Bijlage 1 - Ontwikkelperspectief Binnenduinrand
Tekst van het document
Ook wordt gekozen voor behoud van waardevolle en soortenrijke landschappen, zoals rond het oude zeedorp Zandvoort. Het is van belang dat het in stand houden van de genoemde natuurlijke processen en het verbinden van duingebieden in de toekomst wordt doorgezet. Het duingebied heeft daarnaast een functie voor de kustbescherming, drinkwatervoorziening en recreatie. Met name voor de ecologische en de extensieve recreatieve functie is het van belang de ecologische robuustheid en de beleving van de grote maat van het duinlandschap te behouden en te versterken. De financiering van natuur- en recreatiebeheer blijft een continu aandachtspunt voor beheerders. De subsidie vanuit de overheid dekt niet de volledige kosten. Beheerders zullen daarom aanvullende inkomsten moeten genereren.
| 53
54 | Afb 52 1-4 Verweving bebouwing en landschap op verschillende schaalniveaus
Spelregel 4: beleving grote maat duinlandschap intact houden Elke verstoring van de beleving van de grote maat van het duingebied (openheid, schijnbare oneindigheid) door bebouwing, hekken, recreatieve voorzieningen e.d. in of aan de rand van het duingebied wordt vermeden. Dit betekent bijvoorbeeld dat campings in een duinpan horen te liggen i.p.v. op duintoppen, dat bebouwing gedeeltelijk onder het duin kan liggen en dat voorzieningen uit het zicht worden geplaatst of zo transparant mogelijk worden vormgegeven. De voor het duingebied benodigde hekken worden uit het zicht geplaatst zodat het duingebied zich vanaf de openbare weg als natuurlijk en open landschap presenteert. Spelregel 5: ecologische robuustheid duingebied versterken Natuurontwikkeling is (mede) gericht op borging van de Natura 2000- en NNN-eisen, behoud of versterking van ecologische robuustheid, landschappelijke karakteristiek, ecologische diversiteit en/of natuurlijke dynamiek van het duingebied. Verstuiving zorgt bijvoorbeeld voor ‘levende duinen’ met erosie en sedimentatie en verschillende successiestadia in de vegetatie. Ook vernatting van de duinvalleien en begrazing van het duingebied draagt bij aan het open houden, de ecologische betekenis en de afwisseling in het gebied. Natuurverbindingen tussen de verschillende duingebieden dragen in hoge mate bij aan de versterking van de ecologische robuustheid.
Met het herstel van duinrellen en vaarten wordt gebiedseigen duinwater vastgehouden voor de ontwikkeling van inheemse flora en fauna.
4.4 Verweving van bebouwing en landschap In het gebied zijn bebouwing en landschap op allerlei niveaus met elkaar verweven, waardoor een fraai mozaïeklandschap is ontstaan van grote cultuurhistorische waarde. Op een laag schaalniveau zijn dat de woon/boskavels in de villawijken. Op het middenniveau zijn dat de buitenplaatsen. Op een hoger schaalniveau gaat het om de wijze waarop de dorpen aan het landschap vastzitten en om de wisselwerking tussen de stadsranden van Haarlem, IJmuiden en Zandvoort en het landschap. Dit is het ‘kantwerk’ aan de stadsrand. Villawijken De woonkavels in de villawijken zijn een goed voorbeeld van verweving van bebouwing en landschap. Op de kavels groeien zo veel bomen dat zij samen een bos vormen. In Zuid-Kennemerland liggen de mooiste villawijken van Nederland: het Bloemendaalse Park, Duin en Daal en Hoog Hartenlust. Het Bloemendaalse park was het eerste sub-urbane villapark van Nederland (1882). In het verleden zijn in de villawijken diverse villa’s opgesplitst of vervangen door nieuwbouw. Dit geeft geleid tot meer verhard oppervlak en grotere bouwvolumes, waarbij de verhouding tussen groen en rood soms is zoekgeraakt; dit heeft de ruimtelijke kwaliteit van de wijken onder druk gezet. Buitenplaatsen De buitenplaatsen in de Binnenduinrand maken onderdeel uit van het cultuurhistorisch erfgoed van de Amsterdamse Gouden Eeuw.
De buitenplaatsen zijn op hoog kwaliteitsniveau vormgegeven: architectuur en landschap vormen één geheel. In de 19e eeuw hebben landschapsarchitect Springer en drie generaties Zocher veel tuinen en parken (her)ingericht. Samen vertegenwoordigen de buitenplaatsen een groot cultureel belang dat de individuele belangen van de particuliere eigenaren overstijgt. In het plangebied zijn vijf typen buitenplaatsen: Duin-buitenplaatsen, Strandwal-buitenplaatsen, Meerbuitenplaatsen, Strandvlakte-buitenplaatsen en Trekvaart-buitenplaatsen. Bij een aantal buitenplaatsen hebben zich ontwikkelingen voorgedaan als splitsing, het toevoegen van bebouwing en functieveranderingen (zoals ouderenhuisvesting, bedrijfsverzamelgebouwen, | 55
Afb 53 Spelregel 7 Villa’s onderscheid in architectuur
Afb 54 Spelregel 7 Presentatie villa’s naar de weg
Afb 55 Spelregel 7 Bij splitsing kavel handhaven 1 entree
56 | Afb 56 Spelregel 7 Niet meerdere dezelfde villa’s
Afb 57 Spelregel 7 Villa’s dienen vanaf de weg zichtbaar te zijn
congrescentra en horecavoorzieningen). Deze ontwikkelingen hebben dikwijls geleid tot aantasting van het karakter van de buitenplaats of zelfs tot verdwijning daarvan. De buitenplaatsen herbergen ook belangrijke natuurwaarden door de combinatie van bos, waterpartijen en open terreinen en de aansluiting op het aanpalende bos- en duingebied. Een aantal buitenplaatsen maakt onderdeel uit van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland en het Natuurnetwetwerk Nederland (NNN). Landschappelijke setting van de dorpen (openheid tussen de kernen) De dorpen in de Binnenduinrand zijn goed verankerd in het landschap. Dit geldt niet alleen voor de hierboven genoemde villawijken (waar villawijk en landschap onmerkbaar in elkaar overvloeien) maar ook voor de kernen (de meer verdichte gedeelten van het dorp). Er moet dan ook met respect worden omgegaan met de open ruimtes en groene buffers tussen de dorpen (en de stad). De groene buffers dragen in hoge mate bij aan het behoud van het onderlinge verschil in identiteit tussen de dorpen en zijn ook in recreatief opzicht van belang. Je hebt het gevoel dat je het dorp of stad uit gaat. Ook de landschappelijke kwaliteit en identiteit van deze ruimtes zijn belangrijk: het moet geen opeenstapeling van stadsrandfuncties worden.
Een mooi voorbeeld van landschappelijke setting is de ligging van Vogelenzang op de rand van de strandwal, grenzend aan het open landschap van de strandvlakte. Stads- en dorpsranden Grenzend aan het plangebied liggen vier grotere woonplaatsen: Haarlem, Heemstede, IJmuiden en Zandvoort. De landschappelijke setting is heel verschillend en dat leidt ook tot heel verschillende stadsranden. De stadsranden van Zandvoort en IJmuiden grenzen aan de duinen. De westelijke stadsrand van Haarlem en Heemstede grenst aan het strandwallen en –vlaktenlandschap. In alle gevallen is de verweving met het landschap gering, onder andere door de aanwezigheid van infrastructuurlijnen zoals de Westelijke Randweg bij Haarlem en de Heerenduinweg bij IJmuiden. Afgelopen decennia zijn er woonwijken bijgebouwd aan de randen van steden en dorpen. Deze wijken zijn over het algemeen ontworpen zonder rekening te houden met de aanwezigheid van het aangrenzende landschap. Dit heeft geleid tot vervaging van de landschappelijke kenmerken van de stads- en dorpsranden, waardoor de verwevenheid tussen landschap en bebouwing verminderd is. Ook de overgang van stad (dorp) naar landschap is vaak rommelig en heeft een veelheid aan functies in zich (bv volkstuinen, maneges). De functies zijn langzaam gegroeid en vormen daarmee een rafelige rand om de woonkernen heen.
