Bijlage 1 - Ruimtelijke Onderbouwing (geanonimiseerd)
Tekst van het document
die aan
bod kunnen
of moeten
komen.
Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer
verantwoorden?
Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Spoor-, rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz..
Consequenties Inventarisatie
Met behulp van de nationale risicokaart! is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Ten noorden van het plangebied op circa 600 m ligt de spoorlijn Zandvoort-Haarlem. Hier vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Er is dus geen beperking voor het plangebied.
icokaart.nl, professionele versie.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
33
Op dit moment geldt in de provincie Noord-Holland het verouderde ‘Besluit aanwijzing provinciaal wegennet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen’ (routeringsbesluit), dat dateert van 15 juni 1998. Op basis van dat besluit zijn alle wegen in beheer bij provincie en waterschappen
aangewezen als provinciaal wegennet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De N200 en N201 zijn provinciale wegen, Daarnaast heeft de gemeente Zandvoort er voor gekozen geen gemeentelijke route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vast te stellen Dit houdt in dat er geen wegen zijn aangewezen waarover het transport MOET plaatsvinden. Het vervoer van gevaarlijke stoffen in bulk [tankwagen)] dient op basis van
het VLG (zoveel mogelijk) de bebouwde komt te mijden.
D
tennemer
Gele
Uit bovenstaande figuur blijkt dat om de afleveradressen te kunnen bevoorraden, er (mogelijk) vervoer van gevaarlijke stoffen langs de beoogde ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt. Er gaat hoogstwaarschijnlijk benzine en diesel over de Zandvoortselaan. Ook
is het mogelijk dat er zeer incidenteel transport van propaan plaatsvindt. Het invloedsgebied van benzine/diesel (stofcategorie LT1/LT2) is 45 meter en van propaan (stofcategorie GF3) is 355 m. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van laatstgenoemde stof.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
34
Ten noorden van het plangebied ligt onder/ naast de Burgemeester Nawijnlaan een hoge druk aardgastransportleiding van de Gasunie (W-532-02). Voor deze hogedruk
aardgastransportleiding dient voor kwetsbare objecten (woningen) een belemmeringenstrook te worden aangehouden van 4 meter. Het invloedsgebied is 90 meter. Het plangebied valt buiten de belemmeringenstrook, maar binnen het invloedsgebied (100% letaliteitsafstand). Zie de afbeelding hieronder.
Uit de risicokaart blijkt verder dat de beoogde ontwikkeling plaatsvindt buiten de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied van inrichtingen. Beoordeling Er vindt beperkt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de Zandvoortselaan. Het gaat om vervoer van brandbare vloeistoffen en vervoer van propaan. De huizen liggen op een afstand van 50 meter of meer vanaf de Zandvoortselaan. Bij een calamiteit met een tankwagen met brandbare vloeistoffen ter hoogte van Zandvoortselaan nummer 13 liggen de woningen buiten het 1% letaliteits effectgebied en zijn de bewoners in de woningen veilig. Het scenario warme BLEVE bij een tankwagen met propaan heeft een grotere 1% letaliteitsafstand, waarbij de woningen wel in het effectgebied kunnen liggen. Dit scenario is dus maatgevend en is hieronder uitgewerkt. Opgemerkt moet worden dat het aantal transporten gevaarlijke stoffen beperkt is en ter hoogte van Zandvoortselaan nummer 13 de weg recht is. De kans op een calamiteit is dus klein. De meest waarschijnlijke plek voor een calamiteit is op of nabij de rotonde
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
35
aan het begin van de Kostverlorenstraat. De afstand vanaf deze plek tot de dichtstbijzijnde nieuwe woning is circa 150 meter. 1. BLEVE-scenario bij transport gevaarlijke stoffen (propaan) over de Zandvoortselaan
Een BLEVE-scenario verloopt als volgt: door een incident kan een brand ontstaan waarbij de tankauto met een tot vloeistof verdicht gas is betrokken. De druk in de tank neemt daardoor toe, waarna de tank kan ontploffen. Ontsteking van de brandstof leidt tot een
grote vuurbal!. Het effectgebied waarbinnen dodelijke slachtoffers kunnen vallen is circa 230 meter’.
°
Transport vindt plaats overdag tijdens werkdagen, bewoners zijn dan in mindere mate aanwezig in de woningen.
e
De nieuw te bouwen woningen bevinden zich op een afstand van ca. 50 meter vanaf de Zandvoortselaan en bevinden zich dus binnen het effectgebied (1% letaliteit =
245m), waar bij een incident dodelijke slachtoffers kunnen vallen. e
Door de grote hitteontwikkeling kan er brandoverslag optreden naar diverse objecten in de omgeving onder andere de nieuw te bouwen woningen.
