CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bijlagen ontwikkelperspectief binnenduinrand

Raadscommissie 9 maart 2021, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Ontwikkelperspectief Binnenduinrand31.331 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

26 |

3.3 Buitenplaatsen en Villawijken Het toeristisch-recreatieve sfeergebied “Buitenplaatsen en Villawijken” wordt gekenmerkt door een rijke cultuurhistorie, afwisseling tussen prestigieuze buitenplaatsen, luxe villawijken, parken en tuinen, historische doorkijkjes en vergezichten, bossen en open gebieden. Vanuit het regionale perspectief bezien zijn de buitenplaatsen sterk bepalend voor de sfeer van de Binnenduinrand. Het recreatief-toeristisch aanbod bestaat naast de buitenplaatsen uit wandelbossen (Groenendaal, Bloemendaalse Bos, Haarlemmer Hout, Bosbeek) en (nostalgische) recreatieve attracties zoals Kinderboerderij het Molentje, de Linnaeushof, Kraantje Lek, Thijsse’s Hof, Kopje van Bloemendaal, openluchttheater Caprera, het Oude Slot, de Ruïne van Brederode, de Hertenkamp, begraafplaats Westerveld. Ook herbergt deze zone een aantal restaurants en hotels met allure (bv Groenendaal en Duin- en Kruidberg). In de zone van buitenplaatsen en villawijken ligt een uitgebreid netwerk van wandel-, fiets- en ruiterpaden. Ambities en uitgangspunten De buitenplaatsen zijn sterk bepalend voor de sfeer van de Binnenduinrand en vormen een belangrijke meerwaarde binnen de MRA. Het karakter, de belevingswaarde en de (recreatieve) gebruikswaarde van de buitenplaatsen moet worden versterkt door ze onderling te verbinden via een recreatief padennetwerk op en rond de buitenplaatsen.

Hierbij is het streven om de openbare toegankelijkheid van de buitenplaatsen te vergroten, inclusief publieksfuncties. De karakteristiek van de individuele buitenplaatsen is leidend voor ontwikkeling. Bij de particuliere buitenplaatsen is de bottleneck doorgaans het in stand houden van het parkgedeelte, bij buitenplaatsen in beheer bij natuurbeheerorganisaties is het in stand houden van het hoofdgebouw juist de bottleneck. Door op voorhand geen gebruiksfuncties uit te sluiten, worden de mogelijkheden op het gebied van behoud en versterking en van recreatief medegebruik van de buitenplaatsen vergroot. Uiteraard moet hier wel worden gewaakt voor aantasting van de ruimtelijke kwaliteit en de cultuurhistorische waarden. Om alle genoemde invalshoeken voor de buitenplaatsen bij elkaar te brengen (natuur, cultuurhistorie, recreatieve routes, beleving, gebruiksfuncties, etc.) moet een uitvoeringsplan worden opgesteld. Hierin moet zowel de natuurwaarden van de buitenplaatsen versterkt worden als ook aandacht zijn voor de profilering en programmering van de buitenplaatsen. Bij de landgoederen en buitenplaatsen is de bottleneck doorgaans het in stand houden van het hoofdgebouw. Door op voorhand geen gebruiksfuncties uit te sluiten, worden de mogelijkheden op dit punt vergroot. De villawijken beantwoorden aan de behoefte in de metropool naar hoogwaardig wonen.

Extensief recreatief medegebruik is een toegevoegde waarde voor het gebied. Hierbij gaat het om het verbeteren van de routenetwerken. Dit wordt in paragraaf 3.6 van deze bijlage verder uitgewerkt. Ambities: •

versterken van karakter, belevingswaarde en (ecologische en recreatieve) gebruikswaarde van buitenplaatsen;

•

opstellen van een uitvoeringsplan voor de buitenplaatsen, waarbij de ruimtelijke, culturele, ecologische, recreatieve en toeristische aspecten op de verschillende schaalniveaus (lokaal, regionaal en MRA) in samenhang worden uitgewerkt.

Uitwerkingsopgave versterken karakter, belevingswaarde en (recreatieve) gebruikswaarde van buitenplaatsen De recreatieve gebruikswaarde van de buitenplaatsen moet worden versterkt door het verbinden van de buitenplaatsen door middel van recreatieve routes en een aansluitend recreatief padennetwerk.

| 27

Het is belangrijk om ook de wandelbossen en recreatieve attracties in deze routes op te nemen. Voorbeeld hiervan is de toeristische fietsroute “Through dune and vallley” uit het promotieprogramma Buitenplaatsen in Beeld. De belevingswaarde van de buitenplaatsen wordt versterkt door het openbaar toegankelijk maken van buitenplaatsen en openbaar toegankelijke functies op een deel van de buitenplaatsen te ontwikkelen. Het streven is overigens niet dat elke individuele buitenplaats toegankelijk moet zijn; wel is het belangrijk dat alle buitenplaatsen vanaf de openbare weg zichtbaar zijn en dat mensen kennis kunnen nemen van de historie en het verhaal achter de buitenplaats. Belangrijke randvoorwaarde is dat de karakteristiek van de individuele buitenplaatsen leidend moet zijn voor eventuele ontwikkeling. Voor het behoud, ontwikkeling en gebruik van de buitenplaatsen geven de spelregels uit hoofdstuk 4 van het Ontwikkelperspectief richting. Uitwerkingsopgave uitvoeringsplan voor de buitenplaatsen Er moet een uitvoeringsplan voor de buitenplaatsen worden opgesteld waarbij alle invalshoeken voor de buitenplaatsen bij elkaar worden gebracht (natuur, cultuurhistorie, recreatieve routes, beleving, gebruiksfuncties, etc.) en op de verschillende schaalniveaus (lokaal, regionaal en MRA) in samenhang worden uitgewerkt.

Het uitvoeringsplan behelst een studie naar de verschillende aspecten van de buitenplaatsen afzonderlijk en in samenhang (natuur, cultuurhistorie etc). Daarnaast moet in kaart worden gebracht wat per buitenplaats passende functies kunnen zijn. In het uitvoeringsplan moet ook aandacht worden geschonken aan de profilering en programmering van de buitenplaatsen.

3.4 Binnenstad Haarlem Haarlem kenmerkt zich als comfortabele verblijfs- en cultuurstad. De binnenstad van Haarlem heeft met de Grote of St. Bavokerk, de Grote Markt en zijn omgeving, het Frans Hals Museum, het Teylers Museum, de hofjes een aantal cultuurhistorische trekkers van formaat. Ook op het gebied van uitgaan en winkelen is er genoeg te beleven met de Stadsschouwburg, de Philharmonie, het Patronaat, de horeca rond de Grote Markt en het winkelcentrum dat steevast tot de top van winkelcentra in Nederland behoort. Met dit alles biedt Haarlem de toerist in toenemende mate een alternatief voor het doorgaans drukkere Amsterdam. Ambities en uitgangspunten De versterking van het toerisme in Haarlem valt buiten de reikwijdte van het Ontwikkelperspectief, maar er liggen wel kansen om de toeristische en recreatieve waarde van de regio te vergroten door een koppeling te leggen tussen het bezoeken van de binnenstad van Haarlem en het” ontdekken” van de Binnenduinrand. Uitwerkingsopgave behouden en versterken positie binnenstad Haarlem Om de toeristische – en recreatieve positie van Haarlem te kunnen behouden en waar mogelijk te versterken, is het van belang dat: •

er voldoende overnachtingsmogelijkheden zijn en er voldoende overnachtingscapaciteit is (zowel in Haarlem als in de regio);

•

de zakelijke markt (vergaderingen en congressen) in voldoende mate kan worden bediend;

•

een koppeling wordt gemaakt met de andere “trekkers” in de regio, waardoor een meer integraal aanbod in de markt kan worden gezet.

