01.12-24RV003 BP WA-Hoeve Bijlage 1.12 Natuurtoets soortenbescherming
Tekst van het document
RAPPORT NATUURTOETS flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Soortenbescherming
Historische Middenas (HMA) Willem Arntsz Hoeve, Den Dolder Klant:
BPD Ontwikkeling B.V.
Referentie:
BG9319_T&P_RP_2102031429
Status:
Definitief/2.0
Datum:
1 februari 2021
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Larixplein 1 5616 VB EINDHOVEN Transport & Planning Trade register number: 56515154 +31 88 348 42 50 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: NATUURTOETS flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming,
onderdeel Soortenbescherming Ondertitel: NATUURTOETS HMA DEN DOLDER Referentie: BG9319_T&P_RP_2102031429 Status: 2.0/Definitief Datum: 1 februari 2021 Projectnaam: Willem Arntsz Hoeve, Den Dolder Projectnummer: BG9319 Auteur(s): P.M., L.W., A.v.d.B., T.v.V.
Gecontroleerd door: P.M. Datum: 3 februari 2021 Goedgekeurd door: R.v.K. Datum: 3 februari 2021
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
i
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Achtergrond
1
1.2
Aanleiding van het nadere onderzoek
1
1.3
Onderzoeksvragen en doel natuurtoets
2
1.4
Leeswijzer
2
2
Juridisch kader soortenbescherming
3
2.1
Wettelijke natuurbescherming
3
2.2
Soortenbescherming (Wnb hoofdstuk 3)
3
3
Beschrijving van het plangebied en het voornemen
6
3.1
Algemene beschrijving
6
3.2
Voorgenomen ingreep
7
4
Onderzoeksmethode natuurtoets
10
4.1
Werkwijze en resultaten quickscan
10
4.2
Werkwijze vleermuizenonderzoek
12
4.3
Werkwijze grondgebonden zoogdiersoorten
19
4.4
Werkwijze reptielenonderzoek
21
4.5
Effectenanalyse
25
5
Resultaten vleermuizenonderzoek
26
5.1
Gebouw 16 (Sylvia borin)
26
5.2
Gebouw 20 (Centrale keuken)
26
5.3
Gebouwen 22-24 (Linnengebouw-Bedrijfsgebouw)
27
5.4
Gebouw 23 (Jeltje)
28
5.5
Gebouw 27 (Hoofdgebouw)
28
5.6
Gebouw 33 (Oud Wier)
30
5.7
Overzicht resultaten vleermuizenonderzoek
31
5.8
Effectbeoordeling vleermuizen
32
5.9
Vervolgstappen vleermuizen
33
6
Resultaten grondgebonden zoogdiersoorten
36
6.1
Camera 1 – achter gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum)
36
6.2
Camera 2 – achter gebouw 23 (Jeltje)
36
6.3
Camera 3 – ten zuiden van gebouw 16 (Sylvia borin)
36
6.4
Camera 4 – ten oosten van gebouw 20 (Centrale keuken)
37
6.5
Camera 5 – ten oosten van gebouw 36 (Mortuarium)
37
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
ii
Projectgerelateerd
6.6
Andere waarnemingen van grondgebonden zoogdiersoorten
37
6.7
Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren
38
6.8
Vervolgstappen grondgebonden zoogdiersoorten
39
7
Resultaten reptielenonderzoek
40
7.1
Bosperceel 1 – rondom gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum)
40
7.2
Bosperceel 2 – tussen de Kapelweg en Veldweg
40
7.3
Bosperceel 3 – rondom gebouw 20 (Centrale keuken)
40
7.4
Bosperceel 4 – ten oosten van gebouw 21 (Ketelhuis)
42
7.5
Bosperceel 5 – ten noorden van gebouw 16 (Sylvia borin)
42
7.6
Overzicht resultaten reptielenonderzoek
43
7.7
Effectbeoordeling reptielenonderzoek
43
7.8
Vervolgstappen reptielen
44
8
Samenvatting
46
Geraadpleegde bronnen
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
47
BG9319_T&P_RP_2102031429
iii
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Achtergrond
BPD Ontwikkeling B.V. is voornemens om de locatie ‘Willem Arntsz Hoeve’ te Den Dolder te ontwikkelen. Het vigerende bestemmingsplan is “Den Dolder Noord 2008” (d.d. 23 juni 2008). Om de voorgestelde transformatie binnen de kaders van de vastgestelde gebiedsvisie planologisch en ruimtelijk juridisch mogelijk te maken, is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Royal HaskoningDHV (hierna: RHDHV) verzorgt de uitwerking van dit nieuwe bestemmingsplan. De Wet natuurbescherming geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden, voor soortenbescherming en de bescherming van houtopstanden. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of het voornemen strijdig is met in de Wet natuurbescherming geformuleerde verbodsbepalingen ten aanzien van de gebieden, soorten en houtopstanden de uitvoering van het plan daarbij niet in de weg staan. Voor de realisatie van de transformatie op het terrein van de Willem Arntsz Hoeve is het mogelijk noodzakelijk om bebouwingen te slopen en bomen te kappen. Hierdoor kunnen negatieve effecten op beschermde soorten en houtopstanden optreden. De voorgenomen werkzaamheden zijn aan te merken als een ruimtelijke ingreep zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming . Door RHDHV is in opdracht van BPD Ontwikkeling B.V. een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd.
Hierbij is door erkende ecologen van RHDHV gekeken naar de onderdelen Gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden), Soortenbescherming (flora & fauna) en Houtopstanden van de Wet natuurbescherming. Naast een toetsing aan de Wet natuurbescherming is ook gekeken naar de planologische gebiedsbescherming (Natuurnetwerk Nederland (NNN)). Hierbij is een habitatgeschiktheidsanalyse gedaan voor beschermde soorten die volgens de bureaustudie mogelijk voorkomen. Met aandacht zijn de te slopen gebouwen en gebouwdelen zowel van buiten als van binnen gecontroleerd op aanwezigheid en mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen. De te kappen houtopstanden zijn gecontroleerd op het mogelijke voorkomen van en potentiele geschiktheid voor beschermde soorten, bijvoorbeeld vogelsoorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is en/of eekhoorn en das.
1.2
Aanleiding van het nadere onderzoek
Uit de conclusie van de quickscan (Royal HaskoningDHV, 2020) blijkt dat in het plangebied waar de sloop van gebouwen en kap van bos is voorzien, verschillende beschermde soorten voorkomen of kunnen voorkomen op basis van de potentiele geschiktheid van de aanwezige habitat in en rondom het plangebied. Omdat de verzamelde onderzoeksresultaten echter niet voldoende zekerheid konden geven over het voorkomen van beschermde soorten, is geconcludeerd dat nader soortgericht onderzoek noodzakelijk is, conform geldende protocollen. Aan de hand de uitkomsten van het nader onderzoek kan worden beoordeeld of er voor beschermde soorten, onder de Wet natuurbescherming geformuleerde verbodsbepalingen worden overtreden Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor vleermuizen, grondgebonden zoogdiersoorten en reptielen. In onderhavige rapportage zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, inclusief effectenbeoordeling in het licht van de Soortbescherming van de Wet natuurbescherming, beschreven.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
1
Projectgerelateerd
1.3
Onderzoeksvragen en doel natuurtoets
De locatie ‘Willem Arntsz Hoeve’ te Den Dolder is opgedeeld in een deel rondom de Historische Middenas (HMA) en een deel betreffende het Noordelijke Ontwikkelingsveld (NOV) en het Zuidelijk Ontwikkelingsveld (ZOV). Onderhavige rapportage is alleen van toepassing voor het meest noordelijke deelgebied, de Historische Middenas (HMA). Dit rapport geeft een beschrijving van de natuurwaarden van de HMA en de daar voorkomende juridisch beschermde soorten. In de onderhavige rapportage zijn de mogelijke risico’s op overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming in beeld gebracht. Hierbij is uitsluitend ingegaan op het onderdeel Soortenbescherming van de Wet natuurbescherming. De gegevens voortvloeiend uit de natuurtoets geven duidelijkheid en zo ja voor welke soorten een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling beoordeeld in het licht van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, voor de voorkomende of te verwachten beschermde soorten en is aangegeven of het voornemen haalbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming.
