CConstaterende datZeist
Koppel je AI →
Document · PDF

01.12-24RV003 BP WA-Hoeve Bijlage 1.12 Natuurtoets soortenbescherming

Raad 23 januari 2024, gemeente ZeistBij agendapunt: Bestemmingsplan WA Hoeve - Historische Middenas19.205 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Navolgend is per bosperceel de aanwezige biotoop nader toegelicht. Tabel 4-6: overzicht data waarop controle van de tapijttegels en de omgeving van het plangebied HMA te Den Dolder hebben plaatsgevonden; tijdens de bezoeken zijn alle tegels gecontroleerd. Bezoek Doel

Datum

0

Uitleggen tapijttegels

1

Tijd

Temperatuur

Onderzoeker

Bijzonderheden

26-06-2020 09.30 - 11.00

n.v.t.

PM

Controle

27-08-2020 06.45 - 13.00

16 ºC, later opgelopen naar ca. 20 ºC

PM

2

Controle

02-09-2020 08.15 - 11.30

17 ºC, later opgelopen naar ca. 22 ºC

PM

3

Controle

14-09-2020 08.30 - 11.45

15 ºC, later opgelopen naar ca. 27 ºC

PM + CP

4

Controle

16-09-2020 08.15 - 11.30

14 ºC, later opgelopen naar ca.21 ºC

PM

Een van de platen bij bosperceel 2 vermist, daarnaast Is een deel van de platen opgeruimd in bosperceel 4.

5

Controle en opruimen tegels

30-09-2020 09.30 - 12.00

13 ºC, later opgelopen tot ca. 18 ºC

CP + AB

Onderzoekers: PM = Pauline Maas, CP = Chantal Posthouwer, AB = Anoek van den Bosch

Figuur 4-10: ruimtelijke weergave van de locaties van de tapijttegels ten behoeve van het onderzoek naar hazelworm en ringslang.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

22

Projectgerelateerd

Bosperceel 1 – rondom gebouw 25 (Theehuis en Sociaal Cultureel Centrum) Het bos wordt begrensd door aan de zuidzijde de Vijverhof en aan de oostzijde de Kapelweg. In het westen bevindt zich een voor auto’s doorlopende straat. Het bos wordt gekenmerkt door een wilde ruderale begroeiing, met weinig open plekken in het bos. In het bosperceel zijn in totaal 7 tapijtegels uitgelegd, voornamelijk aan de zuidzijde en aan de randen (Figuur 4-10). In de onderstaande afbeelding is een impressie van dit bosperceel te zien (Figuur 4-11).

Figuur 4-11: impressie van bosperceel 1 – rondom gebouw 25 (Theehuis en Sociaal Cultureel Centrum), vanaf de Vijverhof in noordoostelijke richting (bron: StreetSmart, Cyclomedia, d.d. 14 februari 2020).

Bosperceel 2 – tussen de Kapelweg en Veldweg Het onderzochte gebied is gelegen tussen de bosdelen 1 en 3 in. Het bos wordt begrensd door aan de zuidzijde de Vijverhof, aan de westzijde de Kapelweg en aan de oostzijde de Veldweg. Ter hoogte van gebouw 34 (Oud Wier) is een verharde verbindingsweg tussen de Kapelweg en de Veldweg gelegen, welke het bosperceel aan de noordzijde begrenst. In het bosperceel zijn in totaal 6 tapijtegels uitgelegd, voornamelijk aan de oost- en westzijde van het bosperceel (Figuur 4-10). In de onderstaande afbeelding is een impressie van dit bosperceel te zien (Figuur 4-12).

Figuur 4-12: impressie van bosperceel 2 – tussen de Kapelweg en de Veldweg, vanaf de Vijverhof in noordwestelijke richting; te zien is aan de rechterzijde gebouw 34 (Oud Wier) (bron: StreetSmart, Cyclomedia, d.d. 14 februari 2020).

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

23

Projectgerelateerd

Bosperceel 3 – rondom gebouw 20 (Centrale keuken) Het onderzochte gebied is gelegen tussen de veldweg en gebouw 20 (Centrale keuken). Er is relatief veel reliëf in het bosperceel aanwezig, er bevindt zich een natuurlijke laagte in dit bosperceel. Het bos is hier in potentie op delen geschikt. Er zijn hier wel meer naaldbomen aanwezig dan in de andere delen. Op deze locatie is een in potentie zeer geschikte biotoop voor reptielen aanwezig, vanwege de overgang van bos naar struweel en open terrein om op te warmen. In het bosperceel zijn in totaal 8 tapijtegels uitgelegd (Figuur 4.10). Er zijn vier tapijttegels in het oostelijke deel van het bosperceel geplaatst en de overige tapijttegels ten oosten van gebouw 20 (Centrale keuken). In de onderstaande afbeelding is een impressie van dit bosperceel te zien (Figuur 4-13).

Figuur 4-13: impressie van bosperceel 3 – rondom gebouw 20 (Centrale keuken), vanaf de Vijverhof in noordoostelijke richting (bron: StreetSmart, Cyclomedia, d.d. 14 februari 2020).

Bosperceel 4 – ten oosten van gebouw 21 (Ketelhuis) Het perceel wordt omheind door een hekwerk, maar soorten als ringslang en hazelworm, en andere kleine (reptiel- of grondgebonden zoogdier)soorten kunnen dit zonder problemen passeren. Aan de noordzijde bevindt zich de Vijverhof en aan de oostzijde een verharde weg, die helemaal tot in het zuiden van het gebied doorloopt. Het bos aan de Vijverhof wordt gekenmerkt door een dikke strooisellaag, mos en klimop. Het bos binnen de omheining is open van karakter, met weinig ondergroei. Daar waar ondergroei is betreft dit grotendeels braam en klimop, met weinig open plekken in dit deel. In het bosperceel zijn in totaal 6 tapijtegels uitgelegd, waarvan 3 binnen de omheining en 3 daarbuiten (Figuur 4-10). In de onderstaande afbeelding is een impressie van dit bosperceel te zien (Figuur 4-14).

Figuur 4-14: impressie van bosperceel 4 – ten oosten van gebouw 21 (Ketelhuis), vanaf de Vijverhof in zuidelijke richting, duidelijk zichtbaar is de antenne in en aan de rechterzijde gebouw 21 (Ketelhuis) (bron: StreetSmart, Cyclomedia, d.d. 14 februari 2020).

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

24

Projectgerelateerd

Bosperceel 5 – ten noorden van gebouw 16 (Sylvia borin) Het onderzochte gebied is gelegen ten noorden van gebouw 16 (Sylvia borin). Het ‘bos’ is hier open van karakter. Wel zijn er geschikte schuilmogelijkheden aanwezig, met name aan de westzijde langs de bebouwing. Het bosperceel ligt het dichtstbij een van de oude heidevelden, welke ten zuidoosten van het bosperceel is gelegen. Hier is het voorkomen van reptielen, waaronder ook de levendbarende hagedis bekend. In het bosperceel zijn in totaal 5 tapijtegels uitgelegd, op gunstige locaties waarbij sprake is van een geschikte strooisellaag en waar ze in de ochtend door de zon worden beschenen (Figuur 4-10). In de onderstaande afbeelding is een impressie van het onderzochte terrein te zien (Figuur 4-15).

Figuur 4-15: impressie van bosperceel 5 – ten noorden van gebouw 16 (Sylvia borin), vanaf de Vijverhof in westzuidwestelijke richting ter hoogte van Vijverhof nr. 48; te zien is op het einde van de weg gebouw 16 (bron: StreetSmart, Cyclomedia, d.d. 14 februari 2020).

