CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

01-21RV039 Bijlage 1 Nota financiele stabiliteitscriteria

Raad 8 juli 2021, gemeente ZeistBij agendapunt: Stabiliteitscriteria15.835 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

NOTA FINANCIËLE STABILITEITSCRITERIA 2021-2024

Navigeren naar financiële robuustheid

Gemeente Zeist Versie 3 mei 2021 Control

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

1

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Waarom een nota stabiliteitscriteria? ................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................................ 3 1.2 Toenemende behoefte aan inzicht ...................................................................................................... 3 1.3 Doel van de nota ................................................................................................................................. 3 Hoofdstuk 2. Het Kader. ............................................................................................................................ 5 2.1 Financiële stabiliteit. ............................................................................................................................ 5 2.2 Dashboard, grenswaarden en signaalwaarden ................................................................................... 5 2.3 Thema’s ............................................................................................................................................... 6 2.4 Bijsturingsopties .................................................................................................................................. 6 Hoofstuk 3. Thema weerbaarheid.

............................................................................................................ 7 3.1 Weerstandsratio. ................................................................................................................................. 7 3.2 Stelpost onvoorzien. ............................................................................................................................ 8 3.3 Algemene reserve per inwoner. .......................................................................................................... 9 3.4 Solvabiliteitsratio. ............................................................................................................................... 11 Hoofdstuk 4 Thema bestendigheid .......................................................................................................... 13 4.1 Meerjarenbegroting structureel en reëel in evenwicht. ..................................................................... 13 4.2 Vijfjaarstermijn onderhoudsplannen. ................................................................................................. 14 4.3 Omvang taakstellingen in de begroting. ............................................................................................ 16 4.4 Begrotingsresultaat versus jaarrekeningresultaat. ............................................................................

18 4.5 Garanties en borgstellingen. ............................................................................................................. 19 Hoofdstuk 5 Thema wendbaarheid ......................................................................................................... 21 5.1 Belastingen ........................................................................................................................................ 21 5.2 Financiering ....................................................................................................................................... 25 5.3 Bedrijfsvoering en exploitatie ............................................................................................................ 31 Hoofdstuk 6 Begrotingsregels ................................................................................................................. 36

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

2

Hoofdstuk 1. Waarom een nota stabiliteitscriteria? 1.1 Aanleiding De gemeente Zeist kenmerkt zich als een financieel stabiele gemeente. Door het voeren van een bestendig financieel beleid zijn we er in geslaagd Zeist financieel gezond te houden. We investeren tijdig in actuele maatschappelijke vraagstukken en realiseren diverse ambities. We zorgen ervoor dat het voorzieningenniveau in Zeist van een hoog niveau is en blijft. Dit alles doen we vanuit een gezonde financiële situatie. De laatste jaren staat onze financiële positie echter onder druk. De toenemende kosten in het sociaal domein, het achterblijven van extra rijksmiddelen en de (structurele) gevolgen van de Covid19 crisis maken het investeren in maatschappelijke opgaven minder vanzelfsprekend. Deze financieel mindere tijd vraagt om weloverwogen bestedingen. Financiële stabiliteit blijft het uitgangspunt, ook nu. Tijdig en voldoende inzicht in (impact van keuzes op) onze complete financiële positie is hierin van groot belang.

1.2 Toenemende behoefte aan inzicht Ter verkrijging van inzicht in onze financiële positie maken we op dit moment, naast rapportages met actuele en gebudgetteerde cijfers, gebruik van diverse normen en kengetallen. Een deel van deze normen en kengetallen komen voort uit de gemeentewet, de financiële kengetallen vanuit het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) of de Wet Financiering Decentrale Overheden (FIDO). Een ander deel - zoals de bepaling van de weerstandsratio - komt voort uit eigen lokale afspraken. Ook de accountant hanteert een aantal kengetallen bij de beoordeling van de jaarrekening. Deze kengetallen, normen en afspraken worden verspreid toegepast in de diverse financiële rapportages en investeringsvoorstellen. Echter zonder dat het een samenhangend inzicht geeft in het grote geheel, namelijk de financiële robuustheid van onze gemeente. Hierdoor ontstaat een verhoogd risico dat keuzes met een (te) negatieve impact op de financiële positie niet tijdig worden gesignaleerd. Door de kengetallen, normen en afspraken te koppelen aan thema’s, die iets zeggen over onze financiële positie als geheel, kan het bijdragen aan verbeterde sturing en verantwoording. Daarom zetten we deze kengetallen, normen en afspraken in als “stabiliteitscriteria”. Ook is het goed om nieuwe stabiliteitscriteria aan het palet toe te voegen.

Door toepassing van dit hernieuwde stelsel van thema’s en stabiliteitscriteria in de planning & control cyclus ontstaat meer inzicht in de status van onze financiële robuustheid dan voorheen. We zijn daardoor beter voorbereid op onze financiële toekomst en kunnen we, indien nodig, sneller ingrijpen als de situatie dat van ons vraagt.

1.3 Doel van de nota In de jaren 2020-2022 hebben we te maken met financiële tegenwind. We zijn bezig om ons beleid te heroverwegen en aanvullende maatregelen te nemen. Dit draag bij aan het financieel herstel op korte termijn. Om blijvend financieel op orde te zijn (robuust te zijn) is er meer nodig dan het ‘vinden’ van extra dekking. We willen kunnen anticiperen op ontwikkelingen en niet verrast worden. Deze nota biedt hier handvatten voor. Het geeft een beeld waaraan we kunnen zien dat het financieel goed gaat of dat we juist op sommige punten maatregelen moeten nemen. Het inzicht wordt op een objectieve wijze getoond aan de hand van diverse stabiliteitscriteria. Het geeft de ‘financiële staat van onze gemeente’ weer. Met deze nota heeft de gemeenteraad een instrument in handen waarmee zij strategisch kan sturen en haar controlerende rol kan versterken. De stabiliteitscriteria zorgen voor meer en tijdig inzicht in onze financiële positie als geheel. We willen immers financieel robuust zijn, ook in woelige financiële tijden. Daarbij onderkennen we een tijdsperiode van inzicht verkrijgen en een tijdsperiode waarbij we gaan handelen om de stabiliteitscriteria weer op orde te krijgen mocht dit nodig zijn. We moeten de goede financiële tijden benutten om op orde te zijn of

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

3

te komen om in financiële mindere tijden stabiel te zijn. Het weer op orde brengen van onze financiële huishouding kost soms financiële speelruimte en gaat gepaard met keuzes. Deze nota bevat informatie die bijdraagt aan een versterkt inzicht in de stabiliteit en sturing van onze begroting en onze financiële positie. Het betreft een met elkaar samenhangend stelsel van criteria dat verder gaat dan de bestaande kengetallen en ratio’s die in de paragraaf risicobeheersing en weerstandsvermogen zijn opgenomen. De stabiliteitscriteria vormen, los van onze kostenbeheersing, een middel om tijdig het inzicht in onze financiële positie als geheel te vergroten en een bijdrage te leveren aan de financiële wendbaarheid en robuustheid. Deze nota is ook bedoeld voor als de actuele of verwachte situatie daar om vraagt, bij te dragen aan een voorspelbaar handelingsperspectief voor bijsturing op de financiële positie. Hierbij moeten we tijdig beschikken over signalen of het goed, of juist minder goed gaat met onze financiële huishouding. De nota bevat voorstellen over de gewenste hoogte van de signaalwaarden en de volatiliteit ervan. Ook geeft de nota mogelijke oplossingsrichtingen hoe we willen handelen als de werkelijke waarde onder de signaalwaarde komt of dreigt te komen.

