CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.4 Bestemmingsplan De Duinwachter Natuurtoets

Gemeenteraad 21 maart 2023, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Bestemmingsplan De Duinwachter11.018 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Onderzoek Wet Natuurbescherming Herinrichting Burgemeester van Alphenstraat 102 te Zandvoort 21 december 2020, Hippolytushoef Definitief

Opdrachtgever: ROW vastgoed BV Franciscusweg 219-C 1216 SE Hilversum e-mail: info@rowvastgoed.nl www.rowvastgoed.nl

Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 0227-595576 Mob: 06-24818383 e-mail: aandachtnatuur@kpnmail.nl www.aandachtnatuur.nl

Bureau Aandacht Natuur

Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 De Wet Natuurbescherming..………..……………..…………………….….. blz. 3 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 6 2.1 Gebieds- en planbeschrijving..………...……..………..…………..………… blz. 6 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 7 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 7 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 7 3. Resultaten Soortbescherming..……..………..…………..………………….. blz. 9 3.1 Flora……………………………………….…………………...……………...... blz. 9 3.2 Vogels…………….…………………………………………………………...... blz. 9 3.3 Zoogdieren...…………………….…………………………………………...... blz. 9 3.5 Overige beschermde soorten….…………………………………................. blz. 11 4. Resultaten Gebiedsbescherming..………..……………………………….… blz. 12 4.1 Natura 2000 gebieden…..……………………..……….…………………...... blz. 12 4.2 Overige onderdelen gebiedsbescherming…..……….…………………...... blz. 12 5. Conclusies en advies………………..…………………………………………blz. 13 5.1 Soortbescherming...…………………….…………………………………...... blz. 13 5.2 Gebiedsbescherming…………………...…………………………………...... blz. 15 5.3 Houtopstanden…………………………..…………………………………...... blz. 15 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 16 Bijlage 1: Wet Natuurbescherming Bijlage 2. Vleermuiswaarnemingen per veldronde

1

Bureau Aandacht Natuur

1. Inleiding In opdracht van ROW Vastgoed BV heeft een onderzoek (quickscan) in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden aan de Burgemeester van Alphenstraat 102 te Zandvoort. Dit in verband met de voorgenomen sloop van de huidige tankstation en garagebedrijf en de beoogde herinrichting van de locatie voor woningbouw. In verband met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten op of rond het tankstation en garagebedrijf, heeft op 18 oktober 2019 een verkennend onderzoek (quickscan) in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Naar aanleiding van de quickscan heeft in de zomer en het najaar van 2020 een nader onderzoek plaatsgevonden naar het voorkomen van beschermde flora en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. De bevindingen van dit veldonderzoek aangevuld met literatuurgegevens worden hieronder verder besproken.

Figuur 1. Ligging van de projectlocatie aan de Burgemeester van Alphenstraat 102 te Zandvoort

1.1 Aanleiding en doel In verband met de voorgenomen herinrichting en bestemmingsplanwijziging van het tankstation en garagebedrijf aan de Burgemeester van Alphenstraat 102 te Zandvoort, heeft een onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. In verband met de voorgenomen plannen wordt er vanuit gegaan dat alle aanwezige terreintypen zullen verdwijnen. Gezien de aanwezige bebouwing en terreintypen heeft naast het verkennend onderzoek, gericht onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van beschermde flora en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Het onderzoek is uitgevoerd door dhr. M. Volkers en dhr. J. Zijp van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of de beoogde locatie een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten. De uitkomsten van dit verkennend onderzoek zullen worden meegenomen in de plannen voor de herstructurering en mede bepalend zijn voor het verdere plan van aanpak en de beoogde functies.

2

Bureau Aandacht Natuur

1.2 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en richt zich op de bescherming van natuurgebieden, -verbindingen, planten- en diersoorten en houtopstanden. Deze wet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen in de Wet Natuurbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere binnen de Wet Natuurbescherming te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of provinciaal landschap. Voor ieder Natura 2000 gebied dient te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen.

Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. De regelgeving met betrekking tot deze gebieden is vastgelegd in de Omgevingsverordening van de betreffende provincie. Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden.

De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht.  Vogelrichtlijnsoorten Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hiermee is het verboden om in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen en worden ze voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd. Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. 3

Bureau Aandacht Natuur

Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een ontheffing noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt.  Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming van toepassing.

Het is hierbij verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren te beschadigen, te vernielen of te rapen. Ook het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten is niet toegestaan. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren.

Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een ontheffing noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

4

Bureau Aandacht Natuur

Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.  “Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het is hierbij verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten. Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten. Ontheffing, vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Wet Natuurbescherming ligt nagenoeg geheel bij de Provincies en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing kan worden verleend. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffings- of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. De gemeente is in dit geval het bevoegd gezag.

Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Het is ook mogelijk om een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning is dit eveneens van toepassing. 1

De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”

5

Bureau Aandacht Natuur

2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving Aan de Burgemeester van Alphenstraat 102 te Zandvoort bevindt zich een garagebedrijf met op het terrein een wasstraat en tankstation. Het garagebedrijf betreft een aanéénschakeling van verschillende bedrijfsruimten, zoals de showroom, garage, receptie en de winkel. Boven de garageruimten bevindt zich een woning/appartement. De garage en bovenwoning bestaan uit een opgemetseld gebouw met twee verdiepingen en een plat dak. Het gebouw is voorzien van een spouwmuur en bevat uitsluitend boven de garagedeuren open stootvoegen. Verder zijn langs de dakrand trespa boeidelen bevestigd. Ook de wasstraat en de achterzijde van de showroom bestaan uit opgemetselde muren, voorzien van open stootvoegen. Ander gebouw(delen) hebben eveneens een plat dak en zijn opgebouwd uit (sandwich)panelen en trespa boeidelen. De achterzijde van het terrein betreft een parkeerruimte. Het terrein is grotendeels verhard/bebouwd, met uitzondering van enkele plantsoenen aan de voorzijde en de randen van de parkeerplaats aan de achterzijde. Rondom het terrein is een soort duintje opgeworpen, bestaande uit een zandlichaam begroeid met inheemse struiken en ruigtekruiden.

Figuur 2. Het garagebedrijf en tankstation aan de Burgemeester van Alphenstraat 102 te Zandvoort

Met de voorgenomen herinrichting zal het aanwezige garagebedrijf en tankstation worden afgebroken en plaats maken voor een hoogbouw appartementencomplex met 108 appartementen, waarvan 32 zorgappartementen in een separaat paviljoen. Het project “Duinwachter” zal bestaan uit een hoogwaardige gebouw met een moderne uitstraling: gebogen gevels, grote glaspartijen die prachtig afsteken tegen het witte lijnenspel van de borstwering en terrasmuren. Parkeergelegenheid zal in de vorm van een ondergrondse parkeergarage worden gerealiseerd. 6

Bureau Aandacht Natuur

2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen De planlocatie is gelegen nabij het centrum van Zandvoort en ligt hiermee niet direct in of aan de rand van een Natura 2000 gebied. Tevens is de planlocatie en directe omgeving niet aangewezen als (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN), weidevogelleefgebied of een natuurverbinding. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreft Kennemerland-Zuid. De minimale afstand vanaf de projectlocatie tot aan de rand van dit Natura 2000 gebied bedraagt circa 950 meter. Gezien de ligging en het huidige gebruik van de projectlocatie, bevat het terrein en directe omgeving geen elementen die de specifieke waarden van een Natura 2000 gebied versterken en hebben dan ook geen functie voor in Natura 2000 gebieden aangewezen habitattypen en/of habitat- en vogelrichtlijnsoorten. 2.3 Houtopstanden Met de herinrichting van het plangebied worden geen kapwerkzaamheden verricht. Daarbij bevindt de locatie zich binnen de bebouwde kom (Boswet), waarmee een verdere uitwerking in verband met de bescherming van houtopstanden binnen de Wet Natuurbescherming niet aan de orde is. 2.4 Methode Op 18 oktober 2019 heeft overdag een veldbezoek plaatsgevonden aan het hierboven beschreven projectgebied. Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen hert plangebied.