4.5

Effectenanalyse

Indien uit het onderzoek blijkt dat beschermde soorten van het plangebied gebruik maken, wordt bepaald of de voorgenomen ingreep negatieve effecten heeft op deze functies. Effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden en zijn onder andere afhankelijk van het moment waarop men de werkzaamheden uitvoert. Een voorbeeld van de effecten die vanuit het project in de realisatiefase optreden kunnen optreden zijn: geluidseffecten door materieel. lichtuitstraling door materieel en bouwlampen, optische effecten door rijdend materieel, beweging van materialen en mensen en/of trillingen door rijdend materieel en beweging van materialen. Veel van deze factoren kunnen dieren belemmeren in het foerageren en rusten, wat nadelig is voor onder andere de energiebalans en de ongestoorde voortplanting. Daarnaast kan de afschrikkende werking ertoe leiden dat verblijfplaatsen worden verlaten of juist niet worden bereikt. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld eieren onvoldoende bebroed worden of jongen onvoldoende gevoed of beschermd worden en daardoor sterven. Ook kunnen dieren tijdens de werkzaamheden worden gedood of vaste voortplantingsen rustplaatsen worden vernietigd.

Omdat de tijdelijke effecten onder andere afhankelijk zijn van het moment waarop men de werkzaamheden uitvoert en de uitvoeringsduur en de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden nog niet bekend zijn, worden in de effectanalyse alle effecten beschreven die er kunnen optreden tijdens alle seizoenen. Permanente effecten kunnen een gevolg zijn van de uitvoering van de werkzaamheden en daarnaast ook van het gebruik van het gebied na afronding van de werkzaamheden. Door de herinrichting van het plangebied is deze ongeschikt geworden als vaste voortplantings- of rustplaats of foerageergebied voor de beschermde soorten. Daarnaast kan intensiever gebruik van het plangebied leiden tot alle bovengenoemde tijdelijke effecten. Daarnaast kunnen door de verhoogde activiteit in het plangebied ook soorten in de omgeving van het terrein worden verstoord.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

25

Projectgerelateerd

5

Resultaten vleermuizenonderzoek

In voorliggend hoofdstuk zijn de resultaten van het vleermuizenonderzoek per gebouw beschreven. De gebouwen 22 (Linnengebouw) en 24 (Bedrijfsgebouw) zijn als één onderzoeksobject onderzocht, de resultaten worden tezamen besproken.

5.1

Gebouw 16 (Sylvia borin)

Tijdens de inventarisatierondes zijn op en nabij deze locatie vier vleermuissoorten waargenomen, te weten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger. De waargenomen dieren betroffen meestal gewone dwergvleermuizen die over het gebouw vlogen. Van een vaste vliegroute, waarbij het gebouw een belangrijke functie had, was geen sprake. Meestal vlogen de gewone dwergvleermuizen vanuit het zuidwesten naar het noordoosten op zo’n 10 à 15 meter hoogte over het gebouw. Daarnaast werd tijdens de onderzoeken af en toe een foeragerend individu van gewone dwergvleermuis waargenomen, vooral aan de noordoost kant van het gebouw in de luwte van de bomen. Geen van de dieren toonden een binding met het gebouw. Er zijn geen verblijfplaatsen waargenomen. Overige soorten betroffen enkele passerende individuen van ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en een laatvlieger. Deze dieren werden kortstondig waargenomen en hadden geen binding met het plangebied.

5.2

Gebouw 20 (Centrale keuken)

Bevindingen quickscan Tijdens de verkennende quickscan is in 2019 in gebouw 20 (Centrale Keuken) een (winter)verblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Aan de zuidzijde onder de overkapping werden ten minste 12 vleermuizen achter de houten beplating gevonden. De locatie wordt daarom gezien als winterverblijfplaats waar de dieren hun rustplek hebben tijdens het eerste zachtere deel van de winter. Tijdens iets zachtere omstandigheden in deze periode kunnen de gewone dwergvleermuizen zelfs weer actief worden, gaan foerageren of wisselen van verblijfplaats. Met strenge vorst zullen deze dieren naar verwachting alsnog verhuizen naar een massawinterverblijfplaats welke een stabieler klimaat biedt, omdat de huidige locatie in direct contact staat met de buitentemperatuur en dus bij strenge vorst ongeschikt zal raken. Bevindingen nader onderzoek Tijdens de inventarisatierondes zijn op en nabij deze locatie vijf vleermuissoorten waargenomen, te weten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en een niet nader op naam te brengen vleermuissoort van het geslacht Myotis. De geluiden van de soorten met deze geslachtnaam lijken soms zo op elkaar dat een nadere determinatie op soortnaam niet altijd mogelijk is, wat in deze situatie het geval was. De belangrijkste waarnemingen zijn hieronder beschreven.

Verblijfplaatsen Er is op 21 juli 2020 één zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis vastgesteld in gebouw 20 (Centrale keuken). Om 05.20 uur vloog het dier onder de rand van het afdak aan de oostkant het gebouw in (zie Figuur 5-1). Op 4 augustus is één baltsterritorium (ook wel paarverblijfplaats) van een gewone dwergvleermuis vastgesteld. Het dier vloog die nacht de eerste anderhalf uur van de onderzoeksronde continu rond het gebouw met sociale geluiden, tot ongeveer 01.30 uur. Op 8 september is één paarverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis aan de zuidoostkant waargenomen. De gewone dwergvleermuis was gedurende de gehele inventarisatieronde aanwezig (roepend). Op het eind van de inventarisatieronde (rond 22.48 uur) vloog de gewone dwergvleermuis aan de oostzijde van het gebouw in.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

26

Projectgerelateerd

Figuur 5-1: invlieglocatie van de gewone dwergvleermuis, waargenomen op 21 juli 2020 (door JR; Foto: Royal HaskoningDHV, 2020).

Foeragerende vleermuizen en vliegroutes Rond het gebouw is tijdens twee onderzoeksrondes een foeragerende gewone dwergvleermuis waargenomen. Op 1 juni 2020 werd een korte tijd (ca. 10 minuten) een foeragerend individu van gewone dwergvleermuis waargenomen ten zuiden voor het gebouw en onder het afdak, en daarna nog even boven het gebouw aan de westzijde. Ook op 14 juli 2020 werd op dezelfde locatie een foeragerende gewone dwergvleermuis waargenomen, die bijna het gehele onderzoek in het plangebied aanwezig was. Gedurende een korte periode (iets minder dan 10 minuten) is die onderzoeksronde door de waarnemer aan de oostzijde van het gebouw ook een foeragerende gewone dwergvleermuis waargenomen. Hoogstwaarschijnlijk betrof dit hetzelfde individu dat ook ten zuiden van het gebouw vloog. Gezien het lage aantal foeragerende vleermuizen rond het gebouw en de vele alternatieven in de omgeving, is de functie van het gebouw als essentieel foerageergebied uitgesloten. Tijdens de verschillende onderzoeksrondes werden verder iedere onderzoeksronde één tot maximaal vijf passerende gewone dwergvleermuizen over en langs het gebouw waargenomen. Verder zijn vier tot vijf passerende laatvliegers waargenomen. Deze hadden een vaste richting: van zuidwest naar noordoost over het gebouw (en visa versa later op de avond).

Van een vaste vliegroute, waarbij het gebouw een belangrijke functie heeft, is geen sprake. Overige waarnemingen betroffen enkele passerende individuen van ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Deze dieren zijn kortstondig overvliegend waargenomen en hadden geen binding met het plangebied.

5.3

Gebouwen 22-24 (Linnengebouw-Bedrijfsgebouw)

Tijdens de inventarisatierondes zijn op en nabij deze locatie vier vleermuissoorten waargenomen, te weten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger en een niet nader op naam te brengen vleermuissoort van het geslacht Myotis of Plecotus. De geluiden van de soorten met deze geslachtsnaam lijken soms zo op elkaar dat een nadere determinatie op soortnaam niet altijd mogelijk is, wat in deze situatie het geval was. De waargenomen dieren betroffen meestal passerende gewone dwergvleermuizen die meestal langs de noordkant van het gebouw vanuit het westen naar het oosten over de Vijverhof vlogen. Van een vaste vliegroute, waarbij het gebouw een belangrijke functie had, was geen sprake. Rond deze gebouwen was weinig vleermuisactiviteit.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

27

Projectgerelateerd

Op enige afstand van de gebouwen 22-24 (Linnengebouw-Bedrijfsgebouw) foerageerde regelmatig een gewone dwergvleermuis (ten noorden van de kruising van de Vijverhof met de Veldweg). Daar werd ook de niet nader op naam te brengen vleermuissoort waargenomen van het geslacht Myotis of Plecotus spec. Eén keer werd een baltsroep van een ruige dwergvleermuis gehoord. Geen van de dieren toonden een binding met de gebouwen 22-24 (Linnengebouw-Bedrijfsgebouw). Er zijn geen verblijfplaatsen waargenomen.

