01-21RV039 Bijlage 1 Nota financiele stabiliteitscriteria
Tekst van het document
5.1 Belastingen a. Kostendekkendheid leges Algemeen. Leges worden geheven over producten of diensten die we als gemeente aan inwoners of bedrijven leveren. De kosten die de gemeente voor deze producten of diensten maakt mag zij 1 op 1 doorberekenen. De mate waarin kosten worden doorberekend wordt kostendekkendheid genoemd. Wettelijke normering Op grond van de gemeentewet mogen leges maximaal honderd procent kostendekkend zijn. Dit betekent dat nooit meer kosten bij de inwoner of bedrijven in rekening mogen worden gebracht dan werkelijk zijn gemaakt. Gemeenten hebben keuzevrijheid of zij al haar kosten wenst door te berekenen of niet. Zodra de keuze valt om niet alle kosten door te berekenen zal voor dat deel andere dekking gevonden moeten worden. De leges dienen onderbouwd te zijn met een kostprijsberekening. Bij beroep of bezwaar vormt deze kostprijsberekening de onderbouwing van de hoogte van het tarief
Ontwikkeling kostendekkendheid leges De kostendekkend van onze leges hebben zich de afgelopen jaren als volgt ontwikkeld. begroting 2018 2019 2020 2021 Afvalstoffenheffing en reinigingsrecht 94,17% 100,00% 100,00% 100,00% Rioolheffing 100,00% 100,00% 100,00% 100,00% Marktgelden 76,69% 70,00% 74,83% 57,98% Begraafplaats 99,86% 99,32% 100,25% 100,00% Leges titel 1 45,68% 39,15% 41,81% 41,75% Leges titel 2 100,00% 100,00% 100,00% 98,68% Leges titel 3 32,81% 33,08% 35,16% 24,41% Leges titel 1 betreft de algemene dienstverlenging. Leges titel 2 betreft de dienstverlening in de fysieke leefomgeving en omgevingsvergunning. Leges titel 3 betreft de dienstverlening vallend onder de Europese dienstenrichtlijn.
Zoals uit de tabel blijkt zijn (nog) niet alle tarieven 100% kostendekkend.
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
21
Grenswaarde. Tarieven mogen nooit meer bedragen dan de gemaakte kosten, dus ze mogen 100% kostendekkend zijn. Signaalwaarde Als signaalwaarde hanteren we het principe van 100% kostendekkendheid. Bij het opstellen van de begroting wordt de kostendekkendheid van de leges berekend. Zolang de leges nog niet voor 100% kostendekkend zijn, is er ruimte om extra inkomsten te genereren. Het is uiteindelijk een politieke afweging of de leges voor 100% worden doorbelast. Bijsturingsopties. Als blijkt dat leges onder de signaalwaarde uitkomen, kunnen we bij de begroting voorstellen doen om de leges tot 100% grens te verhogen. De extra inkomsten geven financiële ruimte voor de begroting. Eventuele voorstellen daartoe worden bij de begroting ter besluitvorming voorgelegd.
b. Onbenutte belastingcapaciteit / uitkering gemeentefonds Algemeen. De belastingcapaciteit geeft aan hoeveel belasting een gemeente jaarlijks kan innen, ongeacht of zij dit realiseert of niet. Het heeft een directe relatie met de hoogte van de uitkering van het gemeentefonds. Het Rijk gaat er van uit dat gemeenten zelfstandig een bepaald bedrag aan inkomsten kunnen genereren en dat de uitkering van het gemeentefonds hierop aanvullend is waardoor het voorzieningenniveau in iedere gemeente vergelijkbaar moet zijn. Lagere eigen inkomsten betekent verevening met het gemeentefonds omdat het Rijk stelt dat een gemeente zelfstandig middelen kan realiseren en ze wil daarvoor geen rijksmiddelen beschikbaar stellen. De onbenutte belastingcapaciteit bestaat uit de extra structurele middelen die gegenereerd kunnen worden door de OZB-tarieven te verhogen tot het rekentarief dat nodig is voor het aanvragen van noodsteun in het kader van Artikel 12 Financiële verhoudingswet. Heeft een gemeente over lange tijd grote financiële tekorten op de begroting dan kan de gemeente tijdelijk om extra geld uit het gemeentefonds vragen. De gemeente levert haar financiële zelfstandigheid voor een deel in en krijgt een zogenoemde Artikel 12-status. Uiteindelijk heeft iedere gemeente wel weer de plicht om tot een sluitende begroting te komen.
Als de werkelijke belastingcapaciteit lager is dan dit percentage (artikel 12 status), betekent het dat de gemeente eerst zelf meer inkomsten uit belastingen moet verwerven voordat er aanspraak op de extra middelen gedaan kan worden. Wettelijke normering Artikel 12 van de Financiële verhoudingswet bepaalt dat de eigen inkomsten van een gemeente, wil zij in aanmerking komen voor een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds, een bepaald redelijk peil moeten hebben. Om dat te kunnen beoordelen moet duidelijk zijn welke eigen inkomsten daarbij worden betrokken en wat een redelijk peil is. Dit is vastgesteld in artikel 4 van de Regeling aanvullende uitkering gemeentefonds en omvat de eigen inkomsten uit: de Onroerend Zaak Belastingen (OZB); de afvalstoffenheffingen en reinigingsrechten; de rioolheffingen. De normering voor de OZB is vastgesteld op 120% van het gemiddelde tarief voor de OZB (uit het voor-vorig jaar ofwel t-2). Zolang de belastingcapaciteit onder deze grens ligt kan een gemeente geen aanspraak doen op extra rijkmiddelen. Ontwikkeling onbenutte belastingcapaciteit. Op waarstaatjegemeente.nl staat een dasboard gepresenteerd waarin Zeist afgezet wordt tegen het landelijk gemiddelde. Op basis van de vergelijking over het begrotingjaar 2020 zien we dat Zeist een onbenutte belastingcapaciteit heeft 7,4% ten opzichte van landelijk 1,8%.
