Bijlage 2c - Onderzoek bureau Blaauwberg - 10 mei 2022
Tekst van het document
Ondernemerschap en innovatie in Zandvoort Startnotitie voor versterking van het IFZ
10 mei 2022
Deze notitie is in 2022 opgesteld namens de initiatiefgroep Ondernemersfonds, waarin de besturen van het Innovatiefonds Zandvoort en Ondernemersbelangen Zandvoort vertegenwoordigd zijn. De groep heeft kunnen rekenen op ambtelijke adviescapaciteit. De adviseurs van Blaauwberg zijn betrokken geweest als procesbegeleider en penvoerders van deze notitie. Op 10 mei 2022 is deze definitieve versie door de initiatiefgroep vastgesteld.
Auteurs van foto’s op voorpagina (allen verkregen via Beeldbank Zandvoort Marketing): links, Kyara Janssen – Instagram: @pictureperfectclick midden boven, Kyara Janssen midden onder, © (just) Dutchie Recchts, Zandvoort Marketing
2
Inhoud
1. De opgave van Zandvoort: een kleine en smalle economie Er is al veel...
2. Modellen voor niet-vrijblijvende samenwerking Reclamebelasting Gemeentebreed fonds BIZ Beschouwing Volledigheidshalve: Precario en toeristenbelasting
3. Leereffecten van elders
4. Overwegingen voor Zandvoort
5. Eerste contour van een Ondernemersfonds Zandvoort Financiering van het fonds: onroerend goed Financiële participatie van de roerende goederen De ‘governance’ van Ondernemersfonds Zandvoort Bijzondere stakeholders en rekenvoorbeelden
3
1. De opgave van Zandvoort: een kleine en smalle economie
Zandvoort heeft volgens de statistiek van ‘Waar staat je gemeente’ 552 banen per 1000 leden va de beroepsbevolking (15-64-jarigen) inwoners. Dat is veel minder dan het landelijk gemiddelde: 796 banen per 1000 leden van de beroepsbevolking. Zandvoort ziet er niet zo uit, maar zo’n cijfer maakt het tot een typische woongemeente. Zelfs als we in acht nemen dat het werk tegenwoordig weer vooral in de steden zit en we Zandvoort vergelijken met andere niet-stedelijke gemeenten, is die 552 een laag aantal. Dat Zandvoort toch niet als een woondorp oogt, heeft te maken met de aard van het werk. Zandvoort heeft 123 banen per 1000 inwoners van 15 tot 74 jaar in recreatie en toerisme, heel veel meer dan de 46 per 1000 inwoners die er landelijk zijn. De hospitality bepaalt natuurlijk het uiterlijk van dorp en straat. Zandvoort heeft weinig werk, maar wat er is, is zeer zichtbaar. Het maakt goed duidelijk hoe afhankelijk Zandvoort is van het toerisme. Bijzonder is weer dat het aantal bedrijfsvestigingen in Zandvoort groter is dan het landelijk gemiddelde: 147 om 135 per 1000 inwoners van 15 tot 74 jaar. Zandvoort is een economie van ‘kleine zelfstandigen’. We zijn hiermee gelijk op twee omstandigheden gestuit die problematisch kunnen zijn voor de economische duurzaamheid van Zandvoort: de afhankelijkheid van het toerisme en het ‘ondernemerslandschap’. Eerst iets over het toerisme.
Zandvoort deelt een opgave met eigenlijk alle badplaatsen in Nederland, inclusief de Waddeneilanden. Het strand was ooit een vrij zekere binnenlandse vakantiebestemming. Maar de loyaliteit van de consument is verdwenen, nu hij de keuze heeft uit citytrips, goedkope zonvakanties en last minute aanbiedingen. Op warme dagen is Zandvoort nog steeds de ultieme bestemming voor tienduizenden Amsterdammers, maar dat is onvoldoende draagvlak voor een bloeiende lokale economie. Net als alle andere badplaatsen, staat Zandvoort voor een complexe opgave: seizoensverlenging, differentiatie van de economie, differentiatie van de toeristische bedrijvigheid, werk maken van de wooneconomie, enzovoort. Daar komt nog een heel ander soort transitie bij. De dominante generatie Nederlanders – de babyboomers – zijn op dit moment afscheid aan het nemen, ook van arbeidsmarkt en ondernemerschap. De nieuwe generaties zijn veel kleiner en kijken vaak ook anders aan tegen het ondernemerschap. In de steden van het slag Amsterdam en Haarlem is dat niet zo’n probleem. Die hebben als ‘kennisstad’ voldoende trekkracht op jonge ondernemende mensen. Maar de streken daarbuiten krijgen het moeilijker en moeten zich met hun marketing en ondernemingsklimaat goed inspannen om nieuw ondernemerschap binnen te halen. Om de weerbaarheid van Zandvoort te vergroten, zouden twee sporen gevolgd kunnen worden: •
•
Aantrekken van meer niet-toeristisch ondernemerschap (differentiatie). De nabijheid van de overkokende steden Haarlem en Amsterdam maken dat tot een reële optie: daar zijn talloze kleine, creatieve ondernemers die een alternatief zoeken voor de congestie en de steeds hogere prijzen. Wat ze zoeken is een goede, nabije locatie en een interessante vestigingsomgeving. Daar kan Zandvoort wel aan voldoen Het uitbouwen van de toeristische sector: seizoensverlenging, meer verblijfstoerisme, meer zakelijk toerisme, meer cultuur- en natuurtoerisme, differentiatie van accommodaties, enzovoort.
4
Dan het ‘ondernemerslandschap’. De dominantie van het kleinbedrijf is aan de ene kant een bonus: kleine ondernemers zijn flexibel en kunnen zich gemakkelijk aan marktvragen. De gewenning aan de ‘winterslaap’ is daar een symptoom van. Maar het is ook lastig: er zijn weinig grotere bedrijven of allianties die ‘leiderschap’ kunnen tonen, kunnen investeren in en vooroplopen met innovaties. En de kleinschaligheid is een lastige basis voor ‘overstijgende’ kwesties. Hoe organiseer je ‘branding’ en meerjarige marketing? Hoe richt je het gesprek met de gemeente in? Hoe zorg je voor onderhandelingsmacht, kennis en innovatie? Zandvoort heeft voor zo’n kleine economie veel kleine verenigingen. Er is nu een koepel met Ondernemersbelangen Zandvoort (OBZ). Dat is een stap vooruit, maar de OBZ heeft nog te weinig een eigentoerusting, zelfs nog geen eigen website. Bovenop de ‘typisch Zandvoortse’ uitdagingen komen nog de kwesties waar ondernemers in het hele land gezamenlijk mee te maken hebben: leegstandsbestrijding, beveiliging, de energietransitie, de ruimtelijke ordening onder de Omgevingswet, de personeelsvoorziening, de relaties met het onderwijs.
Er is al veel...
Er moet dus veel gebeuren, maar Zandvoort begint natuurlijk net op nul. Een korte, actuele opsomming: •
•
•
• •
Zandvoort kent sinds 2017 het Ondernemers Innovatiefonds Zandvoort (IFZ). Het huidige IFZ bestaat uit een opbrengst van omstreeks 75.000 uit een specifieke gemeentelijke belasting, de reclamebelasting. Er is een gemeentelijke verdubbelaar, samen 150.000 euro. Het IFZ is een succes: het blijkt talrijke gezamenlijke economische initiatieven los te maken. Het bruist van de plannen. Maar de keerzijde is dat het IFZ tegen financiële grenzen aan loopt De gemeente heeft in nauwe samenspraak met de OBZ een economische visie opgesteld. Die visie is de basis voor een actieplan Zandvoort Centrum, voor het ontwikkelen van een vorm van gebiedsmanagement in als publiek-private samenwerking, het formuleren van een beleid voor buitenreclame, het verduurzamen van de economie en de revitalisering van bedrijventerrein Nieuw Noord Er is een Toeristische Visie als basis voor evenementen, ontwikkeling van nieuwe toeristische concepten, het doorontwikkelen van Zandvoort Marketing, het toeristisch ‘verwaarden’ van sport en de aankondiging van een nieuw hotelbeleid Er is een gedegen vastgoedanalyse voor het centrum van het Kadaster Er zijn, in coronatijd, rondetafelgesprekken geweest met vastgoedeigenaren en ondernemers. Die gesprekken hebben de urgentie voor een actief beleid nog eens aangejaagd.
