CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport monitor regiovisie BW en MO 2025

Raadsvergadering 29 januari 2026, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Regionale samenwerking / Gemeenschappelijke Regelingen10.741 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Monitor regiovisie beschermd wonen, maatschappelijke opvang en aanpak dakloosheid Vervolgmeting 2025

Oktober 2025 Afdeling Onderzoek & Statistiek Gemeente ’s-Hertogenbosch

Samenvatting Aanleiding en aanpak De samenwerkende gemeenten Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Sint-Michielsgestel, Vught, Zaltbommel en ’s-Hertogenbosch hebben hun ambities voor beschermd wonen (BW), maatschappelijke opvang (MO), de aanpak van dakloosheid en zorg & veiligheid vastgelegd in de Regiovisie 2020. In 2024 en 2025 zijn aanvullend het Regionaal plan van aanpak dakloosheid en het geactualiseerde Regioplan Thuis in de Wijk 2026 e.v.1 vastgesteld. De afspraak is om de ambities uit deze plannen te monitoren. In dit rapport staan de resultaten van de vierde meting. Eerdere metingen zijn gedaan in 2020, 2021 en 2023. Voor de monitor is gebruik gemaakt van zowel kwantitatieve als kwalitatieve informatie uit diverse bronnen. Het monitoren van de regionale aanpak dakloosheid is dit jaar voor het eerst toegevoegd. Regionale ambities: • Mensen die een beroep moeten doen op beschermd wonen, wonen zo zelfstandig mogelijk ‘Thuis in de wijk’. • Voorzieningen worden beter gespreid over de regio. • Geen dakloosheid meer in 2030. • Zo min mogelijk mensen maken gebruik van de maatschappelijke opvang. Degenen die hier toch een beroep op moeten doen stromen zo snel als mogelijk door naar een passende plek. • Kwetsbare mensen die een woonvraag hebben, worden zo snel mogelijk naar een passende woonruimte geholpen met zo min mogelijk verhuisbewegingen.

• We ontwikkelen een integrale ondersteuning voor kwetsbare mensen in de wijk, met aandacht voor de leefomgeving, daginvulling en financiën. • We leiden mensen die het écht nodig hebben toe naar de juiste zorg en ondersteuning (bemoeizorg) en voeren regie op de snijvlakken van zorg en veiligheid.

Beschermd wonen Het aantal inwoners dat gebruik maakt van beschermd wonen stijgt. Dit geldt met name voor het gebruik van lichtere vormen van beschermd wonen en niet zozeer voor het klassieke intramurale beschermd wonen. Het aantal cliënten met de voorziening kleinschalig thuis (geclusterd wonen/groepswonen) stijgt. Hoewel het aantal cliënten met beschermd wonen zelfstandig thuis stabiliseert, zien we vanuit hier ook doorstroom naar lichtere zorg zoals Wmo begeleiding individueel. Aantal cliënten beschermd wonen totaal

Stijgend, 611 cliënten in 2024

Aandeel cliënten beschermd wonen kleinschalig thuis Spreiding voorzieningen over de regio

Stijgend, van 34% in 2021 naar 52% in 2024 We zien een lichte toename van het aandeel cliënten beschermd wonen met verblijf in de regiogemeenten

Maatschappelijke opvang en dakloosheid In 2023 zijn er ruim 1.000 dak- en thuisloze inwoners in de regio. Zo’n 1 op de 5 daarvan is tussen de 18 en 27 jaar. De beoogde verschuiving van grootschalige opvang (centraal) naar kleinschalige opvang (lokaal) of huisvesting met ambulante begeleiding (Wonen Eerst) komt op gang. Er is een

1 - Regiovisie Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang 2020 en verder (2019);

- Regionaal Plan van Aanpak Dakloosheid ‘Herstel begint met een (t)huis’ (2024); - Thuis in de Wijk Actualisatie Regioplan Beschermd Wonen & Maatschappelijke Opvang 2026 e.v. Regio Meierij en Bommelerwaard (2025).

2

stijging in het gebruik van kleinschalige vormen van opvang, namelijk kleinschalige opvang individueel en gezin en woonwerktrajecten. Het streven is om de gemiddelde verblijfsduur in de opvang terug te brengen tot 9 maanden. Deze norm wordt voor een groot deel van de afgeronde trajecten behaald. Voor de jongerenopvang geldt dat voor 90% van de afgeronde trajecten, voor opvang met intensieve zelfstandigheidstraining voor 82% en voor kleinschalige opvang voor 74%. Aantal dak- en thuisloze inwoners Aantal inwoners dat leeft in de openbare ruimte Aantal unieke cliënten maatschappelijke opvang (excl. dag en nachtopvang en winteropvang) Gebruik dag- en nachtopvang (algemene voorziening) 2024 Gebruik winteropvang (algemene voorziening) Gebruik time-out plekken

1.008, waarvan 223 kinderen en 219 jongeren van 18-27 jaar, nulmeting ETHOS 2023 32, nulmeting ETHOS 2023 Stijgend, van 163 in 2023 naar 209 in 2024, waarvan 158 in kleinschalige opvangvormen 30 plaatsen en 222 inwoners die er gebruik van maken in 2024 24 plaatsen en 114 inwoners die er gebruik van maken in winter 2024/2025 110 keer in 2024

Wonen De eerste resultaten van de aanpak Wonen Eerst in ’s-Hertogenbosch in de aanpak rondom dakloosheid zijn positief. De aanpak krijgt navolging in de regio. Het doel van Wonen Eerst is het voorkómen of verkorten van opvang in de maatschappelijke opvang door het creëren van directe toegang tot permanente huisvesting. Urgentieplus – de uitstroom uit zorginstellingen – krijgt steeds meer vorm in alle gemeenten in de regio. Het aantal toekenningen voor Housing First neemt toe. Housing First is bedoeld om langdurig dak- en thuisloze inwoners direct te begeleiden naar een eigen woning. Urgentieplus (alle gemeenten)

Stabiel, 212 aanvragen en 184 toekenningen in 2024 71 aanvragen voor jongeren tot 27 jaar

Urgentieplus voor jongeren (’s-Hertogenbosch) Wonen Eerst (pilot ’s-Hertogenbosch)

In 2023 en 2024 in totaal 79 toekenningen voor 159 inwoners waarvan 76 kinderen; in 58% van de gevallen is opvang in de maatschappelijke opvang voorkomen Stijgend, 13 toekenningen in 2024

Housing First (’s-Hertogenbosch)

Passende ondersteuning & daginvulling De toegang voor zowel beschermd wonen als maatschappelijke opvang ligt bij alle gemeenten in de regio. De meeste cliënten zijn tevreden over het toegangsproces en over de begeleiding die zij krijgen. De snelheid waarmee de toegang verloopt is nog een aandachtspunt. Gemeentelijke toegang

58% van de cliënten vindt dat ze snel zijn geholpen door de lokale toegang, 15% vindt dat niet. 74% voelt zich serieus genomen door de toegang, 8% vindt dat niet. 76% vindt dat de begeleiding door de zorgorganisatie past bij hun hulpvraag, 8% vindt dat niet.

Begeleiding door zorgaanbieders

3

Daginvulling

7 op de 10 cliënten hebben werk, opleiding, dagbesteding of vrijwilligerswerk

Leefomgeving In 2024 is er veelal een afname of stabilisatie van het aantal meldingen van incidenten van overlast door verwarde personen in de openbare ruimte. We zien hierin wel verschillen per gemeente. Rond een aantal grootschalige regionale voorzieningen zijn extra beheermaatregelen getroffen (o.a. toezicht, beheergroepen). Vanaf 2019 is er een daling van het aantal aanmeldingen bij het Centrum voor Trajecten en Bemoeizorg (CvTB). Aantal incidenten van overlast door personen met verward gedrag Aantal meldingen Wet verplichte ggz

Afnemend sinds 2022

Bemoeizorg door CvTB

Afnemend, 547 aanmeldingen en 793 cliënten in 2024 3.227 interventies in 2024, met name een sterke stijging in consultatie en advies

Afnemend, 24 meldingen in 2024

Crisisinterventies CIT

4

Inhoudsopgave Samenvatting.................................................................................................................................... 2 1.

2.

3.

4.