We vinden het belangrijk dat er een repertoire aan maatregelen beschikbaar komt als blijkt dat onze financiële stabiliteit in het geding is. Dit ook om voorspelbaarder te worden in ons handelen. Vanwege deze handelingsdimensie krijgt deze nota ook een politieke dimensie. Namelijk, hoe strenger de normen en signaalwaarden, hoe minder de bestedingsruimte. Bij het kiezen van een te ruime normering verliest het instrumentarium echter aan waarde en kracht. Wij moeten daarom op zoek naar een passend optimum. Het is belangrijk dat we niet in de waan van de dag handelen, maar dat we de criteria en hun signaalwaarden voor langere tijd vaststellen. Dit helpt dan niet alleen bij de sturing van de begroting, maar ook bij sturing van ons gedrag. Daarmee bevat deze nota nadrukkelijk ook een gedragscomponent. Door de stabiliteitscriteria onderdeel uit te laten maken van onze planning en controlcyclus monitoren we frequent onze financiële huishouding. Door deze samenhang wordt voorkomen dat de criteria als een momentopname gezien worden.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

4

Hoofdstuk 2. Het Kader. 2.1 Financiële stabiliteit. We spreken van financiële stabiliteit als we in staat zijn om als gemeente goed te blijven functioneren als het financieel en/of economisch tegenzit, risico’s en tegenvallers op kunnen vangen, ruimte kunnen bieden aan het realiseren van ambities en kunnen inspelen op ontwikkelingen en maatschappelijke vraagstukken. We drukken onze financiële stabiliteit uit in stabiliteitscriteria. Deze hebben tot doel het inzicht en het bewustzijn in de financiële stabiliteit te vergroten. Het moet inzicht geven in vragen als: Zijn we financieel gezond op korte en langere termijn en kunnen we aan onze financiële verplichtingen blijven voldoen? Zien we op sommige terreinen risico’s die kunnen leiden tot financiële implicaties? Hoe snel kunnen we financieel bijsturen bij grotere tegenvallers?

2.2 Dashboard, grenswaarden en signaalwaarden De stabiliteitscriteria brengen we samen in een dashboard waarin een relatie per criterium wordt gelegd tussen het verleden en de toekomst. Elk stabiliteitscriterium is hierbij voorzien van een signaalwaarde die bij een verwachte of werkelijke overschrijding moet aanzetten tot een gesprek tussen gemeenteraad en college en vervolgens tot actie. De signaalwaarde is een soort alarmbel. Het geeft ons een signaal als bepaalde waarden worden overschreden of dreigen te worden overschreden. We kunnen dan nog in actie komen om de waarde te herstellen. De hoogte van de signaalwaarden is een eigen keuze van onze gemeente waarbij de maximum waarde de wettelijke normen zijn (zie grenswaarden). Iedere raadsperiode gaan we met de raad in gesprek over de hoogte van de signaalwaarden. Waar willen we de komende vier jaar op sturen? Welke ruimte willen we aanhouden? Welke maatregelen (in omvang en tijd) willen we treffen als een waarde onder het gewenste niveau uitkomt? Bij sommige stabiliteitscriteria zijn grenswaarden vermeld. Deze grenswaarden zijn extern bepaald, het betreffen wettelijke normen of normen die de toezichthouder in Generiek Toezichtkader hanteert bij de (financiële) beoordeling van gemeenten. Als we deze normen overschrijden kan dit gevolgen hebben voor het toezichtsregime van de Provincie.

Niet ieder criterium heeft overigens een wettelijke normen. We koppelen het dashboard aan onze planning en controlcyclus. Bij de begroting en jaarrekening zullen we het ‘dashboard’ presenteren. Veel criteria baseren we voor zover mogelijk op jaarrekeningcijfers. Hierdoor is vergelijking tussen de jaren goed mogelijk. We zullen de criteria en signaalwaarden daarbij van duiding voorzien.

In de toelichting op het stabiliteitscriterium zullen we, waar dit mogelijk en zinvol is, benchmark gegevens gebruiken om onze eigen waarde beter te duiden.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

5

2.3 Thema’s Het is belangrijk na te gaan welke criteria ons inzicht verschaffen in de financiële stabiliteit. Daarbij willen we ze onderverdelen in drie thema’s. Ieder thema geeft een bepaald aspect of doelstelling weer van financiële stabiliteit. Ze hebben een onderlinge samenhang. We hanteren de volgende thema’s: 1. Weerbaarheid 2. Bestendigheid 3. Wendbaarheid Aan ieder thema koppelen we stabiliteitscriteria. We kiezen ervoor om het aantal stabiliteitscriteria beperkt te houden om zo een dashboard te creëren dat in de uitvoering beheersbaar is. Dit doen we door zoveel mogelijk gebruik te maken van de verplichte stabiliteitscriteria vanuit het BBV en van al bestaande informatie. Daarnaast nemen we enkele nieuwe stabiliteitscriteria op. De stabiliteitscriteria geven inzicht in de inkomsten- en uitgaven en in de balanspositie van de gemeente.

2.4 Bijsturingsopties Zodra een signaalwaarde wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, zijn maatregelen nodig om de weerbaarheid, bestendigheid en wendbaarheid weer te vergroten. Daarom wordt bij ieder stabiliteitscriterium één of meerdere opties aangegeven welke mogelijkheden er zijn om de signaalwaarde weer op het gewenste niveau te krijgen. Het college komt in dat geval met voorstellen, of gaat met de raad in gesprek, over de wenselijkheid van de voorgenomen maatregelen.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

6

Hoofstuk 3. Thema weerbaarheid. De financiële weerbaarheid wordt in grote mate bepaald door onze buffers waarmee we in staat zijn onverwachte tegenvallers op te kunnen opvangen. Zijn de buffers - zowel structureel als incidenteel - van voldoende omvang om de geïnventariseerde risico’s en eventuele onvoorziene tegenvallers op te kunnen vangen? De volgende stabiliteitscriteria zeggen iets over het thema weerbaarheid:

3.1 Weerstandsratio. Algemeen: Bij alle taken die we als gemeente uitvoeren lopen we risico’s. Dit kan variëren van grote of tot kleine risico’s. Ook de mate van beïnvloedbaarheid is bepalend voor de mogelijke impact van het risico en de mogelijke beheersmaatregelen die we kunnen treffen. Daarom willen we als gemeente inzicht krijgen in de risico’s die we lopen en in de maatregelen die we kunnen treffen om de gevolgen van de risico’s, of de kans dat het risico kan optreden, te verkleinen. Twee keer per jaar wordt hiertoe het risicoprofiel met bedreigingen en de beheersmaatregelen integraal geactualiseerd. De beheersmaatregelen worden beoordeeld op effectiviteit en waar mogelijk worden alternatieve maatregelen beschreven en geïmplementeerd. Met het risicoprofiel als input wordt vervolgens de omvang bepaald van de benodigde weerstandscapaciteit. Dit is het bedrag dat nodig is om de gevolgen van deze risico’s financieel op te kunnen vangen. Het betreft risico’s waartegen geen (aanvullende) beheersmaatregelen kunnen worden getroffen, maar die wel een potentieel materiële (substantiële) impact op de financiële positie hebben. Gebruikelijke normering: De universiteit van Twente heeft een kwalificatie gegeven aan de hoogte van de weerstandsratio. Inmiddels geldt deze kwalificatie als een landelijk aanvaardbare norm.

