Bijlage 1 Omgevingsplan Strand
Tekst van het document
derhalve geen sprake van een toename in het aantal personen en groepsrisico. Het plangebied bevindt zich wel in het invloedsgebied, maar hier worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waardoor een toename in het aantal personen en daarmee het groepsrisico uitgesloten is. Er kan derhalve worden volstaan met een beknopte verantwoording, Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via verschillende wegen welke aansluiten op het verdere wegennetwerk van Zandvoort. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid De aanwezige ouderen en kinderen worden gezien als verminderd zelfredzaam.
Bij deze groep wordt ervan uitgegaan dat zij worden geholpen door een ouder/verzorger bij een incident. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.
Conclusie Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van buisleiding A-560. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Hiermee worden geen negatieve effecten verwacht vanuit het aspect externe veiligheid. 28
3.5
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde situatie worden verschillende ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Dit betreffen milieuhinderlijke functies waardoor getoetst moet worden aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.
In de omgeving van het plangebied zijn er voornamelijk bedrijven en woningen gelegen, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'. Bij strandbungalows is de te verwachtte milieuhinder laag. Volgens de VNG-brochure valt dit onder milieucategorie 1 en kunnen in gemengd gebied naast woningen gerealiseerd worden. De locaties voor het uitbreiden naar jaarrondlocaties betreffen Strandafgang Barnaart nummer 33 en 40. Dit betreffen horecagelegenheden in milieucategorie 1 welke een richtafstand van 0 meter hebben in gemengd gebied. Daarnaast bevinden de dichtstbijzijnde woningen zich op een afstand van minimaal 500 meter. Conclusie Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Er is sprake van een aanvaardbare woon- en leefklimaat. Tevens worden geen bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering.
3.6
Water
Toetsingskader Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
29
Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NWP) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) Verordening water Verordening ruimte 2014 Waterschapsbeleid Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De ambitie voor Rijnland is het samen werken aan droge voeten en schoon water. Dit wordt gedaan door zich te richten op de volgende zaken: waterveiligheid, voldoende water, schoon en gezond water en de waterketen. Wat betreft waterveiligheid gaan de doelen om preventie, gevolgbeperking en voorbereiding op calamiteiten. Om voor voldoende water te zorgen zorgt het Hoogheemraadschap er voor dat de waterpeilen kloppen, dat het watersysteem in stand gehouden wordt, de gevolgen van wateroverlast beperkt worden en dat er voldoende zoetwater beschikbaar is. Schoon en gezond water is belangrijk voor zowel de mens, natuur als bedrijven. De doelen die hiermee samenhangen richten zich op het verminderen van watervervuiling, het ecologisch beheren en onderhouden van de watersystemen, het realiseren van schone meren, plassen en natuurgebieden en het schoon en veilig maken van zwemwaterlocaties.
De ambitie voor de waterketen is het optimaliseren van de verwerking 30
van afvalwater en het hergebruiken van grondstoffen. Het Waterbeheerplan 2016-2021 van Rijnland is te vinden op de website: www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Per 10 juni 2016 is een nieuwe gewijzigde Keur in werking getreden. Bij het opstellen van deze Keur is een andere aanpak gebruikt. Er gelden minder regels voor burgers, bedrijven en Rijnland en het aantal vergunningen en meldingen is ongeveer gehalveerd. Zo geeft Rijnland verantwoordelijkheid, flexibiliteit en vertrouwen waar dat kan, maar stelt regels waar dat moet. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) om binnen het beheergebied waterveiligheid, droge voeten, voldoende oppervlaktewater en schoon oppervlaktewater te bieden. Het belangrijkste onderdeel van de keur is hoofdstuk 3.
In dit hoofdstuk heeft Rijnland vastgelegd op welke wijze handelingen die invloed hebben op het functioneren van het watersysteem worden gereguleerd. Het gaat hierbij om regulering via een zorgplicht, algemene regel, vergunningplicht of een absoluut verbod. Dit houdt in dat handelingen in het watersysteem in eerste instantie via de zorgplicht gereguleerd worden. Als er redenen zijn om handelingen zwaarder te reguleren, via een algemene regel of vergunningplicht, wordt dat uitgelegd in de regelgeving. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De Keur en Uitvoeringsregels van Rijnland zijn te vinden op de website: www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding.
Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
31
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Onderzoek Water en Waterstaat in het omgevingsplan In het omgevingsplan wordt het aanwezige water in het plangebied bestemd als 'Water'. Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming, deze zullen de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' toebedeeld gekregen. Tevens is in lid 14.1 van de planregels een regeling opgenomen waarmee het, met een omgevingsvergunning, mogelijk is om te bouwen buiten de aangegeven bouwvlakken indien dit noodzakelijk blijkt voor de positionering van de bouwwerken ten opzichte van de duinen ter bescherming van de waterstaatsbelangen. Waterkwantiteit toekomstige ontwikkelingen Hoogheemraadschap van Rijnland hanteert het uitgangspunt dat bij een toename van het verhard oppervlak met 500 m2 of meer de initiatiefnemer een oppervlakte ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak dient te reserveren voor extra open water als compensatie. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt hierbij is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem.
Met de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in dit plan, neemt de verharding niet meer toe dan 500 m2. Mocht dit wel het geval zijn, zullen compenserende maatregelen getroffen te worden. Conclusie Het voorliggende plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
3.7
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de 32
instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.
Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.