3.5 Bereikbaarheid Versterking van de bestaande kwaliteiten op het gebied van landschap, recreatie en toerisme en woonmilieus hebben allen als belangrijkste randvoorwaarde dat de bereikbaarheid adequaat is geregeld. Een goede recreatieve ontsluiting ondersteunt enerzijds de functie van het landschap als recreatief uitloopgebied en maakt anderzijds onderdeel uit van een stelsel van regionale routestructuren, die de kust via duinen en binnenduinrand met andere delen van het Metropolitane 28 |

landschap verbindt. Door een goede bereikbaarheid op alle niveaus (auto, trein, HOV-bus, de boot en fiets) te organiseren neemt de betekenis van de Binnenduinrand als hoogwaardig woonmilieu en aantrekkelijk gebied voor recreatie en toerisme toe. Kijkend naar die aantrekkelijkheid komen mensen van buiten de regio vooral naar de Binnenduinrand voor het strand, het circuit van Zandvoort en de cultuur van de Haarlemse binnenstad. Mensen van binnen de regio komen daarnaast voor de natuur van de duinen, een verblijf op een van de buitenplaatsen (zoals Beeckestijn, Elswout of Duin en Kruidberg) en voor attracties als de Linnaeushof of het openluchttheater “Caprera”. De hoofdroutestructuur binnen de regio is voor wat betreft toerisme en recreatie vooral oost-west georiënteerd. De grootste bottleneck is de bereikbaarheid van de kust op zonnige dagen. Ambities en uitgangspunten Mede gezien de wens om het “verzorgingsgebied” voor toerisme en recreatie uit te breiden van de regio naar de gehele MRA (zie paragraaf 3.7 van deze bijlage), is optimalisering van de bereikbaarheid van de regio en kust nodig (via landschappelijk aantrekkelijke routes). Vanuit de “Daily Urban System”-gedachte is het van belang om op MRA-niveau te komen tot een integraal OV-systeem (deze ambitie is onderdeel van de MRA-agenda).

Hierdoor wordt het verblijf van een op Amsterdam gerichte toerist in de Binnenduinrand vanzelfsprekender. Dit leidt automatisch tot meer overnachtingen en een intensievere benutting van de toeristische en recreatieve voorzieningen in de regio (strand, buitenplaatsen, etc.). Voor de auto ligt de nadruk op het verbeteren van de doorstroming; het uitbreiden van wegen en parkeerplaatsen is hier minder opportuun. Voor het langzaam verkeer ligt de nadruk op het optimaliseren en uitbreiden van het routenetwerk. Zie hiervoor paragraaf 3.6 van deze bijlage. De regionale bereikbaarheidsvisie vormt het vertrekpunt voor de ambities voor de bereikbaarheid. Voor bewegwijzering, inrichting en promotie van routes moet aansluiting worden gezocht bij de bestaande promotie-structuren als de VVV’s, het Nationaal Park, ANWB of NBD (Nationale Bewegwijzeringsdienst). Zie hiervoor ook paragraaf 3.7 van deze bijlage. Ambitie: optimaliseren van de verbindingen van de kust met het achterland, met name voor de fiets. Uitwerkingsopgave bereikbaarheid voor verschillende vervoersmodaliteiten In de Regionale Bereikbaarheidsvisie zijn infrastructurele knelpunten en maatregelen in beeld gebracht. Vanuit het perspectief van de MRA gaat het hierbij vooral om “aanhaken” bij de uitwerkingen hiervan voor een aantal benoemde verkeersopgaven, zoals: •

opheffen van knelpunten in de aanvoerwegen naar de hoofdkustroutes (Kanaaldijk, Heerenduinweg, Zeeweg en Zandvoortselaan), met name in Haarlem;

•

verder uitbouwen van het dynamisch verkeersmanagement;

•

verbeteren herkenbaarheid OV-route naar zee (voorbeeld: op het NS-station Amsterdam Centraal bij het vertrekperron van de trein naar Zandvoort al verwijzen naar het strand (het gaat hier hoofdzakelijk om herkenbaarheid bewegwijzering);

•

HOV Amsterdam-Zandvoort: Gemeenten hebben de wens om deze HOV-lijn door te trekken van Zandvoort naar Bloemendaal aan Zee;

•

aanleggen van doorgaande langzaamverkeer verbindingen, zoals de route HaarlemmermeerZandvoort;

•

onderzoek doen naar de haalbaarheid van een toeristische ferryverbinding op het Noordzeekanaal tussen IJmuiden en Amsterdam;

•

een afgestemd beeld scheppen over de ontbrekende schakels in het regionale fietsnetwerk; | 29

3.6 Recreatieve routenetwerken Het recreatieve route netwerk in de Binnenduinrand bestaat uit een stelsel van fiets-, wandel-, vaaren ruiterroutes. In de routenetwerken is een duidelijke gelaagdheid te herkennen. Op nationale schaal is er het netwerk van Landelijke Fietsroutes (LF-routes) en Lange Afstands-Wandelpaden (LAWroutes), met bijbehorende herkenbare bebording en promotie. Vervolgens is op regionale schaal het fietsknooppuntennetwerk uitgerold, waarin de oude themaroutes (bv Rondje Haarlem) zijn verwerkt. Het regionale wandelnetwerk is nog niet op orde: de routes zijn doorgaans verouderd en ad hoc vormgegeven en vormen nog geen optimaal herkenbare structuur. Er liggen in de Binnenduinrand relatief veel ruiterpaden; deze lijken zich meer te manifesteren als “rondjes rond de maneges” dan als samenhangend netwerk van routes. Door de landschappelijke opbouw zijn de doorgaande vaarroutes in de regio schaars en noord-zuid georiënteerd. De landschappelijke opbouw en de sterke verstedelijking hebben er toe geleid dat er in de oost-west georiënteerde waterlopen tal van barrières aanwezig zijn die recreatieve benutting van het water nagenoeg onmogelijk maken. Het creëren van een fijnmazig netwerk van vaarroutes is daarmee een uiterst complexe en kostbare opgave.

Op het lokale schaalniveau is het van belang om de recreatieve waarde van de villawijken ( groene karakter en aansprekende architectuur) te benutten door deze op te nemen in de routestructuren. Daarnaast liggen er diverse ommetjes vanuit de aangrenzende woonwijken; dit is echter nog lang niet bij alle wijken het geval. Voorts zijn de aanwezige ommetjes nog nauwelijks aangetakt op andere recreatieve routestructuren. Ambities en uitgangspunten In paragraaf 3.5 van deze bijlage is al aangegeven wat er nodig is om de Binnenduinrand “aan te haken” op de routestructuren van de MRA. Voor de bereikbaarheid binnen de regio gaat het vooral om “afmaken”, d.w.z. het vervolmaken, van het netwerk van recreatieve verbindingen. Met de aanleg van ontbrekende recreatieve verbindingen wordt recreatie dicht bij huis gefaciliteerd, waardoor voor bewoners de noodzaak vermindert om de auto te nemen. Daarnaast is een goed functionerend recreatief netwerk een toeristisch-recreatief product op zichzelf. Door de historische noord-zuidoriëntatie van de dorpen en steden op de strandwallen is in de Binnenduinrand weinig ruimte voor recreatief aantrekkelijke oost-west verbindingen met de Bufferzone en de (toekomstige) groenstructuur van de Haarlemmermeer. De plaatsen waar het nog kan zijn relatief smal en staan bovendien onder grote (planologische) druk.

Deze groene oost-west verbindingen (Manpadslaangebied Heemstede, de groene zone tussen Haarlem en Velserbroek en het groengebied Santpoort-Driehuis) zijn essentieel voor de natuur, de beleving van het landschap en de recreatie. Daarom willen we deze gebieden op korte termijn veiligstellen en ontwikkelen tot volwaardige ecologische en recreatieve verbindingszones. Ambities: •

vervolmaken van het recreatieve netwerk;

•

ontwikkelen van de groene oost-west verbindingen tot recreatieve verbindingszones met het achterland.

