OntwerpEP Brakel-West - met bijlagen
Tekst van het document
2.4. Uitvoering 2.4.1. Algemeen Van de ontwikkelende partij wordt op zijn minst het volgende verwacht: Inmeten terrein incl. hoogtemetingen tijdens ontwerpfases. De bestaande gebruikssituatie wordt hierbij in kaart gebracht om te kunnen toetsen aan kadastrale gegevens. Uitzetten en in stand houden hoofdafmetingen/assen tijdens de uitvoeringsfase. Transportroute vastleggen en instellen met voor- en naschouw. Eventueel benodigde aanpassingen moeten vooraf met de gemeente overlegd worden. Onderhoud terrein en sloten gedurende de werkzaamheden, tot einde garantietermijn en overdracht aan de gemeente. Garantietermijn / onderhoudsperiode voor wegen, riolering en groen. Verwijzingen bedrijven/straatnaamborden – uitvoering/ontwerp e.d. i.o.m. gemeente. (tijdelijke) verlichting van de openbare ruimte binnen het plangebied i.o.m. gemeente Beveiliging bedrijvenpark – uitvoering / ontwerp e.d. i.o.m. gemeente. Voorzieningen brandweer: aanbrengen en markeren brandblusvoorzieningen, aanbrengen verharding bij brandblusvoorzieningen i.o.m. gemeente/brandweer. Wegafsluitingen/verkeersmaatregelen i.o.m. politie en gemeente. Afsluitingen tijdig melden i.v.m. publicatie. Hierbij is in principe een verkeersbesluit vereist. Bebording/omleidingsroutes/werkverkeer i.o.m. gemeente. Bereikbaarheid percelen gedurende de werkzaamheden. Waarborgen toegankelijkheid hulpdiensten.
Brandkranen en geboorde putten moeten bereikbaar blijven voor de brandweer. Organiseren / bijwonen overleg en inspraakbijeenkomsten. Bereikbaarheid vuilophaaldienst waarborgen. Wegen op en rondom het werk schoon houden door middel van dagelijks machinaal te vegen. Indien nodig en op aanwijzing van de gemeente Zaltbommel desnoods vaker.
2.4.2. Tijdelijk beheer De eigenaar/ontwikkelaar van een perceel is verantwoordelijk voor het beheer van het gehele plangebied totdat delen er van verkocht of in beheer overgedragen zijn. Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
6
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
De ontwikkelende partij is tevens verantwoordelijk voor de registratie van en afstemming over ondergrondse kabels en leidingen binnen het plangebied op grond van de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION), voor zover dit niet de verantwoordelijkheid is van een andere partij. Bij de aanleg van riolering wordt de eigenaar/ontwikkelaar gezien als netbeheerder. Met het oog op uitvoering van de WION kunnen met de gemeente hierover nadere afspraken gemaakt worden als het gaat om kabels en leidingen die later in beheer komen bij de gemeente. Het plangebied wordt op een dusdanige manier afgezet, dat derden geen gevaar kunnen lopen. De eigenaar/ontwikkelaar draagt zorg voor een correcte bebording. Bouwwegen worden uitgevoerd met een elementenverharding of tijdelijke asfaltverharding (terug nemen bij woonrijp maken).
2.4.3. Grondwerk
Grond binnen het plan verwerken, streven naar een gesloten grondbalans. Over het algemeen komt in de gemeente Zaltbommel kleigrond voor. Klei laat slechts in beperkte mate water door. Daardoor kan het tijdens en na bouwwerkzaamheden voorkomen, dat bij regenval water niet weg zakt in de bodem. Overtollige grond voor zover niet benodigd door de gemeente wordt eigendom van de aannemer en moet onder voorwaarden afgevoerd worden naar een erkende bewerking-, verwerking- en/of eindverwerkingsinrichting. Acceptatiekosten e.d. komen geheel voor rekening exploitant/aannemer. Voorafgaand aan de transporten wordt een nulmeting van de wegen rondom het plangebied verricht door de gemeente. Materialen leveren conform Besluit Bodemkwaliteit. Zand: chloride gehalte maximaal 200 mg/kg droge stof. Verdichtingseis: in afwijking van art. 22.02.07 lid 5 en 6 van de Standaard RAW 2015 moet de verdichtingsgraad van het zand per monster ten minste 98% bedragen. De eis voor de gemiddelde verdichtingsgraad is niet van toepassing. Alle grondwerken in den droge uitvoeren. Ten behoeve van het doorvoeren van kabels en leidingen de nodige mantelbuizen aanbrengen.
2.4.4. Garantie
Op alle geleverde werken is in principe de garantie van toepassing zoals in de Standaard RAW 2015 beschreven is tenzij in dit document of anderszins overeengekomen. De garantietermijn op groenvoorzieningen bedraagt twee groeiseizoenen. De garantietermijn op civieltechnische werken bedraagt één jaar. Op de werking van een elektrotechnische installatie moet een garantie van 5 jaar gegeven worden.