De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband 33
houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het omgevingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt grotendeels geen onderdeel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebied, weidevogelgebied, Natuurnetwerk Nederland en de daarmee samenhangende strategische reservering natuur of de karakteristieke landschapselementen. Het zuiden van het plangebied ligt deels binnen het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. In de regeling van dit plan heeft het deel van het plangebied dat binnen het Natura 2000-gebied ligt een natuurbestemming gekregen Er worden hier geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Binnen het plangebied worden enkele (beperkte) nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, zoals de mogelijkheden voor jaarrondstrandpaviljoens.
Om te voorkomen dat de ontwikkelingen niet leiden tot meer stikstofdepositie op het Natura-2000 dient bij het gebruik maken van die mogelijkheden een berekening worden uitgevoerd om depositie en daarmee effecten op het Natura 2000-gebied uit te sluiten. In de planregels is hiertoe een regeling opgenomen.
34
Figuur 3.2 Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied (bron: AERIUS Calculator)
Soortenbescherming Mocht er bij de ontwikkelingen sprake zijn van het slopen van gebouwen, dient een quickscan flora en fauna uitgevoerd te worden om uit te sluiten dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt. Conclusie Bij het mogelijk maken van de ontwikkelingen dient middels een stikstofberekening aangetoond te worden dat er geen sprake is van negatieve effecten op het Natura 2000-gebied. Tevens dient een quickscan uitgevoerd te worden om aan te tonen dat het plan uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming.
3.8
Cultuurhistorie
Toetsingskader Besluit ruimtelijke ordening Op 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. De wijziging houdt in dat bij het opstellen van een bestemmingsplan de gemeente in de toelichting het volgende aangeeft: `Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden'. Provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De provincie Noord-Holland hanteert het beleidsinstrument “Leidraad Landschap en Cultuurhistorie". Hierin heeft de provincie de cultuurhistorische waarden in beeld gebracht. De waardering zoals vastgelegd in de leidraad geldt als uitgangspunt van beleid.
Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische elementen aanwezig. Tevens bevindt het plangebied zich niet binnen een molenbiotoop of beschermd stads- of dorpsgezicht. De mogelijke ontwikkelingen in het plangebied geven dan ook geen onevenredige belemmering van cultuurhistorische waarden.
3.9
Archeologie
Toetsingskader Wet op de archeologische monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. 35
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe dat de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De provincie Noord-Holland hanteert het beleidsinstrument “Leidraad Landschap en Cultuurhistorie". Hierin heeft de provincie de archeologische waarden in beeld gebracht. De waardering zoals vastgelegd in de leidraad geldt als uitgangspunt van beleid. Onderzoek en conclusie Voor de gehele gemeente Zandvoort is in 2020 een archeologische beleidskaart opgesteld, zie Bijlage 3. In deze beleidskaart is de gemeente opgedeeld in diverse categorieën.
Binnen het plangebied zijn de volgende categorieën: Categorie 2; deze categorie bestaat uit de zones met een hoge verwachting op relicten uit de Tweede Wereldoorlog een bufferzone rond alle bekende relevante vindplaatsen, zoals waarnemingen, historische erven, buitenplaatsen en de voormalige renbaan. Categorie 3b; deze categorie bestaat uit de gebieden met een hoge verwachting, afgedekt met een (dik) pakket jonge duinen. Categorie 5; deze categorie bestaat uit gebieden met een lage verwachting, vrijgegeven terreinen en afgegraven gebieden. In dit onderzoek wordt geadviseerd om een dubbelbestemming opnemen voor de locaties met een archeologische categorie 2 en 3b. Deze categorieën heb in de planregels respectievelijk de bestemming 'Waarde - Categorie - 1' en 'Waarde - Categorie - 2'.
3.10
Verkeer
Huidige situatie Verkeersafwikkeling en bereikbaarheid Het plangebied wordt in het noorden ontsloten door de N200, plaatselijk bekend als de Boulevard Barnaart en de Zeeweg. Deze weg vormt de verbinding tussen het noordelijk deel van de kern Zandvoort en Haarlem. Tussen Zandvoort en Bloemendaal aan Zee is de weg langs de westelijke duinrand gelegen, parallel aan de kustlijn. Ter hoogte van Bloemendaal aan Zee buigt de N200 af in oostelijke richting om aan te sluiten op het stedelijk hoofdwegennet van Haarlem. Vanuit Haarlem geven diverse autosnelwegen het plangebied een verbinding met de regio's Amsterdam, Den Haag, Leiden en Alkmaar. Centraal in het gebied ligt in oost-westrichting de N201, lokaal bekend als de Zandvoortselaan, die een ontsluiting biedt richting de kernen Bentveld, Aerdenhout en Heemstede en eveneens richting Hoofddorp en Schiphol. 36
Zowel de N200 als de N201 hebben over het algemeen een gebiedsontsluitende inrichting en profilering met een bochtig karakter. Er zijn in het plangebied geen doorgaande ontsluitingswegen in noord-zuidrichting. Deze bevinden zich alleen ten oosten van het plangebied in en rond Haarlem. Gedurende een groot deel van het jaar bieden beide ontsluitingswegen voldoende capaciteit om een goede bereikbaarheid van Zandvoort te waarborgen. Knelpunten doen zich echter voor in het zomerseizoen als het strand en andere attracties waaronder het circuit grote bezoekersaantallen trekken. In de zomermaanden is daardoor op de N200 en N201 sprake van filevorming door (strand-)bezoekers. In het kader van de wegencategorisering heeft de N201 een gebiedsontsluitende functie binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50 km/h. De N200 is ingericht als gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom en heeft een maximumsnelheid van 60 km/h. Alle overige wegen in het plangebied zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen met een maximumsnelheid van 30 km/h. Ontsluiting openbaar vervoer Het noordelijk deel van het plangebied wordt diagonaal doorsneden door de spoorlijn tussen Zandvoort en Haarlem. Binnen het plangebied zijn geen stations aanwezig, wel in het centrum van Zandvoort en in de kern Overveen.