5.4

Gebouw 23 (Jeltje)

Tijdens de inventarisatierondes zijn op en nabij deze locatie zes vleermuissoorten waargenomen, te weten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, een niet nader op naam te brengen vleermuissoort van het geslacht Myotis en een niet nader op naam te brengen vleermuissoort van het geslacht Eptesicus, Vespertillus of Noctula. De geluiden van deze laatstgenoemde soorten lijken soms zo op elkaar dat een nadere determinatie op soortnaam niet mogelijk is, wat in deze situatie het geval was. De belangrijkste waarnemingen zijn hieronder beschreven. Verblijfplaatsen Er is op 8 september 2020 één baltsterritorium (ook wel paarverblijfplaats genoemd) van een gewone dwergvleermuis waargenomen ten zuiden en oosten van het gebouw. Het dier was van 22.26 uur tot 22.43 uur continu baltsend te horen en soms ook te zien in de schemering (tegen de bewolkte lucht). Tussen 22.43 uur en 23.00 uur vloog het dier een tijdje niet meer continu rond het gebouw, maar werd het iets minder frequent (maar nog steeds 1x per minuut) waargenomen. De laatste paar minuten van de inventarisatieronde was het dier weer continu te horen. Foeragerende vleermuizen en vliegroutes De waargenomen dieren betroffen meestal passerende gewone dwergvleermuizen die met enige regelmaat over het gebouw of langs de vegetatie vlogen.

Van een vaste vliegroute, waarbij het gebouw een belangrijke functie had, was geen sprake. Er was geen sprake van een belangrijke binding met het gebouw. Van de overige dieren was de vliegrichting divers. Sommige individuen bleven enkele minuten foerageren langs de oost en zuidzijde van het gebouw, alvorens weer door te vliegen. Gezien het lage aantal foeragerende vleermuizen rond het gebouw en de vele alternatieven in de omgeving, is de functie van het gebouw als essentieel foerageergebied uitgesloten.

5.5

Gebouw 27 (Hoofdgebouw)

Tijdens de inventarisatierondes zijn op en nabij deze locatie twee vleermuissoorten waargenomen, te weten: gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De belangrijkste waarnemingen worden hieronder beschreven. Verblijfplaatsen Er is op 8 juli 2020 één zomerverblijfplaats aan de noordkant van het gebouw waargenomen, in het deel dat niet wordt gesloopt. Om 22.26 uur werd één uitvliegende gewone dwergvleermuis waargenomen. Het dier vloog uit een van de openingen in de muur die toegang geeft tot de spouw. Er is op 4 augustus 2020 één paarverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis waargenomen boven het gebouw. Het betrof één individu die constant rondjes vloog boven het gebouw en continue sociale geluiden liet horen, van 00.00 uur tot 02.00 uur. Er zijn deze ronde geen zwermende dieren waargenomen.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

28

Projectgerelateerd

Figuur 5-2: de rode pijlen zijn de zomerverblijfplaatsen van twee gewone dwergvleermuizen in het deel van gebouw 27 (Hoofgebouw) dat wordt gesloopt, de blauwe pijl is een locatie van een zomerverblijfplaats dat intact blijft. Foto: Royal HaskoningDHV, 2020.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

29

Projectgerelateerd

Op 4 augustus 2020 zijn verder nog twee zomerverblijfplaatsen waargenomen. Tussen 04.30 uur en 04.45 uur cirkelde een gewone dwergvleermuis om het gebouw. Om 4.45 uur vloog deze aan de zuidzijde, op de kopse kant, halverwege de rechterzijde, onder de dakrand het gebouw in (zie rode pijl in Figuur 5-3). Om 05.35 uur is een tweede invliegende gewone dwergvleermuis waargenomen aan de zuidzijde, ook op de kopse kant, maar dan in de nok, onder de dakrand (zie tweede rode pijl in Figuur 5-2). In het deel van het gebouw dat niet wordt gesloopt zijn op 4 augustus nog twee zomerverblijfplaatsen waargenomen. Het betrof in totaal drie invliegende dieren: twee individuen aan de noordzijde, kopse kant, in de nok onder de dakpannen en één individu aan de zuidzijde, kopse kant, halverwege de linkerzijde, onder de dakpannen (zie blauwe pijl in Figuur 5-2). Op 25 augustus 2020 was het erg stil. Er zijn die avond geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen rond gebouw 27 (Hoofdgebouw). Op 15 september zijn twee paarverblijfplaatsen van een gewone dwergvleermuis waargenomen. Eén ten noorden en één ten zuiden van het gebouw. De dieren vlogen er gedurende de gehele inventarisatieronde. Het is waarschijnlijk dat één van de dieren hetzelfde dier was dat ook in de nacht van 4 augustus boven het gebouw was waargenomen. Er wordt daarom uitgegaan van in totaal twee paarverblijfplaatsen.

Foeragerende vleermuizen en vliegroutes Op 1 juni 2020 foerageerden enkele gewone dwergvleermuizen boven het gebouw met af en toe een sociale roep. Verder werden vooral aan noordkant van het gebouw met enige tussenpozen passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Van een vaste vliegroute, waarbij het gebouw een belangrijke functie had, was geen sprake. Op 8 juli 2020 foerageerden vanaf een kwartier na zonsondergang voor de duur van een uur boven de vijver ten noorden van het gebouw zo’n 10 gewone dwergvleermuizen. Verder zijn gedurende deze inventarisatie vooral aan noordkant van het gebouw met enige tussenpozen passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, in totaal 15 individuen. Enkelen vlogen daarbij van zuid naar noord over en langs het gebouw (mogelijk naar de vijver ten noorden van het gebouw om te foerageren). De meeste vlogen daarbij langs de bomenrij aan de noordzijde van het gebouw en over het gebouw van oost naar west en andersom. Tijdens de overige onderzoeksrondes zijn er rond het gebouw geen langdurig foeragerende individuen waargenomen. De vleermuizen die ten noorden van het gebouw boven de vijver foerageerden, toonden geen binding met het gebouw. De functie van het gebouw als essentieel foerageergebied is uitgesloten.

5.6

Gebouw 33 (Oud Wier)

Tijdens de inventarisatierondes zijn voornamelijk gewone dwergvleermuizen, enkele ruige dwergvleermuizen en één keer een niet nader op naam te brengen vleermuissoort van het geslacht Myotis waargenomen. De meeste dieren betroffen allemaal passerende individuen die met grote tussenpozen werden waargenomen. Een enkele keer bleef een dier een paar minuten bij het gebouw foerageren om daarna weer door te vliegen. Er is op 8 juli 2020 om 22.10 uur een zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis waargenomen, aan de achterzijde van het gebouw, bovenin (Figuur 5-3). Op 4 augustus 2020, 25 augustus 2020 en op 15 september 2020 zijn maar enkele waarnemingen gedaan van passerende gewone dwergvleermuizen. en een watervleermuis om 01.05 uur bij Oud Wier.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

30

Projectgerelateerd

Figuur 5-3: locatie van de zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in gebouw 33 (Oud Wier), waargenomen op 8 juli 2020 (door PM; Foto: Royal HaskoningDHV, 2020).