2.4.5. Toezicht
De uitvoering van werken en werkzaamheden voor het bouw- en woonrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte, vindt plaats onder toezicht van een door burgemeester en wethouders aan te wijzen toezichthouder. Na start van de aanleg van werken en werkzaamheden heeft de toezichthouder te allen tijde toegang tot het bouwterrein. De aanwijzingen van de toezichthouder dienen te worden opgevolgd. Dit laat onverlet dat de ontwikkelaar zelf verantwoordelijk is voor het dagelijks toezicht, veiligheid en kwaliteitscontrole op de werkzaamheden en toegepaste materialen. Leveranties van grondstoffen alleen o.b.v. weegbonnen met werkelijke metingen en geen Tarra gewichten.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
7
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
2.5. Overdracht De overdracht van werken moet plaats vinden door middel van: Voorafgaand aan de uitvoering moeten de tekeningen en plantlijst ter goedkeuring worden aangeboden aan de gemeente. De overdracht vind maximaal 2 weken na oplevering van het werk plaats. De ontwikkelaar/aannemer is hiervoor zelf verantwoordelijk. Op het moment dat er geen overdracht heeft plaatsgevonden wordt de buitenruimte niet beheerd en onderhouden door de gemeente. Revisietekeningen van riolering, openbare ruimte, groen en openbare verlichting in RD coördinaten met materialen, afmetingen, soortnamen en oppervlakten digitaal aanleveren conform NLCS. (DWG-formaat). Een camera-inspectie van de riolering. Bij bestekken regelt de afdeling R&B zelf de opname ter controle van de aannemer. (opname op digitale media) (zie ook 4.1) Bedrijfsvoorschriften van elektrische installaties. Een buitenopname van het gereed gekomen werk. Aanleveren van situatietekening met kadastrale begrenzingen. In het veld aangegeven “nagelvaste” grens tussen verkochte grond / aan gemeente over te dragen grond. Overleggen van de monitoringsrapportage van de (regenwater)infiltratievoorzieningen. Overleggen van een rapportage over de verwerkte bouwstoffen conform het besluit Bodemkwaliteit.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
8
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
3. Verkeer en wegen 3.1. Algemeen De planuitwerking dient gebaseerd te zijn op het GVVP – Nota Wegen en Verkeersveiligheid 20202025, Duurzaam Veilig, Politiekeurmerk Veilig Wonen (PKVW) alsmede de parkeernota Zaltbommel 2018 en het Plaatsingsbeleid laadinfrastructuur Zaltbommel 2021. Wat betreft het GVVP geldt dat dit beleid leidend is ten aanzien van wegcategorisering, basisprincipes voor de weginrichting en streefbeelden. Echter als het gaat over exacte maatvoering van wegprofielen dan geldt niet de maatvoering uit het GVVP maar is dit handboek (danwel een hierin opgenomen verwijzing naar CROW/ASVV 2021) leidend. Verkeerskundige inrichting: Erftoegangswegen binnen de bebouwde kom inrichten als 30 km-zone en uitvoeren in gebakken klinkers Gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom, met een ontwerpsnelheid van 50 km/u, uitvoeren in asfalt. Erftoegangswegen buiten de bebouwde kom inrichten als 60 km-zone en uitvoeren in asfalt. Bedrijventerrein inrichten als 50 km-zone en uitvoeren in asfalt. Punaisevormige verhogingen en plateau’s op kruisingsvlakken zijn ter goedkeuring van de gemeente. Zones uitvoeren als erftoegangswegen conform GVVP en CROW publicaties. Tijdens werken langs de openbare weg moet men voldoen aan CROW publicatie 517 maatregelen op niet-autosnelwegen.
(Werk in Uitvoering 96b) In het kader van verkeersveiligheid wordt het stedenbouwkundig ontwerp en het voorlopig ontwerp getoetst door de gemeente en de politie. Parkeren (Zie Standaard Details Zaltbommel 3.1 t/m 3.2) Parkeren bedrijven op eigen terrein. Parkeernorm en parkeereisen volgens de parkeernota Zaltbommel 2018, zie bijlage 11.3. Op basis van het Plaatsingsbeleid laadinfrastructuur Zaltbommel 2021 moet in overleg met gemeente bepaald worden of en hoeveel plaatsen voor elektrisch laden gerealiseerd worden. Invalideparkeerplaatsen worden alleen aangelegd op aanvraag van de bewoner of het bedrijf, volgens APV (Artikel 14/15 Wegenverkeerswet 1994). Parkeerplaatsen naast openbaar groen beschikken over een uitstapstrook van minimaal 60 cm breed inclusief trottoir- en opsluitband. Inritten (Zie Standaard Details Zaltbommel 1.1 t/m 1.4) Inritten uitvoeren in overstemming met wensen gemeente. Toegestane breedte inritten voor bedrijven 6m, voor woningen 4m met 1 auto op eigen terrein. Bij 2 of meer voertuigen op eigenterrein een maximale inrit van 5.50m. Gecombineerde woninginritten (2 woningen) maximaal 6 meter bij 1 voertuig per woning. Bij 2 voertuigen per woning op eigen terrein maximaal 12 meter.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
9
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
Rijbaanbreedte (alle maten zijn exclusief kantopsluitingen en gootlagen): Gebiedsontsluitingsweg 6,00-7,00 m Woonstraat 5,00-5,50 m Woonstraat (1 ri-vk, 2 ri-vk fiets) 4,40-4,60 m Trottoir variabel, afhankelijk van locatie en gebruik Langsparkeerplaats 2,00 x 6,00 m Haaksparkeerplaats 2,50 x 5,00 m Bij haaksparkeren aangrenzende rijbaan 6,35 m (minimaal 5,40 m) Alle maten zijn richtlijnen, waarbij met een goede motivatie en alleen in overleg met de gemeente afwijking hiervan mogelijk is. Bij parkeren in een woonstraat bij voorkeur het parkeren regelen buiten de rijbaan. Hierbij moet indien nodig een uitstapstrook gerealiseerd worden, dit is afhankelijk van de naastgelegen functie. Materiaalkeuze: De gemeente streeft naar uniformiteit in het toe te passen materiaal. Opstellen funderings- en verhardingsadvies rekening houdend met beeldkwaliteitsplan en de verwachte verkeersintensiteit. Asfaltwegen conform advies gemeente of op basis van een wegbouwkundig ontwerp. Funderingen in minimaal 25 cm menggranulaat sortering 0/31,5. Vrijliggende trottoirs worden aangelegd op een fundering van zand in zandbed. Materialen leveren conform Besluit Bodemkwaliteit, met KOMO-keur of andere algemeen in Nederland erkende certificering.