Door de functies een plaats te geven in een hoogwaardig, groots opgezet landschappelijk raamwerk (casco) wordt het contrast tussen stad en land weer groter en blijft een polder of duinvlakte open. Ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied In de Binnenduinrand ligt buiten de woonkernen een grote variatie aan bebouwing verspreid in het landschap. Deze bebouwing heeft soms een agrarische oorsprong (boerderijen, stallen en kassen) en is in andere gevallen het resultaat van uitplaatsing van stedelijke functies (tennishal, sportvelden met bijbehorende kantines). Met name de uitgeplaatste stedelijk functies zijn lang niet altijd zorgvuldig ingepast en hebben bovendien vaak een gebiedsvreemde maat en schaal. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de beeldkwaliteit van landschap. Het is wenselijk de landschappelijke kwaliteit te herstellen door gerichte (her)ontwikkeling waarbij de structuur van het landschap leidend is. Belang van instandhouding Verweving van landschap en bebouwing, met een hoge ruimtelijke kwaliteit, is één van de karakteristieken van Zuid-Kennemerland en Velsen. Het samenspel van groen en bebouwing is bepalend voor het hoogwaardig woonmilieu, de landschappelijke waarde en de toeristische en recreatieve waarde van de regio en moet daarom worden veiliggesteld voor de toekomst.
Dit betekent dat er met zorg moet worden omgegaan met het groene karakter van de villawijken, de uitstraling en bruikbaarheid van de buitenplaatsen en de landschappelijke kwaliteit van de stads- en dorpsranden. Ook een goede landschappelijke inpassing van stadsrandfuncties draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. | 57
Afb 58 Ligging verschillende typen buitenplaatsen
Afb 59 duinlandgoed / meerlandgoed / strandwallandgoed / trekvaartlandgoed
Afb 60a Spelregel 8 Huidige buitenplaats
Afb 60b Spelregel 8 Buitenplaats NIET splitsen extra buitenplaats
58 | Afb 60c Spelregel 8 Buitenplaats extra ensemble
Afb 60d Spelregel 8 Buitenplaats NIET splitsen met villa’s
Spelregel 6: handhaven evenwicht tussen rood en groen Bij toekomstige ontwikkelingen in de Binnenduinrand (in de villawijken, op de buitenplaatsen en in de stads- en dorpsranden) is het belangrijk het bestaande evenwicht tussen rood en groen niet te verstoren en reeds verstoord evenwicht waar mogelijk te herstellen. De identiteit van Zuid-Kennemerland wordt in belangrijke mate bepaald door haar groene karakter. Deze kwaliteit blijft bij ontwikkelingen behouden en wordt waar mogelijk versterkt. Spelregel 7: in villawijken voortborduren op huidige karakter Ontwikkelingen in de villawijken voegen zich in de bestaande stedenbouwkundige structuur en dragen bij aan het groene karakter en de ruimtelijke kwaliteit van de wijken. Voor ontwikkeling in een villawijk gelden onderstaande randvoorwaarden: •
Bij ontwikkeling van nieuwe villa’s is een groene bosrijke setting cruciaal; dit betekent dat villa’s altijd op ruime percelen moeten staan zodat de verhouding tussen de bouwmassa en de maat van de kavel ontspannen blijft en er ruimte is voor bomen. Inherent hieraan is dat alleen hele ruime villakavels in aanmerking komen voor eventuele splitsing.
•
Bij splitsing van de villa(kavel) mag geen afbreuk worden gedaan aan de kwaliteit en uitstraling van het geheel. Dit betekent handhaven van één gezamenlijke entree (geen extra uitritten naar de weg), parkeervoorzieningen achter op het terrein lokaliseren, handhaving van één gezamenlijke tuin en behoud van een groene erfafscheiding.
•
Nieuwe en bestaande villa’s presenteren zich naar de openbare weg; ze liggen niet onzichtbaar verscholen achter hekken en hoog opgaand groen. De villa’s staan informeel aan de weg (met ‘een dansende rooilijn’), zijn zichtbaar en staan op groene kavels.
•
Nieuwe villa’s voegen zich qua architectuur in de bestaande bebouwing en bezitten een unieke eigenheid die een bijdrage levert aan de architectonische diversiteit van de wijk (elke villa is verschillend).
•
De villawijken zijn door hun groene karakter, de royale stedenbouwkundige opzet en de nabijheid van duinen en bos zowel een onderdeel van het recreatieve routenetwerk als een recreatieve bestemming op zich. De recreatieve toegankelijkheid en doorgaanbaarheid van villawijken blijft gewaarborgd (geen doodlopende wegen).
Spelregel 8: specifieke karakter buitenplaats is uitgangspunt De oorspronkelijke structuur, de ‘buitenplaatsbiotoop’ en het specifieke karakter van de buitenplaats zijn leidend bij ontwikkelingen. Voor ontwikkeling op (of van) een buitenplaats gelden onderstaande randvoorwaarden: •
Het oorspronkelijke ontwerp van de buitenplaatsen (zowel parkopzet, gebouwen als de samenhang tussen beide), vormt de basis voor elke ontwikkeling. Het verschil in oorsprong leidt tot typologie-specifieke oplossingen: in een duin-buitenplaats werken met reliëf en bij trekvaartbuitenplaats zorgen voor een ruimtelijke verbinding met de trekvaart.
•
De samenhang tussen buitenplaats en zijn omgeving wordt gerespecteerd, onder andere door het veiligstellen van zichtlijnen, zowel binnen als buiten de terreingrenzen van de buitenplaats, en het behoud van naastgelegen open ruimtes (‘buitenplaatsbiotoop’). Hieronder valt ook de zichtrelatie tussen buitenplaats en de openbare weg.
•
Gebouw(en) en park vormen een eenheid. Eventuele veranderingen worden ingepast in het roodgroene ensemble van de buitenplaats en voegen hier een kwaliteit aan toe. Een voorbeeld is een herintroductie van een hoofdgebouw bij bestaande buitenplaatsen zonder hoofdgebouw. Dat kan tot herstel van de eenheid tussen gebouw en park leiden en zorgen voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de buitenplaats.
•
Bij ontwikkelingen wordt rekening gehouden met hiërarchie en schaalverschillen als belangrijke kenmerken van de structuur van de buitenplaats. Een hoofdgebouw behoudt die functie, ook bij | 59
Afb 61 Spelregel 9 Onbebouwde ruimte tussen woonkernen handhaven
Afb 62 Spelregel 11 Voortbouwen op dorps-DNA
Afb 63 Stadsrand Zandvoort, voorkant naar het landschap
Afb 64 Heldere stadsrand Ijmuiden
60 | Afb 65 Spelregel 10 Bij ontwikkeling versterken landschappelijk raamwerk
Afb 66 Spelregel 10 Versterking samenhang stad en landschap
toevoeging van een extra element in het ensemble van de buitenplaats (een stal, serre of fontein). De nieuwe toevoeging is ondergeschikt aan de structuur van het gehele complex. In de opzet van de parkaanleg is het detailniveau van de tuin in de nabijheid van het hoofdgebouw hoger en hebben de perifere parkgedeelten een landschappelijk karakter. •
Bij ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de aanwezige natuurwaarden op de buitenplaats en deze waarden worden bij voorkeur versterkt.
•
Verandering van functie van de buitenplaats mag geen afbreuk doen aan de bestaande kwaliteiten van bebouwing, tuin, zichten en publieke toegankelijkheid. Een functie met een grote parkeerbehoefte zal waarschijnlijk een te grote inbreuk op de karakteristiek van de buitenplaats tot gevolg hebben en daardoor niet passend zijn. Bij voorkeur leidt een ontwikkeling tot versterking van genoemde kwaliteiten.
•
Splitsing van buitenplaatsen is in principe niet aan de orde, vanwege negatieve consequenties voor de ruimtelijke kwaliteit, uitstraling en toegankelijkheid. Het afsplitsen van een deel van de buitenplaats voor villabebouwing of het creëren van een nieuwe buitenplaats zal teveel afbreuk doen aan de royale maatvoering en de ruimtelijke structuur van de oorspronkelijke buitenplaats. Het monumentale karakter van de buitenplaats komt ook in eventuele nieuwe bebouwing tot uitdrukking. Voor de architectuur betekent dat een verhoogd welstandsniveau (de gevraagde architectonische inspanning is groter dan bij villa’s) en voor positionering van nieuwe gebouwen een gerichtheid op het omliggende parklandschap.
