Toelichting L. Steigerstraat 5a tm 5c vaststelling 2024
Tekst van het document
Archeologische resten worden hierbij vanaf circa 15 cm -Mv verwacht. In het kader van de geplande sloop van de bestaande garageboxen en de realisatie van een viertal appartementen in het plangebied, adviseert Transect een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Omdat in het plangebied archeologische resten en sporen verwacht worden, adviseert Transect dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een archeologische begeleiding (IVO-AB) tijdens de ondergrondse sloop van de garageboxen. Hierna kan in het plangebied, ter plaatse van de toekomstige bouwvlakken van de appartementen een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P) plaatsvinden. Vanwege het relatief kleine oppervlak (circa 128 m2) adviseert Transect de optie tot het uitvoeren van een aansluitende archeologische opgraving op te nemen. Voor een dergelijk gravend onderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat op voorhand van de werkzaamheden door de bevoegde overheid (de gemeente Zaltbommel) goedgekeurd moet zijn. Reactie namens bevoegd gezag Namens gemeente Zaltbommel is de regioarcheoloog Rivierenland akkoord met de resultaten en conclusies van dit onderzoek. Het advies is om de aanbevelingen uit het rapport (de aanbevelingen) in zijn geheel over te nemen. De ondergrondse sloop van de garageboxen zal archeologisch begeleid moeten worden.
Voor de locatie van de appartementen dient een proefsleuvenonderzoek met optie tot definitieve opgraving uitgevoerd te worden. Hiervoor zal eerst een Programma van Eisen opgesteld en vervolgens door het bevoegd gezag beoordeeld moeten worden.
29
Conclusie De ondergrondse sloop van de garageboxen zal archeologisch begeleid moeten worden. Voor de locatie van de appartementen dient een proefsleuvenonderzoek met optie tot definitieve opgraving uitgevoerd te worden. Hiervoor zal eerst een Programma van Eisen opgesteld en vervolgens door het bevoegd gezag beoordeeld moeten worden. 4.1.2
Cultuurhistorie Menselijke ingrepen hebben voor kenmerkende en waardevolle cultuurhistorische waarden gezorgd. In de gemeente Zaltbommel zijn waardevolle elementen aanwezig die een natuurlijke geschiedenis hebben en die een door de mens gevormde geschiedenis hebben. De gemeente Zaltbommel heeft een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd naar zowel waardevolle structuren, gebieden en dorpsgezichten als afzonderlijke elementen. Dat heeft geresulteerd in een inventarisatiekaart die op 7 juli 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld. Belangrijke cultuurhistorische waarden zijn: • • • • • • •
De aan de rivieren gerelateerde oeverwallen met bebouwingsstructuren; De wetering Capreton; De Nieuwe Hollandse Waterlinie; Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Zaltbommel en Nederhemert-Zuid); Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht (Gameren); Gemeentelijke en rijksmonumenten; Historische buitenplaatsen (Huis Brakel).
Planspecifiek De projectlocatie ligt in het beschermde stadsgezicht van Zaltbommel. Bij de stedenbouwkundige opzet en de architectuur is hier nadrukkelijk rekening mee gehouden (hierover zij verder verwezen naar hoofdstuk 3).
4.2
Milieu
4.2.1
Bedrijven en milieuzonering Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand heeft als doel bijvoorbeeld om ter plaatse van een 'gevoelig' object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt een milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Planspecifiek In de VNG-handreiking wordt een onderscheid gemaakt in richtafstanden voor omgevingstypen ‘gemengd gebied’, ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’.
30
De directe omgeving van het perceel Lange Steigerstraat 5a – 5c kan door de afwisseling van woningen, winkels en kleine (aan huis verbonden) bedrijven worden aangemerkt als een omgevingstype ‘gemend gebied’. De omliggende functies hebben enkel milieucategorie 1 of 2. Dat betekent dat er sprake is van een richtafstand van 10 meter. Aan de overzijde van de Lange Steigerstraat is een aantal functies aanwezig die binnen die 10 meter valt. Dit betreft echter de functies maatschappelijk, dienstverlening, en cultuur en ontspanning. Lange Steigerstraat 8 Voor dit perceel geldt een maatschappelijke bestemming. Hier zit een praktijk gevestigd voor haptonomie en kinderfysiotherapie. Deze functie veroorzaakt geen overlast voor de omgeving. Lange Steigerstraat 10 Voor dit perceel geldt de bestemming ‘Dienstverlening’. Hier is een schoonheids- en pedicuresalon gevestigd. Deze functie veroorzaakt geen overlast voor de omgeving. Lange Steigerstraat 12 Voor dit perceel geldt de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’. Hier is een kunstatelier gevestigd. Ook deze functie veroorzaakt geen overlast voor de omgeving. Geen van de aanwezige functies heeft een onaanvaardbaar negatieve invloed op de beoogde ontwikkeling. De beoogde functiewijziging heeft eveneens geen belemmerende werking naar diezelfde functies, mede omdat er reeds woningen op kortere afstand van de betreffende bedrijven aanwezig zijn.
