Rapport raadsonderzoek storten en tekorten
Tekst van het document
Het actief informeren van de gemeenteraden over de dreigende financiële problemen na het besluit van GS over de rekenrente, had (mede) het doel om hen te mobiliseren tot een protest bij de provincie. Het was de bedoeling dat raadsleden hun partijgenoten in Provinciale Staten zouden bewegen om het GS-besluit over het nazorgfonds te verwerpen of te amenderen. Veel raadsleden
53
deden dat, maar ook veel raadsleden niet. Een deel van de raadsleden voelde zich niet prettig bij het verzoek, zeker omdat ze verrast waren door de alarmerende financiële berichten en niet volledig op de hoogte waren van de achtergrond hiervan. In Provinciale Staten werkte de lobby voor een deel averechts, ook omdat het niet-accepteren van het GS-besluit de financiële problemen van de provincie verder zou vergroten. Door de intensieve lobby –vanuit de raden, het Avri-bestuur én de Avri-directie – voelden sommige Statenleden zich enigszins onder druk gezet. In hun inbrengen tijdens de Provinciale Statenvergadering van 28 oktober 2020 lieten ze weten de indruk te hebben dat Avri zijn zaken financieel niet op orde had en dat gemeenten onvoldoende toezicht hierop hadden gehouden. Deze beeldvorming over Avri in Provinciale Staten versterkte het negatieve beeld bij raadsleden over Avri. Het verwijt dat gemeenten Avri te weinig hadden gecontroleerd, trokken ook zij zich aan. PS nam het besluit om onder meer de rekenrente te verlagen aan, zonder daarin een uitzondering te maken voor Avri. Wel haalde een amendement een meerderheid om GS te verzoeken met de aan Avri deelnemende gemeenten het gesprek aan te gaan “om tot afspraken te komen om de financiële gevolgen van de aanpassing van de rekenrente te verzachten”.
Conclusies: het functioneren van de gemeenschappelijke regeling Avri Naast de eerste vijf conclusies die direct betrekking hebben op de casus van dit onderzoek zijn op basis van de reconstructie ook een viertal aanvullende conclusies te trekken die raken aan het functioneren van de gemeenschappelijke regeling Avri. Deze conclusies helpen te begrijpen waarom de gang van zaken rondom de verlaging van de rekenrente het verloop heeft gehad die het heeft gehad. Conclusie 6: Dé Avri bestaat niet: gemeenten nemen verschillende diensten af en betrokkenheid van raden is verschillend georganiseerd. Dit bemoeilijkt het gezamenlijk en eensgezind tegemoet treden van Avri. Voor de acht aan Avri deelnemende gemeenten is hun relatie tot de gemeenschappelijke regeling niet gelijk. Een deel van de gemeenten neemt alleen de basisdienstverlening van afvalverwijdering en -verwerking af, anderen hebben gekozen om bijvoorbeeld ook het beheer van de openbare ruimte bij Avri onder te brengen (de plustaken). Voor deze plustaken zijn separate dienstverleningsovereenkomsten gesloten. Hoewel gemeenten verschillende diensten afnemen van Avri, gaat het in de beleving van inwoners en raadsleden echter om één organisatie.
Dit heeft als gevolg dat er weliswaar een gemeenschappelijke deler bestaat tussen de gemeenten, maar dat dé Avri niet bestaat en de ervaringen met het functioneren ervan ook zeer verschillend kunnen zijn. Het is hierdoor lastig om als gemeenten en gemeenteraden Avri eensgezind tegemoet te treden. Dat uit zich ook in de betrokkenheid van de gemeenteraden bij Avri. De gemeenteraden van Tiel en Culemborg hebben ieder een raadsrapporteur die de besluitvorming van Avri met bijzondere aandacht volgt en daarover rapporteert aan de gemeenteraad. In de andere gemeenten bestaat een dergelijke constructie niet, wat onderlinge afstemming bemoeilijkt.
