CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A Verordening Parkeerbelastingen Zandvoort 2022-1

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Parkeerverordening 2022 en Verordening Parkeerbelastingen 202212.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voldoende is de parkeerplaatsen in ruime zin aan te wijzen. Hieronder kan worden verstaan dat het voldoende is de straten aan te wijzen waar parkeerbelasting verschuldigd is. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 1999, nr. 34 615, Belastingblad 1999, blz. 734. Sinds 4 juli 2001 kan het college van burgemeester en wethouders bepalen dat het in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden (Besluit van 20 juni 2001, Stb. 303; artikel 1a Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen). Voorwaarde daarvoor is dat er voldoende praktische middelen aan de parkeerder ten dienste staan om (uitsluitend) op die wijze de parkeerbelasting op aangifte te voldoen (tenminste keuze uit rekening gebonden chipkaart en niet rekening gebonden chipkaart met landelijke dekking, voldoende oplaad- en verkooppunten in lokale situatie). Volgens Hof Den Haag is het op grond van deze wettelijke regeling toegestaan te eisen dat alleen met chipknip kan worden betaald (Hof Den Haag 10 september 2003, nr. 02/04749, LJN: AL1841,Belastingblad 2003, blz. 1311 (Rotterdam)). Hof Arnhem is het daarmee niet eens. Dit hof vindt dat de wijze waarop parkeerbelasting kan worden voldaan niet mag worden beperkt tot 'chipknipplaatsen'(Hof Arnhem 7 oktober 2003, nr. 02/3664, LJN: AL7896, Belastingblad 2003, blz. 1313 (Nijmegen)).

Dit hof vindt dat artikel 1a van het Besluit verbindende kracht mist. Tegen deze uitspraak loopt een cassatieprocedure. Met betrekking tot parkeerapparatuur die zowel betaling met de chipknip als betaling door het inwerpen van geld mogelijk maken (duale parkeermeters) heeft Hof Arnhem bepaald dat de parkeerder met muntgeld moet betalen indien de parkeerapparatuur de chipknip weigert (Hof Arnhem 7 maart 2002,nr. 01/01831, LJN: AE2106, Belastingblad 2002, blz. 1157 (Almere)). In dezelfde lijn heeft Hof Amsterdam beslist dat indien de gemeente weliswaar een voorziening heeft getroffen voor het betalen met chipknip, maar deze nog niet operationeel is, dit niet afdoet aan de verplichting om de parkeerbelasting te voldoen door het inwerpen van geld (Hof Amsterdam 11 april 2003, nr. 02/05531, LJN: AF8284, Belastingblad2004, blz. 91 (Hilversum)). Kenbaarheid verschuldigdheid parkeerbelasting In gerechtelijke procedures is geregeld in geschil of de verschuldigdheid van parkeerbelasting voldoende kenbaar is. Naar het oordeel van de belastingrechter mag er 'redelijkerwijs geen misverstand omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting' bestaan. In de uitspraak van Hof Arnhem van 26 april 1996,nr. 95/1626, E-5, Belastingblad 1997, blz. 128 oordeelde het Hof dat belastingplichtige onvoldoende inde gelegenheid was zijn verplichtingen te kennen. Bij de

35

parkeermeter was vermeld: 'parkeren alleen toegestaan met gebruik van de parkeerautomaat van maandag t/m zaterdag van 08:00-18:00 uur en bovendien op koopavonden'. Het hof overweegt: 'Volgens art. 8 van de Verordening parkeerbelastingen1991 geschiedt de aanwijzing van de plaats waar, van het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de onderhavige belasting mag worden geparkeerd in alle gevallen door burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. In het verlengde van deze openbaarmaking mag uit het oogpunt van kenbaarheid voor belastingplichtige parkeerders die ter plaatse niet (goed) bekend zijn, in redelijkheid voorts de eis worden gesteld dat tenminste de tijden gedurende welke tegen betaling mag worden geparkeerd, op (borden bij) de parkeerapparatuur worden vermeld.' Het hof vernietigt de naheffingsaanslag op grond van het feit dat het belanghebbende, als niet ter plaatse bekend, onvoldoende duidelijk kon zijn dat de avond dat hij parkeerde een koopavond was, en dat hij derhalve parkeerbelasting verschuldigd was. Daarbij neemt het Hof ook in aanmerking dat het belanghebbende niet op een andere manier kenbaar had kunnen zijn dat het koopavond was, aangezien het gebied waar hij heeft geparkeerd niet te midden van winkels lag. Enig eigen onderzoek mag derhalve van een belanghebbende worden verwacht.