Betonstraatstenen moeten voldoen aan NEN 7000, KOMO-certificaat en KOMO-keurmerk, keur 1, kleurecht door middel van minerale deklaag in gewenste kleur, incl. gebruik bisschopsmutsen. Tegels minimaal 60 mm dik, tegels in inritten bij bedrijven en woningen minimaal 80 mm dik. Banden moeten voldoen aan: NEN 7015, KOMO certificaat en KOMO keurmerk, kwaliteit 1: zelfde fabricaat i.v.m. kleurverschillen en structuur. Binnen de bebouwde kom worden trottoirbanden RWS 180/200x250 mm toegepast. Buiten de bebouwde kom worden trottoirbanden RWS 110/220x250 mm toegepast. Op bedrijventerreinen binnen de bebouwde kom worden RWS 110/220x250 mm toegepast. In nieuwbouwsituates wordt geen type sluiting voor banden voorgeschreven. In bestaande situaties dient de bandensluiting te worden aangepast aan bestaande bandensluiting. Trottoirbanden stellen op specie incl. steunrug van stampbeton. Banden: pasmaken d.m.v. nat zaagwerk. Niet kleiner dan 0,50 meter Goten in betonstraatstenen (keiformaat), gesteld in specie. Ook bij asfaltwegen. Goten langs de rijbaan uitvoeren in 2 strekken langs de band. Molgoten langs parkeervakken e.d. uitvoeren in 5 strekken. Kleur goot langs de rijbaan in kleur van de parkeerplaatsen. Bij overgangen in andere afmeting banden: standaard verloopbanden toepassen.
In bochten: bochtbeschermingsbanden, opgesloten in straatwerk en banden toepassen. Opsluitbanden: bij voetpaden 10x20 cm; bij rijbanen bij zwaar verkeer / hoge intensiteit 20x25 cm op puin stellen in specie incl. steunrug van stampbeton.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
10
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
3.1.1. ietspaden en fietsstroken Fietspaden worden aangelegd met als hoofddoelstelling het comfort en veiligheid van de gebruiker. Daarom fietspaden en fietsstroken binnen en buiten de bebouwde kom in asfalt met een rode deklaag. Het GVVP is de basis om te bepalen op welke wegen een fietsstrook danwel vrijliggende fietsvoorziening aangelegd moet worden. Maatvoering te baseren op de ASVV 2021. Aanlegcriteria en maatvoering van fietsvoorzieningen zijn richtlijnen, waarbij met een goede motivatie en alleen in overleg met de gemeente afwijking hiervan mogelijk is
3.1.2. Asfalt Toepassingsgebied Gebiedsontsluitingswegen binnen en buiten de bebouwde kom. Erftoegangswegen buiten de bebouwde kom. Erftoegangswegen binnen de bebouwde kom, waar elementenverharding onwenselijk is. Funderingen Fundering van minimaal 250mm menggranulaat, sortering 0/31,5. Zwaar belaste wegen (bedrijventerreinen) minimaal 350mm menggranulaat, sortering 0/31,5. Verificatie middels constructie berekening. Onder de fundering van menggranulaat minimaal 300mm zand in zandbed, van voldoende kwaliteit conform standaard RAW 2015. Zwaar belaste wegen minimaal 400mm zand in zandbed. Toepassing van alternatieve funderingen onder zwaarbelaste wegen is toegestaan, mits toegelicht met een constructieberekening. Toepassing hiervan is slechts toegestaan na akkoord door de gemeente. Minimale verhardingsopbouw van 80 centimeter (inclusief verharding). Afhankelijk van de bodemgesteldheid kan er voor worden gekozen de verhardingsopbouw te vergroten. Ter plaatse van inritten en plateaus zand-cement-stabilisatie toepassen (zie details 2.1.1 t/m 2.1.4 en 2.21 en 2.2.2). Deklagen Fietspaden binnen en buiten de bebouwde kom AC 8 surf DL- A of B. Kleur: Tilrood of Globurn met blanke bitumen, niet CE-plichtig (Europa erkent geen blanke bitumen). Blank bindmiddel Sealoflex Color of gelijkwaardig. Pigment 1% Bayer Ferroxon rood nr. 430.