54
Conclusie 7: Gemeenten geven beperkt invulling aan hun eigenaarschap van Avri. In de relatie tussen gemeenten en een gemeenschappelijke regeling zijn verschillende rollen te onderscheiden. Enerzijds is een gemeente opdrachtgever en neemt zij een bepaalde dienstverlening af bij de regeling, bijvoorbeeld de afvalverwijdering en -verwerking in het geval van Avri. Vanuit deze rol is het de vraag of de gemeente waar krijgt voor haar geld: worden de afgesproken doelen behaald tegen de afgesproken kosten? Anderzijds is de gemeente ook (mede-)eigenaar van de gemeenschappelijke regeling en daarmee ook opdrachtnemer. In die hoedanigheid bestaat er een verantwoordelijkheid om de kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening en de samenwerking te bewaken. Binnen Avri-verband lijkt de rol van eigenaar ondergeschikt te zijn geweest aan de rol van opdrachtgever. Op zichzelf is dat begrijpelijk: de opdrachtgeversrol gaat over dienstverlening aan gemeenten en inwoners en raakt hun belangen rechtstreeks, terwijl de eigenaarsrol betrekking heeft op het functioneren van de organisatie van Avri en daarmee verderaf staat van raad en college. Zo hebben gemeenten ervoor gekozen om de afvalstoffenheffing zo laag mogelijk te houden.
Vanuit de opdrachtgeversrol een logische wens, maar minder aandacht was er voor het eigenaarsaspect dat dit zou leiden tot een problematische daling van het weerstandsvermogen. De financiële gezondheid van Avri staat sinds 2018 weliswaar op de agenda, maar tot nu toe is het nog niet gelukt het weerstandsvermogen substantieel te laten stijgen. Hoewel het eigenaarschap en opdrachtgeverschap verschillende verantwoordelijkheden met zich meebrengen, hebben gemeenten deze bij hetzelfde collegelid ondergebracht (in ieder geval waar het de verantwoordelijkheid voor afvalverwijdering en -verwerking betreft). Portefeuillehouders hebben zo een dubbele pet op. In de rol van eigenaar, waar het in deze casus om draait, zijn portefeuillehouders als AB-lid weinig zichtbaar en de rol krijgt beperkte invulling. Naast de toerusting van de ambtelijke organisaties (zie conclusie 9) verklaart dit waarom er in overleggen met de provincie zo sterk geleund werd op de directeur van Avri en zijn ambtelijk apparaat. Het te weinig invulling geven aan het eigenaarschap van Avri uit zich ook in de focus van gemeenteraden en colleges (al dan niet in hun rol als AB/DB-lid). Vanuit de opdrachtgeversrol is het te begrijpen dat er veel aandacht uitgaat naar de geleverde dienstverlening door Avri, zoals de wijze waarop de afvalverwijdering en -verwerking wordt uitgevoerd en tegen welke kosten dat gebeurt.
De belangrijkste spelers in het veld zijn dan Avri als uitvoeringsorganisatie en de gemeenten zelf, inclusief hun inwoners. Vanuit de eigenaarsrol is echter een breder speelveld relevant en is het nodig meer oog te hebben voor het bredere politiek-bestuurlijke speelveld waarin Avri opereert. Daarin doen de gemeenten ertoe, maar daarnaast onder meer ook de provincie. De aandacht daarvoor zien we in de casus van dit onderzoek weinig terug bij raden en colleges, terwijl dit wel had kunnen bijdragen aan het tijdig signaleren van de urgentie van – toen nog – mogelijke rekenrenteverlaging. Conclusie 8: De lijnen van informatievoorziening en sturing tussen gemeenteraden, colleges en Avri zijn niet eenduidig en lopen in de praktijk door elkaar. De rol van het AB is beperkt, in tegenstelling tot wat op basis van de GR Avri verwacht mag worden. De weinig zichtbare rol van de portefeuillehouders dan wel AB/DB-leden speelt ook in de informatievoorziening aan gemeenteraden. In de gemeenschappelijke regeling is de lijn formeel gemeenteraad – college – AB – DB – Directeur / ambtelijke organisatie Avri. In de praktijk zien we dat informatievoorziening, sturing en controle zowel via de eigen portefeuillehouder verloopt, bijvoorbeeld bij het indienen van zienswijzen, als dat er een rechtstreekse lijn bestaat tussen gemeenteraden en Avri.
Bij gemeenten met Avri-raadsrapporteurs (Culemborg en Tiel) is deze rechtstreekse lijn nog sterker.