Dit blijkt ook uit de casus van Hof Amsterdam van 7 november 1997, nr. P96/3025, M IV, Belastingblad 1997, blz. 358. Ook hier was de kenbaarheid van de koopavond in het geding. Niet in geschil is dat op koopavonden parkeerbelasting verschuldigd is. Belanghebbende betwist echter dat het voor hem kenbaar kon zijn dat de bewuste vrijdagavond ook een koopavond was, nu de reguliere koopavonden in Haarlem op donderdagavond vallen. Volgens het hof dient de verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaald tijdstip parkeren van een voertuig kenbaar te zijn gemaakt op zo een wijze, dat omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor het op dat tijdstip parkeren redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Van geval tot geval dient te worden beoordeeld of aan deze voorwaarde is voldaan. Het hof oordeelt dat de inspecteur in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente er, door middel van posters en in streekkranten geplaatste aankondigingen, voldoende informatie heeft verstrekt omtrent de extra koopavonden in de dagen voor kerst. Mitsdien kon er bij belanghebbende, als inwoner van de omgeving van Haarlem, omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting op de bewuste avond geen misverstand bestaan.

Wanneer er onduidelijkheid is met betrekking tot de vraag voor welke parkeerplaatsen belasting verschuldigd is, komt deze onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan. In Hof Arnhem 6 oktober 1998, nr. 97/22445-E-5, Belastingblad1999/294 en Hof 's-Gravenhage, 9 februari 2000, nr. 98/05401 E II, FED 2000/372 was de bebording zoonduidelijk, dat geen belasting geheven kon worden. In laatstgenoemde uitspraak overwoog het hof: 'Van een gemeente mag worden gevergd dat zij, indien zij parkeerbelasting heft, het rijdende publiekduidelijk maakt waar parkeerbelasting is verschuldigd. Daar waar in gevallen als deze onduidelijkheid bestaat omtrent de belastingverplichting moet die onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan blijven.' Artikel 8 Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling In artikel 8 is onder meer opgenomen de regeling voor de naheffingsaanslag en de wielklem die tot zekerheid voor de betaling van de naheffingsaanslag aan het voertuig kan worden aangebracht. Het aanbrengen van een wielklem met het oogmerk om herhaling van het niet op aangifte voldoen van parkeerbelasting te bestraffen is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, aldus Hof Arnhem,23 maart 2000, nrs. 98/157-M- 1, Belastingblad 2000, blz. 981.

In de verordening is reeds in bijlage 1opgenomen voor welke gebieden een wielklem kan worden benut en een wegsleepregeling geldt. In het tweede lid is opgenomen dat het college bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten kan aanwijzen waar de wielklem wordt toegepast. Zijn deze terreinen of weggedeelten niet aangewezen dan kan de wielklem daar ook

36

niet worden toegepast. In het derde lid is opgenomen dat het voertuig naar een door de heffingsambtenaar aan te wijzen plaats kan worden overgebracht als na het aanbrengen van de wielklem tenminste 24 uur zijn verstreken. Het aantal uren mag, mits met inachtneming van het minimumaantal, zelf door de gemeenteraad worden bepaald. Met betrekking tot de tijd waarbinnen een aangebrachte wielklem moet worden verwijderd na betaling van de naheffingsaanslag en de kostenbeschikking, kan uit de wetsgeschiedenis worden opgemaakt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de gemeenten hun organisatie zodanig zouden inrichten dat verwijdering van de wielklem binnen een redelijke termijn mogelijk zou zijn en dat die termijn in de praktijk één uur zou zijn. De Hoge Raad heeft op 29 april 1998 een duidelijk arrest gewezen (nr. 32 535, Belastingblad1998/528).