Zelfredzaamheid bij BLEVE-scenario Een BLEVE als gevolg van een incident met een tankauto met tot vloeistof verdicht gas kan zich binnen 20 à 30 minuten ontwikkelen. Een beginnende brand is niet direct zichtbaar voor de aanwezigen in de nieuw te bouwen woningen. Zij zullen een dreigende ontploffing met zeer grote effectafstanden dus niet voorzien, tenzij ze adequaat gealarmeerd worden en het dreigende scenario kunnen ontvluchten. *
Ten aanzien van de zelfredzaamheid van aanwezigen bij dit scenario zijn geen beperkingen geconstateerd.
*
De (nood)uitgangen van de nieuw te bouwen woningen zijn in de huidige situatie voldoende van de risicobron af gericht.
*
De infrastructuur in de omgeving is op een juiste manier ingericht, wat ontvluchting mogelijk maakt bij calamiteiten.
Hulpverlening bij BLEVE-scenario Er is wel sprake van opbouw van het incident. Escalatie van een beginnende brand tot een ontploffing kan alleen voorkomen worden wanneer een effectieve inzet van de hulpverlening mogelijk is. Daartoe is een inzet nodig gericht op bronbestrijding, met voldoende bluswatervoorzieningen, een snelle alarmering en opkomst, gevolgd door onmiddellijke inzet van de brandweer.
? Als gevolg van een incident tijdens het lossen van LPG kan niet alleen en BLEVE, maar ook een fakkel- of wolkbrandscenario optreden.
De effecten van deze scenario's zijn echter duidelijk kleiner en zodoende verder niet
beschouwd.
? Bron: Scenarioboek externe veiligheid (Veiligheidsregio Kennemerland, versie 1.0 april 2011)
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
36
© _ Nabij de Zandvoortselaan zijn momenteel voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig om bij een beginnende brand de tankwagen te koelen zodat een warme BLEVE voorkomen
wordt.
Na het onverhoopt plaatsvinden van een BLEVE dienen de hulpverleningsdiensten zich
te richten op secundaire effecten, onder andere het bestrijden van diverse (grote) branden in de omgeving. e _ Nabij het plangebied zijn momenteel voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig om een geëscaleerd scenario als gevolg van een BLEVE te bestrijden. * _ Het beschouwde scenario kan leiden tot een situatie waarbij de hulpvraag het hulpaanbod overschrijdt. 2. Fakkelbrandscenario bij buisleiding W-532-02
Incidenten met buisleidingen vinden over het algemeen niet spontaan plaats. Meestal is een incident het gevolg van werkzaamheden aan of in de nabijheid van de buisleiding. De kans op een spontaan incident met een buisleiding is dus gering. Het scenario van een incident door werkzaamheden aan de buisleiding is hieronder uitgewerkt. Door graafwerkzaamheden aan de weg ontstaat een breuk in de buisleiding, met als gevolg een continue uitstroom van aardgas. Het aardgas ontsteekt en vormt een fakkelbrand. Het effectgebied waarbinnen dodelijke slachtoffers kunnen vallen is circa 50 meter’.
e _ De nieuw te bouwen woningen liggen binnen het effectgebied waar bij een incident (dodelijke) slachtoffers kunnen vallen. e
Door de grote hitteontwikkeling kan er brandoverslag optreden naar diverse objecten, onder andere de nieuw te bouwen woningen.
Zelfredzaamheid bij fakkelbrandscenario Een fakkelbrand als gevolg van een incident met een buisleiding kan zich snel ontwikkelen. Het effect is zichtbaar voor de aanwezigen binnen het plangebied en kan juist worden ingeschat. De effectafstanden zijn echter dusdanig groot, dat niet alle aanwezigheden in staat zullen zijn om het scenario tijdig te ontvluchten of te schuilen. e _ Ten aanzien van de zelfredzaamheid van aanwezigen bij dit scenario zijn geen beperkingen geconstateerd. e _ De (nood)uitgangen van de nieuw te bouwen woningen zijn in de huidige situatie onvoldoende van de risicobron af gericht. Ontvluchting kan alleen via de voorzijde van de woningen aan de Burgemeester Nawijnlaan. De buisleiding ligt paralle! aan deze laan. Een ontvluchtingsmogelijkheid in de richting van de Zandvoortselaan verbetert de ontvluchting. e _ De infrastructuur in de omgeving is niet op een juiste manier ingericht, wat ontvluchting moeilijk maakt bij calamiteiten.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
37
Hulpverlening bij fakkelbrandscenario Er is geen sprake van opbouw van het incident. Bij aankomst van de hulpverleningsdiensten is de fakkelbrand reeds maximaal en heeft mogelijk brandoverslag plaatsgevonden naar de nabijgelegen objecten. De hulpverleningsdiensten dienen zich te richten op (het voorkomen van) secundaire effecten, onder andere het voorkomen van of bestrijden van diverse (grote) branden in de omgeving.
