Bijlage A Verordening Parkeerbelastingen Zandvoort 2022-1
Tekst van het document
Verordening Parkeerbelastingen Zandvoort 2022/1
Raad 21 december 2021
Inhoudsopgave 1.
Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelasting Zandvoort 2022/1 3 1.1
BEGRIPSBEPALINGEN
3
1.2
NORMSTELLING
4
1.3
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
7
2.
BIJLAGE 1 TARIEVEN EN GEBIEDEN
8
3.
TOELICHTING OP DE VERORDENING
29
3.1
ALGEMEEN
29
3.2
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
29
3.3
TOELICHTING OP BIJLAGE I EN DE DAAR GENOEMDE TARIEVENTABEL
40
2
1.
Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelasting Zandvoort 2022/1 De raad van de gemeente Zandvoort, gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 16 november 2021; gelet op de artikel 225 van de Gemeentewet; besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, bijlage 1 en de daar genoemde tarieven tabel, de toelichting en kaarten vast te stellen: Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelasting Zandvoort 2022/1
1.1 BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. brommobiel : hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 (Reglement verkeersregels en verkeerstekens); b. centrale computer: een computer van de Gemeente dan wel een computer van het bedrijf waarmee de Gemeente een overeenkomst heeft gesloten bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik vaneen telefoon of ander communicatiemiddel; c. de raad: de gemeenteraad van Zandvoort; d. gehandicaptenparkeerkaart: een gehandicaptenparkeerkaart in de zin van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart; e. het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zandvoort; f. houder: degene op wiens naam het motorrijtuig ten tijde van het parkeren in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, was ingeschreven; g. kentekenregister: het register betreffende opgegeven kentekens bedoeld in artikel 42 van de Wegenverkeerswet 1994; h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 (Reglement verkeersregels en verkeerstekens) met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990; i.
parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; j. parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven, behorende bij de parkeerapparatuur; K. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
3
l. vergunning: een door het college verleende vergunning voor het parkeren zoals geregeld en beschreven in de vigerende parkeerverordening van de gemeente Zandvoort; m. vergunninghouderplaats: een parkeerplaats die: 1. is aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990; of 2. gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd;
1.2 NORMSTELLING Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam van parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting terzake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij deze verordening aangewezen gevallen te bepalen plaats, tijdstip en wijze, dan wel krachtens deze verordening in de daar in aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting terzake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel 3 Belastingplicht. 1. De belasting, bedoeld in artikel. 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; 2. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd, wordt mede aangemerkt: a) degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; b) zolang geen voldoening van de belasting, vermeld in art. 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat: i. als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder, maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd; ii.
als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd; 3. De belasting, bedoeld in art. 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen; 4. De belasting, bedoeld in art. 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd, indien ten behoeve van dit voertuig een vergunning is verleend, deze vergunning geldig is en deze vergunning is aangebracht op het voertuig waar de vergunning voor geldt op de wijze zoals is omschreven in bijlage 1 van deze verordening;
4
5. De belasting, bedoeld in art. 2, onderdeel b, wordt geheven van degene aan wie de vergunning is verleend. Deze belastingplicht sluit de belastingplicht van de belasting zoals bedoeld in art. 2 onderdeel a uit, voor het parkeren van motorvoertuigen waar de vergunning voor is verleend, voor zover sprake is van parkeren in een gebied waar de vergunning voor verleend is. 6. De belasting bedoeld in art. 2, onderdeel a, wordt niet geheven voor het parkeren van een motorvoertuig of brommobiel die in gebruik is ten behoeve van een bestuurder of passagier die beschikt over een geldige gehandicaptenparkeerkaart en deze gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht op een zodanige wijze bij de voorruit van het voertuig dat de voorzijde ervan buiten het voertuigbehoorlijk leesbaar is, voor de duur van 2 uur met gebruik van een parkeerschijf; 7. Er is geen plicht tot het betalen van de belasting bedoeld in art. 2, onderdeel a, voor het parkeren van een motorvoertuig of brommobiel op een “Gereserveerde Gehandicapten Parkeerplaats(GGP) met kenteken”, als de voor dit voertuig afgegeven gehandicaptenparkeerkaart op een zodanige wijze bij de voorruit van het voertuig is aangebracht dat de voorzijde ervan buiten het voertuig behoorlijk leesbaar is, en het kenteken van het voertuig correspondeert met dat van het bij die GGP geplaatste (onder)bord.
Artikel 4 Tijdstip van het ontstaan van de belastingschuld. De belasting, bedoeld in art. 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. De belasting, bedoeld in art. 2, onderdeel b, is verschuldigd op het moment waarop de vergunning wordt verleend. Artikel 5 Tarief, tijdvak en maatstaf van heffing. Het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel, zoals weergegeven in bijlage 1 van deze verordening. Artikel 6 Wijze van heffing en termijn van betaling en restitutie. 1. De belasting, bedoeld in art. 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte, en wel door middel van het werpen van geld in parkeerapparatuur of door middel van het elektronisch betalen bij parkeerapparatuur en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. De verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op de parkeerapparatuur kennisgegeven.
Indien binnen de gemeente Zandvoort de mogelijkheid is gecreëerd bij aanvang van het parkeren parkeerapparatuur in werking te stellen door het via een telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer, moet in afwijking van het hier voorafgaande bepaalde de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen twee maanden na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer. Het college kan nadere voorschriften geven met betrekking tot de voldoening, heffing en invordering van deze belasting. 2. De belasting, bedoeld in art. 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij het verlenen van de vergunning en dient in geval van het aanvragen van de vergunning zoals aangegeven op de website van de gemeente Zandvoort (www.zandvoort.nl) te geschieden zoals aangegeven bij het gebruik van de applicatie het digitaal loket van genoemde website. Het college is bevoegd nadere regels te geven omtrent de wijze van voldoening van deze belasting;
5
3. Indien de belastingplicht, bedoeld in art. 2, onderdeel b, in de loop van de periode waarvoor de vergunning is verleend eindigt, wordt ingetrokken of vervalt, bestaat aanspraak op ontheffing over zoveel volle kalendermaanden als er in die periode na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht nog resteren; 4. Het voorgaande lid is niet van toepassing indien het een bezoekersvergunning of een bezoekerspas betreft, dan wel een vergunning betreft die voor de beperkte periode van een dag, week of maand is verleend; 5. Een naheffingsaanslag moet terstond, inclusief de eventuele kosten zoals bedoeld in artikel 9, worden betaald. Artikel 7 Aanwijzing van en bevoegdheid tot aanwijzing van parkeerapparatuurplaatsen. De plaats waar en het tijdstip waarop en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2 onderdeel a mag worden geparkeerd zijn omschreven in bijlage 1 van deze verordening. De wijziging van de plaats waar en het tijdstip waarop en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2 onderdeel a mag worden geparkeerd zoals aangegeven in deze verordening kan geschieden bij besluit van het college. Artikel 8 Wielklem en wegsleepregeling. 1.
Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag terzake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, kan aan het voertuig ook een wielklem worden aangebracht, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. 2. De terreinen en weggedeelten waar een wielklem wordt toegepast zijn omschreven in bijlage 1 van deze verordening. De wijziging van de terreinen en weggedeelten waar een wielklem wordt toegepast kan geschieden bij besluit van het college. 3. Indien na het aanbrengen van de wielklem ten minste 24 uur zijn verstreken, kan het voertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats overgebracht en daar in bewaring gesteld. 4. De kosten van een, wielklem en wegslepen zijn vermeld in de van deze verordening deel uitmakende tarieventabel zoals weergegeven in bijlage 1 van deze verordening. Artikel 9 Kosten. Voor een naheffingsaanslag voor de belasting als bedoeld in art. 2, onderdeel a, voor het aanbrengen respectievelijk het verwijderen van de wielklem en voor het overbrengen en bewaren worden kosten in rekening gebracht. De hoogte van het daarvoor in rekening te brengen bedrag is opgenomen in bijlage 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Het bedrag van de voor de wielklem en voor het overbrengen en bewaren in rekening te brengen kosten wordt in een voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Artikel 10 Kwijtschelding. Bij de invordering van deze belasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 11 Nadere regels door het College. Het College kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van parkeerbelastingen.
6
1.3 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De Verordening Parkeerbelastingen Zandvoort 2021, vastgesteld bij raadsbesluit van 15 december 2020, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. 4. Deze verordening komt per 1 juli 2022 van rechtswege te vervallen. 5. De verordening wordt aangehaald als "Verordening Parkeerbelastingen Zandvoort 2022/1" Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 december 2021. De griffier, De voorzitter
7
2.
BIJLAGE 1 TARIEVEN EN GEBIEDEN - Bijlage 1 - In deze bijlage zijn de plaats waar en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2 onderdeel a mag worden geparkeerd opgenomen. Het betreft de volgende gebieden, terreinen en weggedeelten: Tariefgebied A, Tariefgebied A beslaat de volledige zone zoals aangegeven op kaart A. De grenzen van zone A staan aangegeven op kaart A behorende bij dit tariefgebiedenblad en bestaat uit de volgende wegen, weggedeelten of parkeerterreinen c.q. wordt gevormd door: De westzijde van de Boulevard Barnaart vanaf het begin van de Boulevard Barnaart (vanaf de Jacob van Heemskerckstraat) tot aan gemeentegrens Bloemendaal. Tariefgebied B, Tariefgebied B beslaat de volledige zone zoals aangegeven op kaart B. De grenzen van Zone B staan aangegeven op kaart B behorende bij dit tariefgebiedenblad en worden gevormd door: oostzijde Burgemeester van Alphenstraat t.h.v. perceel 63 (Hotel) tot Van Lennepweg. oostzijde Van Speijkstraat vanaf Van Lennepweg tot het Stationsplein; westzijde van de Van Speijkstraat vanaf het Stationsplein tot Banckertstraat; zuidzijde Banckertstraat; oostzijde Secretaris Bosmanstraat tot aan Jacob van Heemskerckstraat; noordzijde Jacob van Heemskerckstraat; Tariefgebied C, Tariefgebied C beslaat de volledige zone zoals aangegeven op kaart C.
De grenzen van Zone C staan aangegeven op kaart C behorende bij dit tariefgebiedenblad en worden gevormd door: noordzijde Jacob van Heemskerckstraat vanaf Boulevard Barnaart; oostzijde Burgemeester Engelbertsstraat tot Zeestraat; noordzijde Zeestraat tot Ir. E.J.J. Kuindersstraat; weerszijden Ir. E.J.J. Kuindersstraat; westzijde Stationsplein; westzijde Van Speijkstraat tot Banckertstraat; noordzijde Stationsplein; oostzijde Stationsplein; oostzijde Eltzbacherstraat; noordzijde Zeestraat tot verlengde Haltestraat; westzijde Haltestraat tot Raadhuisplein; noordzijde Louis Davidsstraat; weerzijden Grote Krocht; weerzijden van de Cornelis Slegersstraat tot en met nummer 7 weerszijden Oranjestraat; noordzijde Kerkplein; noordzijde Kerkstraat; noordzijde Badhuisplein;
8
westzijde Boulevard de Favauge tot Jacob van Heemskerckstraat. Tariefgebied D, Tariefgebied D beslaat de volledige zone zoals aangegeven op kaart D. De grenzen van Zone D staan aangegeven op kaart D behorende bij dit tariefgebiedenblad en worden gevormd door: noordzijde Badhuisplein; noordzijde Kerkstraat; oostzijde Poststraat; achterzijde van de percelen aan de noordzijde Hogeweg vanaf Poststraat tot het perceel Hogeweg 9; noordzijde Watertorenplein; oostzijde Westerparkstraat tussen Hogeweg en Oosterparkstraat; oostzijde Oosterparkstraat; weerszijden Marnix van St. Aldegondestraat; ir. G. Friedhoffplein (alleen de parkeervakken voor de huisnummers 1 t/m 7) oostzijde Brederodestraat vanaf Ir. G. Friedhoffplein; westzijde Boulevard Paulus Loot tot Badhuisplein. Tariefgebied E: Tariefgebied E beslaat de volledige zone zoals aangegeven op kaart E. Zone E bestaat uit de volgende wegen, weggedeelten of parkeerterreinen en staat aangegeven op kaart E behorende bij dit tariefgebiedenblad: - Hogeweg (m.u.v. de parkeervakken voor de huisnummers 1 t/m 5) - Zuiderstraat - Paradijsweg - Brederodestraat (parkeervakken voor de huisnummers 1 t/m 104) - Cort. van der Lindenstraat - Dr. Visserstraat - Lijsterstraat - Dr. Schaepmanstraat - De Savornin Lohmanstraat - Mr. Troelstrastraat - Dr. Kuijperstraat - ir. G.
Friedhoffplein (met uitzondering van de parkeervakken voor de huisnummers 1 t/m 7) - Cort van der Lindenstraat (gedeelte tussen Ir. G. Friedhoffplein / hoek Lijsterstraat). Tariefgebied F: Tariefgebied F beslaat de volledige zone zoals aangegeven op kaart F. Frans Zwaanstraat (tussen de Lijsterstraat en de Patrijzenstraat); zoals weergegeven op kaart F Tariefgebied G: Tariefgebied G beslaat de volledige zone zoals aangegeven op kaart G. Zone G bestaat uit de volgende wegen, weggedeelten of parkeerterreinen zoals aangegeven op kaart G behorende bij dit tariefgebiedenblad: Het onverharde terrein naast parkeerterreinen De Zuid.