Verder zijn in de omgeving van het plangebied (aan de Waterstraat) diverse centrumfuncties aanwezig. Het betreft horecagelegenheden, winkels, dienstverlenende bedrijven en maatschappelijke functies. Vanwege de ligging van het plangebied binnen het omgevingstype 'gemengd gebied' zijn deze functies direct aangrenzend aan het plangebied toegestaan (ook ten aanzien van deze functies wordt voldaan aan de richtafstanden). Kortom: in de directe omgeving zijn geen milieubelastende functies aanwezig die een belemmering zouden kunnen vormen voor de realisatie van de appartementen. Voorts betekent de komst van de appartementen eveneens niet dat het voortbestaan van omliggende (bedrijfs)functies in het geding zijn. Conclusie Gelet op het voorgaande bestaat er vanuit het oogpunt van ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan. 4.2.2
Geluid verkeer Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient inzichtelijk te worden gemaakt of de geluidsinvloed van omliggende wegen en spoorlijnen voldoet aan de grenswaarden die zijn gesteld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh hanteert de volgende hoofdindeling van geluidgevoelige gebouwen: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);
31
•
Geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).
Planspecifiek Door De Milieuadviseur is een akoestisch onderzoek opgesteld waarbij wordt ingegaan op de geluidsbelasting op de beoogde woningen (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Lange Steigerstraat, Zaltbommel, d.d. 2 augustus 2023, zie bijlage III). De Milieuadviseur komt tot de volgende conclusies. De omliggende 30 km-wegen hebben op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen zijn de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime. De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de omliggende 30 km-wegen, bedraagt 58 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB wordt voldaan. De geluidsbelastingen liggen binnen de geluidsnormen uit de Wgh. Op grond van de Wgh zijn de optredende geluidsbelastingen dan ook acceptabel. Daarbij dient, op grond van het Bouwbesluit 2012, wel een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai gegarandeerd te worden.
Volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. In een aanvullend bouwakoestisch onderzoek (dat wordt uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning) moet worden onderzocht of aanvullende gevelmaatregelen nodig zijn om de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit 2012 te halen. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. Conclusie Vanuit het oogpunt van geluid zijn er geen belemmeringen voor deze ontwikkeling. 4.2.3
Bodem Bij een planologische ontwikkeling moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie, in dit geval voor de functie wonen. Planspecifiek Binnen het plangebied is op door Verhoeven Milieutechniek BV een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd (Actualiserend (bodem)onderzoek, Lange Steigerstraat 5a-c te Zaltbommel, d.d. 14 september 2022, zie bijlage IV). Verhoeven Milieutechniek BV komt tot de volgende conclusies. Met de uitgevoerde onderzoeken is, formeel gezien, de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling (realisatie appartementen) ter plaatse van de Lange Steigerstraat 5a-c te Zaltbommel in onvoldoende mate onderzocht.
32
Aanvullend onderzoek wordt echter niet zinvol geacht, aangezien binnen de onderzoekslocatie geen sterke verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten voor koper die formeel aanleiding geven tot vervolg, zijn aangetroffen in de kleiige ondergrond vanaf 1,5 m-mv. Derhalve kunnen in de huidige situatie humane, ecologische en verspreidingsrisico’s kunnen worden uitgesloten, aangezien de verontreiniging in de diepe ondergrond is aangetoond en sprake is van immobiele parameters. De aangetroffen (licht) verhoogde gehalten voor zware metalen, waaronder koper in de ondergrond, zijn naar verwachting te relateren aan de ophogingen/dempingen in het verleden, wat kenmerkend is voor de binnenstad van Zaltbommel. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er volgens Verhoeven Milieutechniek BV derhalve geen bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling (realisatie appartementen), rekening houdend met onderstaande aanbevelingen. Indien bij toekomstige herontwikkeling en/of civieltechnische werkzaamheden sprake is van contact met de kleiige ondergrond met de licht (index > 0,5) verontreinigde grond zijn, afhankelijk van de werkzaamheden, een nader onderzoek en/of sanerende maatregelen mogelijk wel noodzakelijk. Geadviseerd wordt de asbesthoudende materialen op de locatie te verwijderen door een daartoe gecertificeerde onderaannemer.