Verder is op basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen. Aan de hand van het verkennend onderzoek is beoordeeld dat de bedrijfsgebouwen mogelijkheden bieden als verblijfplaats voor vleermuizen en dat de randen van het bedrijfsperceel en ruderale terreinkenmerken op de parkeerplaats mogelijkheden biedt voor de aanwezigheid van de beschermde plantensoort Kartuizer anjer. In verband met het mogelijk voorkomen van vleermuizen heeft in de zomer en het najaar van 2020 een vleermuisonderzoek plaatsgevonden. Het doel van het vleermuisonderzoek is om vast te stellen of de betreffende woning wordt gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats door vleermuizen en of de omliggende beplanting en waterelementen een vliegroute vormen voor vleermuizen. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat maart 2017 is geactualiseerd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus (waarbij Bureau Aandacht Natuur is aangesloten). Hiertoe zijn drie veldrondes uitgevoerd in de kraamperiode (15 mei tot 15 juli) en twee veldrondes in de paarperiode (15 augustus tot 1 oktober) van 2020, zie tabel 1. Tabel 1. Weersomstandigheden en data veldonderzoek Datum Zonsondergang/ Start einde temperatuur zonsopkomst

wind

bijzonderheden

28-05-‘20 05-06-‘20 08-07-‘20 25-08-‘20 18-09-‘20

0-1 bf 3-4 bf 1-2 bf 3-4 bf 3-4 bf

helder geen geen geen helder

21:46 uur 05:22 uur 21:59 uur 20:46 uur 19:46 uur

21:30 uur 03:15 uur 21:30 uur 0:00 uur 19:30 uur

23:45 uur 6:00 uur 24:00 uur 02:00 uur 22:45 uur

7

13°C 10oC 15oC 16oC 18oC

Bureau Aandacht Natuur

Aangezien de mogelijkheden voor vleermuisverblijfplaatsen zich beperken tot de oudbouw van het garagebedrijf aan de achterzijde, zijn de inventarisatierondes uitgevoerd door één persoon met een ruime ervaring op het gebied van vleermuizen. Voor het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector (Pettersson D240X). Hiermee kunnen de ultrasone geluiden, die vleermuizen tijdens het vliegen uitzenden, voor het menselijk gehoor hoorbaar gemaakt worden. Indien noodzakelijk, is gebruik gemaakt van opnameapparatuur. Bij twijfel is het geluid opgenomen en geanalyseerd in het hiervoor speciaal ontworpen computerprogramma Batsound. Met betrekking tot het voorkomen van beschermde flora is een voorafgaand of aansluitend op de vleermuisrondes gezocht naar de aanwezigheid van beschermde soorten als Kartuizer anjer, zie de (extra) onderzoekstijden in tabel 2. Met het uitvoeren van de florarondes verspreid over de bloeiperiode van betreffende soort(en), kunnen de plantensoorten in verschillende stadium worden herkend.

8

Bureau Aandacht Natuur

3. Resultaten Soortbescherming Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van een aantal vogelsoorten geen beschermde soorten aangetroffen. Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten dan wel uit te sluiten zijn binnen de projectlocatie. 3.1 Flora Binnen het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De projectlocatie bestaat voornamelijk uit bebouwing en bestrating. Alleen aan de rand van de parkeerplaats aan de achterzijde, bevindt zich een inheemse beplanting, welke doorloopt in een duinachtige beplanting langs het terrein. In de randzone staan rond het terrein staan soorten als gewoon biggenkruid, smalle weegbree, klein kruiskruid, melige toorts, stinkende ballote, duinaveruit, kleefkruid, teunisbloem, kweekgras, gestreepte witbol, helm, opslag braam, bottelroos en witte abeel, geel nagelkruid en muurpeper. Aan de bebouwing zijn verder geen (beschermde) muurplanten aangetroffen en ook van de beschermde soort Kartuizer anjer zijn geen exemplaren waargenomen op of rond het bedrijfsterrein aan de Burgemeester van Alphenstraat 102 te Zandvoort. 3.2 Vogels Met betrekking tot vogels zijn tijdens het veldonderzoek enkele vogelsoorten zoals zilvermeeuw, stormmeeuw en putter waargenomen.