9
Tarief van de belasting als bedoeld in artikel 2 onder a van deze verordening: Tarieven bij parkeerapparatuur. in tariefgebied A: voor het tijdvak van 10:00 uur tot 22:00 uur in de periode 1 maart tot 1 november: - Uurtarief á € 2,50 of een gedeelte daarvan (minimale inworp € 0,50), met een maximum van € 15,00 per 24 uur. voor tijdvak van 10:00 uur tot 22:00 uur in de periode 1 november tot 1 maart: - Uurtarief á € 0,55 met een minimum-inworp van € 0,50. in tariefgebied B: voor het tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur in de periode 1 maart tot 1 november: - Uurtarief à € 3,50 of een gedeelte daarvan (minimale inworp € 0,50), met een maximum van € 30,00 per 24 uur. voor tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur in de periode 1 november tot 1 maart: - Uurtarief á € 0,55 met een minimum-inworp van € 0,50. in tariefgebied C: - € 3,50 per uur of een gedeelte daarvan (minimale inworp € 0,50), met een maximum van € 30,00 per 24 uur. met uitzondering van: - de weerszijden van de Grote Krocht vanaf perceel 3 tot en met 38; - de weerszijden van de Louis Davidsstraat vanaf het Raadhuisplein tot en met de kruising met de Oosterstraat; - de weerszijden van de Corn.
Slegersstraat vanaf perceel 1 tot en met 7; - de westzijde van de Oranjestraat vanaf het perceel plaatselijk gemerkt Raadhuisplein 4 tot en met Oranjestraat 20; - de westzijde van de Haltestraat vanaf het perceel plaatselijk gemerkt Raadhuisplein 16 tot en met Haltestraat 69; - het parkeerterrein gelegen oostelijk van de Swaluëstraat naast het perceel Swaluëstraat 2; - de zuidzijde van de Kleine Krocht; - de zuidzijde van de Jacob van Heemskerckstraat; - de westzijde van de Burgemeester Engelbertsstraat vanaf het perceel plaatselijk gemerkt Passage26 tot en met 42; waarvoor een maximale parkeerduur geldt van 2 uur met het volgende tarief: - Uurtarief á € 3,50 of een gedeelte daarvan (minimale inworp € 0,50) voor tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur in de periode 1 november tot 1 maart: - Uurtarief á € 0,55 met een minimum-inworp van € 0,50. in tariefgebied D: voor het tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur in de periode 1 maart tot 1 november: - Uurtarief € 3,50 (minimale inworp € 0,50) of een gedeelte daarvan, met een maximum van € 30,00 per 24 uur. met uitzondering van de oostzijde van de Thorbeckestraat, tussen de Kerkstraat en de aansluiting met de Hogeweg, en de noordzijde van de Hogeweg vanaf het perceel Hogeweg 9 tot en met de aansluiting met de Thorbeckestraat; waarvoor een maximale parkeerduur geldt van 2 uur met het volgende tarief:
10
- Uurtarief á € 3,50 of een gedeelte daarvan (minimale inworp € 0,50) voor tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur in de periode 1 november tot 1 maart: - Uurtarief á € 0,55 met een minimum-inworp van € 0,50. in tariefgebied E: voor het tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur in de periode 1 maart tot 1 november: - Uurtarief € 3,50 of een gedeelte daarvan (minimale inworp € 0,50), met een maximum van € 30,00 per 24 uur. voor tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur in de periode 1 november tot 1 maart: - Uurtarief á € 0,55 met een minimum-inworp van € 0,50. in tariefgebied F: in de periode 1 maart tot 1 november, in het tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur - Uurtarief € 3,50 of een gedeelte daarvan (minimale inworp € 0,50), met een maximum van € 30,00 per 24 uur. voor tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur in de periode 1 november tot 1 maart: - Uurtarief á € 0,55 met een minimum-inworp van € 0,50. in tariefgebied G: voor het tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur in de periode 1 maart tot 1 november: - Uurtarief € 3,50 of een gedeelte daarvan (minimale inworp € 0,50), met een maximum van € 30,00 per 24 uur. voor tijdvak van 10:00 uur tot 20:00 uur in de periode 1 november tot 1 maart: - Uurtarief á € 0,55 met een minimum-inworp van € 0,50.
11
De terreinen en weggedeelten waar een wielklem wordt toegepast en waarvoor een wegsleepregeling van toepassing is verklaard zoals bedoeld in artikel 8 van deze verordening, zijn de volgende: De terreinen en weggedeelten in het gebied zone A tot en met G. Kosten naheffingsaanslag, wielklem en wegslepen: De kosten van de naheffingsaanslag voor de belasting, het aanbrengen van een wielklem en het overbrengen van een voertuig zijn de volgende: 1) De kosten van de naheffingsaanslag voor de belasting, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Verordening Parkeerbelastingen bedragen € 66,50; 2) De kosten van het aanbrengen en het verwijderen van de wielklem bedragen in totaal € 52,00; 3) De kosten voor het uitrijden bedragen: • Op maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 18.00 uur Exclusief BTW € 73,16 Inclusief 21% BTW € 88,53 • Op overige uren op maandag tot en met vrijdag, feestdagen en op zaterdag en zondag van00.00 tot 24.00 uur Exclusief BTW € 86,81 Inclusief 21% BTW € 105,06 4) De kosten van het verslepen bedragen: • Op maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 18.00 uur Exclusief BTW € 72,10 Inclusief 21% BTW € 87,25 • Op overige uren op maandag tot en met vrijdag, feestdagen en op zaterdag en zondag Exclusief BTW € 86,82 Inclusief 21% BTW € 105,06 5) De kosten voor het uitrijden en verplaatsen van een voertuig binnen de gemeente Zandvoort bedragen: • Op maandag tot en met
vrijdag van 09.00 tot 18.00 uur Exclusief BTW € 128,02 Inclusief 21% BTW € 154,90 • Op overige uren van maandag tot en met vrijdag, feestdagen en op zaterdag en zondag van00.00 tot 24.00 uur Exclusief BTW € 152,18 Inclusief 21% BTW € 184,14 6) De kosten voor het bewaren van een voertuig bedragen: • Voor de eerste 24 uur of een deel daarvan Exclusief BTW € 92,04 Inclusief 21% BTW € 111,37 • Hierna wordt het bedrag voor de eerste 24 uur voor iedere daarop volgende 24 uur of een deel daarvan vermeerderd met: Exclusief BTW € 17,56 Inclusief 21% BTW € 21,25
12
7) De personele kosten verbonden aan het wegslepen en verplaatsen van een voertuig bedragen: • Op maandag tot en met vrijdag per voertuig per half uur of een gedeelte daarvan van 9.00tot 18.00 uur € 38,00 • Op alle dagen per voertuig per half uur of een gedeelte daarvan op de overige uren van maandag tot en met vrijdag, feestdagen, zaterdag en zondag van 00.00 tot 24.00 € 38,00 • De administratieve afhandeling per half uur of een gedeelte daarvan op maandag tot en met vrijdag • van 09.00 tot 18.00 uur € 38,00 • De administratieve afhandeling per half uur of een gedeelte daarvan op overige uren van maandag tot en met vrijdag, feestdagen, zaterdag en zondag van 00. 00 tot 24.00 uur €38,00 • Op alle dagen per voertuig per uur of een gedeelte daarvan ten behoeve van de inning €51,00 • Op alle dagen per voertuig per uur of een gedeelte daarvan ten behoeve van de sommatie€ 50,00 8) Het bedrag van de ingevolge het derde, t/m achtste lid in rekening te brengen kosten wordt bij beschikking vastgesteld. De kosten van de naheffingsaanslag en van de wielklem zijn opgebouwd volgens de wettelijke systematiek uit het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen.