Spelregel 9: openheid behouden tussen de kernen Bij ontwikkelingen in de dorpsrand wordt voorkomen dat dorpen aan elkaar groeien. Iedere kern blijft ‘los’ in het landschap liggen. Dit zorgt ervoor dat ieder dorp zijn eigen karakteristiek en sfeer behoudt. Dat hangt samen met het uitgangspunt om bij ontwikkeling voort te bouwen op het dorps-DNA. Onbebouwde ruimte tussen de kernen kan bestaan uit open duin- of landbouwgebied of gesloten bosgebied. De wegen tussen de kernen hebben weinig tot geen zichtbare bebouwing, landschappelijke bos of duinbeplanting, geen onnodige (reclame)borden en een beperkte verlichting. Spelregel 10: heldere stads- en dorpsranden Ontwikkelingen in de stads- en dorpsranden dragen enerzijds bij aan versterking van ruimtelijk samenhang en anderzijds aan vergroting van contrast tussen stad en landschap. Hiermee wordt een heldere overgang tussen stad en landschap gecreëerd. De ruimtelijk samenhang tussen landschap en stad of dorp wordt versterkt door bebouwing op het landschap te oriënteren en plaatselijk het landschap de woonwijk in te trekken. Bij (her)ontwikkeling in de stads- of dorpsrand wordt ruimte gereserveerd voor verbindingen met het buitengebied. Ook wordt de samenhang versterkt door het toevoegen van zichtlijnen vanuit de wijk naar het landschap.
Een contrast tussen stad en landschap wordt versterkt door plaatselijk de kwaliteit van de stads- of dorpsrand te verhogen door herstructurering. Daarbij kan bebouwing een voorkant naar het landschap krijgen. Ook door aangrenzende landschappen ‘op te schonen’ en stadsrandfuncties op te ruimen of goed landschappelijk in te passen wordt het contrast versterkt.
| 61
Afb 68 Sportvelden Bloemendaal
sportvelden weidegebied tuinbouwgrond
Afb 67 Kaart open ruimtes
Afb 69 Woestduin bollenveld
Afb 70 Recreatieve en ecologische verbinding open gebieden
Afb 71 Open gebied koppelen aan buitenplaats, Bosch&Slabbers
62 | Afb 72 Vogelenzang
Afb 73 Spelregel 12 beeldverstorende elementen afplanten
Spelregel 11: ontwikkelingen in het buitengebied Bij ontwikkelingen buiten de woonkernen wordt bebouwing altijd in ruimtelijke samenhang met het landschap ontwikkeld en wordt het landschappelijk raamwerk versterkt. Bij (her)ontwikkeling van functies in het buitengebied (volkstuinen, sportterreinen, woningen, bedrijfspanden) wordt een bijdrage geleverd aan een sterk landschappelijk raamwerk, waarbij bestaande landschappelijke structuren en zichtlijnen uitgangspunt zijn. Een voorbeeld van recente verweving van landschap en bebouwing is de al in hoofdstuk 3 genoemde herontwikkeling van Park Brederode. Daar zijn clusters woningen zorgvuldig in de landschappelijke structuur ingepast. De landschappelijke verankering is goed (de functies op een goede plek) en de vormgeving is zorgvuldig en doet recht aan de rijke cultuurhistorie.
4.5 Open ruimten met landbouwgronden en sportterreinen De meest kwetsbare delen van het landschappelijk ‘kantwerk’ zijn de open gebieden. Het grootste deel daarvan is in landbouwkundig gebruik. Bij Bloemendaal ligt een reeks sportvelden. Binnen de landbouwgronden is een onderscheid te maken tussen het zuidelijke en het noordelijke deel. In het zuiden liggen de economisch rendabele landbouwbedrijven met voldoende toekomstperspectief. In het noordelijke deel brengt vooral de kleinschaligheid grote beperkingen met zich mee voor het landbouwkundig gebruik. Hier genereren melkveehouderijbedrijven extra inkomsten door het houden van pensionpaarden of middels subsidies voor agrarisch natuurbeheer. Ook de kleinschalige tuinbouwbedrijven benutten de mogelijkheden voor verbreding door verkoop van producten op het bedrijf. Vanwege de onderlinge verschillen vragen de open ruimtes om maatwerk. Specifieke aandacht vraagt de “verpaarding” van het landschap, omdat de bij paardenhouderijen behorende voorzieningen (witte hekken, linten en paardenbakken) het landschappelijk beeld kunnen gaan domineren. Belang van instandhouding De open gebieden spelen een cruciale rol in de beleving van het landschap van de Binnenduinrand. De waarde van de open gebieden zit niet in de openheid van de afzonderlijke gebieden maar in de hele structuur van open gebieden.
Ze bieden enerzijds zicht op de bosranden van villawijken en buitenplaatsen en anderzijds op de stadsrand. De open gebieden hebben verder een hoge ecologische waarde (door de aanwezigheid van schoon kwelwater) en een hoge cultuurhistorische waarde door hun verwevenheid met de buitenplaatsen en hun occupatiegeschiedenis. De afgelopen decennia is (onder invloed van toenemende stedelijke druk) de openheid gestaag afgenomen. Spelregel 12: bescherming van open ruimten Ontwikkelingen in open gebieden zijn gericht op behoud of versterking van openheid, op verhogen van beeldkwaliteit en benutten van ecologische potenties. Voor ontwikkeling in open gebieden gelden onderstaande randvoorwaarden: •
vermijden van toevoegen van extra massa (bebouwing of groen) in de open strandvlakte;
•
waar bebouwing onvermijdelijk is deze koppelen aan bestaande massa (bijvoorbeeld een aanliggende woonwijk of bosrand). Daarbij worden bestaande zichtlijnen gerespecteerd. De ‘nieuwe rand’ wordt van een bovengemiddelde kwaliteit en presenteert zich met de voorkant naar het landschap;
•
het aanzicht van randen en van in de openheid liggende functies en bebouwing is van hoge kwaliteit. Dit betekent dat beeldverstorende elementen worden afgeplant en tot groene eilanden in de openheid omgevormd;
•
benutten van ecologische waarden door langer vasthouden van het schone duinwater, aanleg of behoud van natuurvriendelijke oevers en door aanvulling van beplanting langs wegen en erfafscheidingen. Overigens blijft aanvullende beplanting achterwege bij laanbeplanting in de open gebieden, om zo de openheid te waarborgen
•
opstellen van richtlijnen voor de landschappelijke inpassing van paardenhouderijen | 63
Afb 74 Spelregel 13 Rekening houden met archeologische waarden
Afb 75 Spelregel 16 Routes koppelen aan bestaande kwaliteiten
Afb 76 Spelregel 16 Routes koppelen aan bestaande kwaliteiten
Afb 77 Duinen cultuurhistorie (Atlantikwall)
Afb 78 Spelregel 13 Gebruik maken van historische waarden
64 | Afb 79 Prent van Haarlem met ommeland, structuurplan Haarlem
4.6 Een rijk verleden Het gebied kent een rijk verleden. Dit heeft geresulteerd in een grote verscheidenheid aan cultuurhistorische elementen en structuren. Het is het resultaat van een eeuwenlange ontwikkeling waarbij iedere episode zijn eigen aardigheden heeft nagelaten zonder de voorgaande volledig uit te wissen. Het resultaat is een gelaagd landschap, een complex en intrigerend samenspel van elementen en structuren uit verschillende tijdlagen. Zo liggen er bijvoorbeeld op de strandwal eeuwenoude routes (die in de Romeinse tijd al als zodanig werden gebruikt), is de historie van de bollenteelt nog in het landschap te lezen, heeft de drinkwaterwinning het karakter van het duingebied bepaald en zijn de buitenplaatsen een relict uit de Gouden Eeuw. Deze geschiedenis is de basis voor hoe de regio vandaag de dag wordt beleefd: een hoogwaardig woonmilieu in een rijk geschakeerd landschap. Belang van instandhouding Het belang van behoud van de identiteit van de Binnenduinrand voor het woon- en vestigingsklimaat is evident en wordt algemeen onderschreven. Daarnaast kan op toeristisch en promotioneel gebied nog veel winst worden geboekt door de cultuurhistorische identiteit van de regio beter uit te dragen. Spelregel 13: continuïteit van de cultuurhistorische tijdslijn Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met (of gebruik gemaakt van) historische waarden.