5.7

Overzicht resultaten vleermuizenonderzoek

Er zijn bij een aantal van de onderzochte gebouwen in het plangebied van de HMA te Den Dolder verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van andere soorten werden niet vastgesteld. De resultaten van het onderzoek naar verblijfplaatsfuncties van vleermuizen zijn als volgt: • In gebouw 20 (Centrale keuken) zijn verschillende verblijfsfuncties zijn vastgesteld, te weten: één zomerverblijfplaats, twee paarverblijfplaatsen, en één winterverblijfplaats (ten minste 12 dieren). • In gebouw 23 (Jeltje) is een verblijfsfunctie vastgesteld, te weten: één paarverblijfplaats. • In gebouw 27 (Hoofdgebouw) zijn verschillende verblijfsfuncties vastgesteld, te weten: twee zomerverblijfplaatsen, en twee paarverblijfplaatsen. Daarnaast zijn twee zomerverblijfplaatsen in de kopgevel van het gebouw waargenomen. • In gebouw 33 (Oud Wier) is een verblijfsfunctie vastgesteld, te weten: één zomerverblijfplaats. • Bij zowel gebouw 16 (Sylvia borin) als de gebouwen 22-24 (Linnengebouw-Bedrijfsgebouw) zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vastgesteld.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

31

Projectgerelateerd

Uit het nader onderzoek in 2020 blijkt resumerende dat binnen het plangebied één winterverblijfplaats van ten minste 12 gewone dwergvleermuizen, vijf paarverblijfplaatsen en zes zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn (zie tabel 5-1). Tabel 5-1: overzicht van de waargenomen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen per gebouw. Nummer Naam

Zomerverblijfplaatsen

Paarverblijfplaatsen

Winterverblijfplaatsen

16

Sylvia borin

.

.

.

20

Centrale keuken

1

2

1 (van tenminste 12 dieren)

22

Linnengebouw

.

.

.

23

Jeltje

.

1

.

24

Bedrijfsgebouw

.

.

.

27

Hoofdgebouw

4

2

.

33

Oud Wier

1

.

.

5.8

Effectbeoordeling vleermuizen

In onderstaande paragrafen worden de effecten op deze verblijfplaatsen per gebouw besproken. Omdat in de gebouwen 16 (Sylvia borin), 22 (Linnengebouw) en 24 (Bedrijfsgebouw) geen verblijfplaatsen zijn vastgesteld, is voor deze gebouwen op voorhand een overtreding ten aanzien van (verblijfplaatsen van) vleermuizen uitgesloten. Derhalve is voor deze gebouwen geen nadere effectbeoordeling opgenomen. Gebouw 20 (Centrale keuken) Door de sloop van het gebouw gaat één winterverblijfplaats van ten minste 12 gewone dwergvleermuizen, één zomer- en twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis verloren. Het is mogelijk dat het om hetzelfde individu gaat, maar dat is niet zeker omdat de waarnemingen ver uit elkaar liggen (juli en september). Er wordt daarom uitgegaan van meerdere individuen en verblijfplaatsen. Vernietiging van een vaste rustplaats is een overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in art. 3.5, lid 4 van de Wnb. Indien met de sloopwerkzaamheden geen rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de vleermuis, bestaat ook het risico dat de vleermuis wordt gedood of verstoord. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in art. 3.5, lid 1 en 2. Gebouw 23 (Jeltje) Door de sloop van het gebouw gaat één paarverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis verloren.

Vernietiging van een vaste rustplaats is een overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in art. 3.5, lid 4 van de Wnb. Indien met de sloopwerkzaamheden geen rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de vleermuis, bestaat ook het risico dat de vleermuis wordt gedood of verstoord. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in art. 3.5, lid 1 en 2. Gebouw 27 (Hoofdgebouw) Door deelsloop van de aanbouwen bij het gebouw gaan twee paarverblijfplaatsen en twee zomerverblijfplaatsen van in totaal vier gewone dwergvleermuizen verloren. Het hoofdeel van het gebouw blijft intact, hierdoor blijven de twee waargenomen zomerverblijfplaatsen in de gevel van het gebouw in stand. Vernietiging van een vaste rustplaats is een overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in art. 3.5, lid 4 van de Wnb. Indien met de sloopwerkzaamheden geen rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de vleermuis, bestaat ook het risico dat de vleermuis wordt gedood of verstoord. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in art. 3.5, lid 1 en 2.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

32

Projectgerelateerd

Gebouw 33 (Oud Wier) Door de sloop van het gebouw gaat één zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis verloren. Vernietiging van een vaste rustplaats is een overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in art. 3.5, lid 4 van de Wnb. Indien met de sloopwerkzaamheden geen rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de vleermuis, bestaat ook het risico dat de vleermuis wordt gedood of verstoord. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in art. 3.5, lid 1 en 2.

5.9

Vervolgstappen vleermuizen

De voorgenomen werkzaamheden leiden tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Er worden vier zomerverblijfplaatsen en vijf paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen vernietigd. Daarnaast wordt een winterverblijfplaats vernietigd door de sloop van gebouw 20 (Centrale keuken). Hier dient een ontheffing van de Wnb voor te worden verkregen. Om deze te verkrijgen moet een ontheffingsaanvraag worden ingediend, voorzien van een activiteitenplan. In het op te stellen activiteitenplan moet onder andere onderbouwd worden met welke maatregelen de lokale staat van instandhouding geborgd blijft. De lokale staat van instandhouding van de vleermuissoorten blijft in huidige situatie alleen gewaarborgd wanneer er alternatieve verblijfplaatsen aangeboden worden. Alternatieve verblijfplaatsen Volgens het Kennisdocument Gewone dwergvleermuizen van BIJ12 moet voor elke verblijfplaats die zijn functie niet meer kan vervullen, meerdere nieuwe alternatieve verblijfplaatsen worden gecreëerd. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van vleermuiskasten in de directe omgeving van de gebouwen als tijdelijk alternatief en het inbouwen van vleermuiskasten in de nieuwbouw als permanent alternatief, of door deze op andere wijze toegankelijk te maken voor vleermuizen. Er moet in ieder geval een netwerk aan verblijfplaatsen worden aangeboden die geschikt zijn voor de betreffende functie.

Een vervangende verblijfplaats heeft nooit dezelfde eigenschappen als de oorspronkelijke verblijfplaats. Hierdoor kan een vervangende verblijfplaats zowel wat betreft zijn eigenschappen als zijn locatie, minder geschikt blijken dan verwacht. Dit wordt ondervangen door in het gebied van het bestaande netwerk aan verblijfplaatsen meerdere nieuwe verblijfplaatsen aan te bieden. Hoe meer alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn, hoe groter de kans is dat minimaal één van deze geschikt gevonden wordt. Gewenningstijd Gewone dwergvleermuizen hebben de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moet zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn. Hierdoor kunnen de vleermuizen de voorzieningen ontdekken en verkennen voor de ingreep wordt uitgevoerd. Een voldoende lange gewenningsperiode is nodig om een minimaal succes van de maatregelen te waarborgen. Hoe dichter de vervangende verblijfplaats bij de oorspronkelijke verblijfplaats wordt gerealiseerd, hoe groter de kans is op succes. In de laatste maand van de gewenningsperiode kan al aangevangen worden met het langzamerhand ongeschikt maken van de oorspronkelijke verblijfplaatsen.