Kwalificatie weerstandsratio Universiteit Twente Waarderingscijfer A B C D E F

Ratio >2.0 1.4-2.0 1.0-1.4 0.8-1.0 0.6-0.8 <0.6

Betekenis Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende

De toezichthouder vormt zich een oordeel over het vermogen van de gemeente om financiële risico’s op te vangen die niet anderszins zijn afgedekt. Hierbij wordt in onze situatie ook de algemene reserve meegewogen. Wanneer de gemeente haar eigen vastgestelde norm onderschrijdt kan de toezichthouder met de gemeente hierover in gesprek gaan. Ontwikkeling van de weerstandsratio 2017-2020. De afgelopen jaren kenden we twee weerstandsratio’s, een voor het sociaal domein en een voor de andere risico’s. Hier is destijds bewust voor gekozen vanwege het gesloten systeem van het sociaal domein. Met de kadernota 2021 is het gesloten systeem opgeheven waardoor we weer tot één weerstandsratio zijn gekomen (ratio concern in de onderstaande tabel). Het verloop van de ratio’s in de afgelopen jaren (cijfers jaarrekening) was als volgt. jaar ratio sociaal domein ratio concern *De weerstandsratio van zowel de risico’s 2017 8,77 1,62 van het sociaal domein als van de rest van het concern samen bedraagt in de 2018 4,65 1,78 jaarrekening 2019 0,63 2019 1,32 0,95/0,63* 2020 0,79

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

7

De huidige gecombineerde ratio van 0,79 is lager dan 1,0 (minimale signaalwaarde). Concreet betekent dit dat onvoldoende middelen beschikbaar zijn om, als de risico’s zich daadwerkelijk voordoen, deze te kunnen opvangen met het beschikbare weerstandsvermogen. Hierdoor is de weerbaarheid van ons als gemeente in het geding. Grenswaarde: Er is geen wettelijke ondergrens benoemd voor de hoogte van het weerstandsvermogen. Een ratio van 0,6 kan wel als grenswaarde fungeren omdat deze grens in de landelijke normering als ruim onvoldoende wordt beschouwd. Signaalwaarde Door uw raad is de gewenste signaalwaarde van de weerstandsratio vastgesteld op een bandbreedte tussen de 1,0 en 1,5. Bij een waarde onder de 1,0 zijn maatregelen nodig die financiële effecten hebben. Is de ratio hoger dan 1,5, dan kan een deel van de reserve weerstandsvermogen vrijvallen. Zoals reeds benoemd is de formule voor de bepaling van de weerstandsratio: beschikbare weerstandscapaciteit (dus de actuele hoogte van de reserve weerstandsvermogen) gedeeld door de benodigde weerstandscapaciteit (omvang geïnventariseerde risico’s). Bij een gelijk bedrag aan beschikbaar en benodigd weerstandsvermogen kunnen alle risico’s financieel worden afgedekt. Daarom is een te hanteren signaalwaarde van 1,0 een goede ‘alarmknop’.

De toezichthouder volgt het gemeentelijk beleid en zal bij overschrijding van de eigen gestelde norm met de gemeente in overleg treden. Het heeft geen directe invloed op het oordeel (repressief of preventief toezicht). Bijsturingsopties Als de signaalwaarde, na actualisatie bij de begroting of jaarrekening, onder de minimale grenswaarde van 1,0 duikt kunnen we de volgende maatregelen nemen: 1. We nemen maximaal twee begrotingsjaren de tijd om het weerstandvermogen op niveau te brengen. Hierbij zullen we de financiële gevolgen over maximaal 2 jaren uitsmeren. 2. We kijken als eerste naar het risicoprofiel door keuzes te maken zoals het niet meer uitvoeren van risicovolle projecten of andere eigen ambities met een hoog risicoprofiel die de weerstandsratio sterk beïnvloeden. We kunnen geen wettelijke taken schrappen of risico’s mitigeren waarbij het financiële gevolg niet door de gemeente beïnvloedbaar is. 3. Als de aanvullende maatregelen onvoldoende resultaat hebben of niet wenselijk worden geacht, wordt het weerstandsvermogen aangevuld. We komen dan met het voorstel om de reserve weerstandsvermogen (uitgesmeerd over maximaal twee boekjaren) aan te vullen. De dekking hiervan wordt of geregeld door een eventueel jaarrekening overschot of wordt bij de begroting geregeld.

3.2 Stelpost onvoorzien. Algemeen: De stelpost onvoorzien heeft een verplicht karakter. Op grond van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) is de gemeente verplicht jaarlijks middelen in de begroting voor onvoorzien op te nemen. De stelpost onvoorzien heeft een structureel karakter. De middelen zijn bedoeld om de gevolgen van risico’s binnen een begrotingsjaar op te vangen zonder dat hiervoor direct de reserve weerstandsvermogen moet worden aangesproken. Bij aanwending van de stelpost moet worden voldaan aan de volgende criteria (de drie O’s): Onvoorzien, Onontkoombaar en Onuitstelbaar. Als de gevolgen van de risico’s een meerjarig karakter hebben of boven de omvang van de stelpost onvoorzien uitkomen, brengen we het meerdere ten laste van de reserve weerstandsvermogen.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

8

Wettelijke normering. Wettelijk is er door de wetgever niets bepaald over de hoogte van de stelpost onvoorzien. De gemeente heeft hier dus keuzevrijheid. Hoe hoger de stelpost is, des te geringer de kans bestaat dat in een boekjaar de reserve weerstandvermogen aangesproken moet worden omdat de stelpost uitgeput is. De provincie (in haar rol als toezichthouder) gaat ervan uit dat hiervoor een reëel bedrag wordt geraamd, passend bij de gebruikelijke bedrijfsvoering. Ontwikkeling stelpost onvoorzien 2017-2020. De afgelopen jaren hebben we met een vast bedrag in de begroting gewerkt dat jaarlijks met inflatie werd aangepast. In de begroting van 2021 is een voorstel opgenomen om een vast bedrag per inwoner te hanteren. Over de jaren 2017 – 2020 is de stelpost onvoorzien als volgt ingezet: jaar budget onvoorzien aanspraak stelpost onvoorzien 2017 € 363.000 € 120.000 2018 € 361.000 € 0 2019 € 373.000 € 85.000 2020 € 385.000 € 175.000

Vanaf de begroting 2021 hanteren we een vast tarief van € 3 per inwoner. Hiermee wordt dit tevens de signaalwaarde.

Grenswaarde Gemeenten zijn verplicht een reëel bedrag in hun begroting op te nemen voor onvoorziene uitgaven. Hier is er geen harde grenswaarde voor benoemd. Signaalwaarde Bij de begroting 2021 is vastgesteld om een vast bedrag per inwoner beschikbaar te hebben voor de stelpost onvoorzien. Dit bedrag is € 3 per inwoner, bij iedere extra 1.000 inwoners wordt het bedrag aangepast. Besturingsopties. Als de werkelijke onvoorziene kosten hoger zijn dan de signaalwaarde kunnen we de volgende maatregelen nemen. 1. We voeren een analyse uit ter bepaling van de oorzaak van de hoogte van de aanspraak op de stelpost. Bij deze analyse betrekken we de werking van de drie O’s evenals de geïnventariseerde en gemanifesteerde risico’s. Als de stelpost is aangesproken voor voorzienbare knelpunten worden hiervoor separate oplossingen voorgesteld. We willen overschrijdingen van de post onvoorzien zoveel mogelijk voorkomen en de strikte begrotingsdiscipline handhaven. Daarom worden bij een mogelijke overschrijding direct maatregelen geïnitieerd en wordt niet gekozen voor een aanpak om potentiële overschrijdingen in de tijd op te vangen. 2. Als blijkt dat er twee opeenvolgende boekjaren te weinig middelen in de stelpost onvoorzien beschikbaar zijn, zullen we met voorstellen komen (bij de begroting) om de signaalwaarde (bedrag per inwoner) te verhogen.

