ca. 1 meter diepte, die de opgewekte elektriciteit afvoeren naar een schakelkast en dan naar een inkoopstation, waar de aansluiting op het netwerk plaatsvindt. Een windturbine realiseren betekent dus (forse) bodemverstoring ter plaatse en inzicht in de archeologische en cultuurhistorische waarden is daarom relevant. Door het archeologisch adviesbureau RAAP is bureauonderzoek 9 uitgevoerd naar de cultuurhistorische en de archeologische waarden van het plangebied. Cultuurhistorie De cultuurhistorische waarden hangen nauw samen met het landschap dat door de Kromme Rijn is gevormd. In het gebied zijn de stroomruggen herkenbaar in het reliëf.
Er zijn bovengronds nog veel sporen aanwezig van ontginningen en bewoning uit verschillende fasen van de geschiedenis en de meeste worden positief of hoog gewaardeerd. Op sommige plaatsen geldt ook voor de bodem een hoge verwachting voor het aantreffen van resten van bewoning.
Afbeelding 12. Cultuurhistorische waarderingskaart (bron: RAAP) 9 Kroes, R.A.C., A.M.J. Kuijt, M. IJsselstijn, juli 2021. Concept A12 spoorzone Zeist, gemeente Zeist; archeologisch
vooronderzoek: een bureauonderzoek I cultuurhistorisch onderzoek. RAAPrap_5192_ZEZZ2_20210705.
24
Afbeelding 12 toont de cultuurhistorische waarderingskaart. Het landschap dat samenhangt met de landgoedstructuur wordt hoog gewaardeerd en dat van de Kromme Rijn positief. De hoge waardering komt doordat veel sporen intact zijn gebleven. In het geval van de positieve waardering is er meer van de oude kenmerken aangetast, bijvoorbeeld door aanleg van de snelweg en wijzigingen in de verkavelingsstructuur. De windturbines van de zodanige schaal dat ze boven het landschap uitstijgen (zie ook de paragraaf over landschap). Op een hoger schaalniveau bekeken contrasteren de moderne windturbines flink met de cultuurhistorische waarden, die juist in dit gebied samenhangen met een bewoningsgeschiedenis die heel lang teruggaat in de tijd. Archeologie Uit het archeologisch vooronderzoek/ bureauonderzoek heeft RAAP een advies opgesteld, samengevat in afbeelding 13.
Afbeelding 13. Advieskaart archeologie: het plangebied geprojecteerd op de AHN (zwart is hoog, wit is laag) en de bodemkaart. Advies voor vervolgonderzoek geldt voor de wit gearceerde gebieden, te weten hooggelegen afzettingen met een zandig of zavelig karakter en erven die in het verleden bebouwd zijn geweest of bebouwd konden zijn, namelijk de als ontginningsas geregistreerde gebieden. Voor laaggelegen, kleiige afzettingen buiten die (mogelijk) bebouwde erven geldt dit advies niet (bron: RAAP).
25
Advies voor vervolgonderzoek geldt voor de wit gearceerde gebieden, te weten hooggelegen afzettingen met een zandig of zavelig karakter en erven die in het verleden bebouwd zijn geweest of bebouwd konden zijn, namelijk de als ontginningsas geregistreerde gebieden. Voor laaggelegen, kleiige afzettingen buiten die (mogelijk) bebouwde erven geldt dit advies niet. De westelijke turbine is buiten het wit gearceerde gebied geprojecteerd. De mogelijke locatie voor de oostelijke windturbine valt in, of raakt aan het wit gearceerde gebied, wat betekent dat ter plaatse vervolgonderzoek nodig is. Vervolgonderzoek houdt in dat er meer nauwkeurig onderzoek gedaan moet worden, met veldwerk op locatie. Op basis van de informatie die dat oplevert kan in de fase van vergunningverlening worden besloten tot het verplichten van het uitvoeren van afgravingen of dat in de realisatiefase bij graafwerkzaamheden een deskundige ter plaatse moet zijn. Het vervolgonderzoek kan ook informatie leveren om tot een betere plaatsbepaling van de turbines te komen, waardoor ze beiden buiten het gebied met hoge verwachtingswaarde staan. Andere informatiebronnen —
Deelgebied Zeist-Bunnik. Perspectief en inrichtingsbeeld voor de ecologische hoofdstructuur. Wensbeeld voor natuur en landschap (Prov. Utrecht, Grontmij, 2011)
—
Landgoedbiotopenkaart (Geopoint Prov. Utrecht)
Nader te onderzoeken —
Welke tracé volgen de kabels voor de windmolens?