Concreet betekent dit dat we onze totale inkomsten (exclusief onttrekkingen aan reserves) met 7,4%
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
22
kunnen verhogen om aan de toetredingdrempel van artikel 12 te voldoen. Deze drempel is vastgesteld op 120% van het gemiddelde ozb tarief. De uitkering van het gemeentefonds gaat uit van de mogelijkheden die een gemeente zelf heeft om de inkomsten maximaliseren. Dit betekent dat bij de berekening van dit bedrag uitgegaan kan worden van dezelfde berekening als voor de toetredingsdrempel artikel 12. Maar in plaats van een percentage van 120% kan 100% worden aangehouden. Het huidige ozb tarief van Zeist ligt ruim onder dat van het Nederlandse gemiddelde en ruim onder de norm van de Financiële verhoudingswet. Grenswaarde. Er is geen harde grenswaarde voor de onbenutte belastingcapaciteit. Als een gemeente aanspraak wil maken op een aanvullende bijdrage uit het gemeentefonds moeten de eigen inkomsten van de gemeente op een redelijk peil zijn. Hier is specifieke wetgeving aan de orde. Signaalwaarde We hanteren als signaalwaarde de volgende bandbreedte voor de onbenutte belastingcapaciteit. Onbenutte belastingcapaciteit Meer dan 4% Tussen 1,5% en 4% Onder 1,5%
Oordeel Boven de waarde Dicht bij landelijk gemiddelde Onder de waarde
Voor de beoordeling nemen we de begroting van het vorig jaar (T-1) telkens als uitgangspunt, conform de systematiek van waarstaatjegemeente.nl.
Bijsturingsopties. We hebben de ozb opbrengsten nodig om onze begroting sluitend te krijgen. De onbenutte belastingcapaciteit geeft ons de mogelijkheid de inkomsten (extra) te verhogen. Voorstellen daartoe worden bij de begroting voorgelegd. Zolang er sprake is van een belastingcapaciteit die lager ligt dan het landelijk gemiddelde zal dit ook financiële gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering van het gemeentefonds. c. Belastingdruk ten opzichte van het landelijk gemiddelde Algemeen Dit kengetal is een verplichte ratio vanuit het BBV. Het zegt iets over de hoogte van onze gemeentelijke belastingen en heffingen ten opzichte van het landelijke gemiddelde. Het betreft de woonlasten van een meerpersoonshuishouden in het begrotingsjaar ten opzichte van het landelijk gemiddelde in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar (uitgedrukt in een percentage). Hieruit blijkt of de inwoner van Zeist meer of minder betaalt voor ongeveer dezelfde dienstverlening dan de gemiddelde inwoner van Nederland. Onder de woonlasten worden verstaan de OZB, de rioolheffing en afvalstoffenheffing voor een woning met gemiddelde waarde in die gemeente. Ruimte onder het landelijk gemiddelde geeft aan dat de gemeente lagere tarieven hanteert voor haar belastingen en heffingen. Bij financiële problemen bestaat de mogelijkheid ze te verhogen.
Dit geldt alleen voor de OZB, voor de rioolheffing en afvalstoffenheffing geldt 100% kostendekkendheid als maximum. Tariefsverhoging is natuurlijk afhankelijk van de politieke wenselijkheid.
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
23
Wettelijke normering Bij de invoering van dit kengetal heeft de wetgever geen norm opgelegd. Het is aan gemeenten zelf om ervoor te kiezen dit te normeren. Voor de toezichthouder heeft dit kengetal een signaleringswaarde. Het kan betrokken worden bij het krijgen van een completer inzicht in de financiële situatie en risicopositie van een gemeente. De toezichthouder hanteert dus ook geen normering maar ze maken gebruik van de onderstaande signaleringswaarde. Waarderingscijfer Belastingdruk
Minst risicovol <95%
Neutraal 95-105%
Meest risicovol >105%
Ontwikkeling belastingdruk Zeist tov landelijk gemiddelde Over de jaren 2017 tot en met 2020 was het verloop van de belastingdruk als volgt. Jaar Belastingdruk 2017 90% 2018 89% 2019 100% 2020 104% Uit dit overzicht blijkt dat de belastingdruk binnen Zeist de afgelopen jaren is gestegen. Daarbij moeten twee opmerkingen geplaatst worden: 1. het cijfer van Zeist voor 2020 is afgezet tegen het landelijke beeld 2019 omdat er nog geen recentere landelijke cijfers beschikbaar zijn. We baseren deze landelijke cijfers op de Coelo atlas van de lokale lasten. 2. In het tarief voor rioolheffing hanteren we op het kostendekkende tarief een jaarlijkse opslag 4,4% naast de reguliere indexatie. Deze extra stijging is gebaseerd op het vGRP 2017. De reden voor deze extra stijging is dat we daarmee toekomstige tariefstijgingen in de loop van de jaren wat kunnen afvlakken. Dit stabiliteitscriterium hangt voor een belangrijk deel samen met het vorige stabiliteitscriterium, de onbenutte belastingcapaciteit. Het benutten van de onbenutte belastingcapaciteit heeft een nadelig effect op de belastingdruk van de gemeente. Het tarief van de ozb zal daardoor stijgen waardoor het mogelijk is dat we boven de signaleringswaarde van de provincie uitkomen (boven de 105%).
Uit het contact met de provincie blijkt dat zij de criteria in samenhang zien en niet ieder criteria afzonderlijk laten meewegen in het risicoprofiel van de gemeente. Zij geven aan dat de onbenutte belastingcapaciteit een middel is om tot een sluitende begroting te komen. Het heeft geen invloed op het oordeel repressief toezicht. Grenswaarde De wetgever heeft geen harde norm voor dit stabiliteitscriterium opgelegd. De toezichthouder hanteert een percentage van boven de 105% als meest risicovol. Signaalwaarde Om de belastingdruk te bepalen maken we gebruik van 3 tarieven, te weten de ozb, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat de tarieven voor rioolheffing niet alleen uit de werkelijke kosten bestaan maar tevens uit een spaarelement voor toekomstige investeringen in het riool. We hanteren als signaalwaarde de volgende bandbreedte voor de onbenutte belastingcapaciteit. Onbenutte belastingpercentage Oordeel Tot aan 100% Onder de waarde Tussen 100% - 105% Aandacht vereist Boven 105% Boven de waarde
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
24
Voor de beoordeling nemen we de jaarrekening van het vorig jaar (T-1) telkens als uitgangspunt. Vergelijking op basis van de begroting is minder zinvol. De vergelijking zou dan op verouderde landelijke gegevens plaatsvinden hetgeen een onjuist beeld van de werkelijkheid kan geven. Bij dit stabiliteitscriterium is dus geen harde ‘norm’ te stellen. Bijsturingsopties. De hoogte van de tarieven voor ozb is naast een financieel technische bepaling ook een politieke keuze. Hetzelfde geldt voor de tarieven afvalstoffen en rioolheffing, waarbij we het kader van de raad als uitgangspunt blijven houden (100% kostendekkendheid). Op het moment dat de signaalwaarden boven de bandbreedte uitkomen zullen we in gesprek gaan met u als raad over de (on)wenselijkheid van verdere verhoging en de gevolgen hiervan. Een waarde ver onder de signaalwaarde geeft een andere boodschap: de inwoner betaalt relatief weinig voor de dienstverlening. Ook hier kan een politiek gesprek gevoerd worden over de “eerlijke prijs”.