© _ Nabij de Burgemeester Nawijnlaan zijn momentee! voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig om bij een dergelijk scenario escalatie te voorkomen.
De leidingbeheerder dient conform de voorbereide procedures, vanuit zijn commandocentrum op afstand, de toevoer van aardgas te stoppen. © _ Het beschouwde scenario kan leiden tot een situatie waarbij de hulpvraag het hulpaanbod overschrijdt. Advies brandweer
In verband met de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de Zandvoortselaan en binnen de 100% letaliteitsafstand van aardgastransporteiding W532-02 is advies gevraagd aan brandweer Kennemerland. De brandweer heeft op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) en artikel 12, lid 2 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevt) geadviseerd. Het advies is bijgevoegd
bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 5). Het advies van de brandweer is: ‘In de huidige situatie is de afstand tussen de beschouwde risicobronnen en het plangebied beperkt. Wel is door het beperkt aantal tarnsporten gevaarlijke stoffen en de ondergrondse ligging van hoge druk aardgastransportleiding de kans op een calamiteit gering. Ik adviseer u om de volgende maatregelen te realiseren teneinde de risico's verder te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en hulpverlening te vergroten:
1.
Situering en (nood)uitgangen: De gebouwen dienen zodanig gesitueerd te worden dat aanwezigen bij een (dreigende) brand gelegenheid hebben te vluchten. Hierbij dient minimaal één (nood/uitgang van de bron f gericht te zijn. Alle (noodJuitgangen dienen aan te sluiten op de infrastructuur binnen en buiten het plangebied.
2.
Risicobewustzijn: Draag zorg voor een goede informatievoorziening aan de aanwezige personen, opdat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. U kunt hierbij denken aan publieke voorlichtingscampagnes als ‘Denk vooruit’.
3.
Risicocommunicatie: Risicocommunicatie over de genoemde risicobronnen is van belang om de toekomstige bewoners en gebruikers van de bouwwerken in het plangebied voor te bereiden op mogelijke calamiteiten. Bij aankop of huur van een
woning moeten nieuwe gebruikers/ bewoners gewezen worden op externe veiligheid
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
38
risico's. Een kettingbeding kan ervoor zorgen dat ook toekomstige bewoners, na de eerste bewoning, geïnformeerd worden over de risico's. 4.
Ontruimen: Incidenten met buisleidingen ontstaan over het algemeen tijdens werkzaamheden aan of nabij de buisleidingen. Door bij werkzaamheden de woningen die binnen het mogelijke effectgebied van een calamiteit aan de buisleiding liggen te ontruimen, kunnen slachtoffers als gevolg van een calamiteit aan de buisleiding voorkomen worden.
5.
Functies: Aangezien het gehele plangebied binnen de letaliteitszone van de gasleiding ligt, adviseren wij u om niet toe te staan dat de woningen een functie krijgen waarbij er sprake is van specifiek gebruik voor of door verminderd zelfredzame personen. Hierbij valt onder andere te denken aan zorgfuncties zoals begeleid wonen.
Restrisico De beschouwde
risicobronnen kunnen
in de voorziene situatie leiden tot incidenten met
effecten of slachtoffers binnen het plangebied. De genoemde maatregelen kunnen de omvang van mogelijke incidenten reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht voor de hulpverleningsdiensten Incidenten met buisleidingen kunnen (arotendeels) voorkomen worden door de leidingen ongestoord te aten liggen. Ik wijs u erop dat daartoe de Grondroerdersregeling is ingesteld.” Groepsrisico
Conform artikel 8 van het Bevt en artikel 12 lid 1 van het Bevb dient in geval van onderhavige ontwikkeling ingegaan te worden op het groepsrisico verband houdende met de ontwikkeling in onderhavig gebied. Bevt
Voor wat betreft het groepsrisico wordt hier ingegaan op artikel 8 lid 2 onder b. In onderhavige situatie kan gezien het beperkte vervoer van gevaarlijke stoffen over de Zandvoortselaan in combinatie met de huidige bevolkingsdichtheid van het gebied (meer dan 100 personen per hectare) worden geconcludeerd dat de het groepsrisico door de ontwikkeling met niet meer dan 10 procent toeneemt, waardoor de orientatiewaarde
niet wordt overschreden.