Volgens het Kennisdocument Gewone dwergvleermuizen van BIJ12 moet voor tijdelijke vervanging van de zomerverblijfplaatsen een gewenningsperiode worden aangehouden van minimaal 3 maanden (waarbij alleen de maanden april tot en met oktober meetellen). Vervangende paarverblijfplaatsen hebben een minimale gewenningstijd van zes maanden voorafgaand aan de start van het paarseizoen kennen. Dit betekent dat vervangende paarverblijfplaatsen uiterlijk half februari aanwezig moeten zijn, als men nog vóór het paarseizoen de huidige verblijfplaatsen wil slopen.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

33

Projectgerelateerd

Permanente alternatieven Naast de tijdelijke vervanging, dienen permanente voorzieningen te worden opgenomen in de nieuwbouw op de locatie. Hierdoor kan worden gewaarborgd dat de ingreep geen afbreuk doet aan de staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis op de locatie. Er moeten minimaal vier alternatieve voorzieningen worden aangeboden voor iedere verblijfplaats die wordt vernietigd. Dit betekent voor dit project dat er in totaal minimaal 16 alternatieve zomerverblijfplaatsen, 20 alternatieve paarverblijfplaatsen en 4 alternatieve winterverblijfplaatsen (elk geschikt voor minimaal 12 vleermuizen) moeten worden gerealiseerd. Voorkomen van verstoring en verwonden en/of doden Let wel: sloop van gebouwen waar zich verblijfplaatsen van vleermuizen in bevinden, kan pas wanneer de gebouwen voorafgaande de sloop ongeschikt zijn gemaakt voor verblijf van vleermuizen. Er is namelijk anders niet uit te sluiten dat vleermuizen op enig moment in de verblijfslocatie aanwezig zijn en deze bij de sloopwerkzaamheden worden verstoord en/of gedood. Men is daarom verplicht om ervoor te zorgen dat geen vleermuizen meer in de gebouwen aanwezig zijn op het moment dat men gaat slopen. Bij het ongeschikt maken van de gebouwen dient men rekening te houden met de kwetsbare kraam- en overwinteringsperiode van de gewone dwergvleermuis.

Afhankelijk van weersomstandigheden kan deze periode enigszins variëren. Van paarverblijfplaatsen mag redelijkerwijs worden verwacht dat deze ook als individuele winterverblijfplaatsen worden gebruikt. Deze verblijfplaatsen dienen om deze reden vooraf (buiten de paarperiode en buiten de winterrustperiode) ongeschikt gemaakt te worden. Aangezien de paarverblijfplaatsen bij een aantal gebouwen niet exact zijn vastgesteld, zal de werkwijze bij ongeschikt maken zich op alle potentiele plaatsen moeten richten en zal het gehele (deel) gebouw ongeschikt moeten worden gemaakt. Risico’s ten aanzien van de planning De gebouwen mogen pas ongeschikt worden gemaakt, als voor de alternatieve verblijfplaatsen voldoende gewenningstijd is aangehouden. De kasten dienen dan ook zo snel mogelijk te zijn aangebracht, bij voorkeur in het voorjaar. Hiermee wordt voldoende gewenningstijd (tijdens de actieve periode van vleermuizen) voor de alternatieve zomer- en paarverblijfplaatsen geboden. In totaal dienen 16 alternatieve zomerverblijfplaatsen, 20 alternatieve paarverblijfplaatsen en 4 alternatieve winterverblijfplaatsen (elk geschikt voor minimaal 12 vleermuizen) te worden gerealiseerd. De gebouwen kunnen dan vervolgens zes maanden na het aanbrengen van de kasten in het voorjaar ongeschikt worden gemaakt. Let wel: dieren in winterrust zijn het meest kwetsbaar.

De bebouwing dient dan ook ruim voor de aanvang van de winterperiode (deze begint half oktober) ongeschikt te zijn gemaakt. Met bovenstaande dient de aannemer rekening mee te houden in zijn planning. Met inachtneming van voorgenoemde maatregel moet het doden van vleermuizen worden voorkomen. Verstoring van eventueel aanwezige vleermuizen door het ongeschikt maken van de bebouwing kan echter niet worden voorkomen. Dit is een overtreding van verbodsbepaling artikel 3.5, lid 1. Ook de vernietiging van de huidige vier paarverblijfplaatsen en vier zomerverblijfplaatsen kan niet worden voorkomen en ook hiervoor is een ontheffing nodig (betreffende overtreding van verbodsbepaling artikel 3.5, lid 4 van de Wnb). Voorafgaande het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen, dient de ontheffing verkregen te zijn. Het ongeschikt maken van verblijfplaatsen zonder ontheffing is een overtreding van de Wnb.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

34

Projectgerelateerd

Een ontheffingsaanvraag kent een doorlooptijd van ca. 20 weken (13 weken plus door de complexiteit van onderhavige onderzoekrapportage een verlening van 7 weken: 20 weken). Pas nadat de ontheffing is verleend én de alternatieve verblijfplaatsen zijn geplaatst en de vleermuizen een voldoende gewenningstijd is gegeven, mag men de gebouwen ongeschikt maken en vervolgens slopen. Om de gebouwen vóór de winterrust van vleermuizen, (vanaf oktober, waarbij klimatologische omstandigheden meegewogen moeten worden, wat zoveel inhoudt dat als het tijdens de nacht nog redelijk warm is (>10ºC), de winterrust nog niet is ingetreden en als het meerdere nachten kouder is (<10ºC) vleermuizen al eerder in winterrust gaan of zijn), ongeschikt te kunnen maken om negatieve effecten op individuen te voorkomen, moet ca. 2 weken voor de sloopwerkzaamheden hier mee worden aangevangen (bij benadering in week 37). De gebouwen worden ongeschikt voor vleermuizen gemaakt door deze onder begeleiding van een ter zake kundige te strippen en van tochtgaten te voorzien, waardoor het microklimaat in het gebouw wordt verstoord. Dit betekent dat de ontheffingsaanvraag zo snel mogelijk, maar uiterlijk voor eind april (week 17), moet worden ingediend wanneer men met het ongeschikt maken van de bebouwing wil starten vanaf half augustus 2021. Pas daarna mag men gaan slopen.

Let op: hierbij dient ook rekening gehouden te worden met maatregelen om effecten op andere soorten te voorkomen (grondgebonden zoogdieren, zie hoofdstuk 6 en reptielen, zie hoofdstuk 7). Het ongeschikt maken van de bebouwing De bebouwing kan bijvoorbeeld voor vleermuizen ongeschikt worden gemaakt door ‘tochtgaten’ in de muren aan te brengen of enkele rijen dakpannen te verwijderen, waardoor het microklimaat in het gebouw of onder het dak wordt verstoord. Na uitvoering, dient tot twee weken voorafgaande aan de sloop, door een ter zake kundige ecoloog op het gebied van vleermuizen gecontroleerd te worden of in deze periode nog vleermuizen uitvliegen. Indien dit het geval is, dienen aanvullende maatregelen genomen te worden om het gebouw ongeschikt voor vleermuizen te maken voorafgaande aan de sloop. Uitwerking van de maatregelen in een activiteitenplan en ecologisch werkprotocol De maatregelen welke precies noodzakelijk zijn, dienen in een nader op te stellen activiteiten- of mitigatieplan te worden uitgewerkt. De opdrachtgever dient hiervoor de voorgenomen planning vrij te geven en samen met een ter zake kundig ecoloog te bespreken wat de gevolgen zijn, en waar nodig, de planning aan te passen. Daarnaast dient besproken te worden waar alternatieve verblijfplaatsen worden aangebracht. Het plan dient als onderbouwing van de ontheffingsaanvraag.

Na verlening van een ontheffing wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld voor de uit te voeren voorgenomen ruimtelijke ingreep.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

35

Projectgerelateerd

6

Resultaten grondgebonden zoogdiersoorten

In voorliggend hoofdstuk zijn de resultaten van het onderzoek met behulp van de wildcamera’s beschreven, per onderzoekslocatie. Daarnaast zijn overige de waarnemingen beschreven.

6.1

Camera 1 – achter gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum)

De camera achter gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum) heeft slechts één dag, inclusief nacht, gehangen. De camera is ingesteld op het maken van filmpjes. Daarna was op de camera te zien, dat er jongeren rondhingen achter gebouw 25. De batterijen bleken uiteindelijk te zijn weggehaald, waardoor geen beelden meer gemaakt zijn. Met de cameraval zijn waarnemingen gedaan van verschillende huiskatten en bosmuizen. Er zijn geen grondgebonden zoogdiersoorten als boommarter, das, of kleine marterachtigen, waargenomen.

