CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Bestemmingsplan De Duinwachter - toelichting

Gemeenteraad 21 maart 2023, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Bestemmingsplan De Duinwachter14.200 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

29 overschot van ca. 4.000 m3 grond. Deze resterende grond wordt opgeslagen in een door de Gemeente Zandvoort op te richten gronddepot.

Afbeelding 4.1: doorsnede bouwplan met waterlijn Conclusie Tijdens de uitvoering moet voldaan worden aan de op dat moment geldende Keur (thans 2020). Een vergunning/melding op grond van de Waterwet dient te worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. Het onderdeel water vormt geen belemmering voor het project.

4.3

Geluid

Wet geluidhinder Een belangrijke basis in de ruimtelijke afweging voor het aspect geluid is de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Deze wet biedt geluidsgevoelige functies, zoals woningen, bescherming tegen geluidsoverlast van wegverkeer-, spoorweg- en industrielawaai. De Wgh is van toepassing bij het vaststellen van bestemmingsplannen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen ex artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. "Duinwachter" (vastgesteld)

30

Onderzoek Door M+P raadgeven ingenieurs B.V. is Akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het bouwplan is geluidsbelast vanwege: 1. Racecircuit Zandvoort 2. Beach Factory en Strandhotel 3. Jump XL 4. Wegverkeer op Van Lennepweg en de Burgemeester van Alphenstraat 5. Tropisch zwembad Centerparcs met hoge glijbanen op circa 150 meter van het bouwplan Wegverkeerslawaai De regelgeving voor wegverkeerslawaai, met uitzondering voor Rijkswegen, is vastgelegd in de Wgh. In artikel 74 van de Wgh is bepaald dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg. Uitgaande van een stedelijk gebied bedraagt de zone van een weg, bestaande uit een of twee rijstroken 200 meter. Uit de berekeningen kan het volgende worden geconcludeerd: voor de van Lennepweg Burgemeester van Alphenstraat worden hogere waarden berekend. Wel wordt overal voldaan aan de maximale ontheffingswaarde. De volgende maatregelen kunnen overwogen worden: Toepassen van een stiller wegdektype: dunne geluidsreducerende deklaag is SMA-NL8 G+. Het voorzien van de woningen van een balkon/loggia met een gesloten balustrade en een geluidsabsorberend plafond. Racecircuit Zandvoort De geluidbelasting vanwege het circuit bedraagt maximaal 50 dB(A) ter plaatse van de ontwikkellocatie. Hiermee levert het circuit geen knelpunten op.

In een eerdere fase van de planvorming is door het circuit zienswijze ingediend waarbij over het akoestisch onderzoek is opgemerkt dat naast de activiteiten van het Circuit van Zandvoort die in de milieuvergunning zijn vastgesteld ook rekening dient te worden gehouden met de ontwikkelingen buiten de inrichting. Dit betreft activiteiten ten behoeve van het opvangen van bezoekers voor het Formule 1-evenement "Formula 1 Dutch Grand Prix" (DGP). In de Memo geluidbelasting evenement Formule 1 is onderzocht of het bouwplan knelpunten kan opleveren bij het aanvragen van een evenementenvergunning voor het DGP Race-Festival in de toekomst. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat de geluidsbelasting ter plaatse van de Duinwachter in de worst-case situatie de volgende waarden betreft: Fanzone 76 dB(A) Camping 55 dB(A) Muziekgeluid op het circuit: 70 dB(A) Bovengenoemde waarden voldoen aan de grenswaarde van 85 dB(A) uit het evenementenbeleid. Indien de maximale situatie op de drie locaties tegelijkertijd optreden betreft de gecumuleerde geluidsbelasting maximaal 77 dB(A), waarmee ook voldaan wordt aan het evenementenbeleid.

Daarnaast wordt opgemerkt dat de geluidsbelasting ter plaatste van de Duinwachter in werkelijkheid fors lager kan zijn, omdat voor de Fanzone en het muziekgeluid op het circuit van de geluidsbelasting op vergunningspunt 5 wordt uitgegaan, dat minder gunstig gelegen is dan de Duinwachter. Voor de planning van de activiteiten wordt verwezen naar het rapport van Peutz. Hieruit blijkt dat aan de eindtijd van 24:00 uit het evenementenbeleid kan worden voldaan. Wel vinden er in de ochtend activiteiten plaats: Vanaf de fanzone en de camping is vanaf 9 of 10 uur al muziekgeluid hoorbaar, waaronder achtergrondmuziek en live-optredens. De afstand tot de omliggende bedrijven voldoet aan stap 1 uit de VNG handreiking, uitgaande van een gemengd gebied. Verder toetsing voor het aspect geluid kan in beginsel achterwege blijven. De geluidsbelasting vanwege het circuit van Zandvoort levert geen knelpunten op voor het bouwplan. Conclusie De voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai wordt overschreden maar de geluidbelasting blijft binnen de maximaal te ontheffen waarde. Ten behoeve van het project wordt een hogere waardenbesluit genomen. "Duinwachter" (vastgesteld)