5.2 Financiering De hieronder opgenomen stabiliteitscriteria geven inzicht in de aard en de wijze van financiering van alle bezittingen en activiteiten van de gemeente. Kunnen wij de uitgaven ook daadwerkelijk betalen? Zolang de actuele waarden van de ratio’s onder de gestelde normen liggen, kan de gemeente externe financiering aantrekken voor het betalen van uitgaven. a. netto (gecorrigeerde) schuldquote Algemeen. Dit kengetal is een verplichte ratio vanuit het BBV. De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast (langlopend en kortlopend). Het maakt duidelijk of de gemeente haar financieringslasten (rente en aflossing) in de exploitatie kan dragen. Bij deze netto (gecorrigeerde) schuldquote wordt rekening gehouden met het door de gemeente zelf verstrekken van leningen. Het betreft hier vooral eerder verstrekte hypotheken aan medewerkers. In het kader van de wet FIDO is het verstrekken van leningen sterk ingeperkt, zo is het niet meer toegestaan om nog hypotheken te verstrekken waardoor het saldo verstrekte geldleningen jaarlijks afneemt. Wettelijke normering Bij de invoering van dit kengetal heeft de wetgever geen norm opgelegd. Het is aan gemeenten zelf om ervoor te kiezen dit te normeren. Voor de toezichthouder heeft dit kengetal een signaleringswaarde.
Het kan betrokken worden bij het krijgen van een completer inzicht in de financiële situatie en risicopositie van een gemeente. De toezichthouder hanteert dus ook geen normering maar ze maakt gebruik van de onderstaande signaleringswaarde. Waarderingscijfer Minst risicovol Neutraal Meest risicovol Netto gecorrigeerde <90% 95-130% >130% schuldquote Ontwikkeling van de netto (gecorrigeerde) schuldquote Over de jaren 2017 tot en met 2020 was het verloop van de netto gecorrigeerde schuldquote in de jaarrekening als volgt. Jaar Netto (gecorrigeerde) schuldquote 2017 -14% 2018 -8% 2019 1% 2020 8%
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
25
We zien dat de netto (gecorrigeerde) schuldquote langzaam iets oploopt. Dit komt voornamelijk door het afnemen van de verstrekte leningen (hypotheken).
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
26
Grenswaarde. De wetgever heeft geen harde norm gesteld voor dit stabiliteitscriterium. Meer dan 130% wordt door de toezichthouder als meest risicovol beschouwd. Signaalwaarde Onze huidige ratio is laag. Het is de verwachting dat de komende jaren de ratio zal gaan stijgen doordat we nieuwe (langlopende) geldleningen moeten aantrekken. De signaalwaarde fungeert als een alarmknop. Het maakt ons bewust van het bereiken van de vooraf gestelde waarde. Hoewel we nu ruim onder de signaleringswaarden van de toezichthouder zitten is dit voor ons geen reden om de netto (gecorrigeerde) schuldquote niet te blijven monitoren. We willen prudent met de schuldquote omgaan. Dit betekent dat we strategisch zorgvuldige keuzes gaan maken ten aanzien van het aangaan van (langlopende) leningen. Dit is de reden dat de netto (gecorrigeerde) schuldquote relatief laag willen houden. We gaan daarom uit van een signaalwaarde tot aan 20% (zie onderstaande tabel). Daardoor wordt het effect (ten opzichte van de signaalwaarde) sneller inzichtelijk en maakt het ons bewust in ons handelen. We hanteren de volgende verdeling. Netto (gecorrigeerde) schuldquote Oordeel Tot aan 20% Zeer goed Tussen 20% - 40% Aandacht vereist Boven 40% Boven de signaal waarde Voor de beoordeling nemen we de jaarrekening van het vorig jaar (T-1) telkens als uitgangspunt. Bijsturingsopties.
Met het aangaan van geldleningen zijn structurele rentelasten gemoeid. Deze lasten moeten jaarlijks betaald worden wat de exploitatie van onze gemeente verzwaard. Vanaf het moment dat we te afhankelijk worden van externe financiering gaan we, meer dan nu, onze cashflowpositie onderdeel laten uitmaken van de besluitvorming.
b. Renterisiconorm Algemeen. Gemeenten hebben veelal vaste schulden. Over deze schulden moet rente betaald worden. Op het moment dat daarvoor de rente wordt aangepast, loopt de gemeente een zeker risico, hogere rente leidt tot hogere lasten. De rente wordt meestal aangepast bij herfinanciering van schuld. Het is daarom van belang dat de leningenportefeuille met een zekere meerjarige spreiding is opgebouwd. Hierdoor wordt het renterisico ingeperkt. De renterisiconorm geeft daar het kader voor. De renterisiconorm houdt in dat de jaarlijks verplichte aflossingen en renteherzieningen niet meer mogen bedragen dan een vastgesteld percentage van de totale lasten van de begroting. Wettelijke normering. De renterisiconorm is vastgelegd in de Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden en wordt bepaald voor vier jaren en stelt dat jaarlijks een maximaal percentage van het begrotingstotaal onderhevig mag zijn aan herfinanciering of rente herzieningen. Ruimte onder de norm geeft gemeenten de ruimte om langlopende leningen aan te trekken in de wetenschap dat de lasten ‘gedragen’ kunnen worden. Op dit moment is het percentage vastgesteld op 20. De toezichthouder ziet toe op naleving van de renterisiconorm. In bijzondere gevallen (art. 6 wet FIDO) heeft de toezichthouder de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden ontheffing van de renterisiconorm te verlenen.
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
27
Ontwikkeling renterisiconorm Jaarlijks wordt bij de begroting de hoogte van de renterisiconorm bepaald. Bij de jaarrekening wordt over de betaalde rente en aflossing gerapporteerd. Voor de jaren 2017 tot en met 2020 was het verloop als volgt: Jaar Hoogte Renterisico Ruimte onder % ruimte onder renterisiconorm vaste schuld renterisiconorm renterisiconorm 2017 € 28.101.000 € 4.328.787 € 23.772.213 84,4% 2018 € 29.137.200 € 3.325.000 € 25.812.200 88,5% 2019 € 30.112.400 € 3.325.000 € 26.787.400 89,0% 2020 € 31.688.400 € 2.275.000 € 29.413.400 91,4% De hoogte van de renterisiconorm bewoog zich de afgelopen jaren tussen de € 28 mln. en € 31 mln. De laatste jaren zijn de rentelasten op onze leningen gedaald van € 4,3 mln. naar € 2,3 mln. Dit komt omdat we hebben afgelost op bestaande leningen en geen nieuwe leningen hebben aangetrokken. Hierdoor is er voldoende ruimte onder de renterisiconorm. Grenswaarde: In de wet FIDO is bepaald dat de hoogte van de renterisiconorm 20% bedraagt. Signaalwaarde Op dit moment maken we zeer beperkt gebruik van externe financiering. We zien echter wel dat onze cashflowruimte langzaam afneemt. Het gevolg kan zijn dat we in de nabije toekomst extern vermogen moeten aantrekken. In beginsel kunnen we dit deels oplossen door het inzetten van kortlopende geldleningen (looptijd korter dan 1 jaar).