En er is veel belangstelling voor methodes om de samenwerking tussen ondernemers onderling en tussen ondernemers en gemeente van een betere, meer structurele basis te voorzien.
Voor een kleine gemeente met een kleine economie is dit een flinke lijst van acties en ambities. En bijna al die ambities staan of vallen bij samenwerking en innovatie. Dat maakt de vraag actueel of het Zandvoortse bedrijfsleven daar de instrumenten voor heeft. De situatie is in dit opzicht anders dan pak’m beet twintig jaar geleden. Destijds kon nog worden volstaan met ‘gewone’ verenigingen waar ondernemers inspiratie vandaan haalden. Hun belangen behartigden ze op individuele basis bij 5
de gemeente. En de voorzitter van de verenigingen spendeerden hun vrije tijd aan het gesprek met de gemeente. Het ging vooral om 'goodwill' en sfeer. Voor het leveren van kennis en visies vanuit ondernemersperspectief was er de kamer van koophandel. Dat is veranderd. De kennispositie van de kamer van koophandel (de zogeheten ‘regiostimulering’) is vervallen. Op lokaal niveau is de gemeente nu vaak monopolist in economische kennis. Terwijl het lokale bedrijfsleven - anders dan toen - nu daadwerkelijk de agenda moet aanvoeren, moet meeinvesteren en kennis moet opbouwen. De vrijblijvendheid is er af. Vestigingsmilieus die op dit moment nog steeds niet beschikken over een vorm van gebiedsmanagement of collectieve organisatie, staan op achterstand. Dat is reden voor IFZ, OBZ en gemeente om nog eens goed naar het Zandvoortse instrumentarium te kijken. Daar komen vier praktische omstandigheden bij kijken: 1. Het IFZ loopt tegen grenzen aan. Het beperkte budget wordt bovendien steeds meer besteed aan structurele uitgaven (zoals de ondernemersmanager, de marketing en periodiek weerkerende evenementen) en komt niet meer toe aan echte innovaties 2. 150.000 euro vrij inzetbare middelen – waarvan de helft overheidsgeld – is te weinig. Niet alleen in het licht van de opgaven, maar ook in absolute zin.
De tarifering in de reclamebelasting – bron van het private perceel in het IFZ – is erg laag 3. Dat private perceel wordt op dit moment alleen opgebracht door reclamevoerende gebruikers van panden. Vastgoedeigenaren blijven buiten de heffing en ook buiten besluiten over de bestedingen, terwijl zij net zo goed een belang hebben bij een veilig, bloeiend en goed georganiseerd vestigingsmilieu 4. De wens leeft om de tarifering meer te differentiëren. Er zijn nu twee tarieven, dat komt niet overeen met de grote verschillen in draagkracht . Overigens is het IFZ niet ‘van’ de Zandvoortse ondernemers. Het is een fonds waar aanvragen kunnen worden ingezonden en het bestuur functioneert als een jury. Die jury-formule is niet uniek, maar de meeste financiële posities van ondernemers gaan uit van ‘eigenaarschap’ van de belastingbetalers: de betalende ondernemers nemen zelf besluiten over de bestedingen. Deze Zandvoortse bijzonderheid was ingegeven om kwaliteit uit te lokken.
6
2. Modellen voor niet-vrijblijvende samenwerking Een belangrijk besluitmoment is de vraag of je vindt dat samenwerking en innovatie op lokaal niveau niet meer alleen op vrijwillige basis kunnen bestaan. In het verleden was dat wat minder aan de orde. Grote aantallen ondernemers waren lid van een ondernemersverenigingen, en heel veel ondernemers woonden ook gewoon boven of naast hun zaak. De lokale betrokkenheid sprak wat meer vanzelf. In een behoorlijke stad waren er alleen voor de winkeliers drie koepelverenigingen: een katholieke, een protestantse en een liberale. Maar dat model van vrijwilligheid werkt niet meer. Nog maar een minderheid van de ondernemers is lid van een vereniging en die verenigingen beperken zich vaak tot netwerkvorming, zonder een actieve economische agenda te voeren. En als ze dat wel doen en bijvoorbeeld proberen om een gebundeld ondernemersgeluid te laten horen naar de gemeente, dan doen ze dat met zeer beperkte middelen. Het ‘freeriding’ verschijnsel slaat toe: ondernemingen die zelf nergens aan mee doen, maar wel profiteren van gezamenlijke voorzieningen. De opkomst van de sociale media maakt het probleem van de vergruizing van het ondernemersgeluid nog urgenter: elk bedrijf kan zelf met minimale kosten een eigen kanaal scheppen.
Het lijkt heel wat, maar echt effectief is het niet: uiteindelijk heb je een stabiele werkstructuur en een goede financiering voor de langere termijn nodig om resultaat te boeken. Dat brengt sinds twintig jaar ondernemers er toe om naar een niet-vrijblijvende oplossing te vragen. Dan komt de gemeente in beeld: dat is de enige partij die op lokaal niveau een verplichting kan invoeren, via de gemeentelijke fiscus. We gaan nu de drie vigerende fiscale regelingen naast elkaar zetten. We hebben daar de nodige woorden voor nodig, want de drie lijken technisch slechts zeer beperkt op elkaar. We beginnen met een overzichtstekst van de kamer van koophandel. Alles over ondernemersfondsen Waar ondernemers actief zijn, zijn ondernemersverenigingen. Deze verenigingen behartigen de gemeenschappelijke belangen van hun leden en bieden ze een netwerk. Van de contributie organiseert de vereniging bijeenkomsten en andere activiteiten. Als ondernemers grotere plannen hebben, bijvoorbeeld voor de opwaardering van hun winkelgebied of bedrijventerrein, lukt dit niet alleen met de inkomsten uit de contributie. Een ondernemersfonds kan dan uitkomst bieden.Een ondernemersfonds is van, voor en door ondernemers. Een gezamenlijke portemonnee van ondernemers in een gemeente, winkelgebied of op een bedrijventerrein. Alle ondernemers in het gekozen gebied dragen verplicht financieel bij.
Oprichting Voor het instellen van een ondernemersfonds is hulp van de gemeente nodig. De gemeente int de bijdragen van de ondernemers en sluist deze door naar een speciaal hiervoor opgerichte stichting. De gemeenteraad beslist hierover en betrekt het draagvlak voor het fonds bij ondernemers hierbij. Belangrijke voorwaarde is dat het fonds niet in de plaats komt van activiteiten of voorzieningen van de gemeente. Het is een extra voorziening. Werking In het bestuur van de stichting zitten (vertegenwoordigers van) ondernemers. Het bestuur zorgt ervoor dat het afgesproken werkplan wordt uitgevoerd. Bij grotere, gemeentebrede fondsen hebben ondernemers van bedrijventerreinen, winkelgebieden of uit bepaalde sectoren zeggenschap over hun eigen deel van de betaalde bijdrage, de zogenaamde trekkingsrechten. Modellen Er zijn verschillende modellen voor ondernemersfondsen die op onderdelen van elkaar verschillen. Het gaat dan om de heffingsgrondslag, de geografische afbakening alsmede de regels voor het bepalen van het draagvlak en het soort bestedingen. De 3 meest voorkomende fondsen staan hieronder beschreven.
7
Ondernemersfonds Leids model Voor dit fonds -Leids model genoemd naar de stad waar het voor het eerst is toegepast- betalen de eigenaren en gebruikers van niet-woningen een opslag op de onroerendzaakbelasting (ozb). Deze opslag geldt voor de hele gemeente. De bestedingsdoeleinden zijn vrij en de gemeenteraad bepaalt of er voldoende draagvlak is. Ondernemersfonds reclamebelasting Dit fonds wordt gevoed door een heffing op de openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg. De heffing wordt betaald door degene die de aankondiging heeft geplaatst of laten plaatsen. Reclamebelasting kan voor een bepaald gebied of gemeentebreed worden ingesteld. Ook bij dit model zijn de bestedingsdoeleinden onbeperkt en bepaalt de gemeenteraad of er voldoende draagvlak is. Bedrijveninvesteringszone (BIZ) Net als in het ondernemersfonds ‘Leids model’ betalen de deelnemers (gebruikers en/of eigenaren) een opslag op de ozb voor niet-woningen. Een BIZ kan echter alleen gebiedsgericht en niet gemeentebreed worden ingesteld. De BIZ heeft een wettelijke grondslag. Hierin staan onder andere de looptijd, de hoogte van de bijdrage en de oprichtingseisen beschreven. De wet omschrijft de strekking van de BIZ overigens als “bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of economisch belang in (relatie tot) de openbare ruimte van de BI-zonde”.