Dit komt de eigenheid van de betreffende ontwikkeling ten goede en verbetert de leesbaarheid van cultuurhistorie. In ontwikkelplannen wordt een relatie gelegd met een nabij gelegen monument of cultuurhistorisch waardevolle plek. In die plannen wordt de ruimtelijke context van naastgelegen monumentale panden gerespecteerd en zo mogelijk versterkt door de ruimtelijke opzet en/of architectuur. Hetzelfde geldt voor verwijzingen naar historisch landgebruik (bijvoorbeeld oude agrarische bebouwing). Andere randvoorwaarden bij ontwikkelingen zijn: •
zoveel mogelijk inpassen in de historische verkaveling;
•
historische kleinschalige landschapselementen (zoals bosjes of poelen) behouden;
•
historische landschappelijke en stedenbouwkundige lijnen, structuren, elementen en oriëntatiepunten behouden en beter beleefbaar maken;
•
rekening houden met archeologische waarden.
4.7 Routenetwerk en entrees In de Binnenduinrand is het goed recreëren. Dit geldt voor bezoekers van buiten de regio die voornamelijk komen voor het strand en de duinen, maar ook voor de inwoners van Zuid-Kennemerland die (naast strand en duinen) vanaf huis wandelend of fietsend recreatieve rondjes maken door het buitengebied, de buitenplaatsen en de villawijken. Voor de bezoekers van buiten de regio is het belangrijk dat de kust met de auto en het openbaar vervoer goed bereikbaar is. Voor het autoverkeer richting het strand zijn de Kanaaldijk, de Heerenduinweg, de Zeeweg en de Zandvoortselaan de belangrijkste verbindingen. Met name de Zeeweg (ontworpen door Leonard Springer) is het archetype van de weg naar zee: met elke bocht voel je de nabijheid van de zee toenemen. De Zeeweg heeft een parkway-karakter: een profiel dat gekenmerkt wordt door een ruime
| 65
Afb 80 File strand
Afb 81 Trein naar Zandvoort
Afb 82 Ommetje
Afb 83 Recreatieve route door de duinen
Afb 85 Zeeweg fietsopstopping
66 | Afb 84 Spelregel 14 Routes naar zee met hoge beeldkwaliteit
Afb 86 Spelregel 15 Verschil in vormgeving routes parallel en dwars op gradiënt
opzet, gescheiden rijbanen en een zwierige lijnvoering. De andere drie wegen hebben een inrichting, waarbij de landschappelijke gradiënt minder wordt beleefd. De spoorlijn Amsterdam-Zandvoort is van groot belang voor de bereikbaarheid van de kust per openbaar vervoer. Ook via het spoor is de reis naar zee een belevenis: na het instappen in de drukte op Amsterdam-Centraal volgt een reis langs een scala van landschappen: de polders van Spaarnwoude, het historisch station van Haarlem, het mozaïek van open groene gebieden afgewisseld met buitenplaatsen, villawijken en bossen, dan dwars door het duingebied, waarna uiteindelijk bijna letterlijk op het strand uitgestapt kan worden. Ook de aanwezigheid van de lijnen “Haarlem-Uitgeest” en “Haarlem-Leiden” biedt de Binnenduinrand de mogelijkheid om een belangrijk recreatief uitloopgebied voor Amsterdam en de rest van de MRA te zijn. In het duingebied ligt een aantrekkelijk netwerk van fiets- en wandelpaden, met veel keuzemogelijkheden. Voor wandelaars en fietser zijn er lange-afstands-routes zowel evenwijdig aan de kust als loodrecht daarop richting de Bufferzone Amsterdam-Haarlem en de Haarlemmermeer. Op het laagste schaalniveau zijn er recreatieve verbindingen vanuit de woonwijken naar het omliggende landschap: de ommetjes. Onder ommetje wordt verstaan een (onverhard) wandelpad van ongeveer 3 a 4 kilometer (uit en thuis).
Ommetjes voorzien aan de behoefte dicht bij huis te kunnen wandelen en je eigen omgeving te leren kennen. Het landschap in de stads- en dorpsranden is echter veelal slecht ontsloten en de wandelaar is vaak veroordeeld tot een tocht over verharde wegen. Wandelpaden (voor zover nog aanwezig) worden op talloze manieren doorkruist, gesplitst en gefragmenteerd. Ruiterpaden zijn wel aanwezig, zij het in beperkte mate. Belangrijke aandachtspunten voor de vormgeving van het recreatieve routenetwerk zijn de beeldkwaliteit van de routes naar zee, continuïteit in de fietsverbindingen naar het achterland (Bufferzone Amsterdam-Haarlem en Haarlemmermeer) en verbetering van de “doorwaadbaarheid” en ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied grenzend aan de woonwijken. Belang van instandhouding De Binnenduinrand heeft belang bij goede verbindingen met de rest van de metropoolregio Amsterdam, voor zowel trein, auto als fiets. Voor recreatie en toerisme is het belangrijk dat de kust goed bereikbaar is. Hierbij gaat het niet alleen om het minimaliseren van de reistijd maar ook om het maximaliseren van de belevingswaarde van de route naar zee. De veelzijdigheid van het landschap van de Binnenduinrand is met name vanaf de routes te ervaren; hierbij is het belangrijk dat er een logische samenhang bestaat tussen de vormgeving van de routes en de landschappelijke typologie ter plaatse.
Entrees, opstappunten en kruispunten zijn belangrijke schakels in de herkenbaarheid van het recreatieve routenetwerk: dit zijn de momenten om de routes te verduidelijken en mensen te sturen en te begeleiden. De fysieke nabijheid en recreatieve bruikbaarheid van het landschap is een van de bepalende factoren voor het hoogwaardig woonmilieu van de Binnenduinrand; hierin speelt de aanwezigheid en ruimtelijke kwaliteit van de ommetjes een cruciale rol. Een goede vormgeving van de ommetjes zorgt ervoor dat je in de stad al het gevoel hebt dat je op weg bent naar het buitengebied (er wordt als het ware een groene loper uitgerold). Spelregel 14: herkenbaarheid routes naar zee door hoge beeldkwaliteit De inrichting van de belangrijkste routes naar zee is als zodanig herkenbaar en in overeenstemming met de beoogde beeldkwaliteit. Dit betekent voor de Zeeweg, de Zandvoortselaan en de Heerenduinweg: royale wegprofielen, een inrichting die samenhangt met de omgeving en een landschappelijk beeld zonder storende hekken, onnodige borden, felle verlichting of andere bouwkundige elementen (parkway-profiel). Voor de weg naar de Kennemerboulevard (langs Noordzeekanaal en haven) ontbreekt de maat voor een royaal wegprofiel en wordt dit gecompenseerd door nadruk op de continuïteit en zo groen mogelijke invulling van de route. | 67
Afb 87 Spelregel 14 Routes naar zee hoge beeldkwaliteit
Afb 88 Spelregel 17 Kwaliteit entrees buitengebied verhogen
Afb 89 Spelregel 17 Kwaliteit entrees buitengebied vergroten
68 | Afb 90 Spelregel 18 Ontwikkelingen benutten om routenetwerk te vergroten
Afb 91 Spelregel 18 Ontw ikkeling benutten om continuïteit routes te vergroten
Spelregel 15: gradiënt als leidraad De inrichting van de routes, zowel haaks als parallel aan de kust, volgt het landschap. De inrichting van de oost-west routes is een afspiegeling van de verschillende landschappen die gekruist worden. De routes worden begeleid door bebouwing en rijke boombeplanting op de strandwal en openheid op de strandvlakte, variërend van bosrijk naar open in de duinen. Ook de lijnvoering van de route varieert: recht door de weilanden, slingerend tussen de duinen. De noord-zuid routes volgen de richting van strandwallen en vormen lange lijnen in het (stads)landschap. Door de routes van een sterke groenstructuur te voorzien, wordt het noord-zuid karakter versterkt en worden verkeerskundige elementen en ingrepen hieraan ondergeschikt gemaakt. Spelregel 16: Recreatieve routes koppelen aan bestaande kwaliteiten Koppel recreatieve routes aan oude landschappelijke structuren, aan attractiepunten en aan het recreatieve netwerk van de ommetjes. Oude wegen, dijken of waterlopen zijn aanleiding voor recreatieve routes. Deze sluiten goed aan op het omringende landschap, voorzien vaak al in goede kruisingen met infrastructuurlijnen en hebben een hoge belevingswaarde. Recreatieve routes ontlenen hun waarde in grote mate aan de aanwezigheid van attractiepunten en leuke bestemmingen aan de route.