Dit instrument kan alleen ingezet worden bij tijdelijke liquiditeitsproblemen. Als sprake is van een structurele financieringsbehoefte dan zullen we hierin voorzien middels een langlopende geldlening. Hoewel het risico op dit moment laag is vinden we de ruimte tot aan de grenswaarde van 20% te groot om als signaalwaarde aan te houden, we zouden dan leningen kunnen aantrekken waarvan de lasten (rente en aflossing) ruim € 25 mln. per jaar zouden mogen bedragen. Een grenswaarde van 20% geeft ons daarom te weinig urgentie. Als signaalwaarde willen we daarom 75% ruimte onder de renterisiconorm hanteren. Op basis van de renterisiconorm 2020 zou de rente en aflossing mogen stijgen tot een bedrag van € 7,9 mln. Bijsturingsopties. De ruimte onder de renterisiconorm is op begrotingsjaar 2021 groot. Ons risico is daarom momenteel zeer beperkt. Daarom gaan we onze huidige werkwijze continueren. We hebben 2 inzicht in onze toekomstige cashflow. In het rentecomité wordt eens per kwartaal de cashflow besproken waarbij aandacht is voor het aangaan van leningen, kortdurend of langlopend. We monitoren dus onze huidige en toekomstige kasstromen. Als blijkt dat aanvullende kasgelden nodig zijn, zullen we in het rentecomité dit bespreken.
Daar zal ook de afweging gemaakt worden of dit een kortlopende of een langlopende geldlening moet worden, waarbij we de regelgeving (wet FIDO en die van de toezichthouder) in acht nemen. Voor het aangaan van langlopende leningen is een collegebesluit nodig.
c. Kasgeldlimiet Algemeen. De kasgeldlimiet vindt ook zijn oorsprong in de wet FIDO. Gemeenten kunnen bij een tijdelijk financieringstekort een tijdelijke (kortlopende) geldlening afsluiten. Dit mag niet onbeperkt. Er is een limiet (de zogenaamde kasgeldlimiet) bepaald waarbinnen gemeenten kunnen handelen. We spreken van kortlopende geldlening (of kort geld) als de looptijd korter is dan één jaar. De kasgeldlimiet is bedoeld om de negatieve gevolgen van een snelle rentestijging te beperken bij een financieringsvraagstuk. De ruimte onder de limiet geeft de gemeente de flexibiliteit om met 2
Het rentecomité komt eens per kwartaal bijeen waarbij de liquiditeitspositie van de gemeente besproken wordt. Het comité bestaat uit de portefeuillehouder financiën, de concerncontroller, het hoofd financiën en de treasurer. Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
28
kort geld uitgaven te financieren. De kasgeldlimiet wordt berekend door het saldo van de kortlopende geldleningen te delen door het totale balanssaldo.
Wettelijke normering De hoogte van de kasgeldlimiet is een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van de totale lasten (inclusief toevoegingen aan reserves) van de begroting (inclusief begrotingswijzigingen). Het percentage wordt eens per drie jaar bepaald. De hoogte van kasgeldlimiet is op dit moment bepaald op 8,5%. De kasgeldlimiet mag in principe niet overschreden worden. Als de kasgeldlimiet drie kwartalen achtereen overschreden wordt kan de toezichthouder maatregelen treffen. Een uiterste maatregel kan zijn dat de toezichthouder voorafgaand aan het aantrekken van een nieuwe kortlopende geldlening toestemming moet geven. Ook kan zij een maximum bedrag vaststellen dat een gemeente aan schuld rekening courant mag hebben. Ontwikkeling kasgeldlimiet. Jaarlijks wordt bij de begroting de hoogte van de kasgeldlimiet bepaald. Bij de jaarrekening wordt over het werkelijke inzetten van ‘kort geld’ gerapporteerd via de paragraaf financiering. Voor de jaren 2017 tot en met 2020 was het verloop als volgt: Jaar Hoogte kasgeldlimiet Hoogte inzet kort geld 2017 € 11.943.000 € 2018 € 12.383.000 € 2019 € 12.798.000 € 2020 € 13.680.000 € Uit het bovenstaande blijkt dat alle uitgaven in de afgelopen jaren uit de bestaande cashflow kon worden voldaan. De banksaldi waren voldoende in omvang om alle rekeningen te voldoen. Grenswaarde.
De kasgeldlimiet is door de wetgever bepaald op 8,5% van de totale lasten van de begroting. Signaalwaarde Het inzetten van kort geld is een zeer goed en effectief middel bij tijdelijke liquiditeitsproblemen. Bij tijdelijke liquiditeitsproblemen is het niet nodig, maar ook goedkoper, om niet direct over te gaan tot langlopende geldleningen. We willen de ruimte van de kasgeldlimiet daarom ten volle benutten als de situatie hier om vraagt. Als signaalwaarde gaan we daarom de kasgeldlimiet van 8,5% aanhouden. Bijstellingsopties. Onze huidige werkwijze willen we blijven continueren. We hebben inzicht in onze toekomstige kasstromen. In het rentecomité wordt eens per kwartaal de cashflow besproken waarbij aandacht is voor het aangaan van leningen, kortdurend of langlopend. We monitoren dus continu onze huidige en toekomstige kasstromen. Als blijkt dat aanvullende kasgelden nodig zijn, zullen we in het rentecomité dit bespreken. Daar zal ook de afweging gemaakt worden of dit een kortlopende of een langlopende geldlening moet worden, waarbij we de regelgeving (wet FIDO en die van de toezichthouder) in acht nemen. Voor het aangaan van kortlopende leningen is geen collegebesluit nodig, dit is gemandateerd om te voorkomen dat er acute liquiditeitsproblemen ontstaan.