Tarief van de belasting als bedoeld in artikel 2 onder b van deze verordening: Parkeerapparatuurplaatsenvergunning (PAP-vergunning) Het tarief voor een parkeervergunning op grond van artikel 2 onder b van deze verordening jo artikel3.2 onder a van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van 12 kalendermaanden€ 27,00 voor de eerste vergunning en € 40,50 voor elke volgende vergunning die verleend is ten behoeve van een zelfstandige woning. Voor de reeds in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd verstreken kalendermaanden wordt voor iedere volle verstreken kalendermaand 1/12e deel op het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar in mindering (korting) gebracht waarbij het tarief echter nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Voor de nog in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd te verstrijken kalendermaanden wordt voor iedere op dat moment volle nog te verstrijken kalendermaand 1/12e deel van het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar gerestitueerd waarbij het verschuldigde tarief voor de vergunning voor het betreffende jaar nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Bedrijfsvergunning Het tarief voor een parkeervergunning (Bedrijfsvergunning) op grond van artikel 2 onder b van deze verordening jo artikel 3.2 onder b van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van12 kalendermaanden € 150,00.
Voor de reeds in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd verstreken kalendermaanden wordt voor iedere volle verstreken kalendermaand 1/12e deel op het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar in mindering (korting) gebracht waarbij het tarief echter nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen.
13
Voor de nog in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd te verstrijken kalendermaanden wordt voor iedere op dat moment volle nog te verstrijken kalendermaand 1/12e deel van het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar gerestitueerd waarbij het verschuldigde tarief voor de vergunning voor het betreffende jaar nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Functionele vergunning F1 Het tarief voor een parkeervergunning (subcategorie Functionele vergunning F1) op grond van artikel2 onder b van deze verordening jo artikel 3.2 onder b van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van 12 kalendermaanden € 25,00. Voor de reeds in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd verstreken kalendermaanden wordt voor iedere volle verstreken kalendermaand 1/12e deel op het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar in mindering (korting) gebracht waarbij het tarief echter nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Voor de nog in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd te verstrijken kalendermaanden wordt voor iedere op dat moment volle nog te verstrijken kalendermaand 1/12e deel van het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar gerestitueerd waarbij het verschuldigde tarief voor de vergunning voor het betreffende jaar nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen.
Functionele vergunning F2 Het tarief voor een parkeervergunning (subcategorie Functionele vergunning F2) op grond van artikel2 onder b van deze verordening jo artikel 3.2 onder b van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van 12 kalendermaanden €180,00. Voor de reeds in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd verstreken kalendermaanden wordt voor iedere volle verstreken kalendermaand 1/12e deel op het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar in mindering (korting) gebracht waarbij het tarief echter nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Voor de nog in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd te verstrijken kalendermaandenwordt voor iedere op dat moment volle nog te verstrijken kalendermaand 1/12e deel van het verschul-digde tarief voor het kalenderjaar gerestitueerd waarbij het verschuldigde tarief voor de vergunningvoor het betreffende jaar nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Commerciële vergunning Het tarief voor een parkeervergunning (subcategorie Commerciële vergunning) op grond van artikel 2onder b van deze verordening jo artikel 3.2 onder b van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van 12 kalendermaanden € 442,00.
Voor de reeds in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd verstreken kalendermaanden wordt voor iedere volle verstreken kalendermaand 1/12e deel op het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar in mindering (korting) gebracht waarbij het tarief echter nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Voor de nog in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd te verstrijken kalendermaanden wordt voor iedere op dat moment volle nog te verstrijken kalendermaand 1/12e deel van het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar gerestitueerd waarbij het verschuldigde tarief voor de vergunning voor het betreffende jaar nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen.
14
Werknemersvergunning Het tarief voor een parkeervergunning (subcategorie Werknemersvergunning) op grond van artikel 2onder b van deze verordening jo artikel 3.2 onder b van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van 12 kalendermaanden € 150,00. Voor de reeds in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd verstreken kalendermaanden wordt voor iedere volle verstreken kalendermaand 1/12e deel op het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar in mindering (korting) gebracht waarbij het tarief echter nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Voor de nog in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd te verstrijken kalendermaanden wordt voor iedere op dat moment volle nog te verstrijken kalendermaand 1/12e deel van het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar gerestitueerd waarbij het verschuldigde tarief voor de vergunning voor het betreffende jaar nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Parkeerkaart Het tarief voor een parkeervergunning (subcategorie Parkeerkaart) op grond van artikel 2 onder b vandeze verordening jo artikel 3.2 onder b van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periodevan 24 uur € 13,00 en voor de periode van 1 week € 45,00. De parkeervergunning (subcategorie Parkeerkaart) is uitgesloten van korting en restitutie.
Belanghebbendenvergunning (BEL-vergunning) Het tarief voor een parkeervergunning (Belanghebbendenvergunning) op grond van artikel 2 onder b van deze verordening jo artikel 3.2 onder c van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van 12 kalendermaanden € 108,00. Het tarief voor een parkeervergunning op grond van artikel2 onder b van deze verordening jo artikel 3.2 van de vigerende parkeerverordening ten behoeve vaneen houder van een tweede motorvoertuig bedraagt € 162,00 en € 162,00 voor elke volgende vergunning die verleend is ten behoeve van een zelfstandige woning. Voor de reeds in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd verstreken kalendermaanden wordt voor iedere volle verstreken kalendermaand 1/12e deel op het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar in mindering (korting) gebracht waarbij het tarief echter nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Voor de nog in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd te verstrijken kalendermaanden wordt voor iedere op dat moment volle nog te verstrijken kalendermaand 1/12e deel van het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar gerestitueerd waarbij het verschuldigde tarief voor de vergunning voor het betreffende jaar nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen.