Uitwerkingsopgave “afmaken”; het vervolmaken van het recreatieve netwerk. Het gaat dan om het op orde brengen van de recreatieve netwerken als recreatief product. Belangrijke opgaven zijn: •

aanleggen van ontbrekende recreatieve verbindingen met en door de duinen (bijvoorbeeld een rechtstreekse verbinding tussen Bloemendaal aan zee en het strand van IJmuiden) en tussen de buitenplaatsen. Aanpassingen aan het routenetwerk in de duinen vereist wel een zorgvuldige afstemming met de zonering in het duingebied;

30 |

•

optimaliseren van routevorming en bewegwijzering door het beter benutten van het knooppuntennetwerk voor themaroutes en toeristische producten (informatie en kaarten, zowel analoog als digitaal). Voorbeelden hiervan zijn de noord-zuidroute door de Binnenduinrand van IJmuiden via Driehuis, Bloemendaal en Overveen naar Vogelenzang en het inrichten binnen de knooppuntenstructuur van een “Rondje Binnenduinrand” voor langzaam verkeer. In Noord- en Midden-Kennemerland (waaronder Velsen) is een start gemaakt met de realisatie van een wandelnetwerk, doel is om dit wandelnetwerk uit te breiden naar Zuid- Kennemerland. Voor bewegwijzering, inrichting en promotie van routes aansluiting zoeken bij bestaande promotiestructuren als VVV’s, Nationaal Park, ANWB, NBD (Nationale Bewegwijzeringsdienst) etc.;

•

verkenning van de mogelijkheden voor bovenregionale routevorming, zoals bijvoorbeeld Europese Lange-Afstandsroutes en - themaroutes (European Route of Industrial Heritage, Metropolitane Buitenplaatsenroute) Onderdeel hiervan is het verbeteren en verduidelijken van de bestaande fietsverbinding Bloemendaal - IJmuiden;

•

verkenning van de mogelijkheden voor nieuwe entrees naar het duingebied en aanbrengen van een koppeling met naastgelegen OV-knooppunten (bijvoorbeeld bij station Santpoort-Noord). Deze ‘groene poorten’ kunnen zo worden opgewaardeerd tot Toeristisch recreatief overstappunt (TOP) door bijvoorbeeld kleinschalige horecavoorzieningen en fietsverhuur aan deze locaties te koppelen;

•

aanleggen van “ommetjes” vanuit het stedelijk gebied de Binnenduinrand in (in samenhang met het realiseren van het wandelnetwerk). Hieronder valt ook het verbeteren van de recreatieve dooradering van stadsrandfuncties (bijvoorbeeld sport- en volkstuincomplexen) en plaatselijk kwaliteitsverbetering van het landschap;

•

verbinding leggen tussen de verschillende ruiterroutes, waardoor een volwaardig ruiterroutenetwerk ontstaat;

Hoewel het vanuit recreatief oogpunt wel wenselijk zou zijn, zijn er weinig mogelijkheden om de vaarroutes op de boezem en de zandvaarten verder te ontwikkelen. Wel kan er winst behaald worden door het aantal aanlegplaatsen te vergroten en deze te koppelen aan recreatieve routes en voorzieningen. Uitwerkingsopgave recreatieve verbindingszones met het achterland Het inrichten van kwalitatief hoogwaardige dwarsverbindingen over de strandwallen (ecologische en recreatieve verbindingszones), tussen de kernen. Hiermee worden de verschillende regionale routestructuren met elkaar verbonden en wordt de verbinding tussen de Binnenduinrand en het achterland (Spaarnwoude, Amsterdam en Haarlemmermeer) verbeterd. Tevens worden de groene corridors tussen de kernen hiermee geborgd.

3.7 Marketing en promotiestrategie Het is van groot belang dat de in de paragrafen 3.1 t/m 3.6 benoemde ambities hand in hand gaan met een goede marketing- en promotiestrategie, zeker als de ambitie tevens is om de scope van het toeristisch en recreatief beleid te vergroten naar MRA-niveau. Tot voor kort vond de marketing en promotie van de regio nog vooral op de klassieke wijze plaats, dat wil zeggen langs de lijn van de (regionale) VVV. Met de start van het project “Amsterdam bezoeken, Holland zien” in 2009 is voor de belangrijkste toeristische trekkers in de regio (de kustplaatsen en de binnenstad van Haarlem) onderzocht waarin deze trekkers zich onderscheiden en waaraan zij hun identiteit ontlenen. Daarnaast is geconstateerd dat de toeristisch-recreatieve potentie van twee belangrijke identiteitsdragers van de regio, de duinen en de buitenplaatsen en villawijken, nog onvoldoende uit de verf komt.

| 31

Het toeristisch-recreatieve product van de kustplaatsen wordt doorontwikkeld in lijn met de profielen die in het kader van het onderzoek naar de identiteit (het “DNA”) van de kustplaatsen in samenwerking met de provincie Noord-Holland zijn ontwikkeld. Differentiatie, diversiteit en kwaliteit zijn daarbij de sleutelbegrippen. Ingezet wordt op een integrale marketing- en promotiestrategie, waarmee het brede toeristischrecreatieve product van de regio beter onder de aandacht van zowel de internationale toerist als van de bezoeker uit de MRA wordt gebracht. Ambities en uitgangspunten Voor wat betreft de promotie en marketing van de kustplaatsen is de insteek het profileren van de gehele strandzone als “Amsterdam Beach”, met daarbinnen profilering en positionering van de individuele badplaatsen volgens hun eigen “DNA”. Voor de Binnenduinrand willen we voorts het ‘verzorgingsgebied’ uitbreiden naar de hele MRA (nu komt driekwart van de bezoekers uit Zuid-Kennemerland en IJmond). Om dit te bereiken willen we voor zowel de bezoeker uit de MRA als de binnenlandse en buitenlandse toerist een marketing- en promotiestrategie voor de Binnenduinrand in lijn met het door de MRA opgezette project “Amsterdam bezoeken, Holland zien”. De beide grote duingebieden worden als twee afzonderlijke gebieden ervaren met ieder hun eigenkenmerken en kwaliteiten.

Daarnaast is er een groot aantal duingebiedjes en aan het duingebied grenzende terreinen waar een minder stringent Natura 2000-regime geldt. De inzet is om de duinen als gevarieerd landschap te behouden, maar het hele duingebied wel als één gebied herkenbaar te maken en te profileren als ware het één “Nationaal Park” (wat internationaal gezien een sterk ‘merk’ is). De Binnenduinrand is rijk aan buitenplaatsen. Deze worden in het bestaande beleid vooral in hun lokale context beschouwd. We willen buitenplaatsen ook een waardevolle extra cultuurhistorische dimensie geven door ze tevens in hun oorspronkelijke, cultuurhistorische context te beschouwen, namelijk als product van Amsterdamse kooplieden uit de Gouden Eeuw. Vanuit dit (MRA-)perspectief bezien ontstaan er ook nieuwe kansen voor recreatieve benutting, zoals eerder bij de Stelling van Amsterdam is gebeurd. Ambities: •

ontwikkelen van een marketing- en promotiestrategie voor de Binnenduinrand in lijn met het project “Amsterdam bezoeken, Holland zien”;

•

uitbreiden van het “verzorgingsgebied” van de Binnenduinrand naar de gehele MRA;

•

profileren van de kustplaatsen als Amsterdam Beach

•

het gehele duingebied als één “Nationaal Park” profileren;

•

profileren van de buitenplaatsen in hun oorspronkelijke context, als product van Amsterdamse kooplieden uit de Gouden Eeuw.

Uitwerkingsopgave verbeteren marketing en promotie ( branding) van het toeristischrecreatieve product van de Binnenduinrand Naast het op orde brengen van het toeristisch-recreatieve product van de regio is het minstens net zo belangrijk dat het product op de juiste wijze in de markt wordt gezet. Hiervoor is een goede marketing en promotiestrategie noodzakelijk. In 2009 is het project “Amsterdam bezoeken, Holland zien” opgestart. Doel van dit project is spreiding van internationaal toerisme over de (MRA-)regio. Om de diversiteit van de toeristische attractiepunten inzichtelijk en gemakkelijk herkenbaar te maken voor de buitenlandse toerist, zijn er in de regio verschillende sfeergebieden onderscheiden en getypeerd. Deze aanpak is goed bruikbaar om het toeristisch-recreatief product van de Binnenduinrand in beeld te brengen bij zowel de

32 |

buitenlandse toerist als de recreant uit de MRA. Voor de promotiestrategie is het concept van de sfeergebieden leidend, waarbij zowel op de onderscheiden sfeergebieden afzonderlijk als op het samenspel van deze gebieden wordt ingezet. Onderdeel van een goede marketing en promotiestrategie is een programmering van evenementen, activiteiten en voorzieningen die goed aansluit bij de onderscheiden identiteiten van de sfeergebieden en beantwoordt aan de behoefte van de verschillende doelgroepen. Hiernaast dient deze afgestemd te worden op het MRA aanbod en meer in het bijzonder met de Bufferzone Amsterdam-Haarlem. De inzet voor de profilering en marketing van de sfeergebieden, die tezamen “Amsterdam Beach”, ” Nationaal Park” en “Buitenplaatsen en villawijken” vormen, wordt hieronder specifiek toegelicht in aparte uitwerkingsopgaven. Uitwerkingsopgave profilering “Amsterdam Beach” De meerwaarde van de profilering van de kustplaatsen als “Amsterdam Beach” is al uitgebreid beschreven in paragraaf 3.1 van deze bijlage. Het spreekt dan ook voor zich dat de marketing – en promotiestrategie hierop wordt afgestemd.