Normaal belaste gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom SMA-NL 8B Zwaar belaste gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom SMA-NL 8 B polymeer gemodificeerd Gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom SMA-NL 11B Erftoegangswegen buiten de bebouwde kom SMA-NL 8B of AC 11 surf of SMA-NL 11B (afhankelijk van de laagdikte) Rotonde SMA-NL 11B polymeer gemodificeerd (tussenlaag met een grofkorrelig skelet). AC 11 surf is ook een goed alternatief keuze ligt aan verkeersintensiteit. Vooraf in overleg met de gemeente beslissen welke toegepast wordt. Afwatering Asfaltconstructies dienen een dwarshelling te hebben van 2%. Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
11
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
Voor overbrugging van hoogteverschillen zijn dwarshellingen toegestaan met een maximale helling van 5%.
Overige technische eisen asfaltverharding Bij een asfaltlaag op een asfaltonderlaag moet een kleeflaag worden aangebracht. Aangrenzende asfaltlagen, zoals fietsstroken en rijlopers, worden warm tegen warm aangebracht. Deklagen op rijbanen worden over de volle breedte in één werkgang geasfalteerd. Als dit technisch niet mogelijk is wordt de deklaag in meerdere stroken warm tegen warm aangebracht. Dwars- en langsnaden in asfaltdeklagen waar een nieuwe deklaag tegenaan gedraaid moet worden dienen te zijn voorzien van een gemodificeerde bitumenband (Densoband). Naden van gevulde freesbakken (hotbox toepassen) afgieten en afstrooien met brekerzand, of gelijke behandeling als dwars- en langsnaden. Bij aansluiting van nieuw asfalt op oud asfalt en nieuw aan nieuw wordt bij langsnaden een getrapte overgang aangebracht van 0,25 m. per laag. Bij een dwarsnaad bedragen de overlappingen minimaal 1,00 m. Los zittend materiaal verwijderen voor het aanbrengen van de nieuwe asfaltlagen. Langsnaden mogen niet in het rijspoor liggen. Bij asfalt zonder kantopsluiting dient de asfaltmachine voorzien te zijn van kantijzers.
3.2. Halfverharding Uitvoering van halfverhardingen, zoals bijv. voor paden of parkeerplaatsen in plantsoenen, altijd in nader overleg met Groenbeheer i.v.m. onkruidbestrijding.
3.3. Revisie openbare ruimte
Alle projecten na oplevering als revisie (in AutoCad-dwg-formaat) aanleveren aan de gemeente. De revisie aanleveren conform het meest recente objectenhandboek van de BGT | IMGeostandaard (http://imgeo.geostandaarden.nl/).
3.4. AVRI Altijd vooroverleg voeren met AVRI i.v.m. het plaatsen van ondergrondse containers.
3.5. Openbare verlichting
Een verlichtingsplan moet onderdeel zijn van het ontwerp voor de openbare ruimte. Verlichtingsberekening moet voldoen aan NPR13201+A1:2018 nl, p-klasse. Deze wordt ter controle aan de gemeente voorgelegd. Aansluiting wordt gemaakt door de netbeheerder. Lichtmasten moeten worden afgevuld met scherp zand. Duurzaamheid van lichtmasten moet 40 jaar bedragen en van armaturen 20 jaar. Dimbare LED-verlichting toepassen. Wit licht en warm licht. Lichtmasthoogte per wegtype binnen de bebouwde kom: - woonstraat 4 - 6 meter, - wijkontsluitingsweg 6 - 8 meter. Schoolfietsroutes binnen de bebouwde kom verlichten. Hoogte van lichtmast nummer is 2 meter á 2,5 meter. Verlichting moet vandalismebestendig en onderhoudbaar zijn. Verkeersborden zoveel mogelijk combineren met lichtmasten. De locatie van verlichting en bomen/groen moet op elkaar afgestemd zijn. Lichthinder voorkomen door juiste keuze armatuur. Strooilicht moet voorkomen worden. Armaturen hebben een minimale afdichtingswaarde van IP54.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
12
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
Alle lichtmasten dienen voorzien te worden van een uniek nummer. Dit nummer wordt met een sticker met een gele achtergrond en zwarte cijfers op de mast aangebracht op 2,50m hoogte boven maaiveld. De nummers worden door de gemeente bepaald. De initiatiefnemer geeft opdracht voor het aanbrengen van de nummering. De nummering wordt gebruikt voor revisietekeningen (door de aannemer of ontwikkelaar te maken) incl. bijbehorende gegevens. Openbare verlichting is tot op zekere hoogte gestandaardiseerd, het is echter mogelijk om voor een plangebied af te wijken van de volgende eisen: Stalen lichtmasten. Lichtmasten uitvoeren in poedercoating RAL7016 (antracietgrijs) en 7042 (verkeersgrijs). Het college zal in september 2021 het handboek Openbare Verlichting aangeboden krijgen ter vaststelling.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
13
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
4. Riolering en drainage 4.1. Algemeen Voor uitbreidingen van woonwijken, bedrijventerreinen of andere substantiële uitbreidingen van verhard oppervlak moet een waterhuishoudingsplan opgesteld worden. In dit plan wordt ook de werking en berekening van de benodigde riolering besproken. Het waterhuishoudingsplan behoeft de goedkeuring van de gemeente en het waterschap.