Bezoekersvergunning Het tarief voor een parkeervergunning (Bezoekersvergunning) op grond van artikel 2 onder b van deze verordening jo artikel 3.2 onder d van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van12 kalendermaanden, dan wel een kortere periode, € 13,00. De parkeervergunning (subcategorie Bezoekersvergunning) is uitgesloten van korting en restitutie.
15
Bewonersvergunning (bewonersgebieden) Het tarief voor een parkeervergunning ten behoeve van een bewoner op grond van artikel 2 onder b van deze verordening jo artikel 3.2 onder g van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van 12 kalendermaanden € 80,00. Voor de reeds in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd verstreken kalendermaanden wordt voor iedere volle verstreken kalendermaand 1/12e deel op het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar in mindering (korting) gebracht waarbij het tarief echter nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Voor de nog in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd te verstrijken kalendermaanden wordt voor iedere op dat moment volle nog te verstrijken kalendermaand 1/12e deel van het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar gerestitueerd waarbij het verschuldigde tarief voor de vergunning voor het betreffende jaar nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Bezoekerspas Het tarief voor een parkeervergunning (Bezoekerspas) op grond van artikel 2 onder b van deze verordening jo artikel 3.2 onder h van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van 12 kalendermaanden € 20,00. De parkeervergunning (subcategorie Bezoekerspas) is uitgesloten van korting en restitutie.
Hotelvergunning Het tarief voor een parkeervergunning op grond van artikel 2 onder b van deze verordening jo artikel3.2 onder e van de vigerende parkeerverordening bedraagt indien deze vergunning parkeren mogelijk maakt in een belanghebbendengebied voor de periode van 12 kalendermaanden € 216,00. Het tarief voor een parkeervergunning op grond van artikel 2 onder b van deze verordening jo artikel3.2 onder e van de vigerende parkeerverordening bedraagt indien deze vergunning parkeren mogelijk maakt in een parkeerapparatuurgebied voor de periode van 12 kalendermaanden € 54,00. Het tarief voor een parkeervergunning op grond van artikel 2 onder b van deze verordening jo artikel3.2 onder e van de vigerende parkeerverordening bedraagt indien deze vergunning parkeren mogelijk maakt in een bewonersgebied voor de periode van 12 kalendermaanden € 160,00. Voor de reeds in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd verstreken kalendermaanden wordt voor iedere volle verstreken kalendermaand 1/12e deel op het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar in mindering (korting) gebracht waarbij het tarief echter nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen.
Voor de nog in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd te verstrijken kalendermaanden wordt voor iedere op dat moment volle nog te verstrijken kalendermaand 1/12e deel van het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar gerestitueerd waarbij het verschuldigde tarief voor de vergunning voor het betreffende jaar nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen.
16
Toeristenvergunning Het tarief voor een parkeervergunning op grond van artikel 2 onder b van deze verordening jo artikel3.2 onder e subcategorie Toeristenvergunning van de vigerende parkeerverordening bedraagt voor de periode van 12 kalendermaanden, dan wel een kortere periode, € 150,00. Voor de reeds in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd verstreken kalendermaanden wordt voor iedere volle verstreken kalendermaand 1/12e deel op het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar in mindering (korting) gebracht waarbij het tarief echter nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen. Voor de nog in het kalenderjaar waarvoor de vergunning is aangevraagd te verstrijken kalendermaanden wordt voor iedere op dat moment volle nog te verstrijken kalendermaand 1/12e deel van het verschuldigde tarief voor het kalenderjaar gerestitueerd waarbij het verschuldigde tarief voor de vergunning voor het betreffende jaar nimmer minder dan € 21,20 kan bedragen.
De wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2 onder a mag worden geparkeerd: dat terzake van het betaald parkeren door het in werking stellen van de parkeerapparatuur in Zone A tot en met G geschiedt door het inwerpen van € 0,10, € 0,20, € 0,50, € 1,00 en € 2,00, dan wel met behulp van een pinpas of creditcard, dan wel met behulp van een telefoon of ander communicatiemiddel waarmee de betaling van de belasting bedoeld in artikel 2 onder a mogelijk is. dat er tenminste zoveel muntstukken in de parkeerapparatuur dienen te worden geworpen, dan wel zoveel geld betaald dient te worden op de andere hiervoor omschreven wijzen als nodig is om de gewenste parkeerduur te kunnen parkeren; dat indien bij het betaald parkeren gebruik wordt gemaakt van parkeerapparatuur, welke na het inwerpen van muntstukken, dan wel door gebruikmaking van de andere hiervoor aangegeven betaalmogelijkheden een parkeerkaartje afgeeft, dit parkeerkaartje met de tijdsaanduiding aan de bovenzijde op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats achter de voorruit van het motorvoertuig dient te worden aangebracht; dat indien voor het inwerkingstellen van de parkeerapparatuur gebruik wordt gemaakt van de telefoon of ander communicatiemiddel, waarbij verwezen wordt naar een ten behoeve van deze wijze van betaling verstrekte parkeerkaart, dient deze kaart op een van buitenaf duidelijk leesbare
plaats achter de voorruit van het motorvoertuig te worden aangebracht. De wijze waarop ten behoeve van de in artikel 3 lid 4 genoemde wijze met een vergunning kan worden geparkeerd; dat indien bij het parkeren bij een parkeermeter, een parkeerautomaat of op belanghebbendenplaatsengebruik wordt gemaakt van een van gemeentewege verleende vergunning, deze met de vergunning gegevens naar boven op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats achter de voorruit van het motorvoertuig dient te worden aangebracht.
17
Kaarten
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
3.
TOELICHTING OP DE VERORDENING 3.1 ALGEMEEN Wettelijke basis De verordening parkeerbelastingen is gebaseerd op de tekst van de Gemeentewet zoals die luidt vanaf1 januari 1995. Dit is de datum van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen (hierna: Wet materiële belastingbepalingen). Bevoegdheden Op een aantal plaatsen wordt de bestuursbevoegdheid van het college van burgemeester en wethoudersgeregeld. De bevoegdheid tot uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing en deinvordering van gemeentelijke belastingen ligt bij de daartoe aangewezen heffingsambtenaar (de inartikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar). Na de invoe-ring van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht is delegatie van de bevoegdheden niettoegestaan. Wel kunnen bepaalde bevoegdheden worden gemandateerd.
3.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1 Begripsomschrijvingen Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de modelverordening voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1. Zo is betrekkelijk uitvoerig gedefinieerd wat wordt verstaan onder het parkeren van een voertuig. Het valt op dat nadrukkelijk wordt gesproken over voertuigen en niet over motorrijtuigen. Het begrip voertuig is ruimer dan het begrip motorrijtuig. Deze ruimere omschrijving vinden we ook terug bij de definitie van het begrip houder. Voor de houder van voertuigen wordt gekeken naar degene die naar de omstandigheden beoordeeld als houder van het voertuig moet worden beschouwd. Alleen voor de houders van motorrijtuigen die zijn ingeschreven in het kentekenregister wordt gekeken naar degene op wiens naam het voor dat motorrijtuig afgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven. Voor het parkeren van andere voorwerpen dan voertuigen komt de heffing van parkeerbelastingen niet aan de orde. In die situatie kan mogelijk precariobelasting geheven worden, mits er in de gemeente een precarioverordening geldt die daarin voorziet. Voorts is nog een definitie opgenomen van het begrip parkeerapparatuur.