3.3 Algemene reserve per inwoner. Algemeen: Het BBV omschrijft dat de algemene reserve onderdeel uit maakt van het eigen vermogen van de gemeente. Het eigen vermogen is gelijk aan het verschil tussen het saldo van de bezittingen en de schulden op de gemeentelijke balans. Voor eventuele aanwending van de algemene reserve is een raadsbesluit nodig. De algemene reserve is volgens het BBV bedoeld als buffer voor het opvangen van financiële tegenvallers. Aan de algemene reserve hebben wij echter geen specifieke bestemming meegegeven. Binnen onze gemeente hebben we het weerstandsvermogen als eerste buffer voor onvoorziene omstandigheden. De

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

9

algemene reserve kan dan ook meer gezien worden als een extra reserve (buffer) die alleen in zeer 1 uitzonderlijke gevallen aangesproken kan worden . De algemene reserve bestaat dus uit twee onderdelen. 1. De reserve weerstandsvermogen die bedoeld is voor het opvangen van de gevolgen van risico’s (zie ook 3.1). 2. Algemene reserve vrij besteedbaar deel. Dit is het vrije deel van de algemene reserve waar geen bestemming op rust. Wettelijke normering. Wettelijk is er door de wetgever niets bepaald over de hoogte de algemene reserve. Gemeenten mogen onttrekkingen aan de algemene reserve doen die een incidenteel karakter hebben. De provincie hanteert het gemeenschappelijk toezichtkader (GTK) om de begroting van de gemeenten te beoordelen. In het GTK is aangegeven dat het onder strikte voorwaarden is toegestaan om voor vier jaar (of in bijzondere gevallen langer), middelen aan de algemene reserve te onttrekken om als dekking te dienen voor de meerjarenbegroting. Niet iedere gemeente heeft een specifieke reserve weerstandsvermogen waar de financiële gevolgen van risico’s uit bekostigd worden. Veelal vervult de algemene reserve dan deze functie. In dat laatste geval is het noodzakelijk een grens vast te stellen waar de algemene reserve niet onder mag komen. In onze gemeente is geen sprake van omdat we een reserve weerstandsvermogen kennen. Ontwikkelingen algemene reserve 2017-2020.

Onze algemene reserve bestaat uit twee delen, te weten het weerstandsvermogen en de algemene reserve (vrij besteedbaar deel). Over de jaren 2017 tot en met 2020 was het verloop in de jaarrekening van de algemene reserve als volgt: jaar algemene reserve algemene reserve weerstandsvermogen (vrij besteedbaar deel) 2017 € 51.165.000 € 41.937.000 € 9.228.000 2018 € 49.635.000 € 42.197.000 € 7.438.000 2019 € 48.393.000 € 42.202.000 € 5.962.000 2020 € 47.469.000 € 41.293.000 € 5.827.000 Als het vrij besteedbaar deel van de algemene reserve omgeslagen wordt naar het inwoneraantal van dat jaar ontstaat het onderstaande beeld. jaar algemene reserve inwoneraantal algemene reserve (vrij besteedbaar deel) per inwoner 2017 € 41.937.000 62.830 € 667 2018 € 42.197.000 63.322 € 666 2019 € 42.202.000 63.934 € 660 2020 € 41.293.000 64.932 € 636 Het bedrag algemene reserve per inwoner dat we als gemeente beschikbaar hebben, daalt jaarlijks als gevolg van de bevolkingsgroei en beperkte mutaties. We gebruiken de algemene reserve zeer terughoudend. De jaarrekening 2019 liet een tekort zien. Omdat het tekort van dekking moet worden voorzien, is het tekort ten laste gebracht van de algemene reserve (vrij besteedbaar deel).

In het raadsvoorstel van de jaarrekening 2019 is besloten om toekomstige voordelen in de exploitatie (saldo begroting of saldo rekening) ten gunste te brengen aan de algemene reserve om zo de financiële positie te herstellen.

1

Hierbij kan gedacht worden aan het grootschalig afwaarderen van gronden (als ze voor een te hoog bedrag op de balans staan), deze situatie heeft zich rond 2011 tot en met 2013 bij vele gemeenten voorgedaan. De gemeente Zeist is dit echter niet overkomen. Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

10

Grenswaarde. Voor dit stabiliteitscriterium is geen grenswaarde bepaald. Signaalwaarde Tot nu toe hebben we geen signaalwaarde voor de algemene reserve (vrij besteedbaar deel). Toch is het verstandig een signaalwaarde aan te houden als referentie. Hiermee voorkomen we dat de reserve ‘ongemerkt’ gaat dalen. Door de groei van de bevolking in onze gemeente zal het bedrag (bij een gelijkblijvende omvang van de reserve) per inwoner afnemen. We stellen de volgende signaalwaarden voor. Algemene reserve per inwoner Oordeel Meer dan € 600 Boven de waarde Tussen € 500 en € 600 Aandacht vereist Onder € 500 Onder de waarde Met een signaalwaarde van meer dan € 600 per inwoner is er ruimte om in noodgevallen de algemene reserve (vrij besteedbaar deel) aan te spreken. Daarnaast zal het bedrag per inwoner jaarlijks afnemen zolang de bevolking van Zeist groeit en de reserve constant blijft. Het is de verwachting dat de bevolkingsgroei nog zal doorzetten de komende jaren. Ultimo 2020 zijn er in Zeist 64.932 inwoners, de algemene reserve per inwoner bedraagt daardoor afgerond € 639 per inwoner. Dit betekent dat bij een gelijkblijvend inwoneraantal de reserve voor circa € 2,5 mln. kan worden aangesproken voordat de signaalwaarde bereikt wordt. Gelet op de huidige financiële onzekere tijden achten we dit bedrag als voldoende buffer voor onzekere voorvallen.

Overigens zal ieder voorstel om de algemene reserve aan te spreken ter besluitvorming aan de raad worden voorgelegd. Bijsturingsturingsopties. Zodra de werkelijke waarden onder de signaalwaarde uitkomt, kunnen we de volgende maatregelen nemen: 1. We nemen maximaal drie begrotingsjaren de tijd om de algemene reserve op niveau te brengen. Hierbij zullen we de financiële gevolgen dus over maximaal drie jaren uitsmeren. 2. We hebben de mogelijkheid om een jaarlijkse storting aan de algemene reserve begroten tot aan het moment dat de signaalwaarde bereikt is. De dekking hiervan wordt bij de begroting geregeld en komt ten laste van de exploitatie. In dat geval zorgen we voor een storting aan de algemene reserve door verlaging van de kosten en/of verhoging van de inkomsten.

3.4 Solvabiliteitsratio. Algemeen. Vanuit het BBV is met ingang van het begrotingsjaar 2016 de solvabiliteitsratio verplicht voorgeschreven. Dit kengetal wordt berekend door het totaal van het eigen vermogen te delen door de totale passiva (de som van eigen vermogen, voorzieningen en verplichtingen) van de balans. Het kengetal geeft in een percentage aan welk deel van het bezit van de balans niet met schuld is belast. Hoe hoger dit percentage, hoe beter het is. Wettelijke normering. Bij de invoering van de kengetallen (2016) is door de wetgever een bewuste keuze gemaakt om geen harde norm aan gemeenten op te leggen. Het is aan gemeenten zelf om, ter ondersteuning van het inzicht in het eigen gevoerde beleid, signaalwaardes te kiezen voor de kengetallen. De toezichthouder hanteert overigens ook geen harde normen. Wel maakt ze gebruik van de volgende signaleringswaarden. Waarderingscijfer Minst risicovol Neutraal Meest risicovol Solvabiliteitsratio >50% 20%-50% <20%

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

11

Ontwikkeling solvabiliteitsratio 2017-2020 Over de jaren 2017 tot en met 2020 was het verloop van de solvabiliteitsratio als volgt. Jaar Solvabiliteitsratio 2017 67% 2018 69% 2019 68% 2020 65% De waarde van de ratio is door de jaren heen stabiel gebleken. Grenswaarde. De grenswaarde van de solvabiliteitsratio is 20%. Signaalwaarde Hoewel er geen harde normering is, zien we dat onze solvabiliteitsratio door de toezichthouder gekwalificeerd wordt als minst risicovol. Hoewel we nu ruim boven de signaleringswaarden van de toezichthouder zitten is dit voor ons geen reden om de solvabiliteit niet te blijven monitoren. We willen ook bewust met de solvabiliteit omgaan door strategisch zorgvuldige keuzes te maken die effect hebben op dit stabiliteitscriterium. Dit is de reden dat we bewust de ratio relatief hoog willen houden. Daardoor wordt het effect (ten opzichte van de signaalwaarde) sneller inzichtelijk. We gaan de volgende signaalwaarden hanteren. Solvabiliteitsratio Oordeel Meer dan 60% Boven de waarde Tussen 50% en 60% Aandacht vereist Onder 50% Onder de waarde Om de solvabiliteit te berekenen wordt het eigen vermogen gedeeld door de totale passiva zijde van de balans. Binnen de passiva staan voorzieningen, langlopende schulden, kortlopende schulden en overlopende passiva.