Bevb
Voor wat betreft het groepsrisico wordt hier ingegaan op hetgeen gevraagd n artikel 12. Het groepsrisico wordt gezien het advies van de brandweer ten aanzien van bereikbaarheid, inzetmogelijkheden voor de hulpdiensten bij een calamiteit en de zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners niet nader verantwoord. Met de in acht name van de benoemde maatregelen afgezet tegen het licht van de kans op een
incident, m.n. aan de orde bij werkzaamheden aan de buisleiding wat beheersbaar/ coördineerbaar is, onderhavige ontwikkeling op deze plek aanvaardbaar. Conclusie
Het aspect externe veiligheid levert - met in achtname van de voorgestelde maatregelen van de brandweer - geen belemmeringen op voor het plan. De
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
39
initiatiefnemer draagt zorg voor het geven van uitvoering aan het advies van de brandweer.
4.7 Natuur
Beleidskader
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dus zowel vogels in de tuin als op de Veluwe zijn beschermd.
De wet werkt volgens het ‘nee-tenzij! principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtsgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. Voor dergelijke schadelijke activiteiten kan alleen een vergunning worden verleend als er geen alternatief is en als het gaat om een dwingende reden van groot openbaar belang. De kokkelvisserij in de Waddenzee is nu bijvoorbeeld verboden. Er kon namelijk niet worden aangetoond dat er géén schade zou ontstaan aan de natuur, en er was geen van de andere redenen aanwezig om toch een vergunning te verlenen.
De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. De Minister van Economische Zaken kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
40
functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Consequenties
Door (geanonimiseerd) s een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd op de onderdelen soorten en gebieden. De quickscan is als bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De conclusies die uit de quickscan volgen zijn hierna opgenomen. Soortenbescherming “Nader onderzoek is niet benodigd. Nader vleermuisonderzoek en onderzoek naar grondgebonden zoogdieren i uitgevoerd medio oktober met bat detector (petterson 240 x), zaklantaarn en geluidopname apparatuur. Er zijn foeragerend gewone dwergvleermuizen aangetroffen, het groengebied (tuin) is echter geen essentieel verblijfgebied, vliegroute. Het huis kent geen verblijfplaatsen, ook het bomenbestand
herbergt geen verblijfplaatsen, De bomen zijn vrij jong <30 jaar), zijn vitaal en kennen geen scheuren/gaten waar zoogdieren als vleermuizen of eekhoorn kunnen verblijven.” Gebiedsbescherming “Op basis van de uitgevoerde bureaustudie naar de gebiedsbescherming, blijkt dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op de genoemde beschermde gebieden. Nader onderzoek op dit onderdeel is niet noodzakelijk.” In verband met de huidige ontwikkelingen rondom stikstofdepositie is bovenstaande verwoorde verwachting van BK intenieurs in haar onderzoek aangaande effecten door de ontwikkeling op nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet voldoende. Aanvullend zijn met die reden AERIUS-berekeningen uitgevoerd voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Zie bijlage 6 voor de AERIUS-berekeningen. Uit de berekeningen volgt dat door de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. De AERIUSberekening van de gebruiksfase heeft aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan
0,00 mol N/ha/jaar. De aanlegfase heeft echter wel depositie op een Natura 2000-gebied tot gevolg. Het gaat om 0,01 mol/ha/j op Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Dat betekent dat ingevolge de ‘Toestemmingsverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten’ van de Rijksoverheid voor de aanlegfase van het project als eerste vervolgstap een ecologische voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden gedaan welke door het bevoegd gezag zal worden beoordeeld.
(geanonimiseerd) is een voortoets opgesteld. De voortoets is bijgevoegd als bijlage 7 Door B bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit de voortoets volgt dat: “Als gevolg van de aanlegfase sprake is van een tijdelijke depositie van 0,01 mol/ha/jr op het habitat H2160Duindoornstruwelen. Het betreft een habitat waarvan de kritische depositiewaarde niet wordt overschreden binnen het Natura 2000-gebied en op [okaal niveau ligt deze ruim
200 mol/ha/jr boven de achtergronddepositie. Van negatieve effecten is dan ook géén sprake. Een nadere toetsing en/ of passende beoordeling is voor het plan niet noodzakelijk. Het aspect stikstof vormt voor het plan géén belemmering. Er is voor het plan geen vergunning benodigd in het kader van de Wet natuurbescherming.”
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
41
Conclusie
Geen effecten worden verwacht op beschermde gebieden of soorten. Zolang de voorgestelde voorzorgsmaatregelen voor wat betreft eventueel aanwezige soorten worden nageleefd is geen sprake van strijdigheid met de Wet natuurbescherming.