Mogelijk dat het platte dak van de garage wordt gebroed door genoemde meeuwsoorten. Verder ontbreken op het terrein elementen waar broedvogels tot broeden kunnen komen. Hooguit dat de dichte bosschages buiten het hekwerk het broedgebied kunnen vormen voor soorten als merel, heggemus of winterkoning. Met betrekking tot de bebouwing ontbreken geschikte nestruimtes (zoals een pannendak) voor vogelsoorten met een jaarrond beschermde rust- en verblijfplaats. Sporen (nestmateriaal, uitwerpselen of braakballen) die wijzen op de aanwezigheid van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats zijn dan ook niet aangetroffen. Van jaarrond beschermde vogelsoorten op het terrein van het te slopen garagebedrijf is dan ook geen sprake. 3.3 Zoogdieren Met uitzondering van enkele soorten vleermuizen (gewone dwergvleermuis en laatvlieger) zijn er op of rond de projectlocatie zijn geen zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Verwacht wordt dat de projectlocatie en omliggende plantsoenen het leefgebied vormen voor enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdieren zoals huisspitsmuis en/of egel. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming van toepassing.

Aan de hand van recente verspreidingsgegevens komen de zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten waterspitsmuis, boommarter, wezel, hermelijn en bunzing voor in de omgeving van Zandvoort. Vanwege de afwezigheid van een opgaande 9

Bureau Aandacht Natuur

beplanting of andere landschapselementen op het terrein, ontbreekt voor genoemde soorten geschikt leefgebied op de projectlocatie. Tevens neemt ook de steenmarter toe in Noord-Holland en kan verblijfplaatsen hebben in de bebouwing. Op en rond de projectlocatie zijn echter geen aanwijzingen gevonden (uitwerpselen, prooiresten of mogelijke nestingangen) die wijzen op de aanwezigheid van steenmarter op de projectlocatie. Andere grondgebonden, zwaarder beschermde zoogdiersoorten worden gezien de aanwezige terreintypen, en de ligging van de projectlocatie in het stedelijk gebied van Zandvoort niet verwacht binnen het plangebied. Verder kan worden verwacht dat de directe omgeving van de projectlocatie enkele soorten vleermuizen voorkomen. Met uitzondering van struweel op het gecreëerde duinelement, ontbreken er (opgaande) groenstructuren op of in de omgeving van het plangebied. Gezien de uiterlijke kenmerken van het plangebied wordt niet verwacht dat het terrein een belangrijke functie heeft als vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen. Echter bevatten delen van betreffende gebouwen een toegankelijke spouwmuur door de aanwezigheid van open stootvoegen (figuur 3) en ruimtes achter boeidelen langs de dakrand van de oudbouw van het garagebedrijf. Hiermee vormt het gebouw in potentie een geschikte vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen en heeft nader onderzoek

Figuur 3. Verschillende open stootvoegen aan het garagebedrijf.