Voorbeelden hiervan zijn: kaasboerderij, horeca, buitenplaatsen, uitzichtpunten, speeltuin, cultuurhistorische elementen, historische kernen en waterlopen. Andersom worden attractiepunten ook rendabeler naarmate de koppeling aan recreatieve routes beter is. Door het koppelen van recreatieve routes aan ommetjes ontstaat er een fijnmazig recreatief netwerk in het buitengebied en een verweving van woonkernen met het omringende landschap. De belevingswaarde van recreatieve routes en ommetjes vereist een hoge ruimtelijke kwaliteit van het landschap ter plaatse en een interessante vormgeving van de route in de woonwijk. Markering van de routes kan het gebruik ervan nog eens stimuleren. Spelregel 17: kwaliteit entrees naar het buitengebied Een duidelijke overgang van stad naar landschap moet met name in de vormgeving van entrees tot uitdrukking komen. In het algemeen geldt voor entrees dat bezoekers het gevoel krijgen in het buitengebied te komen. Het zijn plekken waar het contrast in vormgeving tussen landschap en bebouwd gebied kan worden versterkt. Dit uit zich bijvoorbeeld in contrasten open-besloten en groen-bebouwd. De entrees van o.a. station Heemstede-Aerdenhout, Zandvoortselaan ter hoogte van de Herman Heijermansweg en spoorwegovergang Santpoort-Noord zijn geschikte plekken. OV-knooppunten kunnen goed benut worden als recreatieve poort naar het landschap.
Het vraagt van het ontwerp van de omgeving van OV-knooppunten dat deze verwijst naar het nabije landschap, bijvoorbeeld door zichtlijn, groene uitstraling, start van een recreatieve fiets- en wandelroute of aanwezigheid van voorzieningen. Specifiek voor de stadsrand van Haarlem is het wenselijk dat beplanting in de overhoeken bij de kruisingen met de Westelijk Randweg verdwijnt en er meer nadruk komt op de vaarten. Een in de illustraties (afbeelding 89) uitgewerkt voorbeeld is de entree bij de Jan Gijzenvaart: daar is de beplanting verwijderd, het water beter zichtbaar gemaakt en graswalletjes hebben het beeld naar de Randweg verzacht.
| 69
Afb 93 Natuurlijk water, Bosch&Slabbers
Afb 92 Duurzaam watersysteem + legenda
Afb 94 Water op de strandvlakte, Bosch&Slabbers
Afb 95 Natuurlijk water
Afb 96 Water in de stad Leidsevaart
70 | Afb 97 Spelregel 19 Water van verschillende oorsprong
Afb 98 Spelregel 19 Herkenbaar water, Bosch&Slabbers
Spelregel 18: ontwikkelingen benutten om continuïteit van het routenetwerk te vergroten Bij (relevante) ontwikkelingen in de Binnenduinrand is verbetering van de continuïteit of uitbreiding van het recreatieve routenetwerk integraal onderdeel van de planvorming. De continuïteit van recreatieve routes wordt verbeterd bij groot onderhoud van grootschalige infrastructuur. Voorbeelden zijn extra tunnels maken bij spoor of randwegen en recreatieve routes koppelen aan ecologische verbindingen (ecoducten in combinatie met fiets- en wandelpaden). Ook de recreatieve doorgaanbaarheid van de villawijken verdient blijvende aandacht. Voor waterrecreatie betekent dit zo veel mogelijk vervanging van duikers door bruggen met voldoende doorvaarthoogte (boezemwatersysteem). Op een laag schaalniveau wordt bij uitruilen van gronden of splitsen van villa’s ruimte gemaakt voor paden tussen de verschillende percelen, wanneer de maaswijdte van het routenetwerk te groot is. Bij reconstructie in de stadsrand ontstaat ruimte voor nieuwe verbindingen waarbij barrières als sloten en hekken worden geslecht, of voor het aantrekkelijk maken van bestaande verbindingen.
4.8 Waterstelsel Het water in het plangebied heeft diverse gezichten en is van verschillende oorsprong. Het duinwatersysteem is subtiel en fijnmazig met duinrellen en opkwellend water aan de voet van de duinen. Het boezemwater heeft een grotere maat, met de lange lijnen van de trekvaarten. Door zijn kwaliteit wordt het duinwater al eeuwenlang gebruikt voor bijvoorbeeld het brouwen van bier en het wassen en bleken. Vanaf het midden van de 19e eeuw wordt er drinkwater in het gebied gewonnen. Belangrijke vaarten zijn de Leidse Trekvaart, Houtvaart, Delft en de Bennebroekervaart. De waterlopen in noord-zuid richting zijn overwegend trek- en afwateringskanalen. De waterlopen in oost-west richting zijn zanderijvaarten die zijn gebruikt voor transport van grond naar de stadsuitbreidingen en water naar de brouwerijen. Aan het water op de kwelplekken ontstonden vele wasserijen en blekerijen. Ook de waterlopen in Vogelenzang en Elswout zijn gegraven voor zandtransport. Belang van instandhouding De grote diversiteit in verschijningsvorm en de intrinsieke kwaliteit van het watersysteem in de Binnenduinrand is zowel een ruimtelijke als een ecologische kwaliteit. Door de vormgeving (en ecologische ontwikkeling) van waterlopen te baseren op de oorsprong van het water wordt een bijdrage geleverd aan de leesbaarheid van het landschap (en de ecologische diversiteit).
Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt belangrijk om met een ontwikkeling in te spelen op het oorspronkelijke watersysteem ter plaatse (zie 4.2 de gevarieerde ondergrond). Spelregel 19: herkenbaar water Bij relevante ontwikkelingen is herstel en uitbreiding van het watersysteem onderdeel van de planvorming. In de vormgeving van een waterloop is de oorsprong ervan zoveel mogelijk herkenbaar. Voor maatregelen in het oppervlaktewatersysteem geldt de voorkeursvolgorde vasthouden, bergen en afvoeren. Op deze manier komen de specifieke eigenschappen van het duinwatersysteem, de kanaaltjes voor de waterwinning en het boezemwater zo goed mogelijk tot hun recht. Een natuurlijk gevormde duinrel met bochtig verloop en steile oevers ziet er bijvoorbeeld anders uit dan een aangelegde vaart met een lineaire vorm en constante breedte. Het is van belang dat in dit kader gemeenten, provincie en het hoogheemraadschap elkaar in een vroegtijdig stadium betrekken bij planvorming, zodat op een adequate manier rekening kan worden gehouden met het watersysteem.
| 71
Afb 100 Het panorama, Bosch&Slabbers
Afb 99 Zichtlijnen, open ruimtes en panorama’s
Afb 101 Buitenplaats Elswout kwaliteitsbeeld ML
Afb 102 Spelregel 20 Bij ontwikkeling zichtlijn open houden
Afb 103 Spelregel 20 Bij renovatie uitzicht benutten
Afb 104 Spelregel 20 Bij ontwikkeling geen afbreuk kwaliteit landschap
Afb 105 Spelregel 20 Wonen met uitzicht op duinen
72 |
Afb 106 Spelregel 20 Panorama’s en uitkijkpunten geen obstakels
4.9 Panorama’s en zichtlijnen In het plangebied spelen zichtlijnen en panorama’s een grote rol. Het reliëf zorgt voor ‘on-Nederlandse’ vergezichten over de duinen, op de haven van IJmuiden, Schiphol, Haarlem en Amsterdam. Op een lager schaalniveau zijn er de lange zichtlijnen over de strandvlakten, die met name de beleving vanuit de trein en vanaf de N208 sterk bepalen. Vanuit de duinen is een reeks van kerktorens zichtbaar. Op het niveau van de bebouwing gaat het om de zichtlijnen naar buitenplaatsen, tussen landhuis en omgeving of de wijze waarop het zicht op het woonhuis is geënsceneerd. Er zijn drie verschillende zichten te onderscheiden: het panorama, de zichtlijn en het vergezicht. Een panorama is het uitzicht vanaf een hoger gelegen punt op het omliggende landschap. Bij het panorama is van wezenlijk belang dat deze niet verstoord wordt door bebouwing of beplanting. De zichtlijn is een geleid zicht op een bepaald markant punt of gebouw. Hierbij is het belangrijk dat deze geleiding duidelijk aanwezig blijft en dat het zicht op dat punt niet vertroebeld wordt door elementen die in de zichtlijn staan. Vergezichten zijn open ruimtes waarover men ver kan kijken. Belangrijk bij deze vergezichten is dat de randen van de open ruimte aantrekkelijk ingericht zijn.