4.8 Kabels en leidingen Voor onderhavige locatie is een KLIC-melding uitgevoerd. In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor het initiatief. Net buiten het plangebied ligt een hogedruk aardgastransportleiding, maar deze vormt geen belemmering voor de werkzaamheden in het plangebied.
4.9 Luchtkwaliteit
Beleidskader
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate! (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In het besluit NIBM s vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van
maximaal 1,2 ug/m? NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk
gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan
toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor woningen ij een ondergrens van 1500 woningen aangehouden voor locaties waarbij sprake is van één ontsluitingsweg. Consequenties
Onderhavige
planontwikkeling
voorziet
Derhalve kan dit plan gezien worden
in
de
realisatie
van
vier
nieuwe
woningen.
als een project dat een niet in een betekenende
mate bijdrage levert op het gebied van de luchtkwaliteit.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
42
Grootschalige Concentratie-
en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN)
i sat Puo) i
e
| o - [E=7=]
0
om z
n
“ Openen: oen
em
een aaniang
Verschuiven:
gebi
e i.
Zoomen:
n L
e
n
n
aar
e
< Waarde
#
oo
of
<SMIFT>-
wesken
opvragen: k
n Gekaat
Op basis van de GCN-kaarten is getoetst of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon: en verblijfsklimaat. Dat is het geval. Zie onderstaande uitsnede van de GCN-kaart (PM10) die aangeeft dat ter hoogte van het plangebied sprake is van
gridcelwaarde 17,7 (lichtblauw, gridcelwaarde onder de 18). Conclusie
Het onderhavige plan heeft geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit omdat het niet in
betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, daarnaast is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmerende factor.
410
Water
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen
aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Beleidskader
Rijk
In december 2009 heeft het kabinet het Natíonaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
43
alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht op duurzame veiligheid en zoetwatervoorziening.
Provincie
Klimaatbestendig waterbeheer speelt een centrale rol in het Waterplan Noord-Holland 2010-2015. Het plan is van toepassing op grond- en oppervlaktewater. Het Waterplan geeft de strategische waterdoelen tot 2040 en de concrete acties tot 2015. Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. In het Waterplan staan de ruimtelijke consequenties van het waterbeleid. Waterschap hoogheemraadschap van Rijnland Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk ruimtelijk plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.
Taken en bevoegdheden van Riijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese
regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontrei
ng en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke
mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Riijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
44
In het Waterbeheersplan (WBPS) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016 - 2021. Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2015), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is
het WBPS5 vastgesteld (zie http://www:rijnland.net/plannen/waterbeheerplan). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: e
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
*
watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
* _ andere waterstaatswerken (0.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen), *
de bodem van kwelgevoelige gebieden,
maar ook aan:
e _ onttrekken en lozen van grondwater, e
het aanbrengen van verhard oppervlak.
Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een ‘ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of i een watervergunning vereist
(zie http://www-rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www-rijnland.net. Hemelwater
Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover met een ruimtelijk besluit nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
45
vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil waterte scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Waterhuishouding Veiligheid/ Waterkering Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de huidige ligging van kern- en beschermingszone van primaire en regionale waterkeringen. De ontwikkeling is niet gelegen in of in de nabijheid van een primaire of regionale waterkering. Beschrijving waterkwantiteit Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap dient 15% van het verhard oppervlak te worden gecompenseerd met water, wanneer de verharding met meer dan
500 m? toeneemt ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. De exacte hoeveelheid compensatie is afhankelijk van het bergend vermogen van de bodem in het peilgebied. Het realiseren van watercompensatie is hier niet nodig, omdat in de nieuwe situatie niet
meer dan 500 m? verharding wordt toegevoegd. De huidige verharding is 150 m2 (pad), dit wordt verwijderd. In de toekomstige situatie wordt er 476 m2 verhard. Dit bestaat uit de bebouwing en de veranda's. Verder is bij iedere woning een pad naar de voordeur voorzien, totaal 55 m2. Per saldo wordt in zijn totaliteit 381 m2 aan verharding toegeovegd. Waterafvoer
Bij nieuwe woningbouwlocaties is het de bedoeling om een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel aan te leggen. Onderhavige planontwikkeling zal worden aangetakt op het aanwezige gescheiden rioolstelsel. Het hemelwater van de daken van de woningen zal worden afgevoerd op de gemeentelijke riolering. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Conclusie
Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen onderhavig initiatief.