Van parkeren is geen sprake gedurende de tijd dat het voertuig nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk laden of lossen van zaken (Hof 's-Gravenhage 28 april 1993, nr. 921 361-E-3 en nr. 921 700-E-3, Belastingblad 1993, blz.585 en 586, Hof Arnhem 16 september 1993, nr. 920 866, Belastingblad 1994, blz. 207 en Hof Amsterdam12 november 1993, nr. 2108/92, M IV, Belastingblad 1994, blz. 208). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 mei 1999, nr. 33 286, Belastingblad 1999, blz. 566 een definitie gegeven van het begrip onmiddellijk laden en lossen: 'Onder het onmiddellijk laden en lossen (...) dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.'
29
Artikel 2 Belastbaar feit In artikel 2 is omschreven welke parkeerbelastingen geheven kunnen worden. Het gaat dan om de belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bepaalde aangewezen plaats en om een belasting ter zake van het vergunning parkeren. Een ontheffing om bij een parkeermeter te mogen staan zonder dat voor de duur van het parkeren wordt betaald, wordt door ons als een vergunning aangemerkt. Jurisprudentie Over de vraag of al of niet terecht een naheffingsaanslag is opgelegd door de gemeente is de nodige jurisprudentie verschenen: - Hof 's-Gravenhage 20 januari 1993, nr. 920626-E-7, Belastingblad 1993,blz. 710. Het verweer dat de parkeermeter defect was gaat niet op, omdat op de parkeermeter staat aangegeven wat te doen bij defecten. Op de betreffende avond zijn bovendien geen klachten binnengekomen over een defect aan de parkeermeter. Zie voor een vergelijkbaar geval Hof Amsterdam 20november 1992, nr. 92/0626 E VII, Belastingblad 1993, blz. 147; - Hof Arnhem 13 juli 1993, nr. 930034,E I, Belastingblad 1993, blz. 610. De parkeerkaart zat niet achter de ruit maar was op de grond gevallen. Belanghebbende is met het kaartje naar de parkeerwachter gelopen. Deze heeft toegezegd dat de zaak bij indiening van een bezwaarschrift zou worden hersteld.
Nu de parkeerwachter bevoegd is deze toezegging te doen, handelt de gemeente in strijd met het vertrouwensbeginsel door de toezegging niet na te komen; - Hof Arnhem 29 december 1992, nr. 912357, Belastingblad 1993, blz. 312. Het feit dat de auto was ingebouwd doet niet af aan de verplichting parkeerbelasting te voldoen. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. - Hoge Raad 8 januari 1997, nr. 31 657, Belastingblad 1997, blz. 173. Voor de vraag of een naheffingsaanslag kan worden opgelegd, is niet van belang of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Voor het opleggen van een naheffingsaanslag is slechts plaats indien de verschuldigde belasting niet is betaald. Het geval betrof een niet achter de voorruit van het voertuig geplaatst, maar achteraf getoond parkeerkaartje waaruit van betaling van de parkeerbelasting bleek. Uit laterejurisprudentie blijkt dat het achteraf tonen van een (kopie van een) geldig parkeerkaartje niet in alle gevallen hoeft te leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Dit is afhankelijk van de waardering van de bewijsmiddelen. Vergelijk in dit verband Hof Arnhem 7 oktober 1997, nr. 95/1025, Belastingblad1998, blz. 581, en Hof Arnhem 19 maart 1998, nr. 97/21317, Belastingblad 1998, blz. 583). - Hoge Raad17 december 1997, nr. 32.834, Belastingblad 1998, blz. 239.
Volgens de Hoge Raad is het stelsel van de parkeerbelasting zo dat geen 'a-belasting' is verschuldigd indien geparkeerd wordt met een vergunning waarvoor de 'bbelasting' is voldaan. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, is er geen sprake van parkeren met die vergunning. Indien een van die voorschriften is dat de vergunning 'op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats' achter de voorruit van het voertuigmoet worden geplaatst en aan dat voorschrift wordt niet voldaan, kan een naheffingsaanslag worden opgelegd. Inmiddels is ook uit de nadien verschenen jurisprudentie gebleken dat niet in alle gevallenwaar belastingplichtige achteraf een (afschrift van het) parkeerkaartje kan tonen, de naheffingsaanslagparkeerbelastingen door de rechter vernietigd wordt. De rechter komt tot zijn beslissing op grond vaneen waardering van de bewijsmiddelen. Indien een gemeente in redelijkheid twijfelt aan de verklaring van belastingplichtige en dit ook aannemelijk kan maken, is er geen aanleiding af te zien van een beroepsprocedure. Artikel 3 Belastingplicht Eerste en vierde lid
30
In artikel 3 is vastgelegd wie belastingplichtig is voor de belastingen die zijn genoemd in artikel 2, onderdelen a en b. Hoofdregel is dat de belasting die wordt genoemd in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. De belasting genoemd in artikel 1, onderdeel b, wordt echter geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. Wij zijn van mening dat zich bij het aanwijzen van de belastingplichtige geen keuzesituatie kan voordoen. In verband hiermee is het stellen van beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige niet nodig. Tweede lid In het tweede lid van artikel 3 wordt aangegeven wie als degenen die het voertuig hebben geparkeerd mede worden aangemerkt. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt tevens aangemerkt degene die de belasting voldoet, dat is dus degene die geld werpt in de meter, dan wel degene die na de eerste aanmaning te kennen geeft of te kennen heeft gegeven de belasting te willen voldoen. Zolang die belasting echter niet is voldaan is de houder van het voertuig tevens aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd en de houder is dan weer degene waarvan het kenteken staat ingeschreven in het kentekenregister. Een uitzondering op het aanmerken van de houder als degene die het voertuig heeft geparkeerd is te vinden in het tweede lid, onderdeel b.