Van oost naar west lopen centraal door het plangebied twee buslijnen die een verbinding vormen tussen Zandvoort enerzijds en Haarlem en Amsterdam anderzijds. Daarmee ontsluiten zij het plangebied met de kernen Zandvoort, Bentveld, Heemstede, Halfweg, Haarlem en Amsterdam. De lijndienst in de richting Haarlem volgt een route via de N200. De verbinding met Amsterdam rijdt een route via de N201. Binnen het gebied wordt op meerdere plaatsen gehalteerd op deze weg. Beide verbindingen worden uitgevoerd door vervoermaatschappij Connexxion. In zowel Zandvoort, Haarlem als Heemstede kan worden overgestapt op de trein. Langzaam verkeer en parkeren In het plangebied zijn diverse recreatieve en utilitaire fietsvoorzieningen aanwezig. Langs de N201 (Zandvoortselaan) bevindt zich vanaf de grens van de bebouwde kom tot aan de gemeentegrens aan beide zijden een fietspad. Ook langs de N200 (Boulevard Barnaart) loopt een fietspad. Dit fietspad ligt in de noord-zuidrichting langs de wandelboulevard, enkele meters lager dan de weg. Daarnaast is ook een aantal solitaire fietspaden aanwezig, waaronder de verbinding tussen Zandvoort en Bloemendaal over de voormalige trambaan en het Visserspad, langs de zuidzijde van het spoor tussen Zandvoort en Haarlem.
In het duingebied zijn daarnaast vele kilometers recreatief fietspad aanwezig, waaronder de Landelijke Fietsroute (LF 1) die onderdeel uitmaakt van een 360 km lange fietsroute van Den Helder naar de Belgisch/Franse grens. Uiteraard kunnen deze recreatieve fietspaden ook worden gebruikt als wandelroutes. Het parkeren ten behoeve van de bezoekers van het duingebied vindt geconcentreerd plaats op grote parkeerterreinen. Deze bevinden zich deels buiten het plangebied aan de rand van de duinen en deels ten zuiden van de kern Zandvoort aan de Zandvoortselaan (N201) en in de "oksel" van de N200 ter hoogte van Bloemendaal aan Zee. Ondanks de grote capaciteit van deze parkeerterreinen is op drukke zomerdagen sprake van een overschrijding van de parkeercapaciteit. 37
Toekomstige ontwikkelingen Ontwikkelingen bestemmingsplan De beperkte ontwikkelingen die met dit omgevingsplan mogelijk worden gemaakt hebben geen invloed op de bereikbaarheid van het strand. Omgevingsvisie 2040 Een goede bereikbaarheid is en blijft cruciaal voor Zandvoort. Van oudsher heeft het autoverkeer van bezoekers en toeristen - vooral op piekdagen - een groot effect op de bereikbaarheid in Zandvoort. In de Omgevingsvisie Zandvoort 2040 zet de gemeente in op het aanvullen van de autobereikbaarheid met de mogelijkheden van 'smart mobility': slimme mogelijkheden van deelmobiliteit en schoon vervoer door technologische vernieuwingen van hoogwaardig openbaar vervoer (trein en HOV-bus) en de (elektrische) fiets kan Zandvoort duurzaam bereikbaar houden. Dit vraagt om een breder aanbod van mobiliteitsmogelijkheden met verbetering van de fietsinfrastructuur. Metropool Boulevard Paulus Loot De Boulevard Paulus Loot, die loopt vanaf het midden richting het zuiden van het plangebied, wordt opnieuw ingericht. Het nieuwe ontwerp draagt onder meer bij aan een verbetering van de verkeersveiligheid, een toevoeging van fietsparkeerplaatsen en een duidelijkere scheiding van de verschillende vervoersmodaliteiten. Een uitgebreide toelichting van het ontwerp bevindt zich in paragraaf 2.4. Conclusie Het aspect verkeer staat de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan niet in de weg.
Wel is er voortdurende aandacht voor de bereikbaarheid van Zandvoort en het strand.
3.11
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie De ontwikkelingen worden niet genoemd in het Besluit m.e.r. Daarnaast zijn deze kleinschalig van aard. Het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is derhalve niet noodzakelijk.
38
4. Toelichting op de regels 4.1
Hoofdopzet
De planregels zijn onderverdeeld in 6 hoofdstukken. Daarnaast zijn deze regels ruimtelijk ingekaderd op de verbeelding behorend bij dit plan. In hoofdstuk 1 van de regels komen de 'Inleidende regels' aan bod. Het betreft hier de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 staan de verschillende enkelbestemmingen van dit plan. Alle gronden in het gebied zijn voorzien van een bestemming. De bestemming geeft de functie(s) aan van de gronden. Bij de bestemming horen regels. Het gaat hier bijvoorbeeld om regels voor het bouwen, aanleggen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De regeling van deze bestemmingen zijn voornamelijk een continuering van de bestaande rechten die uit de vigerende bestemmingsplannen zijn overgenomen. Daarnaast zijn er enkele aanvullende voorwaarden en/of mogelijkheden opgenomen in de bestemmingsregels. In hoofdstuk 3 staan aanvullende regels die gelden voor (delen van) het strand. Dit zijn regels voor de fysieke leefomgeving die los van de enkelbestemmingen op een of meerdere delen van het strand gelden. Hoofdstuk 4 bevat aanvullende regels voor het gehele plangebied. Dit zijn regels voor de fysieke leefomgeving die los van de enkelbestemmingen op meerdere delen van het plangebied gelden. Hoofdstuk 5 bevat algemene regels.