Inleiding ..................................................................................................................................... 6 1.1

Aanleiding en doel ........................................................................................................... 6

1.2

Onderzoeksopzet............................................................................................................. 6

Beschermd wonen .................................................................................................................... 8 2.1

Aantal cliënten beschermd wonen .................................................................................. 8

2.2

Spreiding over de regio.................................................................................................. 10

2.3

Trajectduur ..................................................................................................................... 11

Dakloosheid en maatschappelijke opvang ............................................................................. 12 3.1

Omvang dakloosheid ..................................................................................................... 12

3.2

Regionaal plan van aanpak dakloosheid....................................................................... 13

3.3

Toegang maatschappelijke opvang ............................................................................... 14

3.4

Gebruik maatschappelijke opvang ................................................................................ 14

3.5

Wonen Eerst .................................................................................................................. 17

3.6

Time-out plekken BW/MO ............................................................................................. 18

Thuis in de wijk ........................................................................................................................ 19 4.1

Wonen ............................................................................................................................ 19

4.1.1

Urgentieplus en Housing First ................................................................................... 19

4.1.2

Mening cliënten over ondersteuning naar zelfstandig wonen ................................... 21

4.1.3

Ontwikkelingen woningmarkt ..................................................................................... 21

4.2

Daginvulling ................................................................................................................... 22

4.3

Passende ondersteuning ............................................................................................... 24

4.4

Fijne leefomgeving ......................................................................................................... 25

4.4.1

Samenleven in de buurt............................................................................................. 25

4.4.2

Verbinding met de buurt ............................................................................................ 26

4.5

Bemoeizorg / zorg & veiligheid ...................................................................................... 27

4.5.1

Aantal cliënten, instroom en uitstroom ...................................................................... 27

4.5.2

Wet verplichte ggz en CIT ......................................................................................... 28

5

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel

Aanleiding De samenwerkende gemeenten Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Sint-Michielsgestel, Vught, Zaltbommel en ’s-Hertogenbosch hebben hun ambities voor beschermd wonen (BW), maatschappelijke opvang (MO), de aanpak van dakloosheid en zorg & veiligheid vastgelegd in de Regiovisie 2020. In 2024 en 2025 zijn aanvullend het Regionaal plan van aanpak dakloosheid en het geactualiseerde Regioplan Thuis in de Wijk 2026 e.v.2 vastgesteld. De afspraak is gemaakt deze ambities te monitoren, nu om de twee jaar. In dit rapport staan de resultaten van de vierde meting. Eerdere metingen zijn gedaan in 2020, 2021 en 2023. Het monitoren van de regionale aanpak dakloosheid is dit jaar voor het eerst toegevoegd. Doel Het doel van deze monitor is tweeledig. Enerzijds gaat het erom terug te kijken naar de realisatie van eerder gestelde doelen (Regiovisie, 2020; Regionale aanpak dakloosheid 2024; Regioplan 2026 e.v.). Daarnaast is de monitor bedoeld om vooruit te kijken en de resultaten te gebruiken voor het aanscherpen van de ambities voor de toekomst en voor het maken van beleidskeuzes.

1.2

Onderzoeksopzet

Uitgangspunten Deze monitor is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: • De ambities zoals geformuleerd in de regiovisie en regioplannen zijn leidend. • Er is gekozen voor een beperkt aantal indicatoren per ambitie. • Er zijn met name indicatoren gekozen waarvoor informatie beschikbaar is voor de hele regio. • Er is gekozen voor een mix van kwantitatieve en kwalitatieve informatie om een zo compleet mogelijk beeld te kunnen geven van de realisatie van de ambities. • Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande informatie(bronnen). Bronnen Voor de monitor is geen op zichzelf staand onderzoek uitgevoerd, maar is gebruik gemaakt van informatie uit diverse bronnen, zoals: • GGD gezondheidsmonitors • Politiecijfers • Rapportages van de Regionale Inkooporganisatie Zorg (RIOZ ) • Cijfers en verslagen van diverse organisaties, zoals zorgaanbieders van maatschappelijke opvang en het Centrum voor Trajecten en Bemoeizorg • Cliëntervaringsonderzoek beschermd wonen en maatschappelijke opvang 2024: In 2023 was de laatste meting van het meerjarig kwalitatief onderzoek door de UvA onder cliënten beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Het onderzoek van de UvA heeft vanaf 2024 vervolg gekregen in een kwantitatief cliëntervaringsonderzoek voor de regio waarvoor een vragenlijst is verspreid onder cliënten beschermd wonen en maatschappelijke opvang.

• Overige rapportages, zoals bijvoorbeeld Impactanalyse Wonen Eerst.

2 - Regiovisie Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang 2020 en verder (2019);

- Regionaal Plan van Aanpak Dakloosheid ‘Herstel begint met een (t)huis’ (2024); - Thuis in de Wijk Actualisatie Regioplan Beschermd Wonen & Maatschappelijke Opvang 2026 e.v. Regio Meierij en Bommelerwaard (2025).

6

In de monitor wordt de meest recent beschikbare informatie gepresenteerd. Meestal gaat het over het jaar 2024. Waar mogelijk worden trends in de tijd weergegeven. Opbouw rapport Het rapport is opgebouwd aan de hand van de volgende onderwerpen: • Beschermd wonen • Maatschappelijke opvang en dakloosheid • Thuis in de wijk: wonen, daginvulling, passende ondersteuning, fijne leefomgeving en zorg & veiligheid

7

2.

Beschermd wonen Ambities: Mensen die een beroep moeten doen op beschermd wonen, wonen zo zelfstandig mogelijk ‘Thuis in de Wijk’. • Voorzieningen worden beter gespreid over de regio.

•

2.1

Aantal cliënten beschermd wonen

Aantal cliënten beschermd wonen is in 2024 toegenomen In 2024 maken in de regio 611 inwoners gebruik van beschermd wonen (BW). Dat is meer dan voorgaande jaren. De toename is deels te verklaren uit extra verblijfscapaciteit die is ontstaan bij gecontracteerde aanbieders en bij nieuwe aanbieders (openstelling inkoop in 2024). De vraag naar vormen van beschermd wonen is hoog, maar de wachttijden zijn in deze regio beperkt, mede door het gevarieerde zorglandschap. Figuur 1

Aantal cliënten beschermd wonen regio totaal, excl. PGB 3

1000 800

574

575

567

611

2021

2022

2023

2024

600 400 200 0

Bron: RIOZ

Meeste beschermd wonen cliënten wonen in ’s-Hertogenbosch Driekwart van alle BW-cliënten woont in ’s-Hertogenbosch en 12% in Meierijstad. Een relatief klein deel woont in de andere gemeenten in de regio: Boxtel, Zaltbommel, Maasdriel, Vught en SintMichielsgestel. De woonplaats van de cliënten beschermd wonen is niet altijd gelijk aan de herkomstgemeente. De cliënten die in ’s-Hertogenbosch of Meierijstad wonen zijn afkomstig uit de hele regio Meierij en Bommelerwaard. Dit heeft te maken met het historisch gegroeide aanbod van verblijfsvoorzieningen in de regio, die scheef is verdeeld (zie paragraaf 2.2.). Tabel 1 Ontwikkeling aantal cliënten beschermd wonen per gemeente Gemeente

2021

2022

2023

2024

Boxtel

13

4

8

16

’s-Hertogenbosch

396

439

425

460

Meierijstad

91

90

80

73

Sint-Michielsgestel

13

8

9

7

Vught

20

17

15

20

Zaltbommel

15

9

14

14

Maasdriel

8

8

16

21

Bron: RIOZ

3 Het gaat om unieke cliënten. Cliënten die in hetzelfde jaar verschillende producten beschermd wonen hebben

gehad, tellen maar één keer mee.

8

Aandeel intramuraal beschermd wonen is de afgelopen jaren stabiel Er zijn drie vormen van beschermd wonen: intramuraal, kleinschalig thuis en zelfstandig thuis. Intramuraal kan worden gezien als klassiek beschermd wonen. Bij de andere twee vormen is er sprake van een bepaalde mate van ambulantisering. Bij kleinschalig thuis gaat het om geclusterde woonvormen / groepswonen met ambulante ondersteuning. Bij zelfstandig thuis is er sprake van ambulante ondersteuning in de thuissituatie. De regio streeft naar een verschuiving naar lichtere vormen van beschermd wonen en waar mogelijk zo min mogelijk gebruik van intramurale voorzieningen. In 2024 maakten 128 inwoners gebruik van een intramurale voorziening. Dat is 19% van het totale gebruik van beschermd wonen. Dit aandeel is de afgelopen jaren nauwelijks veranderd. Figuur 2 Aantal cliënten naar soort voorziening beschermd wonen 400 320

