Besluitenlijst - 20 juni 2023
Tekst van het document
Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken II 2007/08, 31 577, nr. 3, p. 12). Er is gekozen voor een premie van telkens € 200 per zes maanden. Artikel 9.
Participatievoorziening beschut werk Het college biedt ambtshalve of op verzoek de voorziening beschut werk aan aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon behoort tot de doelgroep van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet of een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt (eerste lid). Het college is verplicht om iemand de voorziening beschut werk aan te bieden wanneer die persoon daarop aangewezen is (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Deze verplichting geldt tot wanneer de vastgestelde aantallen beschut werkplekken zijn bereikt (artikel 10b, zesde lid, van de Participatiewet).
Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk (eerste en tweede lid) zijn in deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid) en welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt (vierde lid). Stap 1: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort, verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor het college de werkzaamheden ten behoeve van die vaststelling en adviseert het college hierover. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit of een persoon behoort tot de doelgroep beschut werk (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verricht de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort ook op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet of een persoon aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet).
Een dergelijk verzoek kan alleen door de persoon zelf worden gedaan en niet door een andere belanghebbende zoals een werkgever. Als het UWV tot het oordeel komt dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, adviseert UWV het college van de gemeente waar de betreffende persoon staat ingeschreven.
Stap 2: besluit gemeente Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep beschut werk behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen. Stap 3: dienstbetrekking beschut werk
Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Het college kan zelf bepalen waar de beschut werkplek wordt georganiseerd. Dat kan zijn binnen de gemeente, maar ook bij de bestaande sw-bedrijven, of bij een andere, aan de gemeente gelieerde organisatie. Het kan zijn dat een reguliere werkgever bereid is de benodigde beschutte omstandigheden te bieden. Het toekennen van een beschut werkplek is een besluit in de zin van de Awb.
Volgorde toekenning Als is vastgesteld dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschut werkplek omdat het aantal geraamde plaatsen al is gerealiseerd, dan krijgt deze persoon voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Dit betekent dat de voorziening beschut werk in principe wordt toegekend op volgorde van vaststelling dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (tweede lid). Dit is conform de bedoeling van de wetgever dat personen voor wie niet direct een beschut werkplek beschikbaar is, bij voorrang een beschut werkplek krijgen aangeboden in het daaropvolgende jaar. Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leerwerktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en dat de ondersteuning nodig is voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet.
Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen: - van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of - van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt (Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, p. 49). In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden.
In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning bij werk De voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk is nader uitgewerkt in hoofdstuk 3A. Deze bepaling verwijst daarom naar dit hoofdstuk, waarbij ook wordt verwezen naar de uit artikel 3 voortvloeiende algemene voorwaarden die gelden voor alle op grond van deze verordening te verstrekken voorzieningen.
Artikel 12. Tijdelijke loonkostensubsidie werkgever Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen.
Compensatie Het doel van de tijdelijke loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een tijdelijke loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen.? In het eerste lid is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen. Een nadere uitwerking van de doelgroep is opgenomen in het derde en vierde lid.
Geen verdringing In het vierde lid is bepaald dat de ‘tijdelijke loonkostensubsidie werkgever’ uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: -eigen initiatief van de werknemer; -ouderdomspensioen; -vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of -gewettigd ontslag om dringende redenen. De in artikel 12, van deze verordening geregelde loonkostensubsidie moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en lOd van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in artikel 12 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die moeilijk bemiddelbaar of uiterst moeilijk bemiddelbaar zijn.
Het gaat in hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet).
Artikel 12A. Proefplaats Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder "het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 12A geeft hier invulling aan. Het na een proefplaatsing inzetten van een dienstverband met een forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet is in principe onwenselijk. Partijen in de (landelijke) Werkkamer hebben zich in die zin ook expliciet uitgesproken. Wel houdt het college de optie om bij bijzondere individuele omstandigheden hier een uitzondering op te maken. Als het noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te voeren, kan het college persoonlijke ondersteuning toekennen aan de persoon op de proefplaats (zesde lid). Artikel 12B.
Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het
werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). Het tweede lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient. Dit volgt ook uit artikel lOd, eerste lid, van de Participatiewet waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever.
Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het derde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. Het onder de doelgroep brengen gebeurt volgens de in artikel 1 gedefinieerde praktijkroute. Het vierde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. Het vijfde lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door "De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld. Doel was om de lasten voor werkgevers als gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie. Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen. Artikel 12C.
Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een reintegratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet.
Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, waarbij er voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de maatschappelijke baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g). Artikel 12D. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen.
Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve - dat wil zeggen zonder aanvraag - beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). In dit artikel worden de verschillende stappen beschreven die het college moet doorlopen om tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit te komen. Het artikel vloeit voort uit artikel 8a, tweede lid,
onderdeel f, van de Participatiewet “op welke wijze het college voorzieningen als bedoeld in artikel 10 eerste lid, verstrekt” en onderdeel g “op welke wijze waar nodig voor een persoon als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 10d, tweede lid, wordt voorzien in integrale en voortgezette (persoonlijke) ondersteuning”. Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in. In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In het zesde lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening. Artikel 12E. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Een beschikking dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet daaraan stellen. In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet worden opgenomen.
Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet te voldoen.
Artikel 12F. Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. Het eerste en tweede lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een eigen jobcoach inzetten, of een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). In het artikel worden de verschillende mogelijkheden benoemd. Het derde lid maakt duidelijk dat de in het eerste en tweede lid bedoelde ondersteuning ook kan worden aangeboden op het moment dat er geen sprake is van een dienstverband. Dit vormt een uitbreiding op de wettelijke basisplicht om deze ondersteuning aan te bieden ten behoeve van opgedragen taken die worden verricht in het kader van een dienstverband bij een werkgever.