Dit zijn verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn op alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In hoofdstuk 6 zijn tot slot de overgangs- en slotregels opgenomen.
4.2
Artikelsgewijze toelichting
4.2.1 Toelichting hoofdstuk 1 - Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel is omschreven wat in onderhavig plan onder een aantal van de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Ten opzichte van het vorige bestemmingsplan Strand en Duin zijn een aantal nieuwe begrippen toegevoegd en gewijzigd. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
39
4.2.2 Toelichting hoofdstuk 2 - Regels voor gebruik, bouwen en aanleggen 4.2.2.1 Overige voorzieningen Artikel 3 Maatschappelijk Gebouwen met een maatschappelijke functie zoals een EHBO-post, huisartsenpost, openbare toiletvoorzieningen, musea en dergelijke vallen onder de bestemming 'Maatschappelijk'. Deze bestemming geldt specifiek voor het gebouw 'De Rotonde' aan het Badhuisplein. 4.2.2.2 Natuur Artikel 4 Natuur - Strandreservaat Tussen Noordwijk en Zandvoort (tussen strandpaal 73 en 70) bevindt zich het strandreservaat 'Noordvoort'. Dit is een drie kilometer lang strand waar de natuur voorrang krijgt; een rustplaats voor vogels en een plek waar zeehonden aan land kunnen komen. Met deze bestemming wordt vastgelegd dat het herstel en behoud van de natuurwaarden voorop staat en hier geen recreatieve activiteiten mogen plaatsvinden en ook geen recreatieve bebouwing is toegestaan. Artikel 5 Natuur - Zeereep Aan de duinen is de bestemming Natuur-Zeereep toegekend. De duinen zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden alsmede voor zeewering omdat het duingebied de beschermingszone van de waterkering is zoals nader aangeduid op de legger van de primaire waterkering van het waterschap. Daar waar sprake is van de kernzone, is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen.
Gebouwen zijn in de bestemming uitsluitend toegestaan binnen op de verbeelding aangeduide bouwvlakken. Gebouwen binnen deze bestemming zijn uitsluitend de twee bestaande reddingsposten. In de zeereep zijn diverse bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, zoals vlaggenmasten en reclame-uitingen. Voor reclame-uitingen is een flexibele regeling opgenomen, waarin reclame-uitingen die afwijken van de voorgeschreven bouwregels voorgelegd kunnen worden aan het Kwaliteitsteam Kust. Bij een positief advies van het Kwaliteitsteam Kust kan er medewerking worden verleend. Gelet op de kwetsbaarheid van het gebied geldt dat een aanlegvergunning noodzakelijk is voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, zoals het egaliseren van gronden of het aanbrengen van (oppervlakte)verharding. 4.2.2.3 Recreatie Het strand is opgedeeld in verschillende recreatiebestemmingen. Waar er in het vorige bestemmingsplan 'Strand en Duin' het gehele strand bestemd is als één recreatiebestemming, is er in dit plan onderscheid gemaakt in de verschillende aanwezige functies op het strand. Hierdoor is het eenvoudiger om de regels behorend bij één functie op te zoeken (bijvoorbeeld regels voor strandpaviljoens). Artikel 6 Recreatie - Strand 40
Deze bestemming geldt voor het deel van het strand waar geen gebouwen zijn toegestaan. Dit is het strand tussen de zee en de strandpercelen. Deze bestemming is gericht op zeewering en extensieve dagrecreatie. Venten Aanvullend geldt dat binnen deze bestemming venten is toegestaan. Artikel 7 Recreatie – Strandpaviljoens Deze bestemming geldt voor de strandpaviljoens verdeeld over het strand, zeewering en extensieve dagrecreatie. Buiten de activiteiten van de strandpaviljoens om, zijn geen overige commerciële activiteiten op dit deel van het strand toegestaan. In dit artikel zijn tevens de bouwregels opgenomen voor de strandpaviljoens. Strandpaviljoens mogen alleen worden opgericht binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak en moeten voldoen aan de maximum bebouwde oppervlakte (inclusief overkappingen) van 700 m² en de voorgeschreven goot- en bouwhoogte. Voor jaarrondpaviljoens geldt als aanvulling dat 75 m² aan bebouwde oppervlakte is toegestaan ten behoeve van een openbaar toegankelijke publieke voorziening (zoals een toilet). Strandbungalows Tevens zijn binnen deze bestemming strandbungalows toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'strandbungalows', mits voldaan wordt aan het gemeentelijke beleid voor strandbungalows (beleidsregel 'Toetsingscriteria strandbungalows'). In de regels wordt een verwijzing gemaakt naar dit beleid.