De strategie moet er niet alleen op zijn gericht dat de toerist uit Amsterdam wordt “verleid” om naar het strand te komen, maar juist ook om de toerist te vertellen dat hij vanuit Zandvoort, Bloemendaal aan Zee of Velsen met een half uur in hartje Amsterdam is en een verblijf in een van deze plaatsen dus een prima alternatieve uitvalsbasis vormt voor een bezoek aan de hoofdstad. Bij het gezamenlijk vermarkten van “Amsterdam Beach” moet naast het stroomlijnen van de programmering tevens gedacht worden aan nieuwe productcombinaties van kustrecreatie met natuur- en cultuurrecreatie, zodat de redenen voor een bezoek aan de kust met elkaar worden gecombineerd. Uitwerkingsopgave profilering duinen als “Nationaal Park” Momenteel hebben alleen de Kennemerduinen en enkele aangelegen gebieden de officiële status van Nationaal park. Diverse voorbeelden uit binnen- en buitenland wijzen uit dat een dergelijke kwalificatie een positieve uitwerking heeft op de naamsbekendheid en bezoekersaantallen. Een “Nationaal Park” kan daarmee worden gezien als een sterk merk. Door het gehele duingebied van de Binnenduinrand te profileren als “Nationaal Park”, kan deze positieve uitwerking naar het gehele duingebied worden verbreed.

In samenspraak met de partners op het gebied van marketing en promotie en met betrokken eigenaren en beheerders moet een plan van aanpak worden uitgewerkt dat leidt tot een toeristisch recreatief profiel, gericht op een optimale balans tussen recreatieve benutting van het gebied enerzijds en het bewaken van de natuurwaarden anderzijds. Uitwerkingsopgave profilering buitenplaatsen en villawijken Voor de profilering van de buitenplaatsen en villawijken is vergroting van de beleefbaarheid belangrijk. De gewenste beleefbaarheid wordt nu vooral ingevuld door buitenplaatsen en villawijken beter te ontsluiten en met elkaar te verbinden. Van even grote waarde is echter om de buitenplaatsen en villawijken in hun oorspronkelijke, cultuurhistorische context te beschouwen. Door die historische context in kaart te brengen en hierover te verhalen ontstaat er een extra verbindende laag, die tevens de beleving van de buitenplaatsen en villawijken vergroot en verdiept. Vanuit dit (MRA-)perspectief bezien ontstaan er ook nieuwe kansen voor recreatieve benutting, zoals eerder bij de Stelling van Amsterdam is gebeurd. De provincie Noord-Holland is momenteel al bezig met het programma “Buitenplaatsen in beeld”, waarin enerzijds de ontstaansgeschiedenis van de buitenplaatsen wordt gedocumenteerd en anderzijds de programmering van activiteiten op de buitenplaatsen in samenhang wordt gecoördineerd.

Dit is een uitstekend voorbeeld van hoe wij de profilering in de praktijk zien.

| 33

4. Hoofdopgave behoud, versterking en ontwikkeling van het hoogwaardig woonmilieu

Zuid-Kennemerland biedt een hoogwaardig Metropolitaan woon- en leefmilieu tussen Stad en Zee. Het hoogwaardige woonmilieu van de regio wordt bepaald door de aanwezigheid van bijna het gehele scala aan woonmilieutypes (van centrumstedelijk tot landelijk) en door de nabijheid van aantrekkelijke landschappen. Grenzend aan de stad en de dorpen fungeert het groen/blauwe landschap van ZuidKennemerland als direct uitloopgebied en ‘stadspark’. De stadsranden liggen op unieke landschappelijke en ecologische overgangen (gradiënten); deze dreigen op de strandwallen dicht te slibben door stedelijke ontwikkelingen. Een sterkere recreatieve structuur (zie hoofdstuk 3 van deze bijlage) kan hier wellicht uitkomst bieden, tezamen met de inpassing van nieuwe stadsrandfuncties en een verbeterde vormgeving. Belangrijk hierbij is het versterken en herstellen van de openheid tussen de woonkernen. Door prioriteit bij haar landschappelijke kwaliteit te leggen, blijft de bijdrage aan de woningbouwopgave binnen de MRA relatief bescheiden. Daar staat echter tegenover dat diezelfde landschappelijke kwaliteit -één van de hoofddragers van haar kwalificatie als hoogwaardig woonmilieu – een belangrijke bijdrage levert aan het internationale vestigingsklimaat van de MRA.

4.1 Verstedelijking Uit de Intergemeentelijke Structuurscan Zuid-Kennemerland is consensus gebleken over het feit dat nieuwbouw alleen in het bestaand stedelijk gebied (de oude ‘rode contour’) plaatsvindt en dan nog alleen als de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied daar op vooruit gaat. Dit betekent dat in het landschap van de Binnenduinrand geen nieuwe (villa)wijken worden gebouwd (behoudens bestaande uitbreidingsplannen zoals opgenomen in de Kaart Hoogwaardig Woonmilieu) en behoud van openheid vóór elke andere ontwikkeling gaat. Ambities en uitgangspunten De woningbouwopgave van de regio zal voor het leeuwendeel via binnenstedelijke verdichting worden opgelost. Bij de binnenstedelijke verdichting is de kwaliteit van de openbare ruimte leidend (verdichting mag niet ten koste gaan van kwaliteit) en moet er een goede recreatieve verbinding met het buitengebied mogelijk blijven. 34 |

De inzet is voorts om geen extra bebouwing in het landschap van de Binnenduinrand toe te voegen. Zeer sporadisch kan een dorpskern uitgebreid worden of een locatie in een dorp benut worden voor woningbouw. In dat geval moet gebouwd worden volgens het dorps DNA. De kernen dienen daarbij niet aan elkaar te groeien. Tussen de dorpen moet de openheid zoveel mogelijk geborgd blijven. Ontwikkeling binnen de bestaande (villa)wijken worden alleen toegestaan als de karakteristiek van het betreffende gebied niet wordt aangetast en het groene beeld van de wijk in voldoende mate aanwezig blijft. Inachtneming van de spelregels uit hoofdstuk 4 van het ontwikkelperspectief moeten dit waarborgen. De ontwikkeling van Park Brederode is een voorbeeld van hoe nieuwbouw op bescheiden schaal goed landschappelijk kan worden ingepast in zijn omgeving. Ambitie: behoud van openheid gaat voor ontwikkeling; bouwen binnen de bestaande (villa)wijken is mogelijk, mits de karakteristiek van het betreffende gebied niet wordt aangetast. Uitwerkingsopgave dorps-DNA Bij het toevoegen van bebouwing in de dorpskernen moet rekening worden gehouden met het dorpsDNA, waarbij de nieuwbouw qua typologie aan moet sluiten bij het karakter van het dorp. Het dorps DNA voor de dorpen in de Binnenduinrand kan als volgt omschreven worden: Zandvoort:

vissersdorp, kleinschalig dorp achter een grote recreatieve boulevard;

Aerdenhout:

villa’s en groen op ruime percelen;

Bentveld:

villa’s en groen op ruime percelen;

Ramplaankwartier:

tuindorp, losliggend van Haarlem;

Overveen:

compact dorp met een gradiënt van stedelijk (Haarlem) naar villawijk;

Vogelenzang:

geestdorp op de strandwal;

Bloemendaal:

compacte dorpskern (geestdorp) met villa’s er omheen;

Santpoort-Zuid:

geestdorp met villa’s;

Santpoort-Noord:

compact dorp;

Driehuis:

compact nieuwer dorp vanaf 1930;

IJmuiden:

duindorp met een identiteit gerelateerd aan duin, Noordzeekanaal en

industrie; Heemstede:

compact dorp met een scala aan ruim opgezette woonwijken.