d. Rentemix langlopende geldleningen Algemeen. Bij het aangaan van langlopende geldleningen is het rentepercentage waartegen geleend kan worden erg belangrijk, de rentelast drukt (naast de aflossing op de lening) namelijk op onze
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
29
begroting. Om de kosten voor rente beheersbaar te houden, is het belangrijk dat strategisch goede afwegingen gemaakt worden wanneer geldleningen aangetrokken worden. De rentemix van langlopende geldleningen is hiervoor een belangrijke graadmeter. Het geeft de gemiddelde rente die we betalen op onze leningenportefeuille weer. Een goede spreiding van de rente op de aangegane geldleningen zorgt voor voldoende wendbaarheid. We voorkomen daarmee dat we ineens grote rentesprongen maken waardoor we extra lasten in onze begroting moeten opnemen. Daarnaast speelt de rente die we over onze geldleningen moeten betalen een belangrijke rol in de hoogte van de (omslag)rente waartegen we de kapitaallasten van investeringen in onze begroting moeten opnemen. De gemeente werkt met een omslagrentemethodiek. Dat wil zeggen dat de gemeentelijke vermogenskosten worden toegerekend aan de gemeentelijke producten op basis van de boekwaarde van desbetreffende investeringen op de balans. Op grond van de BBVregelgeving maakt de gemeente onderscheid tussen de omslagrente BIE (bouwgronden in exploitatie) die wordt toegerekend aan de grondexploitaties en de omslagrente investeringen die wordt toegerekend aan de overige investeringen. Hoe lager de rentekosten van onze langlopende geldleningen zijn, des gunstiger dit is voor de begroting.
We kunnen dan volstaan met lagere lasten op te nemen in onze meerjarenbegroting. Echter bij het aantrekken van nieuwe geldleningen zal dit een negatief effect hebben op onze omslagrente omdat onze rentelasten zullen gaan toenemen.
Wettelijke normering Binnen de wet FIDO en de Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden is wetgeving opgenomen om risico’s van renteherzieningen en herfinanciering te beperken. In het BBV is voorgeschreven hoe de omslagrente berekend moet worden. Bij de begroting wordt jaarlijks de hoogte van de rekenrente opnieuw uitgerekend en vastgesteld. Er is geen wettelijke normering voor de hoogte van de rentemix die een gemeente maximaal mag hebben. Ontwikkeling rentemix. Over de jaren 2017-2020 is het gemiddelde van de rente op onze aangegane geldleningen als volgt geweest. Jaar Hoogte rentemix langlopende geldleningen 2017 3,32% 2018 3,30% 2019 3,28% 2020 3,27% Ultimo 2020 bedroeg het saldo van de aangegane geldleningen ruim € 11,2 mln. Onderzocht is of het vervroegd aflossen van de leningen mogelijk was door nieuwe leningen aan te trekken tegen een lager rentepercentage. Dit is financieel niet aantrekkelijk gebleken vanwege de boetebepalingen op de huidige leningen. De hoogte van de te betalen boete is namelijk hoger dan het financieel voordeel van een lagere rente. Grenswaarde. Er is door de wetgever geen harde norm aan dit criterium gekoppeld. Signaalwaarde De laatste jaren hebben we geen langlopende geldleningen aangetrokken. Hierdoor is de rentemix stabiel gebleven.
Vanuit het inzicht in de kasstromen kan het noodzakelijk zijn om (binnenkort) nieuwe langlopende geldleningen aan te gaan. Vanuit strategisch oogpunt zal het moment van aantrekken belangrijk zijn in verband met de hoogte van de rentestand. We gaan als signaalwaarde het percentage 3,5% aanhouden. We hebben geen invloed op de externe rentestand. We verwachten dat nieuwe leningen aangetrokken kunnen worden tegen een gunstiger rentepercentage dan de huidige rentemix. Dit laat zicht echter moeilijk voorspellen. Met een percentage van 3,5% is er enige marge en zijn de negatieve effecten op de renteomslag (ten
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
30
opzicht van 2020) te overzien. De omslagrente zal stijgen omdat onze rentelasten in de begroting gaan toenemen. Echter door de externe financieringsrente te monitoren in combinatie met onze liquiditeitspositie kan een zo (strategisch) gunstig mogelijk moment gekozen worden om een lang lopende lening aan te gaan. De effecten op de begroting worden daarmee tot een onvermijdelijk bedrag beperkt. Bijsturingsopties. De uitgaven die we als gemeente doen, zijn bepalend voor onze liquiditeit. Als we meer uitgeven dan ontvangen of veel investeren zal de financieringsvraag groter worden. Hierdoor zal de noodzaak om nieuwe langlopende geldleningen aan te trekken groeien. De mogelijkheid om te sturen op de hoogte van de externe rente is voor ons nihil. We kunnen sturen op onze uitgaven en strategisch een zo goed mogelijk moment kiezen om een nieuwe langlopende geldlening af te sluiten. Hierdoor kan de rentemix zowel toenemen als dalen. We continueren onze werkwijze door actief te sturen op onze liquiditeit. We kunnen onze liquiditeit beïnvloeden door onze uitgaven terug te dringen of door het temporiseren van investeringen. Echter hangt dit natuurlijk af van de (politieke) wenselijkheid.
5.3 Bedrijfsvoering en exploitatie Onze (meerjaren)begroting geeft inzicht in de kosten die nodig zijn om de doelstellingen te realiseren. Een deel hiervan is direct beïnvloedbaar. Dat wil zeggen dat relatief snel de middelen voor andere doeleinden ingezet kunnen worden of bespaard worden. Dat geldt niet voor alle lasten die in de begroting zijn opgenomen. Om inzicht te krijgen in de wendbaarheid van onze begroting gaan we stabiliteitscriteria in het dashboard hierover opnemen. a. Verhouding kapitaallasten tov de totale lasten (kapitaallastpercentage) Algemeen. Kapitaallasten vormen het resultaat van eerder gedane (geactiveerde) investeringen. Zodra we een investering doen als gemeente (bijvoorbeeld aankoop van software, aanleg riolering, bouw van een school) wordt hiervoor een krediet aangevraagd bij de gemeenteraad. De lasten van deze investering worden uitgesmeerd over de levensduur van het ‘product’ waarvoor dekking aanwezig moet zijn, dit kan variëren van 5 jaar tot wel 80 jaar. Deze lasten bestaan uit rentelasten en afschrijvingslasten die in de begroting (en jaarrekening) worden verantwoord. Kapitaallasten zijn niet beïnvloedbaar omdat het gaat om reeds eerdere investeringen. Onze investeringen zijn te splitsen in: Vervangingsinvesteringen.