De onderzoeksvragen zijn als volgt: • Welke beschermde soorten komen voor in of nabij het onderzoeksgebied of zijn op basis van aanwezige biotopen niet uit te sluiten? • Welke (negatieve) effecten zijn te verwachten op deze soorten als gevolg van de voorgenomen activiteit? • Kunnen voorzorgsmaatregelen genomen worden om negatieve effecten en daarmee een overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen en zo ja, wat zijn die voorzorgsmaatregelen dan? • Is het aanvragen van een ontheffing of vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en zo ja voor welke soorten en verbodsartikelen is dit van toepassing?
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is het juridisch en beleidskader weergegeven waarin de wet- en regelgeving van de Wet natuurbescherming beschreven wordt. Hoofdstuk 3 geeft een algemene indruk van het plangebied en beschrijft globaal de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 4 zijn de verschillende onderzoeksmethodes opgenomen. De resultaten van het vleermuisonderzoek zijn in hoofdstuk 5 beschreven en in hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7 zijn de resultaten van het onderzoek naar grondgebonden zoogdieren en reptielen beschreven. Op basis van de aanwezigheid van de beschermde soorten zijn de effecten van de voorgenomen ingreep op deze soorten beoordeeld en zijn de benodigde voorzorgsmaatregelen en vervolgstappen benoemd. Tot slot worden in hoofdstuk 8 de conclusies samengevat.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
2
Projectgerelateerd
2
Juridisch kader soortenbescherming
2.1
Wettelijke natuurbescherming
In Nederland is de bescherming van bepaalde soorten planten en dieren geregeld in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze wet bevat regels voor de bescherming van natuurgebieden, in het wild levende dier- en plantensoorten en houtopstanden in Nederland. Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. Naast de bescherming van natuur en biodiversiteit voorziet de Wnb in de decentralisatie van taken en bevoegdheden en de vereenvoudiging van regelgeving. De Europese regelgeving, met name de Vogel- en Habitatrichtlijn, vormt het kader en het uitgangspunt van deze wet. Het instrumentarium van de Wnb sluit aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. De uitwerking van de wet is vastgelegd in de regeling en het besluit natuurbescherming1. De Wnb kent naast de algemene zorgplicht (art 1.11) een drietal hoofdstukken die relevant zijn voor voorliggend voornemen. Hoofdstuk 2 van de Wnb gaat over de Natura 2000-gebieden en hoofdstuk 3 over soorten en hoofdstuk 4 over houtopstanden. Onderhavige rapportage is uitsluitend gericht op het onderdeel Soortenbescherming onder de Wnb. In onderstaande paragraaf is hiervoor het relevante toetsingskader opgenomen.
2.2
Soortenbescherming (Wnb hoofdstuk 3)
Beschermingsregimes De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn2, Habitatrichtlijn3 en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming nodig hebben. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb) Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2 van de Wnb) Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn. • Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3.3 van de Wnb) Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten van nature voorkomend in Nederland. Verbodsbepalingen Elk van de beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van deze verboden.
De verbodsbepalingen in de paragrafen 3.1 en 3.2 (van de Wnb) zijn een-op-een overgenomen uit de genoemde richtlijnen (zie Tabel 2-1) en verdragen en zijn uitsluitend van toepassing op de in deze richtlijnen en verdragen genoemde soorten. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien toe op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen.
1
http://wetten.overheid.nl/BWBR0038662/2017-01-01 http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31979L0409:NL:HTML 3 http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31992L0043:NL:HTML 2
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
3
Projectgerelateerd
Bij de toetsing aan het soortbeschermingsdeel van de Wnb wordt bepaald of beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen in het onderzoeksgebied en of de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten aangetast wordt als gevolg van het project, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt. Tabel 2-1: overzicht van de verbodsbepalingen van Wet natuurbescherming, onderdeel Soortenbescherming. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2
Beschermingsregime andere soorten § 3.3
Art. 3.1 lid 1 Art. 3.5 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden opzettelijk te doden of te vangen. of te vangen.
Art. 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Art. 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Art. 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Art. 3.1 lid 4 Het is verboden vogels opzettelijk te storen.
Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art. 3.1 lid 5 Opzettelijk storen is niet verboden indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden In beginsel moet met voorzorgsmaatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast en soorten niet worden verwond of gedood. Lukt dat niet en worden dus verbodsbepalingen overtreden, dan moeten mitigerende maatregelen genomen worden en is een ontheffing nodig. Het beschermingsregime van de soort bepaalt de mogelijkheid tot het verkrijgen van een ontheffing. Artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wnb bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden per beschermingsregime. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of dwingende reden van groot openbaar belang). Onder de Wnb geldt voor deze soorten een ontheffingsplicht, behalve als het bevoegd gezag door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit 4 . Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening. De provincie is het bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wnb.
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag5. Het bevoegd gezag voor dit project is de provincie Utrecht.
4 5
Met uitzondering van een aantal in art 1.3 van de Wnb genoemde projecten (van nationaal belang). Besluit Wnb 11 oktober 2016, https://wetten.overheid.nl/BWBR0038662/2018-01-01
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
4
Projectgerelateerd
Voor sommige soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen op basis van Provinciale Staten vastgestelde provinciale verordeningen. De vrijgestelde soorten in Utrecht zijn in Tabel 2-2 weergegeven. In specifieke gevallen geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht als ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode. De algemene zorgplicht uit artikel 1.11 blijft wel te allen tijde van toepassing. Tabel 2-2: overzicht van de soorten met een algemene vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen in Provincie Utrecht. Grondgebonden zoogdiersoorten
Amfibieën
Aardmuis
Egel
Konijn
Veldmuis
Bruine kikker
Bosmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Vos
Gewone pad
Bunzing
Haas
Ree
Wezel
Kleine watersalamander
Dwergmuis
Hermelijn
Rosse woelmuis
Woelrat
Meerkikker
Dwergspitsmuis Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Bastaardkikker (middelste groene kikker)
Algemene zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb artikel 1.11. Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk worden voorkomen, en dat bij de inrichting aandacht wordt besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is. Voorzorgs- en mitigerende maatregelen Indien door voorzorgsmaatregelen de negatieve effecten volledig kunnen worden opgeheven, waardoor overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig.
Het gaat erom dat de voorzorgsmaatregel zorgt dat de functionaliteit van voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soort blijft behouden en de betreffende soort niet gedood, verwond of verstoord wordt. Voorzorgsmaatregelen worden als randvoorwaarde meegegeven aan de aannemer. Indien dit niet wenselijk of mogelijk is, dan dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om de optredende effecten te verzachten. Omdat sprake is van het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen, moet een ontheffing worden aangevraagd. Opzettelijkheid In de Wnb is voor veel verbodsbepalingen de term opzettelijk van toepassing. Niet-opzettelijke handelingen waarbij verbodsbepalingen overtreden worden zijn niet verboden. Daarbij is van belang dat het Europese Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant”. Wezenlijke invloed Met de term ‘wezenlijke invloed’ wordt gedoeld op een wezenlijk negatieve invloed op een soort of populatie. Om te bepalen of sprake is van een wezenlijk (negatieve) invloed dienen de effecten van de activiteiten of werkzaamheden op de populatie te worden onderzocht.