Artikel 12G. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk Het eerste lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening. Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu men kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden al heeft verricht. In die situatie rechtvaardigt dat de conclusie dat, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is. Het tweede lid bevat de basisaspecten waarmee het college rekening moet houden bij het verstrekken van individuele ondersteuning en benadrukt het belang van het leveren van maatwerk. In artikel 12H wordt dit verder uitgewerkt.
Artikel 12H. Jobcoaching Het eerste lid geeft het doel van jobcoaching weer.
Het tweede lid is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach.
Het derde en vierde lid zijn een uitwerking van de uit artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet voortvloeiende verordeningsplicht. Het bepalen van de duur en de intensiteit van de jobcoaching is maatwerk.
Jaar 1
Jaar 2
Jaar 3 (optioneel)
Begeleiding licht
6%
3%
3%
Begeleiding midden
10%
5%
3%
De percentages staan in relatie tot het aantal contracturen van de werknemer. Het vijfde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van het in het derde en vierde lid gegeven beoordelingskader. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. De afwijking kan zowel bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching, alsook uit het verlengen daarvan.
Artikel 121. Jobcoaching in natura Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college ook zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) in natura. Dit artikel voorziet hierin. Artikel 12K. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching. Dit artikel voorziet hierin.
In het tweede lid zijn de randvoorwaarden opgenomen om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Bij de keuze voor deze voorwaarden is, met het oog op het realiseren van een zo uniform mogelijk kader, aansluiting gezocht bij door het UWV gehanteerde voorwaarden op grond van artikel 12 van het Reïntegratiebesluit. Artikel 12L. Interne werkbegeleiding Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel regelt hoe dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de subsidie hiervoor wordt bepaald. Ook wordt ingegaan op de kwaliteitseisen aan de interne werkbegeleider. Artikel 13. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken.
Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikelen 3 en 12C, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met
artikel 3, derde lid, de goedkoopst adequate oplossing het uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 13A. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische handicap. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 12C. Artikel 13B.
Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 12C. Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar worden gesteld en dus weer bij het college worden ingeleverd op het moment dat deze niet langer nodig zijn. Artikel 13C. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen In artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet wordt uitsluitend gesproken van meeneembare voorzieningen. In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. Hierbij kan gedacht worden aan een aangepast toilet, een entree met automatische deuropener of een traplift.
Dit artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis, waarin wel wordt gesproken van werkplekaanpassingen in plaats van meeneembare voorzieningen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20).
Raadsstuk
Gemeente Zandvoort
Onderwerp Zienswijze Conceptbegroting 2024 van de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Schoolverzuim en Voortijdig
Schoolverlaten (VSV) RMC- regio Zuid-Kennemerland en Umond Nummer
2023/530572______________________________________________________
Portefeuillehouder
Carree, L_________________________________________________________
Programma/beleidsveld
1.1 Onderwijs en sport______________________________________________
Afdeling____________
JOS______________________________________________________________
Auteur______________
Meer, J. van der____________________________________________________
Telefoonnummer_____
023-5115091______________________________________________________
Email_______________
jmeer@haarlem.nl__________________________________________________ De Conceptbegroting 2024 van de Gemeenschappelijke Regeling(GR) Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten RMC-regio Zuid- Kennemerland en Umond moet op grond van de wet GR voorzien van een toelichting toegezonden worden aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken over deze conceptbegroting. De conceptbegroting moet voor 1 september 2023 bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord -Holland zijn ingediend.
Kernboodschap
Het GR bestuur heeft op 9 maart 2023 de conceptbegroting 2024 (en de meerjarenbegroting tot en met 2027) vastgesteld. Elk jaar verschijnt ook een inhoudelijk jaarverslag (op schooljaren) van de GR
Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten van de RMC-regio (2023/0078624).
Behandelvoorstel voor
De raadscommissie wordt verzocht advies te geven aan de raad over het voorstel
commissie
van het college in paragraaf 2 en over de wijze van agendering van het raadsstuk
over de begroting 2023 in de raadsvergadering. In het najaar 2023 ontvangt de commissie een inhoudelijk jaarverslag over het
schooljaar 2022-2023._________________________________________________ Relevante eerdere
Meerjarenbeleidsplan 2023 tot en met 2026 "Kansen bieden aan jongeren" B&W
besluiten_______
van 24 januari 2023__________________________________________________
Besluit College
Het college van burgemeester en wethouders
d.d. 16 mei 2023
Besluit: 1. Het voorstel aan de raad vast te stellen.
de secretaris.
Kenmerk: 2023/530572
de burgemeester,
1/8
Besluit Raad
De raad der gemeente Zandvoort,
d.d. 20 juni 2023
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders
Besluit: 1.
Als zienswijze naar voren te brengen bij het Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en Voortijdig schoolverlaten Zuid-Kennemerland en IJmond dat de raad geen wensen of bedenkingen heeft bij de conceptbegroting 2024 van de Gemeenschappelijke Regeling(GR) Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten ZuidKennemerland en IJmond.
de griffier.