Hij oordeelt dat, gelet op deze wetsgeschiedenis, ervan mag worden uitgegaan en ook moet worden verlangd dat gemeenten inmiddels hun organisatie zodanig hebben ingericht dat onder normale omstandigheden de wielklem binnen de nog aanvaardbaar geachte tijd van één uur na het betalen van de kosten verwijderd kan worden, zodat behoort te worden afgezien van het toepassen van de wielklem dan wel het geven van een beschikking tot het verhaal van de kosten daarvan indien op het desbetreffende tijdstip reeds is te voorzien dat het verwijderen niet tijdig zal kunnen geschieden. Anders zou de gemeente immers handelen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en zou er op die grond aanleiding zijn voor vernietiging van de beschikking. Voor gevallen waarin de wielklem binnen één uur na betaling van de kosten is verwijderd, brengt het voorgaande met zich dat het tijdsverlooptussen de betaling van de kosten en de verwijdering van de wielklem geen grond oplevert voor vernietiging van de beschikking, ook niet indien eerdere verwijdering mogelijk zou zijn geweest maar een aan de gemeente toe te rekenen oorzaak tot vertraging heeft geleid. In de WVW 1994 en in de wegsleepverordening (2011/01/001184 d.d. 7 april 2011) is het kader aangegeven waarbinnen het college gebruik kan maken van zijn bevoegdheid tot het wegslepen van voertuigen.

In de wegsleepverordening is aangegeven in welke gevallen er sprake kan zijn van een wegsleepwaardige overtreding. Hiervoor wordt vaak aansluiting gezocht bij de delictsomschrijvingen uit de WVW1994 of het RVV 1990. Zo'n aanpak kan uit praktisch oogpunt wellicht wenselijk zijn omdat degene die met de uitvoering van de wegsleepregeling is belast, direct uit de regeling kan afleiden of een voertuig mag worden weggesleept. Toch is bij het opstellen van de wegsleepverordening ervoor gekozen om deze gevallen niet concreet in de verordening op te nemen. Enerzijds om nodeloze beperkingen te voorkomen die kunnen optreden wanneer in de verordening zelf concreet wordt aangegeven welke wegsleepwaardige overtredingen worden onderscheiden. Op grond van het nieuwe artikel 170, eerste lid WVW 1994 kunnen immers voertuigen waarmee én een verkeersregel wordt overtreden én waarvan de verwijdering noodzakelijk is worden weggesleept in verband met het belang van: a. de veiligheid op de weg of b. de vrijheid van het verkeer of c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen. Een tweede reden om de gevallen niet concreet te vermelden, is dat anders het gevaar bestaat dat de delictsomschrijvingen uit de wegenverkeerswetgeving en de Wegsleepverordening niet naadloos op elkaar aansluiten.

Wanneer dit het geval is, bestaat er de kans dat de gemeente in eventuele bezwaar-en beroepsprocedures om formele redenen in het ongelijk wordt gesteld. Daarnaast geldt uiteraard ook dat zaken niet dubbel moeten worden geregeld. Bovendien zou bij elke wijziging in de desbetreffende onderdelen van de wegenverkeerswetgeving ook de Wegsleepverordening moeten worden aangepast. Om die redenen is ervoor gekozen om de