Aanvullend wordt geadviseerd om, na verwijdering van de momenteel aanwezige belemmering, nog een maaiveldinspectie uit te voeren om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone. Mocht er asbest in de bodem worden aangetroffen en ontgraven moeten worden, zal dit worden gemeld bij het waterschap. Conclusie Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er geen bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling (realisatie appartementen), rekening houdend met bovenstaande aanbevelingen.
4.3
Externe Veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Beviinrichting, moeten worden aangehouden.
Planspecifiek - Risicovolle bedrijven
33
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid en een specifieke beoordeling van de Omgevingsdienst Rivierenland blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. - Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute (binnen de 200 meter), waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten het plasbrandaandachtsgebied. Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: § §
de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.
Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 30 mei 2023 een advies uitgebracht. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft geadviseerd om een centraal afschakelbare mechanische ventilatievoorziening voor te schrijven (dit wordt in de planregels opgenomen). Dat is een effectieve manier om giftige dampen buiten het gebouw te houden, bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen op de Waal. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert.
Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Hiervoor is in de planregels het aanbrengen van een centraal afschakelbare mechanische ventilatievoorziening voorgeschreven. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. - Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen en gelet op de in de planregels voorgeschreven centraal afschakelbare mechanische ventilatievoorziening, zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze
34
transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
4.4
Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (Wm). Het doel is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De implementatie van de kaderrichtlijn en dochterrichtlijnen is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien: • de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; • de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan; • de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; • gevoelige bestemmingen (waaronder woningen, scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding). Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet wordt overschreden, te weten: 1. Woningbouw: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 2. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Tevens is in het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het projectgebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt
35
voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Planspecifiek Het initiatief betreft de nieuwbouw van 4 woningen. Dit betekent dat de ontwikkeling ruim onder de NIBM-grenzen valt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Besluit milieueffectrapportage Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: -
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. 2. 3.
de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
Planspecifiek Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor het project aan de Lange Steigerstraat te Zaltbommel. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij de realisatie van de woningen is een vormvrije m.e.r.-beoordeling slechts noodzakelijk als het plan een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het uitwerkingsplan “Ravelijnstraat” in de gemeente Maastricht (ECLI:NL:RVS:2020:100). Uit deze uitspraak blijkt dat de bouw van 12 vrijstaande woningen door de Raad van State niet worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r..
36
Het voorliggend plan ziet op de realisatie van 4 woningen. Op basis van voornoemde uitspraak kan worden geconcludeerd dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.
4.6
Wet Natuurbescherming Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet vormt het belangrijkste juridische kader voor natuurbescherming en regelt de bescherming van flora en fauna, gebieden en bossen. Ook geeft de wet invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn via de aanwijzing van Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden Binnen de gemeente Zaltbommel liggen de Natura 2000-gebieden 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem en 'Uiterwaarden Waal'. Het natuurgebied Munnikenland en Loevestein dat onderdeel is van het Natura 2000-gebied 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem' ligt in het westen van de gemeente Zaltbommel. Het Natura 2000-gebied 'Kil van Hurwenen', dat deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Waal' ligt in het oosten van de gemeente Zaltbommel en, voor het overgrote deel, op het grondgebied van de gemeente Maasdriel. Voor Natura 2000-gebieden kan sprake zijn van externe werking. Dat betekent dat ontwikkelingen buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de instandhoudingsdoelen binnen de Natura 2000-gebieden. Gebiedsbescherming Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient te worden onderzocht of het plangebied in of bij een speciale beschermingszone (sbz) als bedoeld in de Wet Natuurbescherming ligt.
Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten mogen niet worden aangetast. Er is nagegaan of het plangebied zich in, of in directe omgeving van, beschermd natuurgebied bevindt. Soortbescherming Een ander doel van de Wet Natuurbescherming is het in standhouden van in het wild voorkomende plant- en diersoorten. Beschermde diersoorten zijn onder andere bijna alle zoogdieren, vogels, amfibieën en reptielen die van nature in het wild in Nederland voorkomen. De bescherming wordt geregeld op drie manieren. Ten eerste via het verbieden van handelingen die de instandhouding van soorten direct in gevaar kunnen brengen. Ten tweede kunnen kleine objecten (bijv. grot, fort) of terreinen worden aangewezen als beschermd gebied als het gebied van groot belang is voor het voortbestaan van een soort. En ten derde moet voor ingrepen, waarbij soorten of objecten zijn betrokken die vallen onder de Wet Natuurbescherming, een ontheffing worden aangevraagd. Bescherming houtopstanden De oude Boswet kende twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit tevoren melden en heeft de plicht om hetzelfde areaal te herplanten. Dit instrumentarium blijft behouden. Provincies gaan bepalen welke
37
gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Planspecifiek Voor de projectlocatie is door Blom Ecologie een quickscan uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte (Quickscan Wet Natuurbescherming, Lange Steigerstraat ong. te Zaltbommel, d.d. 8 augustus 2022, zie bijlage V). Blom Ecologie komt tot de volgende conclusies: §
De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
§
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aerius-berekening is niet noodzakelijk.
§
Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Om daadwerkelijk uit te kunnen sluiten dat er negatieve effecten zijn op Natura2000-gebieden heeft Walraven Advies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Stikstofdepositie-onderzoek (aanleg- en gebruiksfase), project: Lange Steigerstraat ong. Zaltbommel, d.d. 25 april 2023, bijlage VI). Walraven Advies komt tot de conclusie dat voor de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat de activiteiten niet leiden tot een andere of hogere stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N per hectare per jaar stikstofdepositie op de omringende Natura 2000−gebieden. Dat betekent dat er geen vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming en kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000−gebieden worden uitgesloten. Conclusie Vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming bestaan er geen belemmeringen voor dit initiatief.
4.7
Niet-gesprongen Conventionele Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als Niet-Gesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers
38
en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente. Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel ‘verdachte’ gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven. Planspecifiek Uit de explosievenkansenkaart Bommelwaard blijk dat de planlocatie binnen het gebied ligt waarbij er een verhoogde kans is op het aantreffen van niet gesprongen explosieven. Op het moment dat een ontwikkeling valt binnen verdacht gebied voor wat betreft aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven, adviseert de gemeente Zaltbommel in samenspraak te kijken of vervolgonderzoek nodig is. De voorgenomen ontwikkeling vindt echter plaats in naoorlogse vergraven of verstoorde grond, aangezien zich hier al een gebouw bevond. Het is daarom redelijkerwijs aan te nemen dat eventueel aanwezige explosieven toen al zijn opgemerkt dan wel weggenomen.
Hierdoor is nader onderzoek naar niet-gesprongen explosieven niet nodig. Wel dient in alle gevallen het Protocol Toevalsvondst te worden nageleefd. Het aspect nietgesprongen explosieven zal daarom ook geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van de appartementen. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat er geen belemmering aanwezig is wat betreft eventueel aanwezige explosieven.
4.8
Water en riolering
4.8.1 Water Algemeen De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), vormt het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving in het bestemmingsplan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze paragraaf gaat daar nader op in. Via de ‘De Digitale Watertoets’ (www.dewatertoets.nl) kan een automatisch gegenereerd advies worden opgevraagd waaruit blijkt of overleg met het waterschap noodzakelijk is. Wanneer het plan uit deze toets het advies 'geen belang' krijgt, hoeft het plan niet meer aan het waterschap voorgelegd te worden. Onderzoek Onderstaand zijn de consequenties van de herontwikkeling vanuit het aspect water beschreven. Dit op basis van de opgestelde watertoets (bijlage IX) voor het plangebied. Verharding Wanneer er sprake is van verharding en de eventuele plicht tot compenserend waterberging, is het mogelijk om eenmalig gebruik te maken van een vrijstelling.
Dat geldt voor bij plannen binnen stedelijk gebied tot een maximale toename van verharding van 500 m2 en bij plannen in het landelijk gebied tot een maximale toename van verharding van 1.500 m2, mits de
39
initiatiefnemer nog niet eerder gebruik heeft gemaakt van een vrijstelling. Dit perceel telt als stedelijk gebied. Uit onderstaande tabel blijkt dat er sprake zal zijn van een toename van verharding van bijna 2 m2. Er is sprake van een totaal onverhard oppervlak van 58,92 m2. Hier zal echter een vorm van halfverharding worden toegepast.