Deze zijn nodig om het huidige takenpakket van de gemeente uit te blijven voeren (denk aan het vervangen van computers, auto’s enz) Investeringen als gevolg van wettelijke verplichtingen. Denk hierbij aan de realisatie of verbouwing aan scholen. Investeringen als gevolg van ambities. Een specifiek onderscheid moet gemaakt worden voor investeringen die verdisconteerd worden in tarieven. Alle nieuwe aanleg en vervanging van ons riool wordt geactiveerd en de kapitaallasten worden verdisconteerd in de tarieven. Hiermee is in feite dekking voor de investeringen. Hoe hoger het investeringsvolume, hoe hoger de kapitaallasten, dus hoe minder flexibel de begroting wordt. Wettelijke normering. Het BBV is leidend in hoe gemeenten moeten omgaan met geactiveerde investeringen. Bepaald is wanneer een investering moet worden geactiveerd en dat er reële afschrijvingstermijnen worden gehanteerd. Er is (bijna) geen beleidsvrijheid om hier van af te wijken. In 2017 zijn de regels rondom activeren van investeringen verder aangescherpt. Voorheen konden investeringen met maatschappelijk nut direct ten laste van de exploitatie genomen worden. Dit is nu niet meer mogelijk en moet ook deze categorie investeringen geactiveerd worden (en dus moet er op worden afgeschreven).
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
31
Ontwikkeling van de kapitaallasten tov de totale lasten. Het onderstaande overzicht geeft inzicht in de kapitaallasten en totale lasten over de jaren 2017 tot en met 2020. Jaar Omvang Omvang totale lasten Kapitaallastpercentage kapitaallasten 2017 € 6.425.126 € 189.704.335 3,39% 2018 € 6.494.221 € 187.318.242 3,47% 2019 € 6.817.286 € 192.930.618 3,53% 2020 € 7.266.726 € 210.282.481 3,46% De jaarrekening is als uitgangspunt genomen voor de bovenstaande cijfers. Grenswaarde. De wetgever heeft hier geen concrete norm voor bepaald. Signaalwaarde Het is belangrijk om de begroting flexibel te houden. We moeten er voor zorgen dat we niet al onze lasten ‘vast’ zetten. In tijden van krapte geeft dat te weinig mogelijkheden om lasten om te buigen. Daarom is het goed de omvang van de kapitaallasten te monitoren. De signaalwaarde voor de kapitaallasten gaan we uitdrukken in een percentage ten opzichte van de totale lasten (kapitaallastpercentage). Dit percentage zal deels bestaan uit reeds eerder gedane investeringen en anderzijds uit nog toekomstige investeringen. De hoogte van dit percentage bepaald het investeringsniveau. Wel moeten we bij het bepalen van de signaalwaarde rekening houden met de onlangs doorgevoerde wijziging van het BBV.
Alle investeringen (dus inclusief maatschappelijk nut) moeten nu geactiveerd worden (dat wil zeggen dat we de lasten van de investering moet uitsmeren over de jaren waarin we de investering gebruiken). De komende jaren zal hierdoor de verhouding (flink) gaan veranderen. In de te bepalen signaalwaarde houden we hier rekening mee. Als signaalwaarde hanteren we 4,5%. Dit percentage geeft ruimte om verder te investeren. Op basis van de cijfers 2020 mogen de kapitaallasten nog toenemen met circa € 2,2 mln. om de signaalwaarde te bereiken. Het daadwerkelijke investeringsbedrag is vele keren hoger. We smeren de lasten van investeringen immers uit over de levensduur van het ‘product’. De signaalwaarde van 4,5% maakt ons ook bewust van het effect van toenemende investeringen waarover we afschrijven. Het geeft ons de ruimte om over het onderwerp met elkaar in gesprek te komen. Bijsturingsmogelijkheden. Dit stabiliteitscriterium heeft als doel om ons bewust te maken van de beïnvloedbaarheid van onze lasten. Door keuzes te maken in het wel of niet investeren kan de ratio beïnvloedt worden. Echter is er soms sprake van een fictieve keuze. Er is veelal sprake van noodzakelijke vervangingen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het vervangen van wegen, fietspaden en dergelijke. Toch is het goed dat we bewust worden van de wendbaarheid van onze begroting. Daarom gaan we hierover rapporteren.
Zodra de signaalwaarde wordt overschreden (of dreigt te worden overschreden) is het nodig dat we het gesprek voeren over investeringen in relatie tot onze wendbaarheid.
b. Verhouding personeelslasten ten opzichte van de totale lasten (personeelslastenpercentage). Algemeen. Personeelskosten maken een substantieel deel uit van onze totale lasten in de begroting. De kosten zijn nodig om de taken en ambities uit te voeren die we als gemeente hebben. Niet alle personeelsuitgaven zijn te kenmerken als lasten voor onze begroting. Sommige personeelslasten worden doorberekend in tarieven of aan projecten (waarvoor een specifiek krediet beschikbaar is).
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
32
Personeelskosten zijn kosten die minder snel te beïnvloeden zijn. Dit heeft twee belangrijke oorzaken. Ten eerste zijn personeelskosten direct te koppelen aan de taken van ons als gemeente. Ten tweede kunnen personeelskosten niet direct omgebogen worden vanwege de wet- en regelgeving rondom ontslag. De hoogte van de personeelslasten ten opzichte van de totale lasten kan voor iedere gemeente verschillend zijn. Onderling vergelijk is moeilijk. Dit hangt vooral samen met het gegeven of een gemeente veel taken zelf uitvoert of heeft uitbesteed. Wettelijke normering. Er is geen normering voor de hoogte van de personeelslasten. Ook de toezichthouder kijkt niet naar de omvang van dit percentage. Jaarlijks stijgen de personeelskosten als gevolg van cao ontwikkelingen. Deze kunnen in verhouding harder stijgen dan de inflatie op de overige budgetten. Ontwikkeling personeelslasten tov de totale lasten. De personeelslasten hebben zich over de jaren 2017 tot en met 2020 als volgt ontwikkeld. Jaar Omvang Omvang totale lasten Personeelslastenpercentage personeelslasten 2017 € 22.104.860 € 189.704.335 11,65% 2018 € 25.414.406 € 187.318.242 13,75% 2019 € 26.438.694 € 192.930.618 13,70% 2020 € 26.602.708 € 210.282.481 12,65% De jaarrekening is als uitgangspunt genomen voor de bovenstaande cijfers.