37

delictsomschrijvingen niet in de wegsleepverordening op te nemen, maar te volstaan met een Wegsleepverordening waarin alleen zaken zijn geregeld die aanvullend moeten en kunnen worden geregeld. Als het noodzakelijk is om een voertuig weg te slepen, kan dit op verschillende wijzen worden uitgevoerd. Allereerst kan een voertuig worden meegevoerd door het wegsleepbedrijf en daar ook worden bewaard. Wanneer de overtreder zijn voertuig komt ophalen, dient deze direct de gemaakte kosten contant aan het wegsleepbedrijf te betalen. Met deze betaling is de procedure van kostenverhaal voor het wegslepen afgerond. Het kan ook voorkomen dat een voertuig slechts hoeft te worden verplaatst en niet helemaal wordt weggesleept en bewaard. In een dergelijk geval zal het wegsleepbedrijf het college een rekening sturen voor de gemaakte kosten. Het college zal vervolgens overgaan tot kostenverhaal op de overtreder. Tot slot wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 170, zesde lid WVW 1994. Hierin wordt bepaald dat een voertuig niet kan worden weggesleept, indien de rechthebbende het voertuig verwijdert voordatmet de overbrenging wordt begonnen. In de wet wordt niet expliciet aangegeven wanneer met de overbrenging wordt begonnen. In de dagelijkse praktijk wordt ervan uitgegaan dat pas met de overbrenging wordt begonnen wanneer het voertuig zich in de takels van het wegsleepvoertuig bevindt.

Indien de rechthebbende zich eerder bij zijn voertuig meldt, mag het voertuig niet meer worden weggesleept. Wel zal de rechthebbende alle aan de voorbereiding van de overbrenging verbonden kosten dienen te vergoeden, waarbij met name kan worden gedacht aan de voorrijkosten van het sleepvoertuigen administratieve kosten. Artikel 9 Kosten In artikel 9 worden alle in rekening te brengen kosten, indien niet op reguliere wijze wordt betaald, geregeld. Hiertoe wordt verwezen naar de bij de verordening behorende tarieventabel. De hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag moet worden bepaald met inachtneming van het Besluit parkeerbelastingen. Er kunnen alleen kosten in rekening worden gebracht indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd (Hof Arnhem 7 juni 2004, nr. 03/00225, LJN: AP3289 (Raalte)).Voor het aanbrengen en verwijderen van een wielklem wordt één bedrag berekend. (Op grond van artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet is het opnemen van een bestuurlijke boete niet toegestaan.) Het in rekening brengen van de kosten van een naheffingsaanslag is niet in strijd met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).De kosten van de naheffingsaanslag zijn niet aan te merken als een boete (Hoge Raad 18 oktober 1995,nr. 30208, Belastingblad 1995, blz. 793).

Artikel 10 Kwijtschelding Beleidsmatig zal het in weinig gevallen gewenst zijn om van parkeerbelastingen kwijtschelding te verlenen. Ook de heffing bij wege van voldoening op aangifte maakt het verlenen van kwijtschelding uitvoeringstechnisch moeilijk. Bovendien bevat de ministeriële regeling voor deze wijze van heffing geenduidelijke regeling. Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990van toepassing. De heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook bepalingen op grond

38

waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt toegekend nadere regels te geven over bepaalde heffings- en invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke belastingen komt die bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het college. Verder is het college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens bevoegd beslissingen van de raad (lees: belastingverordeningen) uit te voeren. Met het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden regels stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen voor het formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten. Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een aantal bevoegdheden van de raad op belastinggebied overgegaan op het college. In verband hiermee is in elke belastingverordening een bepaling opgenomen dat het college nadere regels kan geven met betrekking tot de heffing en invordering van de betreffende belasting. Op deze wijze is het voor de belastingplichtigen duidelijk dat er nog nadere regels kunnen gelden. In een (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen kan een en ander uitgewerkt worden.

Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel In het eerste lid wordt de oude verordening ingetrokken, in het tweede lid wordt de inwerkingtredinggeregeld, in het derde lid de datum van ingang van de heffing en in het vierde lid de citeertitel. Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude verordening, ook al is die verordening ingetrokken. Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingplicht kan leiden tot onverbindendheid van de belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034, BNB1993/182, Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr. 33.632). Deze verordening is bekend gemaakt in de Zandvoortse Courant. Het feit dat de belastingverordening pas in werking treedt na bekendmaking, houdt slechts in dat de gemeente voor dat tijdstip geen belastingaanslagen kan opleggen. De aanslagen kunnen echter welbetrekking hebben op de periode vanaf de datum van ingang van de heffing.

Als voorbeeld: Op 1 november 1999 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum van inwerkingtreding de achtste dag na de bekendmaking en als tijdstip van ingang van de heffing 1 januari 2000. De verordening wordt door de gemeente bekendgemaakt op 16 februari 2000. De verordening treedt in werking op 24 februari 2000 (achtste dag na de dag van bekendmaking). Vanaf dat moment kan de gemeenteaanslagen opleggen. Deze aanslagen kunnen echter betrekking hebben op de periode vanaf het tijdstip van ingang van de heffing (in dit geval 1 januari 2000). In het derde lid is de datum van ingang van de heffing opgenomen. In het vierde lid is in de citeertitel een jaartal opgenomen. Dit jaartal wordt opgenomen, omdat de gemeente ieder jaar een nieuwe verordening vaststelt. Door het jaartal op te nemen is duidelijk voor welkjaar de verordening bedoeld is. Ondertekening Alle stukken die van de raad uitgaan moeten sinds 19 februari 2003 c.q. 7 maart 2003 worden ondertekend door de burgemeester (artikel 75, eerste lid, Gemeentewet) en griffier (artikel 107c Gemeentewet).

39

3.3 TOELICHTING OP BIJLAGE I EN DE DAAR GENOEMDE TARIEVENTABEL Parkeerbelastingen worden geheven in het kader van de parkeerregulering. In het achtste lid van artikel225 van de Gemeentewet is vastgelegd van welke factoren het tarief afhankelijk kan worden gesteld. Dit zijn: 1 de parkeerduur; 2 de parkeertijd; 3 de ingenomen oppervlakte; 4 de ligging van de terreinen of weggedeelten. Ad 1 Wanneer de verschuldigde belasting afhankelijk wordt gesteld van de parkeerduur, is het bijvoorbeeld mogelijk om langdurig parkeren te ontmoedigen door het duurder te maken dan kortdurend parkeren. Ad 2 Door de verschuldigde belasting afhankelijk te stellen van het tijdstip waarop geparkeerd wordt, kan de druk op parkeerplaatsen op tijdstippen waarop het autoverkeer intensief is, worden verminderd. Ad 3 Uit de memorie van toelichting: 'Met de afhankelijkheid van de ingenomen oppervlakte is bedoeld aan te geven, dat bijvoorbeeld voor grote voertuigen of combinaties van voertuigen met aanhangers (denk aan caravans) of oplegger een ander tarief kan gelden.'. Hierbij tekenen wij aan dat caravans, aanhangers en opleggers vallen onder het begrip voertuig en daarmee zelfstandig te belasten zijn. Ad 4 Als laatste factor wordt genoemd de ligging van de terreinen of weggedeelten.