Fig. 4.2 Overzicht oppervlakte huidige en toekomstige verharding
De (theoretische) conclusie is dat de oppervlakte aan verharding op dit perceel iets toeneemt. Voor dit gebied hoeft echter geen compensatie van verharding te worden aangelegd, omdat initiatiefnemer nooit eerder van deze vrijstelling gebruik heeft gemaakt. Watergangen en status watergangen Binnen of ter plaatse van het plangebied bevinden zich geen watergangen. Wel bevindt de locatie zich binnen de beschermingszone van een primaire waterkering (zie figuur 4.3). Voor werken en werkzaamheden in, op en in de buurt van wateren, waterkeringen en wegen die in beheer van Waterschap Rivierenland zijn, heeft het waterschap regels opgesteld. Deze regels zijn in de verbodsverordening van het waterschap, de Keur Waterschap Rivierenland 2014 uitgewerkt. De keur geeft het waterschap de grondslag voor het stellen van eisen aan werken en werkzaamheden in, op en in de buurt van wateren, waterkeringen en wegen. De realisatie van dit bouwplan heeft geen relevante gevolgen voor de instandhouding van deze primaire waterkering. Daarbij is het wel van belang dat er kruipruimteloos wordt gebouwd. Er zal in dit geval ook geen kruipruimte worden aangebracht. Voor het realiseren van onderhavig bouwplan is een watervergunning nodig.
40
Fig. 4.3 Uitsnede Legger Waterkeringen Waterschap Rivierenland (projectlocatie: rode pijl)
Wateropgave Uit de hiervoor beschreven situatie volgt dat geen wateropgave noodzakelijk is. Drooglegging Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden dient hier nader onderzoek naar te worden gedaan. Dat is hier echter niet aan de orde. Afvalwater Langs de Lange Steigerstraat is een gemengd rioolstelsel aanwezig. De nieuwbouw zal aan dat gemengde rioolstelsel worden aangesloten. Vanuit het nieuw te bouwen woongebouw wordt het afvalwater wel gescheiden aangeboden. Doordat er nieuwe appartementen op deze locatie komen waar eerst garageboxen stonden, is er een toename van belasting op het rioleringsstelsel. De gemeente heeft aangegeven dat het rioleringsstelsel hier voldoende capaciteit voor heeft. In dit kader wordt nog opgemerkt dat er geen gebruik zal worden gemaakt van uitloogbare materialen bij het aanleggen van nieuwe riolering.
Hemelwater Het hemelwater wordt via het rioleringsstelsel in de binnenstad afgevoerd. Niettemin wordt ook geprobeerd om zoveel water op eigen perceel op te kunnen vangen. Voor wat betreft de erfverharding wordt gekozen voor ‘half-verharding’. Dat draagt bij aan de
41
infiltratiemogelijkheden van de locatie. Het is overigens niet mogelijk om het gedeelte van het plan met een plat dak te voorzien van een groen dak, omdat er de voorkeur aan wordt gegeven om op dit gedeelte van de bebouwing zonnepanelen te leggen. Voorts zal er gebruik gemaakt worden val (slimme) regentonnen, waardoor er sprake is van extra opvangcapaciteit van hemelwater. Ook zal in de buitenruimte een vorm van halfverharding worden toegepast. Onderzocht wordt nog of het mogelijk is om een groen dak aan te leggen. De initiatiefnemer wil de appartementen echter ook voorzien van zonnepanelen op het dak. Of dit beide kan (groen dak en zonnepanelen) wordt nog nader onderzocht. Conclusie Het plan voldoet aan de waterhuishoudkundige eisen die de gemeente en het waterschap eraan stellen.
4.9
Leidingen Planspecifiek Binnen het plangebied bevinden zich geen leidingen die planologisch relevant zijn. Conclusie Binnen dit bestemmingsplan beschermingszones opgenomen.
zijn
geen
relevante
leidingen
met
bijbehorende
42
5
Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de voor dit project relevante aspecten met betrekking tot het parkeren en met betrekking tot de ontsluiting van het gebied.