Voor het behoud van het dorps-DNA bij dorpsuitbreiding geven de spelregels uit hoofdstuk 4 van het Ontwikkelperspectief verdere richting. Uitwerkingsopgave waarborgen openheid tussen de dorpen De openheid tussen de dorpen in de Binnenduinrand is een grote kwaliteit. Deze openheid moet in stand worden gehouden (zodat de dorpen niet naar elkaar toe groeien) en zo mogelijk worden bevorderd. Dit geldt ook voor de strandvlakte (het gebied tussen de kernen in de Binnenduinrand (Santpoort, Overveen, Aerdenhout) en de agglomeratie Haarlem). Opgave is om alle zones te benoemen en de functies in kaart te brengen en uitspraken te doen wat per locatie de (on)mogelijkheden zijn. Ook de betreffende spelregels uit hoofdstuk 4 van het Ontwikkelperspectief geven daar richting aan.

| 35

4.2 Buitenplaatsen De buitenplaatsen liggen vooral op de strandwal en in de binnenduinrand die in noord-zuidrichting loopt. Zij maken onderdeel uit van een grotere ring van buitenplaatsen rondom Amsterdam. Naast een groot huis met bijgebouwen gaan ze vaak gepaard met een grote tuin en hebben ze belangrijke zichtrelaties met het omliggende gebied. Niet alleen de bebouwing en tuinen zijn cultuurhistorisch van belang, maar juist ook de zichten van en naar de buitenplaats. Zij geven de identiteit van buitenplaatsenzone aan het landschap. De buitenplaatsen zijn op hoog kwaliteitsniveau vormgegeven: architectuur en landschap vormen één geheel. In de 19e eeuw hebben landschapsarchitect Springer en drie generaties Zocher veel tuinen en parken (her)ingericht. Samen vertegenwoordigen de buitenplaatsen een groot cultureel belang dat de individuele belangen van de particuliere eigenaren overstijgt. In het plangebied zijn vier typen buitenplaatsen: Duin-buitenplaatsen, Strandwal-buitenplaatsen, Meer-buitenplaatsen en Trekvaartbuitenplaatsen. Bij een aantal buitenplaatsen hebben zich ontwikkelingen voorgedaan als splitsing, het toevoegen van bebouwing en functieveranderingen (zoals ouderenhuisvesting, bedrijfsverzamelgebouwen, congrescentra en horecavoorzieningen).

Deze ontwikkelingen hebben dikwijls geleid tot aantasting van het karakter van de buitenplaats of zelfs tot verdwijning daarvan. Ambities en uitgangspunten Doordat de buitenplaatsen sterk bepalend zijn voor de sfeer van de Binnenduinrand, vormen zij een belangrijke meerwaarde binnen de MRA. Het karakter, de belevingswaarde en de (recreatieve) gebruikswaarde van de buitenplaatsen moet worden versterkt door ze onderling te verbinden via een recreatief padennetwerk op en rond de buitenplaatsen. Hierbij is het streven om de openbare toegankelijkheid van de buitenplaatsen te vergroten, inclusief publieksfuncties. Voorts wordt ingezet op het behouden van de bestaande buitenplaatsen en het versterken van de buitenplaatsenzone waar mogelijk. De oorspronkelijke structuur en de karakteristiek van de individuele buitenplaatsen is leidend bij ontwikkelingen. Daarnaast is het vanuit cultuurhistorisch oogpunt belangrijk om de ring van buitenplaatsen rond Amsterdam als onderdeel van het erfgoed van de Gouden Eeuw te beschouwen. Splitsing van buitenplaatsen is in principe niet aan de orde, vanwege negatieve consequenties voor de ruimtelijke kwaliteit, uitstraling en toegankelijkheid.

Het afsplitsen van een deel van de buitenplaats voor villabebouwing of het creëren van een nieuwe buitenplaats zal teveel afbreuk doen aan de royale maatvoering en de ruimtelijke structuur van de oorspronkelijke buitenplaats. Zowel op de strandwal als in de binnenduinrand lijkt voorts weinig ruimte beschikbaar te zijn voor de ontwikkeling van een nieuwe buitenplaats. Om alle waarden voor de buitenplaatsen bij elkaar te brengen (natuur en landschap, cultuurhistorie, recreatieve routes, beleving, gebruiksfuncties), moet een uitvoeringsplan worden opgesteld, waarbij de ruimtelijke, culturele, recreatieve en toeristische aspecten op de verschillende schaalniveaus (lokaal, regionaal en MRA) in samenhang worden uitgewerkt. Bij de particuliere buitenplaatsen is de bottleneck doorgaans het in stand houden van het parkgedeelte, bij buitenplaatsen in beheer bij natuurbeheerorganisaties is het in stand houden van het hoofdgebouw juist de bottleneck. Door op voorhand geen gebruiksfuncties uit te sluiten, worden de mogelijkheden op het gebied van behoud en versterking en van recreatief medegebruik van de buitenplaatsen vergroot. Uiteraard moet hier wel worden gewaakt voor aantasting van de ruimtelijke kwaliteit en de cultuurhistorische waarden. 36 |

Ambities: •

versterken van karakter, belevingswaarde en gebruikswaarde van buitenplaatsen.

•

opstellen van een uitvoeringsplan voor de buitenplaatsen, waarbij de ruimtelijke, culturele, recreatieve en toeristische aspecten op de verschillende schaalniveaus (lokaal, regionaal en MRA) in samenhang worden uitgewerkt;

Uitwerkingsopgaven bestaande buitenplaatsen Onder de bestaande buitenplaatsen is een aantal bijzondere buitenplaatsen te benoemen, zoals bijvoorbeeld Beeckestijn, Duin en Kruidberg en Elswout. Daarnaast is er ook een aantal buitenplaatsen met de potentie om bijzonder te worden. Hierbij kan gedacht worden aan bestaande buitenplaatsen die geen woning en/of duidelijke functie (meer) hebben. Op een enkele plek kan ook gedacht worden aan herintroductie van oude buitenplaatsen. De samenhang van landgoederen en open ruimten kunnen door middel van door middel van zichtlijnen worden versterkt, maar ook door bijv. de ruimtelijke samenhang te herstellen daar waar open gebieden grenzen aan buitenplaatsen (de buitenplaats-biotoop). Dat is het geval bij oude overtuinen die in de loop der tijd een agrarische functie hebben gekregen. Ondergeschikte (agrarische) gebouwen kunnen als onderdeel van een landgoed worden verduidelijkt. Voor deze buitenplaatsen kan onderzocht worden of het mogelijk is daar een woon- of een andere functie toe te staan, eventueel in combinatie met een functieverandering van bestaande bebouwing en het toevoegen van nieuwe bebouwing. Daarbij geldt echter als voorwaarde dat er sprake moet zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Een geherintroduceerde buitenplaats dient de buitenplaatsenzone te versterken en tevens een relatie te hebben met een naastgelegen open gebied. Hierdoor wordt de openheid geborgd en verkrijgt het open gebied een aantrekkelijkere omgeving door de aanwezigheid van de buitenplaats. Een voorbeeld van een potentiële buitenplaats is Duinvliet. Uitwerkingsopgave nieuwe functie buitenplaats Bij een initiatief voor een nieuwe functie op een buitenplaats moet er een zorgvuldige afweging plaatsvinden over het effect op de ruimtelijke kwaliteit, waaronder ook de cultuurhistorische waarde, van die buitenplaats en de directe omgeving. Er worden op voorhand geen functies uitgesloten. Principe is dat de functie een waardevolle toevoeging moet zijn aan de buitenplaats (uiterlijk, toegankelijkheid, enz.). Opgave is om te sturen op toepassing van de betreffende spelregels uit hoofdstuk 4 van het Ontwikkelperspectief. Uitwerkingsopgave bijbouwen buitenplaats Het splitsen van buitenplaatsen is –zoals gezegd- in principe niet aan de orde. Ook het toevoegen van nieuwe bebouwing kan tot versnippering leiden en is daarom in principe ongewenst. Zorgvuldige inpassing van nieuwe bebouwing kan wel een nieuwe kans betekenen voor vervallen of een minder ‘vitaal’ landgoed.