Hierbij moet de kanttekening geplaatst worden dat niet alle personeelsuitgaven lasten zijn in de jaarrekening. Veel lasten worden doorbelast in tarieven of worden toegerekend aan projecten waar dekking voor handen is. Grenswaarde Voor dit stabiliteitscriterium is geen grenswaarde door de wetgever bepaald. Signaalwaarde Het is belangrijk de begroting flexibel te houden. We moeten er voor zorgen dat we niet al onze lasten ‘vast’ zetten. In tijden van krapte geeft dat te weinig mogelijkheden om lasten om te buigen. Daarom is het goed de omvang van de personeelslasten te monitoren. De signaalwaarde voor de personeelslasten gaan we uitdrukken in een percentage ten opzichte van de totale lasten. Als signaalwaarde hanteren we 15%. Met het hanteren van dit percentage is er enige ruimte voor uitbreiding als dat noodzakelijk is. Dit kan voorkomen bij nieuwe taken (ook als daar minder financiële middelen voor beschikbaar worden gesteld). Daarnaast geeft het percentage een duidelijk kader, de uitgaven worden geëxpliciteerd. Bijsturingsopties Als het werkelijke personeelslastenpercentage boven de signaalwaarde uitkomt dan zal nader onderzoek plaatsvinden welk deel van de personeelslasten daadwerkelijk door de algemene middelen gedekt worden. Hierbij wordt dan rekening gehouden met de personeelslasten die we doorberekenen in tarieven en toerekenen aan projecten.
Daarnaast zullen we met de raad het gesprek voeren over taken en ambities in relatie tot de hoogte van de personeelslasten. c. Verhouding verstrekte subsidies ten opzichte van de totale lasten (subsidiepercentage). Algemeen. Subsidies zijn voor de gemeente een belangrijk instrument om haar (lokale) beleid te realiseren samen met maatschappelijke organisaties, inwoners en bedrijven. Subsidie wordt verstrekt als activiteiten anders niet op eigen kracht van de grond komen, of juist om nieuwe initiatieven te steunen (zetje in de rug). Dit betekent dat subsidieaanvragen worden beoordeeld op hun bijdrage aan de doelstellingen (de maatschappelijke effecten) die de gemeente wil bereiken.
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
33
Wettelijke normering. Voor de hoogte van het verstrekken van subsidies bestaat geen wettelijke norm. Wel zijn er wettelijke kaders die in acht moeten worden gehouden om subsidies af te bouwen. Dit betreft dan voornamelijk subsidies die een structureel karakter hebben. Bij een (substantiële) verlaging van het subsidiebedrag moet een afbouwtermijn in acht worden genomen. Ontwikkeling subsidielasten tov de totale lasten. De subsidielasten hebben zich over de jaren 2017 tot en met 2020 als volgt ontwikkeld. Jaar omvang omvang totale lasten subsidiepercentage subsidielasten 2017 € 9.736.234 € 189.704.335 5,1% 2018 € 10.721.744 € 187.318.242 5,7% 2019 € 11.937.461 € 192.930.618 6,2% 2020 € 11.909.472 € 210.282.481 5,7% Grenswaarde. Aan dit stabiliteitscriterium is geen norm door de wetgever meegegeven. Signaalwaarde Het is belangrijk de begroting flexibel te houden. We moeten er voor zorgen dat we niet al onze lasten ‘vast’ zetten. In tijden van krapte geeft dat te weinig mogelijkheden om lasten om te buigen. Daarom is het goed de omvang van de subsidielasten te monitoren. De signaalwaarde voor de subsidielasten gaan we uitdrukken in een percentage ten opzichte van de totale lasten. Als signaalwaarde hanteren we 6,5%. De omvang van de verleende subsidies kan hiermee nog (op basis van 2020) met ruim € 1,7 mln. structureel toenemen.
Bijsturingsopties Het is belangrijk na te gaan wat het effect is van de subsidie. Wordt de doelstelling met de financiële ondersteuning ook daadwerkelijk gehaald. Hoe doelmatig worden de middelen besteed? We gaan in onze PDCA (plan do check act cyclus) monitoren en evalueren wat de effectiviteit is van de subsidie. Als het werkelijke subsidiepercentage boven de signaalwaarde uitkomt dan zullen we, met de resultaten van het effectiviteitsonderzoeken in de hand, het gesprek aangaan. Hierbij is het de keuze of we op dezelfde wijze doorgaan of dat bijsturing gewenst, dan wel noodzakelijk is.
d. Grondexploitaties. Algemeen. Gemeenten hebben een opgave voor de bouw van nieuwe woningen. Deze opgave vertaalt zich naar actieve projecten voor woningbouw. Gemeenten lopen financieel risico met deze projecten als zij gronden in bezit hebben die een bepaalde (balans)waarde vertegenwoordigen. Mocht blijken dat de werkelijke opbrengst lager is dan de waarde die op de balans staat moet de gemeente verplicht de waarde aanpassen aan de lagere waarde, de gemeente leidt dan een verlies. Deze projecten worden financieel vertaald in grondexploitaties. Een grondexploitatie (GREX-raming) is een begroting van grondkosten en grondopbrengsten bij een ruimtelijk ontwikkelingsplan waarbij de gemeente bouwrijpe grond uitgeeft. Aan de ene kant van de balans staan de kosten, zoals de aankoop van de grond, het bouwrijp maken, de inrichting van de openbare ruimte. Aan de andere kant van de balans staan de opbrengsten, zoals de verkoop van bouwrijpe grond en de eventuele ontvangen subsidies en andere bijdragen. In het recente verleden hebben veel gemeenten hun grondpositie flink in waarde naar beneden moeten bijstellen. De waarde van de grond stond voor een veel hogere prijs op de balans bij gemeenten dan de werkelijke marktwaarde van dat moment. Dit heeft destijds geleid tot miljoenenverliezen. Gelukkig was de grondpositie van onze gemeente gering en was de financiële waardering realistisch.