We benoemen de overeenkomsten en verschillen tussen de drie modaliteiten hieronder wat verder, in matrixvorm. In de historische volgorde: eerst reclamebelasting, dan ondernemersfonds, dan BIZ (eigen samenstelling).
Reclamebelasting Feit of omstandigheid
Waardering en commentaar
Hoofdkarakteristiek: door reclamevoerende bedrijven te belasten kan een financiële positie gevormd worden voor financiering van ondernemersinvesteringen Totstandkoming: de gemeentewet geeft gemeenteraden de bevoegdheid om een reclamebelasting in te voeren. Het is aan de lokale gemeenteraad om te besluiten of dat gebeurt, of de opbrengst gebruikt wordt voor voeding van een gebiedsfonds en onder welke voorwaarden dat gebeurt Wettelijke basis: de gemeentewet regelt nauwkeurig wat een reclame is (het belaste object). Uit jurisprudentie blijkt dat ook een nauwkeurige gebiedsomschrijving nodig is. Voor het overige laat de wet de gemeente en de ondernemers veel vrijheid Positie ‘not for profit’: de ‘not for profit’ (onderwijs, cultuur, sport, zorg) kan in de verordening worden uitgesloten Draagvlakeisen: geen. Er zijn gemeenten die zelf kiezen voor een BIZ-achtige aanpak en een stemming willen, er zijn ook gemeenten die de reclamebelasting gewoon in invoeren op basis van een verzoek van georganiseerde ondernemers
Veel gemeenten nemen de peiling van de BIZ over, maar daar is geen noodzaak toe. Uit jurisprudentie blijkt dat de belasting als een ‘gewoon’ raadsbesluit gezien wordt. Het moet goed afgewogen en beargumenteerd zijn, er moet een goed verhaal liggen. Overtuigende steun vanuit het georganiseerde bedrijfsleven zou kunnen volstaan
Bestedingen: het reclamefonds is formeel een gesubsidieerde instelling. De gemeente kan kiezen voor een BIZ-lijn en eisen stellen aan het werkplan en controle houden op de bestedingen, de gemeente kan ook kiezen
Zandvoort heet al een goed werkende RB-praktijk. En tot op heden lijkt de gemeente de ‘lead’ bij de ondernemers te willen laten en geen inhoudelijke eisen te willen stellen
8
voor een analogie met het gemeentebrede fonds en zich afzijdig houden Bezwaargevoeligheid: uit de jurisprudentie blijkt dat de verordening en de gebiedsindeling nauwkeurig beschreven moet worden. Als dat gebeurt, is eigenlijk alleen bezwaar mogelijk omdat een bedrijf wel aangeslagen wordt, maar geen reclame voert. In de praktijk blijken alleen in het eerste jaar bezwaren te worden gemaakt. Daarna is er acceptatie
Om in de jurisprudentie sterk te staan, is het voldoende wanneer de gemeente laat zien in het voortraject goed gecommuniceerd te hebben en met ondernemers te hebben samengewerkt
Inningskosten: er worden kosten gemaakt, eerst voor een visuele inspectie (wordt er reclame gemaakt) en dan voor de verzending van de aanslagen. De kosten worden in de regel afgetrokken van de subsidie aan het gebiedsfonds De gemeentewet geeft gemeenten vanouds het recht een reclamebelasting in te voeren. Werd vaak gebruikt om hinderlijke uitingen in het straatbeeld tegen te gaan. Wordt de laatste jaren vooral ingezet om te komen tot een financiële positie voor georganiseerde ondernemers
De belasting wordt alleen geheven wanneer er echt reclame wordt gemaakt: een publicitaire uiting die verder gaat dan alleen een naamaanduiding en zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. De belasting wordt uitsluitend door de gebruiker van het pand betaald (eigenaren zijn onbelast)
De wet maakt het mogelijk om de belasting per gebied in te voeren. De Gemeente Hoorn is er in geslaagd om een gemeentebreed netwerk van gebiedsgerichte reclamebelastingen te scheppen. Uit jurisprudentie is bekend dat het gebied zeer nauwkeurig omschreven moet worden en in de toelichting bij de gemeentelijke verordening ook goed moet worden beargumenteerd waarom juist dit gebied gekozen wordt
Voor Zandvoort is de RB in beeld als gemeentebrede heffing (mogelijk met een andere tariefstelsel), maar ook als heffing in een deelgebied
Er zijn drie mogelijke grondslagen voor de belasting: een vast bedrag per reclame voerend bedrijf, een bedrag gerelateerd aan de omvang van de reclame-uiting (kan hoge meetkosten opleveren) en een bedrag gerelateerd aan de woz-waarde van het pand
De RB is in alle gevallen een gebruikersbelasting. Ook bij tarifering op woz-basis, krijgen alleen de gebruikers een aanslag (de Zandvoortse wens om ook naar financiële medeverantwoordelijkheid van de eigenaren te kijken, kan dus niet met een RB worden gerealiseerd)
De wet laat de gemeente volkomen vrij in het besteden van de opbrengst van een reclamebelasting.
In de Zandvoortse praktijk is het IFZ een publiek-private samenwerking. Die verloopt soepel.
De gemeente maakt kosten voor ontwerp en inning van de reclamebelasting. Met name in het eerste jaar
Het is zaak in het proces de kosten zo beperkt mogelijk te houden, er zijn voorbeelden waarin de kosten van perceptie (aanslag, inning, afdoening bezwaar) oplopen tot 25% van de opbrengst – althans in het eerste jaar. Dat moet voorkomen worden door een goede voorbereiding. Hoe meer routine, hoe minder kosten
Er is voor de reclamebelasting een aparte verordening nodig. Maar er kan gebruik gemaakt worden van de ervaring met andere gemeenten
Op één verordening kunnen meer gebieden varen. Wel moet elk gebied afzonderlijk getarifeerd en beschreven worden
Gemeentebreed fonds Feit of omstandigheid
Waardering en commentaar
Hoofdkarakteristiek: gemeente breed fonds op basis van verhoogde opbrengst van de ozb voor niet-woningen; opbrengst geheel ter beschikking van ondernemersfonds, zonder inhoudelijke bemoeienis van de gemeente; ondernemers maken zelf indeling in gebieden of sectoren die een hun eigen inleg via een ‘trekkingsrecht’ terug krijgen
9
Totstandkoming: een ‘herenakkoord’ tussen de initiatiefnemers en de gemeenteraad volstaat. In de praktijk gaat aan de oprichting een onderzoek vooraf, waarin een inrichtingsplan wordt gemaakt.