Daarom geldt ook bij het toevoegen van nieuwe bebouwing op een landgoed dat altijd de ruimtelijke kwaliteit behouden dan wel verbeterd wordt. Bij het toevoegen van bebouwing gelden de spelregels van de verschillende typen buitenplaatsen uit hoofdstuk 4 van het Ontwikkelperspectief. Uitwerkingsopgave opstellen uitvoeringsplan buitenplaatsen Om alle waarden voor de buitenplaatsen bij elkaar te brengen (natuur en landschap, cultuurhistorie, recreatieve routes, beleving, gebruiksfuncties) willen we in samenwerking met de eigenaren een uitvoeringsplan opstellen. Hierin wordt ook aandacht gevraagd voor de profilering en programmering van de buitenplaatsen (zie hoofdstuk 3 van deze bijlage).

| 37

4.3 Villawijken De villawijken liggen, evenals de buitenplaatsen, vooral op de strandwal en in de noord-zuid lopende zone van de feitelijke binnenduinrand. De villawijken kenmerken zich door villa’s op ruime en groene percelen. Deze gebieden zijn waardevol vanwege de groene uitstraling en de bijzondere architectuur van de villa’s. Ambities en uitgangspunten Er wordt binnen de Binnenduinrand geen ruimte gezien voor ontwikkeling van nieuwe villagebieden ten koste van groene gebieden. De randen van de villagebieden grenzen vaak aan natuurgebieden met een beschermingsregime, zoals bijvoorbeeld Natura 2000. Daardoor is uitbreiding van de villagebieden vanuit het oogpunt van natuur al vaak onmogelijk. Daarnaast draagt een uitbreiding van de villagebieden niet direct bij aan een verbetering van het landschappelijk raamwerk van de Binnenduinrand. Op dit uitgangspunt kan alleen een uitzondering gemaakt worden als het realiseren van één of meer villa’s de financiële onderbouwing vormt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit elders in de Binnenduinrand. Bijvoorbeeld wanneer het landschap de wijk in kan worden getrokken en daardoor de transparantie van de villawijk verbetert.

In dat geval moet worden uitgegaan van de spelregels zoals benoemd in hoofdstuk 4 van het Ontwikkelperspectief (aansluiten aan bestaande bebouwing; inpassen in een bosachtig gebied; geen extra massa (bebouwing of groen) in de open strandvlakte, etc). Dit concept heeft overigens alleen kans van slagen als er bereidheid is tot intergemeentelijke verevening in de Binnenduinrand. De bestaande villawijken vormen een exclusief en groen woonmilieu dat behouden moet blijven. De villapercelen hebben door de hoge groene hagen een sterk gesloten karakter. Naast het behoud van de aanwezige kwaliteiten in de villagebieden, zal er inspanning moeten worden gepleegd om deze gebieden meer transparant te maken. Zie hiervoor ook de spelregels uit hoofdstuk 4 van het Ontwikkelperspectief. Het groene karakter van de villawijken heeft ook een recreatieve waarde. Een recreatieve verbinding door de buitenplaatsen en villawijken in noord-zuid richting kan deze recreatieve waarde versterken. Waar mogelijkheden zich voordoen moeten deze zoveel mogelijk gegrepen worden. Ambitie: •

bouwen binnen de bestaande (villa)wijken is mogelijk, mits de karakteristiek van het betreffende gebied niet wordt aangetast.

Uitwerkingsopgave behoud en versterking huidig karakter villawijken Ontwikkelingen in de villawijken voegen zich in de bestaande stedenbouwkundige structuur en dragen bij aan het groene karakter en de ruimtelijke kwaliteit van de wijken. Bij ontwikkeling van nieuwe villa’s is een groene bosrijke setting cruciaal. Dit betekent dat villa’s altijd op ruime percelen moeten staan zodat de verhouding tussen de bouwmassa en de maat van de kavel ontspannen blijft en er ruimte is voor bomen. Inherent hieraan is dat alleen hele ruime villakavels in aanmerking komen voor eventuele splitsing.

38 |

Inbreiding in een villawijk, bijvoorbeeld door het splitsen van percelen, is alleen mogelijk als er geen afbreuk worden gedaan aan de kwaliteit en uitstraling van het geheel. Juist de ruime groene percelen maken deze villagebieden uniek. Het splitsen in kleinere percelen gaat ten koste van het groen, (denk aan extra terrassen, parkeerplaatsen, schuurtjes etc.) maakt het gebied minder uniek en daardoor ook minder aantrekkelijk.

4.4 Stads- en dorpsranden Stads- en dorpsranden kenmerken zich door een veelheid aan functies en vaak een rommelig uiterlijk. Dat wat niet in de stad, noch in het landschap gewenst is eindigt vaak op de grens: de stadsrand. Deze functies zijn moeilijk weg te denken en te krijgen. Ze zijn echter wel in te passen. Aan een deel van de stadsranden van Haarlem en aan de rand van andere kernen is plaatselijk een dergelijke verrommeling ontstaan. Daarnaast is er in sommige gevallen ook sprake van een gesloten stadsrand van achterkanten naar het open landschap toe. Er zijn vele entrees vanuit de kernen het landschappelijk gebied van de Binnenduinrand in. Deze entrees zijn grootschalig in de vorm van de wegen van polder naar zee en kleinschalig in de vorm van fiets- en wandelroutes. Daarnaast bestaan er ommetjes (recreatieve rondjes op het laagste schaalniveau) die vanuit de wijken en dorpen het landschap in gaan. Ambities en uitgangspunten De kwaliteit en toegankelijkheid van de stadsranden dient waar nodig te worden verbeterd. Dat kan door verrommeling in deze randen tegen te gaan, functies goed landschappelijk in te passen en door routes door de stad en routes in het landschap goed op elkaar aan te sluiten. Ook kan op sommige plaatsen een nieuwe hoogwaardige stadsrand gecreëerd worden.

Tenslotte is het van belang om entrees tot het landschap op alle schaalniveaus te versterken en waar nodig te creëren. Ambitie: beter definiëren van de stadsranden. Voor het bereiken van deze ambitie wordt een regionale kansenkaart opgesteld. Uitwerkingsopgave stads- en dorpsranden De opgave voor de stadsranden is om verrommeling tegen te gaan door een duidelijke programmering van functies (en het eventueel uitplaatsen van ongewenste bedrijven), het benoemen van belangrijke zichtlijnen en het inpassen van minder gewenste functies in een sterk landschappelijk raamwerk (die de openheid van het landschap respecteert). Daarnaast kan op herontwikkelingslocaties met behulp van woningbouw (met de voorkanten naar het landschap) plaatselijk een kwaliteitsslag worden gemaakt in de stads- en dorpsranden. Om meer inzicht en een goed overzicht te krijgen van aard en omvang van deze opgaven, zal eerst een regionale kansenkaart voor de versterking van stads- en dorpsranden worden opgesteld.

| 39

Uitwerkingsopgave entrees Het spoor, de randweg en de trekvaart vormen barrières tot het landschap. Deze dienen op een aantal plekken goed en aantrekkelijk overbrugbaar te zijn zodat er vanuit de woonwijken een goede recreatieve ontsluiting ontstaat met het aangrenzende buitengebied. Andersom is het voor de continuïteit van de stadlandverbindingen van belang dat landschappelijke structuren in het “stedelijk weefsel” door lopen.