Of hiervan sprake is hangt af van de lokale, regionale, landelijke en Europese stand van de soort. Er is geen sprake van een wezenlijke invloed wanneer de populatie de mogelijke negatieve effecten van de activiteiten of werkzaamheden zélf op een zodanige wijze (bijvoorbeeld doordat voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders) teniet kan doen dat er geen invloed is op de huidige staat van instandhouding van de soort. Verder is van belang of het effect van tijdelijke of permanente aard is.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
5
Projectgerelateerd
3
Beschrijving van het plangebied en het voornemen
3.1
Algemene beschrijving
Het plangebied betreft het terrein van de ‘Willem Arntsz Hoeve’. Het is gelegen in de bosrijke omgeving van Den Dolder op ongeveer 500 meter afstand van het stedelijk gebied. Ten zuiden van het plangebied loopt de spoorlijn tussen Utrecht en Amersfoort en ten westen loopt de provinciale weg N238 (Dolderseweg). Nog wat verder ten zuiden van het plangebied ligt Vliegbasis Soesterberg (voormalig militair vliegveld, nu in gebruik als recreatiegebied). De locatie van de WA-Hoeve kenmerkt zich als landelijk gebied met een bos- en groenrijk karakter. Het plangebied grenst aan de Altrecht locatie die momenteel nog in gebruik is voor geestelijke gezondheidszorg, maar op den duur ook zal verhuizen, waarna deze locatie ook vrij komt voor transformatie naar wonen, werken en verblijven. Ten noorden van de WA-Hoeve is Stichting Reinaerde gevestigd, die zorg (dagbesteding, ambulante begeleiding, etc.) biedt aan mensen met een verstandelijke beperking. Het plangebied omvat verschillende gebouwen waarvan sommige leegstaand zijn en sommige in gebruik zijn. Daarnaast betreft het plangebied enkele bospercelen. Het plangebied is dan ook een afwisseling van verhard terrein, struweel en bos. Naast bos, is er ook heide aanwezig in de omgeving van het plangebied. Het plangebied is verdeeld in verschillende te ontwikkelen terreinen.
Onderhavige rapportage heeft uitsluitend betrekking op de Historische Middenas (HMA, zie afbeelding 3-1).
Afbeelding 3-1: ligging en globale begrenzing van het onderzoeksgebied ‘Historische Middenas’, afgekort als ‘HMA’ (rood omkaderd), aan de Vijverhof te Den Dolder.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
6
Projectgerelateerd
Figuur 3-2: overzicht van de te slopen gebouwen (rood) en gebouwdelen (oranje) binnen het plangebied.
3.2
Voorgenomen ingreep
De transformatie van de WA-Hoeve naar een rustige en groene omgeving start met de herontwikkeling van de HMA tot een gebied met gemengde functies (wonen, werken, maatschappelijk, horeca). De bestaande cultuurhistorische monumenten worden gerenoveerd en krijgen passende functies. Daarnaast vindt nieuwbouw plaats van twee-onder-een-kap- en vrijstaande woningen, in de noordelijke rand en in de oostelijke rand, zodat de straks gerenoveerde monumenten de sfeer van het gebied blijven bepalen. Het plangebied ligt in het noordelijk deel van de WA-Hoeve en bevat een groot deel van de aanwezige historische bebouwing die nog aanwezig is op de WA-Hoeve. Het plangebied, ook wel de Historische Middenas (HMA) genoemd, ligt aan de Vijverhof. De HMA komt het eerst voor ontwikkeling in aanmerking. De gebouwen zullen een andere functionele invulling krijgen en daarnaast worden enkele bouwkavels ontwikkeld. Voor de transformatie zal een aantal van de bestaande panden gesloopt worden. Bij een aantal andere monumentale panden is sprake van deels sloop. Bepaalde delen horen oorspronkelijk niet bij deze gebouwen. Door deze delen te slopen, worden deze monumentale panden in ere hersteld. Op vijf deellocaties in het HMA zal in totaal 1,1 ha bos worden gekapt ten behoeve van woningbouw en een parkeerplaats.
Te slopen of aan te passen bebouwingen Voor de geplande ontwikkeling zal een aantal van de bestaande gebouwen gesloopt worden. Daarnaast is er bij een aantal monumentale panden sprake van deels sloop, waarbij de monumenten in ere hersteld worden. Dat gebeurt door aanbouw die oorspronkelijk niet bij het gebouw horen, te verwijderen.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
7
Projectgerelateerd
Het plangebied omvat verschillende type gebouwen waarvan sommige leegstaand zijn en sommige in gebruik zijn. In de onderstaande afbeelding zijn indicatief de locaties de te slopen gebouwen en gebouwdelen weergegeven (Figuur 3-2). Het betreft in totaal 10 gebouwen: • • • • •
gebouw 16 (Sylvia borin) gebouw 20 (Central keuken) gebouw 22 (Linnengebouw) gebouw 23 (Jeltje) gebouw 24 (Bedrijfsgebouw)
• • • • •
gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum) gebouw 26 (Gehoorzaal) gebouw 27 (Hoofdgebouw) gebouw 33 (Oud Wier) gebouw 36 (Mortuarium)
Gebouw 20 (Centrale keuken), gebouw 23 (Jeltje) en de achterzijde van gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum) worden conform de planning als eerste gesloopt. N.B: De voorzijde van gebouw 25 (het ‘Theehuis’) blijft behouden in verband met de historische waarde. Van de leegstaande panden zijn met name gebouw 20 (Centrale keuken) en gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum) in vervallen staat. Ramen zijn gebroken, er ligt puin in de gebouwen en delen van het plafond zijn naar beneden gekomen. Gebouw 23 (Jeltje) is door haar laatste bewoners geheel wit gespoten, van binnen en van buiten. Her en der zitten gaten in de muren en het dak, de kozijnen zijn dichtgetimmerd. Alleen gebouw 16 (Sylvia borin) bevindt zich in redelijke staat. Dit gebouw is nog in gebruik als opslagschuur en werkplaats. ’s Avonds branden daar de lampen die aan de buitenkant van het gebouw hangen. In de onderstaande afbeeldingen is een impressie van een aantal van de gebouwen binnen het plangebied te zien (Figuur 3-3).
Figuur 3-3: impressie van de te slopen gebouwen een gebouwdelen binnen het plangebied. Het gaat om de volgende gebouwen (van links naar rechts en boven naar beneden): het Mortuarium (Gebouw 36), het Bedrijfsgebouw (Gebouw 24), de Gehoorzaal (Gebouw 26) en het Hoofdgebouw (Gebouw 27). Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2020.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
8
Projectgerelateerd
Te kappen en/of om te vormen bospercelen Op vijf deellocaties in het HMA wordt in totaal een oppervlakte van 1,1 hectare bos gekapt ten behoeve van woningbouw en de aanleg van parkeerplaatsen. De bospercelen die hiervoor omgevormd worden en waar bomen gekapt worden, zijn weergegeven in de onderstaande afbeelding (Figuur 3-4).
Figuur 3-4: ligging van de om te vormen bospercelen (groen) binnen het plangebied van de HMA.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
9
Projectgerelateerd
4
Onderzoeksmethode natuurtoets
Onderstaande is de onderzoeksmethode van de natuurtoets beschreven, voor de volledigheid is ook de werkwijze van de eerder uitgevoerde quickscan opgenomen, omdat de resultaten van de quickscan aanleiding gaven voor het uitvoeren van nader soortgericht vervolgonderzoek.