Doorgaans toetsen de initiatiefnemers vroeg in het proces of de gemeenteraad bereid is in te stemmen met een fonds, wanneer er een goed onderbouwd voorstel komt. Voor een gemeenteraad die hecht aan een stemming of peiling onder alle ondernemers, ligt een gemeentebreed fonds niet voor de hand. In een compact gebied is nog een stemming te organiseren en een meerderheid te verkrijgen (zoals bij de BIZ), maar gemeentebreed is dat niet te doen. Er zijn overal wel gebieden met een meerderheid aan freeriders
Wettelijke basis: de gemeentewet regelt enerzijds de ozbheffing en anderzijds de relatie van de gemeente met gesubsidieerde instellingen. Er zijn geen bijzondere bepalingen van toepassing
Er zijn bijna 50 gemeentebrede fondsen
Positie ‘not for profit’: de ‘not for profit’ (onderwijs, cultuur, sport, zorg) betaalt gewoon mee
Met name bij zorg, onderwijs en cultuur is meebetalen meestal geen probleem: dat zijn instellingen die zich al als onderneming zien en veel belangen en visies met commerciële ondernemingen delen. Bij vrijwilligersorganisaties in de sport kan zich weerstand voor doen
Draagvlakeisen: een getalsmatig draagvlak speelt bij het tot stand komen van een gemeentebreed draagvlak geen rol. Het gaat om een groep initiatiefnemers die het vertrouwen heeft van de gemeente en een voorstel kan maken – gesteund door een onderzoek – waarin een kwalitatief goed plan wordt gemaakt, inclusief aantonen van nut en noodzaak. Daar hoort ook inzicht bij in de steun voor en de kritiek op het fonds. Doorslaggevend is de eigen politieke afweging in de raad
In de praktijk zijn er voor de start van een fonds drie dingen nodig: een groep kundige ondernemers die initiatief nemen, een gemeenteraad die verantwoordelijkheid wil nemen en een goed plan. In het ‘herenakkoord’ wordt vastgelegd dat er een evaluatie komt. Criterium bij de evaluatie is of het fonds na drie of vier jaar breed geaccepteerd wordt en rust gebracht heeft
Bestedingen: de ondernemers zijn geheel vrij in het kiezen van bestedingen. Doorgaans wordt in en convenant vastgelegd dat de gemeente niet zal proberen om gemeentelijke taken op het fonds af te schuiven
In een convenant wordt ‘non-interventie’ vastgelegd: de gemeente zal zich niet met de besluitvorming over besteding bemoeien. En ook ‘non-substitutie’: de gemeente zal geen eigen taken proberen op het fonds af te schuiven. Filosofie is dat met deze vrijheid de verantwoordelijkheid van ondernemers optimaal wordt gemobiliseerd
Bezwaargevoeligheid: er is geen juridische grondslag voor bezwaren, er lopen geen procedures. Bezwaargevoelig is alleen het besluit over de taxatiewaarde van het onroerend goed, niet de ozb-tarifering Kosten: er zijn geen inningskosten. De opbrengst van het hogere ozb-tarief komt geheel ten goede aan de voeding van het fonds De hele categorie niet-woningen doet mee, ook scholen, sport, cultuur, kantoren, ook de eigenaren
Dat iedereen meedoet is een nadeel – geen gebiedsspecificatie mogelijk – en een ook een voordeel: het is in een klap voor de hele gemeente geregeld en alle partijen zitten in dezelfde bot. De gemeente is gehouden aan belastinggelijkheid en kan niemand uitzonderen
Er zijn grote verschillen in trekkingsrechten. Groningen heeft vier gebieden en een sector (de kennisinstellingen), Utrecht heeft 70 gebieden, Leiden 12 gebieden en twee sectoren (sport en onderwijs). Terschelling heeft gekozen om het fonds grotendeels voor eilandbrede marketing in te zetten
Voor Zandvoort is een gedegen afweging nodig van wat je gebiedsgericht wilt doen en wat er Zandvoortbreed gaat gebeuren
In de 50 reeds bestaande fondsen is de afspraak dat de gemeente zich niet bemoeit met de bestedingen. Op
10
langere termijn blijken ondernemersfondsen het meest te appelleren op de ondernemers wanneer zij helemaal vrij zijn om zelf te bepalen wat zij financieren vanuit het fonds Aan een gemeentebreed fonds doen alle niet-woningen mee, ook de delen van het areaal of ondernemers die in eerste instantie niet zitten te wachten op een fonds
Er kunnen aan de private kant van een fonds wel uitzonderingen of terugbetalingen mogelijk worden gemaakt, maar voor een gemeentebreed fonds is het toch nodig dat de gemeente bereid is een ‘boost’ te geven aan het economische klimaat in de hele gemeente
De extra last voor individuele ondernemers is bij een gemeentebreed fonds lager dan bij een reclamebelasting of BIZ, omdat er veel meer meebetalende partijen zijn
BIZ Feit of omstandigheid
Waardering en commentaar
Hoofdkarakteristiek: een gebiedsgerichte regeling in het verlengde van de gemeentelijke taken, betaald vanuit een gebiedsbelasting voor ondernemers, begrensd in bestaansduur en bestedingsmogelijkheden
Filosofie van de BIZ is dat het gaat om financiering van een voorziening op lokaal niveau. De meerjarenbegroting moet van te voren bekend zijn. Dat maakt de BIZ zeer geschikt voor uitgaven die zich goed laten begroten, bijvoorbeeld de kosten van ene beveiligingssysteem
Totstandkoming: groep ondernemers toont belangstelling, gemeente neemt daarop verordening aan. Ondernemers moeten voldoen aan wettelijk vastgestelde draagvlakeisen. Als dat gebeurt, is instelling van een BIZ een formaliteit
De gemeente kan een BIZ stimuleren, bijvoorbeeld door geld beschikbaar te stellen voor een onderzoek onder ondernemers. Maar een eigen politieke afweging is niet nodig: de wet schrijft nauwkeurig voor wat de stappen zijn
Wettelijke basis: er is een aparte BIZ-wet. Er moet op voorhand een meerjarenbegroting zijn, de gemeente stelt die vast Positie ‘not for profit’: de ‘not for profit’ (onderwijs, cultuur, sport, zorg) kan in de verordening worden uitgesloten Draagvlakeisen: bij een schriftelijke stemming moet tenminste de helft van de ondernemers in het gebied kiezen. Daarvan moet 2/3 deel voor stemmen en dat 2/3 deel moet een grotere woz-waarde vertegenwoordigen dan de tegenstemmers. De uitslag geldt voor ten hoogste vijf jaar, daarna kan een nieuwe stemming volgen. Een groep van 20% van de belastingplichtigen kan jaarlijks een nieuwe stemming aanvragen
De draagvlakeisen beteken dat in gebieden waar de problematiek het grootst is (achterstallig onderhoud, geen samenhang veel freeriders) de BIZ geen oplossing is. De BIZ versterkt wat al sterk is. En het stemgedrag kan grillig zijn. Veel vroege BIZzen zijn alweer verdwenen bij een herpeiling; niet eens omdat er veel tegenstand was, maar gewoon in en periode van verminderde belangstelling
Bestedingen: het Ondernemersplein (samenwerkende overheidsinstellingen) noemt als bestedingen: verbeteren van verkeersvoorziening; bewegwijzering; groenvoorziening; afvalinzameling; verlichting; schoonmaak; onderhoud; herstel van schade; brandveiligheid; graffitiverwijdering; het vergroten van de veiligheid door bijvoorbeeld, extra surveillance, hekwerken en camerabewaking
De BIZ is vooral gericht op aanvulling van het gemeentelijk takenpakket in de openbare ruimte. Er zijn ook BIZzen die promotie en evenementen regelen, maar dat vergt wat ‘smokkelen’
Bezwaargevoeligheid: hoe meer regels, hoe meer bezwaarmogelijkheden. ‘Kwaadwillenden’ kunnen een BIZ door steeds nieuwe (rechterlijke) uitspraken te vragen
Juridische kwetsbaarheid en beperktheid in de bestaansduur (na vijf jaar een verplichte herpeiling) maken de BIZ minder stabiel
11
(bijvoorbeeld over bestedingen en over het gemeentelijk toezicht) ontwrichten. Inningskosten: de gemeente maakt enige kosten in de voorbereiding van de aanslag. In de regel worden die kosten van de subsidie aan de BIZ afgetrokken In beginsel een verhuurdersbelasting, er kan besloten worden eigenaren mee te laten doen Jaarlijkse herroeping mogelijk, na vijf jaar herpeiling verplicht Cruciaal voor een BIZ zijn twee dingen: •
•
Wat is de ambitie? Bij een overzichtelijke opdracht in een beperkt gebied dat al goed georganiseerd is, is de BIZ een goede optie. Als de ambitie is om het hele gebied een ‘boost’ te geven of om voorbereid te zijn op nog onbekende problemen (bijvoorbeeld duurzaamheid), dan is een BIZ te beperkt Hoeveel hechten ondernemers en gemeente aan regels? BIZ heeft veel regels, structuur en toezicht. Sommige gemeenten en sommige ondernemers vinden dat prettig. Voor wie dat niet prettig vindt, wordt de BIZ al snel een dwangbuis