—
In hoeverre vormen de voorwaarden voortkomend uit de archeologische waarden een belemmering voor eventuele bouw van windmolens?
—
Wat moet er worden gedaan om te voldoen aan deze voorwaarden? Wat brengt dat mogelijk mee aan kosten/tijd?
3.4.
WATERSYSTEEM
Behalve de graafwerkzaamheden die plaatsvinden voor de fundering en de kabels, zal tijdens de bouw van de windturbines gebruik gemaakt worden van bronbemaling. Hierdoor zal er een tijdelijk effect zijn op de waterhuishouding in het gebied. Als gevolg van het aanleggen van de fundering en de kraanopstelplaats (samen ca. 2500 m2) en een ontsluitingsweg zal de oppervlakte aan verharding toenemen.
Afbeelding 14. In de gelige gebieden is sprake van inzijging, in de blauwige van kwel (bron: Grontmij, 2011)
26
Op de locaties waar de turbines zijn geprojecteerd, is sprake van inzijging van water (zie afbeelding 14 en 15). In het oostelijk deel van het plangebied kwelt water op vanuit de Utrechtse Heuvelrug. Het hele gebied is gevoelig voor verdroging. Door het oostelijk deel van het plangebied loopt een spreng die zijn oorsprong vindt bij De Breul en loopt tot aan Rijnwijck. In hoeverre de bouw van de turbines een effect heeft op de waterhuishouding doordat bodemlagen worden verstoord, zal onderwerp van vervolgonderzoek moeten zijn. Inzicht in de bodemopbouw (geologie) en de kwelstromen is nodig om een inschatting te kunnen maken van de effecten op de kweldruk.
Afbeelding 15. Gebieden met kwel (bron: Bestemmingsplan Buitengebied Zeist Zuidwest, 2018)
Informatiebronnen —
Deelgebied Zeist-Bunnik. Perspectief en inrichtingsbeeld voor de ecologische hoofdstructuur. Wensbeeld voor natuur en landschap (Prov. Utrecht, Grontmij, 2011)
—
Bestemmingsplan Buitengebied Zeist Zuidwest (2018)
—
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Nader te onderzoeken —
In hoeverre hebben eventuele diepe(re) graafwerkzaamheden invloed op de kwelsituatie en de spreng?
—
In hoeverre heeft bronnering effect op de kwelsituatie en kwelafhankelijke natuur zowel tijdens de aanlegfase als op de langere termijn?
3.5.
NATUUR
Zoals hierboven beschreven zullen voor de plaatsing van windturbines graafwerkzaamheden worden uitgevoerd en zal bronnering nodig zijn. Ook zal de oppervlakte verharding in het gebied toenemen. Mogelijk zullen deze ontwikkelingen een effect hebben op de flora en fauna in het gebied. Van windturbines is bekend dat ze slachtoffers maken onder vliegende dieren, zoals insecten, vleermuizen en vogels. Het is mogelijk dat
27
door het turbinegeluid en de beweging van de wieken verstoring zal zijn onder andere fauna, zoals bijvoorbeeld reeën of dassen, of onder landbouwhuisdieren (koeien, paarden). De ligging van het plangebied is op de overgang van de Utrechtse Heuvelrug naar de Kromme Rijn, van bosgebied naar halfopen naar open landschap. Het gebied is interessant, juist het vanwege het voorkomen van natte en drogere delen zo dichtbij elkaar. Het gebied is van belang als ‘natte’ ecologische verbinding samenhangend met de Kromme Rijn en als ecologische verbinding nat-droog tussen de Kromme Rijn en de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug (zie afbeelding 16). Hoge natuurwaarden zijn er op landgoed Rijnwijck, waar kwelafhankelijke natuur is. Ook zijn er (restanten van) hakhoutcomplexen. Het gebied is weinig toegankelijk, dus het aantal waarnemingen dat is opgenomen in de Nationale Databank Flora en Fauna is relatief beperkt en geeft wellicht niet de juiste situatie weer. In het gebied zijn dassenburchten en de weilanden dienen als foerageergebied voor de das. De natuurwaarden van het gebied zijn in verschillende studies uitgebreid beschreven (zie onder voor bronnen). Soorten die in dit gebied zijn waargenomen, zijn onder meer de Rosse vleermuis en de Wespendief. Dit zijn in relatie tot windturbines aandachtsoorten.