4.1
Werkwijze en resultaten quickscan
Om na te gaan wat het belang is van het onderzoeksgebied voor de wettelijk beschermde soorten die in of nabij het onderzoeksgebied voorkomen, zijn allereerst de onderstaand beschreven stappen gevolgd. Inventarisatie van beschermde soorten Er zijn in december 2019 verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd uit de NDFF voor het onderzoeksgebied en enkele kilometers rondom het onderzoeksgebied van de afgelopen 10 jaar6. Daarnaast is de verspreidingsatlas geraadpleegd.7 Door deze bestaande verspreidingsgegevens te raadplegen, wordt inzicht verkregen in de mogelijk aanwezige beschermde soorten in of in de directe omgeving van het projectgebied. Voor de HMA en NOV is er op 16 en 18 december 2019 een veldbezoek uitgevoerd (8°C, bewolkt) door T. van Vreeswijk en A. van den Bosch uitgevoerd, beide deskundig ecoloog werkzaam bij Royal HaskoningDHV. Tijdens deze veldbezoeken is een habitatgeschiktheidsanalyse gedaan voor beschermde soorten die volgens de bureaustudie mogelijk voorkomen. In en rond de te slopen gebouwen en gebouwdelen is gezocht naar sporen en is bepaald of de te slopen gebouwen en gebouwdelen in potentie hebben als verblijfplaats voor deze beschermde soorten. De te kappen houtopstanden zijn gecontroleerd op het mogelijke voorkomen van beschermde soorten, zoals potentiële nesten van vogelsoorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is.
Op 16 april 2020 heeft een aanvullende veldcontrole plaatsgevonden, met oog op mogelijk in het plangebied voorkomende beschermde soorten in de houtopstanden (zoals eekhoorn en jaarrond beschermde nesten van (roof)vogels). Dit onderzoek is door twee ter zake kundige ecologen uitgevoerd, namelijk door G. de Rooij en P. Maas. Tijdens dit veldonderzoek is gesproken met de terreinbeheerder, waardoor waardevolle informatie over het voorkomen van soorten is verkregen. Effectbeoordeling van beschermde soorten Aan de hand van de verspreidingsgegevens en het veldbezoek is beoordeeld voor welke beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is in het onderzoeksgebied. Door middel van een beknopte analyse van het project in relatie tot de biotoopeisen van de beschermde soorten is beoordeeld welke negatieve effecten de voorgenomen werkzaamheden kunnen hebben op mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende beschermde soorten. Uit de resultaten van de quickscan is geconcludeerd dat voor de onderstaande soorten of soortgroepen géén nader onderzoek naar het voorkomen noodzakelijk is. Zij zijn om deze reden in de verdere onderhavige rapportage niet nader beschreven. •
Vaatplanten: op grond van geraadpleegde verspreidingsgegevens en de aanwezige biotoop is te concluderen het plangebied en de directe omgeving daarvan voorziet niet in groeiplaatsen van krachtens de Wnb beschermde vaatplanten. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van deze soortgroep is uitgesloten.
•
Jaarrond beschermde nesten: uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat twee soorten met jaarrond beschermde nesten, de havik en de buizerd voorkomen.
6
https://ndff-ecogrid.nl/, geraadpleegd december 2019. https://www.verspreidingsatlas.nl/, geraadpleegd op 21 april 2020. NATUURTOETS HMA DEN DOLDER 1 februari 2021 7
BG9319_T&P_RP_2102031429
10
Projectgerelateerd
o
o
De buizerd is tijdens het oriënterend veldbezoek in 2019 waargenomen, een horst is niet gevonden, maar kan mogelijk aanwezig zijn in het plangebied. Tijdens het aanvullende veldbezoek op 16 april is gelet op in de houtopstanden voorkomen soorten en mogelijk geschikte verblijfslocaties en nesten van vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Deze zijn niet aangetroffen. Ook tijdens latere bezoeken zijn slechts een enkele maal waarnemingen gedaan van buizerd. In geen van de bebouwingen zijn sporen of indicaties aangetroffen van de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten, zoals van huismus of gierzwaluw. Er hoeft derhalve bij geen van de te slopen bebouwingen nader onderzoek naar het voorkomen van jaarrond beschermde nesten plaats te vinden.
•
Algemene broedvogels: de bosdelen zijn een broedgebied voor vele vogelsoorten. Wanneer de kap in het broedseizoen wordt gepland is een overtreding van de verbodsbepaling van de Wnb vrijwel niet uit te sluiten. Door de werkzaamheden (ruim) buiten het broedseizoen (maart tot half augustus) uit te voeren, kan overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van algemene broedvogels worden voorkomen. Er heeft geen nader gericht onderzoek naar algemene broedvogels plaatsgevonden. Er zijn wel vele waarnemingen van algemene broedvogels gedaan.
•
Vissen: binnen het plangebied worden geen beschermde vissen verwacht. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vissen is uitgesloten.
•
Amfibieën: beschermde amfibiesoorten als kamsalamander en Alpenwatersalamander stellen (kritische) eisen aan hun leefomgeving. Ook ontbreekt de landbiotoop voor beschermde soorten als rugstreeppad binnen het plangebied, zoals open, zandige pionierslocaties. Op basis van de ligging van het plangebied buiten de bekende verspreiding van deze soorten en de aanwezig habitat, wordt het voorkomen niet verwacht.
•
Ongewervelde diersoorten: de in het plangebied aanwezige habitats voorzien ook niet in geschikt leefgebied voor andere beschermde ongewervelden zoals vlinders en libellen. Deze zijn namelijk vaak afhankelijk van zeer specifieke omstandigheden, zoals bloemrijke graslanden of stromende beken. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Uit de resultaten van de quickscan is geconcludeerd dat voor de volgende soorten of soortgroepen nader onderzoek naar het voorkomen noodzakelijk is: •
Vleermuizen: voor een deel van de te slopen bebouwing is nader onderzoek noodzakelijk om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen te onderzoeken. In de te kappen houtopstanden zijn geen potentieel voor vleermuizen geschikte boomholtes waargenomen (op basis van het aanvullend onderzoek op 16 april door twee ter zake kundige). Verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen hoeven derhalve niet nader onderzocht te worden.
•
Grondgebonden zoogdiersoorten: er zijn waarnemingen bekend uit de literatuur van das, eekhoorn, steenmarter en boommarter. Het is mogelijk het terrein onderdeel uitmaakt van een (grote) leefgebied van deze soorten. o Voor eekhoorn is aanvullend op de eerste bezoeken in december 2019 en april 2020 een nadere inspectie door een ter zake kundige op het gebied van eekhoorn uitgevoerd, er werden geen indicaties aangetroffen die duiden op aanwezigheid van nesten in de bomen. Op basis van deze bevindingen wordt het voorkomen van eekhoorn niet nader onderzocht. o Tijdens het veldbezoek in 2019 zijn de gebouwen gecontroleerd op sporen van steenmarter. Deze zijn niet aangetroffen. Ook op basis van het gesprek met de terreinbeheerder is de soort niet eerder waargenomen. Op basis van deze gegevens wordt het voorkomen van deze soort niet verwacht.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
11
Projectgerelateerd
o
•
4.2
De bosgebieden maken mogelijk onderdeel uit van een groter leefgebied van das en/of boommarter. Vanuit gesprekken met de terreinbeheerder is het voorkomen van wezel bekend. Voor das en boommarter is wel nader onderzoek naar het voorkomen en het gebruik van het terrein nodig. Het voorkomen van deze soorten is op basis van de quickscan namelijk niet uit te sluiten. Wezel wordt niet verwacht, dit is meer een soort van halfopen cultuurlandschap.