55
Anders dan formeel is geregeld in de GR Avri, hebben de gemeentelijke portefeuillehouders in deze casus dus slechts een beperkte rol in de sturing en verantwoordingsrelatie tussen de gemeenteraden en Avri. Zo komt de informatie over het functioneren van Avri vooral uit de P&C documenten van Avri zelf, die rechtstreeks vanuit Avri aan de gemeenteraden worden verzonden. Daarnaast spelen de platformbijeenkomsten een belangrijke rol in de informatievoorziening en sturing. Het verloop van deze bijeenkomsten in de praktijk draagt niet bij aan de helderheid van de sturings- en verantwoordingslijnen en brengt het AB weinig in positie ten opzichte van de gemeenteraden. De platformbijeenkomsten worden geleid door de voorzitter van het DB/AB en de directeur van Avri en zij voeren vooral het woord. De overige leden van het DB/AB hebben hierin geen rol. Verder vinden de bijeenkomsten plaats voorafgaand aan AB-vergaderingen. Het doel daarvan is dat de inbreng van raadsleden uit de platformbijeenkomsten nog kan worden meegenomen in de daaropvolgende ABvergadering. In de huidige situatie leiden platformbijeenkomsten echter zelden tot wensen en bedenkingen over de onderwerpen op de agenda van het AB; door het AB wordt hier doorgaans ook niet om gevraagd. Er vindt weinig discussie tussen raadsleden onderling plaats.
Specifiek voor de verhouding tussen het AB en het DB zien we dat formeel het AB het DB weliswaar ter verantwoording kan roepen, maar dat dit rondom de verlaging van de rekenrente niet is gebeurd. Door het AB zijn – net als door de gemeenteraden - nauwelijks vragen gesteld over de omgang met de financiële risico’s van de overdracht van de stortplaats. Gegeven de informatie die het AB tot zijn beschikking had is dit niet heel verrassend. Hun informatiepositie was min of meer gelijk aan die van de gemeenteraden (en soms kwam de informatie zelfs later). Volgens de GR-Avri dient het DB het AB alle inlichtingen te verschaffen die het voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Door het AB pas laat te informeren over de financiële risico’s van een mogelijke rekenrentedaling, is niet ten volle conform deze eis gehandeld. Conclusie 9: Gemeenteraden, colleges en ambtelijke organisaties van gemeenten zijn onvoldoende toegerust om adequaat tegenspel te bieden aan Avri. De taken en financiën van Avri zijn voor raadsleden lastig te doorgronden. Dat geldt in mindere mate ook voor de portefeuillehouders in het AB. Het blijkt voor hen vaak moeilijk te bepalen wat politiek relevant is en wat niet.
Raden worden via de P&C-stukken weliswaar geïnformeerd, maar gezien de complexiteit van de taken wordt duiding gemist om de bestuurlijke en financiële betekenis van voorliggende besluiten goed in te kunnen schatten. Het DB van Avri of de eigen ambtelijke organisatie (via portefeuillehouder) kunnen hierin voorzien, maar dat gebeurt niet of nauwelijks. Hierdoor ontbreekt het aan goede checks & balances: het Avri-bestuur krijgt weinig tegenspel. De ambtelijke organisaties van de deelnemende gemeenten hebben niet altijd even veel zicht op wat er speelt bij Avri. Hierdoor kan de ambtelijke ondersteuning van wethouders om in het AB hun rol goed te kunnen vervullen sterker zijn. Het ontbreekt gemeentelijke accounthouders aan tijd om Avriaangelegenheden goed te volgen, waardoor wethouders niet voldoende worden ondersteund bij het duiden van Avri-informatie. Bovendien is het accounthouderschap in de meeste gemeenten gescheiden van de financiële expertise. Gemeenten en hun AB-leden en raden waren hierdoor niet in staat om de financiële afwikkeling van de overdracht van de stortplaats kritisch te volgen.
56
Lessen Op basis van de reconstructie en de gepresenteerde analyse en conclusies zijn een viertal lessen te formuleren voor de toekomst. Deze lessen raken aan de gemeentelijke omgang met Avri, maar zijn ook relevant voor de relatie tussen gemeenten en gemeenschappelijke regelingen in meer algemene zin. Les 1: Besef dat hoe technisch een onderwerp ook is, er altijd een politieke component bestaat die ineens urgent kan worden. Bestuurlijke betrokkenheid, of een systeem om indien nodig snel te kunnen opschakelen, is dan ook essentieel. De gang van zaken rond de verlaging van de rekenrente en de overdracht van de stortplaats in Geldermalsen is illustratief voor hoe technische kwesties politiek urgent kunnen worden. De eerste signalen van verlaging van de rekenrente deden zich voor op een provinciaal toneel dat op afstand stond van Avri - laat staat van de individuele gemeenten - en speelden zich af in een context van landelijke discussies over de Nazorgwet, complexe begrotingsregels en dalende beleggingsrendementen. Bovendien is het een kwestie die niet dagelijks speelt. Al met al maakt dit een thema voor financiële fijnproevers. De casus werd politiek urgent toen bleek dat er grote financiële consequenties zouden zijn voor de gemeenten en daarmee indirect ook voor hun inwoners als de renteverlaging daadwerkelijk onverkort doorgang zou vinden.