31

Het onderdeel akoestiek vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.4

Bedrijven en Milieuzonering

Een goede ruimtelijke ontwikkeling streeft naar het bevorderen van een duurzame ruimtelijke kwaliteit in een dynamische samenleving. Het is helder dat duurzame ruimtelijke kwaliteit mede richting en inhoud geeft aan het criterium "een goede ruimtelijke ordening". Een goede ruimtelijke ordening houdt ook in het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (editie 2009), het zogenaamde 'groene boekje', een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het Groene Boekje geeft richtafstanden (zie tabel) die gemotiveerd kunnen worden toegepast bij ruimtelijke ordening. De richtafstanden hangen samen met gebiedskenmerken. Voor de omgevingstypen "rustige woonwijk en rustig buitengebied" en "gemengd gebied" worden uitgegaan van het principe van functiescheiding. De richtafstand geldt tussen de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is.

Het is mogelijk om door middel van maatregelen overlast te beperken en daardoor af te wijken van de afstanden. In dit geval zal aangetoond moeten worden welke maatregelen worden genomen om de overlast te beperken. Aan de hand hiervan kan dan gemotiveerd worden afgeweken van de standaard adviesafstanden. In het plangebied is sprake van twee verschillende gebiedstyperingen gericht op functiescheiding.

Tabel met richtafstanden

Rustige woonwijk Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. In het gebied is weinig verstoring van verkeer. Gemengd gebied Een gemengd gebied heeft een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals: winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die liggen langs de hoofdinfrastructuur, kunnen eveneens tot het omgevingstype "Gemengd gebied" worden gerekend. In een gemengd gebied kan de verhoogde milieubelasting, met name voor geluid, de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. In beginsel wordt de richtafstand voor een "Gemengd gebied" "Duinwachter" (vastgesteld)

32 met één stap verminderd. Onderzoek De projectlocatie en het omliggende gebied kent een sterke mate van functiemenging. Aan de westzijde aan de Burg. van Alphenstraat bevinden zich meerdere bedrijven en aan de noord- en oostzijde bevinden zich het circuit en het Center Parcs. Ook is de projectlocatie gelegen langs de hoofdinfrastructuur van Zandvoort. De Burg. van Alphenstraat betreft immers een gebiedsontsluitingsweg. Daarmee is het gerechtvaardigd om uit te gaan van het omgevingstype “gemend gebied” en kan de richtafstand met één stap worden verminderd. Aan de projectlocatie grenst het terrein van het bedrijf Center Parcs Zandvoort met een groot aantal vakantiewoningen. Dit bedrijf is in het handelsregister geregistreerd met de SBI-code 55201 (verhuur van vakantiehuisjes en appartementen). In de richtafstandlijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' is verblijfsrecreatie in de vorm van een vakantiecentra (SBI-code 552) geschaard onder milieucategorie 3.1, waarbij 50 meter als de grootste afstand tot gevoelige bestemmingen geldt. Gelet hierop en het Akoestisch onderzoek van het bureau M+P wordt geconcludeerd dat het geluid maatgevend voor de richtafstand voor een vakantiecentra - geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plan. Ook leidt het plan niet tot een beperking of belemmering in de bedrijfsvoering van het Center Parcs Zandvoort.

Conclusie Het onderdeel 'Bedrijven en Milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. "Duinwachter" (vastgesteld)

33

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het omgevingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Door Bureau Aandacht Natuur is een Natuurtoets uitgevoerd. In dit onderzoek wordt in het kader van de Wet natuurbescherming ingegaan op de gevolgen van het plan voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie is gelegen nabij het centrum van Zandvoort en ligt hiermee niet direct in of aan de rand van een Natura 2000 gebied.