Reptielen: uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er vier onder de Wet natuurbescherming beschermde reptielen in het plangebied zijn waargenomen. Het betreft zandhagedis, levendbarende hagedis, hazelworm en ringslang. Alle vier de genoemde reptielsoorten kunnen in het plangebied voorkomen. Voor de ontwikkeling van het plangebied zullen gebouwen en delen van gebouwen worden gesloopt. Met name gebouw de ‘Sylvia borin’ en de ‘Centrale keuken’ liggen in of vlakbij het verspreidingsgebied van hazelworm en ringslang. Het voorkomen in het plangebied van voorgenoemde soorten dient nader onderzocht te worden. o De zandhagedis en de levendbarende hagedis zijn in het heideterreintje ten oosten van het plangebied waargenomen, vlak bij de ‘Sylvia borin’, ten zuidoosten van het plangebied van de HMA. Dit heideterreintje is zeer geschikte als leefgebied voor deze soorten. Hoewel het aanliggende bosgebied in het plangebied en rond de ‘Sylvia borin’ minder geschikt zijn voor deze soorten, is het voorkomen van deze soorten in de HMA niet uit te sluiten. o De hazelworm heeft een groter verspreidingsgebied wat ook in het plangebied ligt. De soort is met name rond de ‘Sylvia borin’ en de ‘Centrale keuken’ waargenomen. Daarnaast zijn waarnemingen bekend verder westelijk in de HMA, nabij het ‘Bedrijfsgebouw’.
o De ringslang is minder vaak waargenomen, maar wel meer verspreid over het hele terrein ondanks dat er weinig water in de omgeving aanwezig is. De voortplantingsbiotoop bestaat uit een broeihoop.
Werkwijze vleermuizenonderzoek
Vleermuizen maken op verschillende manieren gebruik van het landschap. Zo hebben ze verblijfplaatsen, afhankelijk van de soort, in bebouwingen of in bomen. Ze gebruiken daarnaast lijnvormige structuren om zich te oriënteren in het landschap en hierlangs en ook boven open weilanden, watergangen en/of plassen te foerageren. Geschiktheidsbeoordeling te slopen gebouwen Gebouwen in de HMA waar mogelijke potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen in kunnen voorkomen zijn: - gebouw 16 (Sylvia borin); - gebouw 20 (Centrale keuken); - gebouw 22 (Linnengebouw); - gebouw 23 (Jeltje); - gebouw 24 (Bedrijfsgebouw, alleen aan de achterzijde potentieel geschikt); - gebouw 27 (Hoofdgebouw), en; - gebouw 33 (Oud Wier).
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
12
Projectgerelateerd
Een nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is voor deze gebouwen noodzakelijk om een effect-beoordeling te kunnen uitvoeren. Indien vleermuizen aanwezig zijn, moeten mitigerende en compenserende maatregelen getroffen worden en is het aanvragen van een ontheffing voor overtreding van verbodsbepalingen noodzakelijk. De overige gebouwen bieden naar verwachting in potentie geen voor vleermuizen geschikte verblijfsmogelijkheden. Onderstaand is een overzicht gegeven van de onderzochte gebouwen/gebouwedelen en de potentieel aanwezige vleermuisverblijfplaatsen. Gebouw 16: Sylvia borin De Sylvia borin is gelegen aan de oostgrens van het plangebied (Figuur 4-1). Het gebouw is in gebruik als werkplaats van de terreinbeheerder(s). De westzijde bestaat uit een geïsoleerd stenen gebouw met houten beplating aan de buitenkant. Aan de oostkant bestaat uit een niet geïsoleerde houten schuur. Het gebouw heeft een dak, dat bestaat uit een golfplaat constructie. Vleermuizen kunnen de dakconstructie van het gebouw betreden, waardoor verblijfplaatsen van vleermuizen hierin niet uit te sluiten zijn.
Figuur 4-1: overzichtsfoto van gebouw 16 (Sylvia borin). Foto: Royal HaskoningDHV, 2020.
Gebouw 20: Centrale keuken De Centrale keuken bevindt zich aan de noordoostgrens van het plangebied (Figuur 4-2). Dit stenen gebouw is niet in gebruik en staat op het punt van instorten. De houten beplating aan de gevels van de centrale keuken vormen een geschikte locatie voor vleermuizen om achter weg te kruipen. Daarnaast is er tijdens het eerste veldbezoek voor de quickscan (RHDHV, 2020) een winterverblijf van gewone dwergvleermuis aangetroffen achter deze houten beplating. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kan daarom niet worden uitgesloten.
Figuur 4-2: overzichtsfoto van het gebouw 20 (Centrale Keuken). Foto: Royal HaskoningDHV, 2020. 1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
13
Projectgerelateerd
Gebouw 22: Linnengebouw Het Linnengebouw bevindt zich te midden van het plangebied (Figuur 4-3). Het gebouw is op het moment in gebruik als atelier. Het is een stenen gebouw met een spouwmuur. De delen die gesloopt worden betreffen de twee uitbouwen aan het gebouw. Hoewel deze delen relatief laag zijn, kunnen vleermuisverblijfplaatsen in de aanwezige spouw niet worden uitgesloten. De dieren kunnen de spouwmuur betreden via de luchtgaten in de muur. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen binnen het gebouw kan daarom niet worden uitgesloten.
Figuur 4-3: overzichtsfoto van gebouw 22 (Linnengebouw). Foto: Royal HaskoningDHV, 2020.
Gebouw 23: Jeltje Jeltje ligt te midden van het plangebied aan de zuidgrens (Figuur 4-4). Dit gebouw is gekraakt geweest maar is inmiddels niet bewoont. Het in een erg vervallen staat, zowel van binnen als van buiten. Het is een stenen gebouw met een spouwmuur. De buitenmuur heeft veel gaten en openingen waardoor vleermuizen de spouw kunnen betreden. Daarnaast heeft het een aantal vervallen houten dakkapellen, met potentiele wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen binnen het gebouw kan daarom niet worden uitgesloten.
Figuur 4-4: overzichtsfoto van gebouw 23 (Jeltje) Foto: Royal HaskoningDHV, 2020.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
14
Projectgerelateerd
Gebouw 24: Bedrijfsgebouw (achterzijde) Het Bedrijfsgebouw ligt tevens te midden van het plangebied (Figuur 4-5). Het is een stenen gebouw met een plat dak. Het heeft geen spouwmuur, of stootvoegen, maar er is een grote scheur in de buitenmuur aanwezig welke in potentie te bewonen is door vleermuizen. Teves heeft het gebouw een dakrand waar vleermuizen onder kunnen wegkruipen. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen binnen het gebouw kan daarom niet worden uitgesloten.
Figuur 4-5: detailfoto van de achtergevel van gebouw 24 (Bedrijfsgebouw). Foto: Royal HaskoningDHV, 2020.
Gebouw 27: Hoofdgebouw Het Hoofdgebouw ligt aan de westgrens van het plangebied (Figuur 4-6). Het gebouw is in gebruik als atelier. De twee uitbouwen aan het gebouw gaan gesloopt worden. Deze uitbouwen hebben een dakpannen dak en een spouwmuur met luchtgaten. Vleermuizen kunnen het mogelijk betreden via de luchtgaten in de muur, die naar een spouw leiden. Daarnaast kunnen ze wegkruipen onder de dakpannen rand. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen binnen het gebouw kan daarom niet worden uitgesloten en wordt nader onderzocht.
Figuur 4-6: overzichtsfoto van de deelsloop van het hoofdgebouw (links) en een impressie van de aanwezige luchtgaten en dakrand van de deelsloop (rechts) Foto: Royal HaskoningDHV, 2020.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
15
Projectgerelateerd
Gebouw 33: Oud Wier Oud wier ligt aan de noordgrens, te midden van het plangebied (Figuur 4-7). Het gebouw is niet in gebruik en is voornamelijk van binnen erg vervallen. De deelsloop bevindt zich aan de oostkant/achterzijde van het gebouw en betreft een lage uitbouw. Deze deelsloop heeft geen spouwmuur. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen in de dakconstructie van de uitbouw echter niet worden uitgesloten.