4.5 OV-knooppunten In de Binnenduinrand ligt een behoorlijk aantal treinstations. Door de Taskforce Ruimte van de provincie Noord-Holland is in de Assist “Zuid-Kennemerland en IJmondToekomst bereikbaarheid en stations in een aantrekkelijke regio” (februari 2014) een eerste verkenning gedaan naar de ontwikkelpotentie van de OV-knooppunten in de regio’s Zuid-Kennemerland. Daarbij is sterk ingezet op de versterking van de bereikbaarheid van de regio door middel van knooppuntontwikkeling. Het andere aspect van integrale ontwikkeling, de ruimtelijke ambitie op het gebied van woningbouw, voorzieningen en landschappen, is nog niet in detail uitgewerkt maar schetsmatig en op hoofdlijnen aangegeven. Met name dit laatste vraagt om een nadere verkenning. Ambities en uitgangspunten Door ontwikkelingen plaats te laten vinden rond OV-knooppunten kunnen woningen, kantoren en voorzieningen op goed bereikbare plekken gerealiseerd worden. Ook kunnen knooppunten een bijdrage leveren aan het verminderen van de verkeersdruk op het buitengebied, het optimaliseren van het gebruik van het openbaar vervoer en het versterken van de regionale economische structuur. De mogelijkheden van de OV-knooppunten moeten beter worden benut door via verbinding met het landschap ruimtelijke kwaliteit toe te voegen. Ambitie: nader verkennen van de (groene) ontwikkelpotentie van de ov-knooppunten.

Uitwerkingsopgave OV-knooppunten Doordat in de Binnenduinrand veel OV-knooppunten op de rand van het bebouwde gebied liggen, zijn de hier aanwezige OV-knooppunten niet alleen interessant voor het realiseren van gebouwd programma in de nabijheid van het landschap, maar biedt dit ook de mogelijkheid om deze plekken als groene poort tot het buitengebied in te zetten. Deze “groene poorten” kunnen zo worden opgewaardeerd tot Toeristisch recreatief overstappunt (TOP) door bijvoorbeeld kleinschalige horecavoorzieningen en fietsverhuur aan deze locaties te koppelen.

40 |

Bijlage 3. Trends en ontwikkelingen in landschapsfinanciering

| 41

42 |

Inleiding Mede vanwege de financiële crisis drogen de subsidies voor landschapsfinanciering in rap tempo op. Als gevolg daarvan is een brede herbezinning op dit onderwerp op gang aan het komen. In de bijlage wordt nader ingegaan op de bestaande financieringsinstrumenten die de gemeenten ter beschikking staan en op de trends en ontwikkelingen op het gebied van landschapsfinanciering.

Bestaande financieringsinstrumenten Potentiële financieringsinstrumenten voor de (lokale) overheid zijn: Europese subsidies Het inzetten van Europese subsidies voor Binnenduinrand kan op langere termijn wellicht perspectief bieden. Er moet daarbij echter wel met een aantal belangrijke randvoorwaarden rekening worden gehouden: •

veelal dienen projecten in samenwerking met buitenlandse partners te worden opgezet;

•

de projecten dienen een innovatief karakter te hebben;

•

veelal kunnen alleen kortlopende projecten (2 à 3 jaar) gefinancierd worden vanuit Europese programma’s;

•

publiek/private samenwerking is veelal noodzakelijk om voor financiering is aanmerking te komen;

•

veelal kunnen de Europese middelen niet ingezet worden voor lokale en regionale ‘harde’ investeringen;

•

EU-middelen kunnen niet achteraf worden toegekend voor activiteiten die al zijn uitgevoerd;

•

veelal wordt er gewerkt met een tendersysteem. Dit betekent dat alleen de beste projecten financiering ontvangen;

•

bij de meeste Europese programma’s wordt 50% vanuit Europa gefinancierd, de andere 50% (= cofinanciering) dient door de deelnemende partners te worden opgebracht.

Het is aan te bevelen om vooraf een duidelijke kosten/baten analyse te maken om te bezien of de verwachte Europese subsidie in een positieve balans staat tot de tijdsinzet (het verwerven van EUsubsidies is over het algemeen een langdurig traject, terwijl de honorering uiterst onzeker is), administratief beheer, etc. Rijkssubsidies Voorzover er nog een beroep kan worden gedaan op rijksmiddelen, is een steeds belangrijkere voorwaarde dat de toegevoegde waarde van projecten zo groot mogelijk moet zijn. Voorbeeld daarvan is de verdeling van de MIRT-gelden. Dit vraagt om integrale visievorming en planontwikkeling. (Boven)lokale fondsvorming Het voorbeeld in Zuid-Kennemerland is natuurlijk het recent ingestelde regionale bereikbaarheidsfonds. Uit een op te richten regionaal groenfonds zouden directe bijdragen kunnen worden verleend, bijvoorbeeld voor de aankoop of inrichting van gronden of financiering van concrete projecten. Daarnaast kan worden gedacht aan de instelling van revolving funds. Deze zijn effectiever dan directe bijdragen, omdat deze als hefboom voor het verwerven van financiering door derden kunnen functioneren. Nog een stap verder is de instelling van een vereveningsfonds. Daarbij wordt (een deel van) de opbrengst van het ene project benut voor de financiering van een ander project.

Het vereveningsprincipe hoeft niet beperkt te blijven tot de gemeentegrenzen, noch tot alleen financiële middelen (een ontwikkelaar geeft zijn grondpositie in behoudenswaardig gebied A op om vervolgens in gebied B te mogen ontwikkelen). Het verdient aanbeveling om voor de opstelling van de financieringsstrategie voor het | 43

ontwikkelperspectief te verkennen hoe ver de betrokken gemeenten en de provincie bereid zijn hierin te gaan. In de MRA Westvisie is in elk geval de behoefte geformuleerd om met de andere partners van de MRA niet alleen regie te voeren op versterking van de groene waarden en ecologische verbindingen en op recreatief medegebruik van het landschap, maar ook om afspraken te maken over de financiering hiervan. Inzet planologisch instrumentarium Gemeenten hebben met hun bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunning de mogelijkheid om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Hiermee hebben zij uiteraard geen direct financieringsinstrument in handen, maar kan de verwezenlijking van beleid wel worden gefaciliteerd. Zo kan bijvoorbeeld de openheid van een land- of tuinbouwgebied worden gehandhaafd door toe te staan dat een gewenste opstal op een ruimtelijk verantwoorde wijze wordt ingepast in de omgeving en daarmee de gebruiker in staat te stellen om de bedrijfsvoering op een gezonde manier te continueren. Een stap verder gaat het principe van de uitnodigingsplanologie. Daarbij worden grondbezitters actief betrokken bij een gebiedsontwikkeling die zoveel mogelijk recht doet aan de wederzijdse wensen.

Dit vraagt van de gemeente het commitment om de zeggenschap te delen en van de grondbezitters het commitment om mee te betalen. Bij een gecompliceerde opgave als die voor de Binnenduinrand is het de moeite waard om de toepassingsmogelijkheden van dit principe te verkennen. Inzet overheidseigendommen De inbreng van gronden en/of opstallen kan bijdragen aan het sluitend krijgen van een businesscase en leidt tevens tot een mate van zeggenschap in een project, zeker als dit samen gaat met de inzet van het planologisch instrumentarium. Publieke financiering en fondsvorming essentieel voor landschapsfinanciering Er zijn grosso modo 3 categorieën financieringsconstructies te onderscheiden: •

Publieke financieringsconstructies: Dit zijn constructies waarbij (meestal) een overheid bepaalt wie betaalt en/of ontvangt en hoeveel dit betreft. Belangrijke constructies zijn belastingen, subsidies en fiscale maatregelen;

•

Gemengd publiek-private financieringsconstructies: Dit zijn constructies waarbij publieke en private partijen actief zijn betrokken. Belangrijke constructies zijn publiek-private contracten, zoals verevening via rood - voor - groen, en markten voor verhandelbare rechten;

•

Private financieringsconstructies: Dit zijn constructies waarbij vooral private partijen actief zijn en die vaak via een markt verlopen. Belangrijke constructies zijn verhandelen van producten, kopen of leasen van grond, certificering, sponsoring en donaties en giften.