Een signaalwaarde van boven de 60% betekent dat de verhouding tussen het eigen vermogen en de aangegane schulden/voorzieningen mag verslechteren. Op basis van de jaarrekening 2020 mag de verhouding ruim € 10 mln. veranderen om nog boven de signaalwaarde uit te komen. Dit kan dus zowel door afname eigen vermogen (algemene- en bestemmingsreserves) als een toename van de schulden. De weerbaarheid van onze financiën is voldoende geborgd bij een signaalwaarde van 60% of hoger. Bijsturingsopties. Dit stabiliteitscriterium is minder gemakkelijk te beïnvloeden. Als de werkelijke waarde onder de signaalwaarde duikt hebben we de volgende mogelijkheden om het stabiliteitscriterium te verbeteren: 1. We gaan met de raad in gesprek over de signaalwaarde, onze ambities en het investeringsvolume. 2. Wij kunnen de verhouding eigen vermogen – vreemd vermogen verbeteren door geen extra langlopende geldleningen aan te trekken. Dit betekent in de praktijk het uitstellen van grote gaven, zoals investeringen. Onze cashflowpositie is dan leidend voor het wel of niet kunnen investeren. Dit betekent dat we onze cashflow meewegen in het besluit om bepaalde investeringen wel of niet te plegen. Tijdelijke cashflowproblemen lossen we op binnen de wettelijke mogelijkheden (kasgeldlimiet) om kasgeldleningen af te sluiten. Verlagen van de post voorzieningen in de jaarrekening is maar zeer beperkt toegestaan.

Voorzieningen worden (volgens het BBV) verplicht getroffen. Wel kan er gekeken worden of er andere keuzes te maken zijn.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

12

Hoofdstuk 4 Thema bestendigheid Op grond van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) moet de (meerjaren)begroting structureel in evenwicht zijn. Structurele lasten moeten gedekt worden door structurele baten (en incidentele lasten door incidentele baten). Dit is een belangrijk element in het toetsingskader dat de Provincie hanteert in de beoordeling van de gemeente (via het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader oftewel GTK). Een belangrijk aspect binnen het thema bestendigheid is het realisme van de begroting en daarmee de voorspelbaarheid van onze baten en lasten. De volgende stabiliteitscriteria zeggen iets over het thema bestendigheid.

4.1 Meerjarenbegroting structureel en reëel in evenwicht. Algemeen. De begroting bevat zowel incidentele als structurele baten en lasten. Structurele baten en lasten is de regel (ze omvatten het overgrote deel van de begroting). Incidentele baten en lasten vormen de uitzondering op die algemene regel. Als een gemeente een taak voor vier jaar of langer uitvoert, is sprake van een structurele taak of last. De meerjarenbegroting van de gemeente dient op basis van het BBV structureel en reëel in evenwicht te zijn. Dat wil zeggen dat:  Alle structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Incidentele lasten mogen door incidentele baten gedekt worden. Wanneer een gemeente in een begroting structurele uitgaven dekt met eenmalige inkomsten bestaat de kans dat deze uitgaven in de komende jaren niet meer betaald kunnen worden. Andersom mag wel: incidentele lasten mogen betaald worden door structurele inkomsten.  De geraamde baten en lasten in de (meerjaren)begroting volledig en realistisch zijn. Door aan deze voorwaarden te voldoen wordt een begroting voorspelbaar en stabiel. Wettelijke normering. Als de begroting structureel en reëel in evenwicht is, valt de gemeente onder repressief toezicht.

Deze vorm van toezicht houdt in dat de begroting en begrotingswijzigingen direct uitgevoerd kunnen worden zonder afhankelijk te zijn van een voorafgaande goedkeuring van Gedeputeerde Staten (GS). Om onder repressief toezicht te komen moet minimaal het eerste of het laatste jaar van de meerjarenbegroting sluitend zijn; de structurele lasten zijn gedekt door structurele baten en de incidentele lasten door incidentele of structurele baten. Een gemeente mag niet jaar op jaar een begroting vaststellen met een meerjarenraming waarvan alleen de laatste jaarschijf sluit. Binnen het GTK wordt deze wijze van begroten een begroting met “schuivende panelen” genoemd. Ter ondersteuning van een uniforme toepassing door gemeenten heeft de commissie BBV in 2018 de ‘Notitie structurele en incidentele baten en lasten’ gepubliceerd. De notitie geeft een nadere duiding van structureel en reëel evenwicht van de begroting. Met structureel evenwicht wordt, zoals hiervoor gezegd, bedoeld dat structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Met reëel evenwicht wordt bedoeld dat de geraamde baten en lasten in de begroting en meerjarenraming volledig en realistisch zijn. De gemeente moet zich rekenschap geven van daadwerkelijk te verwachten groei of afname van baten en lasten. De lasten van een gemeente zijn een gevolg van het gevoerde beleid en de hiervoor benodigde activiteiten.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

13

De activiteiten vormen een vertaling van de uitvoering van bestaand en nieuw beleid. Onder nieuw beleid wordt verstaan het gewenste en/of onvermijdelijke beleid en de daarbij behorende middelen (waarover nog formeel door de Raad moet worden besloten). Nieuw beleid kan voortvloeien uit initiatieven of nieuwe wetgeving van hogere overheden. Dit beleid wordt bestempeld als onvermijdelijk nieuw beleid. Nieuw beleid kan ook voortvloeien uit initiatieven van College of Raad. Dit is gewenst nieuw beleid. De Raad stelt het nieuw beleid en de hiervoor benodigde middelen vast. Nieuw beleid kan leiden tot voeding van reserves of voorzieningen, stijging van de uitgaven of verhoging/verlaging van lasten. Onder bestaand beleid wordt verstaan het eerder door de Raad vastgesteld beleid dat door het College in uitvoering is genomen, inclusief de daarbij behorende middelen. Tot bestaand beleid rekenen we ook de daarbij behorende vervangingsinvesteringen. Nieuw beleid blijft bestempeld als nieuw beleid voor de periode dat de Raad de doelstellingen benoemt en er middelen voor beschikbaar stelt. Wanneer er sprake is van horizonfinanciering (financiering voor een bepaald aantal jaren), is er gedurende deze periode sprake van nieuw beleid.

Als er sprake is van een structurele financiering en structureel (gewenst of noodzakelijk) beleid, wordt er bij de start van het nieuw beleid een evaluatiemoment bepaald, waarop bekeken wordt of de gestelde doelstellingen worden gehaald. Bij een positieve evaluatie is er vanaf dat moment sprake van bestaand beleid en niet langer van nieuw beleid. Ontwikkelingen sluitende meerjarenbegroting 2017-2020 De meerjarenbegroting 2020 (2020-2023) liet voor het eerst geen sluitende meerjarenbegroting zien. Daarom zijn aanvullende maatregelen getroffen waar bij de begroting 2021 over wordt besloten. Grenswaarde: De gemeente moet minimaal het eerste of het laatste jaar een sluitende begroting laten zien om onder repressief toezicht uit te komen. Het jaar daaropvolgend moet ook het nieuwe jaar van de meerjarenperiode sluitend zijn. Deze systematiek zorgt er voor dat in vier jaar naar een sluitende meerjarenbegroting wordt toegewerkt. Signaalwaarde.  Bij de meerjarenbegroting 2021 (betreft de begrotingsjaren 2021-2024) is een sluitend en reëel meerjarenperspectief vastgesteld conform de regels van het BBV en het GTK.  Voor de meerjarenbegroting 2022 (betreft de begrotingsjaren 2022-2025) is dit ook de doestelling. Bijsturingsopties Bij de kadernota brengen we het financieel perspectief voor de komende begroting in beeld.