Bepaalde plaatsen binnen een gemeente zullen nu eenmaal meer in trek zijn bij parkeerders, te denken valt aan winkelcentra, musea etc. Gemeenten kunnen in hun verordeningen voor iedere aangewezen plaats een bepaald tarief vaststellen. Op deze wijze kunnen zij enige invloed uitoefenen op de druk op bepaalde parkeerplaatsen binnen de gemeente. Afhankelijk van de situatie ter plaatse kan uit deze vier factoren een optimale combinatie van heffings-grondslagen in de tarieventabel worden verwerkt. In de tarieventabel is de gebiedsaanduiding hier uitgeschreven. Daarnaast is het ook op een kaart aangegeven. Wanneer een kaart wordt gebruikt, dan dient daarop te worden aangegeven bij welkeverordening hij hoort. De kaart wordt gewaarmerkt door de gemeentesecretaris. Een parkeervergunning pleegt voor een bepaalde periode te worden afgegeven. Uit de tarieventabelmoet blijken voor welke periode de vergunning is verleend. Jurisprudentie Hof Amsterdam, 11 juni 1999, nr. 97/21708, Belastingblad 1999, blz. 958. Het is toegestaan om bij het vaststellen van de tarieven te differentiëren tussen bewonersvergunningen en bedrijfsvergunningen. Het Hof overweegt: '[¼] dat geoordeeld moet worden dat de gemeente Hoorn verschillende soortenvergunningen in het leven heeft geroepen om een effectieve parkeerregulering mogelijk te maken.

Deze vergunningen hebben, hoewel zij alle beogen de nagestreefde parkeerregulering mogelijk te maken, ten doel verschillende groepen personen te beïnvloeden in hun parkeergedrag. Daarmee is in overeenstemming en de gemeente Hoorn heeft dat in redelijkheid dan ook kunnen doen, dat bij de onderscheiden vergunningen al dan niet

40

betekenis is toegekend aan de in voornoemd art. 225, achtste lid, Gemeentewet bedoelde factoren. Eveneens is daarmee in overeenstemming dat het tarief van de onderscheiden vergunningen - soms aanmerkelijk - van elkaar verschilt. De door belanghebbende gesignaleerde tariefverschillen zijn niet zodanig groot, en de tarieven zijn in absolute bedragen niet zodanig dat op grond daarvan, en bij de op dit punt aan het hof slechts toekomende marginale toetsing, geoordeeld kan worden dat die tarieven willekeurig zijn vastgesteld en dus onverbindend zouden zijn. In bijlage 1 van de verordening zijn plaatsen voor betaald parkeren en - eventueel - toepassing van de wielklem opgenomen. Er is gekozen voor een één-op-één regeling. Dat betekent dat de wielklem wordt toegepast bij alle aangewezen parkeerapparatuurplaatsen. Indien daarvoor niet wordt gekozen, dienen voor de toepassing van de wielklem in een afzonderlijke tabel straten/straatdelen te worden aangewezen. Bijlage I bevat de aanwijzing van de plaatsen waar met een vergunning mag worden geparkeerd.Hierbij is onderscheid gemaakt tussen vergunningen voor bewoners en vergunning voor bedrijven. In bijlage I is het bedrag aangegeven dat berekend wordt als kostenopslag. Met ingang van 1 januari1999 is artikel 3 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (Stb. 1990, 574) gewijzigd (Koninklijk Besluit van 15 december 1998, Stb. 696).

In het vervolg vindt een jaarlijkse indexering plaats aan de hand van de procentuele wijziging van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maandapril ten opzichte van de maand april van het jaar daarvoor. Jaarlijks zal vóór 1 september het maximale kostenbedrag voor het volgende kalenderjaar worden vastgesteld, zodat aanpassing van de verordening parkeerbelastingen desgewenst meegenomen kan worden in de begrotingsvoorstellen. Het maximumbedrag dat voor een naheffingsaanslag aan kosten in rekening mag worden gebracht is € 66,50. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2002, nr. 36855, LJN AD6867, bepaald dat de kosten nietjaarlijks opnieuw door de raad behoeven te worden vastgesteld. Wel moet de gemeente desgevraagdkunnen aantonen dat de hoogte van het bedrag aan kosten in overeenstemming is met het bepaaldein het besluit. In bijlage I is een nadere berekening gegeven van de kosten.

41

Dit is een uitgave van gemeente Zandvoort, 16 november 2021

Postbus 2 2040 AA Zandvoort Tel. 14 023 zandvoort.nl

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10807208/1