Bijzondere aandacht verdienen de buitenplaatsen, waar aan de compositie van de ruimtelijke structuur een heel stelsel van zichtlijnen ten grondslag ligt. Belang van instandhouding De panorama’s in de reliëfrijke duinen, de lange zichtlijnen over de strandvlakten, de zichtrelatie tussen buitenplaatsen en open gebieden en de enscenering van het zicht op de bebouwing zijn bepalend voor de beleving van het gebied. Zij bepalen mede het karakter van Zuid-Kennemerland. Zichtlijnen (en in mindere mate panorama’s) zijn kwetsbaar (één verkeerd geplaatste boom of schuur kan een zichtlijn al blokkeren) en verdienen daarom een strakke bescherming. Spelregel 20: zicht op het landschap beschermen, herstellen en benutten Bij ontwikkelingen worden panorama’s, zichtlijnen en vergezichten gerespecteerd en zo mogelijk versterkt. Het respecteren van de zichtrelaties betekent: •
voor panorama’s dat er geen hoge beplanting rond een uitkijkpunt is. Recent zijn bijvoorbeeld zichtbelemmerende bomen en stuiken rond uitkijkpunt Kopje van Bloemendaal verwijderd, waarmee het panorama is hersteld. Ook kan bijvoorbeeld onderzocht worden of het mogelijk is ter hoogte van het Brederodeberg (het hoogste punt van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland) enkele bomen te kappen om een nieuw panorama te creëren.
•
rekening houden met en zo mogelijk herstellen van de zichtlijnen van de buitenplaatsen in het omliggende landschap.
•
voor zichtlijnen geldt dat het toevoegen of uitbreiden van zichtbelemmerende obstakels (schuren, hoge beplanting en erfafscheidingen) in de zichtlijn zoveel mogelijk wordt vermeden.
•
voor de vergezichten dat opgaande elementen geen afbreuk doen aan de beeldkwaliteit van de landschappelijke compositie.
Het versterken van zichtrelaties houdt in dat er bij ontwikkeling kansen worden benut om nieuwe panorama’s te maken en zichtlijnen te herstellen of nieuw te creëren. Zo kan bij renovatie of nieuwbouw gebruik worden gemaakt van het aanwezige uitzicht, bijvoorbeeld een restaurant in de watertoren van Bloemendaal. Ook kan aan het nieuwe ecoduct over de Zandvoortselaan een uitzichtpunt gekoppeld worden of het zicht op een kerktoren aan de basis staan van een nieuw stedenbouwkundig plan.
73 |
5. OPMAAT NAAR DE UITVOERING Hoofdstuk 5 vormt de opmaat naar de opstelling van een uitvoerings- en financieringsstrategie, de kern van de volgende fase. Daarvoor hebben we een eerste verkenning gedaan van de uitvoerbaarheid van de ambities en een voorzet gegeven voor de uitvoeringsstrategie. Er wordt een doorkijk gegeven naar beoogde resultaten en producten en er is gekeken naar een mogelijke organisatiestructuur. De ambities moeten uiteindelijk worden vertaald naar een gebiedsakkoord met een bijbehorend uitvoeringsprogramma. Op hoofdlijnen is een financiële analyse van de ambities opgenomen, met ideeën over de wijze waarop deze ambities gefinancierd kunnen worden. Een overzicht van trends en ontwikkelingen op het gebied van financiering van het landschap treft u aan in bijlage 3.
5.1 Speerpunten voor de uitvoeringsstrategie De ambities en spelregels van het ontwikkelperspectief kunnen worden geclusterd in de volgende speerpunten voor de uitvoeringsstrategie: 1.
opstelling van een regionaal uitvoeringsplan voor de buitenplaatsen, waarbij de ruimtelijke, culturele, recreatieve, toeristische en natuur aspecten op de verschillende schaalniveaus (lokaal, regionaal en MRA) in samenhang worden uitgewerkt;
2.
opstelling van een regionale strategie voor de gehele reeks open gebieden, waarin gezocht wordt naar de optimale mix van agrarische functies, natuur, recreatie, cultuurhistorie en landschappelijke waarden; incl. de realisatie van ecologische en recreatieve verbindingszones naar het achterland;
3.
toeristisch-recreatieve doorontwikkeling van de kust(plaatsen) tot “Amsterdam Beach” met behoud van rust en ruimte;
4.
verkenning van de mogelijkheid om het gehele duingebied, inclusief de landgoederen en open ruimten, onder de noemer “Nationaal Park” te brengen, om natuur te verstreken, bezoekers beter te spreiden en het als één Nationaal Park te promoten;
5.
ontwikkeling van een marketing- en promotiestrategie voor de Binnenduinrand in lijn met het project “Amsterdam bezoeken, Holland zien” waarbij de focus op natuur en cultuurbeleving gericht wordt;
6.
opstelling van een regionale kansenkaart voor de versterking van de stads- en dorpsranden in de Binnenduinrand, inclusief de (recreatieve) ontsluiting van het aangrenzende buitengebied;
7.
nadere verkenning van de ontwikkelpotentie van de ov-knooppunten van de Zuid-Kennemerlandse corridor (vertrekpunt hiervoor is de Taskforce Ruimte Assist “Zuid-Kennemerland en IJmondToekomst bereikbaarheid en stations in een aantrekkelijke regio”);
8.
inventarisatie, plan van aanpak en financiering van benodigde recreatieve verkeer- en vervoersverbindingen (inclusief de bereikbaarheid van de kust);
9.
opstelling van ‘uitvoeringsstrategie water’; deze zal worden opgenomen als actie in de strategische samenwerkingsagenda’s (en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma’s) tussen hoogheemraadschap en de brtrokken gemeente;
10.
inbedding van de spelregels in de bestemmingsplannen, visies, verordeningen, beheerplannen en programma’s.
Aan een aantal speerpunten wordt al gewerkt. Voorbeeld daarvan is de pilot Buitenpoorten vanuit het Actieprogramma Metropolitaan Landschap en het OV-knooppuntenprogramma van de provincie, waarin aan Speerpunt 7 invulling wordt gegeven.. Voor deze speerpunten ligt de focus op het zoeken van aansluiting op de lopende trajecten, waarbij enerzijds vanuit het ontwikkelperspectief onderwerpen worden geagendeerd en anderzijds de afstemming tussen de verschillende speerpunten wordt geborgd. Voor de speerpunten 2, 4, 6, 8 en 10 ontbreekt op dit moment nog een concrete aanpak. Deze zal in de uitvoeringsstrategie moeten worden geïnitieerd. 74 |
5.2 Organisatie van de uitvoering Hoe gaan we er nu voor zorgen dat de geformuleerde ambities en spelregels worden vertaald naar een concreet uitvoeringsprogramma? Wat is daarbij de rol van de gemeenten en provincie? Welke partijen moeten bij de uitvoering worden betrokken en hoe zorgen we ervoor dat deze partijen zich committeren aan de ambities? Hoe bereiken we dat burgers en maatschappelijke organisaties zichvoldoende betrokken voelen bij de uitvoering van de ambities? Het antwoord op deze vragen vormt de kern van de uitvoeringsstrategie en is de opmaat naar de uiteindelijk vast te stellen gebiedsakkoorden. Voor de organisatie van de uitvoering moeten de verantwoordelijkheden daar worden gelegd waar zij logischerwijs thuis horen. De overheden richten zich primair op het verschaffen van een wettelijk en beleidskader en op het voeren van (regionale) regie over uitvoeringsprocessen en de financiering daarvan. De belanghebbende private partijen (beheerorganisaties, grondeigenaren en andere stakeholders) zijn leidend bij de uitvoering. Door de verantwoordelijkheden op de meest natuurlijke en logische plek neer te leggen, zal de kans op commitment, financiering en daadwerkelijke uitvoering het grootst zijn. We willen zoveel mogelijk aansluiten op bestaande (overleg)structuren, zodat kansen benut kunnen worden wanneer deze zich voordoen.