Indien het niet mogelijk is om tot een sluitend meerjarenperspectief te komen, zullen we of bij de kadernota, of bij de begroting voorstellen voorleggen om dit alsnog mogelijk maken. Dit kunnen voorstellen zijn die de uitgaven verlagen (verlagen ambitieniveau, efficiencymaatregelen, ed.) of door de inkomsten te verhogen.

4.2 Vijfjaarstermijn onderhoudsplannen. Algemeen. De gemeente bezit diverse onroerende goederen. Bijvoorbeeld vastgoed en wegen. De gemeente wil zorgen dat deze onroerende goederen in een goede staat blijven verkeren en aan het door de raad vastgestelde kwaliteitsniveau voldoen. Om dat te garanderen is inzicht nodig in het onderhoud en de benodigde financiële middelen hiervan. Daarom stellen we onderhoudsplannen op die dit meerjarige inzicht geven. Om de door de raad vastgestelde kwaliteitsniveaus te behalen, worden daarvoor in de begroting financiële middelen vrijgemaakt. Door te werken met actuele onderhoudsplannen worden verrassingen voorkomen. Achterstallig onderhoud treedt niet op en voorkomen wordt dat voor nieuw

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

14

areaal geen middelen begroot worden. Ook kan in de onderhoudsplannen rekening worden gehouden met prijsstijgingen en innovaties. Door onderhoudsplannen te gebruiken voorkomt de gemeente confrontaties met niet begrote uitgaven en draagt het bij aan de stabiliteit en voorspelbaarheid van de financiële positie. Wettelijke normering. Het BBV geeft aan dat een onderhoudsplan maximaal vijf jaar oud mag zijn ten opzichte van het actuele verslagleggingsjaar. Van deze termijn kan gemotiveerd en met instemming van de raad worden afgeweken. Tussentijdse bijstelling van het onderhoudsplan binnen de vijf jaar is verplicht bij belangrijke afwijkingen in de staat van het onderhoud. Ontwikkeling onderhoudsbeheerplannen Onderwerp Wegen Groen Bomen Waterlopen Kunstwerken Openbare verlichting Verkeersregelinstallaties Straatmeubilair Speelvoorzieningen Parkeergarages  Openbare parkeerdekken  Parkeergarages Begraafplaats  Gebouwen  Bosrustpark  Graven Riolering Gemalen Gebouwen

Onderhoudsplan vastgesteld? Nee* Ja Ja Ja Nee* Nee* Nee* Nee* Nee*

Jaar van vaststelling 2011 2016 2017 -

Nee* Ja

2017

Ja Nee** Nee Ja Ja Ja

2017 2016 2016 2017

Looptijd onderhoudsplan

2021 2021

2021 2021 2021

* Van veel onderwerpen zijn geen vastgestelde onderhoudsplannen. Echter voor alle kapitaal goederen geldt dat deze zijn opgenomen in beheerssystemen waaruit de staat van het onderhoud blijkt. Met inspecties wordt de kwaliteit vastgelegd. De uitvoering van het onderhoud wordt daarbij planmatig aangepakt. ** Ivm de komst van het crematorium is een beheerplan in voorbereiding, deze wordt in 2021 aan de raad voorgelegd.

Geconcludeerd kan worden dat er onvoldoende actuele beheerplannen zijn vastgesteld. Dit vormt een risico voor toekomstige (niet begrote) uitgaven en daarmee vormt het een risico voor de bestendigheid van onze begroting.

Grenswaarde: Het BBV schrijft voor dat onderhoudsplannen maximaal 5 jaar oud mogen zijn. Signaalwaarde: Als signaalwaarde hanteren we de termijn van 3 jaar. Er is dan voldoende tijd om een onderhoudsplan te actualiseren en opnieuw door de raad vast te laten stellen. We zullen op termijn toegroeien naar een cyclus waarbij continu onderhoudsplannen worden geactualiseerd en vastgesteld. De looptijd is dan nooit langer dan vijf jaar.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

15

Bijsturingsopties. Bij overschrijding van de vijfjaarstermijn van onderhoudsplannen nemen we de volgende maatregelen: 1. We komen met een concreet plan voor actualisering van het onderhoudsplan. In de tussentijd wordt het onderhoudsplan op basis van een quick scan aangepast en aan de raad ter vaststelling aangeboden. 2. Het nieuwe onderhoudsplan wordt uiterlijk een jaar na verstrijken van de kritische datum geactualiseerd en voor besluitvorming aan de Raad voorgelegd. Eventuele financiële gevolgen worden bij de eerstvolgende begroting verwerkt. Als de vijfjaarstermijn nog niet is verstreken, dan handelen we als volgt: 1. Twee jaar voor het verstrijken van de einddatum wordt beoordeeld of het onderhoudsbeheerplan opnieuw moet worden opgesteld (vanwege de vele mutaties of wettelijke eisen) of geactualiseerd moet worden (doorvoeren kleinere aanpassingen). 2. Als de noodzaak er is om het onderhoudsbeheersplan opnieuw op te stellen wordt dit opgepakt en uitgewerkt. Hierbij is het eerder (door de raad) vastgestelde kwaliteitsniveau het uitgangspunt. Het nieuwe onderhoudsbeheerplan wordt vóór het verlopen van de vijfjaarstermijn van het bestaande plan aan de raad ter besluitvorming voorgelegd. Eventuele financiële gevolgen worden bij de eerstvolgende begroting verwerkt. 3.

Als het bestaande onderhoudsplan volstaat maar geactualiseerd moet worden dan zal dit uiterlijk in het laatste jaar voor het verlopen van de vijfjaarstermijn aan de raad ter besluitvorming worden voorgelegd. Eventuele financiële gevolgen worden bij de eerstvolgende begroting verwerkt. De financiële consequenties van de geactualiseerde onderhoudsplannen worden direct in de begroting verwerkt. Dit is in overeenstemming met de wettelijke BBV kaders.

4.3 Omvang taakstellingen in de begroting. Algemeen Zoals hiervoor is beschreven moet de (meerjaren)begroting structureel en reëel in evenwicht zijn. Bij een financieel tekort treft de gemeente maatregelen om dit alsnog te bereiken. Het kan zijn dat een maatregel niet direct realiseerbaar is in tijd of omvang. Dan kan gewerkt worden met taakstellingen die de verwachte bezuiniging of ombuiging financieel weergeven. Na realisatie van de besparing wordt de taakstelling afgeboekt. Wettelijke normering. Concreet moet in beeld zijn hoe de taakstelling gerealiseerd gaat worden. De monitoring van de realisatie van de taakstelling is hierbij van heel groot belang. Taakstellingen en bezuinigingen worden beoordeeld door de toezichthouder op realisme en haalbaarheid. Ook wordt beoordeeld of ze binnen de termijn van de raming gerealiseerd worden. Het is noodzakelijk dat de ramingen hiervan reëel zijn onderbouwd. Als naar het oordeel van de toezichthouder de taakstellingen en bezuinigingen onvoldoende reëel zijn ingevuld worden de begrotingssaldi hierop negatief bijgesteld. Ook ervaringen met eerdere bezuinigingsmaatregelen worden in de beoordeling betrokken. De bijstelling kan tot gevolg hebben dat de begroting en meerjarenbegroting naar het oordeel van GS niet structureel en reëel in evenwicht zijn.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

16

Ontwikkeling taakstellingen Over de jaren 2017 tot en met 2021 hebben we de onderstaande taakstellingen in onze begroting opgenomen (gehad). Taakstelling meerjarenbegr. 2018 Overhead decentralisaties Opschalingskorting Totaal