In het geval in de toekomst het beleid voor de strandbungalows wijzigt, dan geldt dat nieuwe aanvragen aan het gewijzigde beleid moet worden voldaan. Het voorgaande heeft geen invloed op reeds vergunde situaties. Evenementen In dit artikel wordt vastgelegd dat evenementen op het strand zijn toegestaan, naast het vrije strand en de boulevard. Ondernemers dienen er rekening mee te houden dat er een vergunningplicht geldt voor evenementen op grond van de APV en voldaan moet worden aan het geldende evenementenbeleid. Duurzaamheid Voor de strandpaviljoens is een regeling opgenomen waarin duurzaamheidseisen zijn voorgeschreven. Deze regeling geldt voor nieuw op te richten strandpaviljoens. Welstand Voor de strandpaviljoens gelden regels over het uiterlijk van de bouwwerken (de zogeheten welstandcriteria). Deze welstandscriteria zijn opgenomen in de regels van deze bestemming, middels een verwijzing naar de beleidsregels. Artikel 8 Recreatie - Strandhuisjes Binnen deze bestemming zijn in totaal 675 strandhuisjes toegestaan. Verder geldt deze bestemming voor zeewering en extensieve dagrecreatie. De strandhuisjes dienen verdeeld te 41
worden over de bouwclusters die zijn aangeduid op de verbeelding. Voor de strandhuisjes is een beperkte omvang toegestaan. Daarnaast zijn vier verenigingsgebouwen toegestaan. Voor de strandhuisjes gelden diverse welstandcriteria. Deze zijn opgenomen in de regels van deze bestemming, middels een verwijzing naar de beleidsregels.. Artikel 9 Recreatie - Watersportcentrum Binnen deze bestemming is onder specifieke bouwvoorschriften een seizoensgebonden watersportcentrum toegestaan. Deze bestemming geldt op één locatie binnen het plangebied. Verder geldt deze bestemming voor zeewering en extensieve dagrecreatie. Op deze locatie is naast een watersportcentrum ook aan de functie ondergeschikte horeca in de vorm van het verstrekken van etenswaren en dranken gedurende het zomerseizoen toegestaan tot een maximum brutovloeroppervlak. Welstand Voor het watersportcentrum gelden diverse welstandcriteria. Deze zijn opgenomen in de regels van deze bestemming, middels een verwijzing naar de beleidsregels. Artikel 10 Recreatie - Watersportvereniging Binnen deze bestemming is onder specifieke bouwvoorschriften een jaarrond watersportvereniging toegestaan. Deze bestemming geldt op één locatie binnen het plangebied. Verder geldt deze bestemming voor zeewering en extensieve dagrecreatie.
In afwijking van de strandpaviljoens en het watersportcentrum, geldt dat binnen deze bestemming een hoofdgebouw in twee bouwlagen is toegestaan van maximaal 700 m² (inclusief overkappingen). Aanvullend is een bijgebouw - bestaande uit één bouwlaag - van maximaal 100 m² toegestaan (reeds vergund en gerealiseerd). Op deze locatie is naast een watersportcentrum ook aan de functie ondergeschikte horeca in de vorm van het verstrekken van etenswaren en dranken jaarrond toegestaan. Welstand Voor de watersportvereniging gelden diverse welstandcriteria. Deze zijn opgenomen in de regels van deze bestemming, middels een verwijzing naar de beleidsregels. 4.2.2.4 Verkeer Artikel 11 Verkeer De verkeersruimten in het noordelijke deel van het plangebied die voor gemotoriseerd verkeer toegankelijk zijn en onderdeel uitmaken van het openbaar gebied zijn bestemd als 'Verkeer'. Tevens is aan de Metropool Boulevard Paulus Loot deze bestemming toegekend. Binnen deze bestemming wordt eveneens ruimte geboden voor parkeergelegenheden. Voor zover het openbaar gebied geen onderdeel uitmaakt van het structureel groen, zijn de openbare ruimte en de groenvoorzieningen opgenomen binnen deze bestemming.
42
Standplaatsen Op diverse plekken op de boulevard en in de bestemming 'Verkeer' staan diverse standplaatsen. Voor het innemen of hebben van een standplaats geldt op basis van de APV van Zandvoort een vergunningplicht. In het omgevingsplan wordt het gebruik van de boulevard ten behoeve van standplaatsen planologisch toegestaan. Artikel 12 Verkeer - Verblijfsgebied De verkeersruimten op de Boulevard de Favauge zijn bestemd als verblijfsgebied. Deze bestemming komt grotendeels overeen met de bestemming Verkeer. Binnen deze bestemming zijn geen onoverdekte parkeervoorzieningen toegestaan. Dit betekent dat bijvoorbeeld een Badhuisplein niet mag worden ingericht als een parkeerterrein. Standplaatsen Op diverse plekken op de boulevard en in de bestemming 'Verkeer' staan diverse standplaatsen. Voor het innemen of hebben van een standplaats geldt op basis van de APV van Zandvoort een vergunningplicht. In het omgevingsplan wordt het gebruik van de boulevard ten behoeve van standplaatsen planologisch toegestaan. 4.2.2.5 Water Artikel 13 Water Het gedeelte van de Noordzee dat behoort tot het gemeentelijk grondgebied is bestemd voor Water. Omdat er sprake is van eb en vloed is het gebruik als strand, zoals omschreven binnen de recreatiebestemming, eveneens toegestaan. Overigens geldt dit andersom ook.
Binnen de bestemming Water zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen, toegestaan met een bouwhoogte van 3 meter. Voor het bouwen en plaatsen van een bouwwerk binnen de dubbelbestemming is een watervergunning vereist op grond van de Waterwet. Een watervergunning dient te worden aangevraagd bij Rijkswaterstaat of voor jaarrond bouwwerken bij het waterschap het Hoogheemraadschap van Rijnland. 4.2.3 Toelichting hoofdstuk 3 - Aanvullende regels voor het strand Artikel 14 Algemene regels voor de fysieke leefomgeving van het strand In dit artikel zijn regels opgenomen voor activiteiten op het strand die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en thans grotendeels geregeld zijn in de APV van Zandvoort. Het betreft o.a. de volgende activiteiten: vrijhouden strandafgangen watersport naaktstrand verplaatsen bouwvlakken maken, veranderen van een uitweg
43
4.2.4 Toelichting hoofdstuk 4 - Aanvullende regels voor het plangebied Artikel 15 Algemene regels voor de fysieke leefomgeving voor het plangebied In dit artikel zijn regels opgenomen voor activiteiten binnen het gehele plangebied die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Onderdeel hiervan is een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat naast de overheid de ondernemers en bewoners een verantwoordelijkheid hebben voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet voor als er geen specifieke regels zijn op een onderwerp, die wel invloed heeft op de fysieke leefomgeving. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het schoon houden c.q. vrijhouden van zwerfafval van de gehuurde strandpercelen en de omgeving. Artikel 16 Geluidzone - circuit De gronden die gelegen zijn in de Geluidszone-circuit zijn mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het Circuit Zandvoort op geluidsgevoelige objecten. Geluidsgevoelige objecten mogen hier slechts worden gebouwd of uitgebreid indien de geluidsbelasting vanwege het Circuit Zandvoort op de gevels van deze gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde. Artikel 17 Waarde - Archeologie - 1 Delen van het plangebied zijn in verband met de mogelijke waarden op het vlak van archeologie extra beschermd.