1. Inleiding Zandvoort neemt samen met de gemeenten de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Heemskerk, Heemstede en Velsen deel aan de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten (VSV) RMC regio Zuid-Kennemerland en IJmond. Het bestuur is een gemeenschappelijk orgaan (GO), dat bestaat uit vertegenwoordigers van de colleges van B&W (de portefeuillehouders Onderwijs) van de deelnemende gemeenten. Regionale Meerjarenbeleidsplan 2023 tot en met 2026 "Kansen bieden aan jongeren" Regio Zuid-Kennemerland en IJmond is een nieuw plan om de aanpak bestrijding voortijdig schoolverlaten (VSV), leerplicht en Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) voort te zetten voor de periode 2023 t.m. 2026. In dit plan willen we nog meer de samenwerking opzoeken met partners zoals schoolbesturen, Jeugdhulp, Arbeidsbemiddeling, Veiligheid en jongerenwerk. Het doel is om het aantal verzuimers, (nieuwe) voortijdige schoolverlaters en thuiszittende jongeren te verminderen en jongeren in kwetsbare posities (Jikp) extra te begeleiden. Daarnaast blijven we doorgaan met de uitgangspunten die zijn opgesteld voor 2019 t.m. 2022.
Visie 2023-2026: Recht op ontwikkeling en passend leer(werk) aanbod voor elke jongere. De regionale visie is geactualiseerd, namelijk dat elke jongere recht op ontwikkeling (in plaats van alleen recht op onderwijs) heeft. Het streven is dat elke jongere zonder kwalificaties en elke jongere in kwetsbare positie in beeld is. Elke jongere moet een passend leer(werk) of dagbestedingsaanbod krijgen. Door een aanbod van scholing/opleiding, leren en werken, werk of dagbesteding al dan niet met extra begeleiding kan een jongere zich optimaal ontwikkelen. Jongeren moeten immers gelijke kansen krijgen om te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Met een diploma, certificaat of praktijkverklaring is de kans op
Kenmerk: 2023/530572
2/8
participeren en een (droom) baan vinden voor jongeren namelijk groter. Op deze wijze wordt ook de jeugdwerkloosheid (structureel) teruggedrongen. Ambities 2023-2026 Kern van de uitvoering van het beleid zijn de bestrijding van verzuim, thuiszitten en voortijdig schoolverlaten, zoals beschreven in het Regionale Meerjarenbeleidsplan 2023 t.m. 2026, de aanvullende VSV-maatregelen 2021-2024 en de steunmaatregelen in het kader van de aanpak Jeugdwerkloosheid (JW).
De ambities zijn om het aantal verzuimers, (nieuwe) voortijdig schoolverlaters en thuiszitters te verminderen en kwetsbare jongeren extra te begeleiden. Dit doen we door het schooljaar 2023-2024 te vergelijken met het laatste reguliere schooljaar 2018-2019. Het schooljaar 2021-2022 is niet representatief jaar vanwege deels corona omstandigheden.
•
•
•
•
Verzuimaanpak/ Aanpak schoolaanwezigheid Streven is om in 2024 een vermindering van 10% te bereiken in het aantal verzuimers, ten opzichte van het peiljaar 2018-2019. Over dat jaar waren er 1498 ongeoorloofde verzuimers. VSV-aanpak Op basis van de landelijke doelstellingen is het regionale streven om het aantal nieuwe vsvers in de regio te verminderen met 10% in 2024. Voortijdig schoolverlaten is een hardnekkig probleem en het aantal vsv-ers vertoont schommelingen over de afgelopen jaren; de verwachting is over 2021-2022 het aantal vsv-ers landelijk behoorlijk is gestegen door o.a. jongeren die aan het werk zijn gegaan zonder startkwalificatie en door problemen ontstaan in de corona situatie en de nasleep daarvan. De definitieve cijfers van Dienst Uitvoering Onderwijs (DU0)/0CW zijn nog niet beschikbaar. Thuiszittersaanpak Het streven is dat elke thuiszittende leerling in beeld is en in principe een traject aangeboden krijgt binnen drie maanden, in samenspraak met ouders/jongere. Daarnaast is het streven om het aantal thuiszitters te verminderen met 10% ten opzichte van het peiljaar 2018-2019. Toen waren er 96 thuiszitters in de regio. VSV-aanpak Jongeren in kwetsbare posities De focus komt meer te liggen op de (brede) doelgroep jongeren in kwetsbare positie.
De regio is extra alert op jongeren zonder start- of beroepskwalificaties met schulden- of verslavingsproblematiek, op dak- en thuisloze jongeren en op jongeren op de Internationale Schakelklas (ISK). Ook hen zien we als potentiële jongeren in kwetsbare posities die extra begeleiding nodig kunnen hebben.
Regionale Vervolgagenda VSV en jikp Er wordt een Regionale Vervolgagenda VSV en jikp opgesteld en uitgevoerd in samenwerking met het onderwijsveld, de arbeidsmarktregio en de jeugdhulp- en WMO afdelingen met de thema's: - onderwijs en leerwerktrajecten - arbeid en dagbesteding - hulpverlening
Kenmerk: 2023/530572
3/8
Inhoudelijk jaarverslag In de jaarverslagen per schooljaar brengt het bestuur van genoemde Gemeenschappelijke Regeling een inhoudelijke rapportage uit over het gevoerde beleid op het gebied van leerplicht, RMC en Voortijdig Schoolverlaten. In het inhoudelijk jaarverslag 2021-2022 is gerapporteerd over de uitvoering van het Meerjarenbeleidsplan Vervolgaanpak "Voortijdige Schooluitval van jongeren 2019 t/m 2022". Eind 2023 ontvangt de commissie een inhoudelijk jaarverslag over het schooljaar 20222023, gebaseerd op het Meerjarenbeleidsplan 2023 t.m. 2026.