Tevens is de planlocatie en directe omgeving niet aangewezen als (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN), weidevogelleefgebied of een natuurverbinding. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreft Kennemerland-Zuid. De minimale afstand vanaf de projectlocatie tot aan de rand van dit Natura 2000 gebied bedraagt circa 950 meter. Gezien de ligging en het huidige gebruik van de projectlocatie, bevat het terrein en directe omgeving geen elementen die de specifieke waarden van een Natura 2000 gebied versterken en hebben dan ook geen functie voor in Natura 2000 gebieden aangewezen habitattypen en/of habitat- en vogelrichtlijnsoorten. Het onderdeel Stiksof komt aan de orde in paragraaf 4.6.

"Duinwachter" (vastgesteld)

34

Afbeelding 4.2: ligging projectlocatie (binnen rode cirkel) ten opzichte van natura2000 gebied (geel/groen). Soortenbescherming Op 18 oktober 2019 heeft overdag een veldbezoek plaatsgevonden aan het projectgebied. Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde planten diersoorten binnen hert plangebied. Verder is op basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen. Aan de hand van het verkennend onderzoek is beoordeeld dat de bedrijfsgebouwen mogelijkheden bieden als verblijfplaats voor vleermuizen en dat de randen van het bedrijfsperceel en ruderale terreinkenmerken op de parkeerplaats mogelijkheden biedt voor de aanwezigheid van de beschermde plantensoort Kartuizer anjer. In verband met het mogelijk voorkomen van vleermuizen heeft in de zomer en het najaar van 2020 een vleermuisonderzoek plaatsgevonden. Het doel van het vleermuisonderzoek is om vast te stellen of de betreffende bebouwing wordt gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats door vleermuizen en of de omliggende beplanting en waterelementen een vliegroute vormen voor vleermuizen. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat maart 2017 is geactualiseerd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus (waarbij Bureau Aandacht Natuur is aangesloten).

Hiertoe zijn drie veldrondes uitgevoerd in de kraamperiode (15 mei tot 15 juli) en twee veldrondes in de paarperiode (15 augustus tot 1 oktober) van 2020. Met betrekking tot het voorkomen van beschermde flora is een voorafgaand of aansluitend op de vleermuisrondes gezocht naar de aanwezigheid van beschermde soorten als Kartuizer anjer, zie de (extra) onderzoekstijden in tabel 2. Met het uitvoeren van de florarondes verspreid over de bloeiperiode van betreffende soort(en), kunnen de plantensoorten in verschillende stadium worden herkend. Verblijvende vleermuizen en / of andere beschermde soorten zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek en / of ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Conclusie Het onderdeel ecologie vormt geen belemmering voor het project.

"Duinwachter" (vastgesteld)

35

4.6

Stikstof

Toetskader Gezien de ligging van de projectlocatie op een afstand van circa 950 meter tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid is het mogelijk dat er zich externe negatieve effecten voordoen op nabijgelegen Natura 2000 gebieden als gevolg van een stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen. Er dient in het kader van de Wet natuurbescherming beoordeeld te worden of de voorgenomen ontwikkeling een depositie van stikstof heeft met een negatief significant effect. Onderzoek Door Bureau Aandacht Natuur is een Notitie stikstofberekening opgesteld. Sinds de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 is er geen sprake meer van een vrijstelling voor de bouwfase en dient er midddels een stikstof-berekening te worden aangetoond dat er tijdens de aanleg en de gebruiksfase geen sprake is van een extern effect op nabijgelegen Natura2000 gebieden. Voor de bouwfase en gebruiksfase van het bouwplan is een vergelijkingsberekening gemaakt met de bestaande situatie. De vergelijkingsberekeningen, laten met het wegvallen van de bedrijvigheid op de betreffende locatie, geen overschrijding zien. Dit betekent dat met de wijziging van de situatie, er in de toekomstige bouw- en gebruiksfase geen sprake is van een negatief effect op de stikstofdepositie in nabij gelegen Natura 2000 gebieden.

Conclusie Het oderdeel stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het project.

4.7

Luchtkwaliteit

Bij het aspect luchtkwaliteit speelt de Wet milieubeheer een belangrijke rol. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in titel 5.2 Wm, waarvan de kern bestaat uit luchtkwaliteitsnormen gebaseerd op Europese richtlijnen. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer is voor kruimelvergunningen van toepassing op onderdelen 9 en 11 van artikel 4 van Bijlage II van het Bor. In onderhavig geval betreft het een ander gebruik van gronden die niet tot een zodanige verkeersaantrekkende werking kunnen leiden dat sprake zal zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorts geeft het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) voldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat het beoogde gebruik niet in betekenende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderhavig plan heeft betrekking op een woningbouwprogramma op de plek van het huidige tankstation / garagebedrijf. In verband met een goede ruimtelijke ordening wordt opgemerkt dat in geheel Zandvoort ruimschoots kan worden voldaan aan de luchtkwaliteitsnormen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt - gelet op het voorgaande - geen belemmering voor onderhavig plan.