plaatsgevonden naar de aanwezigheid van (verblijfplaatsen van) vleermuizen op het terrein. In de kraamperiode zijn uitsluitend enkele foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Tijdens de avond- en ochtendronde van 28 mei en 5 juni 2020 is geen vleermuisactiviteit waargenomen op of rond de projectlocatie. In de avond van 8 juli 2020 betreft het uitsluitend dwergvleermuizen. De eerste waarneming werd een half uur na zonsondergang gedaan en betrof een foeragerende gewone dwergvleermuis aan de noordzijde van het terrein. Later op de avond is nog vijf maal een passerende gewone dwergvleermuis waargenomen. In- of uitvliegende dieren zijn dan ook niet waargenomen aan het garagebedrijf, waarmee een zomer- of kraamverblijfplaats op het erf kan worden uitgesloten. Tijdens de paarperiode (15 augustus- 1oktober) zijn er eveneens voornamelijk passerende en foeragerende dieren waargenomen op het terrein. Tijdens de vleermuisronde op 25 augustus is korte tijd een foeragerende dwergvleermuis aan de noordzijde van het terrein aanwezig. Verder zijn er met uitzondering van een passerende laatvliegers, uitsluitend passerende gewone dwergvleermuis waargenomen. Eénmaal is een korte werfroep van 10

Bureau Aandacht Natuur

gewone dwergvleermuis (in vlucht) gehoord, toen deze aan de westzijde het terrein passeerde. Gezien de korte duur dat het dier is waargenomen en de éénmalige werfroep in vlucht, is van een paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis geen sprake. Tijdens de nachtronde op 18 september is eenzelfde beeld geconstateerd en is korte tijd een foeragerende gewone dwergvleermuis aanwezig aan de noordzijde van het terrein en zijn een passerende laatvlieger en enkele passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Aan de westzijde van het terrein is gedurende een half uur zo nu en dan een (foeragerende) gewone dwergvleermuis aanwezig, welke met enige regelmaat een werfroep liet horen. Echter vertoonde het dier geen binding met de bebouwing op het garagebedrijf en heeft mogelijk een paarverblijfplaats in de hoogbouw ten zuidwesten van het terrein. Gezien de waargenomen activiteit van vleermuizen en de relatief korte duur van hun aanwezigheid op het terrein, kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten van de projectlocatie. Met de voorgenomen sloop en herinrichting van het tankstation en garagebedrijf worden er dan ook geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord of verwijderd. Andere beschermde zoogdieren worden gezien de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeur niet verwacht binnen of in de directe omgeving van het plantracé.

3.4 Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd zijn niet aangetroffen op de projectlocatie. Naast de aanwezigheid van enkele algemeen voorkomende amfibieën zoals gewone pad en bruine kikker, is ook het voorkomen van de strikt beschermde soorten rugstreeppad en zandhagedis bekend uit de omgeving van Zandvoort (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl). Geschikt leefgebied voor genoemde soorten ontbreekt echter binnen of in de directe omgeving van het betreffende plangebied. Overige beschermde soorten (amfibieën, vissen, reptielen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied.

11

Bureau Aandacht Natuur

4. Resultaten Gebiedsbescherming 4.1 Natura 2000 gebieden Gezien de ligging van de projectlocatie in het stedelijke gebied van Zandvoort en de minimale afstand van circa 950 meter tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, zijn er geen directe negatieve effecten te verwachten op Natura 2000 gebieden. De projectlocatie en de directe omgeving bevatten geen elementen die de specifieke waarden van het Natura 2000 gebied versterken en hebben dan ook geen functie voor de daarin aanwezige kwalificerende vogelsoorten, habitattypen en habitatsoorten. Echter is het mogelijk dat met de realisatie van een appartementencomplex een extern effect optreedt door de toename van stikstofdepositie door o.a. de verkeersbewegingen op stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid. Het appartementencomplex zal conform de huidige wet- en regelgeving duurzaam worden opgeleverd en niet worden voorzien van een gasaansluiting. Hierdoor is er geen sprake is van een stikstofemissie van het appartementencomplex zelf, maar uitsluitend van de realisatiefase en de toenemende verkeersbewegingen per woning. 4.2 Overige onderdelen gebiedsbescherming Op of langs het projectgebied is er geen sprake van andere onderdelen van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming, zoals de aanwijzing als NNN, natuurverbinding of een Bijzonder Provinciaal Landschap.

12

Bureau Aandacht Natuur

5. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de Wet Natuurbescherming verder beschreven. Per onderdeel van de Wet Natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 5.1 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF,

Figuur 3. Ruderale terreintypen op de parkeerplaats (linker foto) met groeiplaatsen van duinaveruit aan de rand van het plangebied (rechter foto).