Op 9 maart 2023 heeft het bestuur van de GR de conceptbegroting 2024 (en de meerjarenbegroting tot en met 2027) vastgesteld, zie bijlage. De conceptbegroting 2024 moet op grond van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen (GR) voorzien van een toelichting, toegezonden worden aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken over deze ontwerpbegroting. De ontwerpbegroting moet voor 1 september 2023 bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland zijn ingediend. 2. Voorstel aan de raad Het college stelt de raad voor: • Als zienswijze naar voren te brengen bij het Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en Voortijdig schoolverlaten Zuid-Kennemerland en IJmond dat de raad geen wensen of bedenkingen heeft bij de conceptbegroting 2024 van de Gemeenschappelijke Regeling(GR) Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten Zuid-Kennemerland en IJmond.
3. Beoogd resultaat Ontwerp begroting 2024 De raden van de deelnemende gemeenten geven hun zienswijze op de conceptbegroting en delen deze mee aan het bestuur van de GR. Het doel van de beleidsaanpak is het aantal verzuimende leerlingen, thuiszittende leerlingen en voortijdig schoolverlaters en jongeren in kwetsbare posities te verminderen.
4. Argumenten Het voorstel past in programma 1 Maatschappelijke participatie. Specifiek draagt de vaststelling bij aan de doelstelling genoemd onder beleidsveld 1.1. Onderwijs en sport om ontwikkelingskansen voor jongeren te realiseren.
Conceptbegroting past binnen de meerjarenbegroting van het Meerjarenplan l/SI/ Het GR bestuur heeft eind 2022 een Meerjarenbeleidsplan "Kansen bieden aan jongeren 2023 t.m. 2026 vastgesteld. Het (jaarlijks) beschikbare budget voor de aanvullende regionale aanvullende VSV aanpak, inclusief de aanpak van jongeren in kwetsbare posities voor 2021-2024 is ook verwerkt in de conceptbegroting 2024.
Kenmerk: 2023/530572
4/8
Financieel/ conceptbegroting 2024 Financiering vindt plaats binnen de diverse budgetten van de regiogemeenten en de rijksoverheid, namelijk: Financieringsbronnen GR Schoolverzuim en VSV GR Perceel
Financieringsbron
Begroting 2024
Perceel 1 CAReL
€ 242.452 Bijdragen regiogemeenten € 80.818 Rijksuitkering RMC______ € 591.094 Bijdragen regiogemeenten Rijksuitkering Kwalificatieplicht €418.383 Rijksuitkering RMC €525.235 incl.Jeugdwerkloosheid ad € 95.000 Incl. bijdrage Participatiewet € 50.000 Rijksbijdrage uitkering VSV Uitkering Regionale Programmageldenregeling VSV___________________________________ Bijdragen regiogemeenten Leerwerktrajecten Perspectief, incl. ESF en Jeugdhulp__________ excl. vooruit ontvangen regionale middelen van de rijksoverheid uit voorgaande jaren (buffer)
€
Perceel 2 Leerplicht en Kwalificatieplicht
Perceel 3 RMC
Totaal
323.270
€ 1.009.477 €
670.235
€ €
356.833 371.373
€
524.033
€
3.255.221
Toelichting Indexering Voor de begroting van de GR over 2024 worden de indexeringspercentages gehanteerd die gemeente Haarlem voor de begroting 2023 heeft vastgesteld, namelijk 3,5% voor personeelskosten en 4,5% voor materieel budget (projecten, communicatie etc). De richtlijnen voor de begroting 2024 zijn nog niet bekend.
Perceel 1 CAReL Baten De bijdragen van de regiogemeenten zijn berekend conform artikel 24 van de gemeenschappelijke regeling. De bijdragen van de gemeenten bedragen 75% van de begrote kosten. Het restant, 25% wordt conform de GR ten laste van de specifieke uitkering RMC gebracht.
Lasten De personeelskosten voor CAReL voor 2024 en verder zijn begroot op basis van de gewijzigde begroting 2023. Voor 2024 e.v. wordt per jaar rekening gehouden met een jaarlijkse stijging van
Kenmerk: 2023/530572
5/8
3,5%. Deze stijging is het gevolg van wijzigingen in de gemeentelijke cao (CAR-UWO) en sociale lasten. Voor de materiële kosten in 2024 en verder wordt het reguliere onderhoudsbudget begroot met een jaarlijkse kostenstijging van 4,5%. Deze indexering dient o.a. de tariefstijgingen van de leverancier te dekken en is hoger dan de afgelopen jaren vanwege de opgelopen inflatie. Perceel 2 Leerplicht en Kwalificatieplicht Baten De bijdragen van de gemeenten worden vanaf 2019 conform artikel 25 van de GR berekend. De kosten worden toegerekend naar de deelnemende gemeenten op basis van inwoneraantallen 5 tot 18 jaar per 1 januari 2023 en verder bekostigd uit de specifieke uitkering t.b.v. Kwalificatieplicht De meerjarenbegroting is aangepast op de voor het jaar 2023 toegekende specifieke uitkering en een verwachte indexatie van 4,5% (gelijk aan de indexering voor materiële kosten). De personeelskosten zijn gelijk aan de gewijzigde begroting 2023, verhoogd met de indexering van 3,5%.
Lasten De genoemde bijdragen aan de regiogemeenten zijn gelijk aan de door het Rijk beschikte bedragen voor 2023 en verhoogd met 4,5% verwachte indexering. Deze bijdragen worden gedeclareerd op de middelen Kwalificatieplicht en zijn voor de GR neutraal. Op de personele kosten wordt een indexering toegepast van 3,5% en het materieel budget stijgt met 4,5%.
