Bijlage 1.4 - Ruimtelijke onderbouwing (geanonimiseerd)
Tekst van het document
kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) [eidingen dienen als zodanig te worden besternd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen.
Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina | 27
Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang.
Binnen het
toepassingsbereik van het Bevb vallen: e _ buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 KPa of meer.
e
buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm
of meer en een druk van
1.600 kPa of meer.
buisleidingen voor vergiftige stoffen. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van
50 mm
of meeren een druk van
1.600 kPa of meer.
Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen
Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld
over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt. Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn.' Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk.
4.8.2
Relatie tot ontwikkeling
Zoals op de onderstaande figuur te zien is, bevindt het plangebied zich niet in de nabije omgeving van hoogspanningslijnen
* ADVRS,
1 februari 2017, ECL:NL:RVS:2017:238
Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina | 28
Figuur 10. Uitsnede kaart Hoogspanningsnet, plangebied rood omoirkeld.
48.3
Conclusie
Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
49
LUCHTKWALITEIT
4.9.1
Algemeen
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de Iuchtkwaiteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM) In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een ljst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaiteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate is 3% van de grenswaarde voor NO: en PM:o. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m: (g/m?). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project ‘n betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is n de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:
e
woningbouw: 1.500 woningen netto bij é&n ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;
e
kantoorlocaties: 100.000 m? brutovloeropperviak bij &&n ontsluitende weg en 200.000 m? brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen
4,9.2
Relatie tot ontwikkeling
In onderhavig geval s sprake van de realisatie van vijf woningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt
Mees Ruimte & Miieu | 21045.01.RO
Pagina
|29
Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.12) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet n betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk Figuur 1. NIBM-rekentool (geraadpleegd op 1 april 2021).
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer|
Maximale bijdrage extra verkeer
NO; in pg/m’)
0,02|
PMo in ug/m?
0,01
|Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in ug/m?
|
12|
Conclusi
In aanvuling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed
woon-
en leefklimaat
n het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke |ocatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de
projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 ug/m?voor stikstofdioxide NO>, 40 ug/m? voor fijnstof PMo en 25 g/m? voor fijnstof PM2s. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 29 maart 2021). Tabel2.
Jaarlijkse acl
PM 2,5 ter
plaatse van de
2020
13,6
17,2
94
2030 Grenswaarden
96 40
15,6 40
79 25
projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl).
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde
ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten
49.3
is
Conclusie
Het aspect uchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina | 30
4.10
NATUUR
4.10.1
Algemeen
Sinds 1 januari 2017 is 6én wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.
Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De
soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort.
Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuumetwerk
Nederland
)dreesiminoHet naeg(Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
4.10.2
Relatie tot ontwikkeling
Ten behoeve van de ontwikkeling is door (geanonimiseerd) e"
auickscan uitgevoerd naar de effecten
op beschermde soorten en een stikstofdepositieberekening naar de effecten op gebieden. De rapportages van respectievelijk 26 maart 2021 en 24 maart 2021 zijn bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven Soortenbescherming Uit de quickscan ecologie komen de volgende conclusies en aanbevelingen naar voren:
e
e
Hetonderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren kunnen alleen 'vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde' soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.
Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina | 31
* _ Inhet plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. * Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep. Gebiedsbescherming Het plangebied is op circa 675 meter van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid gelegen. Ook bevindt het plangebied zich in de nabije omgeving van het NNN. Echter is het plangebied niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied of NNN-gebied. Figuur 12. Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden, plangebied rood ometrkeld (bron:| (geanonimiseerd)
Figuur 13. Uitsnede kaart NNN, plangebied rood omeirkeld (bron: (geanonimiseerd)
7
Tevens is het plangebied niet gelegen binnen een nationaal park, nationaal landschap, stilte gebied, wetlandgebied of gebied met aardkundige waarden.
(geanonimiseerd) cen stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn Door s onderstaand opgenomen. Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fases te onderscheiden, de aanlegfase (sloop & bouw) en de gebruiksfase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de aanlegfase inclusief aantrekking verkeer e.d.). De hoogste bijdrage van onderhavig project betreft de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van mobiele werktuigen. Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten.
Mees Ruimte & Milieu | 21045.01.RO
Pagina |32
De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,03 mol/ha’jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een vergunningplichtig percentage van de kriische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen. Er is mogelijk sprake van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstelingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden
kunnen
komen.