4.11
_
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
De m.e.r.-regelgeving is bedoeld om de milieuaspecten in een vroeg stadium, integraal en compleet in de plan- en besluitvorming mee te nemen. Centraal in de m.e.r.-
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
46
procedure staat het milieueffectrapport waarin alle milieuaspecten voor minimaal één alternatief geanalyseerd en beoordeeld worden ten opzichte van de referentiesituatie. Een dergelijke procedure is van toepassing bij activiteiten waarvan vaststaat dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In deze paragraaf is getoetst of sprake is van een m.e.r-(beoordelings)plicht. De te beoordelen activiteiten met bijbehorende drempelwaarden staan weergegeven in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Naast de directe plicht tot een dergelijke procedure zijn in het Besluit m.e.r. ook activiteiten met bijbehorende drempelwaarden aangegeven waarvoor eerst moet worden beoordeeld of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten en drempelwaarden staan benoemd in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten dient - als ze boven de drempelwaarde uitkomen - een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Sinds 16 mei 2017 is ook een m.er.-aanmeldnotitie nodig voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Belsuit m.e.r. maar die onder de drempelwaarden blijven. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf meer, wat betekent dat zelfs bij een klein plan zoals de ontwikkeling van één woning een m.e.r-aanmeldnotitie nodig is geworden.
Toetsing Het nieuwbouwproject kan gezien worden als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject en valt onder onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage.
Dit betekent dat een m.e.r-aanmeldnotitie aan de orde is. Voor
het nieuwbouwproject is een dergelijke notitie opgesteld. De notitie kent de volgende conclusie: de potentiële effecten van het project, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het project zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat geen belangrijk nadelige milieugevolgen veroorzaakt worden die het doorlopen van een m. procedure noodzakelijk maken. Door het bevoegd gezag is naar aanleiding van de m.e.r.notitie beoordeeld dat voor onderhavig nieuwbouwproject/ ruimtelijk besluit geen milieueffectrapportage wordt vereist.
412
_ Volksgezondheid Gezondheid is in de ruimtelijke ordening steeds meer een thema, Er s echter geen specifieke wet- en regelgeving dan wel beleidskader voor het meenemen van het aspect gezondheid in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten. Van belang is dat een ruimtelijk besluit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor is het belangrijk dat ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een goed woonen leefklimaat en bedrijven en dergelijke door een ruimtelijke ontwikkeling niet in hun
belangen/ bedrijfsvoering geschaad worden. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn diverse thema's die van invloed zijn hierop en daarmee mogelijk ook op de gezondheid aan de orde gekomen. Aspecten die nog niet aan bod zijn gekomen, maar mogelijk wel van invloed zijn op de gezondheid van mens, dier en natuur komen in deze paragraaf nog aan de orde.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
47
Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich n een straal van circa 2 km rond geïtenbedrijven een verhoogd aantal gevallen gevallen van longontsteking voordoet. Nog onduidelijk is hoe deze verhoogde kans precies wordt veroorzaakt. Komen de ziekteverwekkende stoffen uit stal, dier, mest, transport, voedsel et cetera? Dat onderzoekt het Rijk momenteel nader. Binnen een straal van 2 km rondom het plangebied zijn geen geïtenhouderijen aanwezig. Pluimvee- en varkenshouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 2.0 kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van pluimvee- en varkenshouderijen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen of varkenshouderijen aanwezig die van invloed zijn op het plangebied. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Spuitzones
In de omgeving van het plangebied liggen geen gronden waarbij mogelijk sprake is van een spuitzone. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie
Ter plaatse van de ontwikkeling is het niet aannemellijk dat de omgeving negatieve effecten op de volksgezondheid van de nieuwe bewoners veroorzaakt of de ontwikkeling negatieve effecten in het kader van de volksgezondheid op omwonenden veroorzaakt.
413
Straling Beleidskader
Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter
Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is door het ministerie verder verduidelijkt in een brief van november 2008. Het advies is gebaseerd op onderzoek naar kinderleukemie in relatie tot blootstelling aan bepaalde hoeveelheden aan microtesla. Alhoewel geen sprake s van een bewezen oorzakelijk verband adviseert het ministerie gemeenten en netbeheerders om nieuwe situaties te voorkomen waarin kinderen (tot 15 jaar) langdurig (1 jaar, minimaal 14 uur per dag) worden blootgesteld
aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla. Dit geldt in geval nieuwe hoogspanningslijnen worden aangelegd of nieuwe woningen/ scholen/ crèches of kinderdagverblijven worden ontwikkeld. In alle andere situaties kan de grenswaarde van 100 microTesla — internationaal gehanteerde (veilige) grenswaarde van ICNIRP (1999/519/EG) - aangehouden worden.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
48
Consequenties
Onderhavige plangebied is gelegen op voldoende afstand van een hoogspanningslijn waardoor ter plaatse geen sprake is van een veldsterkte van meer dan 0,4 microTesla. Conclusie
straling vormt geen belemmering voor het initiatief.