Als namelijk een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit kan blijken, en dat is een zware vorm van bewijs, wie ten tijde van het parkeren de huurder van het voertuig was dan wordt niet de houder maar de huurder als degene die het voertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Zie in dit verband Hof Arnhem 12 januari 1993, nr. 92 1633, E I, Belastingblad 1993, blz. 639. Zo is er ook nog een tweede uitzondering. Indien namelijk blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven dan wordt die ander als degene die het voertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Dit kan bijvoorbeeld blijken als de houder een zogenaamd vrijwaringbewijs overlegt. De regeling van artikel 225, vijfde lid, van de Gemeentewet, beoogt niet uit te sluiten dat de naheffingsaanslag kan worden opgelegd aan degene die het voertuig feitelijk heeft geparkeerd. De regeling dient zo te worden gelezen dat naast de houder ook degene die in artikel 225, derde lid, van de Gemeentewet in de eerste plaats als belastingplichtige is aangewezen als zodanig blijft aangemerkt, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 14 juli2000, nr. 35 314, Belastingblad 2000, blz. 980. Wanneer een naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de houder van het voertuig, heeft ook de feitelijke parkeerder de mogelijkheid om bezwaar te maken.
Dit heeft de Hoge Raad uitgemaakt in zijn arrest van 14 juli 2000, nr. 34 578, Belastingblad 2000, blz. 934.Wanneer de naheffingsaanslag niet is opgelegd aan degene die het voertuig feitelijk heeft geparkeerd, maar aan de houder van het voertuig, heeft de feitelijk parkeerder geen mogelijkheid bezwaar te maken tegen die naheffingsaanslag. De Hoge Raad constateert dat er sprake is van een leemte in de wet en oordeelt: 'Daarom moet worden aangenomen dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk het voertuig heeft geparkeerd, ook deze laatste naast degene aan wie de aanslag is opgelegd, en, ingevolge art. 225, lid 4, naast degene die de belasting heeft voldaan, het recht heeft tegen de naheffingsaanslag een bezwaarschrift in te dienen. Met betrekking tot de daarbij in acht te nemen termijn voor het maken van bezwaar geldt het volgende. Indien op de voet van artikel 234, lid 8, voor de uitreiking van het aanslagbiljet is volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig, moet worden aangenomen dat de termijn voor het indien van het bezwaarschrift als bedoeld in art. 22a (thans 22j) AWR aanvangt met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet.
Indien niet vaststaat dat het aanslagbiljet op deze wijze is uitgereikt, vangt de termijn voor het instellen van bezwaar eerst aan op de dag na dagtekening van een "duplicaat" van het aanslagbiljet waarin naast het daarin reeds vermelde kenteken van het voertuig ook de naam en het adres van de belastingschuldige zijn vermeld, aan de hand waarvan
31
kan worden geconstateerd of het "duplicaat" op de juiste wijze is verzonden. Een en ander geldt ook indien na toepassing van art.234, lid 8, van de Gemeentewet en toezending van een "duplicaat" het bezwaarschrift wordt ingediend door degene die stelt dat hij niet de houder van het voertuig of degene die de belasting heeft voldaan is, maar degene die ten tijde van het geconstateerde parkeren de feitelijke beschikking over het betrokkenvoertuig had. In die situatie dient in voorkomend geval met het oog op de toepassing van art. 6:11 Awb rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat het "duplicaat" van het aanslagbiljet aanvankelijk is verzonden aan de houder van het voertuig.' Het is essentieel dat uit de kopie van het naheffingsaanslagbiljet blijkt dat het om een kopie gaat, aangezien het niet mogelijk is ter zake van hetzelfde belastbare feit twee aanslagen op te leggen. Daarom spreekt de Hoge Raad in zijn arrest zo nadrukkelijk van "duplicaat" van het aanslagbiljet. Derde lid In het derde lid van artikel 3 staat van wie de belasting niet wordt geheven. Iemand kan niet als degene die het voertuig heeft geparkeerd worden aangemerkt indien hij aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt. Er moet wel aannemelijk worden gemaakt dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
Het is de bedoeling dat de houder niet als parkeerder wordt aangemerkt indien er met zijn voertuig joyriding heeft plaatsgevonden of als het voertuig op het moment van constateren als gestolen geregistreerd staat. Vierde lid In het vierde lid is buiten kijf gesteld dat geen belasting wordt geheven bij het parkeren van een voertuig waarvoor een vergunning is verleend. Vijfde lid In het vijfde lid is aangegeven dat de belasting geheven op parkeervergunningen geheven wordt van degene die de vergunning heeft aangevraagd. Artikel 4 Ontstaan van de belastingschuld In artikel 4 is geregeld op welk tijdstip de belastingschuld ontstaat. Voor de belasting genoemd in artikel2, onderdeel a, is geregeld dat deze is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren (eerste lid). De belasting genoemd in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip dat de vergunning wordt aangevraagd (tweede lid). Naar wij menen kan voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een parkeervergunning een afzonderlijk bedrag aan leges worden gevraagd. Het gevorderde bedrag heeft betrekking op de kosten van afgifte van de vergunning. De belasting als bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet heeft betrekking op de parkeerbelasting die voor een verleende vergunning mag worden gevorderd. Dit kan afwijken van de omschrijving van het belastbaar feit zoals die voorkomt in de verordening leges.
In de legesverordening is omschreven dat de belastingschuld ontstaat bij het indienen van de aanvraag. Het belastbare feit is daar ook omschreven als het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning.
32
Artikel 5 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak In artikel 5 wordt voor het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing verwezen naar een bij de verordening behorende tarieventabel. Deze is achter de verordening opgenomen in bijlage 1. Ten aanzien van de mogelijke heffingsmaatstaven voor de parkeerbelastingen is in artikel 225, achtste lid, van de Gemeentewet een limitatieve opsomming weergegeven. Het tarief van de parkeerbelastingen kan slechts afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten. Artikel 6 Wijze van heffing , termijn van betaling Wijze van heffing In het eerste lid is geregeld op welke wijze de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a - dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen - wordt geheven. Deze wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Het onderscheid is van belang voor de mogelijkheid van het opleggen van naheffingsaanslagen met opslag van kosten. Dit is op grond van de wettelijke regeling alleen mogelijk bij een systeem van voldoening op aangifte. Indien op andere wijze wordt geheven, dient de strafrechtelijke handhaving te worden toegepast en kunnen administratieve boetes ('Mulder- boetes') worden opgelegd.
Voor de volledigheid bepaalt de slotzin van het eerste lid dat als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het in werking van de parkeerapparatuur op de voorgeschreven wijze. Deze bepaling komt overeen met de in artikel 234, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet opgenomen mogelijkheid voor het voldoen op aangifte. Het tweede lid regelt de wijze van heffing voor de parkeerbelasting voor het parkeren krachtens een parkeervergunning. Deze belasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Daarmee is de 'echte' voldoening op aangifte bedoeld en niet de voldoening op aangifte bij wetsduiding (het in werking stellen van de parkeerapparatuur). Termijnen van betaling Het eerste lid regelt het tijdstip van betaling voor de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen. Zowel bij de heffing bij wege van voldoening op aangifte als bij de heffing op andere wijze, geschiedt de betaling door het inwerpen van geld in de parkeerapparatuur. In de verordening vallen aangifte en betaling dus samen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de AWR moet overeenkomstig de aangifte worden betaald.