De regeling is dusdanig dat, wanneer meer dan 50 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt bewerkt een archeologisch onderzoek nodig is. Artikel 18 Waarde - Archeologie - 2 Andere delen van het plangebied zijn in verband met de mogelijke waarden op het vlak van archeologie extra beschermd. De regeling is dusdanig dat, wanneer meer dan 250 m² en dieper dan 6,0 m + NAP wordt bewerkt een archeologisch onderzoek nodig is. Artikel 19 Waterstaat - Waterkering Door middel van deze dubbelbestemming is de waterkering op de ruimtelijke verbeelding van het plan geregeld. Hiermee is voor een ieder duidelijk dat hier extra beschermende maatregelen van toepassing zijn en dat voor bepaalde werkzaamheden tevens een vergunning van Hoogheemraadschap van Rijnland nodig is. 4.2.5 Toelichting hoofdstuk 5 - Algemene regels Artikel 20 Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Artikel 21 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. 44
Artikel 22 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is aangegeven welke vormen van gebruik in elk geval vallen onder de algemene verbodsbepaling op 'strijdig gebruik'. Artikel 23 Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte. Deze afwijkingsregels zijn niet van toepassing op de artikelen met betrekking tot de bebouwing op het strand en in de zeereep (artikel 7 tot en met 11 van de planregels). Artikel 24 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen met betrekking tot de situering en/of begrenzing van bouwpercelen, dan wel bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en bouwvlakken en/of aanduidingen. Artikel 25 Algemene procedureregels Dit artikel regelt de procedure die burgemeester en wethouders dienen te volgen indien toepassing wordt gegeven aan de in dit plan opgenomen afwijkings-, nadere eisen- of wijzigingsregels.
Artikel 26 Overige regels In dit artikel is een algemene bepaling opgenomen met betrekking tot parkeren. 4.2.6 Toelichting hoofdstuk 6 - Overgangs- en slotregels Artikel 27 Overgangsrecht In deze bepaling wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Dit is een standaardregel die op grond van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Artikel 28 Slotregel In de slotregel is de officiële naam van het bestemmingsplan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
45
5. Participatie 5.1
Participatie onder de Omgevingswet
Eén van de kernpunten van de Omgevingswet is vroegtijdig samenwerken met de omgeving: bewoners, bedrijven, belangenorganisaties en overheden, oftewel participatie. Participatie is meer dan de formele momenten waarop burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties zienswijzen kunnen indienen. Het gaat juist om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat de formele besluitvorming van start gaat. Op welke manier participatie moet gebeuren is afhankelijk van de specifieke kenmerken van het project, de omgeving en de belanghebbenden. In de Omgevingswet wordt daarom vastgelegd dat het gebeurt, maar niet hoe het moet gebeuren. Met participatie wordt de kwaliteit van oplossingen vergroot. Het zorgt voor draagvlak, want verschillende perspectieven, kennis en creativiteit komen direct op tafel. Het verrijkt omgevingsplannen en projecten en leidt uiteindelijk tot snellere besluitvorming.
5.2
Kernteam Strand
Op en rondom het strand vinden vele activiteiten plaats en eenieder ervaart dat op zijn eigen manier. Strandpachters die jaarlijks hun strandpaviljoen op- en afbouwen, strandventers die heen en weer rijden en bezoekers bedienen, kite- en windsurfers die de Noordzee trotseren en de bewoners aan de boulevard zijn slechts een greep uit de grote groep van stakeholders die betrokken zijn bij het strand. “Een belanghebbende of stakeholder is iemand die invloed ondervindt (positief of negatief) of zelf invloed kan uitoefenen op een overheidsbesluit. Denk bijvoorbeeld aan bewoners-(verenigingen), ondernemers-(verenigingen) en belangenorganisaties.” Om de samenwerking gedurende het proces te borgen en te optimaliseren is een kernteam Strand ingesteld. Dit kernteam heeft een grote diversiteit en bestaat uit vertegenwoordigers van bewoners, ondernemers en belangenorganisaties. Voorliggend omgevingsplan is zoveel als mogelijk in overleg met het kernteam Strand opgesteld. Gezamenlijk vormen onderstaande partijen de stakeholders voor het omgevingsplan Strand en het kernteam Strand:
Vereniging van strandpachters Zandvoort Op het strand van Zandvoort staan 38 strandpaviljoens. Het merendeel van de strandpachters is lid van de strandpachtersvereniging. Bewonersplatform Leefbare Kust (BLK) De bewoners aan de boulevard en met name op het zuidelijk deel van de boulevard zijn verenigd in een bewonersplatform. Kampeerverenigingen Amsterdam, Helios, Voorwaarts en Strandgenoegen Op het noordelijke deel van het strand staan strandhuisjes. Deze strandhuisjes worden beheerd door vier kampeerverenigingen. 46
5.3
Vereniging van standplaatshouders Deze verenging bestaat uit de standplaatshouders die op de boulevard staan. Verenigingen van eigenaren (vve's) Aan de boulevard staan meerdere appartementengebouwen met uitzicht op het strand en de zee. Elk appartement heeft zijn eigen Vve. Zandvoortse Reddingsbrigade (ZRB) De reddingsbrigade verzorgt onder andere de bewaking van strand- en badgasten. In Zandvoort zijn er twee reddingsposten (Ernst Brokmeijer 'Zuid' en Piet Oud 'Noord'). Omgevingsdienst IJmond De omgevingsdienst voert diverse taken uit voor Zandvoort en denkt mee over duurzaamheid op het strand. Ondernemers Belangen Zandvoort (OBZ) Ondernemers Belangen Zandvoort is het overkoepelende orgaan van alle ondernemersverenigingen in Zandvoort, die ondernemers uit Zandvoort vertegenwoordigt. Koninklijke Horeca Nederland (KHN) Koninklijke Horeca Nederland is een branchevereniging voor de horeca en vertegenwoordigt ruim 20.000 horecaondernemers. Binnen de KHN is er ook een afdeling Zandvoort.