286

300

345

222

180

200 120

116

189

128

100 0 intramuraal

kleinschalig thuis 2022

2023

zelfstandig thuis

2024

Bron: RIOZ

Aantal cliënten kleinschalig thuis neemt toe De afgelopen jaren zien we een toename van het aantal cliënten dat gebruik maakt van de voorziening kleinschalig thuis, van 286 in 2022 naar 345 in 2024. Het aantal cliënten met de voorziening zelfstandig thuis is tussen 2022 en 2023 afgenomen waarna dit in 2024 weinig is veranderd. De verhouding kleinschalig thuis en zelfstandig thuis is in 2024 niet anders dan in 2023. Ruim de helft van alle beschermd wonen voorzieningen betreft kleinschalig thuis. Figuur 3 Aandeel cliënten naar soort voorziening beschermd wonen

100% 80% 60%

19%

19%

19%

46%

52%

52%

35%

29%

29%

2022

2023

2024

40% 20% 0% zelfstandig thuis

kleinschalig thuis

intramuraal

Bron: RIOZ

Er is binnen beschermd wonen geen verschuiving te zien naar meer lichte vormen van ondersteuning. Maar daarnaast is het ook interessant om te kijken naar doorstroom vanuit beschermd wonen naar Wmo begeleiding individueel (BGI). In ’s-Hertogenbosch waren er in 2024 112 cliënten die na uitstroom bij beschermd wonen instroomden bij Wmo begeleiding individueel. Dat is zo’n een derde van alle cliënten met een aflopende beschikking beschermd wonen in dat

9

jaar. Het grootste verschil is dat de BW-cliënten 24/7 hulp kunnen inroepen, bij BGI is er sprake van planbare zorg. Cliënten die uitstromen bij beschermd wonen zelfstandig thuis in ’s-Hertogenbosch en instromen bij Wmo begeleiding individueel in een andere gemeente zijn in dit cijfer niet meegenomen. Instroom afgelopen jaren hoger dan uitstroom In 2024 stroomden 212 cliënten in bij een BW-voorziening en 117 cliënten stroomden uit. De afgelopen jaren was de instroom in een jaar groter dan de uitstroom in datzelfde jaar. Dit zien we ook terug in stijgende bezettingscijfers. Voor kleinschalig thuis is de in- en uitstroom het grootst. Hier stroomden in 2024 133 cliënten in en 120 cliënten uit. Figuur 4 Aantal cliënten in- en uitstroom beschermd wonen 212 209

instroom

222

177 173 176

uitstroom

0

50

100 2024

150 2023

200

250

2022

Bron: RIOZ; de cijfers wijken af van eerdere rapportages, omdat de kwaliteit van de data is verbeterd.

2.2

Spreiding over de regio

Spreiding van cliënten met verblijf over de regio krijgt langzaam vorm Eén van de doelstellingen is dat inwoners zo dichtbij mogelijk ondersteuning krijgen en voor verblijfszorg zoveel mogelijk terecht kunnen in hun gemeente van herkomst. De gedachte hierachter is dat de kans op herstel in de meeste gevallen dan het grootst is. Vanwege dit uitgangspunt is het interessant om te kijken naar de spreiding van het gebruik van verblijfsvoorzieningen over de regio. Is deze spreiding vergelijkbaar met de spreiding van inwoners binnen de regio? En hoe ontwikkelt de spreiding van het gebruik van verblijfsvoorzieningen zich in de afgelopen jaren? Op basis van tabel 2 kunnen we hierover concluderen: • De verdeling van cliënten met beschermd wonen verblijf over de verschillende gemeenten loopt niet parallel met het aantal inwoners per gemeente. • De verdeling van cliënten met verblijfszorg BW over de regiogemeenten laat in 2024 ten opzichte van 2022 een verschuiving zien, waarbij in 2024 een groter aandeel van de cliënten met verblijfszorg BW verblijft in één van de overige gemeenten (niet de grote gemeenten ’s-Hertogenbosch en Meierijstad). In de regiogemeenten zijn ook verblijfsvoorzieningen GGZ gevestigd, waar zorg wordt geleverd op basis van de Wlz, zoals op Zorgpark Vught. Tabel 2 Verdeling cliënten verblijf beschermd wonen / aantal inwoners over de regio

cliënten Wmo BW-verblijf

jaar

’s-Hertogenbosch

Meierijstad

Overige gemeenten

Totaal

2022 2023 2024

78% 75% 74%

17% 15% 14%

5% 10% 13%

100% 100% 100%

inwoners 2024 40% 21% 39% 100% Leesvoorbeeld: in 2024 verblijft 74% van de cliënten BW verblijf in een voorziening in ’s-Hertogenbosch

10

2.3

Trajectduur

Gemiddelde trajectduur is het langst voor kleinschalig thuis Voor cliënten die in 2024 zijn uitgestroomd was de gemiddelde trajectduur voor de intramurale voorzieningen en voor zelfstandig thuis zo’n 12 maanden. Voor cliënten kleinschalig thuis lag de gemiddelde trajectduur iets hoger, namelijk op 16 maanden. We zien voor kleinschalig thuis dat de trajectduur tussen 2023 en 2024 is toegenomen van 12 naar 16 maanden. Voor intramuraal is dit toegenomen van 11 naar 12 maanden. Voor de voorziening zelfstandig thuis is er geen verschil tussen 2023 en 2024. Tabel 3 Gemiddelde trajectduur in dagen per voorziening; het gaat over cliënten die zijn uitgestroomd in het betreffende jaar

Intramuraal Kleinschalig thuis Zelfstandig thuis Bron: RIOZ

2023

2024

340 357 362

374 503 360

Moment van instroom Voor de cliënten die in 2024 in zorg waren is gekeken in welk jaar zij zijn ingestroomd bij de betreffende voorziening. In tabel 4 is te zien dat de meeste van deze cliënten in 2023 of 2024 instroomden. Voor zelfstandig thuis en kleinschalig thuis geldt dat voor zo’n 7 op de 10 cliënten. Voor met name de intramurale voorzieningen is er ook een redelijk grote groep die in 2022 of eerder instroomden. Dit geldt voor ruim 4 op de 10 cliënten die in 2024 in zorg zijn. Voor kleinschalig thuis en zelfstandig thuis stroomden zo’n 3 op de 10 cliënten in 2022 of eerder in. Tabel 4 Instroommoment voor cliënten die in 2024 in zorg zijn Instroom in jaar 1 januari 2022 of eerder* 2022 2023 2024

Intramuraal

Kleinschalig thuis

Zelfstandig thuis

15% 27% 23% 35% 100%

12% 16% 30% 41% 100%

15% 14% 25% 45% 100%

Bron: RIOZ * vanwege de overgang naar een nieuw registratiesysteem staan alle cliënten die vóór 2022 in zorg waren geregistreerd met startdatum 1 januari 2022. Voor deze groep is dus niet exact te zeggen in welk jaar zij zijn ingestroomd. Leesvoorbeeld: van de cliënten die in 2024 gebruik maakten van een intramurale voorziening stroomden 35% in in het jaar 2024 en 23% in 2023.

11

3.

Dakloosheid en maatschappelijke opvang

•

3.1

Ambities: • Geen dakloosheid meer in 2030 Zo min mogelijk mensen maken gebruik van de maatschappelijke opvang. Degenen die toch een beroep moeten doen op de maatschappelijke opvang stromen zo snel als mogelijk door naar een passende plek.

Omvang dakloosheid

In de regio zijn er zo’n 1.000 dak- en thuisloze inwoners, waarvan 223 kinderen In het Regionaal plan van aanpak Dakloosheid is de doelstelling opgenomen: geen dakloosheid meer in 2030 in de gemeenten in de regio Meierij en Bommelerwaard. Dit is in lijn met het Nationaal Actieplan Dakloosheid. In 2023 waren in de regio Meierij en Bommelerwaard volgens het eerste ETHOS-telonderzoek4 785 volwassenen en 223 kinderen dak- of thuisloos (teldag 16 mei). Zij leven in de openbare ruimte of een niet-conventionele ruimte (zoals garage, kraak, e.d.) of verblijven in een opvang voor dak- en thuisloze mensen of bij vrienden/familie/derden. Uit de cijfers blijkt dat slechts een derde van de dak- en thuisloze inwoners verblijft in een vorm van formele opvang. In 2023 waren 219 inwoners van 18-27 jaar dak- of thuisloos. Dat is 22% van de totale groep dak- en thuisloze inwoners. Van de 223 kinderen die dak- of thuisloos zijn gaat het om 8 alleenstaande kinderen en 215 minderjarige kinderen die samen met hun ouder(s) in een leefsituatie van dak- of thuisloosheid verblijven. Het hoogste aantal dak- en thuisloze inwoners is geteld in centrumgemeente ’s-Hertogenbosch, maar dak- en thuisloosheid komt in alle gemeenten in de regio voor. Figuur 5 Verblijfplaats van dak- en thuisloze personen op 15-16 mei 2023

1200 in de openbare ruimte 1000

32 in tijdelijke opvang voor dakloze mensen

800 600

278 in instelling

111

in niet-conventionele woonruimte

140 bij familie/vrienden/derden

400 200

in woning met dreigende uithuiszetting

373

situatie onbekend, dakloosheid wel bevestigd 0

36 38

Bron: ETHOS telonderzoek 2023

Na de telling in de regio Meierij en Bommelerwaard en de regio Oss, heeft inmiddels in meerdere regio’s de ETHOS-telling plaatsgevonden. Op hoofdlijnen is het beeld hetzelfde: dak- en thuisloosheid komt voor in elke gemeente, circa 70% is man en 30% vrouw en er is een vrij groot aantal kinderen dat thuisloos is. 4 Voor dit onderzoek (uitgevoerd door de Hogeschool Utrecht) is gebruik gemaakt van een ‘point in time’ telling. Op

16 mei 2023 is in een intensieve samenwerking met alle organisaties die met dak- en thuisloze personen in contact komen een telling uitgevoerd.