2018 € 298.200

2019 € 298.200

2020 € 298.200

€ 298.200

€ 298.200

€ 298.200

2021 € 298.200 € 199.904 € 498.104

Taakstelling meerjarenbegr. 2019 Overhead decentralisaties Opschalingskorting Totaal

2019 € 300.000

2020 € 300.000

€ 300.000

€ 300.000

2021 € 300.000 € 206.501 € 506.501

2022 € 300.000 € 352.255 € 652.255

Taakstelling meerjarenbegr. 2020 Opschalingskorting Totaal

2020

2021 € 206.501 € 206.501

2022 € 352.255 € 352.255

2023 € 423.889 € 423.889

Taakstelling meerjarenbegr. 2021 WMO Jeugd Organisatie Subsidies Totaal

2021 € 350.000

2022 € 350.000 € 500.000 € 250.000 € 300.000 € 1.400.000

2023 € 350.000 € 750.000 € 500.000 € 300.000 € 1.900.000

2024 € 350.000 € 750.000 € 500.000 € 300.000 € 1.900.000

€ 26.000 € 376.000

Grenswaarde. Als taakstellingen niet binnen het begrotingsjaar gerealiseerd worden, bestaat de kans dat de toezichthouder het saldo van de begroting met het bedrag van de taakstelling corrigeert. De grenswaarde is dus 1 jaar. Binnen dat jaar moeten taakstellingen onderbouwd worden met een plan van realisatie. Signaalwaarde. We zullen via het dashboard inzicht geven in de realisatie van de noodzakelijke besparingen. Daarnaast zullen we in onze tussentijdse bestuursrapportages afzonderlijk aandacht besteden aan de realisatie van de voorgenomen taakstellingen (bezuinigingen). De signaalwaarde is dat een taakstelling bij de volgende begroting niet gerealiseerd blijkt. Bijsturingsopties. Van iedere taakstelling die in de begroting wordt opgenomen stellen we een (gedetailleerd) plan op. Dit plan geeft in de omvang van de taakstelling, de mogelijke realisatie inclusief de maatregelen en de duur van de taakstelling. Jaarlijks monitoren we de realisatie. We kunnen de volgende maatregelen nemen als blijkt dat de voorgenomen maatregelen onvoldoende effectief zijn: 1. We (her)beoordelen het oorspronkelijke plan waarbij we vooral nagaan wat de oorzaak is van het achterblijven van de ingeboekte besparingen. Daarbij wordt speciaal aandacht besteed aan de planning en de omvang van de ingeboekte besparingen. 2.

We nemen aanvullende maatregelen waardoor het mogelijk is om alsnog de geplande taakstelling te realiseren. 3. Als de omstandigheden zo zijn veranderd waardoor de oorspronkelijke taakstelling niet te realiseren is, komen we met separate voorstellen (door efficiencymaatregelen, ombuigingen of het verhogen van inkomsten) om het bedrag van de taakstelling binnen de begroting op te lossen. Inzicht in de omvang van de taakstellingen is noodzakelijk om de ‘hardheid’ van de begroting vast te stellen en hiermee bij te dragen aan de financiële bestendigheid. Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

17

4.4 Begrotingsresultaat versus jaarrekeningresultaat. Algemeen Het verschil tussen het begrote en werkelijke resultaat geeft inzicht in het realisme (hardheid) van de begroting. In hoeverre sluit de werkelijkheid aan met de begrote lasten en baten? Het risico van te behoudend begroten aan de uitgavenkant of te ambitieus begroten aan inkomstenkant wordt hiermee ondervangen. Dit komt de robuuste begroting ten goede. We verkleinen hiermee het risico van voorzienbare tekorten. Het geeft daarmee ook een houvast voor de komende begrotingsjaren waardoor sneller bijsturen mogelijk wordt. Omdat er in de loop van een jaar diverse wijzigingen op de begroting worden aangebracht (door onder andere bijstellingen van het gemeentefonds, bestuursrapportages en andere raadsvoorstellen) wordt de begroting na wijzigingen voor dit criteria aangehouden en vergeleken met het jaarrekeningsaldo. Wettelijke normering Voor dit criterium is geen wettelijke norm. Het is echter wel een graadmeter voor de toezichthouder. In hoeverre sluit de begroting aan bij de werkelijkheid, met andere woorden in hoeverre is sprake van een reële begroting. Ontwikkeling begrotingsresultaat versus het jaarrekeningresultaat Over de jaren 2017 tot en met 2020 was het verschil tussen het jaarrekeningresultaat en het begrotingssaldo als volgt. Daarbij is de bijgestelde begroting (dus na wijzigingen) opgenomen.

Jaarrekening (J) Begroting (B) Verschil (J-B) Verschil in % 2017 € 2.117.000 € 2.630.000 - € 513.000 24% 2018 - € 220.000 - € 79.000 - € 141.000 64% 2019 - € 1.213.000 € 176.000 - € 1.389.000 64% 2020 € 1.921.000 € 959.000 € 962.000 50% De verschillen tussen het jaarrekeningresultaat en de bijgestelde begroting zijn toegelicht in de jaarrekeningen van de desbetreffende jaren. Grenswaarde. Voor dit stabiliteitscriterium is geen harde grenswaarde. Signaalwaarde De signalerende functie van dit criterium leent zich niet voor een harde norm. Verschillen tussen de begroting en jaarrekening is immers geen doel op zich. We volgen het verschil jaarlijks bij de tweede bestuursrapportage en bij de jaarrekening verkrijgen we het definitieve inzicht. Jaarlijks starten we, zoals gebruikelijk, een onderzoek bij positieve of negatieve afwijkingen van het (bijgestelde) begrotingsresultaat ten opzichte van het rekeningresultaat. We hanteren een signaalwaarde van 25%. Het percentage van 25% lijkt fors, echter onze begrotingsresultaten zijn in absolute bedragen zeer gering waardoor dit in werkelijkheid om relatief kleine bedragen gaat. Bijsturingsopties. In het genoemde onderzoek kijken we naar de begrote lasten/baten per programma. Nagegaan wordt of afwijkingen een incidenteel dan wel een structureel karakter hebben.

Als er sprake is van structurele effecten zal dit in de eerst komende bestuursrapportage (voor het lopende boekjaar) en in de begroting (voor de komende begrotingsjaren) financieel worden meegenomen. Als hierdoor de begroting niet meer structureel in evenwicht is zal het college met aanvullende voorstellen komen.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

18

4.5 Garanties en borgstellingen. Algemeen. Als gemeente stellen we ons in vooraf vastgestelde gevallen garant of borg voor de financiële verplichtingen die een ander is aangegaan. De achtervangsituatie heeft altijd betrekking op de realisatie van een algemeen maatschappelijk belang. We hebben hier jaren geleden beleid voor ontwikkeld. We staan garant voor geldleningen bij: 1. Woningbouwcorporaties. Voor de bouw en onderhoud van sociale woningen (algemeen belang) is het voor corporaties noodzakelijk geldleningen aan te trekken. Om tegen financieel gunstige voorwaarden te kunnen lenen staan o.a. de gemeente garant. De gemeente staat echter niet alleen garant voor deze geldleningen. Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en het Rijk zijn de andere partijen die hierin een rol vervullen. Als de corporatie niet meer in staat is haar financiële verplichtingen na te komen en maatregelen voor financieel herstel onvoldoende effect hebben bestaat de kans dat de gemeente aangesproken wordt om (delen van) de financiële verplichtingen over te nemen. De kans dat wij als gemeente daarop aangesproken worden is in de praktijk aanwezig, maar is klein te noemen. Jaarlijks wordt het risicoprofiel van de corporaties getoetst door de WSW. Zij beoordeelt de financiële gezondheid van de corporaties en neemt waar nodig maatregelen om de financiële positie van de corporaties te versterken. 2.