We voegen aan de matrixtekst de volgende opmerkingen toe, weer in volgorde van anciënniteit: reclamebelasting, ondernemersfonds en BIZ. De reclamebelasting (RB) is oorspronkelijk in het leven geroepen om een rem te zetten op een wildgroei van reclame in het straatbeeld. De reclamebelasting dient niet verward te worden met precario. Precario op reclame is geen belasting, maar een vergoeding voor het gebruik van een stukje van de openbare ruimte. Reclamezuilen, uitstallingen en vlaggen kunnen daaronder vallen (we komen er nog kort op terug). De RB gaat over reclame die op of in een pand gevoerd wordt en zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. En ‘reclame’ is alles wat meer is dan een sobere naamsaanduiding. De reclamebelasting is een unieke bevoegdheid van de gemeente. De gemeente mag een RB opleggen zonder stemming of inspraak. De RB is aan een tweede leven begonnen als financiële grondslag voor de financiering van ondernemersactiviteiten. De gemeente legt de belasting op, int de bedragen en keert die (eventueel na aftrek van de perceptiekosten) uit aan de ondernemers. De gemeente is vrij in het bepalen van het tarief en het gebied, maar het moet wel allemaal in redelijkheid gaan en beargumenteerd worden, zoals elk overheidsbesluit. Er Is intussen een goede jurisprudentie. Er zijn drie mogelijke heffingsgrondslagen: •
•
•
Een bedrag per strekkende meter reclame. Voorheen betekende deze grondslag dat belastingambtenaren met meetlinten de straat op gingen. Met google streetview is dat een stuk gemakkelijker geworden. Toch is deze grondslag niet erg populair meer Een vast bedrag per belastingbetaler, eventueel in een staffel. Dit is de grondslag voor de geldende RB in Zandvoort. Het vaste bedrag bedraagt 200 euro in het centrum, 100 euro daarbuiten. Dat is zonder meer een lage tarifering (en dus ook een lage opbrengst) Een bedrag gerelateerd aan de taxatiewaarde van het zakelijk vastgoed op basis van de WOZ, de wet Onroerende Zaken. Deze modus is sterk in opmars, mede vanwege het 12
draagkrachtbeginsel: grotere zaken dragen meer bij (waarbij ook nog een maximum kan worden vastgelegd). Deze modus heet, naar de gemeente die hem geperfectioneerd heeft, het ‘Veldhovens model’. Een RB is dus zeer flexibel in z’n toepassing en inrichting. Een nadeel is dat alleen de gebruikers betalen. De eigenaren worden dus collectief tot ‘freerider’. Voor de instrumentenmix die Zandvoort nodig heeft, blijft de RB een optie: het dorp is er aan gewend en de RB heeft een stabiel IFZ mogelijk gemaakt. De tweede modaliteit is die van het ondernemersfonds, een financiële positie op basis van een aanpassing van het ozb-tarief voor niet-woningen. Naar de eerste gemeente met een ondernemersfonds, wordt dit wel het ‘Leids model’ genoemd (2005). Het enige wat formeel nodig is voor een ondernemersfonds, is een eenmalige aanpassing van het tarief in het tarievenbesluit van de gemeenteraad. De afspraak dat de opbrengt van die tariefaanpassing bestemd is voor de voeding van een ondernemersfonds, is genoeg voor een jarenlange stabiele positie. Voor de rest lift het ondernemersfonds mee op al bestaande instrumenten: de lokale belastingverordening, het taxatieproces en de verdeelsleutel tussen eigenaren en gebruikers van onroerend goed. De aanleiding voor de introductie van het ‘Leids model’ was niet de noodzaak om een bepaalde voorziening te financieren.
De aanleiding was een brede analyse dat de positie van het lokale bedrijfsleven niet goed was en versterking behoefde: een betere organisatie, mogelijkheden om professionele dienstverlening te financieren, de afhankelijkheid van de gemeente verminderen, een stabiele basis scheppen voor samenwerking. De woz staat geen uitzonderingen binnen de gemeente toe: iedereen die ozb voor een niet-woning betaalt, doet automatisch mee, ook onderwijs, zorg, sport en cultuur. Dat werd in Leiden destijds als een voordeel gezien: het fonds zou een instrument worden dat alle ondernemers verbindt. Er is echter de nodige flexibiliteit gecreëerd met een systeem van zogeheten ‘trekkingsrechten’: gebieden of sectoren in de gemeente kunnen een trekkingsrecht krijgen op het fonds ter hoogte van het bedrag dat ze via de ozb-inning opbrengen. In de gebieden oefenen verenigingen dat trekkingsrecht uit. De voor Zandvoort belangrijke vraag naar de balans tussen structurele en innovatieve bestedingen is in het ‘Leids model’ dus verlegd naar ‘onderliggende’ verenigingen. De laatste tijd wordt in de inmiddels bijna 50 fondsen naar Leids model wel steeds meer ruimte gemaakt voor gemeentebrede doeleinden, zoals marketing, kennis en belangenbehartiging. Twee vuistregels van het Leids model voor de relatie met de gemeente zijn non-interventie en nonsubstitutie.
De eerste vuistregel zegt dat de gemeente alleen geld overdraagt en administratief controleert, maar zich niet bemoeit met de besteding. De tweede vuistregel zegt dat de gemeente niet zal proberen om eigen uitgaven op het fonds af te wentelen. In Zandvoort is op dit moment sprake van een verweving van ondernemersgeld (via de RB bijeen gebracht) en overheidsgeld (subsidie): de gemeente verdubbelt de RB-opbrengst met een maximum van 75.000 euro. En IFZ en gemeente hebben afgesproken de komende vier jaar de kosten van de ondernemersmanager van 85.000 euro per jaar te delen. Die afspraak kan zonder probleem in stand blijven. Dit soort cofinancieringen bestaan op veel plaatsen in het land. Met dien verstande, dat de gemeente zich verre houdt van beïnvloeding van het ondernemersgeld, maar wel degelijk eisen mag stelleen aan het publieke geld. Technisch zou de subsidie in het fonds onder gebracht kunnen worden, waarbij fonds en gemeente een prestatieovereenkomst sluiten voor de inzet van de subsidiemiddelen. Het streven is natuurlijk altijd om dat in goed overleg te doen en er niet twee inhoudelijk gescheiden zaken van te maken.
Voor Zandvoort is het ondernemersfonds een bruikbare optie, omdat het past bij een doorontwikkeling vanaf de reeds bestaande RB en bij de brede gezamenlijke agenda van gemeente en ondernemers. En ook omdat eigenaren ‘automatisch’ meedoen. 13
Het derde instrument is de wettelijke regeling van de Bedrijven Investeringszone, de BIZ. De BIZ is een reactie van de wetgever op het signaal van Leiden en andere vroege fondsen dat er kennelijk een bereidheid was van ondernemers om langs fiscale weg extra te investeren in het vestigingsklimaat. Dat was tot dan een taboe: ondernemers werden geacht tegen elke lastenverhoging te zijn. Het Leids model is bij uitstek een regelarme omgeving. Als ondernemers meer gaan betalen, laat dat dan zonder voorschriften en regels zijn. De BIZ is als reactie van de wetgever op het slechten van het taboe juist weer met regels omgeven. Een BIZ is een gebiedspositie. Voor zover ons bekend is er maar één voorbeeld van een gemeentebrede BIZ, het eiland Ameland. Voor de totstandkoming van een BIZ is een schriftelijke peiling onder de beoogde belastingbetalers noodzakelijk. En aan de BIZ moet een bestedingsplan voor vijf jaar ten grondslag liggen. De mogelijke bestedingen zijn wettelijk vastgelegd (we citeerden de wet al). Na vijf jaar vervalt de BIZ. Een BIZ kan ontworpen worden voor kleine gebieden en kan zowel voor gebruikers als voor eigenaren gelden (beide categorieën stemmen afzonderlijk).
De BIZ is zeer geschikt (en werd er destijds ook voor ontworpen) bij investeringen die in vijf jaar kunnen worden afgeschreven, bijvoorbeeld een camerasysteem of en private bijdrage bij de revitalisering van een terrein. In de praktijk is het gebruik van de BIZ opgerekt tot zaken die buiten de wettelijke beperking vallen, zoals regulier gebiedsmanagement (waarmee een BIZ juridisch wel kwetsbaar wordt). Een BIZ is aantrekkelijk voor gemeenteraden en ondernemers die juist prijs stellen op een regelgeleide omgeving. Het is politiek een risicovrije optie.