In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden De projectbijdrage van de aanleg (zonder saldering) is 0,03 mol/hajaar gedurende (maximaal) 2 jaar en de projectbijdrage van het gebruik is 0,00 mol/ha/jaar. Hiermee komt het project in aanmerking voor een positieve afwijzing voor de aanvraag van een Wnb vergunning. Bij een kleine tijdelijke depositie kunnen negatieve gevolgen op stikstofgevoelige habitats op voorhand kunnen worden uitgesloten. Daarnaast is er mailcorrespondentie geweest met de Omgevingsdienst IJmond over de conclusies van de stikstofdepositieberekening. Voor woningbouw is er een uitzondering vanuit de 'Lijn 1" regeling, wanneer gekozen wordt om emissiearm te bouwen. Volgens deze regeling is er ruimte voor kleine tijdelijke stikstofdeposities tijdens de bouwfase van maximaal 0,05 mol/ha/jaar. Wel moet het project aan de volgende punten voldoen:
3) b) c) d)
Eris gén sprake van stikstofdepositie in de gebruiksfase. Uit de AERIUS-berekening blijkt een stikstofdepositie in de aanlegfase van 0,05 mol/ha/jaar (projectspecifiek max. 0,05 toegestaan) De projectduur voor de aanlegfase geschat op 1 jaar (max. 2 jaar toegestaan. In een Ecologische Voortoets zijn significant negatieve effecten uitgesloten
Uit de stikstofdepositieberekening is gebleken dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt tijdens de gebruiksfase. De stikstofdepositie in de aanlegfase bedraagt 0,03 mol/ha/jaar en is daarmee minder dan 0,05 mol/ha/jaar. Aan de projectduur zoals beschreven onder sub ‘c' wordt voldaan. Uit de quickscan ecologie is gebleken dat er enkel vrijgestelde soorten aanwezig zijn binnen het plangebied en broedvogels met nietjaarrond beschermde nesten. 4.10.3
Conclusie
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie
41
VERKEER
4.11.1
EN
PARKEREN
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbijis de
parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onvellige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
4.11.2
Relatie tot ontwikkeling
Parkeren
Auto
De gemeente Zandvoort heeft op 9 oktober 2012 de “Parkeernormennota 2012" vastgesteld. In de Parkeernormennota is het beleid vastgelegd ten aanzien van de parkeerplaatsen die gerealiseerd moeten worden bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente. Dit beleid dient als toetsingskader voor ruimtelijke Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina
|33
ontwikkelingen.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek deelt de gemeente Zandvoort op de schaal van
stedelijkheid in als matig stedelijk en s gelegen binnen het schil/overloopgebied
De kencijfers kennen een bandbreedte. Om te bepalen waar binnen de bandbreedte de norm moet worden gezocht kiest Zandvoort om het gebruik van de parkeerplaatsen te meten. Dit gebruik wordt uitgedrukt in parkeerdruk. Bij een hoge parkeerdruk van 80% of hoger wordt de maximale norm toegepast. Voor de omgeving van het plangebied geldt een gemiddelde parkeerdruk van 80,5%, waardoor de maximale parkeernorm toegepast dient te worden. In de huidige situatie is er een sportschool binnen het plangebied gevestigd.
Voor een sporthal/gymlokaal
geldt een parkeernorm van 4,0 parkeerplaats per 100 m? bvo. In totaal had de sportschool een grootte van circa 600 m? bvo met een parkeerbehoefte van 24 parkeerplaatsen.
De woningen vallen in het middeldure tot dure segment. Derhalve wordt van de strengste norm uitgegaan: duur. Voor een woning in de dure sector bedraagt de parkeernorm binnen het schil/overloopgebied 1,8 parkeerplaatsen. In totaal dienen er (1,8°5) 9,0 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. De twaalf bestaande haakse parkeerplaatsen blijven gehandhaafd, waarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Parkeren op eigen terrein is geen optie, omdat er dan netto meer parkeerplaatsen moeten verdwijnen middels de aanleg van opritten.
Er zijn in totaal drie parkeerplaatsen meer aanwezig dan noodzakeljk is op basis van de geldende parkeernorm Eiets
Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg
stallingsruimte voor de fiets. De woningen zullen beschikken over zowel een voor- als achtertuin waar ruimte is om fietsen te parkeren Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de huidige en toekomstige is de CROW:-publicatie 381 geraadpleegd. Voor de huidige situatie hebben de volgende invoergegevens als uitgangspunt gediend: hoofdgroep sport, cultuur en ontspanning — schil/overloopgebied Zandvoort — matig stedelijk. Voor een fitnessstudio/sportschool geldt per 100 m? bvo een verkeersgeneratie van 27,6 verkeersbewegingen per etmaal per 100 m? bvo. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie in de huidige situatie 165,6 verkeersbewegingen per etmaal Voor de toekomstige situatie hebben de volgende invoergegevens als uitgangspunt gediend: hoofdgroep wonen — schil/overloopgebied Zandvoort - matig stedelijk. Voor een koop, huis, tussen/hoek geldt per 100 m? bvo een verkeersgeneratie van 7,2 verkeersbewegingen per etmaal per woning In totaal bedraagt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie 36,0 verkeersbewegingen per etmaal.
Het aantal verkeersbewegingen neemt per gemiddelde weekdag af met 129,6 verkeersbewegingen per etmaal
Ontsluiting De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via de A.J. Van der Moolenstraat. In noordelijke richting ontsluit deze straat op de Van Lennepweg en in zuidelijke richting op Kromboosveld.