De gevoeligheid van vleermuizen voor windturbines is hoog in dit gebied (bron: Geopoint Utrecht). Andere aandachtsoorten die in dit gebied zijn waargenomen zijn onder meer de Kamsalamander en verschillende soorten kikkers en amfibieën.
Afbeelding 16. De ecologische verbindingen in De Groene Driehoek, waar het plangebied deel van uitmaakt (bron: Utrechts Landschap).
Op meer dan 10 km afstand liggen de Natura 2000 gebieden Oostelijke Vechtplassen en Kolland & Overlangbroek. Voor een mogelijke ontwikkeling van windturbines hoeft hiermee dus geen rekening te worden gehouden (te ver weg).
28
Uit aanvullend onderzoek naar flora en fauna (bijvoorbeeld door veldwerk, zoals vogel- of vleermuistellingen), kan duidelijk worden in hoeverre de windturbines een bedreiging vormen voor soorten en hoe dit door maatregelen, zoals een stilstandvoorziening, kan worden beperkt. Informatiebronnen —
Ecologische inventarisatie t.b.v. de gebiedsvisie A12-spoorzone (notitie ODRU 21-04-21)
—
Gevoeligheid vogels en vleermuizen voor windturbines (Prov. Utrecht 2021) – kaartbeeld (Geopoint Utrecht) en achtergrondrapport.
—
Nationale databank flora en fauna - Odijk luchtkaart
—
Beheerdoeltypen NNN via Geopoint provincie Utrecht
—
Dassenwerkgroep
—
Onderzoek Wespendief Veluwe
—
Utrechts Landschap – Visie op landgoedontwikkeling Blikkenberg en Wulperhorst
Nader te onderzoeken —
In hoeverre heeft het voorkomen van soorten invloed op de ontwikkeling van windturbines? Met name nader onderzoek naar vogels en vleermuizen
—
Welke potentiele ecologische waarden zijn er, mede i.r.t. kwel?
—
Effect op fauna en flora ter plaatse door graafwerkzaamheden, geluid, slagschaduw?
—
Zijn er mitigerende maatregelen nodig en hoe zien die eruit?
3.6.
LANDSCHAP
De windturbines zijn met hun hoogte en omvang dominant aanwezig in het landschap. De schaal overstijgt die van het landschap zoals dat ons bekend is, en waarin wij ons kunnen oriënteren. De schaal is ook zodanig, dat de plaatsing van windturbines eerder ten opzichte van elkaar en ten opzichte van andere groepen windturbines moet worden bekeken, dan ten opzichte van het omliggende landschap. Van ‘inpassing’ in het landschap is eigenlijk geen sprake, de windturbines vormen als het ware een nieuwe laag over het landschap heen 10. Wat wij eerder als grootse en imposante landschapselementen zagen, komt in totaal ander perspectief te staan met een windturbine erbij. Behalve de tiphoogte is ook de tiplaagte van belang. Een grote rotordiameter met lage tiplaagte is indringend en voelt soms bedreigend. Het plangebied maakt deel van het gebied tussen Zeist, Odijk en Bunnik, dat ‘de Groene Driehoek’ wordt genoemd. Het is een afwisselend ‘leeg’ landschap, ingesloten door bebouwing en de snelweg A12 en doorsneden door de spoorlijn Arnhem-Utrecht. Het gebied ligt op de overgang van de besloten Utrechtse Heuvelrug, naar het open slagenlandschap van de Kromme Rijn waar veel landgoederen en buitenplaatsen liggen, ook wel de Stichtse Lustwarande genoemd. Het is een ‘oud’ landschap, waar al vroeg bewoning plaatsvond.