4.2. Stelselkeuze 4.2.1. Woonwijken De volgende systemen worden onderscheiden Vuilwaterriool (VW) gescheiden stelsel, gemengd stelsel. Regenwaterriool (RW) (verbeterd) gescheiden stelsel. Schoonwaterriool (SW) gescheiden stelsel, rechtstreeks naar oppervlaktewater In woonwijken wordt een gescheiden stelsel aangelegd waarbij hemelwater zo veel als mogelijk direct afgevoerd wordt naar open water, al dan niet via een bodempassage (in overleg met het waterschap Rivierenland). Op bedrijventerreinen met milieucategorie 1 en 2 is hetzelfde van toepassing. Op bedrijventerreinen met milieucategorie 3 en zwaarder wordt een verbeterd gescheiden stelsel aangelegd. Schoon dakwater moet, waar het mogelijk is, rechtstreeks naar oppervlaktewater afgevoerd worden.
4.3. Technische eisen Ligging Waar mogelijk wordt de riolering en waterhuishouding aangebracht in één weghelft. Niet onder de gehele wegas of in het rijspoor. De inspectieputten worden geplaatst buiten het rijspoor. De hoogten van de aansluitende riolering en straathoogten moeten worden gewaterpast voordat de definitieve bestekstekeningen worden vastgesteld. Boven inlaten van het hoofdriool mogen geen kabels, leidingen en bomen worden aangebracht. De afstand tussen buitenzijden van de buizen onderling is minimaal 0.50 m. De afstand tussen onderling kruisende rioolbuizen is minimaal 0.15 m. Om bij kruising met nutsleidingen een goede aansluiting van huis- of kolkaansluitingen op het riool te garanderen bedraagt de gronddekking op het hoofdriool minimaal 1.25 m. De maximale diepteligging bedraagt 3 m van B.O.B. tot straatpeil. De maximale afstand tussen twee inspectieputten bedraagt 75 m. Inspectieputten worden aangebracht op alle kruisingen, knikken en bijzondere voorzieningen in het rioolstelsel. Ook bij wijzigingen in het verhang en van diameter. De inspectieputten moeten altijd toegankelijk zijn. Inspectieputten worden geplaatst buiten de tracés voor kabels en leidingen. Verdekte inspectieputten mogen niet worden toegepast.
Persleidingen moeten bij voorkeur direct lozen op een rioolgemaal, dit om stankoverlast en aantasting in het rioolstelsel te voorkomen. Sleuven worden aangevuld met zand in zandbed <1,00 meter conform de standaard RAW 2015 bepalingen.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
14
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
4.3.1. Vormgeving stelsel
De gemeente Zaltbommel werkt met een nummersysteem voor de riolering. In het definitief ontwerp moeten de definitieve putnummers gebruikt worden. De te gebruiken putnummers kunnen opgevraagd worden bij de afdeling Realisatie en Beheer, team Beheer. In het ontwerp worden doodlopende strengen waar mogelijk voorkomen. Bij verstopping in een rioolstreng moet het rioolwater alsnog kunnen afstromen via een andere streng. In een verbeterd gescheiden stelsel wordt in principe bij nieuwe stelsels geen directe koppeling gemaakt tussen de RW-riolering en de VW-riolering. Beide stelsels krijgen een eigen gemaal. Als dit niet mogelijk is, wordt de verbinding gerealiseerd nabij de hemelwateroverstort. Bij deze koppeling wordt een terugslagklep met spindelschuifafsluiter aangebracht. Bij gescheiden rioolstelsels worden voor doorstroming en ontluchting bij doodlopende VWstrengen op de laatste streng de laatste twee aanwezige kolken aangesloten. Bij het hoogste punt in het stelsel worden putdeksels met ontluchtingsgaten aangebracht. De riolering wordt gefundeerd op een zandbed van minimaal 0,15 m.
4.3.2. Leidingen
Hoofdrioolleidingen die gemengd rioolwater of regenwater afvoeren dienen een minimale inwendige diameter van 250 mm te hebben en vervaardigd te zijn van beton, PVC of PP. Hoofdrioolleidingen die alleen vuilwater afvoeren hebben een minimale inwendige diameter van 250 mm en zijn vervaardigd van PVC of PP. Kleurstelling PVC of PP leidingen voor hoofdriool en huis- en kolkaansluitingen: roodbruin voor vuilwater (VWA en gemengd), grijs voor hemelwater, groen voor infiltratieleidingen. Bij toepassing van PVC of PP voor vrijvervalleidingen wordt altijd uitgegaan van sterkteklasse SN8. Kunststof leidingen passend maken door middel van zagen en afbramen. Betonnen buizen pasmaken door middel van nat zagen. Het nieuwe riool sluit aan op bestaande of nieuwe putten door middel van pendelstukken (spie-spie of mof-spie met rubberringverbindingen) van maximaal 1 m lengte. Bij het kruisen van watergangen en dergelijke: riolen en persleidingen beschermen met een mantelbuis/doorlopende betonplaat, dan wel aanleggen minstens 1 m onder de bodem van de watergang. Inlaten op een pvc-riool d.m.v. knevelinlaten met zettingsmof minimale diameter 125 mm. De benodigde sterkte van betonbuizen moet berekend worden op basis van verkeersklasse 60 en conform de voorschriften van de fabrikant. Inlaten op betonriool d.m.v. prefab aansluitingen en/of renovatie blokje minimaal 125 mm.