4.11.3
Conclusie
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie
Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina | 34
412
WATER
4.12.1
Algemeen
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstelingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
4.12.2
Relatie tot ontwikkeling
De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van Rijnland. Ten behoeve van deze ontwikkeling is op 29 maart 2021 de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de gegeven antwoorden concludeert het systeem dat zij belang heeft bij de plannen. Op basis daarvan is op 1 aprilhet plan toegestuurd met een toelichting op de plannen. Per ernail van 6 april 2021 heeft het Hoogheemraadschap een wateradvies toegezonden (zie bijlage). Het advies is verwerkt in onderhavige waterparagraaf. Waar nodig is het advies meegenomen in de ontwikkeling. Het hoogheemraadschap heeft geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling heeft geen (signifcant) negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van de projectlocatie Waterkwalliteit
Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit
In de huidige situatie is slechts 92,1 m? van het plangebied onverhard. De rest is bebouwd (ca. 600 m?), dan wel bestraat. De nieuwe woningen (c.q. de hoofdgebouwen) beslaan een bebouwd oppervlak van circa 286
m? en hebben ruim 600 m? onverhard terrein (erf en tuinen). De verharding neemt aanzienlijk af.
Er worden
vijf woningen teruggebouwd binnen het plangebied, waarvan alle vijf met een lengte van 10,2 meter, vier met een breedte van 5,65 meter en één met een breedte van 5,45 meter. Beschermde gebieden
In onderstaande figuur is zichtbaar dat het plangebied niet is gelegen binnen een primaire of regionale waterkering, een primaire of regionale beschermingszone, het Noord-Hollands grondwaterbeschermingsgebied of een afvalwatertransportleiding
Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina | 35
Ridlering De voorgenomen ontwikkeling zal aansluiten op de bestaande riolering binnen het plangebied, evenals dit het geval was bij de sportschool
4.12.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
413
(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING 4.13.1
Algemeen
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in
Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden
uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden vaft, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1,
vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina | 36
4.13.2
Relatie tot ontwikkeling
De ontwikkeling omvat de realisatie van vijf woningen op een plek waar nu een sportschool gerealiseerd is. Een dergelijke ontwikkeling kan niet worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.rbeoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeropperviakte van 200.000 m? of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Echter is de realisatie van vijf woningen op basis van de wijzigingsbevoegdheid uit het geldend bestemmingsplan reeds mogelijk binnen het
plangebied. Daaraast zijn de milieugevolgen voor het plangebied qua aard en omvang minder nadelig in de toekomstige situatie dn in de huidige situatie. De sportschool heeft een groter bebouwd opperviak en genereert een groter aantal verkeersbewegingen, namelijk 165,6 in plaats van 36,0 in de huidige situatie. Daarnaast zullen de woningen voldoen aan de laatste duurzaamheidsstandaarden, waardoor de beoogde ontwikkeling qua aard en omvang minder schadelijk is voor het milieu. De stikstofdepositie betreft 0,00 mol/ha/jaar in de gebruiksfase. Derhalve is het opstellen van een aanmeldnotitie m.e.r. niet nogig voor onderhavige ontwikkeling.
Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina |37
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID 51
ECONOMISCHE
UITVOERBAARHEID
Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.
esiminonaeg( Ten behoeve van de herontwikkeling aan de A.J. Van der)dreMoolenstraat 47 te Zandvoort zal een
(geanonimiseerd) -ierin wordt overeenkomst gesloten worden tussen Gemeente Zandvoort e overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvlosiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.
52
MAATSCHAPPELIJKE
5.2.1
UITVOERBAARHEID
Participatie
Het realiseren van vijf woningen is grotendeels middels de wijzigingsbevoegdheid toegestaan. Desalniettemin is er aan de 33 omwonenden een informatiebrief toegezonden over de voorgenomen ontwikkeling. Op deze brief zijn enkel positieve reacties ontvangen. Ook is er de laatste jaren al mondeling met de directe buren overlegd.
5.2.2
Planologische procedure
Voor deze ontwikkeling wordt tevens de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in
eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina | 38
CONCLUSIE
RUIMTELIJKE
FUNCTIONELE
EN
INPASBAARHEID
De initatiefnemer heeft als doel vif grondgebonden woningen te realiseren aan de A.J. Van der Moolenstraat 47 te Zandvoort. Het plangebied beschikt over een wijzigingsbevoegdheid op de enkelbestemming 'Sport’te wijzigen naar vijf aaneengesloten woningen. Binnen de wijzigingsbevoegdheid zijn negen voorwaarden opgenomen. De beoogde ontwikkeling voldoet aan zeven van deze voorwaarden wel, maar niet aan de voorwaarden met betrekking tot de gevellijn en aaneengesloten bouwen. Voor deze ontwikkeling dient daarom een planologische procedure te worden doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd
Mees Ruimte & Mileu | 21045.01.RO
Pagina | 39