Bijzonder is het reliëf waardoor de aanwezigheid van de Kromme Rijn voelbaar is. Ook de aanwezigheid in en om het plangebied van landgoederen en buitenplaatsen, zoals Rijnwijck en Wulperhorst, bepalen het karakter, met hun bossen, oude
10 F. Stroeken e.a., Windturbines in levend landschap. Rapportage van de CoP Windenergie en landschapskwaliteit, mei 2021.
29
lanen en houtwalstructuren. In de open gebieden, het slagenlandschap, zijn de oude ontginningsstructuren nog zichtbaar. Afbeelding 17 toont de diversiteit aan landschappen.
Afbeelding 17. De landschapstypen van de Groene Driehoek (bron: Bestemmingsplan Buitengebied Zeist Zuidwest, 2018)
Versterking van de bestaande landschappelijke structuur kan ertoe bijdragen dat de herkenbaarheid van het landschap wordt vergroot. De ervaring van de dominantie door windturbines kan daarmee worden verminderd. Van inpassingsmaatregelen is bij windturbines van deze schaal eigenlijk geen sprake. Informatiebronnen —
LOP Kromme Rijngebied+ (deel Zeist, Bunnik/Odijk en Utrechtse Heuvelrug)
—
Beeldkwaliteitsplannen Kromme Rijngebied
—
Energielandschappen RES-U16 (Land-ID, 2020)
—
Visie Stichtse Lustwarande 2005
—
Identiteitsonderzoek Stichtse Lustwarande 2003
—
Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen
—
F. Stroeken e.a., Windturbines in levend landschap. Rapportage van de CoP Windenergie en landschapskwaliteit, mei 2021
Nader te onderzoeken —
In hoeverre is de (beleving van) de landgoederenstructuur en het Kromme Rijnlandschap kwetsbaar voor windturbines?
—
Wat is de optimale turbine (ashoogte en rotordiameter) vanuit het oogpunt van beleving?
—
In hoeverre kan versterking van de bestaande landschappelijke structuur bijdragen aan het beperken van de impact van de windturbines?
3.7.
LANDGEBRUIK EN RECREATIE
Zoals beschreven bij het onderdeel landschap zullen windturbines een effect hebben op de beleving van landschap.
30
Het plangebied bestaat uit bos, bosjes en brede houtsingels, meeste zijn aangeduid als natuurgebied. De overige gronden zijn in agrarisch gebruik. In het bestemmingsplan zijn de gronden aangeduid als ‘agrarisch gebied met waarden’. De weilanden zijn in gebruik van een melkveehouderij. Een perceel is in gebruik van een fruitkwekerij. In het gebied staan enkele vrijstaande woningen en een boerderij. Het erf en de boerderij van één melkveehouderij liggen net buiten het plangebied aan de rand van Bunnik.
Afbeelding 18. Recreatieve routes in de omgeving van het plangebied (bron: Geoloket Provincie Utrecht)
Het plangebied is weinig toegankelijk, er zijn geen doorgaande wegen, en het is er dan ook rustig. Het landgoed Rijnwijck is te voet toegankelijk. In de omgeving zijn er beperkt mogelijkheden voor wandelen en fietsen. Er loopt een langeafstand wandelroute langs de Kromme Rijn en een langeafstand fietsroute noordelijk van het gebied (zie afbeelding 18.). In de directe omgeving van de mogelijke locatie van de turbines vindt geen recreatie plaats. Informatiebronnen —
Bestemmingsplan buitengebied Zeist Zuidwest 2018
—
Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen
Nader te onderzoeken —
3.8.
Welke wensen spelen t.a.v. ontwikkeling recreatie en wonen, ook in de directe omgeving?