Samenwerken aan het omgevingsplan Strand
Voor het opstellen van het omgevingsplan voor het strand zijn bewoners, bedrijven en belangenorganisaties betrokken nog voordat er überhaupt iets op papier stond. Vanuit een open houding en benadering is de gemeente in gesprek gegaan met eenieder die wilde meepraten over het strand met als streven om in co-creatie de uitgangspunten voor dit omgevingsplan te bepalen. Door te kiezen voor een andere aanpak dan gebruikelijk is bij bestemmingsplannen ontstaat er al in een vroegtijdig stadium draagvlak en komen eventuele knelpunten al in een vroeg stadium aan het licht.
5.4
Participatiebijeenkomst in mei 2018
De ambities en uitgangspunten voor het strand van Zandvoort zoals geformuleerd in hoofdstuk 2 zijn grotendeels tot stand gekomen door input van bewoners, ondernemers en belangenorganisaties tijdens de participatiebijeenkomst over het omgevingsplan op 17 mei 2018 in de Blauwe Tram van het Louis Davidscarré. Tijdens de bijeenkomst zijn de bewoners en ondernemers met elkaar in gesprek gegaan over wat er goed gaat op het strand en wat voor verbetering vatbaar is. Daarnaast hebben zij een lijst opgesteld met initiatieven/ideeën die een meerwaarde kunnen zijn voor het strand. Deze lijst is verder opgepakt en besproken in het kernteam Strand en vervolgens uitgewerkt in voorliggend omgevingsplan.
47
Figuur 5.1 artikel over het omgevingsplan Strand (bron: Haarlems Dagblad)
48
6. Uitvoerbaarheid 6.1
Financiële uitvoerbaarheid
In de Wro is de verplichting opgenomen om bij het realiseren van nieuwe ontwikkelingen een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. Dit vindt plaats door het opstellen van een exploitatieplan, waarin deze verdeelsleutel vastligt. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk als de overheid en de ontwikkelende partij, de initiatiefnemer, voorafgaand privaatrechtelijk tot overeenstemming komen in de vorm van een anterieure overeenkomst. De Wro stelt eisen aan het exploitatieplan en in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld voor welke type bouwplannen een exploitatieplan noodzakelijk is, indien het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd. Het gaat om nieuwbouwplannen (woningen of andere hoofdgebouwen), forse uitbreidingen van bestaande gebouwen of kassen (met ten minste 1.000 m²) of forse verbouwingen, bijvoorbeeld als bedrijfsruimten worden omgezet in (ten minste 10) woningen. Dit omgevingsplan maakt geen van dit soort bouwplannen, zoals in het Bro benoemd, mogelijk.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg Volgens artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het concept ontwerpomgevingsplan toegezonden aan een aantal overlegpartijen. Ontwerp Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft gedurende een periode van 6 weken ter inzage liggen. Gedurende deze periode was het voor eenieder mogelijk om mondeling of schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. Het resultaat is een afzonderlijk document bij het raadsbesluit weergegeven.
6.3
Handhaving
Met dit omgevingsplan wordt beoogd om voor eenieder duidelijk en herkenbaar beleid voor de fysieke leefomgeving te formuleren voor het strand van Zandvoort. Het omgevingsplan is zodanig opgezet dat het ruimte biedt voor ontwikkelingen binnen de randvoorwaarden die volgen uit 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. Het omgevingsplan biedt daarmee meer flexibiliteit en ruimte dan het traditionele bestemmingsplan. 49
Bij het opstarten van een handhavingstraject zal altijd nog een controle plaatsvinden of in het concrete geval toch een legalisatie van de activiteit mogelijk is, maar de verwachting is dat dit in de meeste gevallen niet aan de orde zal zijn. Dit betekent dat in de meeste gevallen sprake is van de beginselplicht tot handhaving. Het uitgangspunt is dat er handhavend wordt opgetreden wanneer de regels van het omgevingsplan niet worden nageleefd. Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen of ongewenste activiteiten in de fysieke leefomgeving plaatsvinden die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit van het strand. Het omgevingsplan in combinatie met een goede handhaving van de vastgestelde regels beschermen de kwaliteiten van het strand en geven beter sturing aan ontwikkelingen.