Hierdoor ondervonden we nagenoeg geen nadelige financiële gevolgen. Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
34
Wettelijke normering. Om forse afwaardering van gronden te voorkomen heeft het Rijk continue aandacht gevraagd voor de omvang van de grondpositie die gemeenten willen gaan ontwikkelen (tbv huizenbouw of bedrijfsterreinen). Gemeenten zijn verplicht in een kengetal aan te geven wat de waarde van de te ontwikkelen gronden is. Dit kengetal geeft aan hoe groot de grondpositie (de boekwaarde van de grond) is ten opzichte van de totale jaarlijkse baten van de gemeente. Hoe lager deze ratio’s zijn des te minder risico de gemeente loopt ten aanzien van negatieve waardeontwikkeling van de grondpositie. In 2019 is een herziene notitie van de commissie BBV verschenen met de titel ´Grondbeleid in begroting en jaarstukken´. Deze notitie is een verdere aanscherping rondom het te voeren grondbeleid van een gemeente ter verkleining van het risicoprofiel op gronden en grondexploitaties. De toezichthouder hanteert dus ook geen normering maar ze maakt gebruik van de onderstaande signaleringswaarde. Waarderingscijfer Minst risicovol Neutraal Meest risicovol Grondexploitatie <20% 20-35% >35%
Ontwikkeling grondexploitatie 2017-2020 Over de jaren 2017 tot en met 2020 was het verloop van het kengetal grondexploitaties als volgt. Jaar 2017 2018 2019 2020
Grondexploitaties 0% 1% 2% 1%
Uit de tabel blijkt dat de omvang van onze grondexploitaties gering zijn en daarmee een beheersbaar risico. Grenswaarde. Wettelijk gezien is er geen harde norm. De toezichthouder hanteert een bovengrens van 35%. Dit wordt als meest risicovol beschouwd. Signaalwaarde. Ondanks ons lage percentage aan grondexploitaties (en daarmee het lage risicoprofiel) is het belangrijk de ontwikkeling van het risico te monitoren. Immers stijging van dit percentage houdt een groter risicoprofiel in. Als signaalwaarde hanteren we 4%. Dit percentage geeft ruimte voor meer grondpositie en grondexploitaties maar geeft tevens een signaal ter waarschuwing voor het toenemende risicoprofiel. Bijstellingsopties. Indien de werkelijke waarde boven de signaalwaarde uitkomt, wil dit niet direct zeggen dat we zeer risicovol bezig zijn. Wel is het een goed signaal om stil te staan bij de risico’s die er mee gepaard gaan. In een gesprek met de raad gaan we samen verkennen wat wenselijk is, welke maatregelen eventueel genomen moeten worden om het risicoprofiel van grondexploitaties beheersbaar te houden.
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
35
Hoofdstuk 6 Begrotingsregels In de vorige hoofdstukken is aangegeven welke stabiliteitscriteria we de komende jaren willen monitoren en welke mogelijkheden er zijn om bij te kunnen sturen. Dit alles met als doel een financieel stabiele gemeente te blijven. Onder de diverse criteria liggen diverse wet- en regelgeving waarbinnen we moeten handelen. Ook eigen (werk) afspraken en interne regelgeving zijn van belang om te borgen dat we zorgvuldig met onze (beperkte) financiële middelen omgaan. De laatste jaren staat onze financiële positie onder druk. We willen financieel stabiel blijven, ook in woelige tijden. Om deze doelstelling te realiseren is het verstandig onze eigen regelgeving verder vorm te geven en aan te scherpen. Dit versterkt de financiële discipline en geeft ons allen een handelingsperspectief, zowel voor de raad, als voor het college en de ambtelijke organisatie. Het komt daarmee de stabiliteitscriteria en financiële robuustheid ten goede. Het aantal principes en regels zal, wanneer dat noodzakelijk is, worden uitgebreid en zal onderdeel worden van de actualisatie van deze nota. Als zich nieuwe onderwerpen aandienen zal daarvoor kaderstelling opgesteld worden en aan deze nota worden toegevoegd. De kaderstelling, het financieel stelsel, wordt daarmee een dynamisch geheel dat meegroeit met de ontwikkelingen.
We maken onderscheid in regels rondom de meerjarenbegroting en regels voor een lopend jaar. Robuustheid meerjarenbegroting. Om tot een robuuste meerjarenbegroting te komen hanteren we de volgende principes. 1. We gaan voor een stabiele, robuuste begroting. Dat betekent dat structurele lasten structureel worden gedekt. In financieel goede tijden verhogen we onze reserves, lossen we taakstellingen financieel op en versterken we individuele stabiliteitscriteria. In slechte tijden geeft dit ruimte waardoor we niet direct rigoureus hoeven te bezuinigen en is incidentele dekking (reserves) voorhanden om incidentele tekorten op te lossen. 2. (nieuwe) Gedecentraliseerde taken voeren we uit binnen het daarvoor (door het rijk) beschikbaar gestelde budget. Wanneer dit niet mogelijk blijkt, wordt eerst het beleid heroverwogen voordat een beroep wordt gedaan op andere middelen. 3. We maken alleen integrale afwegingen bij kadernota en begroting. Tussentijds worden geen besluiten genomen waarvoor geen dekking in de begroting aanwezig is. 4. Horizonfinanciering betreft het financieren van beleid voor een tijdelijke periode (horizon). Deze systematiek wordt beperkt en onderbouwd toegepast. Na deze periode zijn voor dat beleid geen financiële middelen meer aanwezig, waardoor met het beleid gestopt moet worden. 5. Al onze tarieven zijn 100% kostendekkend. 6.
Om tot een sluitende meerjarenbegroting te komen nemen we maatregelen in de onderstaande volgorde: a. We nemen, waar mogelijk, financieel technische maatregelen. b. Door verdere innovatie gaan we na of efficiency mogelijk is (hier staat veelal eerst een incidentele investering tegenover) c. We gaan beleid heroverwegen. d. We schrappen formatie als: o er taken geschrapt worden, o efficiency wordt doorgevoerd, o werkzaamheden worden ondergebracht in samenwerkingsverbanden, o taken worden uitbesteed. e. De laatste stap om tot een sluitend meerjarenperspectief te komen is lastenverzwaring. 7. Voor de dekking van specifieke ambities of investeringen met een hoog maatschappelijk rendement kan overgegaan worden tot lastenverzwaring.
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
36
Werkwijze begrotingsjaar. Binnen een begrotingsjaar hanteren we de onderstaande regels. 1. Tekorten op taken binnen een programma worden in eerste instantie binnen dat programma opgevangen. Indien dit niet mogelijk is, wordt eventueel dekking gezocht binnen andere programma’s. 2. Financiële voordelen aan de lastenkant van een programma worden collectief gemaakt. Hiermee worden tekorten in andere programma’s afgedekt, ruimte gecreëerd voor nieuw beleid of wordt de financiële positie verstevigd. 3. Zodra begrote bijdragen van een medeoverheid naar beneden worden bijgesteld zullen de lasten die gemaakt worden voor deze activiteit navenant verlaagd worden. 4. Als de werkelijke baten voor een bepaalde activiteit hoger zijn dan begroot komt het voordeel ten gunste van de algemene dekkingsmiddelen tenzij: a. deze zijn ontvangen onder voorwaarde dat deze worden besteed aan een bepaald doel en daardoor tot gelijke hogere lasten voor dat doel leiden; b. een toename van de vraag naar diensten die wordt geleverd leidt tot hogere baten, maar dat het voldoen aan die vraag alleen kan worden gerealiseerd door het maken van daaraan gerelateerde onvermijdelijke lasten. 5. Hogere ontvangen baten en gerealiseerde lasten in de algemene dekkingsmiddelen in een begrotingsjaar komen ten gunste of ten laste van het rekeningresultaat.
Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024
37