2020) is binnen het betreffende uurhok (5x5km) het voorkomen bekend van de beschermde plantensoorten stofzaad, rood peperboompje, muurbloem, Kartuizer anjer en echte gamander. Verder is de soort duinaveruit aangetroffen, welke een ondersoort is van de zwaar beschermde soort wilde averuit. De laatst genoemde soort wordt op basis van de huidige verspreidingsgegevens ((FLORON/NDFF, 2020) niet verwacht op de projectlocatie. Stofzaad en rood peperboompje zijn soorten van (binnen)duinbossen en worden op basis van de aanwezige terreintypen niet verwacht. Muurbloem betreft een soort van muren en stenige plaatsen met veel kalk(cement) en wordt op basis van het type gebouw niet verwacht. Echte gamander is een soort van kalkrijke duinen en wordt aan de hand van de veldinventarisatie en aanwezige terreintypen eveneens niet verwacht. Alleen van Kartuizer anjer is bekend dat zij voor kan komen in o.a. bermen en ruderale terreintypen. Echter kan de soort op basis van het uitgevoerde onderzoek worden uitgesloten van de projectlocatie. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag met betrekking tot beschermde flora is dan ook niet noodzakelijk. Vogels Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren 13

Bureau Aandacht Natuur

beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Mogelijke nestlocaties van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid zijn niet waargenomen op of rond de projectlocatie. Met de voorgenomen sloop en herinrichting, wordt niet verwacht dat nesten of het leefgebied van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats worden verstoord. Tevens wordt niet verwacht dat met de voorgenomen herinrichting van de projectlocatie de landelijke staat van instandhouding ten aanzien van in het gebied aanwezige vogelsoorten in het geding is. Nader onderzoek of de aanvraag tot ontheffing voor (één van) deze soorten is dan ook niet aan de orde.

Zoogdieren Met uitzondering van vleermuizen wordt niet verwacht dat andere (zwaar) beschermde zoogdieren voorkomen binnen het plangebied. Met betrekking tot (kleine) marterachtigen zijn er geen sporen aangetroffen in en aan de bebouwing en ontbreekt er op het terrein geschikt leefgebied. Verder kunnen hoofdzakelijk enkele algemeen voorkomende beschermde soorten verwacht, waarvoor een vrijstelling geldt met betrekking tot een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Aan de hand van de (huidige) literatuurgegevens en habitatvoorkeuren, kan het voorkomen van andere beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten binnen de projectlocatie worden uitgesloten. Aan de hand van het vleermuisonderzoek is vastgesteld dat de aanwezige bebouwing geen verblijfplaats vormt voor vleermuizen. Met het onderzoek zijn binnen het plangebied voornamelijk passerende en enkele foeragerende vleermuizen waargenomen. Van grote aantallen of een eventuele vlieg- of migratieroute langs de projectlocatie is geen sprake, zie bijlage 2 voor de vleermuiswaarnemingen per veldronde. Gezien het waargenomen gedrag van vleermuizen op de locatie kan worden uitgesloten dat vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn binnen het garagebedrijf aan de Burgemeester van Alphenstraat 102 in Zandvoort.

Met uitzondering van een enkele korte waarnemingen van een werfroep van gewone dwergvleermuis tijdens de vleermuisrondes in de paarperiode, zijn er geen waarnemingen gedaan die wijzen op een vast rust- en verblijfplaats van vleermuizen. Betreffende gewone dwergvleermuis vertoonde echter geen binding met het gebouwen van het garagebedrijf en concentreerde zich met name op de hoogbouw aan de westzijde van het plangebied. Van een paar- of zomerverblijfplaats op het bedrijfsterrein is dan ook geen sprake. Voor de herinrichting van het plangebied en de sloop van de aanwezige bebouwing, is geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk voor het verstoren of verwijderen van belangrijk leefgebied en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Overige beschermde soorten Met uitzondering van enkele algemeen voorkomende amfibieën, worden overige (zwaar) beschermde soorten niet verwacht binnen de projectlocatie. Een nader onderzoek naar het voorkomen van overige beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter 2

In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.