12

Tabel 5 Aantal dak- en thuisloze volwassenen en kinderen per gemeente op 15-16 mei 2023 volwassenen aantal

kinderen

%

aantal

totaal %

aantal

%

Boxtel

46

6%

10

4%

56

6%

’s-Hertogenbosch

453

58%

124

56%

577

57%

Meierijstad

58

7%

37

17%

95

9%

Sint-Michielsgestel

6

1%

1

0,4%

7

1%

Vught

54

7%

6

3%

60

6%

Zaltbommel

38

5%

14

6%

52

5%

Maasdriel

10

1%

4

2%

14

1%

Andere gemeente*

54

7%

20

9%

74

7%

Onbekend

66

8%

7

3%

73

7%

Totaal

785

100%

223

100%

1.008

100%

Bron: ETHOS telonderzoek 2023; *volwassenen en kinderen met een link met de regio maar die verblijven in een andere gemeente

Hertelling Sint-Michielsgestel Sint Michielsgestel heeft in 2024 een hertelling gedaan. Dit keer zijn 53 volwassenen, 6 minderjarige kinderen en 4 meerderjarige kinderen geteld in de situatie van dak- of thuisloosheid. Mogelijke oorzaken van de hogere uitkomsten zijn dat binnen de gemeente en bij partnerorganisaties na de 1e telling meer bewustwording is ontstaan over wanneer sprake is van thuisloosheid. Mogelijk werd ook de urgentie om mee te tellen meer gevoeld, doordat de telling alleen betrekking had op Sint-Michielsgestel.

3.2

Regionaal plan van aanpak dakloosheid

De uitkomsten van de ETHOS-telling zijn besproken met diverse professionals en ervaringsdeskundigen. Dit is vertaald naar het Regionaal plan van aanpak dakloosheid dat in oktober 2024 is vastgesteld. Onder andere de projecten uit het preventieplan dakloosheid (2022) zijn hierin opgenomen. Naast het organiseren van participatie van ervaringsdeskundigen, zijn in dit plan zeven prioriteiten benoemd: 1. Vergroten woonzekerheid voor iedereen. Elke gemeente neemt zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de eigen dakloze inwoners. 2. Niemand slaapt ongewild buiten. Onder andere door het organiseren van een inloop en door analyse van ervaringen met de inloop, winteropvang en bemoeizorg krijgen we een beter beeld en zetten we aanvullende stappen. 3. Niemand verblijft langer in de opvang dan noodzakelijk. De opvang is een vangnet als er woonproblemen of complexe zorgvragen zijn. Ondanks beperkt woningaanbod streven we er naar inwoners hetzij naar passende woonruimte hetzij naar passende (woon)zorg te leiden. Bij voorkeur in de eigen gemeente. 4. Niemand wordt ontslagen uit een instelling zonder vervolg. Met name voor inwoners met een complexe zorgvraag is het soms lastig passende ondersteuning te bieden. Dit jaar al zijn de bevindingen met time-out-plekken onderzocht en aangescherpt.

Het doorbraakteam kan aanvullend aan de inzet van het Netwerk Opvang en Wonen ingezet worden om een passend arrangement te realiseren. In het eerste half jaar van 2025 zijn 26 casussen succesvol bemiddeld. 5. Verminderen dakloosheid onder jongvolwassenen. Diverse gemeenten zetten actief in op het realiseren van extra woningaanbod voor deze leeftijd. We zijn gestart met de transformatie van de jongerenopvang en werken daarbij samen met zowel de aanbieders beschermd wonen als aanbieders jeugdhulp.

13

6. Verminderen dakloosheid kinderen. Deze groep was tot de ETHOS-telling niet goed in beeld en inzet hierop is pas gestart. De preventieve inzet van urgentieplus ofwel Wonen Eerst is een aanbod waarmee we thuisloze kinderen gericht kunnen helpen. 7. Afspraken over (EU-)arbeidsmigranten. De regio legt de verantwoordelijkheid in eerste instantie bij het Rijk, maar kijkt daarnaast welke stappen we regionaal willen zetten. Naast het regionaal plan van aanpak heeft iedere gemeente een lokaal plan van aanpak dakloosheid vastgesteld. In dit plan ligt de nadruk op onderwerpen waar de gemeente lokaal voor verantwoordelijk is, zoals preventie, de inzet/samenwerking om bewoners een financieel bestaansminimum te geven of schulden te voorkomen en te zorgen voor een lokaal woonaanbod voor bijvoorbeeld spoedzoekers.

3.3

Toegang maatschappelijke opvang

Elke gemeente organiseert de toegang maatschappelijke opvang De toegang tot de maatschappelijke opvang is per juni 2022 overgegaan naar de gemeenten. Daarmee is deze onafhankelijk van de aanbieder(s) geworden. Cliënten krijgen een bredere intake en de gemeente heeft meer mogelijkheden om ondersteuning in te zetten, dus niet alleen maatschappelijke opvang. Lokaal wordt door de betreffende gemeente onderzoek gedaan naar de hulpvraag. Indien nodig worden casussen vervolgens anoniem besproken in het Netwerk Opvang en Wonen. Hier wordt een besluit genomen of maatschappelijke opvang de juiste voorziening is en welke opvang het meest passend is. Vervolgens wordt de beschikking lokaal geregeld. Sinds 2024 heeft elke gemeente een kleinschalige opvang en/of is Wonen Eerst mogelijk. Ook heeft elke gemeente de toegang tot maatschappelijke opvang ingeregeld. Centrale Toegang Maatschappelijke Opvang De Centrale Toegang Maatschappelijke Opvang (CTMO) regelt de lokale toegang voor maatschappelijke opvang voor gemeente ’s-Hertogenbosch en is daarnaast aan zet als mensen van buiten de regio zich melden. De CTMO kijkt in die gevallen in hoeverre sprake is van regiobinding en of de kans op herstel hier het grootst is. Waar nodig dragen zij over naar andere regio’s. Bij complexe casussen in één van de regiogemeenten biedt het CTMO eventueel ondersteuning.

3.4

Gebruik maatschappelijke opvang

222 inwoners maakten in 2024 gebruik van de dag- en nachtopvang De dag- en nachtopvang is een algemene voorziening waar inwoners zonder beschikking terecht kunnen. Per 1 januari 2023 is er één dag- en nachtopvang aan de Oranje Nassaulaan. In 2024 hebben 222 inwoners hier gebruik van gemaakt.5 Het gaat om trajecten, exclusief passanten en gebruik van de winteropvang. Er is sprake van een passant als iemand maximaal een week in de opvang verblijft. In 2024 meer beschikkingen voor maatschappelijke opvang Voor de overige voorzieningen maatschappelijke opvang is een beschikking nodig van de gemeente. In 2024 zijn er in de regio 209 beschikkingen afgegeven voor maatschappelijke opvang. Dat is meer dan in 2023. Toen waren het er 163. Veruit de meeste beschikkingen worden afgegeven aan inwoners uit ’s-Hertogenbosch. In 2023 en 2024 is de pilot Wonen Eerst gestart in ’s-Hertogenbosch, waarbij inwoners met toegang tot de opvang direct weer zijn gaan wonen met ambulante begeleiding. Alleen bij tijdelijke overbrugging in de kleinschalige opvang hebben zij daarvoor een beschikking ontvangen en komen zij terug in de aantallen. 5 Er is geen cijfer beschikbaar voor 2023, omdat de aantallen pas zijn bijgehouden vanaf medio 2023.