6.2

Camera 2 – achter gebouw 23 (Jeltje)

Voor de plaatsing van de camera achter gebouw 23 (Jeltje) is gebruik gemaakt van de aanwezige rommel, waardoor de camera goed op de ‘achtertuin’ van het gebouw gericht kon worden. De camera is ingesteld op het maken van foto’s. Ook deze camera is, net als de camera achter gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum) door mensen in het gebied ontdekt, zij hebben geprobeerd het slot te forceren, dit is gelukkig niet gelukt, waardoor de camerabeelden beschikbaar zijn. Met de cameraval zijn regelmatig verschillende huiskatten vastgelegd. Daarnaast zijn ook meerdere malen bruine rat, ree, haas en vos waargenomen (Figuur 6-1). Eenmaal is een Duitse herder waargenomen. Er zijn geen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als boommarter, das, of kleine marterachtigen, waargenomen.

Figuur 6 1: impressie van de resultaten van het onderzoek naar grondgebonden zoogdieren; het betreft een waarneming van een jonge ree (links) en een haas (rechts) achter gebouw 23 (Jeltje). Foto: Royal HaskoningDHV, 2020.

6.3

Camera 3 – ten zuiden van gebouw 16 (Sylvia borin)

De camera ten zuiden van gebouw 16 (Sylvia borin) is geplaatst in de beboste delen van het terrein. Vanuit de gesprekken met de terreinbeheerder, en een eerder zichtwaarneming van das, is bekend dat deze vanuit het zuiden het plangebied van de HMA betreedt. De camera is geplaatst met als doel na te gaan of de das mogelijk langs de meest oostelijk gelegen weg de HMA betreedt. De camera is ingesteld op het maken van zowel filmpjes als foto’s. Met de cameraval zijn regelmatig bosmuizen vastgelegd. Daarnaast zijn ook meerdere malen haas, vos, huiskat en hond waargenomen (Figuur 6-2). Eenmaal is een eekhoorn waargenomen. Er zijn geen andere beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als boommarter, das, of kleine marterachtigen, waargenomen.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

36

Projectgerelateerd

Figuur 6 2: impressie van de resultaten van het onderzoek naar grondgebonden zoogdieren; het betreft een waarneming van een eekhoorn (links, wit omlijnd) en een vos (rechts) ten zuiden van gebouw 16 (Sylvia borin). Foto: Royal HaskoningDHV, 2020.

6.4

Camera 4 – ten oosten van gebouw 20 (Centrale keuken)

De camera ten oosten van gebouw 20 (Centrale keuken) is geplaatst om te beoordelen of via deze weg grondgebonden zoogdieren vanuit de bosdelen het terrein van de HMA betreden. Er is tijdens de onderzoeken naar vleermuizen veelvuldig ‘geritsel’ en ‘geschuifel’ vanuit het struikgewas gehoord, waar er geen zicht was op welk dier daar verantwoordelijk voor is. Met de camera op deze locatie is gepoogd hier inzicht in te verkrijgen. De cameraval is ingesteld op het maken van foto’s. Met de cameraval zijn waarnemingen gedaan van ree en éénmaal van eekhoorn. Er zijn geen andere beschermde gebonden zoogdiersoorten als boommarter, das, of kleine marterachtigen, waargenomen.

6.5

Camera 5 – ten oosten van gebouw 36 (Mortuarium)

De camera ten oosten van gebouw 36 (Mortuarium) is geplaatst omdat vanuit de gesprekken met de terreinbeheerder bekend is dat hier een (vermoedelijk oude) dassenburcht aanwezig is. Indien hier een das zit, valt te verwachten dat zij via deze locatie het terrein van de HMA betreden. Er is regelmatig een vos vastgelegd en één eekhoorn. Er zijn geen andere beschermde gebonden zoogdiersoorten als boommarter, das, of kleine marterachtigen, waargenomen.

6.6

Andere waarnemingen van grondgebonden zoogdiersoorten

Tijdens de vele veldbezoeken die gedaan zijn voor zowel het vleermuizenonderzoek (’s nachts) en het reptielenonderzoek (voornamelijk in de ochtend) zijn meerdere waarnemingen gedaan van verschillende grondgebonden zoogdiersoorten. Het betreft ree (ter hoogte van bosperceel 2), das (tweemaal ’s nachts waargenomen, éénmaal ten zuiden van Jeltje, en éénmaal vanuit het zuiden richting gebouw 20 (Centrale keuken)), en tweemaal een eekhoorn in bosperceel 2 en in een boom naast het hoofdgebouw. Daarnaast is verschillende keren vos waargenomen ten oosten van gebouw 16 (Sylvia borin). Tijdens de eerste controle van de tapijttegels voor reptielen, op 27 augustus 2020, werd duidelijk dat onder één van de tapijttegels een slaapplaats van een muisachtige aanwezig is; een klein muizenhol ‘verraadde’ de aanwezigheid van dit individu en het gebruik van de tapijtegel als verblijfplaats, van een bosspitsmuis.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

37

Projectgerelateerd

6.7

Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren

Op basis van het onderzoek is het voorkomen van de volgende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten bekend: bosmuis, ree, haas, vos, das en eekhoorn. Dit betreft nationaal beschermde soorten, beschermd onder art. 3.10 van de Wet natuurbescherming. Deze soorten zijn voor hun leefgebied gebonden aan de binnen het plangebied aanwezige bospercelen. Door de ruimtelijke ontwikkeling van het terrein verliezen deze soorten een (deel) van het leefgebied. Eekhoorn De eekhoorn foerageert en verblijft in nesten in bomen. De aanwezige bomen binnen het plangebied zijn geschikt als voedselboom voor de soort. Tijdens het oriënterend veldbezoek in december 2019 zijn geen eekhoornnesten aangetroffen, maar het betrof slecht een oriënterend veldbezoek waarbij niet elke boom is gecontroleerd. Aanvullend op de eerste bezoeken in december 2019 is in april 2020 een nadere inspectie door een ter zake kundige op het gebied van eekhoorn uitgevoerd, er werden geen indicaties aangetroffen die duiden op het voorkomen van de soort en/of nesten in de bomen. Op basis van deze onderzoeken worden verblijfplaatsen van de soort binnen plangebied niet verwacht. Vanwege de verschillende waarneming van de soort binnen het plangebied, gedurende het nader onderzoek, kan niet worden uitgesloten dat de eekhoorn in de toekomst wel vaste rust- en/of verblijfplaatsen heeft binnen de te kappen bomen.

Met het kappen van de bospercelen kunnen daarom verblijfplaatsen van eekhoorn worden vernietigd. Dit is een overtreding van art 3.10, lid 1b van de Wet natuurbescherming. Om dit te voorkomen dienen voorzorgsmaatregelen getroffen te worden. Daarnaast is het vrijwel zeker dat de eekhoorn van het plangebied gebruik maakt als foerageergebied. De soort heeft echter voldoende geschikt foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied om naar uit te kunnen wijken, zoals het bosgebied aan de noordoostrand van het plangebied. Van het vernietigingen van essentieel foerageergebied van de eekhoorn is daarom geen sprake. Das Voor dassen geldt dat ze gebruik maken van gegraven burchten als verblijfplaats. Tijdens de verschillende veldbezoeken is gezocht naar burchten, deze zijn echter niet binnen het plangebied aangetroffen. Vernietiging van een verblijfplaats is daarom uitgesloten. Wel zijn er mogelijk meerdere burchten in de omgeving van het plangebied aanwezig. Doordat de das gedurende het nader onderzoek is waargenomen binnen het plangebied, is het aannemelijk dat de soort gebruik maakt van lijnvormige elementen binnen het plangebied als looproute tussen burcht en foerageergebied. Het plangebied maakt daarnaast hoogstwaarschijnlijk ook deel uit van het foerageergebied van de soort.