4.8

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval "Duinwachter" (vastgesteld)

36 waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In de nabijheid van het bouwplan is geen enkele EV-relevante risicobron (inrichting, buisleiding of transportroute) aanwezig met een veiligheidscontour (PR-contour, effectafstand, invloedsgebied). Ook is het bouwplan zelf is geen EV-relevante risicobron. Conclusie Het aspect (externe) veiligheid vormt - gelet op het voorgaande - geen belemmering voor onderhavig plan.

4.9

Cultuurhistorie

Toetsingskader Besluit ruimtelijke ordening Op 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. De wijziging houdt in dat bij het opstellen van een bestemmingsplan de gemeente in de toelichting het volgende aangeeft: `Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden'. Provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De provincie Noord-Holland hanteert het beleidsinstrument “Leidraad Landschap en Cultuurhistorie". Hierin heeft de provincie de cultuurhistorische waarden in beeld gebracht. De waardering zoals vastgelegd in de leidraad geldt als uitgangspunt van beleid. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische elementen aanwezig. Tevens bevindt het plangebied zich niet binnen een molenbiotoop of beschermd stads- of dorpsgezicht. De mogelijke ontwikkelingen in het plangebied geven dan ook geen onevenredige belemmering van cultuurhistorische waarden.

4.10

Archeologie

Toetsingskader Wet op de archeologische monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe dat de "Duinwachter" (vastgesteld)

37 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De provincie Noord-Holland hanteert het beleidsinstrument “Leidraad Landschap en Cultuurhistorie". Hierin heeft de provincie de archeologische waarden in beeld gebracht. De waardering zoals vastgelegd in de leidraad geldt als uitgangspunt van beleid. Onderzoek en conclusie Door RAAP is Archeologisch onderzoek uitgevoerd. Tijdens het veldonderzoek zijn in het plangebied geen archeologische resten aangetroffen. Er wordt niet verwacht dat er als gevolg van de geplande werkzaamheden verstoring van archeologische waarden optreden. Derhalve worden geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan.

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1 Verkeer Het bouwplan heeft geen verandering tot gevolg voor de openbare wegen waaraan het projectgebied is gelegen. In de huidige situatie is sprake van een tankstation en een garagebedrijf met twee in- en uitritten, één aan de Burgemeester van Alphenstaat en één aan de Van Lennepweg. De in-en uitrit aan de Burgemeester van Alphenstraat is hoofdzakelijk bedoeld voor de Auto Strijder. De in- en uitrit aan de Van Lennepweg is zeer breed en is in hoofdzaak in gebruik ten behoeve van het tankstation. In de nieuwe situatie komt er nog maar één in- en uitrit. Deze bevindt zich aan de Burgemeester van Alphenstraat en heeft betrekking op de toegang van de parkeergarage. De entree van de parkeergarage is geïntegreerd in de bebouwingsplint. De stoep heeft een breedte van minimaal 4 meter in verband met de routing vanaf het station richting het circuit. Op deze route zijn zo min mogelijk obstakels aanwezig. Op eigen terrein is vóór de in- en uitgang van de garage voldoende ruimte om, zonder fietsers, voetgangers en automobilisten te hinderen, met de auto stil te staan om goed te kunnen oriënteren of er veilig de weg op kan worden gedraaid. Op de brede stoep worden bij elke entree opstelplaatsen aangeduid voor pakket bezorgdiensten. Om de wachttijd voor deze pakketdiensten te minimaliseren, en voor het comfort van de bewoners, worden in de entree bezorgboxen opgenomen.

In het geval van een evenement op het circuit kan eenvoudigweg de stoep geheel vrij gehouden worden voor voetgangers. 4.11.2 Parkeren Er worden 137 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Tevens voorziet het bouwplan in een fietsenstalling met ruimte voor 319 fietsparkeerplaatsen. Voor een nadere onderbouwing van deze aantallen wordt verwezen naar paragraaf 3.5.5.

4.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. "Duinwachter" (vastgesteld)

38

Omdat sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is een Aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft hierover op 13 september 2022 een besluit genomen en geoordeeld dat geen significante negatieve effecten te verwachten zijn en dat een nadere m.e.r. beoordeling niet noodzakelijk is.

"Duinwachter" (vastgesteld)

39

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Haarlem. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Hiertoe dienen alle bestemmingsplannen te voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels.