4.3.3. Putten
In het begin van de ontwerpfase levert de gemeente op verzoek een lijst met putnummers en een tekening met het bestaande rioolstelsel. Inspectieputten van de VWA-riolering worden bij voorkeur vervaardigd in beton met een vlakke onderzijde met een fabrieksmatig aangebracht stroomprofiel. Inspectieputten van de RW-en SW-riolering of gemengde riolering zijn van prefab beton met een fabrieksmatig aangebracht stroomprofiel. Inspectie- of bijzondere putten mogen in principe niet worden gemetseld. Nieuwe overstortputten altijd in prefabbeton met een verstelbaar RVS overstortmes en RVS drijfvuilschot. Als sprake is van aansluiting op een bestaand riool worden prefab putten toegepast met een vierkante sparing. De aansluiting in deze sparing wordt gedicht met beton tenzij dat technisch niet mogelijk blijkt.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
15
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
Wanneer een deel van de riolering wordt vervangen in een bestaand rioolstelsel dienen de prefab putten te zijn voorzien van vierkante sparingen bij hoekverdraaiingen in het nieuw te leggen riool. Waar het te vervangen riool weer aansluit op een bestaande put, kan deze put worden aangepast. De minimale inwendige maat van een betonnen inspectieput bedraagt 800 x 800 mm of ø 1000 mm en voor kunststof inspectieputten ø 800 mm. Bij kunststof putten een betonnen fundatieplaat aanbrengen onder de putranden.
4.3.4. Putafdekkingen
Alle toe te passen putafdekkingen zijn van het merk TBS type 3223 VR VEPRO (hoogte 24 cm) voor putten met aansluitende riolen kleiner dan ø500 mm, of type 435 VR VEPRO (hoogte 24 cm) voor alle overige putten. Alternatieven zijn niet toegestaan tenzij de situatie dit type putrand niet toestaat, in dat geval wordt overlegd met de gemeente Zaltbommel. Bij gescheiden stelsels putranden toepassen met opschrift VW, RW of IW. Het opschrift moet op de putrand staan aangezien deksels met opschift gevoelig zijn voor verwisseling. Putdeksels voor TBS 3223 worden uitgevoerd met het gemeentewapen van Zaltbommel (ligt op voorraad bij TBS) In situaties met afzonderlijke dakafvoer ook putranden toepassen met het opschrift IW. Putafdekkingen van overstorten en andere bijzondere constructies worden, als ze buiten de verharding liggen, voorzien van 1 meter straatwerk rondom de putafdekking. Afdekkingen met een dagmaat groter dan 65 cm worden uitgevoerd met ergonomisch verantwoorde putdeksels die door een persoon geopend kunnen worden, bijvoorbeeld ondersteund door een gasveer. Deze putafdekkingen zijn geschikt voor zwaar verkeer en vallen in de sterkteklasse D400 volgens EN-124 Putranden op hoogte brengen d.m.v. minimaal 2 betonnen stelringen in specie.
4.3.5. Uitstroomvoorzieningen
Regenwaterafvoeren kleiner dan 200 mm en lozend op een watergang of wadi worden waar mogelijk gecombineerd met één of meerdere afvoeren tot een grotere regenwaterafvoer. Indien dit niet mogelijk is moeten de regenwateruitlaten die kleiner zijn dan 200 mm worden beschermd tegen maaien, zoals een uitstroomput met rondom 50 cm straatwerk. Bij waterpartijen met een constant waterpeil de afvoer zichtbaar realiseren, dus vlak boven het waterpeil. Regenwaterafvoer vanaf ø200 mm (waaronder overstorten) lozend op een watergang of wadi, moet zijn voorzien van een uitstroomvoorziening, die zichtbaar is boven het normale waterpeil. Deze constructie moet voldoen aan de eisen van de beheerder van de watergang, waarbij de gemeente om een prefab betonnen uitstroombak vraagt met bescherming van het omliggende talud en de waterbodem. De afvoeren minimaal 0,10 m boven de bodem van een watergang aanbrengen. Bij een uitstromingsvoorziening in watergang of wadi moet ter plaatse voldoende bescherming zijn, door middel van betonmat of gelijkwaardige oplossing. Een talud afwerken met een betonspecie of soortgelijk stijf materiaal is niet toegestaan. Bij een talud, waar minder dan eens per jaar water beperkt overstroomt, is het toegestaan om een kunststofmat toe te passen die de grasmat voldoende blijvend verstevigt. Het maaien van gras moet daarbij goed mogelijk blijven.