50
Bijlagen bij toelichting
51
Bijlage 1 Toepassing Chw De wettelijke grondslag voor het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is gelegen in artikel 2.4 Chw jo. artikel 7c, lid 17, sub ttttt, van het Besluit uitvoering Chw. In onderstaande tabel is aangegeven van welke wettelijke bepalingen met het voorliggende plan worden afgeweken: Besluit uitvoering Chw Artikel 7c, lid 1
Artikel 7c, lid 2
Artikel 7c, lid 3
Artikel 7c, lid 4
Artikel 7c, lid 5
Wettelijke bepaling Omgevingsplan Strand In aanvulling op artikel 3.1, lid Hiervan wordt in het plan 1, Wro kunnen regels gesteld gebruik gemaakt door worden voor: bijvoorbeeld in het plan regels op te nemen gericht op de het bereiken en in stand fysieke leefomgeving. houden van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. In afwijking van artikel 3.1, lid Hiervan wordt gebruik gemaakt; 2, Wro is sprake van een de planhorizon is 20 jaar. plantermijn van 20 jaar. In afwijking van artikel 3.2 Wro Hiervan wordt geen gebruik geldt voor een voorlopige gemaakt; in het plan zijn geen bestemming een termijn van voorlopige bestemmingen ten hoogste 10 jaar. opgenomen. Het bestemmingsplan kan Hiervan wordt in het plan door het gemeentebestuur gebruik gemaakt. In het plan zijn gestelde regels als bedoeld in verschillende regels voor de artikel 108 van de Gemeentewet fysieke leefomgeving bevatten die geheel of opgenomen die eerder in de APV gedeeltelijk betrekking hebben stonden. op de fysieke leefomgeving.
De regels van het Hiervan is in het plan gebruik bestemmingsplan kunnen een gemaakt onder andere ten verbod inhouden om zonder behoeve van pop-up activiteiten voorafgaande melding een op het strand (artikel 15 van de activiteit te verrichten. planregels) 52
Artikel 7c, leden 6 en 7
Artikel 7c, lid 8
Artikel 7c, lid 9
In een bestemmingsplan kunnen tevens regels worden gesteld waarvan de uitleg van een bij die regels aan te geven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Als de regels, bedoeld in het lid 6, betrekking hebben op het uiterlijk van bouwwerken en bij de toepassing een interpretatie behoeven, stelt de raad hiervoor de criteria vast. Deze criteria zijn zoveel mogelijk toegesneden op de onderscheiden bouwwerken. In afwijking van artikel 12b van de Woningwet wordt het advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester slechts op die criteria gebaseerd. In dit lid is een specifieke regeling opgenomen ten aanzien van planschade bij het wegbestemmen van onbenutte bouw- en gebruiksmogelijkheden. Bij de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van het plan kan worden afgeweken van bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder.
In de plan zijn verwijzingen opgenomen naar beleidsregels opgenomen, onder andere naar Parkeernormennota 2021 gemeente Zandvoort.
Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De vormgeving van het plan wijkt af van een regulier bestemmingsplan. Het plan is opgesteld op basis van IMRO2012 en SVBP. In het plan is wel om invulling te geven aan een afwijkende wijze gebruik gemaakt van enkelbestemmingen en gebiedsaanduidingen en wijkt de opbouw van de regels af. Voorts wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om af te wijken van het Bro door onderzoek te faseren door het stellen van randvoorwaarden bij de ontwikkelingsmogelijkheden die in het plan wordt geboden. 53
Artikel 7c, leden 10 en 11
Artikel 7c, lid 12
Artikel 7c, lid 13
Artikel 7c, lid 14
In afwijking van artikel 6.12, lid 1 en 3, van de Wro kan de raad bij vaststelling besluiten dat een exploitatieplan wordt vastgesteld bij een omgevingsvergunning voor het bouwen. Op het bestemmingsplan is artikel 8.42b van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, zodat in het bestemmingsplan gebiedsgerichte maatwerkvoorschriften kunnen worden opgenomen. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan kan de raad de bevoegdheid tot het wijzigen van onderdelen van het bestemmingsplan delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. In aanvulling op artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij het bestemmingsplan worden bepaald dat het met het oog op de regels bedoeld in het eerste lid verboden is zonder omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gronden of bouwwerken te gebruiken. De vergunning wordt verleend als wordt voldaan aan de daartoe in het bestemmingsplan gestelde voorwaarden.
Hier is geen gebruik van gemaakt.
Hier is geen gebruik van gemaakt.
Hier wordt geen gebruik van gemaakt.
In het plan wordt hiervan geen gebruik gemaakt.
54
Artikel 7c, lid 15
Artikel 7c, lid 16
Artikel 7c, lid 17
Artikel 7c, lid 18
Na vaststelling van de plannen In afwijking van artikel 2.8, zal bij de bedoelde eerste lid, van de Wet vergunningaanvragen op deze algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel wijze worden gehandeld. 3.2, aanhef en onderdeel b, van de Regeling omgevingsrecht verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, gegevens en bescheiden over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de fysieke leefomgeving. In afwijking van artikel 2.12, lid Na vaststelling van de plannen 1, van de Wabo kan een zal bij de bedoelde omgevingsvergunning die vergunningaanvragen op deze betrekking heeft op een wijze worden gehandeld. activiteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo worden verleend als deze niet in strijd is met de verbrede reikwijdte van deze regels. Hiertoe dienen door de aanvrager gegevens en bescheiden te worden overgelegd waaruit blijkt wat de gevolgen zijn voor de fysieke leefomgeving. Overzicht van de plangebieden Zandvoort heeft de pilot-status in Nederland waarvoor de voor het plangebied Strand pilot-status is verleend. (artikel 7c en 7w) Bevat de termijn waarbinnen Het plan Strand wordt het plan onder de pilot-status overeenkomstig de pilot-status kan worden vastgesteld.