Volledigheidshalve: Precario en toeristenbelasting Met gemeentebreed, BIZ en reclamefonds hebben we de drie belangrijkste modaliteiten in beeld. Volledigheidshalve moeten we nog twee andere modaliteiten noemen: •
De precario. Precario is de som die een gemeente kan innen van partijen die de openbare ruimte gebruiken voor het plaatsen van roerend goed. In concreto: terrassen, uitstallingen, reclame-uitingen in de openbare ruimte (inclusief ‘opgehangen’ reclame). Het is eigenlijk een huur. Daarmee is direct de beperking in beeld: de gemeente kan – als beheerder van de openbare ruimte’ een huur vragen van partijen die een particulier gebruik willen maken van die ruimte. Het heffen van precario is op zich billijk: een vergoeding voor het gebruik van een ruimte door een particulier aan de eigenaar en onderhoudsplichtige (de gemeente). Het ligt minder voor de hand om precario te heffen en vervolgens als subsidie weer ter hand te stellen aan de gebruikers. Hier en daar in het land gebeurt dat toch, vaak als aanvulling op een ander arrangement of als een soort ‘oefening’, voordat er een meer definitieve keuze voor een modaliteit wordt gemaakt
•
De toeristenbelasting. De toeristenbelasting is oorspronkelijk ingevoerd om een gemeente een vergoeding te geven voor de kosten van toeristen. Een gemeente maakt natuurlijk kosten: toeristen oefenen druk uit op de infrastructuur, op de onderhoudsbudgetten, op de afvalverwerking, op de veiligheidsvoorzieningen, enzovoort. Maar de toeristenbelasting ‘ligt niet lekker’: alleen de aanbieders van accommodaties betalen de belasting (die ze doorgaans verleggen naar de rekening voor hun gasten), terwijl ook andere ondernemers en bewoners belang hebben bij de toeristen en aan de instandhouding zouden horen bij te dragen. Bovendien vinden veel betalers van de toeristenbelasting dat ze onvoldoende zicht hebben op wat de gemeente met de opbrengst doet: het is een ‘black box’. 14
De laatste tijd is het steeds gebruikelijker aan het worden dat de opbrengst van de toeristenbelasting voor een deel onder regie van de ondernemers wordt geplaatst, zodat zij kunnen meepraten over de bestedingen. In Leiden is geruime tijd geleden besloten om de opbrengst van de belasting één-op-één te gebruiken voor citymarketing. En is vervolgens een laatste stap gezet: de opbrengst van de belasting wordt toegevoegd aan het ondernemersfonds. De hoteliers hebben een trekkingsrecht op die opbrengst, met als voorwaarde dat ze de middelen gebruiken voor aansturen en financieren van de citymarketing mee aan. Dat heeft geleid tot het bijzondere moment dat de hoteliers naar de gemeenteraad zijn gekomen om te pleiten voor een verhoging van de belasting. De goodwill om de belasting te betalen is maximaal geworden, door het ‘eigenaarschap’ van de opbrengst bij de ondernemers te leggen. Het is een mooie combinatie: de overheid biedt de structuur en de voorspelbaarheid, de ondernemers zorgen voor de bestedingen en de dynamiek. Maar in Leiden is de toeristische druk veel beperkter dan in Zandvoort. De Gemeente Zandvoort zou zich zo’n beleid niet kunnen permitteren. In de politieke context van Zandvoort van dit moment zijn noch de precario noch de toeristenbelasting in beeld als voedingsbronnen van een fonds, ook niet in aanvullende zin.
15
1. Leereffecten van elders
De rubricering in drie modaliteiten met hun eigen kenmerken suggereert een zekere standaardisering: een knoppenbord dat een keuze mogelijk maakt op basis van een objectieve analyse. Maar in de praktijk gaat het anders. Het is moeilijk om in zakelijk-objectieve zin over een fonds te praten. In elke stap zit wel weer een afweging of een politiek moment. De keuze voor een bepaald model is uiteindelijk geen kwestie van alleen maar cijferen en regels volgen, maar heeft alles te maken met waar een gebied zich bij thuis voelt: welke ambities heb je? Hoeveel regels en hoeveel vrijheid wil je? Er is een enorme pluriformiteit aan praktijkvoorbeelden. Niet-objectieve omstandigheden als de lokale ambities, het samenwerkingsklimaat, timing, ervaringen in het verleden, gesettelde verhoudingen tussen ondernemers en politieke visies van zowel ondernemers als raadsleden spelen een grote rol. De ‘bottom line’ is: het is mensenwerk, in de context van de lokale democratie. En het best mogelijke advies luidt: denk na over wat het beste bij je past. In de voorliggende paragraaf geven we iets weer van die subjectiviteit, aan de hand van de ervaringen met gemeentebrede fondsen. Er zijn sinds 2005 bijna 50 gemeentebrede fondsen op de kaart gekomen. Ze ontmoeten elkaar in een vereniging, het Landelijk Platform Ondernemersfondsen.
Daarnaast zijn ze gangmaker geweest voor de wet-BIZ en voor het inzetten van de reclamebelasting Er is dus veel ervaring opgedaan met hoe lokale ondernemerscollectieven werken. We halen daar zeven leereffecten uit. 1. Er is iets niet-vrijblijvends nodig. Aan het initiatief voor het ondernemersfonds in Leiden ging in 2005 een kwart eeuw vooraf van vrijwillige pogingen om iets gestructureerds op poten te krijgen. Soms met succes. Maar als de vrijwilligers-ondernemers die hun tijd en inzet in een vereniging of een project stoppen er mee ophouden, stort de zaak vaak weer in. Het gevolg van deze onmacht van ondernemerskant was een afhankelijkheid van de gemeente. Dat is de enige lokale partij die over geld en capaciteit beschikt. En onmacht vertaalde zich vaak in gemopper op diezelfde gemeente. Met de komst van een ondernemersfonds is daar een einde aan gekomen. Er is een structuur, er is continuïteit, er kunnen plannen worden gemaakt voor de lange termijn. Het punt is dat de enige partij die iets verplichtends kan opleggen, diezelfde gemeente is. De gemeenteraad moet bereid zijn het belastinginstrument te gebruiken. Als de vraag uitgaat naar een BIZ, is die bereidheid er altijd, maar het is ook een gratuite bereidheid. De rol van de gemeente is vooral het toepassen van wettelijke voorschriften: de stemming organiseren en toezicht houden op de bestedingen.
Voor een reclamebelasting en een ozb-fonds zijn geen voorschriften en gaat het echt om wat de gemeente zelf wil. Er is een eigen visie van college en raad nodig. Soms is die er gewoon niet, is een raad bang voor weerstand en blijft het probleem onopgelost. En soms pakt het zeer doortastend uit. In Heerlen en Apeldoorn was van ondernemerskant al jaren niets geconcentreerds tot stand gekomen, terwijl de overheid veel investeringen had gedaan. Daar heeft de gemeente de eigen verantwoordelijkheid genomen en zelf een gemeentebreed fonds (Heerlen) dan wel een centrummanagement op reclamebasis (Apeldoorn) ingericht. Het grappige is dat – als de kogel eenmaal door de kerk is – er altijd ondernemers te vinden zijn die er dan ook een succes van willen maken en grote groepen ondernemers het wel goed vinden: eindelijk gebeurt er iets.... Maar Apeldoorn en Heerlen zijn niet maatgevend. Meestal gaat het initiatief uit van de georganiseerde ondernemers die een einde willen maken aan de onmacht. Het is hoe dan ook een verhaal van twee partijen: een raad die het probleem
16
begrijpt en verantwoordelijkheid wil nemen en energieke initiatiefnemers van ondernemerskant. 2. Als er een gezamenlijke investeringspositie van ondernemers komt, is het zaak dat die aan de ene kant draagbaar is: de financiële last moet voor de individuele ondernemer te overzien zijn. Aan de andere kant moet de opbrengst voldoende zijn om ook echt iets te kunnen. Hoe de balans uitpakt, is afhankelijk van de lokale afweging en het lokale ambitieniveau. Een recent voorbeeld van een hoog ambitieniveau is Enkhuizen. Enkhuizen – vrijwel even groot als Zandvoort – had een ondernemersfonds met een private voeding (via de ozb) van drie ton. Na een recente evaluatie is dat budget verhoogd tot vier ton per jaar. We kunnen ook Terschelling noemen (4700 inwoners). Daar was de analyse dat de sociale samenhang op het eiland sterk genoeg is om nog tot in lengte van dagen de seizoensgebonden dingen (promotie, festivals) voor elkaar te krijgen. Maar de lange termijn – de marketing – was een ander verhaal. Met dat bestedingsdoel voor ogen, is een fonds opgericht met een jaarlijkse voeding van 160.000 euro. We zeggen niet dat Zandvoort op een zelfde financieringsniveau als Enkhuizen of Terschelling moet gaan zitten. Maar de 75.000 euro private inleg van dit moment, is wel erg weinig. 3.