Eventuele herstelkosten zijn voor rekening van de aannemer. Een voorbeeld is de Enkamat flatback 7220. Als de bovenkant van een overstortmuur minder dan 30 cm boven polderpeil gelegen is moet een terugslagklep toegepast worden.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
16
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
4.3.6. Persleidingen
Wanneer aangesloten wordt op een betonnen vrijvervalriool minimaal de eerste 20 meter vervangen door een kunststof leiding. De diameter van het verbindende vrijvervalriool is minimaal 200 mm. Als overgang tussen persleiding en vrijvervalleiding wordt gebruik gemaakt van een PP of PE ontvangstput diameter 0,80 m. Persleidingen worden standaard uitgevoerd in PE 80, SDR 17, PN 8,0 tenzij de maximale druk van de pomp hoger is dan 4 bar. De leiding wordt uitgevoerd in de kleur zwart met bruine strepen. Bij bochten in persleidingen en tot 10 m voor en na een bocht moeten trekvaste koppelingen toegepast worden. Pas ruime bochtstralen toe, in verband met mechanisch reinigen. Voorafgaand aan inbedrijfstelling wordt een persleiding gecontroleerd op dichtheid. Boven persleidingen markeringslint aanbrengen met opschrift “rioolwaterpersleiding”.
4.3.7. Aanvullende eisen hoofdleiding bij vervanging
Bij vervanging van riolering moet eerst met de gemeente afgestemd worden of er noodzaak is tot aanpassing van diameters van het riool. Bij vervanging moet de oude hoofdleiding inclusief de huis- en kolkaansluitingen worden verwijderd. Dit laatste ook in verband met mogelijke verblijfplaatsen voor ratten en muizen. De diameter van het nieuwe riool moet ten minste een gelijk nat-oppervlak hebben als de oude leiding. Het nieuwe materiaal is kwalitatief minimaal gelijkwaardig aan de oorspronkelijke staat van het te vervangen materiaal. Dit ter beoordeling aan de gemeente. Niet meer gebruikte rioleringen dienen te worden gereinigd en op een milieuverantwoorde wijze te worden afgevoerd. Indien het riool niet kan worden verwijderd, is dichtschuimen toegestaan met schuimbeton met een volumieke massa van 500 kg/m³ of met Benefil (Bacel) RG 22 hardschuim of gelijkwaardig. Voorafgaand aan het dichtschuimen moet het riool gereinigd en geïnspecteerd worden en afgesloten met schildmuren.
4.3.8. Gemalen en pompputten
De levensduur van de besturingskast- en apparatuur moet minimaal 30 jaar bedragen. Pompen dienen een levensduur te hebben van minimaal 15 jaar. Alle gebruiksaanwijzingen en schema´s dienen in de Nederlandse taal opgesteld te zijn. Alle onderdelen moeten voldoen aan de geldende regelgeving. Gemalen in een DWA en/of gemengd stelsel moeten zijn uitgevoerd met twee pompen die elkaars reserve zijn, er is geen sprake van samenloop van de twee pompen. HWA-gemalen mogen voorzien zijn van 1 pomp. Alle inkomende leidingen in een gemaal worden voorzien van een spindelschuif. Achter elke pomp wordt een persafsluiter aangebracht. Corrosiebestendige materialen toepassen. De elektrotechnische installatie dient minimaal te bevatten: 1 drukopnemer in de pompkelder, voor meting van het actuele niveau. Stroommeter(s) voor de eventueel te gebruiken pomp(en), de stroommeter moet eenvoudig afleesbaar zijn in de besturingskast. Debietmeter op de uitgaande leiding. De drukopnemers in het rioolstelsel worden opgehangen in een PE beschermbuis.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
17
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
Het systeem dient aangesloten te worden op de telemetrie-hoofdpost (I-Real). De volgende zaken moeten visueel weergegeven worden en uitleesbaar zijn op de hoofdpost: Alle actuele niveaus, inclusief een log van de standen in de afgelopen periode. Status van elke pomp (in bedrijf, bedrijfsklaar, geblokkeerd of storing). Actueel stroomverbruik per pomp (inclusief log). Stand van de schakelaars per pomp. Aard van eventuele storingen. Alle pompen en andere elektrisch bedienbare onderdelen zijn te besturen vanaf de hoofdpost. Logging van waterpeilen, debieten, stroomverbruik per pomp, status van pomp (aan/uit). Status van de kastdeur (open gesloten, alarmering bij kast open i.v.m. inbraak). Het gemaal moet bestuurd worden met een besturingssysteem. De keuze voor de leverancier van de overige onderdelen van de installatie wordt aan de opdrachtnemer overgelaten. De besturingskast wordt uitgevoerd in een donkergroene kleur (RAL 6005). De cilindersloten voor de kast worden door de gemeente ter beschikking gesteld. De kast wordt op een vaste (betonnen) fundering geplaatst en voorzien van bestrating met een breedte van 1 meter aan de voorzijde van de kast. De besturingskast wordt op een goed bereikbare en overzichtelijke (i.v.m. vandalisme) locatie geplaatst. De locatie van de kast maakt onderdeel uit van het ontwerp van de openbare ruimte.