14

Het aantal cliënten dat gebruik maakt van opvang met intensieve zelfstandigheidstraining, oftewel 24-uurs opvang, nam tussen 2023 en 2024 toe van 24 naar 39. Bij de jongerenopvang werden in 2024 16 jongeren tot 23 jaar opgevangen. Dat is vergelijkbaar met een jaar eerder. In 2024 is gestart met de voorbereiding van de transformatie van de jongerenopvang. Het betreft zowel de wijze van ketensamenwerking van toegang tot uitstroom als de uitvoering op de werkvloer. De vraag van de jongere komt meer centraal te staan en waar mogelijk wordt ook hier toegewerkt naar Wonen Eerst. Tabel 6 Aantal unieke cliënten maatschappelijke opvang per gemeente (exclusief dag- en nachtopvang) 2023

2024

Boxtel

12

20

's-Hertogenbosch

123

155

Meierijstad

21

22

Sint-Michielsgestel

2

5

Vught*

0

4

Zaltbommel

5

3

Maasdriel*

0

0

Totaal

163

209

Bron: RIOZ dashboard en uitvraag gemeenten *toegang verliep (deels) via CTMO; deze beschikkingen zijn meegeteld in de cijfers van gemeente ’s-Hertogenbosch Figuur 6 Aantal unieke cliënten* maatschappelijke opvang per product 16 17

jongerenopvang en begeleiding (JOeB) opvang met intensieve zelfstandigheidstraining

39

24

kleinschalige opvang individueel

104

78

9 11

kleinschalige opvang gezin* woonwerktrajecten Springplank

35 0

20 2024

40

45 60

80

100

120

2023

Bron: RIOZ dashboard en uitvraag gemeenten; * bij de categorie ‘kleinschalige opvang gezin’ gaat het om het aantal gezinnen. Omdat inwoners in hetzelfde jaar van meer dan één opvangvoorziening gebruik kunnen maken, tellen de aantallen in deze figuur niet op tot het totaal aantal unieke cliënten in tabel 4.

Verschuiving naar meer kleinschalige opvang De gewenste verschuiving naar meer kleinschalige opvangvoorzieningen wordt gerealiseerd. Zo is het aantal cliënten in de kleinschalige opvang (individueel) toegenomen van 78 in 2023 naar 104 in 2024. Het aantal woon-werktrajecten bij Springplank073 nam toe van 35 naar 45. Hier gaat het om kleinschalige opvang voor dakloze inwoners die in staat zijn en gemotiveerd zijn of kunnen worden om te werken. Zij krijgen specialistische begeleiding op verschillende leefgebieden en ondersteuning richting een betaalde baan. Vanaf 2026 wordt dit omgezet van pilot naar structureel aanbod. Kleinschalige opvang in bijna alle regiogemeenten beschikbaar Het aantal plekken voor kleinschalige opvang is verder uitgebreid en in 2025 zijn in bijna alle regiogemeenten plekken beschikbaar. In juli 2025 zijn er in totaal 66 individuele plekken. Twee jaar 15

eerder waren dat er 62. Naast individuele plekken zijn er in 2025 vier plekken voor gezinnen. De meeste plekken voor kleinschalige opvang zijn in ’s-Hertogenbosch, namelijk 39. Verspreid over de regiogemeenten gaat het om nog eens 27 individuele plekken en 4 gezinsplekken. Tot slot zijn er 29 kleinschalige opvangplekken voor woon-werktrajecten van Springplank in ’s-Hertogenbosch. Tabel 7 Aantal plekken voor kleinschalige opvang in 2025 individueel

gezin

woon-werk

Boxtel

9

0

0

's-Hertogenbosch

39

0

29

Meierijstad

7

4

0

Sint-Michielsgestel

0

0

0

Vught

3

0

0

Zaltbommel

4

0

0

Maasdriel

4

0

0

Totaal

66

4

29

Bron: beleidsinformatie gemeente

Winteropvang In de winter van 2024/2025 was de winteropvang 77 nachten open en hebben 114 mensen hier gebruik van gemaakt. Opvallend is dat zo’n driekwart van deze mensen slechts 1 tot 3 nachten gebruik heeft gemaakt van de opvang. In 2023/2024 was de winteropvang voor een kortere periode open, namelijk 37 nachten. Er is die winter door 87 mensen gebruik van gemaakt. Gemiddelde verblijfsduur Het streven is om de gemiddelde verblijfsduur in de opvang terug te brengen tot uiteindelijk 9 maanden. In tabel 8 is te zien dat deze norm voor de jongerenopvang voor 90% van de afgeronde trajecten is behaald. Voor opvang met intensieve zelfstandigheidstraining is de norm van 9 maanden voor 82% van de afgeronde trajecten behaald en voor kleinschalige opvang geldt dat voor 74% van de trajecten. Enerzijds is er een groep die slechts 3 maanden gebruik maakt van de kleinschalige opvang, omdat dit overbrugging is tot een eigen woning met begeleiding. Anderzijds zien we dat de verblijfstijd in de kleinschalige opvang toeneemt voor de groep die niet direct weer zelf kan wonen via Wonen Eerst. De gemiddelde ondersteuningsvraag is groter en de periode van uitstroom via urgentieplus is langer dan 3 maanden geworden.

Tabel 8 Aandeel cliënten dat korter dan de maximale norm verblijft in de opvang (is deze tabel gaat het om afgeronde trajecten) Opvangvorm Dag- en nachtopvang Kleinschalige opvang Opvang met intensieve zelfstandigheidstraining Jongerenopvang en begeleiding Woonwerktrajecten Springplank

Norm

Realisatie

3 maanden 9 maanden 9 maanden

Geen data bekend 74% 82%

9 maanden 12 maanden (+ 6 maanden nazorg)

90% 75%

Bron: RIOZ

16

3.5

Wonen Eerst

In 2023 is in ’s-Hertogenbosch gestart met de pilot Wonen Eerst met als doel het voorkomen of verkorten van opvang in de maatschappelijke opvang door het creëren van directe toegang tot permanente huisvesting. Woningcorporaties, maatschappelijke opvang en gemeente nemen hierin verantwoordelijkheid om het probleem van dakloosheid in gezamenlijkheid op te lossen. Het gaat daarbij niet alleen om het snel beschikbaar hebben van een passende woning, maar ook om het regelen van randvoorwaarden zoals inkomenszekerheid en bijzondere bijstand voor woninginrichting. De aanpak is afgestemd op individuele behoeften van mensen met de focus op het vergroten van eigen keuze, regie, autonomie en maatschappelijk functioneren. Tekstblok 1 Toelichting overeenkomst en verschil tussen Wonen Eerst en Housing First • •

•

Wonen Eerst en Housing First zijn beiden gebaseerd op Housing First principes. Bij beiden wordt het proces van opvang voorkomen en staat wonen centraal. Housing First is een curatieve aanpak, gericht op het oplossen van langdurige dakloosheid en voor mensen met meervoudige problematiek. Het biedt direct permanente huisvesting gecombineerd met intensieve begeleiding. Wonen Eerst is een preventieve systeembenadering, gericht op het verkorten en zoveel mogelijk voorkómen van dakloosheid. Door stabiele en passende ondersteuning te bieden wordt de kans verkleind dat mensen in een opvangsituatie terechtkomen.

Aantal trajecten en resultaten In het Impactrapport Wonen Eerst worden voor de periode december 2022 tot december 2024 de volgende resultaten genoemd: • Er zijn 79 trajecten opgestart voor in totaal 159 mensen, waarvan 76 kinderen. Er zijn door Wonen Eerst 33 alleenstaanden en 46 gezinnen geholpen, waarvan 42 eenoudergezinnen. • De 79 trajecten hebben geleid tot 73 getekende huurcontracten. Voor twee huishoudens is een woning gereserveerd en voor vier huishoudens wordt nog naar een woning gezocht. • In 58% van de gevallen is opvang in de maatschappelijke opvang voorkomen. • Gemiddeld duurde het 86 dagen vanaf akkoord voor toekenning woning tot aan de sleuteloverdracht. De snelste doorlooptijd was 16 dagen. In alle gevallen waren bij de sleuteloverdracht de randvoorwaarden, zoals inkomenszekerheid, geregeld. Deelnemers zijn tevreden over de aanpak Deelnemers geven gemiddeld een 9 als algemene beoordeling voor Wonen Eerst. Zij zijn met name tevreden over: • de persoonlijke gerichte begeleiding; • de mate waarin er naar hen wordt geluisterd; • de snelheid en brede ondersteuning; • kans op snel herstel; • voorkomen van langdurige noodsituaties. Effecten van Wonen Eerst In het impactrapport van Wonen Eerst worden diverse effecten voor de korte en lange termijn genoemd.