4.14
Duurzaamheid Beleidskader
Energietransitie en duurzaamheid De energietransitie betekent de overgang van fossiele brandstoffen zoals gas, kernenergie en steenkolen naar volledig duurzame energie. Duurzame, groene energie kennen we nu al vanuit zon, wind, biomassa en water.
Duurzaamheid en energietransitie zijn continue processen; concrete afspraken zijn gemaakt in het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 en het programma ‘Nederland Circulair in 2050' Dit betekent onder andere in 2030 bijna de helft minder CO2 uitstoot realiseren dan in 1990. Met de plannen kan het kabinet een belangrijk startschot geven voor opschaling van de energietransitie. Het doel van de energietransitie is om een geheel duurzame energievoorziening te hebben in 2050 in Nederland, die dan voor 100% bestaat uit groene energie.
Deze
afspraken zijn vastgelegd in het Energieakkoord. Circulair bouwen is ook een belangrijk onderwerp, zoals geformuleerd in het programma ‘Nederland Cireulair in 2050'. De bouwsector neemt 50% van het grondstoffenverbruik in Nederland voor zijn rekening. Veel afval is sloopafval. Om onze leefomgeving duurzaam in te richten is een versnelling van innovaties (circulair en modulair bouwen) binnen de bouwsector nodig. Verbindingen op gebied van duurzame energie & warmte, -mobiliteit, klimaatadaptatie en gebiedsvernieuwing zijn voor deze ontwikkelingen van belang. Aandachtspunt is dat duurzaamheid in een vroeg stadium betrokken wordt bij de planvorming. Het doel van de transitie is om een geheel duurzame energievoorziening te hebben in 2050 in Nederland, die dan dus voor 100% bestaat uit groene energie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Energieakkoord. Regelgeving
Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (wet VET) van kracht geworden, die zegt dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te realiseren, tenzij de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hier van af te wijken. Per 1 januari 2021 is BENG van kracht, met een ambitie naar volledig energieneutraal. Met deze wijziging moeten vanaf 1 januari 2021 alle nieuw te bouwen gebouwen voldoen aan de Bijna Energieneutrale Gebouw eisen (BENG). Daarmee worden strengere eisen gesteld om zo het energiegebruik te verlagen.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
49
Consequenties
Om invulling aan de regelgeving te geven stelt de gemeente/ omgevingsdienst hulpmiddelen beschikbaar. Het gaat dan om de volgende hulpmiddelen. GPR
Gebouw
Een instrument om duurzaam bouwen inzichtelijk en meetbaar te maken is GPR Gebouw. Dit instrument geeft rapportcijfers op de onderdelen energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Hoe hoger de score, hoe duurzamer de woning(en). GPR Gebouw is zowel een communicatiemiddel als praktische maatregelenlijst om nog duurzamer te bouwen; een voorbeeld is dat HR++ glas vervangen wordt door HR+++ glas met hogere isolatiewaarden. Dit is dan direct te merken aan de scores, de meerkosten zijn gering en er kan volstaan worden met
mogelijk een warmtepomp met een lagere capaciteit (in overleg met de installateur) en dus goedkoper. Ook kan circulair bouwen bespreekbaar en toetsbaar gemaakt worden bij ontwikkelaars.
De licentie wordt gratis verstrekt door de Omgevingsdienst IJmond. Groen bouwen (optioneel} Via de checklist Groen Bouwen (www checklistaroenbouwen.nl) kunnen, door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee-vragen, eenvoudig toepasbare maatregelen worden gekozen die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels. Onderhavig initiatief is al geruime tijd
geleden ontstaan en ingediend. Het is ontwikkeld
op basis van het geldende bouwbesluit, BENG was toen nog ver weg. BENG treedt op zijn vroegst per 1 januari 2021 in werking, waardoor er bij de planontwikkeliing geen rekening mee is gehouden. De stimulering om vergaande duurzame maatregelen te treffen is gekomen nadat het plan was uitontwikkeld en daarmee in een zodanig ver stadium dat geen invulling meer wordt gegeven hieraan. Conclusie
Het initiatief voldoet qua duurzaamheidseisen aan het bouwbesluit.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
50
5
Uitvoeringsaspecten 5.1 Economische
haalbaarheid
Op basis van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht tot kostenverhaal bij ruimtelijke plannen. Op basis van artikel 3.1.6. lid 1 sub f van het Bro dient bij ruimtelijke plannen aangetoond te worden dat ze economisch uitvoerbaar zijn. Naast de kosten voor de realisatie van onderhavig plan draagt de initiatiefnemer ook zorg voor de kosten die gepaard gaan met het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing inclusief onderzoeken et cetera. Verder is de initiatiefnemer onder andere verantwoordelijk voor de kosten die de gemeente maakt voor het toetsen en in procedure brengen van deze ruimtelijke onderbouwing en voor eventuele planschade. Deze kosten wentelt de gemeente via een overeenkomst op de intitiatiefnemer af. Uit bovenstaande blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.