Voor de das blijft echter voldoende foerageergebied over in de directe omgeving van het plangebied, in de vorm van het bosgebied aan de noordoostrand van het plangebied. Tevens blijven er binnen het plangebied voldoende lijnvormige elementen over voor de soort om veilig langs te kunnen bewegen. Van het vernietigingen van essentieel foerageergebied of een essentiële looprouten van de soort is daarom geen sprake. Het nemen van vervolgstappen of voorzorgsmaatregelen ten behoeve van de das is niet nodig. Overige beschermde soorten Voor bosmuis, ree, haas en vos geldt binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling voor het overtreden van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Met de voorwaarde dat passende maatregelen om de zorgplicht in acht te nemen worden genomen, hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd ten aanzien van voorgenoemde soorten.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

38

Projectgerelateerd

6.8

Vervolgstappen grondgebonden zoogdiersoorten

Eekhoorn Op basis van deze onderzoeken worden verblijfplaatsen van de soort binnen plangebied niet verwacht. Vanwege de verschillende waarneming van de soort binnen het plangebied, gedurende het nader onderzoek, kan niet worden uitgesloten dat de eekhoorn in de toekomst wel vaste rust- en/of verblijfplaatsen heeft binnen de te kappen bomen. Het vernietigen van verblijfplaatsen van de eekhoorn en daarmee een overtreding van art 3.10, lid 1b van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen door: • Wanneer precies bekend is welke bomen gekapt worden, deze bomen nogmaals door een ter zake kundige op het gebied van eekhoorn te laten controleren op nesten. • Gezien de aanwezige natuurwaarden binnen het plangebied, is het werken onder ecologische begeleiding aan te bevelen ten aanzien van de kap/omvorming van de bospercelen. • Indien nesten afwezig zijn, kan het plangebied worden vrijgegeven voor de geplande kap. Indien op een later moment wel nesten van eekhoorn in te kappen bomen binnen het plangebied aanwezig zijn, zijn er geen maatregelen te treffen om de aantasting en vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen van eekhoorn te voorkomen. Het is dan nodig om contact op te nemen met het bevoegd gezag om na te gaan welke vervolgstappen er nodig zijn. Mogelijk is het aanvragen van een addendum van de ontheffing in het kader van de Wnb is dan nodig.

Algemene zorgplicht Om aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) te kunnen voldoen, worden onderstaande voorzorgsmaatregelen ten aanzien van (alle) grondgebonden zoogdieren geadviseerd: • De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. • Er wordt gefaseerd gewerkt, zodat kleine (zoog)dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben. • De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden en ontziet daarbij plaatsen met begroeiing en/of beplanting zoveel mogelijk. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten voorkomen. • Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

39

Projectgerelateerd

7

Resultaten reptielenonderzoek

In het onderhavige hoofdstuk zijn de resultaten van het onderzoek naar reptielen besproken. Dit is per bosperceel (1 t/m 5) gedaan.

7.1

Bosperceel 1 – rondom gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum)

In de doodlopende straat is een op het oog potentieel geschikt leefgebied van de hazelworm aanwezig. Tijdens geen van de controles zijn onder de tapijttegels reptielen waargenomen. In het bos zijn op enkele locaties potentieel geschikte houtstronken omgedraaid, ook hier zijn geen waarnemingen van hazelworm of ringslang gedaan.

7.2

Bosperceel 2 – tussen de Kapelweg en Veldweg

Tijdens geen van de controles zijn onder de tapijttegels reptielen waargenomen. In het bosperceel is het bladerdak te dik, en wordt de bodem nauwelijks door de zon beschenen, waardoor plaatjes niet door zonlicht kunnen opwarmen. Een van de tegels kon bij aanvang van de eerste controle, op 27 augustus 2020, niet worden teruggevonden. De tegel is (vermoedelijk) onterecht als zwerfafval gezien en mogelijk opgeruimd. In het bos zijn op enkele locaties potentieel geschikte houtstronken omgedraaid, ook hier zijn geen waarnemingen van reptielen gedaan.

7.3

Bosperceel 3 – rondom gebouw 20 (Centrale keuken)

Hazelworm Op deze locatie is, voorafgaande aan het soortgerichte onderzoek naar reptielen, tijdens het veldonderzoek op 16 april 2020 een juveniele hazelworm aangetroffen. De verwachting was dat hier dan ook onder de tapijttegels en tijdens de vier controlebezoeken waarnemingen gedaan zouden worden van voorgenoemde soort. Tijdens echter geen van de controles zijn hazelwormen waargenomen. Ringslang Tijdens de eerste controle werd wel, nabij de tapijttegels ten oosten van gebouw 20 (Centrale keuken) op 27 augustus 2020 een juveniele ringslang aangetroffen (Figuur 7-1). Van de vindlocatie is ook een impressie opgenomen (Figuur 7-2). Overige controles leverden geen waarnemingen op van reptielen.

Figuur 7-4: waarneming van een juveniele ringslang op 27 augustus 2020, ter hoogte van de uitgelegde tapijtegels ten oosten van gebouw 20 (Centrale keuken) in het plangebied van de HMA te Den Dolder, op de foto linksboven (inzet) zijn goed de kenmerkende en onderscheidende gele vlekken aan weerszijden van de hals, net achter de kop, die aan de bovenzijde soms samenvloeien en doen denken aan een ring (waarnemer: P. Maas, RHDHV).

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

40

Projectgerelateerd

Figuur 7-5: impressie van een van uitgelegde tapijttegels in het onderzoeksgebied; vlakbij, maar niet onder de tegel, zijn hazelworm (d.d. 16 mei 2020) en ringslang (d.d. 27 augustus 2020), waargenomen ten oosten van gebouw 20 (Centrale keuken) in het plangebied van de HMA te Den Dolder (waarnemer: G. de Rooij & P. Maas van de hazelworm en P. Maas van de ringslang, RHDHV).

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

41

Projectgerelateerd

7.4

Bosperceel 4 – ten oosten van gebouw 21 (Ketelhuis)

Tijdens de eerste controleronde bleken de tegels binnen de begrenzing, ondanks voorafgaande het onderzoek het melden van de aanwezigheid en bedoeling van deze tapijttegels, verwijderd. Er zijn geen nieuwe tegels uitgelegd, wel is dit deel steeds bezocht tijdens de daarop volgende onderzoeksrondes. Bij geen van de controles zijn onder de tapijttegels of in het bosperceel reptielen waargenomen.

7.5

Bosperceel 5 – ten noorden van gebouw 16 (Sylvia borin)

Tijdens geen van de controles zijn onder de tapijttegels reptielen waargenomen. Ook in het bosperceel zelf en de directe omgeving ervan zijn tijdens geen van de bezoeken waarnemingen gedaan van reptielen. In het bosperceel zijn op enkele locaties potentieel geschikte houtstronken omgedraaid, ook hier zijn geen waarnemingen van reptielen gedaan. Er werden veel rode mierennesten onder tegels aangetroffen. In het onderstaande overzicht (Tabel 7-1) en afbeelding (Figuur 7-6) is de habitatgeschiktheid per bosperceel weergegeven. Tabel 7-1: overzicht van de habitatbeoordeling per bosperceel voor de om te vormen terreinen op de HMA. Soort

Bosperceel 1

Bosperceel 2

Bosperceel 3

Reptielen

Potentiele winterbiotoop niet uitgesloten

Potentiele winterbiotoop niet uitgesloten

Potentiele winterbiotoop niet uitgesloten in het westelijke deel Zomerbiotoop is aanwezig in het oostelijke deel

Bosperceel 4

Bosperceel 5

Er is slechts marginaal geschikt leefgebied aanwezig binnen de omheining en/of aan de Vijverhof op het grasveld

Er is slechts marginaal geschikt leefgebied aanwezig, het bosperceel is zeer matig geschikt als biotoop voor reptielen

Figuur 7-6: ruimtelijke weergave van het potentiele leefgebied van hazelworm en ringslang, waarbij onderscheid is gemaakt tussen zomerbiotoop (oranje) en potentieel overwinteringsbiotoop (roze).