14

Bureau Aandacht Natuur

kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en). 5.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 gebieden Met uitzondering van een mogelijk extern effect door stikstofdepositie in gevoelige habitattypen op het nabij gelegen (950 meter) Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid, is er vanwege de ligging in het centrum van Zandvoort geen sprake van directe negatieve effect. Gezien de omvang van het plan dient een stikstof-berekening in Aerius te worden uitgevoerd om uit te sluiten dan wel vast te stellen of het planvoornemen een extern effect heeft op het Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid door toedoen van stikstofemissie. Hiervoor wordt verwezen naar de notitie stikstof-berekening Duinwachter Zandvoort. Overige onderdelen gebiedsbescherming Verder vinden de beoogde plannen niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, een natuurverbinding of Bijzonder Provinciaal Landschap.

Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van deze onderdelen van de gebiedsbescherming binnen de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde. 5.3 Houtopstanden Houtopstanden, die vallen onder het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming, zijn niet onderhevig aan de beoogde plannen. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde.

15

Bureau Aandacht Natuur

Literatuurlijst •

• • • • • •

•

•

• • • • • • • • • • •

Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie NoordHolland, Haarlem. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden Herder J., Kranenbarg J., Hoogeboom D., Hamers J., Dekker K., 2012, Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012, Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen Scharringa C.J.G., Ruitenbeek W., en Zomerdijk P., 2010, Atlas van de NoordHollandse broedvogels 2005-2009, Springeruit Drukwerk.

Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002, De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr. WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009).

Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen. www.ravon.nl www.floron.nl www.wilde-planten.nl www.telmee.nl www.noord-holland.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ 16

Bureau Aandacht Natuur

Bijlage 1. Wet Natuurbescherming

Bureau Aandacht Natuur

Inleiding Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 (1 oktober 2005), de Flora- en faunawet (1 april 2002) en de Boswet (20 juli 1961). De Wet Natuurbescherming heeft tot doel om (1) de biodiversiteit in Nederland te beschermen, (2) het decentraliseren van verantwoordelijkheden en (3) het vereenvoudigen van de weten regelgeving. De voorgaande natuurwetgeving kende verschillende bevoegde gezagen en rechtsdocumenten (vergunning, ontheffing en melding). De verantwoording van de Wet Natuurbescherming komt vrijwel geheel bij de Provincies te liggen en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing wordt verleend. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote internationale belangen of provincie overschrijdende zaken zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. In deze wet, gepubliceerd op 19 januari 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr.

34, jaargang 2016, is het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld.

Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming (voorheen de Natuurbeschermingswet 1998) zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten apart aangewezen. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Het bevoegd gezag kan beperkende maatregelen opleggen om schadelijke activiteiten te verzachten of te voorkomen. Voor onvermijdelijke schade is men verplicht een vergunning aan te vragen. Andere te beschermen gebieden bestaan uit gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding (evz) of provinciaal landschap. Deze beschermde waarden van de NNN of een natuurverbinding zijn niet toegespitst tot bepaalde soorten of habitats, zoals bij de Natura 2000gebieden), maar gaat het hoofdzakelijk om de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. •

Natura 2000-beheerplannen

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. •

Cumulatieve effecten

Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken. •

Beschermd Natuurmonument

Tevens waren, voordat Natura 2000 gebieden bestonden, zogeheten Beschermde Natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden bestaan vaak minder concrete natuurdoelen en was gericht op de instandhouding van de wezenlijke waarden, zoals natuurschoon en natuurwetenschappelijke waarden. In de Wet Natuurbescherming komen de aanwijzingen van Beschermd Natuurmonument te vervallen.

Bureau Aandacht Natuur

Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Elk van deze van de regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hiermee zijn binnen de Wet Natuurbescherming ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit. Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.

Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In de Wet Natuurbescherming worden de volgende planten- en diersoorten beschermd:  80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen  alle van nature in Nederland in het wild levende vogels  alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen  39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren  alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen  een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3)  bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6) Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime een aantal verbodsbepalingen van kracht. •

Beschermingsregime Vogels

Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.  Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen  Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben  Het is verboden vogels opzettelijk te (ver)storen tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort1

1

Afhankelijk van de betekenis van de lokale vogelpopulatie kan sprake zijn van een effect op de landelijke staat van instandhouding. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten op de landelijke staat van de soort. Het beschadigen van nesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren van vogels niet, tenzij er sprake is van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Bureau Aandacht Natuur

Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn:  in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;  ter bescherming van flora of fauna;  voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt,  om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit geen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli. •

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten

Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming (artikel 3.5, lid 1 (fauna) en lid 5 (flora)) van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk2 te doden of te vangen.  Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.  Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.  Het is verboden dieren opzettelijk te verontrusten.  Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;  ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;  in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

2 In de Wet Natuurbescherming is bij meerdere verbodsbepalingen het “opzetvereiste” toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.

Bureau Aandacht Natuur

 

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Beschermingsregime “andere” beschermde soorten

Dit betreffen “andere” soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng en gelden de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.  Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.  Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven;  in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;  ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;  ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;  ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied,  in het algemeen belang van de betreffende soort. •

Mitigatie en compensatie

Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn:  het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode  het gebruik maken van andere werkapparatuur  of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd

Bureau Aandacht Natuur

Voor een aantal soorten (23) kan met betrekking tot mitigerende maatregelen ten aanzien van (verstorende) werkzaamheden of activiteiten, worden gehandeld conform een soortenstandaard. In de soortenstandaard staan naast ecologische informatie van de betreffende soort ook de mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen, te verminderen en/of te herstellen. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. •

Vrijstelling

Onder de Wet Natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, zoals provinciale verordeningen en gedragscodes. In de Wet Natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een ‘programmatische aanpak’. Een programmatische aanpak kan meerwaarde bieden, bijvoorbeeld bij de vormgeving van een actieve leefgebiedenbenadering op regionaal niveau voor soorten waarvoor dat in het licht van de internationale verplichtingen nodig is. Dit moet leiden tot een meer doelmatige aanpak en tegelijkertijd ruimte genereren voor economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Via de programmatische aanpak moet dan zekerheid worden geboden dat het streven naar een gezonde populatie van de betreffende soort niet in het gedrang komt. De programmatische aanpak dient getoetst te zijn aan de criteria voor vrijstelling die voor de betreffende soort(en) is vastgesteld. Indien dat het geval is, kan sprake zijn van een vrijstelling.

Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk (artikel 3.11). Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.

Bescherming Houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit tevoren te worden gemeld/aangevraagd en is de initiatiefnemer verplicht om hetzelfde areaal te herplanten3. De aanvraag dient als onderdeel van de omgevingsvergunning bij de betreffende gemeente te worden ingediend. Tevens is mogelijk om de aanvraag seperaat bij de provincie in te dienen. De provincie bepaalt welke gegevens bij een aanvraag/melding moeten worden aangeleverd.

3

De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000doel.

Bureau Aandacht Natuur

Ontheffing, vrijstelling en/of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig op de in de wet gestelde verbodsbepalingen. Voor handelingen of activiteiten is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig indien:  Er geen maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen;  Er geen vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffingsaanvraag worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning (zoals activiteiten uit de Waterwet, mijnbouwwet etc.) geldt dat een aparte ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd moet worden (naast een mogelijke watervergunning, ontgrondingsvergunning etc.). Als sprake is van een handeling met gevolgen voor beschermde soorten of gebieden waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, is het tevens mogelijk dat de initiatiefnemer eerst apart een ontheffing en/of vergunning onder de Wet Natuurbescherming aanvraagt en daarna de omgevingsvergunning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12438580/1