De les die hieruit te trekken is, is dat ook bij heel technische onderwerpen steeds de vraag gesteld moet worden wat politiek-bestuurlijk relevant is of kan worden. Die inschatting vraagt in eerste instantie iets van de ambtelijke organisatie, maar bestuurders hebben zeker ook zelf een rol in het signaleren van politiek-bestuurlijke aandachtspunten. Daar is (tijdige) bestuurlijke betrokkenheid voor nodig. Uit deze casus volgt dat een indicatie is of ontwikkelingen potentieel grote financiële consequenties met zich meebrengen, die ook inwoners direct kunnen raken. Maar uit eerder onderzoek weten we dat er meer indicaties zijn om alert op te zijn, zoals of ontwikkelingen raken aan de gezondheid of veiligheid van inwoners. Zijn dergelijke indicaties aanwezig bij een onderwerp of ontwikkeling? Dan is het zaak om voor zover dat nog niet is gebeurd de bestuurlijke betrokkenheid op te schalen. In bredere zin geldt dat de gemeenten Avri behandelen als een uitvoeringsorganisatie waar zij diensten van afnemen, terwijl Avri inmiddels ook beleidsmatige taken heeft op het gebied van duurzaamheid, energie en in enige mate ook sociaal beleid. De politieke en bestuurlijke betrokkenheid dient met dit maatschappelijke, beleidsmatige en financiële belang in evenwicht te zijn. Op dit moment is dat nog niet het geval.
De overige drie lessen bieden aanknopingspunten voor hoe de politieke en bestuurlijke betrokkenheid bij Avri verstevigd kan worden. Les 2: Aandacht vanuit de gemeenten voor de eigenaarsrol verdient versterking. Dat betekent onder meer een zichtbare en duidelijke rol voor colleges (in AB/DB) en ambtelijk tegenspel vanuit gemeenten zelf. De bestuurlijke betrokkenheid van gemeenten bij Avri komt niet meer overeen met het bestuurlijke belang ervan. In deze casus is dat nog het meest duidelijk zichtbaar in de eigenaarsrol, die nu onvoldoende tot zijn recht komt. Een les is daarmee om niet alleen aandacht te hebben voor de rol van opdrachtgever, maar ook expliciet voor die van eigenaar. Die aandacht zou zowel georganiseerd moeten worden binnen de gemeenten zelf als binnen Avri. Voor gemeenten zelf betekent deze les allereerst dat strategische vraagstukken die het functioneren van Avri betreffen eerder geagendeerd moeten worden in raad en college. Daarnaast kan het helpen
57
om het eigenaarschap beter en duidelijker te verankeren, door deze rol binnen het college te scheiden van het opdrachtgeverschap. Dat betekent dat de wethouder met de inhoudelijke Avriportefeuille (afval, milieu en dergelijke) zich opstelt als opdrachtgever en een andere wethouder (bijvoorbeeld met de portefeuille financiën) de eigenaarsrol voor zijn of haar rekening neemt en zitting neemt in het AB of DB van Avri. Dit kan ook bijdragen aan het voor ogen houden dat Avri in een breder speelveld opereert dan alleen de gemeenten die deelnemen aan Avri. De ambtelijke organisatie dient bovendien voldoende toegerust te zijn in capaciteit en kennis om goed tegenspel te kunnen bieden. Dat betekent niet de taken van de ambtelijke organisatie van Avri overnemen, maar wel de juiste vragen kunnen stellen om tijdig relevante ontwikkelingen te signaleren. Binnen Avri kunnen de gemeenten steviger de eigenaarsrol vervullen door de positionering van het DB en het AB te versterken. In de praktijk wordt veel overgelaten aan de directeur en het ambtelijk apparaat van Avri. Dat past bij een klassieke uitvoeringsorganisatie, maar omdat Avri inmiddels meer is dan dat én regie nodig is op de eigenaarsrol, is het zaak dat AB en DB een sterkere rol nemen en krijgen.