Dat leidt ertoe dat de systematiek zoals gehanteerd in dit bestemmingsplan, op ondergeschikte onderdelen af kan wijken van de voorheen geldende planologische regelingen. Het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

5.2

Juridische planopzet

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meer locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Denk hierbij aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling, het monitoren van beleid en de handhaving. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn: www.ruimtelijkeplannen.nl. Hiertoe dienen alle bestemmingsplannen te voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. De regels van het bestemmingsplan vallen conform de SVBP 2012 in 4 hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3: Algemene regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels 5.2.1

Hoofdstuk1: Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van de begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. Bij toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn "Duinwachter" (vastgesteld)

40 gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten gemeten moeten worden. Een aantal bepalingen zijn op grond van de SVBP dwingend voorgeschreven. 5.2.2

Hoofdstuk2: Bestemmingsregels

Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plan begrepen gronden zijn toegekend. Niet iedere functie leent zich voor een eigen bestemming. Of dit zo is, hangt af van de ruimtelijke relevantie, of wel van de mate waarin de betrokken functie invloed heeft op zijn omgeving of daaraan eisen stelt. Behalve om functies gaat het bij bestemmingen altijd om concreet ruimtegebruik of om fysiek aanwezige ruimtelijke objecten. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak. Lijn- en puntbestemmingen komen niet voor. De verbeelding van een bestemming bestaat dus nooit uit een lijn of een punt. De bestemmingen worden gescheiden door bestemmingsgrenzen. 5.2.2.1 Bestemmingen Artikel 3 Groen Aan de zijde waar het plangebied grenst aan de weg heeft het talud de bestemming Groen. Artikel 4 Verkeer De ingangen van het gebouw en de parkeergarage hebben de bestemming Verkeer. Artikel 5 Wonen Het bestemmingsplan heeft uitsluitend betrekking op het realiseren van een woonprogramma. Op de verbeelding is het bouwvlak opgenomen waarbinnen moet worden gebouwd. Ook de maximaal toegestane bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan 102.

Artikel 6 Geluidzone - circuit De gronden die gelegen zijn in de Geluidszone-circuit zijn mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het Circuit Zandvoort op geluidsgevoelige objecten. Geluidsgevoelige objecten mogen hier slechts worden gebouwd of uitgebreid indien de geluidsbelasting vanwege het Circuit Zandvoort op de gevels van deze gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde. 5.2.3

Hoofdstuk3: Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Artikel 8 Algemene bouwregels Dit artikel maakt bepaalde, kleine overschrijdingen van bebouwingsregels mogelijk zonder een afwijkingsprocedure. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is aangegeven welke vormen van gebruik in elk geval vallen onder de algemene verbodsbepaling op 'strijdig gebruik'. Verder is in dit artikel de parkeerregeling opgenomen waarin wordt bepaald dat ten behoeve van de ontwikkeling moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels "Duinwachter" (vastgesteld)

41

In dit artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte. Artikel 11 Overige regels In dit artikel is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking de inrichting van het terrein. 5.2.4

Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht In deze bepaling wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Dit is een standaardregel die op grond van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Artikel 13 Slotregel In de slotregel is de officiële naam van het bestemmingsplan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

"Duinwachter" (vastgesteld)

42

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

In de Wro is de verplichting opgenomen om bij het realiseren van nieuwe ontwikkelingen een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. Dit vindt plaats door het opstellen van een exploitatieplan, waarin deze verdeelsleutel vastligt. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk als de overheid en de ontwikkelende partij, de initiatiefnemer, voorafgaand privaatrechtelijk tot overeenstemming komen in de vorm van een anterieure overeenkomst. De Wro stelt eisen aan het exploitatieplan en in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld voor welke type bouwplannen een exploitatieplan noodzakelijk is, indien het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd. Het gaat om nieuwbouwplannen (woningen of andere hoofdgebouwen), forse uitbreidingen van bestaande gebouwen of kassen (met ten minste 1.000 m²) of forse verbouwingen, bijvoorbeeld als bedrijfsruimten worden omgezet in (ten minste 10) woningen. Voor het kostenverhaal is een anterieure overeenkomst afgesloten tussen gemeente en initiatiefnemer. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid van het project geborgd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Volgens artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal overlegpartijen. Vastgesteld Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken zal gedurende een periode van 6 weken ter inzage liggen. Gedurende deze periode is het voor eenieder mogelijk om mondeling of schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. Het resultaat hiervan wordt te zijner tijd in deze paragraaf opgenomen.

"Duinwachter" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12439483/1