EIGENDOMSSITUATIE GRONDEN
Het grondeigendom is over zeven partijen verdeeld, zie afbeelding 19. In het westelijk deel van het gebied is de grond verpacht aan een melkveehouder. In de overige situaties gebruikt of beheerd de eigenaar zijn gronden zelf. De eventuele realisatie van windturbines kan samengaan met het uitoefen van de melkveehouderij, zonder veel extra inspanningen, met uitzondering van de fase van aanleg waarin de bedrijfsvoering van de melkveehouderij mogelijk hinder kan ondervinden. De gronden waarop de turbines zijn geprojecteerd, zijn in handen van twee verschillende eigenaren.
31
Afbeelding 16. Grondeigendommen in het plangebied. Iedere kleur staat voor een andere eigenaar. De positie van de windturbines in rood gemarkeerd.
Nader te onderzoeken —
Wat is het toekomstperspectief en wat zijn de wensen van de agrarische bedrijven in en om het gebied?
—
3.9.
Is er bereidheid onder eigenaren om wind en/of zon te ontwikkelen op hun gronden?
ELEKTRICITEITSNETWERK
Capaciteit Het elektriciteitsnetwerk in de A12/spoorzone valt binnen het verzorgingsgebied van Stedin. In de omgeving van Zeist is beperkt netwerk capaciteit beschikbaar. De komende jaren worden er door Stedin flinke investeringen gedaan om het netwerk te verzwaren. Voor de A12/spoorzone is met name de verzwaring van het HS?TS/MS onderstation in Driebergen van belang. Dit station ligt dicht bij de A12/spoorzone en omdat op dit onderstation zowel op middenspanning als op tussenspanning kan worden aangesloten is het voor grotere of kleinere projecten in de A12/spoorzone een geschikte plek om op aan te sluiten.
Afbeelding 17. Onderstation in roze
Op moment van schrijven heeft Stedin plannen om onderstation Driebergen uiterlijk in 2025 te verzwaren, mits daarvoor tijdig een aanvraag is ingediend. De gemeenten binnen het verzorgingsgebied van Stedin overleggen regelmatig met Stedin in het kader van de Regionale Energie Strategie. Zowel vanuit de RES U16 als de RES FoodValley bestaan plannen voor duurzame opwek van elektriciteit die gevolgen kunnen hebben voor het onderstation in Driebergen. Om op tijd te kunnen aan sluiten is het dus van belang om op tijd capaciteit te reserveren.
32
CONCEPT
Inmiddels is ook bekend geworden dat TenneT, de beheerder van het landelijk elektriciteitsnetwerk, in Utrecht met netcongestie heeft te maken. De toevoer van duurzame energie uit zonnevelden en windmolens ten noorden en oosten van Utrecht is op sommige momenten zo groot dat er geen ruimte is voor het aansluiten van extra duurzame energie in Utrecht. Op dit moment werken Stedin en TenneT hard aan oplossingen voor dit probleem. Deels kan dat worden opgelost met een andere regeling van het net. Maar structurele oplossingen vragen een verzwaring van het net. Deze structurele oplossingen vragen wel meer tijd. In de komende tijd zal meer duidelijk worden over het tempo waarin deze oplossingen gerealiseerd zullen worden. Op dit moment kunnen Stedin en TenneT garanderen dat de problemen binnen zeven jaar, in 2029, opgelost zullen zijn. Een initiatiefnemer heeft vóór 12 oktober een complete aanvraag voor een aansluiting ingediend bij Stedin ten behoeve van een zonneveld in de A12/spoorzone en valt dus buiten de netcongestie die is afgekondigd door TenneT. Kosten van de aansluiting Voor grotere projecten, vanaf ongeveer 20 MWe11, moet op tussenspanning worden aangesloten. Vanaf 10 MWe worden de kosten van een aansluiting gebaseerd op werkelijke. Het maakt niet meer uit of er daadwerkelijk 20 MWe of 40 MWe wordt aangesloten en of dit met wind- en/of zonne-energieprojecten gebeurt.