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

42

Projectgerelateerd

7.6

Overzicht resultaten reptielenonderzoek

De resultaten van het onderzoek naar reptielen kan als volgt worden samengevat: • Tijdens alle bezoekrondes, inclusief bezoeken afgelegd met een ander doel dan onderzoek naar reptielen (zoals het bezoek waarbij wildcamera’s in en rondom het plangebied van de HMA zijn geplaatst), zijn in totaal twee keer een reptielsoort waargenomen, éénmaal een hazelworm en éénmaal een ringslang. • Zowel de waarneming van hazelworm als van ringslang zijn gedaan ten oosten van gebouw 20 (Centrale keuken), onder halfvergane vermolmde platen. In beide gevallen betrof het een juveniel exemplaar. • Onder de uitgelegde tapijttegels is tijdens geen van de controles een waarneming gedaan van reptielen. • Het terrein is in potentie geschikt voor deze soorten als onderdeel van een (groter) leefgebied. Het voorkomen kan niet worden uitgesloten. • Een verklaring voor de zeer beperkte waarnemingen kan liggen in het feit dat het een erg warme zomerperiode was; aanwezige dieren verschuilen zich dan en hebben ook minder ‘zon-plekjes’ nodig om op temperatuur te komen.

7.7

Effectbeoordeling reptielenonderzoek

Zomerbiotoop van ringslang en hazelworm • Het bosperceel 1, bosperceel 2, het westelijke deel van bosperceel 3, bosperceel 4 en bosperceel 5 zijn in mindere mate geschikt voor hazelworm en ringslang als onderdeel van de zomerbiotoop van beide soorten. Dit is ofwel vanwege het ontbreken van zonnige en open plekken in deze bospercelen, ofwel vanwege het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheden (met name in bosperceel 4 en bosperceel 5 van toepassing). • In meerdere mate is het oostelijke deel van bosperceel 3 (ten oosten van gebouw 20 (Centrale keuken)) voor beide reptielen geschikt als leefgebied/zomerbiotoop. Daarnaast is een duidelijke overgang van ruigte naar open vlakte (deels bestraat, dit warmt ook goed op in de zon) aanwezig. Dit bosperceel ligt, net als bosperceel 5, relatief nabij de oude heide, welke ten zuidoosten van gebouw 16 (Sylvia borin) gelegen is. • Voor de voorgenomen ingreep worden de bospercelen (deels al dan niet geheel) omgevormd zodat ze bouwrijp gemaakt kunnen worden voor woningbouw en/of parkeren op de nieuwe HMA. • Door de omvorming gaat daarom voor reptielen geschikte zomerbiotoop bij bosperceel 3 verloren (zie Figuur 7-6), gezien de ligging wordt echter gesteld dat het niet gaat om een significant verlies van leefgebied. • Zowel de ringslang als de hazelworm zijn beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming.

Voor deze soorten is in de provincie Utrecht geen vrijstelling van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Winterbiotoop van ringslang en hazelworm • Het bosperceel 1, bosperceel 2 en bosperceel 3 zijn geschikt zijn als onderdeel van de overwinteringsbiotoop van beide soorten. Er zijn hier potentieel meer dan voldoende mogelijkheden om te overwinteren aanwezig. • Het bosperceel 4 en bosperceel 5 zijn voor overwintering ongeschikt, vanwege het ontbreken van dergelijke schuilmogelijkheden. Echter aan de randen van deze percelen is wel in meerdere mate geschikt habitat aanwezig, waardoor hier met zorg omgegaan moet worden met de mogelijkheid dat reptielen hier wel nabij kunnen overwinteren. • Voor de voorgenomen ingreep worden de bospercelen (deels al dan niet geheel) omgevormd zodat ze bouwrijp gemaakt kunnen worden voor woningbouw en/of parkeren op de nieuwe HMA.

1 februari 2021

NATUURTOETS HMA DEN DOLDER

BG9319_T&P_RP_2102031429

43

Projectgerelateerd

•

Door de omvorming gaat daarom voor reptielen geschikte winterbiotoop verloren bij bosperceel 1, bosperceel 2 en het westelijke deel van bosperceel 3 (zie Figuur 7-6), gezien de ligging wordt echter gesteld dat het niet gaat om een significant verlies van leefgebied.

Effectbeoordeling • Het verlies aan leefgebied is niet significant, in de directe omgeving blijven vele geschikte mogelijkheden voor de reptielen aanwezig waar zij kunnen verblijven. Vernietiging van leefgebied is een overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in art. 3.10, lid 1b van de Wnb. Voor het omvormen is een ontheffing noodzakelijk. • Indien tijdens de werkzaamheden voldoende rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van reptielen, kan het risico dat de zij worden gedood worden voorkomen. Het doden van dieren is een overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in art. 3.10, lid 1a. Hier dient een ontheffing van de Wnb voor te worden verkregen. De lokale staat van instandhouding van de reptielsoorten blijft in huidige situatie alleen gewaarborgd wanneer het doden en/of verwonden voorkomen wordt. • In het op te stellen activiteitenplan moet onder andere onderbouwd worden met welke maatregelen de lokale staat van instandhouding geborgd blijft.

7.8

Vervolgstappen reptielen

Omdat in voor reptielen geschikt leefgebied wordt gewerkt, dient voorafgaande de werkzaamheden een ontheffing van de Wnb te worden verkregen. Onderstaande zijn de maatregelen beschreven die genomen moeten worden om negatieve effecten op individuen zo veel als mogelijk te voorkomen. Voor de voorkomende reptielen geldt dat het nemen van maatregelen ter voorkoming van overtreding het uitgangspunt is. Er kan niet worden voorkomen dat een klein deel van de zomerbiotoop van ringslang en hazelworm en een deel van het mogelijke/potentiele overwinteringsbiotoop wordt omgevormd. Voorkomen van verstoring en verwonden en/of doden Deze soorten zijn, wanneer zij in hun winterbiotoop aanwezig zijn, zeer kwetsbaar bij graafwerkzaamheden. Tijdens de zomer zijn zij mobieler, maar zeker de hazelworm is zeer beperkt in hun vluchtmogelijkheden. De strategie van de hazelworm is om weg te vluchten door weg te kruipen. De terreinen die omgevormd moeten worden, en ook de terreinen die voor de sloop nodig zijn om het werk uit te voeren (bosperceel 1, rondom gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum) en bosperceel 3 (ten westen en noorden van gebouw 20 (Centrale keuken)), moeten voorafgaande de werkzaamheden worden vrijgemaakt van reptielen.

Dit kan door het plaatsen van een scherm, waardoor het terrein wordt ingesloten en middels verschillende rondes de aanwezige individuen op te sporen en buiten het werkterrein/scherm te plaatsen in een voor hun geschikte biotoop. Het is van belang om buiten de kwetsbare winterperiode te werken. Voor zowel de ringslang als de hazelworm geldt dat de graafwerkzaamheden, met name in bosperceel 1, bosperceel 2 en bosperceel 3, buiten de voor hun kwetsbare overwinteringsperiode worden uitgevoerd. Ringslang overwintert vanaf half oktober tot half maart, hazelworm vanaf begin oktober, van deze soort verlaten mannetjes in maart hun winterverblijfplaats, eerder dan vrouwtjes en juveniele dieren, die in april hun winterverblijfplaats verlaten. Wees te allen tijde alert op het voor- komen van hazelwormen tijdens graafwerkzaamheden. Om negatieve effecten op overwinterende reptielen te voorkomen dienen geen graafwerkzaamheden te worden uitgevoerd in de periode van oktober tot en met april. In de periode vanaf mei tot oktober kunnen de bospercelen als overwinteringsgebied ongeschikt gemaakt worden, door de bomen te kappen en de grond af te vlakken. Werkzaamheden dienen onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog op het gebied van reptielen te worden begeleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13454220/1