Figuur 4-7: detailfoto van gebouw 33 (Oud Wier). Foto: Royal HaskoningDHV, 2020.
In de onderstaande afbeelding zijn de gebouwen welke binnen de onderzoekscope van onderhavige rapportage behoren, weergegeven (Figuur 4-8). Dit houdt in dat overige gebouwen niet zijn onderzocht, om een van de volgende redenen: i) er vinden geen ingrijpende werkzaamheden, zoals sloop of renovatie plaats, of ii) er zijn geen voor vleermuizen potentieel geschikte verblijfsmogelijkheden naar het oordeel van een ter zake kundige ecoloog op het gebied van vleermuizen.
Figuur 4-8: ruimtelijke weergave van het onderzoeksgebied voor vleermuisonderzoek.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
16
Projectgerelateerd
Foerageergebied en vaste vliegroutes Het terrein wordt door verschillende soorten vleermuizen gebruikt om te foerageren. Dit kan verspreidt op het terrein, langs de lanen, rondom opgaande structuren en boven of nabij de oppervlaktewateren in de HMA. Het plangebied maakt onderdeel uit van een veel groter foerageergebied voor vleermuizen, in de omgeving zijn meerdere alternatieve (uitwijk)mogelijkheden gelegen voor vleermuizen om te foerageren. Onderzoek naar zomer-, kraam-, paar- en/of winterverblijfplaatsen Er is gericht onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van zomer-, kraam-, paar- en/of massa winterverblijven van gebouwbewonende vleermuissoorten, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis alsook de ruige dwergvleermuis, die soms paarplaatsen in gebouwen heeft. Het onderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017, zoals opgesteld door de bracheorganisatie Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Door de inventarisatie conform het Vleermuisprotocol 2017 uit te voeren, wordt juridisch gezien voldaan aan de vereiste onderzoeksinspanning. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden ideaal voor het inventariseren van vleermuizen. Het nader onderzoek bestaat uit de volgende onderdelen: 1.
Onderzoek naar kraamverblijfplaatsen, bestaande uit ten minste twee veldbezoeken tussen 15 mei en 15 juli, waarvan minstens één ochtendbezoek, met een tussentijd van minimaal 30 dagen; 2. Onderzoek naar zomerverblijfplaatsen, bestaande uit ten minste twee veldbezoeken tussen 15 mei en 15 augustus, waarvan minstens één ochtendbezoek en één bezoek in de kraamperiode, met een tussentijd van minimaal 20 dagen; 3. Onderzoek naar paarverblijfplaatsen, bestaande uit ten minste twee veldbezoeken tussen 15 augustus en 1 oktober, waarvan minstens één bezoek in de avond en minimaal 60 minuten na zonsondergang, met een tussentijd van minimaal 20 dagen; 4. Onderzoek naar winterverblijfonderzoek, bestaande uit ten minste twee veldbezoeken, waarvan één veldbezoek tussen 1 augustus en 10 september, vanaf 00.00 uur tot 02.00 uur ’s nachts (om middernachtzwermen te onderzoeken), met een tussentijd van minimaal 10 dagen. Een aantal van de onderzoeksrondes konden worden gecombineerd. Op basis van bovenstaande is ieder gebouw vijf of zes keer onderzocht door meerdere vleermuisdeskundigen (tabellen 4-1 t/m 4-4). Allen zijn deskundige ecologen werkzaam bij Royal HaskoningDHV. De onderzoekers stonden tijdens de onderzoeken voor uitvliegers in de avonduren zo gepositioneerd dat vanuit hun posities ten minste drie kwart van het onderzoeksgebied was te (over)zien of te beluisteren.
Doordat het zwermen en het baltsgedrag meer tijd in beslag neemt dan het uitvliegen 's avonds, kan een waarnemer in de nanacht een groter gebied overzien door rond te lopen of te fietsen. Voor het winter- en paarverblijfplaatsen onderzoek was het dan ook voldoende om aan ieder gebouw één onderzoeker toe te wijzen. Tabel 4-1: overzicht uitgevoerde onderzoeksrondes voor gebouw 16 (Sylvia borin). Datum Onderdeel
Zon op / onder
Duur (start-eind)
Weersomstandigheden
18-05
KV en ZV
Onder om 21.32
21.32 - 00.02
Droog, gedeeltelijk bewolkt
23-06
KV en ZV
Onder om 22.03
22.03 - 00.33
07-07
ZV
Op om 05.30
02.30 - 05.30
17-08
PV en WV
Onder om 21.00
23.00 - 02.00
08-09
PV
Onder om 20.11
21.00 - 23.00
Temp. (ºC) Wind (Bft)
Onderzoekers
Batlogger Ja
15
NW1
TV / AB
Droog, helder
22
NNO2
TV / AB
Ja
Droog, helder
9 – 11
ZW1
TV / AB
Nee
Droog, gedeeltelijk bewolkt
16
Z2
TV / CP
Ja
Droog, bewolkt
18
ZZW2
PM
Nee
Verklaring afkortingen: KV = kraamverblijfplaatsonderzoek, ZV = zomerverblijfplaatsonderzoek, PV = paarverblijfplaatsonderzoek, WV = winterverblijfplaatsonderzoek Onderzoekers: TV = Tessa van Vreeswijk, AB = Anoek van den Bosch, CP = Chantal Posthouwer, PM = Pauline Maas
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
17
Projectgerelateerd
Tabel 4-2: overzicht uitgevoerde onderzoeksrondes voor gebouw 20 (Centrale keuken). Datum Onderdeel
Zon op / onder
Duur (start-eind)
Weersomstandigheden
Temp. (ºC) Wind (Bft)
Onderzoekers
Batlogger
01-06
KV en ZV
Onder om 21.48
21.48 - 00.18
Droog, helder
21
N2
TV / AB
Ja
14-07
KV en ZV
Onder om 22.03
21.48 - 00.18
Droog, bewolkt
14
1 Bft
PM / AB
Ja
21-07
ZV
Op om 05.45
02.45 - 05.45
Droog, helder
8
N1
JR / AB
Ja
04-08
WV
Onder om 21.30
17-08
PV en WV
Onder om 21.00
00.00 - 02.00
Droog, helder
13
N1
JR
Ja
23.00 - 02.00
Droog, gedeeltelijk bewolkt
16
Z2
AB
Ja
08-09
PV
Onder om 20.11
21.00 - 23.00
Droog, bewolkt
18
ZZW2
AB
Nee
Verklaring afkortingen: KV = kraamverblijfplaatsonderzoek, ZV = zomerverblijfplaatsonderzoek, PV = paarverblijfplaatsonderzoek, WV = winterverblijfplaatsonderzoek Onderzoekers: TV = Tessa van Vreeswijk, AB = Anoek van den Bosch, JR = Jobert Rijsdijk, PM = Pauline Maas
Tabel 4-3: overzicht uitgevoerde onderzoeksrondes voor gebouw 23 (Jeltje). Datum Onderdeel
Zon op / onder
Duur (start-eind)
Weersomstandigheden
Temp. (ºC) Wind (Bft)
Onderzoekers
Batlogger
25-05
KV en ZV
Onder om 21.42
21.42 - 00.12
Droog, helder
14
24-06
KV en ZV
Onder om 22.03
22.03 - 00.33
Droog, helder
24
NO2
TV / AB
Ja
ONO3
TV / AB
14-07
ZV
Op om 05.36
02.36 - 05.36
Droog, bewolkt
16
Ja
ZZO1
TV
Ja
17-08
PV en WV
Onder om 21.00
23.00 - 02.00
Droog, gedeeltelijk bewolkt
16
Z2
AB
Ja
08-09
PV
Onder om 20.11
21.00 - 23.00
Droog, bewolkt
18
ZZW2
TV
Nee
Verklaring afkortingen: KV = kraamverblijfplaatsonderzoek, ZV = zomerverblijfplaatsonderzoek, PV = paarverblijfplaatsonderzoek, WV = winterverblijfplaatsonderzoek Onderzoekers: TV = Tessa van Vreeswijk, AB = Anoek van den Bosch
Tabel 4-4a: overzicht uitgevoerde onderzoeksrondes voor gebouwen 22-24 (Linnengebouw-Bedrijfsgebouw), gebouw 33 (Oud Wier). Datum
Onderdeel Zon op / onder
Duur (start-eind)
Weersomstandigheden Temp. (ºC) Wind (Bft) Onderzoekers