Binnen Avri betekent dit dat – in aansluiting op de formele lijnen in de GR Avri - het AB zich meer focust op kaderstelling en controle, het DB op beleidsvoorbereiding en beleidsaansturing en het ambtelijk apparaat op beleidsadvisering en -uitvoering. Richting de gemeenten betekent het dat het AB en DB zich beter en duidelijker verantwoorden over het gevoerde beleid richting gemeenteraden en samenleving. De directeur speelt hier dan geen rol meer in. Het eigenaarschap van Avri krijgt zo vanuit gemeentelijk perspectief een betere eigenstandige rol. Kortom, ben als gemeenten ook bestuurlijk zelf het gezicht van en in de lead bij Avri. Om in het bijzonder de rol van het AB te versterken zijn er twee zaken die aanvullend aandacht verdienen: 1) de inrichting van de platformbijeenkomsten en 2) de informatievoorziening aan het AB. De platformbijeenkomsten vinden nu plaats voorafgaand aan de AB-vergaderingen. Het idee is dat de gemeenteraden hun AB-leden dan kunnen instrueren voor hun opstelling in het AB. In de praktijk pakt dit echter anders uit, onder meer omdat er nauwelijks discussie plaatsvindt tussen raadsleden en het AB onzichtbaar is tijdens de bijeenkomsten. Daarmee dragen de platformbijeenkomsten in hun huidige opzet en uitvoering onvoldoende bij aan de sterke positionering van het AB.
Als het gaat om de informatievoorziening beschikten AB-leden niet over voldoende informatie om de juiste vragen te kunnen stellen. Ze beschikten weliswaar over bijvoorbeeld P&C documenten waarin stap voor stap de ontwikkelingen rondom de rekenrente werden benoemd, maar het ontbrak aan de duiding bij die informatie om potentiële risico’s adequaat in te schatten. Een sterkere bestuurlijke betrokkenheid helpt hierin, maar dat stelt tegelijkertijd ook hogere eisen aan de diepgang van de informatie die AB-leden (al dan niet met het DB als vooruitgeschoven post) ontvangen. Denk aan een onderbouwing van de inschatting van de financiële en bestuurlijke risico’s die worden gezien en een toelichting op de cijfers. Die informatie was nu ambtelijk bij Avri wel beschikbaar, maar is niet bestuurlijk gedeeld. Les 3: Het goed betrekken en positioneren van gemeenteraden gaat niet vanzelf, maar vergt een stevige investering. Hierin hebben zowel Avri en colleges, als de gemeenteraden zelf een rol. Ondanks pogingen van Avri om de gemeenteraden te betrekken bij de gemeenschappelijke regeling, zoals het organiseren van platformbijeenkomsten, ervaren de raden een (grote) afstand. De reconstructie laat daarnaast zien dat de informatie- en verantwoordingslijnen door elkaar lopen. Een stevige investering is dus nodig om de gemeenteraden goed te betrekken en positioneren.
Wij zien verschillende manieren om daaraan vorm te geven, waarbij de gemeenteraden zelf een belangrijke rol hebben. Allereerst is te overwegen om de platformbijeenkomsten anders in te richten. Het doel van deze bijeenkomsten is dat raadsleden van de verschillende gemeenten kunnen discussiëren over de
58
voorstellen die op de agenda van het algemeen bestuur (AB) staan en zo dus standpunten kunnen uitwisselen. Dit is nu niet de praktijk: er vindt nauwelijks discussie plaats en het AB (met uitzondering van de voorzitter) heeft erin geen rol. Door de platformbijeenkomsten zo in te steken dat raadsleden van gedachten wisselen met elkaar én met het AB kan dit wel bereikt worden. De platformbijeenkomsten zijn dan primair gericht op beeldvorming over en weer. Verantwoording over het gevoerde beleid door AB- en DB-leden kan vervolgens op de agenda staan in elk van de individuele raden. Zo wordt ook de relatie tussen de gemeenteraad en de eigen portefeuillehouder(s) verstevigd. Avri is niet de enige gemeenschappelijke regeling en raadsleden hebben een volle agenda. De constructie in Tiel en Culemborg van het aanwijzen van raadsrapporteurs die met bijzondere aandacht een specifieke gemeenschappelijke regeling volgen kan ook de andere gemeenten helpen om de werklast wat te spreiden en om elke regeling de benodigde aandacht te schenken. Bovendien kunnen deze raadsrapporteurs elkaar opzoeken om gezamenlijk op te trekken en regie te nemen op de Avri agenda, bijvoorbeeld over wat er tijdens de platformbijeenkomsten besproken moet worden. In dit kader kan wellicht aansluiting worden gezocht bij het initiatief van de raadskring Regio Rivierenland.