De communicatiestrategie zal hierop worden ingericht. Concrete en kansrijke projecten pakken we snel op; die kunnen dienen als inspiratie voor de uitvoering van het ontwikkelperspectief. Tijdens de opstelling van het ontwikkelperspectief hebben zich de contouren voor een aantal inhoudelijke “sporen” afgetekend, zoals bijvoorbeeld voor de aanpak van de open gebieden. Daarnaast wordt het ook steeds duidelijker hoe bestaande projecten zich tot elkaar verhouden, wie met wie samen zou moeten werken en op welk schaalniveau een bepaalde problematiek speelt. Voor de positionering en ontwikkeling van de kustplaatsen groeit bijvoorbeeld het inzicht dat dit gezamenlijk door de regio en in de MRA-context opgepakt moet worden. Bij de verschillende sectoren die bij het behoud en de ontwikkeling van buitenplaatsen zijn betrokken, wordt het steeds duidelijker dat een integrale aanpak van de zone uitkomst kan bieden. Het is van belang dat deze inzichten op korte termijn verder worden uitgewerkt en omgezet in actie. Wij stellen ons voor dat voor elk van de in paragraaf 5.1 benoemde speerpunten een “spoor” wordt uitgezet. Per spoor wordt vervolgens een werkgroep ingesteld, waarin de betrokken stakeholders (gemeenten, eigenaren, beheerders, etc.) samen verantwoordelijk zijn voor de concrete opdrachtformulering en voor de totstandkoming van het voor dat spoor beoogde eindproduct.
De uitgebreide inventarisatie van de ambities, uitgangspunten en opgaven, zoals vermeld in bijlage 2 is daarbij de leidraad. Zonodig wordt een prioritering aangebracht in de aanpak van de verschillende sporen. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de onderlinge samenhang van de sporen. Elk spoor heeft een trekker. Daarboven wordt een regiegroep ingesteld, die samen met de trekkers verantwoordelijk is voor de bewaking van de onderlinge samenhang van de sporen, de opstelling van de ontwikkelstrategie en het uitvoeringsplan en voor de algehele procesbewaking. Om alle partners bij de uitvoeringsstrategie betrokken te houden zal één keer per jaar een conferentie worden georganiseerd, waarin de voortgang van de verschillende sporen wordt toegelicht.
5.3 Hoe financieren wij het ontwikkelperspectief? Tot voor kort was financiering van landschapsontwikkeling vooral een aangelegenheid van de (rijks) overheid en grondeigenaren en -beheerders. Als gevolg van crisis en bezuinigingen zijn deze financieringsbronnen in rap tempo aan het opdrogen. Ook de klassieke verdienmodellen (via grond- en vastgoedexploitatie) verliezen hun werking meer en meer. Tenslotte is de rol van de overheid bij gebiedsontwikkelingen aan het verschuiven van initiator naar regisseur. Dit vraagt nadrukkelijk om een | 75
nieuwe kijk op de financieringsstrategie voor het ontwikkelperspectief Binnenduinrand. De ambities en spelregels leveren input voor de wijze van uitvoering en financiering. Deze zullen samen met maatschappelijke organisaties en private partijen worden uitgewerkt. Wat kost instandhouding en ontwikkeling van het landschap eigenlijk? Dat is een belangrijke, maar lastig te beantwoorden vraag. De financieringsstromen rond landschap zijn complex, mede door overlappende subsidies, regelingen, afspraken over bijdragen tussen overheden en toenemende commercialisering. Op landelijk niveau is er een redelijk beeld van kosten van natuur- en landschapsbeheer. Dit ziet er als volgt uit: •
in 2011 (het laatst bekende toetsjaar) is in totaal netto € 980 miljoen uitgegeven, waarvan € 355 miljoen door het Rijk (37 %), € 146 miljoen door provincies (14 %), € 62 miljoen door gemeenten (6 %), 277 miljoen door natuurbeschermingsorganisaties (29%) en € 140 miljoen door private partijen (landschapsbeheerders en grondeigenaren; 14 %) (Bron: CBS);
•
van de € 980 miljoen is € 97 miljoen uitgegeven aan verwerving van gronden, € 547 miljoen aan inrichting en beheer en € 142 miljoen aan overige activiteiten (Bron: CBS);
•
de financieringsbehoefte van beheer en herstel van de meest waardevolle nationale en provinciale cultuurlandschappen is voor de periode tot 2020 berekend op € 405 - 472 miljoen per jaar (Bron: KPMG);
•
de financieringsbehoefte voor beheer zit met name in het onderhoud van landschapselementen, instandhoudingskosten voor gebieden met kenmerken van waardevolle cultuurlandschappen en uitvoering van ecologische projecten. De financieringsbehoefte voor het herstel van landschappen vloeit vooral voort uit het herstel van water en aardkundige elementen, recreatieve ontsluiting, compensatie van de grondwaardedaling, de aanleg van nieuwe groene elementen en de uitvoering van projecten die de gewenste leefomgevingen opleveren;
•
het beheer van natuur- en recreatiegebieden voor het MRA-gebied kost rond de € 60 miljoen per jaar. De kosten van beheer en ontwikkeling worden voor ongeveer 60% gefinancierd door de overheid, 30% door exploitatie en marktinkomsten, 7% door private bijdragen en 3% door groenfondsen en financiële reserves. De landbouw speelt ook een belangrijke rol binnen het beheer en ontwikkeling van het landschap. Boeren zijn gemiddeld voor 25% afhankelijk van subsidies voor hun inkomsten (Bron: MRA).
Van de financieringsbehoefte voor de Binnenduinrand is nauwelijks een legitieme inschatting te maken. Op onderdelen vallen er wel uitspraken te doen. Hieronder is voor een aantal representatieve cases berekend wat de omvang van de financieringsbehoefte is. Duinenzone In de duinenzone zijn er twee grote grondeigenaren (PWN en Waternet), een aantal middelgrote (Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Bloemendaal en Velsen) en een aantal kleinere. PWN en Waternet gaan voor het beheer- en onderhoud grofweg uit van € 1.000 per jaar per ha. Met een totaal oppervlak van ca. 7.300 ha (3.800 ha Nationaal Park Zuid-Kennemerland en 3.500 ha Waterleidingduinen) betekent dit een jaarlijkse financieringsbehoefte van € 7,3 miljoen voor beheer en onderhoud. Bij het Nationaal Park Zuid-Kennemerland is er voor natuurontwikkeling en –educatie bovendien een jaarlijkse financieringsbehoefte van € 200.000. (Bron: Nationaal Park ZuidKennemerland). PWN en Waternet zijn drinkwaterbedrijven en dekken tweederde van de financieringsbehoefte uit de opbrengst van drinkwater. Het resterende deel komt uit parkeergelden en andere particuliere gelden. Dit plaatje zal grosso modo ook voor de toekomst hetzelfde blijven, omdat het primaire belang van de bedrijven ligt bij het houden van controle over het gebied ten behoeve van de opslag van drinkwater.