Zo voorkomt Wonen Eerst langdurig verblijf in de opvang en afhankelijkheid van zorg en op de lange termijn verhoogt het o.a. de kans op behoud van maatschappelijke deelname. Voor betrokken kinderen zorgt het voor minder stress en op de lange termijn vergroot het o.a. de kans op continuïteit in het onderwijs. De effecten na herhuisvesting zijn doorgaans ook voor de omgeving positief. De betrokken inwoners functioneren als ‘gewone’ huurders door behoud van zelfstandigheid. Wonen Eerst versterkt de domeinoverstijgende samenwerking door partijen zoals woningcorporaties, gemeenten en zorgverleners. De gezamenlijke focus zorgt voor betere afstemming, snellere procedures, een geïntegreerde aanpak en de menselijke maat, waardoor

17

middelen efficiënter worden ingezet. Voor de corporaties en gemeenten vraagt de aanpak wel een extra tijdsinvestering aan de voorkant, maar dit leidt uiteindelijk tot een lagere totale tijdsinvestering doordat er minder nazorg nodig is en er minder beroep wordt gedaan op andere voorzieningen. In 2025 is de aanpak Wonen Eerst in ’s-Hertogenbosch structureel geworden en is in SintMichielsgestel gestart met de aanpak Wonen Eerst. Daar is in het voorjaar 2025 de eerste inwoner gehuisvest met ambulante ondersteuning van MO Den Bosch.

3.6

Time-out plekken BW/MO

Afspraken over time-out plekken Eén van de grootste risicofactoren om dakloos te worden is het verlaten van een instelling, zoals een beschermd wonen voorziening. Er zijn daarom eind 2023 via de Ontwikkeltafel BW/MO spelregels opgesteld over het gebruik van time-out plekken. Een time-out plek biedt een cliënt een adempauze van langer dan 12 uur en maximaal twee weken binnen een lopend traject. Het doel is om het verder oplopen van spanningen bij de cliënt en het team van de instelling te remmen en daarmee een escalatie, crisis of einde verblijf af te wenden. De time-out plek is gericht op terugkeer van de cliënt bij de zorgaanbieder waar hij/zij de zorg afneemt. Zorgaanbieders veelal tevreden over afspraken time-out plekken In de afspraken is vastgelegd dat er 12 time-out plekken zijn bij 6 zorgaanbieders. Er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de time-out plekken. In 2024 hebben 12 gecontracteerde aanbieders voor beschermd wonen 110 keer gebruik gemaakt van de time-out plekken. Uit een evaluatie van begin 2025 blijkt dat de meeste aanbieders tevreden zijn over de time-out afspraken. Ruim 80% geeft een 7 of hoger op een schaal van 0 tot 10. Voor complexe groepen met (problematisch) middelengebruik blijken de meeste time-out plekken niet passend te zijn.

Het Inloopschip, de Voorziening Langdurig Verblijf (VLV), het Tij en de hostels hebben daarom een gezamenlijke whatsappgroep, waarin zij elkaar om een time-out kunnen vragen voor deze doelgroep. Op de VLV zijn twee units beschikbaar voor tijdelijke plaatsingen. Time-out plekken zijn niet bedoeld om in te zetten bij eenzijdige beëindiging van de zorg. Toch geven meerdere respondenten aan dat het van belang is om hier aandacht aan te besteden in de evaluatie van de time-out afspraken. Zo wordt door het Inloopschip opgemerkt dat het ondanks de gemaakte afspraken helaas toch wel eens voorkomt dat mensen na de time-out niet terug kunnen / willen naar de zorgaanbieder. Op basis van de bevindingen uit de evaluatie zijn de spelregels voor de time-out plekken verder aangescherpt.

18

4.

Thuis in de wijk • •

4.1

Ambities: Kwetsbare mensen die een woonvraag hebben, worden zo snel mogelijk naar een passende woonruimte geholpen met zo min mogelijk verhuisbewegingen. We ontwikkelen een integrale ondersteuning voor kwetsbare mensen in de wijk, met aandacht voor de leefomgeving, daginvulling en financiën • We leiden mensen die het écht nodig hebben toe naar de juiste zorg en ondersteuning (bemoeizorg) en voeren regie op de snijvlakken van zorg en veiligheid.

Wonen

In het herstelproces van cliënten is de doorstroom vanuit een zorg- of opvangsetting naar zelfstandig wonen van groot belang. Herstel begint met een (t)huis, is het motto voor de aanpak dakloosheid. De pilot Wonen Eerst is beschreven in hoofdstuk 3. In deze paragraaf gaat het over de reguliere uitstroom via urgentieplus (in de hele regio) of Housing First (in ’s-Hertogenbosch). Ook komen de ontwikkelingen in de sociale huurvoorraad aan bod. 4.1.1

Urgentieplus en Housing First

In 2024 ruim 200 aanvragen voor urgentieplus In 2024 zijn er door de urgentieplustafels in de regio 212 aanvragen behandeld voor zelfstandige huisvesting na verblijf in een zorgvoorziening. Twee derde van deze aanvragen kwam binnen bij de urgentiepluscommissie van ’s-Hertogenbosch. Het aantal aanvragen is ongeveer gelijk aan een jaar eerder, maar lag in beide jaren wel lager dan de prognose. In 2024 waren er 70 aanvragen minder dan de prognose van 254. Er is in de regio 184 keer urgentieplus toegekend. Het aandeel afwijzingen is in 2024 (15%) iets lager dan een jaar eerder (22%). Er waren 33 afwijzingen in 2024. Tekstblok 2 Toelichting urgentieplustafel Iedere gemeente (of twee gemeenten gezamenlijk) heeft een urgentieplustafel. Deze toetst casussen met een complexe zorgvraag (bijvoorbeeld ook casussen waarbij sprake is van uitstroom uit de vrouwenopvang na huiselijk geweld) en neemt besluiten over de toekenning van urgentieplus voor een huurwoning bij een woningcorporatie. Diverse organisaties en zorgaanbieders kunnen een casus inbrengen. De urgentieplustafel verzamelt de benodigde informatie en neemt op basis daarvan een besluit. De woningcorporatie heeft na toekenning van de urgentie drie maanden de tijd om een woning beschikbaar te stellen. Urgentieplus is in principe bedoeld voor uitstroom uit een voorziening.

Bij uitzondering kan een aanvraag gedaan worden voor cliënten die niet in een instelling verblijven, maar wel een gecombineerde huisvestings- en zorgvraag hebben. Figuur 7 Aantal aanvragen bij urgentieplustafels

212

totaal 138

's-Hertogenbosch 32

Meierijstad

22

Sint-Michielsgestel / Boxtel 12

Maasdriel / Zaltbommel

8

Vught 0

50

100

2024

19

2023

150

200

250

Figuur 8 Aantal toekenningen door urgentieplustafels 184

totaal

124

's-Hertogenbosch 31

Meierijstad 15

Sint-Michielsgestel/Boxtel 9

Maasdriel/Zaltbommel

5

Vught 0

50

100 2024

150

200

250

2023

Herkomstgemeente van aanvragers urgentieplus In 2024 kwam bij ongeveer een kwart van de toekenningen de inwoner uit een andere herkomstgemeente dan de gemeente waar de urgentieaanvraag is behandeld. Bij 31 van deze 48 casussen kwam de aanvrager van buiten de regio. In 2024 lag het aandeel toekenningen aan inwoners van een andere herkomstgemeente met 26% iets lager dan in 2023 (32%). Als er urgentieplus wordt toegekend aan een cliënt met een herkomst buiten de betreffende gemeente dan is de reden dat de kans op herstel in deze gemeente aantoonbaar het grootst is. Uitstroom naar regiogemeenten De urgentiepluscommissie van ’s-Hertogenbosch heeft in 2024 in totaal 37 aanvragen binnen gekregen voor cliënten met een herkomst vanuit de regio. 11 keer is urgentieplus toegekend en 26 keer is deze afgewezen. Deze 26 cliënten zijn uitgestroomd naar een andere gemeente in de regio. Het streven is om bij uitstroom te zorgen voor spreiding over de regiogemeenten. Het aandeel uitstroom vanuit de urgentiepluscommissie ’s-Hertogenbosch naar regiogemeenten is een indicatie voor deze spreiding. Huishoudenssamenstelling en leeftijd Uit de cijfers van de urgentiepluscommissie van ’s-Hertogenbosch blijkt dat het bij de meeste aanvragen gaat om een alleenstaande (82%) en bij zo’n 16% om een eenoudergezin.