Voor het tijdstip van betaling is met toepassing van artikel 238, tweede lid (bij de heffing bij wege van voldoening op aangifte) en artikel 250, eerste lid (bij de heffing op andere wijze) van de Gemeentewet een van artikel 19 van de AWR, onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 afwijkende betalingsregeling getroffen. Als geen betaling heeft plaatsgevonden in de fysiek aanwezige parkeerapparatuur heeft plaatsgevonden kan een naheffingsaanslag worden opgelegd en eventueel een wielklem worden aangebracht. In die situatie vindt het traject zoals dat is vastgelegd in de artikelen 234 en 235 van de Gemeentewet toepassing. Een naheffingsaanslag moet ingevolge het laatste lid van artikel 7 terstond worden betaald. Dit is in overeenstemming met artikel 234, negende lid, van de Gemeentewet. De gemeente kan overigens ook een acceptgiro sturen die binnen een bepaalde termijn betaald moet worden. Voor de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel b, is in het tweede lid bepaald dat deze overeenkomstig de aangifte (vergelijk artikel 4) moet worden betaald op het moment dat de vergunning wordt verleend. Dit tijdstip zal doorgaans zijn gelegen voor aanvang van het tijdvak waarvoor de vergunning geldt.
33
Voor de aangiften wordt doorgaans gebruik gemaakt van een optisch leesbare acceptgiro. Door ondertekening van de betalingsopdracht doet men aangifte voor het volgend tijdvak. Voor dat tijdvak wordt ook een nieuwe vergunning verleend. Het parkeren zonder vergunning op plaatsen waar dat alleen met een vergunning mag is een overtreding. In dat geval zal er niet een naheffingsaanslag kunnen worden opgelegd, tenzij in hetzelfde gebied ook het parkeerbelasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven. Is dat laatste niet het geval, dan moet het parkeren zonder vergunning op een vergunning plaats gezien worden als een overtreding. Deze zal in beginsel strafrechtelijk worden vervolgd. In dit artikel is een aanpassing opgenomen ten opzichte van de oude parkeerverordening om betaling mogelijk te maken via telefoon of een ander communicatiemiddel. Artikel 7 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen In deze verordening is via artikel 7 reeds aanwijzing gedaan van de plaats en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting bedoeld in artikel 2 onderdeel a geparkeerd mag worden. Dit betekent dat niet een nieuw aanwijzingsbesluit door het college genomen hoeft te worden. Dit ter vermijding van de problematiek zoals hierna genoemd.
De plaats en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling geparkeerd kan worden in bovengenoemde zin, kan gewijzigd worden door het college. Dit ter borging van mogelijkheden om het parkeerbeleid op basis van voortschrijdend inzicht aan te passen. In artikel 7 is opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om aan te wijzen de plaats waar en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting mag worden geparkeerd. Op grond van artikel225 van de Gemeentewet moet de verordening namelijk een regeling bevatten in welke gevallen het college die aanwijzing kan doen. Het aanwijzingsbesluit completeert de verordening. Zonder aanwijzingsbesluit kunnen geen aanslagen worden opgelegd. Dit heeft in het verleden meerdere malen geleid tot vernietiging van de naheffingsaanslag, in die gevallen dat na intrekking van de verordening bij het vaststellen van de nieuwe verordening geen nieuw aanwijzingsbesluit was genomen. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat men er in voorkomende gevallen vanuit kan gaan dat het de bedoeling is geweest dat het oude aanwijzingsbesluit na het vaststellen van de nieuwe verordening zou blijven gelden: "Het stond de gemeenteraad (¼) vrij om in de nieuwe verordening te bepalen dat het aanwijzingsbesluit geacht zou worden voortaan te berusten op de nieuwe verordening.
Daar een besluit tot vaststelling van de plaatsen waar en de tijdstippen en wijzen waarop slechts tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd een verordening inzake parkeerbelastingen completeert, en de vaststelling van een nieuwe verordening niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met de behoefte om wijziging te brengen in de vaststelling van zulke plaatsen, tijdstippen en wijzen, zal doorgaans gerede aanleidingbestaan om te veronderstellen dat de gemeenteraad heeft beoogd gebruik te maken van de bevoegdheid die omschreven is aan het slot van de vorige volzin.". Voor de praktijk betekent dit dat de parkeerderaannemelijk zal moeten maken dat de gemeenteraad bij het intrekken van een oude verordening niet heeft beoogd om het aanwijzingsbesluit in tact te laten, wil aan het aanwijzingsbesluit verbindende kracht kunnen worden ontzegd; zie Hoge Raad 9 augustus 2002, nr. 36624, LJN AE6373 en Hoge Raad 14 juni 2002, nr. 37053, LJN AD7779. In het verleden is discussie geweest over de vraag of bezwaar en beroep mogelijk is tegen een aanwijzing indien deze is vervat in een afzonderlijk besluit, dat gebaseerd is op de verordening, maar er geen deel van uitmaakt. In een uitspraak van 12 april 1999 (nr. H01.98.1361)heeft de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist dat zulks niet mogelijk is.
Een op grond van de verordening parkeerbelastingen genomen aanwijzingsbesluit berust namelijk op een wettelijk voorschrift inzake belastingen (artikel 225 Gemeentewet). Op grond van artikel 8:4, aanhef en onder g, van de Awb
34
staat daartegen geen voorziening open. Het college van burgemeester en wethouders kan niet volstaan met het aanwijzen van de betaald-parkeren plaatsen maar moet in het openbaar te maken besluit ook aangeven de tijd dat het betaald-parkeren voor de verschillende parkeerplaatsen geldt (bijvoorbeeld van 9.00-18.00 uur, de data en tijden van de vaste koopavonden én de extra koopavonden etc.) en de wijze waarop tegen betaling geparkeerd mag worden (bijvoorbeeld dat een kaartje zichtbaar achter de voorruit moet liggen etc.). Niet voldoende is dat dit op de parkeermeter zelf staat. Ontbreekt een dergelijk besluit van het college dan kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven (Hof Amsterdam van 8 september 1993 (nr. 2674/92, E III, Belastingblad 1994, blz. 37). De aanwijzingsbevoegdheid gaat niet zover dat het college de begrenzing van de gebieden waar het regime van betaald parkeren geldt kan vaststellen. Die bevoegdheid is voorbehouden aan de gemeenteraad. Het college kan wel binnen deze gebieden een nadere verfijning geven. Wij hebben er daarom voor gekozen de begrenzing te regelen via de bij de verordening behorende tarieventabel en/of via een bij de verordening behorende kaart. De bevoegdheid de gebieden aan te wijzen waar tegen betaling wordt geparkeerd, moet niet zo worden uitgelegd dat het college gehouden zou zijn elke individuele parkeerplaats aan te wijzen.