De gezamenlijke financiële positie is des te effectiever, wanneer de ondernemers het echt als hun eigen geld ervaren. De meeste gemeentebrede fondsen werken met inmiddels bekende trekkingsrechten: elk gebied of sector krijgt de eigen ‘inleg’ via de ozb terug ter eigener besteding (minus een deel waarover besloten wordt om het gemeentebreed in te zetten). Dat ‘eigenaarschap’ stimuleert het onderlinge gesprek enorm en zorgt er ook voor dat de ondernemers hun eigen keuzes maken. Het haalt de ‘wij tegen zij’-factor uit de afweging. Vanuit dat leereffect zetten we vraagtekens bij de systematiek van het IFZ. Het IFZ functioneert feitelijk als een subsidiepot: ondernemers gaan in gesprek met een derde partij die beoordeelt of de plannen van wel goed genoeg zijn en in het stramien passen. De vraag die in Zandvoort speelt – hoeveel structureel, hoeveel innovatie – zou wellicht minder aan de orde zijn, wanneer niet een derde partij (het IFZ-bestuur) de keuzes maakt, maar de ondernemers zelf de afweging moeten maken. Een punt van overweging is dus om die jurerende taak van het IFZ te verminderen door het vernieuwde fonds (gedeeltelijk) in de vorm van een trekkingsrecht van gebieden te gieten. Of juist aan te scherpen door expliciet te maken dat het IFZ er echt alleen voor eenmalige innovaties is. 4. Er is een arrangement nodig dat een ontwikkeling in de bestedingspatronen mogelijk maakt.
In veel ondernemersfondsen gaan de bestedingen van de ‘eerste generatie’ naar acute noden: dingen die allang geregeld hadden moeten worden, zoals een stabiele financiering van de bijna spreekwoordelijke intocht van Sinterklaas. Als in die acute noden voorzien is, ontstaat er ruimte voor structuurversterking, innovatie en zaken die te maken hebben met de eigen visie van ondernemers. Feitelijk is dat proces in Zandvoort ook aan de gang. De kunst is nu om een systeem te ontwerpen dat wel continuïteit garandeert, maar dat niet doet door alle bestedingen al meerjarig vast te leggen. Er moet ruimte zijn om goed mee te bewegen met de economie. En ruimte voor creatieve plannen, precies de oorspronkelijke inzet van het IFZ. De vijfjaarsplanning van de BIZ is met de huidige snelheid van de economische ontwikkeling bijna archaïsch te noemen.
17
5. Een voor de hand liggend leereffect is dat sterke schouders de zwaardere last moeten dragen. Er moet dus een zekere evenredigheid zitten in de bijdragen. Daar is in Zandvoort maar beperkt sprake van: er is een tariefverschil tussen ‘centrum’ en ‘overig’. Alle drie technische modaliteiten – BIZ, ondernemersfonds, reclamebelasting – hebben de mogelijkheid om dat anders te doen. maar het gaat ook om het aantal contribuanten. Zandvoort mist op dit moment de inzet van de vastgoedeigenaren, terwijl ze weldegelijk afhankelijk zijn van het lokale vestigingsklimaat. 6. Een leereffect is ook dat de ‘lead’ echt bij de ondernemers moet liggen. Creativiteit en verantwoordelijkheidsneming zijn er enorm mee gediend wanneer de investeringspositie op geen enkele manier als een verlengstuk van de gemeente wordt gezien. Juridisch gaat het bij een uit de belastingopbrengst betaalde financiering altijd om publiek geld, dat is duidelijk. En de gemeente heeft altijd een noodremprocedure. Maar in de praktijk moet dat geen rol spelen. De meeste dynamiek ontstaat wanneer de ondernemers het inhoudelijk en financieel zelf uitzoeken. Het voordeel voor de gemeente van het ontstaan van een financiële positie voor en door ondernemers zit ook niet in de financiële opbrengst.
Het voordeel zit in het ontstaan van een sterke counterpart, een overlegpartner waarmee over het economisch beleid gediscussieerd kan worden. Om die gelijkwaardigheid te waarborgen, moet ook volkomen duidelijk zijn dat ondernemersgeld niet in plaats komt van overheidsgeld (het non-substitutie beginsel). 7. Een laatste leereffect is vrij recent. Gebiedsgerichtheid – bij de BIZ verplicht, bij de RB vaak als praktische invulling in een ondernemersfonds mogelijk gemaakt via de trekkingsrechtensystematiek – heeft het ‘eigenaarschap’ van de gezamenlijke financiële positie sterk bevorderd. Ondernemers ervaren het echt als hun geld (soms zelfs een beetje teveel, bijvoorbeeld wanneer er uit zuinigheid ‘op geld gezeten’ wordt, terwijl er genoeg te doen is). Maar de economie staat niet stil. Er komen steeds meer vraagstukken bij die niet direct met een gebied samenvallen: marketing, ‘branding’ en acquisitie; stimuleren jong ondernemerschap; de energietransitie; public affairs, kennis en belangenbehartiging; personeelsvoorziening en onderwijs. De lijst wordt steeds langer. De ‘vroege’ fondsen hebben veel tijd gestoken in het alsnog vrijmaken van middelen voor ‘gemeentebreed’. Het gaat om budgetten van 10 tot 20% van het totaal.
Daar hoort een aangepaste ‘governance’ bij: gemeentebrede bestedingen passen niet meer in een gebiedsgericht trekkingsrecht, maar het is nog steeds geld ‘voor en door ondernemers’. Gemeentebreed is lastig: het zit dichter bij de politiek, is meer van de lange termijn, vergt stuurmanskunst, roept discussie op. Maar het is een grote bron van dynamiek, heel erg het spreekwoordelijke ‘meer wrijving meer glans’. Door deze ervaring van de vroege fondsen wijs geworden, beginnen nieuwere fondsen met een veel groter gemeentebreed aandeel, of zelfs met alleen maar gemeentebreed. Een succesvol voorbeeld is het Drentse Westerveld, een fusiegemeente van vier toeristische dorpen, waar ook twintig jaar na de fusie nog steeds een sterke dorpscultuur heerste. Besloten werd om met het fonds en nieuw start te maken. 80% van het fonds wordt besteed via een gemeentebrede tafel. Dat dwingt de dorpen om hun plannen transparant te maken en samen te werken. Er wordt met beperkte middelen een enorme dynamiek bereikt. Zandvoort heeft via het IFZ al de nodige gemeentebrede ervaring. De vraag is of bij een hoger investeringsbudget alsnog een gebiedsgerichte aanpak nodig is, of dat volstaan kan worden met een gemeentebede tafel.
18
Tot zover de ervaringen van elders. Bij de keuze van de modaliteit – RB, fonds of BIZ - gaat het in feite om twee vragen: •
•
De vraag naar de ambitie. Als de ambitie is om in een beperkt gebied voor een beperkte tijd (vijf jaar) een van te voren bepaald doel te realiseren, dan is een BIZ het meest aangewezen instrument (al kan ook een reclamefonds in aanmerking komen). Als de ambitie is om de hele gemeente een economische ‘boost’ te geven en voor langere tijd dynamiek mogelijk te maken, dan is een gemeentebreed fonds aangewezen (en kan een reclamefonds onder bepaalde voorwaarden ook werken, maar dan alleen vanuit de gebruikers) De vraag naar de regeldichtheid. Als ondernemers en gemeente hechten aan een duidelijk regelklimaat met veel toezicht en veel controle, dan is een BIZ de aangewezen weg. Wanneer de gemeente niet hecht aan controle en de ondernemers een optimale inrichtingsvrijheid willen, dan kom je uit bij een gemeentebreed fonds of – onder bepaalde voorwaarden – bij een reclamefonds.