5.1
Parkeren Voor de betreffende appartementen wordt ingevolge de Parkeernota Zaltbommel 2018 uitgegaan van 1,5 parkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 parkeerplaatsen voor openbaar parkeren. Dat betekent dat er in totaal 6 parkeerplaatsen nodig zijn. Het plangebied biedt geen ruimte om in deze parkeerplaatsen te kunnen voorzien (zie figuur 5.1). Het is ook niet mogelijk om hier parkeren te realiseren, om de navolgende redenen: § § § § §
Het betreft hier de binnenstad van Zaltbommel, die de bewoners zelf juist graag zoveel mogelijk autoluw willen hebben (en de gemeente volgens mij ook); Het betreft hier het beschermde stadsgezicht, auto's in het straatbeeld doen daar afbreuk aan; Met het creëren van parkeerruimte voor auto's wordt echt afbreuk gedaan aan het concept / ontwerp van het plan, m.b.t. binnenplaatsje; Ontwerp, architectuur dient in de binnenstad van Zaltbommel te prevaleren boven parkeren; De straat, de Lange Steigerstraat, leent zich niet goed voor verkeer: het is erg smal. Dat betekent dat in- en uitdraaien heel lastig is, en onoverzichtelijk zal zijn (ook niet goed in het kader van verkeersveiligheid).
Er is op circa 250 meter lopen een grote parkeerplaats aanwezig. Die parkeerplaats biedt voldoende parkeergelegenheid.
5.2
Verkeer Om te bepalen hoeveel verkeersbewegingen de woningen in het plan genereren, wordt gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381 (toekomstbestendig parkeren). De locatie wordt getypeerd als "matig stedelijk gebied" in "centrum". Voor wat betreft de verkeersgeneratie gaat de CROW uit van 6,4 tot 7,2 verkeersbewegingen. Dat is gemiddeld 6,8 verkeersbewegingen. Dat betekent een verkeersgeneratie van in totaal 27,2 verkeersbewegingen. Dit is een zodanig beperkte toename dat ervan kan worden uitgegaan dat dit op te vangen is binnen de huidige verkeersinfrastructuur.
43
6
JURIDISCHE PLANOPZET
6.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: a. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkelbestemming’ (dat is dé bestemming) en soms geldt er een ‘dubbelbestemming’ (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. b. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld.
Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsvoorschrift, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen voorschrift hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
6.2
Methodiek
6.2.1
Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).
6.2.2
Regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te
44
waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Iedere artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel omgevingsvergunningplichtige werken en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan.
Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, een regel met betrekking tot bestaande afmetingen, afstanden en percentages (zo worden de bouwwerken die afwijken van de regeling in het bestemmingsplan ‘positief’ bestemd), algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkings- en wijzigingsregels, algemene procedureregels (deze hangt samen met de afwijkingsregels in het bestemmingsplan) en een regel die de verhouding tot de gemeentelijke bouwverordening regelt. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk een overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
6.3
Bestemmingen Dit bestemmingsplan kent één bestemming, namelijk ‘Wonen’. De bestemmingsregels kennen allen veelal eenzelfde opbouw met de volgende leden: lid 1: lid 2: lid 3: lid 4: lid 5: lid 6:
bestemmingsomschrijving bouwregels afwijkingsregels (van bouwen) specifieke gebruiksregels (indien aanwezig), omgevingsvergunningplichtige werken (indien aanwezig) afwijkingsregels (van gebruik) parkeernorm
De bestemmingsomschrijving is de centrale regel van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving.
45
7
UITVOERBAARHEID Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
7.1
Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht worden respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling van de planlocatie aan de Lange Steigerstraat te Zaltbommel is een ontwikkeling van een particulier. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de ontwikkelende partij. Om de gemeentelijke kosten die gemaakt worden bij uitvoering van voorgestane ontwikkeling te verhalen, is een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst is ook een regeling opgenomen inzake het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade.
Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1 Vooroverleg Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Er is een reactie ingediend door het Waterschap Rivierenland, die leidde tot een kleine aanpassing van de toelichting van het plan.
46
7.2.2 Voorontwerp-bestemmingsplan Het voorontwerp-bestemmingsplan heeft van donderdag 9 november 2023 tot en met woensdag 29 november 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er 2 inspraakreacties ingediend. Voor een inhoudelijke reactie op deze inspraakreacties wordt verwezen naar bijlage VII. De ingediende inspraakreacties geven geen aanleiding om het plan te wijzigen c.q. af te zien van deze ontwikkeling.