Sportverenigingen. Bij de Stichting Waarborgfonds Sport (SWS) kunnen sportverenigingen onder strikte voorwaarden een borgstelling aanvragen. Onder de voorwaarde dat de gemeente tevens voor (minimaal) de helft garant staat wordt de borgstelling verstrekt. De omvang van de borgstelling door het SWS is per aanvraag aan maxima gebonden. Op basis van de borgstelling door SWS en gemeente, zijn sportvereniging in staat om tegen een lager rentepercentage (met als gevolg een lager risicoprofiel) te lenen. Indien de vereniging niet meer aan haar financiële verplichting kan voldoen zal de geldverstrekker de gemeente (en SWS) aanspreken de financiële verplichtingen over te nemen. 3. Overige geborgde geldleningen. In het verleden is de gemeente borg gaan staan voor hypotheken van zorginstellingen in Zeist en onlangs heeft de raad ingestemd om garant te staan voor geldleningen voor de bouw van (zorg) woningen in Austerlitz. In alle gevallen is de gemeente niet de financier van de geldlening en hebben wij het recht op hypotheek gevestigd op het vastgoed. Indien de geld vragende partij failliet gaat zal de geldverstrekker de gemeente aanspreken om de verplichtingen van de lening uit hoofde van de achtervangsituatie over te nemen. Wij kunnen door het recht van hypotheek ons risico beperken.

Wettelijke normering. Voor de achtervang bij sport en voor de geborgde geldleningen is er niets wettelijk geregeld. Hiervoor geldt het eigen gemeentelijk beleid. Wel heeft het SWS diverse controles en waarborgen ingebouwd om het risicoprofiel jaarlijks goed te wegen. Zij participeren alleen in de achtervang als het financiële risico acceptabel is. Jaarlijks beoordelen zij de financiële staat van de verenigingen en informeren zij de gemeente over de uitkomsten hiervan. Voor de borgstelling bij woningbouwcororaties gelden de nodige afspraken. Het WSW heeft toezicht- en verantwoordingsovereenkomsten met het Rijk (ministerie van BZK) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) afgesloten. Daarin staan de afspraken over de zekerheidsstructuur binnen het borgstelsel: de zogeheten 'achtervang'. Het totaalbedrag van alle leningen van één corporatie bij één achtervanggemeente mag niet hoger zijn dan de zogeheten 'limiet achtervang gemeenten'. Die is gelijk aan de WOZ-waarde van het onderpand dat de corporatie bij de WSW heeft ingezet en dat in de desbetreffende gemeente staat. Overschrijding van deze limiet is alleen toegestaan met expliciete instemming van de betreffende gemeente. Een gemeente kan een (on)gelimiteerde achtervangovereenkomst met het WSW sluiten of meetekenen op iedere afzonderlijke lening overeenkomst. Het WSW toetst periodiek de financiële staat van de corporatie.

Ons beleid met betrekking tot borg- en garantstellingen is door de raad vastgesteld in 2014 en zal in 2021/2022 geactualiseerd worden.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

19

Ontwikkeling garant- en borgstellingen. In de onderstaande tabel is voor de jaren 2017 tot en met 2019 aangegeven voor welk bedrag wij garant/borg staan. Instelling 2017 2018 2019 2020 Corporaties 291.418.000 285.250.000 314.601.000 252.600.000 Sport 1.349.000 1.657.000 1.748.000 1.584.000 Overige geborgde 1.957.000 1.571.000 1.441.000 2.575.000 leningen Totaal 294.724.000 288.478.000 317.790.000 256.759.000 Uit de tabel blijkt dat onze achtervangsituatie bij corporaties ten opzicht van 2019 fors is gedaald. Dit wordt veroorzaakt doordat de leningen van Vestia zijn afgelost waardoor onze achtervang is komen te vervallen. De garantstellingen fluctueren door de jaren. Bij woningbouwcorporaties is het verschil jaarlijks het grootst. Dit heeft te maken met het investerings- en aflossingsritme van de woningbouwcorporaties. De bedragen die met de garant- en borgstelling gemoeid gaan, maken integraal deel uit van ons risicoprofiel en worden daarom meegenomen in de beoordeling van ons weerstandsratio. Grenswaarde. Voor dit stabiliteitscriterium is geen harde grenswaarde. Signaalwaarde Het risico dat de gemeente bij de achtervang loopt verschilt per instelling. Hoewel de omvang van de achtervang bij corporaties erg hoog is, is het risicoprofiel gering. Er zijn veel waarborgen ingebouwd. Bij sport is er sprake van veel controle waardoor we snel maatregelen kunnen treffen.

Hierdoor is het risicoprofiel relatief laag. Bij de overige geborgde geldleningen hebben we het recht op hypotheek gevestigd waardoor het risicoprofiel bij deze categorie gering is. We stellen de volgende signaalwaarden voor: Instelling Signaalwaarde Corporaties 275.000.000 Sport 3.000.000 Overige geborgde leningen 4.000.000 Onderbouwing: het is moeilijk een signaalwaarde te benoemen. Waar het vooral om gaat is het creëren van bewustwording. Bij de jaarrekening brengen we de omvang van de achtervang in beeld. Als de signaalwaarde wordt overschreden is dit voor het college de aanleiding om met de raad in gesprek te gaan waarbij het maatschappelijke effect afgewogen moet worden tegen het financiële risico. Door deze signaalwaarden te hanteren is er ruimte voor een toename in de achtervang. Gelet het op risico dat we hier op lopen is dit een acceptabel risico. Bijsturingsopties. De bijsturingsmogelijkheden die we als gemeente hebben resulteren niet direct in het verlagen van het risicoprofiel. Wel kunnen maatregelen worden getroffen om het financiële risico niet verder te vergroten. De onderstaande bijsturingsmogelijkheden zijn voor handen. Corporaties: Het sluiten van gelimiteerde achtervangovereenkomsten. Wij kunnen als gemeente een limiet meegeven aan het WSW waarvoor wij maximaal garant willen staan.

Ook hebben we de mogelijkheid om niet langer voor nieuwe leningen borg te staan. Wij kunnen het WSW vragen om de overeenkomst op te zeggen. De opzegtermijn is zes maanden. Wij worden dan niet langer als achtervanggemeente vermeld in nieuwe leningovereenkomsten. De overeenkomst blijft na opzegging wel geldig voor de eerder onder de overeenkomst afgesloten leningen. Sport en overige geborgde leningen: We kunnen de omvang van onze borgstelling maximeren in geld. Hierdoor is er geen ruimte voor nieuwe aanvragen boven dit bedrag. Doordat er periodiek op leningen wordt afgelost is er enige ruimte voor nieuwe aanvragen onder het gemaximeerde bedrag. Van dit laatste kan ook afgezien worden. We blijven verantwoordelijk voor de eerder overeengekomen garantstellingen. Pas na het voldoen van de laatste verplichtingen door de sportvereniging of andere instelling vervalt onze achtervangpositie.

Nota Financiële stabiliteitscriteria 2021-2024

20

Hoofdstuk 5 Thema wendbaarheid De centrale vraag bij het thema wendbaarheid is: hoe veerkrachtig is de begroting? Met andere woorden: in welke mate liggen de baten en de lasten vast of over welke middelen kan vrij worden beschikt? Kunnen de aard en omvang van de baten en lasten gemakkelijk en op korte termijn beïnvloed worden? Hoe gemakkelijker de baten en lasten zijn te beïnvloeden, hoe flexibeler onze begroting. De mate van financiële wendbaarheid zegt niets over de politieke wenselijkheid van bepaalde voorzieningen. Het is bedoeld om de financieel-technische vertaling van beleidsinhoudelijke keuzes zichtbaar te maken. Binnen dit thema zullen we stabiliteitscriteria opnemen die ingaan op: 1. Belastingen 2. Financiering 3. Bedrijfsvoering exploitatie Alle onderwerpen zijn hieronder nader uitgewerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10345511/1