5.2 Overleg en maatschappelijke haalbaarheid De ruimtelijke procedures tot en met de vergunningverlening van een omgevingsvergunning zijn door de wet geregeld. In onderhavige situatie geldt dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op de procedure, met de volgende aanvullingen die de Wabo daarop nog geeft. *
Het bevoegd gezag stuurt de aanvrager onverwijld een ontvangstbewijs (art. 3.1 lid 2 Wabo).
e
Het bevoegd gezag stuurt de aanvrager zo snel mogelijk een bericht over de procedure en rechtsmiddelen (art. 3.1 lid 3 Wabo).
*
Het bevoegd gezag plaatst de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit in de Staatscourant.
e
Het bevoegd gezag stuurt aanvraag, ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit aan bepaalde personen of instanties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het orgaan dat de verklaring van geen bedenkingen afgeeft, de Inspectie of een ander bestuursorgaan dan het aangewezen bevoegd gezag.
e
Het bevoegd gezag stuurt de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit aan de eigenaar van de grond en eventuele beperkt gerechtigden daarop. Dit voor zover nodig met het oog op de toepassing van artikel 85 van de onteigeningswet (art. 3.12 lid 2 Wabo
jo. art. 614 lid 2 Regeling
omgevingsrecht). *
Iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo).
*
Het bevoegd gezag doet de mededeling van het definitieve besluit ook langs elektronische weg en stelt het beschikbaar op de landelijke voorziening (art. 6.14 Bor). Belanghebbenden kunnen bezwaar maken en in beroep gaan.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
51
Het omgeving is op de hoogte van de plannen. Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Het verslag hiervan is bijgevoegd als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
52
6
Samenvattende
motivatie
Aan de Burgemeester Nawijnlaan in Zandvoort grenst de achtertuin van de woning die is gelegen en geadresseerd aan Zandvoortselaan 13. Recentelijk heeft de initiatiefnemer van deze ruimtelijke onderbouwing die woning inclusief tuin aan Zandvoortselaan 13 gekocht en het idee opgevat om op dit perceel vier woningen — gesitueerd aan de Burgemeester Nawijnlaan — te ontwikkelen. Het gaat om twee twee onder één kap woningen. Het initiatief past niet in het vigerende bestemmingsplan. Om het initiatief mogelijk te maken is het de bedoeling om een uitgebreide procedure (artikel 2.1, eerste lid, onder c met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wabo) omgevingsvergunning te doorlopen waarmee afgeweken wordt van het bestemmingsplan. Onderdeel van zo’n procedure is een ruimtelijke onderbouwing die motiveert dat het initiatief getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het plan stedenbouwkundig aanvaardbaar is en er geen sprake is van strijdigheid met het rijks-, provinciale- en gemeentelijke beleid. Daarnaast stuit het initiatief ook niet op milieuhygienische of sectorale bezwaren. Zo is de bodem- en luchtkwaliteit geschikt voor het initiatief en worden geen archeologische waarden aangetast. Ook is het parkeren n lijn met de normen zoals opgenomen in de gemeentelijke parkeernormennota.
De economische haalbaarheid is aangetoond, de initiatiefnemer draagt zorg voor alle kosten die met het plan gemoeid gaan. Zoals de aanlegkosten en de kosten die de ambtelijke inzet voor de procedure met zich meebrengt. Naast dat de procedure verloopt volgens de wettelijk daarvoor vastgelegde vereisten heeft ook een omgevingsdialoog plaatsgehad met de omwonenden. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het initiatief getuigt van een goede ruimtelijke ordening.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
53
7
Bijlagen
Bijlage 1- Verkennend
bodemonderzoek
Bijlage 2 — Verslag omgevingsdialoog Bijlage 3- Beschaduwingsanalyse Bijlage 4- Quickscan flora en fauna Bijlage 5 — Advies externe veiligheid brandweer Kennemerland Bijlage 6 — AERIUS-berekeningen Bijlage 7 — Voortoets Wet natuurbescherming
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vier woningen Burgemeester Nawijnlaan, Zandvoort’
7 april 2020
54