Batlogger
08-06
KV en ZV
Onder om 21.57
21.57 - 00.27
Droog, bewolkt
14
N3
JK (33), TV (22-24)
Ja
08-07
KV en ZV
Onder om 21.59
21.59 - 23.30
Miezer, bewolkt
14
1 Bft
PM (33), TV (22-24)
Ja
04-08
ZV
Op om 06.06
03.00 - 06.00
Droog, helder
13
N1
JR (33)
Ja
25-08
PV en WV
Onder om 20.43
23.00 - 02.00
Droog, helder
12
ZO1
PM (33, deels 2224), TV (22-24)
Nee
15-09
PV
Onder om 19.54
20.50 - 22.50
Droog, deels bewolkt
21
O1
PM (33), TV (22-24)
Nee
Verklaring afkortingen: KV = kraamverblijfplaatsonderzoek, ZV = zomerverblijfplaatsonderzoek, PV = paarverblijfplaatsonderzoek Onderzoekers: JK = Jeroen Kwakkel, TV = Tessa van Vreeswijk, JR = Jobert Rijsdijk, PM = Pauline Maas
Tabel 4-4b: overzicht uitgevoerde onderzoeksrondes voor gebouw 27 (Hoofdgebouw). Datum
Onderdeel Zon op / onder
Duur (start-eind)
08-06
KV en ZV
Onder om 21.57
21.57 - 00.27
08-07
KV en ZV
Onder om 21.59
04-08
WV
04-08 25-08 15-09
Weersomstandigheden
Temp. (ºC)
Wind (Bft)
Onderzoekers
Batlogger
Droog, bewolkt
14
N3
AB (27)
Ja
21.59 - 23.30
Miezer, bewolkt
14
1 Bft
AB (27)
Ja
Onder om 21.30
00.00 – 02.00
Droog, helder
13
N1
AB (27)
Ja
ZV
Op om 06.06
03.00 - 06.00
Droog, helder
13
N1
AB (27)
Ja
PV en WV
Onder om 20.43
23.00 - 02.00
Droog, helder
12
ZO1
TV (27)
Nee
PV
Onder om 19.54
20.50 - 22.50
Droog, deels bewolkt
21
O1
AB (27)
Nee
Verklaring afkortingen: KV = kraamverblijfplaatsonderzoek, ZV = zomerverblijfplaatsonderzoek, PV = paarverblijfplaatsonderzoek, WV = winterverblijfplaatsonderzoek Onderzoekers: TV = Tessa van Vreeswijk, AB = Anoek van den Bosch
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
18
Projectgerelateerd
Analyse van de waarnemingen en opname van geluiden Er is op basis van geluid en zicht geïnventariseerd. De onderzoeken zijn uitgevoerd met behulp van twee verschillende typen batdetectoren: de Batlogger en de Pettersson D240x met opnameapparatuur. Wanneer een geluid in het veld niet met zekerheid kon worden gedetermineerd, is een geluidsopname gemaakt. Voor sommige soorten van het geslacht Myotis en Plecotus is bijvoorbeeld analyse van een geluidsopname noodzakelijk om tot een zekere determinatie te komen. Sommige vleermuisgeluiden van bepaalde soorten lijken echter soms zo op elkaar dat een nadere determinatie op soortnaam zelfs met behulp van de software niet altijd mogelijk is. Dan blijft het bij een determinatie bij benadering. De geluidsopnamen zijn geanalyseerd met software programma BatExplorer Versie 2.1.5.0. Ecologische onderbouwing voor afwijken van voorschriften uit het Vleermuizenprotocol Zomer- en kraamverblijfplaatsonderzoek: het Vleermuisprotocol schrijft twee onderzoeksrondes voor ten behoeve van het zomerverblijfplaatsen onderzoek voor gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis, waarvan ten minste één ochtendronde. Bij kleine overzichtelijke plangebieden kan echter met uitsluitend avondbezoeken worden volstaan.
Voor de gebouwen 22-24 (Linnengebouw-Bedrijfsgebouw) is daarom gekozen om op deze locatie twee avondronden uit te voeren in de optimale periode, in plaats van één avond en één ochtendronde. Vanwege de ligging van deze gebouwen, op slechts enkele meters afstand van elkaar, zijn zij als één onderzoekcluster onderzocht. Winterverblijfplaatsonderzoek: tijdens de eerste onderzoeksronde voor massawinterverblijven werd geen middernachtzwermen waargenomen en ook tijdens eerdere onderzoeksrondes werden bij gebouw 16 (Sylvia borin), gebouw 23 (Jeltje), gebouwen 22-24 (Linnengebouw-Bedrijfsgebouw) en gebouw 33 (Oud Wier) geen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Een aanvullende ronde voor middernachtzwermen werd derhalve bij deze gebouwen niet meer zinvol geacht. Bij deze gebouwen is daarom geen tweede middernachtelijk zwermonderzoek uitgevoerd.
4.3
Werkwijze grondgebonden zoogdiersoorten
Voor het onderzoek naar grondgebonden zoogdieren is enerzijds gebruik gemaakt van de aanwezigheid op het terrein tijdens de veldbezoeken voor onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen (paragraaf 4.2, aanwezigheid van onderzoekers bijna elke week van half mei tot september) en naar reptielen (paragraaf 4.4), anderzijds is gebruik gemaakt van de kennis en expertise van de terrein-, groenbeheerder en van onderzoek middels inzet van wildcamera’s. Het nadere onderzoek naar grondgebonden zoogdiersoorten richtte zich op de volgende soorten: das, boommarter en kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing). Deze soorten zijn voornamelijk ’s nachts actief, maar je kan ze ook overdag treffen. Tijdens de veldbezoeken voor onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen (na zonsondergang en voor zonsopkomst) is op deze dieren gelet door te luistern naar geritsel in het struikgewas en zelf tactisch (rustig en uit het zicht) opgesteld in het plangebied aanwezig te zijn. Ook is tijdens de veldbezoeken voor onderzoek naar reptielen (overdag) gelet op het voorkomen van deze soorten, maar ook op eekhoorn. Op basis van de gesprekken met de groenbeheerder zijn op vijf locaties wildcamera’s geplaatst. Per locatie is gebruik gemaakt van een lokstof (met behulp van een blikje sardines). De nummering is arbitrair gekozen.
Dit is gedaan op de volgende locaties (zie Figuur 4-9): • Locatie 1: camera achter Gebouw 25 (Sociaal Cultureel Centrum); het gebouw zelf vormt een barrière in het bos, waarlangs grondgebonden zoogdieren kunnen aflopen. Door de camera zo te plaatsen dat zicht is op de gevel van het gebouw, worden langslopende dieren in beeld gebracht. • Locatie 2: camera achter Gebouw 23 (Jeltje); op deze locatie is tijdens een van de vleermuisonderzoeken een langslopende das waargenomen, waardoor uitgegaan is van een mogelijk aanwezige vaste looproute van de das, daarnaast is eerder ook een (vermoedelijk) kleine marterachtige waargenomen. 1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
19
Projectgerelateerd
•
•
•
Locatie 3: camera ten zuiden van Gebouw 16 (Sylvia borin); vanuit de gesprekken met de terreinbeheerder is bekend dat hier jaren eerder een boommarter is waargenomen, de camera is in het bos aan het einde van beukenlaan geplaatst. Locatie 4: camera ten oosten van Gebouw 20 (Centrale Keuken); de locatie is erg rustig en sluit aan op het omliggende bosperceel, het is mogelijk dat hier een looproute van bijvoorbeeld boommarter of das aanwezig is. Locatie 5: camera ten oosten van Gebouw 36 (Mortuarium); vanuit de gesprekken met de terreinbeheerder is bekend dat aan deze zijde van het plangebied de das wel eens is gezien, en dat hij mogelijk in deze hoek een burcht heeft.