Een reclamefonds kan een goede middenweg zijn tussen BIZ en gemeentebreed. De wet staat toe dat gemeente en ondernemers een herenakkoord sluiten over een gebiedsgerichte reclamebelasting en vervolgens een fonds inrichten volgens het principe ‘voor en door ondernemers’.
19
2. Overwegingen voor Zandvoort In dit hoofdstuk sommen we een aantal overwegingen op waar bij de Zandvoortse keuze rekening mee moet worden gehouden. Ze zijn deels technisch, deels inhoudelijk van aard. De volgorde is willekeurig.
Ten eerste. Zandvoort heeft ervaring met de reclamebelasting. Er zijn zoals al aangegeven in die belasting drie heffingsgrondslagen mogelijk: een vast bedrag per reclamevoerend pand (de huidige aanpak in Zandvoort), een bedrag gerelateerd aan de omvang van de reclame-uiting (gebruikelijk als het doel van de belasting ook is om het voeren van reclame in de openbare ruimte in de hand te houden) en een tarief gerelateerd aan de woz-waarde. De laatste optie – het genoemde Veldhovense model - is op dit moment het meest in zwang en is ook voor Zandvoort interessant. Een korte klap voor Zandvoort zou kunnen zijn een aanpassing van de reclamebelasting naar het ‘Veldhovens model’ voor het onroerende deel van het areaal en een eenheidstarief voor het roerende deel (lees: strandpaviljoens). Lelystad doet het zo, en het kan in één verordening. De reclamebelasting kan zeer flexibel worden vorm gegeven. Punt blijft dat de reclamebelasting alleen door de gebruikers (en niet door de eigenaren) wordt opgebracht. Ten tweede. De heffingsgrondslag voor de strandpaviljoens en de standplaatsen is een verhaal apart, omdat ze niet als onroerend goed tellen en buiten de werking van een BIZ en een ozb-fonds vallen. Het is meer dan een marginale kwestie, omdat de strandpaviljoens een geïntegreerd en zelfs beeldbepalend onderdeel uitmaken van de lokale economie.
Nu heeft de ozb een broertje, namelijk de roerend zaak belasting (rzb). Die wordt in andere gemeenten gebruikt om bijvoorbeeld woonarken te belasten en de tarifering is gelijk aan die van de ozb. Maar Zandvoort heeft geen rzb en het is een beetje omslachtig om de rzb in te voeren alleen vanwege een ondernemersfonds. Een optie zou zijn een tarief voor de reclamebelasting te baseren op de huurwaarde van het roerend goed. Dat wil zeggen geen eenheidstarief zoals in Lelystad maar een waarde-gerelateerd tarief. De gemeente heeft met het roerend areaal geheel of grotendeels een huurovereenkomst. Een optie zou ook zijn om een bijdrage van het roerend goed aan het ondernemingsklimaat niet fiscaal te regelen, maar via een opslag op de huur. Deze optie is niet ongebruikelijk. De ambulante handel, bijvoorbeeld, organiseert op meer plekken in het land promotionele acties met een budget uit de marktgelden. Het kost wel invoeringstijd, omdat niet alle huurcontracten op hetzelfde moment worden vastgesteld. Ten derde. Een herinrichting van de rb met daarnaast een BIZ om ook de eigenaren te committeren, ligt niet helemaal voor de hand. Een BIZ vraagt, zoals opgemerkt, een nauwkeurig omschreven peiling. Het is wettelijk mogelijk een BIZ alleen voor de eigenaren te ontwerpen, maar of dat ontwerp de peiling overleeft, is buitengewoon ongewis.
In het algemeen kan een BIZ-peiling succesvol zijn in goed afgebakende en intern samenhangende gebieden met een nauw omschreven bestedingsdoel, bijvoorbeeld een beveiligingssysteem of een gebiedsmanager. In een groter en gevarieerder gebied werkt dat veel minder. Je kunt het proberen te ondervangen door meer BIZzen proberen op te richten (Amsterdam heeft er 68), maar het wordt er niet eenvoudiger op en het brengt een Zandvoortbrede samenhang niet dichterbij.
Ten vierde. Zandvoort wil ruimte houden voor innovaties, naast structurele uitgaven (zoals periodieke evenementen en uitvoeringscapaciteit of ‘ondernemersmanagement’). Dat is zelfs in de 20
naam van het fonds – IFZ – vastgelegd. Dat maakt de BIZ wat minder geschikt als instrument. De BIZ werkt immers met een van tevoren vastgelegde vijfjarenbegroting. Dat betekent ‘conservatieve’, planbare voorzieningen. Daarbij is de BIZ minder stabiel. Er verdwijnen regelmatig BIZzen halverwege, of ze sneuvelen na vijf jaar in de herpeiling. Tenslotte ontbreekt bij de BIZ de ondernemersvrijheid die fondsen typeert op basis van reclamebelasting of OZB. Wettelijk is instemming van de gemeenteraad met de bestedingen vereist. Als het doel is om de positie van het bedrijfsleven structureel te versterken, is een BIZ een wat gemankeerd instrument. De BIZ is een opstap, geen eindoplossing.
Ten vijfde. De combinatie van een ozb-fonds met een reclamefonds is goed mogelijk, ook met minimalisering van administratieve lasten. Er zijn enkele gemeenten die er goede ervaring mee hebben, waaronder Helmond. In Helmond leefde in de binnenstad (inclusief een gordel daar omheen) de wens om nog meer gebiedsgericht te kunnen investeren. Dat werd mogelijk door een gebiedsgerichte reclamebelasting ‘bovenop’ een gemeentebreed fonds te plaatsen. Een gebruikelijk ‘starttarief’ voor nieuwe woz-fondsen is momenteel 60 euro per ton woz-waarde. Voor Zandvoort zou dat jaarlijks een opbrengst van omstreeks 190.000 euro genereren (bruto, en zonder een gemeentelijke multiplier). Dat is een vrij beperkt bedrag, als we het vergelijken met fondsgemeenten met evenveel inwoners. Het bedrag is een illustratie van het probleem waar Zandvoort voor staat, namelijk een kleine economie. Maar in vergelijking met de huidige situatie is het wel een aanzienlijke verruiming van de financiële slagkracht. De vraag is dan natuurlijk wel of die draaglast van 60 euro per ton woz-waarde, die elders geen beletsel blijkt, ook voor Zandvoort realistisch is. Maar er is speelruimte, zowel naar boven als naar beneden. Voor de goede orde: ozb-stijgingen moeten op basis van afspraken tussen het kabinet en de VNG in de pas blijven lopen met de zogeheten macronorm, globaal: de inflatie.
Maar juist voor een ozbstijging als gevolg van de komst van een ondernemersfonds is een uitzondering gemaakt. Alweer: er is speelruimte.
Ten zesde. Zandvoort wil tot een stabiele oplossing komen die voor een reeks van jaren ruimte verschaft voor zowel structurele uitgaven als innovaties. De oplossing moet gedragen worden door financiële participatie van de gebruikers van onroerend goed, door de eigenaren en door de exploitanten van roerende goederen. De combinatie van gewenst stabiliteit en flexibiliteit maakt de BIZ minder waarschijnlijk. Maar de BIZ is wel de enige optie uit de instrumentenkist die tot stand kan komen zonder een eigen politieke visie van de gemeente. We achten de optie van een gemeentebreed fonds met een aanvullende reclamebelasting voor de roerende zaken vooralsnog de meer kansrijke optie. Die kunnen allebei doorgaan zonder een peiling en zonder het bijbehorende afbreukrisico, maar vergen wel een eigen visie en support van college en raad. We noemden Apeldoorn en Heerlen als stoutmoedige voorbeelden. De vraag is niet of de raad bevoegd is. Het invoeren van zowel een ondernemersfonds op woz-basis als een reclamebelasting is geheel en al een bevoegdheid van de gemeenteraad. Het gaat om de vraag of de raad de bevoegdheid wil gebruiken. In andere gemeenten stranden initiatieven om tot een fonds te komen er vaak op dat de gemeentepolitiek geen gevoel heeft voor de noodzaak van niet-vrijblijvende samenwerking via de belastingkas.
Dat vertaalt zich in de roep om een breed uitgemeten draagvlak onder de ondernemers, als alibi voor die verantwoordelijkheid te vergen (dat gebeurt met de door 21