Perceel 3 RMC Baten De inkomsten komen uit de reguliere RMC uitkering voor de regio Zuid-Kennemerland en IJmond. De overige opbrengsten (scholingsadviezen 23-27 jaar) bestaan uit een bijdrage uit de Participatiewet. In 2024 is er extra budget beschikbaar vanuit de Arbeidsmarkregio voor de inzet op jeugdwerkloosheid. In 2025 komt er nieuwe wetgeving met financiering, die de RMC taken formeel uitbreidt voor de doelgroep jongeren van 23 tot 27 jaar. Regionale aanpak VSV/Programmagelden VSV In december 2020 is aan de RMC-regio in het kader van de programmageldenregeling op de aanvraag VSV budget toegekend voor de nieuwe VSV periode 2021-2024. Voor de jaren 2025 en verder is uitgegaan van de huidige situatie. Met het ministerie en onderwijspartners vindt hierover overleg plaats. Voor de jaren 2025 en verder komt er dus nieuwe wetgeving en wordt het budget vermeerderd door uitbreiding van de doelgroep tot 27 jaar. Het precieze budget per RMC regio is nog onbekend. Ook is de rijksoverheid bezig met een herverdeling van de RMC en VSV budgetten tussen de RMC regio's. De effecten hiervan zijn nog onbekend. Er wordt daarom vooralsnog begroot onder de aanname dat het budget gelijk blijft. Zodra het Rijk meer duidelijkheid heeft gegeven over de financiële ontwikkelingen wordt dit in de meerjarenbegroting voor de komende jaren verwerkt.
Kenmerk: 2023/530572
6/8
DU VSV (Specifieke uitkering) De RMC-regio heeft structureel middelen beschikbaar voor de eigen uitvoering door RMC specialistische trajectbegeleiders voor jongeren in kwetsbare positie en diverse VSV projecten van externe partners. Bij deze uitkering wordt gerekend met een indexering. Lasten De begroting voor perceel 3 is opgedeeld naar de verschillende deelactiviteiten RMC, inclusief Jeugdwerkloosheid, VSV en Leerwerktrajecten. Met het extra budget Jeugdwerkloosheid worden personele inzet RMC en voortrajecten, die jongeren uiteindelijk toeleiden naar werk mogelijk gemaakt. De uitkering RMC is met name bedoeld voor de uitvoering van de reguliere RMC taken. De bijdrage Programmagelden VSV 2024 (deel contactgemeente) wordt vooral ingezet voor de aanpak jongeren in kwetsbare posities, leerwerkmakelaars en de verzuimaanpak(schoolaanwezigheid) 18+. Van het DU VSV budget wordt € 115.000 benut voor personeelskosten binnen het RBL (trajectbegeleiders jongeren in kwetsbare positie) en het restant wordt ingezet voor projecten door externe partners (bijvoorbeeld stageprojecten, mentorenprojecten). De personeelskosten bij de uitvoering van RMC stijgen harder dan de indexering van 3,5%, omdat bij de regeling Regionale aanpak VSV het bedrag dat aan personeelskosten gedeclareerd kan worden vast staat en niet geïndexeerd is door de rijksoverheid.
De stijgingen in deze personeelskosten komen ten laste van de personeelskosten onder uitvoering RMC. Er wordt door de rijksoverheid gerekend met een indexering van 4,5% op de rijksuitkering RMC. De personele kosten RMC zijn hoger dan in de eerder vastgestelde meerjarenbegroting, omdat de personele inzet voor de aanpak jeugdwerkloosheid nu is opgenomen binnen het onderdeel uitvoering RMC.
Spaarne Werkt (Perspectief) leerwerktrajecten De bijdrage van de gemeenten aan de kosten van de begeleiding door hulpverlening en de geïndexeerde bijdrage van € 6.700 per traject verlopen via het Leerplein. Voor de leerwerktrajecten is met ESF-middelen extra financiering beschikbaar gekomen. De kosten van de trajecten en begeleiding worden met de gemeenten afgerekend.
De conceptbegroting 2024 wordt aan alle zeven gemeenteraden van de RMC regio ZuidKennemerland en IJmond gezonden voor zienswijze.
5. Risico's en kanttekeningen Er zijn geen financiële risico's voor 2024. Kanttekeningen Exacte rijksbijdragen De exacte bedragen worden door de rijksoverheid bekend gemaakt in december voorafgaand aan het nieuwe kalenderjaar. Onduidelijkheid is er voor wat betreft de meerjarenbegroting vanaf 2025 over de effecten van de nieuwe wetgeving en herverdeling van de RMC en VSV budgetten. In 2024 is er nog sprake van de huidige situatie.
Kenmerk: 2023/530572
7/8
Vooruit ontvangen regionale middelen van de rijksoverheid uit voorgaande jaren In de conceptbegroting 2024 zijn de benodigde opbrengsten uit de specifieke uitkeringen RMC, Kwalificatieplicht en VSV begroot. Daarnaast is het restant van deze specifieke uitkeringen over de afgelopen jaren bij de contactgemeente Haarlem voor de GR van de RMC regio Zuid-Kennemerland en Umond in kas. Indien een deel van de uitkeringen niet is uitgegeven, mag het niet-bestede deel namelijk worden doorgeschoven naar volgende jaren. Dit mag tot en met invoering van de nieuwe regelingen in de loop van 2025. Afwijkingen tussen realisatie en begroting kunnen worden opgevangen door deze opgebouwde buffers. 6. Uitvoering De zienswijze van de Raad over de conceptbegroting wordt zo spoedig mogelijk aan het bestuur van de GR schoolverzuim en VSV overgebracht.
Het bestuur van de GR stelt de conceptbegroting 2024 definitief vast en stuurt deze met de zienswijze van de raden voor 1 september 2023 aan Gedeputeerde Staten van de provincie NoordHolland. Hiermee wordt voldaan aan de verplichting van de Wet GR. Hierdoor kan de uitvoering van leerplicht, RMC(Regionale Meld- en Coördinatiefunctie Voortijdig Schoolverlaten) en VSV efficiënt plaatsvinden.