Daarnaast - of in plaats daarvan - kan het ook behulpzaam zijn om te werken met een eigen regionale auditcommissie. Deze auditcommissie hoeft zich niet alleen te richten op Avri, maar kan juist zicht houden op de financiële aspecten van alle gemeenschappelijke regelingen in de regio. Het voordeel hiervan is dat de veelal specialistische financiële kennis gebundeld wordt en de raden zo gericht geadviseerd kunnen worden over wat er op dit vlak regionaal speelt. Les 4: Dat een goede ontsluiting van informatie belangrijk is in sturing op en verantwoording door een gemeenschappelijke regeling spreekt voor zich. De asynchrone betrokkenheid van de verschillende spelers binnen de gemeenschappelijke regeling onderstreept het belang van dit punt echter extra. Tot slot formuleren we een vierde les op een meer praktisch niveau, namelijk over de wijze van ontsluiting van informatie. Een goede inrichting van de informatiestructuur is vanzelfsprekend belangrijk voor sturing en verantwoording. Zonder dat is het immers ingewikkeld om de juiste besluiten te kunnen nemen. Dat spelers in een gemeenschappelijke regeling - zoals de raden, colleges, AB en DB leden en ambtelijke organisaties - veelal niet tegelijkertijd betrokken zijn, onderstreept het belang van dit punt nog eens extra.
Het makkelijk kunnen terugzoeken van wat eerder is besproken en gedeeld in bijvoorbeeld ABvergaderingen of platformbijeenkomsten is in dit opzicht essentieel. In de reconstructie komt naar voren dat het nu nog niet zo eenvoudig is. Verslagen van platformbijeenkomsten worden bijvoorbeeld niet gemaakt en de audiotulen laten zich - indien beschikbaar - niet makkelijk terugluisteren. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om op agendapunt of spreker te selecteren. Dit soort zaken mogelijk maken draagt bij aan de informatie-uitwisseling, navolgbaarheid en geheugen van wat er binnen Avri speelt en kan vragen en onduidelijkheden voorkomen.
59
Bijlage – Bronnen
Gesprekspartners Naam Tanja van Rossem Nicole van Aerts Henk Helderton Henk Bergsma Hulya Kalayci Jos Schel Walter Brouwer Stefan van Someren Joost Reus Willem Posthouwer Erik van Hoften Erik Peters Annet IJff Pieter Neven Frank Groen Joop de Kort Heidi van den Oord Rien van Eldijk Léon van Dun Niels van Andel Kees de Raad Kees van Baar Martijn Stoutjesdijk Arthur Warmer Anke Schimmer Hans Luiten Kees Mijdam Peter Kerris Sjak Arts
Functie Ambtenaar Ambtenaar Ambtenaar Ambtenaar BWB BWB Directeur DB-lid en wethouder Voorzitter DB en AB en wethouder DB-lid en wethouder AB-lid en wethouder AB-lid en wethouder AB-lid en wethouder AB-lid en wethouder AB-lid en wethouder Ambtenaar Ambtenaar Raadslid Raadslid Raadslid Raadslid Raadslid Raadslid Raadslid Ambtenaar Ambtenaar Projectmanager Gedeputeerde Manager
Organisatie Gemeente Culemborg Gemeente West Betuwe Gemeente West Maas en Waal Gemeente Tiel Gemeente Culemborg Gemeente Tiel Avri Avri en gemeente Neder-Betuwe
Datum 1 juni 2021 1 juni 2021 2 juni 2021 2 juni 2021 2 juni 2021 2 juni 2021 2 juni 2021 3 juni 2021
Avri en gemeente Culemborg
3 juni 2021
Avri en gemeente Zaltbommel Gemeente Maasdriel Gemeente West Maas en Waal Gemeente West Betuwe Gemeente Buren Gemeente Tiel Gemeente Neder-Betuwe Gemeente Maasdriel Gemeente Tiel Gemeente West Betuwe Gemeente Neder-Betuwe Gemeente Culemborg Gemeente Maasdriel Gemeente Zaltbommel Gemeente Buren Gemeente Zaltbommel Gemeente Buren Avri Provincie Gelderland Provincie Gelderland
3 juni 2021 3 juni 2021 3 juni 2021 3 juni 2021 3 juni 2021 3 juni 2021 7 juni 2021 7 juni 2021 7 juni 2021 7 juni 2021 7 juni 2021 7 juni 2021 7 juni 2021 7 juni 2021 7 juni 2021 8 juni 2021 8 juni 2021 10 juni 2021 1 juli 2021 1 juli 2021
Bronnen Voor de geraadpleegde bronnen verwijzen wij naar de voetnoten in de rapportage.
60