Buitenplaatsen en open gebieden Onderhoud en restauratie van buitenplaatsen kost veel geld. Het rijk en de provincie stellen hiervoor subsidies beschikbaar, maar eigenaren zullen zelf ook moeten zoeken naar aanvullende inkomsten, met name voor de financiering van het groenbeheer. Staatsbosbeheer, eigenaar van buitenplaats Elswout 76 |
(ca. 50 ha), heeft een analyse gemaakt van de jaarlijkse instandhoudingskosten ervan, voor zover dit
in eigen beheer is. Deze kosten bedragen in de huidige staat van de buitenplaats (inclusief opstallen) ca. € 665.000 (situatie 2013). In aanvulling op de bestaande subsidieregelingen wil Staatsbosbeheer dit onder meer financieren door de meer passend verhuur van haar bezittingen, zoals al reeds voor de Orangerie gebeurt. (Bron: Staatsbosbeheer). Het Manpadslaangebied in Heemstede is een van de weinige potentiële ecologische verbindings-zones tussen de Binnenduinrand en het gebied van de Bufferzone Haarlem-Amsterdam. Dit tuinbouwgebied is deels bebouwd met agrarische bebouwing en deels open gebied. Om de gewenste kwaliteit van het gebied te bereiken moet ca. 11 ha, thans in eigendom van enkele ontwikkelaars, worden aangepakt. Het gaat om verwerving van gronden, slopen van ongewenste opstallen en (her)inrichting van het open gebied. De totale ontwikkelingskosten op basis van de agrarische grondwaarden zijn in 2013 geraamd op € 5,2 miljoen (bron: gemeente Heemstede). Dit is exclusief de (toekomstige) beheerkosten van het (toekomstige) openbaar gebied. Veiligstellen alle open gebieden De waardevolle open gebieden in de Binnenduinrand beslaan in totaal ca. 800 ha. Het gebruik daarvan bestaat vooral uit weidegebied voor de landbouw en voor recreatieve doeleinden (maneges, volkstuinen) en uit tuinbouwgebied.
De gemiddelde grondprijs voor agrarische gronden in onze regio bedroeg in 2011 € 71.948 per ha (Bron: Grondprijsmonitor 2011, Dienst Landelijk Gebied) en in 2012 € 49.020 (Bron: Grondprijsmonitor 2012, Dienst Landelijk Gebied). Deze stevige fluctuatie laat zich zien over de gehele periode tussen 2009 en 2012. Hieruit moet worden geconcludeerd dat de waarde sterk wordt bepaald vanuit speculatieve motieven, zodat slecht een indicatie kan worden gegeven van de waarde die de betreffende gebieden vertegenwoordigen. Op basis van deze cijfers ligt die gezamenlijke grondwaarde naar verwachting ergens tussen de € 40 miljoen en de € 60 miljoen. Daar komt de waarde van de aanwezig opstallen uiteraard nog bovenop. Het is duidelijk dat de regio niet in staat is om dit soort bedragen zelfstandig vrij te maken. Daar staat tegenover dat voor een deel van de gebieden de “grip” op het gebied ook op een andere wijze kan worden verkregen. Wat zijn de financieringscomponenten van de speerpunten? In hoofdstuk 3 zijn ambities benoemd voor verschillende thema’s: het netwerk van open gebieden, bereikbaarheid, ontwikkelpotentie kust, duinen, buitenplaatsen, verstedelijking en water. Per benoemde ambitie is een eerste globale verkenning van de mogelijke financieringsstrategieën gemaakt. De resultaten van de verkenning zijn hieronder weergegeven. 1.
Ontwikkelpotentie kust
De invulling van toeristisch-recreatieve profielen zal in de regel door particuliere initiatieven tot stand komen. De overheid speelt hier vooral een faciliterende rol via de inzet van het planologische instrumentarium (zie ook onder “Marketing en promotiestrategie”). Zo wordt in het kader van het Kustpact (afspraken tussen het Ministerie van I en M en lagere overheden en natuurorganisaties over het behoud van de openheid van de kust) gewerkt aan een plan voor kustzonering. 2.
Duinen
In de Binnenduinrand wordt het leeuwendeel van de financieringsbehoefte voor beheer en onderhoud van de duinen gedekt vanuit de opbrengst van drinkwatervoorziening en parkeergelden. Hierin zullen naar verwachting geen structurele veranderingen optreden. Voor ca. 60 % van de financieringsbehoefte voor natuurontwikkeling en -educatie is in het kader van het Beheer en Onwikkelingsplan (BOP) van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland dekking gevonden. Aan het resterende deel wordt geen uitvoering gegeven, tenzij daarvoor alsnog middelen worden gevonden. Op 14 mei 2014 is het Duinenfonds Zuid-Kennemerland ingesteld. Dit is een initiatief vanuit het 6. Deze visie (januari 2014) vanuit de westkant van de MRA beschrijft de positie van de regio’s IJmond, Zuid-Kennemerland en Haarlemmermeer binnen de metropoolregio en maakt inzichtelijk welke bijdrage zij individueel leveren aan de internationale concurrentiepositie van de gehele MRA.
| 77
bedrijfsleven om gezamenlijk fondsen te werven en op die manier een concrete bijdrage te leveren aan het scheppen van optimale condities voor het doorgeven van dit kwetsbare bio-cultureel erfgoed aan onze volgende generaties. Doel is om uiterlijk in 2018 jaarlijks minimaal € 200.000 ter beschikking hebben om een aantal grote en kleine projecten in het duingebied te kunnen financieren. 3.
Buitenplaatsen
Voor particuliere eigenaren is de instandhouding van de buitenplaatsen (met name het parkgedeelte) financieel vaak lastig. Een concrete aanpak, beginnend met een inventarisatie van de knelpunten, is wenselijk. Bij buitenplaatsen in eigendom en/of beheer bij een natuurbeheerorganisatie is de bottleneck doorgaans het in stand houden van het hoofdgebouw. Voor beide categorieën kan de mogelijkheden op een rendabele exploitatie worden vergroot door op voorhand geen gebruiksfuncties uit te sluiten. Hierbij blijft het echter cruciaal dat de ruimtelijk kwaliteit niet in het geding mag komen. Daarnaast is er zicht nodig op (langdurige) zekerstelling van het beheer van zowel gebouw als park, zeker bij het gescheiden beheer hiervan. Door heldere afspraken te maken over de wederzijdse verantwoordelijkheden van de betrokken beheerders kan de samenhang in het beheer van gebouw en park worden geborgd. Tenslotte kan worden onderzocht hoe positionering van buitenplaatsen in een MRA-perspectief nieuwe mogelijkheden biedt voor financiering. 4.
Netwerk open gebieden
De waarde van open gebieden begint bij de borging ervan in lokale en provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen. Hiermee worden ongewenste ontwikkelingen voorkomen. Het leidt echter niet automatisch tot gewenste ontwikkelingen. De volgende stap is een regionaal uitvoeringsprogramma opstellen voor alle open gebieden. Daarin worden de randen van de open gebieden nadrukkelijk betrokken, omdat deze sterk de kwaliteit van een open gebied bepalen. Per open gebied zullen vervolgens business cases moeten uitwijzen hoe openheid kan worden veiliggesteld, rekening houdend met zeggenschap van eigenaren, risicospreiding en ambities op het gebied van natuur, recreatie en water. Maatwerk per gebied moet evenwicht tonen tussen ruimtelijke kwaliteit en gebruikswaarden. Essentieel onderdeel van het uitvoeringsprogramma is het scherp krijgen van de wensen en behoeften van de zittende boeren en tuinders. Met het faciliteren van die ene schuur kan een zittende boer of tuinder wellicht voldoende toekomstperspectief worden geboden om het bedrijf voort te zetten en daarmee het behoud van de gewenste openheid te garanderen. Lukt dat niet, dan moet worden gezocht naar een passend financieringsconcept. Het aan elkaar koppelen van diverse financieringsbronnen is voor het behoud van de open gebieden essentieel.
Hierbij moet gedacht worden aan het provinciale budget voor de realisatie van nieuwe natuur (in het provinciale coalitieakkoord is afgesproken om 250 ha natuur per jaar binnen het NNN aan te schaffen, in te richten en te beheren), budget van Rijnland voor waterbeheermaatregelen en budget
78 |
voor recreatieve verbindingen. Onderzocht moet worden of ook (bovenregionale) subsidiefondsen hierin een rol kunnen spelen of dat het ruimte-voor-ruimteprincipe of het rood-voor-groenprincipe ingezet kan worden. Dit kan worden ondersteund door ruimtelijke instrumenten: bestemmingsplannen, ruimtelijke verordeningen, vestigen van voorkeursrechten of onteigening. Inzet van het ene instrument zal meer discussie opleveren dan inzet van het andere. Feit is dat niet langer kan worden volstaan met het zoeken naar lokale oplossingen, maar dat de meerwaarde van een (boven)regionale benadering moet worden benut. Dit sluit aan op afspraken in de visie MRA West6. 5.
Marketing en promotiestrategie