In bijna de helft van de gevallen (48%) is degene die urgentieplus aanvraagt jonger dan 27 jaar. In 2024 werden door de urgentiepluscommissie in ’s-Hertogenbosch 71 aanvragen behandeld voor deze leeftijdsgroep, waarvan 31 voor 18 t/m 22 jarigen. Jongeren in de leeftijd t/m 22 jaar wordt bij urgentie een zogenaamde jongerenwoning aangeboden. Van de 123 woningen werden er 29 aan jongeren tot 22 jaar toegekend. Doorlooptijden urgentieplus De gewenste doorlooptijd van 3 maanden tussen toekenning Urgentieplus en sleuteloverdracht wordt op dit moment nergens in de regio gehaald. Zes maanden is een gebruikelijkere doorlooptijd op dit moment gezien de situatie op de woningmarkt. Aantal toekenningen Housing First in 2024 toegenomen In ’s-Hertogenbosch is in 2020 gestart met Housing First. In 2024 zijn er 13 woningen via deze weg toegekend. Dat is meer dan in 2023 (4) en 2022 (7). Housing First is bedoeld om langdurig daken thuisloze inwoners direct te begeleiden naar een eigen huis. Een eigen huis is de start van het herstelproces, terwijl dat bij andere opvang en begeleiding vaak andersom is. Na toekenning van een woning is er intensieve begeleiding in het zelfstandig wonen en functioneren.

De trajecten zijn bedoeld voor mensen met een complexe ondersteuningsaanvraag, waar een combinatie van een permanente woonplek en de voorwaarde van huurbetaling, accepteren van begeleiding en het niet veroorzaken van overlast effectief kunnen zijn. In 2023/2024 was de wachttijd voor uitstroom Housing First aanzienlijk opgelopen, maar inmiddels is de doorstroom weer op gang gebracht. In de afgelopen vijf jaar zijn in ’s-Hertogenbosch in totaal 50 inwoners via Housing First gehuisvest,

20

waarvan 84% succesvol. Een traject is succesvol als iemand nog woont en redelijk gestabiliseerd is. Het slagingspercentage ligt aanzienlijk hoger dan bij andere woonzorgvormen voor inwoners met een complexe zorgvraag. Met de komst van de VLV en de afspraak om Skaeve Huuse in elke gemeente te gaan realiseren, is / komt er een meer gedifferentieerd woonaanbod beschikbaar. 4.1.2

Mening cliënten over ondersteuning naar zelfstandig wonen

In 2024 is een regionaal cliëntervaringsonderzoek6 uitgevoerd onder cliënten beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Aan de cliënten beschermd wonen intramuraal en maatschappelijke opvang is de stelling voorgelegd ‘mijn begeleiders helpen me zodat ik later zelfstandig kan wonen’. Ongeveer de helft is het met deze stelling eens. 1 op de 10 vindt dat de begeleiders hen daar niet of onvoldoende in helpen. Hierin is dus nog verbetering mogelijk. Figuur 9 Stelling over hulp om zelfstandig te kunnen gaan wonen N=63

Mijn begeleiders helpen me zodat ik later zelfstandig kan wonen

49%

0% mee eens

neutraal

20% niet mee eens

33%

40%

60%

10% 8%

80%

100%

weet niet/geen mening

Bron: cliëntervaringsonderzoek beschermd wonen en maatschappelijke opvang 2024

4.1.3

Ontwikkelingen woningmarkt

Ontwikkelingen volkshuisvestingsbeleid De rijksoverheid formuleerde in de afgelopen jaren een ambitieus volkshuisvestingsbeleid. De regie op wonen en woningbouw werd versterkt door middel van een Nationale Woon- en Bouwagenda en de Wet versterking regie volkshuisvesting. Een sterkere regie op volkshuisvesting moet leiden tot meer betaalbare huisvesting, onder andere voor de cliënten die uitstromen uit beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Zij zijn veelal aangewezen op een sociale huurwoning. Het aandeel sociale huurwoningen verschilt per gemeente in de regio. Gemiddeld is dit 27%, met het hoogste aandeel in ’s-Hertogenbosch (33%) en het laagste aandeel in SintMichielsgestel (16%). Tussen 2022 en 2024 was er voor Boxtel, Meierijstad en Sint-Michielsgestel een toename in het aandeel sociale huurwoningen. Tabel 6 Aandeel en aantal sociale huurwoningen op 1 januari Gemeente

2022

2024

aandeel

aandeel

aantal

Boxtel

26%

28%

4.095

’s-Hertogenbosch

33%

33%

25.361

Maasdriel

20%

20%

2.094

Meierijstad

19%

21%

7.510

Sint-Michielsgestel

15%

16%

1.967

Vught

24%

24%

3.379

Zaltbommel

23%

23%

2.816

Totaal

26%

27%

47.222

Bron: regionale woningmarktmonitor ’s-Hertogenbosch en CBS 6 Omdat er slechts 5 respondenten vanuit de maatschappelijke opvang aan het onderzoek hebben meegedaan,

gaan deze resultaten vooral over cliënten beschermd wonen.

21

Lokale woonoplossingen In veel gemeenten wordt hard gewerkt aan woningbouw. Tegelijkertijd worden in meerdere gemeenten tijdelijke wooneenheden toegevoegd voor spoedzoekers. Voorbeelden zijn onder andere flexwoningen, jongerenhuis (Zaltbommel, Maasdriel) of specifieke spoedzoekersvoorzieningen zoals Sociaal Pension (Boxtel), De Lindeboom (Maasdriel) of Woonhotel (’s-Hertogenbosch).

4.2

Daginvulling

De regio vindt het belangrijk dat cliënten een zinvolle daginvulling hebben, omdat dit kan helpen in het herstel. Een zinvolle daginvulling kan bestaan uit dagbesteding, vrijwilligerswerk, studie of (gedeeltelijk) betaald werk of een combinatie hiervan. Meer beschermd wonen cliënten hebben een voorziening dagbesteding Vanaf de nieuwe inkoop in 2022 zijn er drie modules dagbesteding voor cliënten beschermd wonen beschikbaar. Een cliënt kan hierdoor in combinatie met een beschermd wonen voorziening gebruik maken van dagbesteding. In 2024 maakten 70 cliënten hier gebruik van. Dat is meer dan in 2022 en 2023. Deze cijfers geven geen volledig beeld van de mate van participatie van cliënten BW, omdat er daarnaast ook cliënten zijn met werk, een studie, dagbesteding Wmo-specialistisch of cliënten die op een andere wijze een dagprogramma volgen (herstelacademie, safe house e.d.). Figuur 10 Aantal cliënten beschermd wonen met een voorziening dagbesteding 100 80

70 56

55

2022

2023

60 40 20 0

's-Hertogenbosch

Boxtel

Meierijstad

Sint-Michielsgestel

2024 Vught

Zaltbommel

Bron: RIOZ dashboard

7 op de 10 cliënten hebben een daginvulling (werk, opleiding, dagbesteding) Uit het cliëntervaringsonderzoek BW/MO7 van 2024 blijkt dat zo’n 7 op de 10 respondenten een (gedeeltelijke) daginvulling hebben in de vorm van (vrijwilligers)werk, een opleiding of dagbesteding. 28% heeft betaald werk. Een even grote groep heeft dagbesteding / een dagprogramma bij een zorgaanbieder. 20% doet vrijwilligerswerk. Een studie / opleiding wordt het minst genoemd (10%) en alleen door respondenten van 27 jaar of jonger. 15% heeft meerdere vormen van daginvulling. De combinatie vrijwilligerswerk en dagbesteding/dagprogramma bij een zorgaanbieder komt het meest voor, gevolgd door de combinatie betaald werk en opleiding. Van de respondenten die een vorm van daginvulling hebben, besteedt de helft hier 16 uur of meer per week aan. Een relatief kleine groep (8%) heeft maximaal 8 uur per week een daginvulling.

7 Omdat er slechts 5 respondenten vanuit de maatschappelijke opvang aan het onderzoek hebben meegedaan,

gaan deze resultaten vooral over cliënten beschermd wonen.