In het onderstaande overzicht is opgenomen welke tijdsperiode en duur de camera’s aanwezig zijn geweest in het plangebied (tabel 4-5). De locaties zijn weergeven in de onderstaande afbeelding (Figuur 4-9). Tabel 4-5: overzicht start- en einddatum van de geplaatste camera’s in en rondom het plangebied van de HMA te Den Dolder. Locatie Nabij gebouw
Startdatum
Einddatum
Bijzonderheden
1
25 - Sociaal Cultureel Centrum
27 augustus 2020
28 augustus 2020
Batterijen gestolen door ‘hangjeugd’, camera niet teruggeplaatst
2
23 - Jeltje
27 augustus 2020
17 september 2020
Cameraslot geforceerd door mensen, camera eerder teruggehaald
3
16 - Sylvia borin
27 augustus 2020
14 september 2020
Geen bijzonderheden
4
20 - Centrale Keuken
27 augustus 2020
8 oktober 2020
Geen bijzonderheden
5
36 - Mortuarium
27 augustus 2020
8 oktober 2020
Geen bijzonderheden
Figuur 4-9: ruimtelijke weergave van de locaties van de wildcamera’s.
1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
20
Projectgerelateerd
4.4
Werkwijze reptielenonderzoek
Het onderzoek naar reptielen heeft plaatsgevonden conform de voorschriften uit de Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming van het Netwerk Groene Bureaus (NGB; versie juli 2017). Onderstaande is beschreven wat de methode is voor onderzoek naar hazelworm en voor ringslang. Hazelworm De hazelworm heeft twee soorten biotoop, namelijk de zomerbiotoop en de winterbiotoop. Het voortplantingsbiotoop is hetzelfde als zomerbiotoop. De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte plaatsen: bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. Ze worden het vaakst aangetroffen op (door de zon beschenen) overgang- en randzones (incl. openplekken in dichte bossen). Geschikte biotopen kunnen liggen in zowel “natuur”-gebieden als in agrarisch gebied en steden of dorpen, veelal op zandgronden maar ook wel op kalk- en leemgronden en een enkele keer op kleigronden. Nauwelijks op hoogveen en (zover bekend) niet op laagveen. Overdag leven de hazelwormen verborgen in mos-pakketten en dikke strooisellagen, onder stenen en hout en in composthopen. De winterbiotoop is hetzelfde als de zomerbiotoop: overwintering gebeurt ondergronds in droge holten (gedeeltelijk zelf gegraven) onder hopen organisch materiaal (bladhopen).
De onderzoeksmethode richt zich op het aantonen van individuen in de zomerbiotoop, wanneer zij dus actief en boven de grond verblijven. Ringslang Bij de ringslang, in tegenstelling tot de hazelworm, varieert de afstand tussen het ei-afzetbiotoop, het zomerbiotoop en de winterbiotoop. De plekken waar de eieren gelegd worden zijn locaties waar broei plaatsvindt (riet, vloedmerk, mesthopen, composthopen, broeihopen ed.). Geregeld maken meerdere vrouwtjes gebruik van dezelfde ei-afzetplek. Paringen vinden vaak plaats in het vroege voorjaar in de winterbiotoop. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats op zand- en kleigronden, in polders en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden Leefgebieden vertonen vaak veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voldoende ei-afzetmogelijkheden en een ruim aanbod aan wateren in de nabijheid van hogere gronden voor de overwintering zijn belangrijke randvoorwaarden. Ringslangen jagen met name op amfibieën. In en tot op enkele honderden meters rond het water wordt gefoerageerd. Het gebied waar de ringslang foerageert kan gezien worden als de zomerbiotoop. Als amfibieën schaars zijn kan het aandeel van andere prooidieren (vissen, hagedissen, muizen en nestvogels) hoger.
De ringslang overwintert op vorstvrije en droge plaatsen, veelal onder de grond in onder andere konijnenholen, in dijken, kruipruimtes en bunkers, tussen basaltblokken, onder en in broeihopen, takkenhopen, grote hopen vegetatie. Onderzoeksopzet Het onderzoek gebeurt met inzet van ‘plaatjes’. Dit kunnen bakstenen, tapijttegels, damwandplaten of een combinatie van deze mogelijkheden zijn. In het onderzoeksgebied van de HMA in Den Dolder is gebruikt gemaakt van tapijttegels. Op het terrein worden in totaal 5 bosdelen omgevormd. Per bosperceel (1 t/m 5) zijn hier op geschikte locaties tapijttegels uitgelegd. De bospercelen binnen het plangebied hebben verschillende samenstellingen, en worden gekenmerkt door een afwisseling van naaldbomen en loofbomen. De loofbomen betreffen onder andere zomereik en berk. Daarnaast is ondergroei van aanwezig van huls, rododendron, sneeuwbes, klimop en braam. Sommige meer open plekken worden bedekt door verschillende soorten kruiden, gras en mos. De platen zijn op 26 juni 2020 uitgelegd door een ter zake kundige ecoloog op het gebied van hazelworm en ringslang. In de afbeelding op de volgende pagina zijn de locaties van per bosperceel uitgelegde tapijtegels weergegeven (Figuur 4-10).
De locatie van de tapijtegels is gekozen op basis van geschiktheid, de tegel moet met name in de ochtend door de zon beschenen worden om te zorgen voor voldoende warmte om op te warmen. 1 februari 2021
NATUURTOETS HMA DEN DOLDER
BG9319_T&P_RP_2102031429
21
Projectgerelateerd
Gelijktijdig is het terrein gecontroleerd op aanwezigheid van deze soorten door het rustig en vlak-dekkend te doorlopen en waar mogelijk houtstronken en andere mogelijkheden om onder op te warmen om te draaien. Op twee locaties in het terrein zijn stenen muren aanwezig, te weten aan de Veldweg bij gebouw 22 (Linnengebouw) richting gebouw 34 (Oud Wier) en aan de achterzijde van gebouw 21 (Ketelhuis; zie Figuur 3-2; dit gebouw is niet eerder benoemd in de rapportage, omdat hier geen werkzaamheden zijn voorzien als sloop of renovatie). De stenen muren vormen in potentie een geschikte locatie voor reptielen om op te warmen, zij zijn daarom ook bij elk bezoek onderzocht. Voor hazelworm hebben de tegels vervolgens minimaal 1 maand in het terrein gelegen zonder deze om te draaien om te controleren op individuen. De uitgevoerde onderzoeken zijn opgenomen in het onderstaande overzicht (Tabel 4-6). De spreiding tussen het eerste en laatste bezoek bedraagt > 1 maand, zoals in het onderzoeksprotocol is voorgeschreven. Voor ringslang is in de potentiele zomerbiotoop gezocht langs de aanwezige structuurovergangen in het terrein. Voorafgaande het onderzoek is gezocht naar ei-afzetmogelijkheden, deze zijn op het terrein niet aanwezig in de vorm van broeihopen. Wel biedt het terrein vanwege het aanwezige natuurlijke reliëf hier mogelijkheden voor in de bossen.