7.2.3
Ontwerp-bestemmingsplan ter inzage Het ontwerp-bestemmingsplan heeft conform het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor zes weken ter inzage gelegen, van donderdag 28 december 2023 tot en met woensdag 7 februari 2024. Gedurende deze termijn is er 1 zienswijze ingediend, namelijk door het Waterschap Rivierenland. De opmerkingen van het waterschap zagen op de inhoud van de waterparagraaf. Het betrof hier opmerkingen die op 29 november 2023 reeds aan de gemeente zijn kenbaar gemaakt, in het kader van de inspraakprocedure. Abusievelijk waren deze opmerkingen niet verwerkt in de toelichting op het ontwerp-bestemmingsplan. De opmerkingen zijn nu alsnog verwerkt. Het betreft onderstaande opmerkingen (cursief): In de tekst staat nu dat het plangebied in de buitenbeschermingszone ligt van het waterstaatswerk. Echter ligt dit in de beschermingszone. Graag dit aanpassen in de tekst. Reactie: Aangepast. Tevens wordt gemeld dat onderzocht zal worden of infiltratiekratten kunnen worden toegepast. Gezien de ligging in de beschermingszone is dit niet mogelijk. Reactie: Aangepast. Gezien de ligging in de beschermingszone dient kruipruimteloos gebouwd te worden. Hier wordt nog niets over gemeld in de toelichting of men dit eventueel voornemens was: dit graag toevoegen.
Reactie: Aangegeven dat er kruimruimteloos zal worden gebouwd. Er wordt geadviseerd de asbesthoudende materialen te verwijderen en een maaiveld inspectie te doen: mocht er asbest in de bodem worden aangetroffen en ontgraven moeten worden dit graag ook melden bij het waterschap. Reactie: Aangevuld. In de tekst staat dat het plangebied als landelijk gebied wordt gezien. Het plangebied ligt echter in de bebouwde kom dus wordt door het waterschap gezien als stedelijk gebied, dit graag corrigeren. Reactie: Aangepast.
47
Doordat er nieuwe appartementen op deze locatie komen waar eerst garageboxen stonden, is er een toename van belasting op het rioleringsstelsel. Graag dit in overleg met de gemeente of het rioleringsstelsel hier voldoende capaciteit voor heeft. Reactie: Is gedaan. Er blijkt voldoende capaciteit te zijn. Graag in de tekst opnemen dat er geen gebruik mag worden gemaakt van uitloogbare materialen bij het aanleggen van nieuwe riolering. Reactie: Aangepast. Conclusie De door het waterschap ingediende zienswijze heeft niet geleid niet tot het wijzigen c.q. afzien van deze ontwikkeling.
7.2.4
Burgerparticipatie De initiatiefnemer heeft in het kader van het vooroverleg contact gelegd met omwonenden en een toelichting gegeven op de plannen. Ook heeft er een informatieavond plaatsgevonden d.d. 3 maart 2022. De reacties op het plan waren overwegend positief. Een klein aantal omwonenden heeft bedenkingen tegen het plan vanwege de gevolgen van de verdichting van de locatie, en vanwege de ontwerpstijl die is gekozen. Een groter aantal omwonenden heeft geen bezwaren tegen het plan. De realisatie van dit plan heeft gevolgen voor de locatie en de directe omgeving. De realisatie van het plan wordt als een verbetering beschouwd van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De impact op de stedenbouwkundige omgeving wordt echter als aanvaardbaar beschouwd. Ook het woon- een leefklimaat van omwonenden zal niet op onaanvaardbare wijze worden aangetast.
Bijlagen: I. II. III. IV. V. VI.
VII.
Beeldkwaliteitplan Lange Steigerstraat 5abc Zaltbommel, d.d. 2 oktober 2023 Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend, Lange Steigerstraat, Zaltbommel, Transect, d.d. 26 januari 2023, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Lange Steigerstraat, Zaltbommel, De Milieuadviseur, d.d. 2 augustus 2023 Actualiserend (bodem)onderzoek, Lange Steigerstraat 5a-c te Zaltbommel, Verhoeven Milieutechniek BV, d.d. 14 september 2022 Quickscan Wet Natuurbescherming, Lange Steigerstraat ong. te Zaltbommel, Blom Ecologie, d.d. 8 augustus 2022 Stikstofdepositie-onderzoek (aanleg- en gebruiksfase), project: Lange Steigerstraat ong. Zaltbommel, Walraven Advies, d.d. 25 april 2023 Nota beantwoording inspraakreacties voorontwerp-bestemmingsplan Zaltbommel, Lange Steigerstraat 5 a – 5c
48