22

Figuur 11 Wat voor daginvulling heeft u? meerdere antwoorden mogelijk N=80

betaald werk

28%

dagbesteding / een dagprogramma bij een zorgaanbieder

28%

vrijwilligerswerk

20%

studie en/of opleiding

10%

geen van bovenstaande

30% 0%

20%

40%

60%

80%

100%

Bron: cliëntervaringsonderzoek beschermd wonen en maatschappelijke opvang 2024

Wensen voor daginvulling zijn wisselend Aan de respondenten die een vorm van daginvulling hebben is gevraagd wat hun wensen zijn voor dagbesteding, werk, studie en / of vrijwilligerswerk. Ruim een derde wil graag dat het blijft zoals het nu is. Verder zijn de wensen divers. Zo’n 3 op de 10 willen graag betaald gaan werken en 2 op de 10 willen meer uren gaan werken. Ook 2 op de 10 willen een hobby of lid worden van een club / vereniging. 1 op de 10 wil graag een andere dagbesteding in de vorm van meer uren of een ander aanbod. Bij ‘anders, namelijk’ geven de respondenten bijvoorbeeld aan dat zij in een moestuin willen werken, hun vrijwilligerswerk willen uitbreiden of werk dichter bij hun woning zouden willen. Figuur 12 Wat zijn uw wensen voor dagbesteding, werk, studie en/of vrijwilligerswerk? N=53 – gevraagd aan respondenten die hebben aangegeven dat zij een daginvulling hebben. Meerdere antwoorden mogelijk Het mag blijven zoals het nu is

36%

Ik wil betaald gaan werken

28%

Ik wil meer uren gaan werken

19%

Ik wil een leuke hobby of lid worden van een club/vereniging

19%

Ik wil een studie of opleiding gaan volgen

17%

Ik wil een andere dagbesteding (meer uren, een ander aanbod)

11%

Weet ik niet

2%

Anders, namelijk:…

13% 0%

20%

40%

60%

80%

100%

Bron: cliëntervaringsonderzoek beschermd wonen en maatschappelijke opvang 2024

Redenen geen daginvulling Respondenten die geen daginvulling hebben geven daarvoor diverse redenen. Zij geven vooral aan dat hun gezondheid of verslaving het niet toelaat. Verder geven ze bijvoorbeeld aan dat er geen goed aanbod is, ze geen vervoer hebben of eerst bezig zijn met regelen van huisvesting of oplossen van schulden. De wensen die respondenten hebben voor hun daginvulling zijn verschillend. Zij willen vooral betaald gaan werken, een studie / opleiding gaan volgen of willen een leuke hobby of lid worden van een club / vereniging. Aan de respondenten zonder daginvulling is gevraagd of de begeleiders hen aanmoedigen om iets te gaan doen, zoals dagbesteding, studie en/of (vrijwilligers)werk. Volgens ruim 8 op de 10 respondenten doen de begeleiders dat.

23

4.3

Passende ondersteuning

1 op de 7 cliënten is ontevreden over de snelheid waarmee zij bij de toegang zijn geholpen In het cliëntervaringsonderzoek8 van 2024 geeft ongeveer driekwart van de respondenten aan dat zij in de 12 maanden daarvoor contact hebben gehad met een medewerker van de gemeente voor het aanvragen van beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Van hen is driekwart het eens met de stelling ‘de medewerker nam mij serieus’. 8% is het daar niet mee eens. Over de snelheid waarmee ze werden geholpen zijn respondenten minder tevreden. Ruim 1 op de 7 vindt dat zij niet snel werden geholpen. 58% vindt dat ze wel snel zijn geholpen. De rest heeft een neutrale of geen mening. Figuur 13 Stellingen over contact met de gemeente over het regelen van de hulp N=53

De medewerker nam mij serieus

74%

Ik werd snel geholpen

58% 0%

mee eens

19%

20%

neutraal

25% 40%

niet mee eens

60%

8%

15% 80%

100%

weet niet/geen mening

Bron: cliëntervaringsonderzoek beschermd wonen en maatschappelijke opvang 2024

Driekwart vindt dat de begeleiding past bij hun hulpvraag Ongeveer driekwart van de respondenten is positief over de begeleiding die zij krijgen. Hoewel de meeste respondenten vinden dat de begeleiding past bij hun hulpvraag (76%), vindt 8% dit niet. Hier is nog enige verbetering mogelijk. Figuur 14 Stelling over de mate waarin de begeleiding past bij de hulpvraag N=79

De begeleiding die ik krijg past bij mijn hulpvraag

0% mee eens

neutraal

11% 8% 5%

76% 20%

niet mee eens

40%

60%

80%

100%

weet niet/geen mening

Bron: cliëntervaringsonderzoek beschermd wonen en maatschappelijke opvang 2024

Tevredenheid cliënten maatschappelijke opvang Voor het kwantitatieve cliëntervaringsonderzoek uit 2024 hebben slechts vijf cliënten uit de maatschappelijke opvang een vragenlijst ingevuld. De resultaten van dit onderzoek geven daardoor maar een beperkt beeld van de mening van cliënten maatschappelijke opvang. Door MO Den Bosch is in het voorjaar van 2025 een kwalitatief onderzoek uitgevoerd om de meningen van deze cliënten te achterhalen. Er zijn 7 groepsgesprekken gevoerd met per gesprek 5 tot 8 cliënten. Hoewel het onderzoek niet representatief is, geeft het wel een indicatie van wat er speelt en hoe cliënten de opvang ervaren. Uit dit onderzoek blijkt dat de cliënten overwegend tevreden zijn over de begeleiding op de locaties. Samengevat wordt gewaardeerd 1.) de ondersteuning: ‘vriendelijk, betrokken, onbevooroordeeld’ en ‘ze willen je echt helpen’; 2.) de beschikbaarheid: ‘ze doen alles voor je’ en 3.) samen dingen doen. Er zijn ook kritiekpunten benoemd. Locatie-overstijgend zijn hierin een aantal rode draden te herkennen: 1.) samenleven met medebewoners wordt als 8 Omdat er slechts 5 respondenten vanuit de maatschappelijke opvang aan het onderzoek hebben meegedaan,

gaan deze resultaten vooral over cliënten beschermd wonen.

24

complicerend ervaren 2.) over huisregels worden opmerkingen geplaatst als te veel, te streng of onvoldoende gehandhaafd, en 3.) sommige locaties zijn in afwachting van verbouwingen waardoor er tot die tijd geen verbeteringen worden doorgevoerd.

4.4

Fijne leefomgeving

4.4.1

Samenleven in de buurt

De regio wil zoveel mogelijk inclusieve wijken en buurten, waar ook kwetsbare inwoners een fijne plek hebben. De indicatoren hierna geven een algemeen beeld over de ‘sociale samenhang in de buurt’ per gemeente. Waarbij de kanttekening moet worden geplaatst dat de sociale samenhang in een gemeente tussen wijken en buurten behoorlijk kan verschillen. Sociale samenhang in de buurt het laagst in ’s-Hertogenbosch Het aandeel inwoners van 18 jaar en ouder dat veel sociale samenhang ervaart in de buurt varieert in 2024 van 13% in ’s-Hertogenbosch tot 23% in Sint-Michielsgestel. In ’s-Hertogenbosch ligt dit aandeel iets lager dan het gemiddelde van de GGD-regio Hart voor Brabant (16%). In de andere gemeenten is dit ongeveer hetzelfde of iets hoger dan in de regio. Figuur 15 Aandeel inwoners (18+) dat veel sociale samenhang ervaart in de buurt* 50% 2020

40% 30%

2022

24% 21%

21% 16%

19%20%

20%

26% 21%

31% 27%

26%27%

10% 0%

Bron: GGD Hart voor Brabant, volwassenen- en ouderenmonitor. *Maasdriel en Zaltbommel vallen onder de GGD-regio Gelderland Zuid. Deze GGD meet deze indicator niet. Figuur 16 Aantal incidenten van overlast door verward/overspannen persoon per 1.000 inwoners 10 8

8,7

8,4

8,4 6,0

6

5,6 4,6

4 2 0

2018

2019

2020

2021

Bron: dataportaal politie

25

2022

2023

2024

4,6 2,9

Meeste overlast verwarde personen in Vught en ’s-Hertogenbosch Net als voorgaande jaren zijn er ook in 2024 behoorlijke verschillen tussen gemeenten in het aantal incidenten van overlast door personen met verward/overspannen gedrag. In Maasdriel is dit met 2,9 incidenten per 1.000 inwoners het laagst en in Vught met 8,7 het hoogst. In Vught is het aandeel incidenten hoger dan landelijk. Het relatief hoge aandeel in Vught kan worden verklaard door de grote concentratie van zorgvoorzieningen in deze gemeente. In ’s-Hertogenbosch was het aandeel incidenten voorgaande jaren hoger dan landelijk, in 2024 is dit gelijk aan het landelijke cijfer. In 2024 veelal een afname of stabilisatie van incidenten overlast verwarde personen Het streven is dat het aandeel incidenten van overlast door personen met verward / overspannen gedrag daalt. Met name tot 2022 zagen we juist veelal nog een stijging. Vanaf die tijd zien we het aandeel incidenten bij de meeste gemeenten afnemen of stabiliseren. Alleen in Maasdriel en Zaltbommel is dit in 2024 ten opzichte van voorgaande jaren gestegen. Ook landelijk zien we de afgelopen jaren een toename. Figuur 17 Aantal incidenten van overlast door daklozen per 1.000 inwoners 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16379887/1