Er is en wordt in den lande de laatste jaren veel onderzoek gedaan naar nieuwe financierings- en verdienmodellen nu de (Rijks)overheid zich op dit vlak steeds meer terugtrekt. Door de Unit Wettelijke Onderzoekstaken Natuur en Milieu (Wot) is op verzoek van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van het aantrekken van private middelen voor landschapsfinanciering. De belangrijkste conclusies uit dit onderzoek zijn dat: 1. ontwikkeling en beheer van landschap op bovenlokaal niveau niet mogelijk zijn zonder aanzienlijke bijdrage uit publieke middelen en; 2. de betekenis van private middelen bij de financiering van landschap zeer bescheiden is, omdat private partijen vaak alleen bijdragen als dit vanuit bedrijfseconomisch perspectief rendabel lijkt. Daarnaast wordt geconstateerd, dat bij het waarborgen van de continuïteit van de financiering een 44 |

belangrijke rol is weggelegd voor fondsen, vaak in combinatie met fiscale maatregelen om deze fondsen te vullen, zoals de fiscale groenregeling. Een fonds kan via directe financiering en via kredietverlening bijdragen aan ontwikkeling en beheer van het landschap. Bij goed fondsbeheer zijn de betalingen aan de grondgebruikers voor een langere periode gewaarborgd. Voor wat betreft de verschijningsvorm komen bij de publieke financieringsconstructies naast fiscale maatregelen vooral heffingen (belastingen) voor. Deze constructies blijven veelal beperkt tot het verwerven van middelen, waarbij de betaling en het te betalen bedrag zijn opgelegd. Bij de publiek-private constructies komt verevening via het “rood-voor-groen”-principe het meest voor. Een belangrijke voorwaarde lijkt hier dat ontwikkeling en beheer van landschap bedrijfseconomisch gezien verantwoord moet zijn. Dit laatste geldt ook bij private constructies, waar verhandelen van producten en sponsoring het meest voorkomen. De opgave ligt dus vooral in het zoeken naar constructies die private investeerders voldoende perspectief bieden op een rendabele investering.

Naar een verbrede benadering van businesscases Een belangrijke trend in het denken over businesscases als de voorliggende gebiedsontwikkeling is om de tamelijk ééndinensionale benadering van de bestaande verdienmodellen te verlaten voor een meer integrale en verbrede benadering, waarbij ook de maatschappelijke waarde wordt gekwantificeerd en betrokken bij het verdienmodel. De waarde van het landschap van de Binnenduinrand ligt niet alleen bij de betekenis ervan voor het wonen en werken in Zuid-Kennemerland en de MRA. Het landschap kan zich ook uitbetalen in klinkende munt. In het discussiedocument “De Kracht van het Landschap” van de MRA wordt hier een inkijk in gegeven. Zo bedroeg de toegevoegde waarde van de sector landbouw in de MRA € 462 miljoen in 2011. Toeristen gaven in 2010 binnen de MRA € 6,5 miljard uit, waarvan grofweg een derde buiten Amsterdam. Het landschap speelt ook een grote rol in de vrijetijdsbesteding van bewoners van het gebied. De toegevoegde waarde van cultuur, sport en recreatie bedroeg in 2011 in de MRA € 887 miljoen. De jaarlijkse omzet van dagtochten in de groente ruimte is landelijk € 30 miljard. Naast het geld dat wordt verdiend, zorgt het landschap ervoor dat de waarde binnen andere sectoren wordt verhoogd. De nabijheid van natuur heeft een positieve invloed op de grondprijzen in stedelijke agglomeraties (CPB stad en land 2010).

Per 100 ha extra natuur binnen een acceptabele reistijd stijgen de grondprijzen gemiddeld met € 15 per vierkante meter. Voor de aanwezigheid van een stadspark is de relatie met de grondprijzen nog sterker. Een toename van 10% groen in stedelijke omgevingen zorgt naar schatting voor een toegevoegde waarde op onroerend goed van € 17,5 miljard landelijk. Een studie van Braaksma en Bos (2010) laat zien dat wanneer de baten en kosten van samenhangende investeringen in het landschap in Nederland tegen elkaar worden afgezet, een direct positief saldo ontstaat van € 17,8 miljard. Grote batenposten hebben betrekking op woongenot en recreatie ten aanzien van landschap en natuur. Daarnaast zijn er nog een groot aantal kleine batenposten zoals gereduceerd bestrijdingsmiddelgebruik, minder oevererosie, energiebesparing, etc. In deze studie zijn indirecte effecten van investeringen in het landschap op het vestigingsklimaat, en gezondheid niet meegenomen. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat zeker op het gebied van gezondheid grote winst te behalen valt: 10% meer groen in de directe woonomgeving zorgt bijvoorbeeld voor eenzelfde afname van gezondheidsklachten. Naar schatting zal landelijk jaarlijks rond de € 1,4 miljard bespaard kunnen worden op zorgkosten door meer groen in de leefomgeving.

Ten slotte bieden investeringen in het landschap eveneens kansen op het gebied van energiewinning. De middelen om het landschap te beheren en te ontwikkelen staan onder druk door de bezuinigingen | 45

van het Rijk. Om de kwaliteit van het landschap desondanks te kunnen waarborgen en te versterken is het niet onlogisch om de partijen die baat hebben bij het landschap aan te spreken op hun verantwoordelijkheid. Een afname van de kwaliteit van het landschap wordt in de eerste plaats gevoeld door burgers. Groen draagt positief bij aan de leefomgeving. Het bevordert het woongenot, het milieu en zorgt voor een verbetering van de gezondheid. Deze belangen van de burgers leggen een verantwoordelijkheid neer bij de gemeenten, die door hogere grondprijzen en een verbeterd vestigingsklimaat ook financieel profiteren van groen. Commerciële partijen in de toeristische en recreatieve sector hebben een soortgelijk belang. Voor hun omzet zijn ze afhankelijk van de aantrekkelijkheid van het landschap voor de gebruikers. Wanneer de belangen van deze partijen worden afgezet tegen hun concrete bijdrage, dan is de vraag gerechtvaardigd of de baten en lasten eerlijk zijn verdeeld of dat daar op zijn minst perspectief aanwezig is voor een nieuwe (verbrede) financieringsstrategie. De grote uitdaging daarbij is om de toegevoegde waarde van het landschap voor deze belangen te kwantificeren en te koppelen aan concrete baathebbers. Dan kan die gekwantificeerde toegevoegde waarde worden betrokken bij de financieringsstrategie en kan een sluitende businesscase worden gecreëerd.

Dat vraagt ook om een andere benadering van de overheid. Dat vraagt om een overheid die gebruik maakt van kansen door: •

het benutten van budget voor andere maatschappelijke belangen en doelen;

•

het opzetten van een professionele organisatie;

•

het verkrijgen van synergie door samenwerking;

•

het aanspreken van free riders op hun verantwoordelijkheid. Deze groep laten meebetalen verhoogt de slaagkans van een project in tijden van schaarste.

en die bereid is tot het opruimen van belemmeringen door: •

de inbreng van grondpositie/vastgoedposities. Dit kan een manier zijn om de business case sluitend te maken;

•

het stroomlijnen van processen. Projecten worden ‘lean en mean’ aangepakt. Dat kan door te investeren aan de voorkant. De ervaring leert dat het betrekken van burgers vanaf de start van een project (beginspraak) lastige juridische procedures en bijbehorende vertraging in een later stadium voorkomt;

•

het inzetten van betrokken en enthousiaste bestuurders. Een boegbeeld op bestuurlijk niveau krijgt vaak veel voor elkaar;

•

het verwijderen van juridische belemmeringen en onnodige regeldruk;

•

het ontsluiten van kennis en kunde;

Zo ontstaat een interessant verschil tussen het klassieke zakendoen, gericht op winstmaximalisatie, en het maatschappelijk ondernemen:

46 |

Wereld 1 Wereld 2 Winstmaximalisatie: Maximalisatie maatschappelijke waarde: Lineair programmeren

Samenwerken tussen overheid,

van project

kennisinstituten en bedrijven en burgers

De initiatiefnemer ontwikkelt

De energieke samenleving ontwikkelt

De ontwikkelaar brengt de vormkracht in

De overheid organiseert/ faciliteert

vormkracht Projecten vertragen aan de achterkant

Projecten kennen hoge aanloopkosten,

(bestemmen en vergunnen)

maar geringe vertraging

Ondernemen ten behoeve

Ondernemen als nieuwe vorm van

van eigen aandeelhouderswaarde

coöperatief samenwerken

Transparant en te verantwoorden

Variatie en flexibel (adaptief)

Herhaalbare oplossingen

Maatwerk oplossingen (eventueel met

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9764181/1