De uitvoering vindt plaats door het Regionale Bureau Leerplein van de RMC regio ZuidKennemerland en Umond. De RMC/VSV taken zijn vanuit de wet- en regelgeving al belegd bij contactgemeente Haarlem, die rechtstreeks aanspreekpunt is voor de rijksoverheid.
7. Bijlagen Bijlage l--Concept begroting 2024(en Meerjarenbegroting tot en met 2027 ) van de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten(VSV) RMC regio Zuid- Kennemerland en Umond.
Kenmerk: 2023/530572
8/8
Raadsstuk
Gemeente Zandvoort
Onderwerp Ontwerpbegroting 2024 Spaarne Werkt
Nummer
2023/565008________________________________________________________
Portefeuillehouder
Bluijs, GJ.___________________________________________________________
Programma/beleidsveld
3.1 Werk____________________________________________________________
Afdeling
Wl_________________________________________________________________
Auteur_____________
Lunenburg, M. van____________________________________________________
Telefoonnummer_____
023-5113824________________________________________________________
Email_______________
mlunenburg@haarlem.nl_______________________________________________
Kernboodschap
Spaarne Werkt is sinds 1 januari 2022 het Participatiebedrijf in Zuid-Kennemerland voor de gemeenten Bloemendaal, Haarlem, Heemstede en Zandvoort. Het bestuur
van Spaarne Werkt heeft op donderdag 20 april 2023 ingestemd met de ontwerpbegroting 2024. Voor Zandvoort betekent dit voor 2024 een additionele bijdrage van € 15.720. De ontwerpbegroting van Spaarne Werkt is daarmee voor
2024 weliswaar sluitend, maar het Participatiebedrijf ziet zich geconfronteerd met
grote uitdagingen om het tekort niet verder op te laten lopen. De oorzaak van deze financiële situatie is terug te voeren op twee ontwikkelingen.
Ten eerste, de keuzes die het rijk heeft gemaakt, bij de invoering van de Participatiewet in 2015, hebben inmiddels een grote invloed op de bedrijfsvoering.
Ten tweede is een aantal externe ontwikkelingen zoals gestegen energiekosten en
loonsverhogingen die forse impact op de ontwerpbegroting hebben. Het is van groot belang om de kwetsbare doelgroep aan het werk te houden, maar
ook om dit op een financieel gezonde manier te doen. Voor de ontwerpbegroting van 2024 betekent het dat de groei in formatie tot een minimum is beperkt. Dat vraagt om duidelijke keuzes, onder andere ten aanzien van het huidige aanbod
aan werksoorten. Het bestuur heeft begin 2023 een extern onderzoek uitgezet
naar een Duurzame Toekomst Spaarne Werkt, waarbij breder wordt gekeken dan alleen beschut werk. De resultaten hiervan zijn medio 2023 bekend. Daarnaast heeft het bestuur Spaarne Werkt een taakstelling meegegeven om op korte
termijn de formatie in lijn te brengen met de krimpende organisatie. In de
ontwerpbegroting 2024 is al rekening gehouden met de effecten van deze
maatregelen. Behandelvoorstel voor commissie
De commissie wordt verzocht advies te geven aan de raad over het voorstel van
het college in paragraaf 2 en over de wijze van agendering van het raadsstuk in de raadsvergadering.
Kenmerk: 2023/565008
1/7
Relevante eerdere besluiten_______ Besluit College d.d. 16 mei 2023
Begroting 2023 Participatiebedrijf Zuid-Kennemerland (Paswerk) (2022/649937) in de Raadsvergadering van 28 juni 2022.___________________________________
Het college van burgemeester en wethouders Besluit: 1. Het voorstel aan de raad vast te stellen.
de secretaris.
Besluit Raad
de burgemeester.
De raad der gemeente Zandvoort,
d.d. 20 juni 2023
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders. Besluit: 1. Als zienswijze naar voren te brengen bij het bestuur van het Participatiebedrijf Zuid-Kennemerland Spaarne Werkt, dat de raad geen wensen of bedenkingen
heeft bij de ontwerpbegroting 2024 van het Participatiebedrijf Spaarne Werkt
Zuid Kennemerland. de griffier,
1. Inleiding f Per 1 januari 2022 is Spaarne Werkt, het nieuwe Participatiebedrijf in Zuid-Kennemerland van start gegaan. In opdracht van de gemeenten Bloemendaal, Haarlem, Heemstede en Zandvoort voert het
bedrijf de volgende vier taken uit: • Sociale werkvoorziening (Wet sociale werkvoorziening)
• •
Nieuw beschut werk (Participatiewet) Re-integratie voor werkzoekenden met een overbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt en
werkzoekenden met een arbeidsbeperking die in aanmerking komen voor een garantiebaan •
(Participatiewet) Leerwerktrajecten voor jongeren met schooluitval zonder beroeps- of startkwalificatie (Wet
voortijdig schoolverlaten en jongeren in kwetsbare posities).
Kenmerk: 2023/565008
2/7
Het begrotingsjaar 2024 is het derde jaar waarin Spaarne Werkt in zijn nieuwe opzet functioneert. Met de komst van de Participatiewet in 2015 stopte de nieuwe instroom in de WSW. Daarvoor in de plaats kwamen drie nieuwe regelingen 1) Nieuw Beschut Werk 2) Banenafspraak en 3) Loonkostensubsidie. De Participatiewet ging ook gepaard met een versobering van de reintegratiemiddelen van gemeenten. Samen met de kostenstijgingen als gevolg van de inflatie, cao en
wettelijke minimumloon zorgen deze ontwikkelingen voor grote uitdagingen voor Spaarne Werkt. Hoe dit uitwerkt op de ontwerpbegroting 2024 wordt in de paragraaf 4 'argumenten' nader toegelicht. Het bestuur van Spaarne Werkt heeft op donderdag 20 april 2023 ingestemd met de
ontwerpbegroting voor 2024. Op basis van de (gewijzigde) Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) moet de begroting vóór 15 september 2023 aan Gedeputeerde Staten van de provincie NoordHolland worden gestuurd. De raden van de aan de gemeenschappelijke regeling Spaarne Werkt
deelnemende gemeenten worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de ontwerpbegroting vóór 6 juli 2023 kenbaar te maken aan het bestuur van Spaarne Werkt. 2. Voorstel aan de raad
Het college stelt de raad voor:
1.
Als zienswijze naar voren te brengen bij het bestuur van het Participatiebedrijf ZuidKennemerland Spaarne Werkt, dat de raad geen wensen of bedenkingen heeft bij de ontwerpbegroting 2024 van het Participatiebedrijf Spaarne Werkt Zuid Kennemerland.
3. Beoogd resultaat De ontwerpbegroting 2024 voor Spaarne Werkt draagt bij aan de continuering van werk voor
medewerkers in de sociale werkvoorziening (Wsw) en de organisatie en realisatie van nieuw beschut werk, re-integratie voor werkzoekenden met een overbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt en leerwerktrajecten voor jongeren zonder beroeps- of startkwalificatie.
4. Argumenten 1. Spaarne Werkt presenteert een sluitende ontwerpbegroting voor 2024.
Spaarne Werkt als geheel werkt in het begrotingsjaar 2024 met een sluitende begroting, dankzij een
aanvullende bijdrage van € 443.175 voor de vier gemeenten samen, waarvan € 15.720 voor Zandvoort. Er wordt in de ontwerpbegroting onderscheid gemaakt in 3 programma's: programma
Werk (uitvoering Wet sociale werkvoorziening, nieuw beschut werk en duurzame activiteiten gericht
op werk), programma Re-integratie en programma Jongeren. Het programma 'Werk', met de
uitvoering van de Wsw en beschut werk als belangrijkste onderdelen, beslaat verreweg het grootste deel van de exploitatie van Spaarne Werkt.
De financiële middelen die door gemeenten ter beschikking zijn gesteld, worden direct aangewend voor de uitvoering van de taken op het gebied van betaald werk en ondersteuning naar betaald werk.
Kenmerk: 2023/565008
3/7
2. Programma Werk: onderdeel uitvoering Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en nieuw beschut werk (Participatiewet). De rijksmiddelen (Integratie-uitkering participatie Wsw) die Spaarne Werkt van de gemeente ontvangt voor de Wsw zijn al jaren niet toereikend om de personeelskosten volledig te dekken. Dit komt omdat de loonkosten van de Wsw hoger zijn dan de integratie-uitkering. Het tekort neemt echter wel af, in 2024 is € 23.572 negatief begroot ten opzichte van € 1.074.469 oorspronkelijk
begroot 2023. Door de structurele afname van de Wsw-populatie, in 2024 met gemiddeld 32,3 en de
ouder wordende populatie staat het exploitatieresultaat echter wel onder druk. Niet alleen omdat het verdienvermogen van de wsw-populatie afneemt, maar ook omdat het in de praktijk moeilijk blijkt om leidinggevende functies die eerder door wsw-personeel werden ingevuld door nieuwe doelgroepen te laten vervullen. Hiervoor wordt dan een beroep gedaan op regulier personeel.
De middelen die de gemeenten van het Rijk ontvangen voor de uitvoering van (nieuw) beschut werk zijn niet toereikend. De uitvoeringskosten van beschut werk liggen namelijk aanzienlijk hoger dan de middelen die door het Rijk beschikbaar worden gesteld. Dit komt omdat de medewerkers met een
indicatie beschut werk, in 2024 is het aantal begroot op 122, een hogere begeleidingsbehoefte en grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben dan de oude Wsw-medewerkers. Er is structureel aanvullende financiering nodig om de kosten van de werkplek en organisatie te dekken. Om het
gevarieerde aanbod aan werk voor de doelgroep wsw en beschut werk overeind te houden, bijvoorbeeld Kringloop en Kleding en Groen, doet Spaarne Werkt in toenemende mate een beroep
op reguliere arbeidskrachten. Hoewel het bestuur Spaarne Werkt bij deze ontwerpbegroting 2024
een taakstelling heeft meegegeven om de stijging in formatie sterk terug te dringen (zie punt 3), is dit deels nog terug te zien in stijging van de formatie in 2024. 3. Programma Werk: Ontwikkelopgave terugbrengen kosten (nieuw) beschut werk.
In het raadsbesluit over de vorming van een Participatiebedrijf is afgesproken dat Spaarne Werkt een
ontwikkelopgave heeft om de tekorten op beschut werk gedurende drie jaar terug te dringen naar nul in jaar 2024. Deze doelstelling wordt niet gehaald. Hoewel er zeker nog kansen liggen om de instroom te vergroten voor mensen met een banenafspraak of indicatie nieuw beschut of het verder ontwikkelen van leerlijnen, is op korte termijn geen grote instroom te verwachten. Daar tegenover
staat dat de kosten voor onder andere energie en lonen eerder zullen stijgen dan dalen. Om een duurzame gezonde bedrijfsvoering te realiseren en tegelijkertijd mensen met een kwetsbare positie
op de arbeidsmarkt aan het werk te houden, heeft het bestuur begin 2023 een extern adviesbureau de opdracht gegeven onderzoek uit te voeren naar een Duurzame Toekomst Spaarne Werkt.
Daarmee wordt ook de focus op het terugdringen van nieuw beschut losgelaten en verlegd naar de
resultaten van de drie programma's Werk, Re-integratie en Jongeren tezamen. De uitkomsten
worden medio 2023 verwacht. Daarnaast heeft het bestuur Spaarne Werkt een taakstelling meegegeven om op de korte termijn de formatie te beperken en meer in lijn te brengen met de krimpende organisatie. In de ontwerpbegroting 2024 is al rekening gehouden met de effecten van
deze maatregelen.
Kenmerk: 2023/565008
4/7
4. Programma Re-integratie is nagenoeg kostendekkend. Het programma Re-integratie is bedoeld voor werkzoekenden in de Participatiewet met een overbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt. De dienstverlening omvat re-integratietrajecten waarbij werkzoekenden worden ondersteund en bemiddeld naar werk. Jaarlijks worden afspraken gemaakt over het aantal trajecten en de invulling van de dienstverlening. De ontwerpbegroting voor het
onderdeel re-integratie is nagenoeg sluitend. Zowel de inkomsten als kosten stijgen min of meer in gelijke tred met de indexering.
5. Programma Jongeren is niet kostendekkend.
Het programma Jongeren, georganiseerd binnen het bedrijfsonderdeel 'Perspectief' biedt intensieve leerwerktrajecten aan voor jongeren tussen de 16 en 27 jaar die zijn uitgevallen in het reguliere
onderwijs. Het gaat om minimaal 50 leerlingen per jaar. De met de leerwerkbedrijven te realiseren 'eigen' netto omzet is niet toereikend om alle bedrijfskosten van 'Perspectief' geheel te dekken. Dit is ook logisch omdat de activiteiten waarmee de omzet wordt gerealiseerd in opleidingstrajecten
betreft. Om deze reden zijn er naast eigen omzet overige opbrengsten, zoals onderwijssubsidie,
gemeentelijke subsidie en ESF-subsidie, nodig om deze werkbedrijven te kunnen exploiteren. Voor 2024 is het EFS-subsidiebedrag begroot op € 300.000. Het begrote tekort op het programma Jongeren wordt met name veroorzaakt door stijging van de overige bedrijfskosten waaronder met name energie en huur en door stijging van de loonkosten.
6. Aanvullende bijdrage 2024 Spaarne Werkt De ontwerpbegroting 2024 resulteert voor alle deelnemers gezamenlijk in een aanvullende bijdrage van € 443.175. Het aandeel van Zandvoort hierin is € 15.720. In de Kadernota 2024 is in lijn met de
ontwerpbegroting een bijstelling opgenomen van € 17.500 structureel. Dit bedrag is met name
opgenomen ter dekking van het tekort op beschut werk, maar ook met het oog op de negatieve effecten van de hoge inflatie en loonstijgingen. 5. Risico's en kanttekeningen 1. Economische ontwikkelingen In de ontwerpbegroting wordt ervan uitgegaan dat met name de hoge inflatie in 2023 in 2024 zal
stabiliseren. Het is echter onzeker hoe de gevolgen van de inflatie ook in 2024 nog zullen doorwerken in de inkoopkosten of kosten voor ambtelijk personeel (cao loopt tot 31 december
2023). Voor 2024 is een aanname gedaan van 3,1% loonstijging. Daarnaast blijft de aanhoudende
krapte op de arbeidsmarkt een risico voor de verwachte instroom van deelnemers uit de doelgroepen van Spaarne Werkt. Een lagere instroom zet de verhouding tussen formatie en krimp in de organisatie verder onder druk.
Kenmerk: 2023/565008
5/7
2. Het verdienvermogen van Spaarne Werkt structureel onder druk Het verdienvermogen van Spaarne Werkt staat de komende jaren structureel onder druk vanwege
de ouder en beperkt inzetbaar wordende populatie van de Wsw, terwijl de instroom van nieuwe doelgroepen achterblijft en bovendien hogere begeleidingskosten met zich meebrengt. Het is van
groot belang om de kwetsbare doelgroep aan het werk te houden, maar ook om dit op een financieel gezonde manier te doen. Dat laatste kan niet zonder structurele hogere additionele bijdragen van gemeenten. Het bestuur heeft een extern onderzoek ingesteld naar een Duurzame Toekomst
Spaarne Werkt. Dat onderzoek moet inzicht geven in de bedrijfsvoering in relatie tot het verdienvermogen en scenario's aandragen. De resultaten hiervan worden medio 2023 verwacht. Hoewel de verwachting is dat de effecten van beide maatregelen in 2023 zichtbaar zijn, bestaat het risico dat de opgave waarvoor Spaarne Werkt staat niet volledig in 2024 is gerealiseerd.
3. Tekort beschut werk De kosten van de uitvoering van beschut werk en de financiering daarvan, zijn nadrukkelijk een punt van aandacht. Momenteel is de uitvoering van beschut werk fors verliesgevend en gemeenten zetten additionele financiering in om te komen tot een kostendekkende exploitatie. Het risico bestaat dat het tekort toeneemt bij een mogelijk grotere toename van het aantal fte's dan nu in de
ontwerpbegroting 2024 is geraamd. Een oplopend tekort zal of door verhoging van de gemeentelijke bijdrage of door aanwending van een deel van de algemene reserve van Spaarne Werkt moeten worden opgevangen. Het bestuur van Spaarne Werkt monitort de ontwikkelopgave zoals bij risico 2