Kabeldoorvoeren naar buiten de kast worden uitgevoerd met een kunststof mantelbuis en worden afgedicht met siliconenkit. PU-schuim of andere materialen zijn niet toegestaan voor deze toepassing. De kast dient minimaal te bevatten: Aansluiting voor elektriciteit. Aansluiting voor telecommunicatie (GPRS) en een modem voor communicatie met de hoofdpost. 1 wandcontactdoos 400V, 16A. 1 wandcontactdoos 230V, 16A. TL kastverlichting, bediening door deurschakelaar. Kastverwarming met hygrostaat. Kastventilatie met thermostaat. De besturingskast wordt op een voetstuk vast op of aan de afdekplaat van het gemaal geplaatst i.v.m. verzakkingen. De kast wordt beveiligd tegen aanrijding of beschadiging (bijvoorbeeld d.m.v. het plaatsen van obstakels).Bovenkant pompput 20 cm boven maaiveld om overrijden te voorkomen. Indien niet mogelijk zwaar-verkeerdeksels toepassen die zonder externe hulpmiddelen te openen zijn met een maximum tilgewicht van 20 kg. De opgegeven specificatie is een minimum eis. De installatie moet uiteraard zo ontworpen zijn dat de voorziening ook goed kan functioneren. De aansluitingen voor elektriciteit en telefoon worden door de opdrachtnemer aangevraagd en komen voor rekening van de opdrachtnemer. De specificatie van de elektrotechnische installatie wordt vooraf besproken met de gemeente Zaltbommel.
Per onderdeel dient fabrikant en type aangegeven te worden. De gemeente heeft het recht om te kiezen voor een andere leverancier, installatie of specificatie met als doel het garanderen van de bedrijfszekerheid en onderhoudbaarheid van het systeem.
4.3.9. Huisaansluitingen
Huisaansluitingen hebben standaard een diameter van ø125 mm (kleurstelling conform 4.3.2) In elke huisaansluiting wordt een erfscheidingsput geplaatst. Hiervoor inspectieputten fabricaat Wavin PK315PP-125 of gelijkwaardig toepassen met bruin (VW) dan wel zwart (RW) deksel, ophogen tot 50 cm onder maaiveld. Bij renovatie projecten vooraf overleg met
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
18
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
de rioolbeheerder. Elk pand of elke aansluiting heeft een eigen inlaat op het hoofdriool, dus slechts één aansluiting per inlaat. De deksels van de erfscheidingsputten in de woonwijken De Waluwe II en III voorzien van een ‘Flowtracker’-tag. Het ontstoppingsstuk wordt ca 0,50 meter over de erfgrens geplaatst op eigen terrein. Altijd zettingsstukken opnemen in standpijpen op het hoofdriool.
4.3.10.
Kolkaansluitingen
Waar trottoirbanden worden toegepast trottoirkolken toepassen In molgoten en op pleinen e.d. straatkolken toepassen. Standaard TBS straatkolk type STR-9737 met flexibele zijaansluiting of gelijkwaardig. Standaard TBS trottoirkolk type TRK-4717 met flexibele zijaansluiting of gelijkwaardig. Bij RWS-banden 110/220x250 TBS trottoirkolk type RWS-450x375 of gelijkwaardig. 1 tot 3 kolken op een leiding van ø125 mm. 4 tot 8 kolken op een leiding van ø160 mm. Per kolk mag niet meer dan 100 m2 asfaltverharding afwateren en niet meer dan 120 m2 elementenverharding. Kolkafstand maximaal 20 m. Locatie kolken: - Straat of trottoirkolken aan weerszijden van de weg. - Situeer in de nabijheid van elk tangentpunt een kolk. - Plaats de kolk maximaal 2 m uit het tangentpunt van de bocht. - Houd minimaal 2 m afstand tussen kolken en snelheidsremmende plateaus. - Plaats bij parkeervakken straatkolken in een molgoot tussen rijbaan en parkeervak op de scheiding tussen de parkeervakken. Alle in het plangebied aanwezige gres- of betonnen aansluitleidingen moeten worden vervangen door PVC leidingen en hulpstukken. Altijd zettingsstukken opnemen in standpijpen. Als er meer dan één kolkleiding op een inlaat aangesloten wordt dan wordt dit met een flexibel stroom-T-stuk met zettingsmof uitgevoerd. Kolken aansluiten met uitsluitend bochten van 45°.
4.3.11.
Gemeente Zaltbommel
Drainage
Drainageleidingen moeten voorzien zijn van doorspuitvoorzieningen die vanaf maaiveld bereikbaar zijn via een putdeksel. Binnendiameter doorspuitputten minimaal 30 cm. Maximale afstand tussen doorspuitputten 75 m. Drainage niet lager aanleggen dan grondwaterniveau. In principe wordt geen cunetdrainage toegepast. Als dit toch noodzakelijk is dan wordt dit uitgevoerd in polypropyleenvezel 450 mu, diameter 100 mm, sleuven aanvullen met zand tot onderzijde wegfundering.
4.4. Revisie riolering
Voor de revisie van riolering geldt de Leidraad Riolering van Rioned als richtlijn. Afwijken hiervan kan alleen in nader overleg met de gemeente. Voor revisie van DWA- en HWA-leidingen geldt een minimale diameter van ø315 mm.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
19
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
5. Water 5.1. Algemeen De geohydrologische situatie in de gemeente Zaltbommel is zeer complex als gevolg van de zeer grillige bodemopbouw en de invloed van de grote rivieren op het grondwater. Bij alle nieuwe ontwikkelingen zoals woningbouwlocaties is het opstellen van een waterhuishoudkundig plan noodzakelijk. Bij een verandering van de bestaande situatie die invloed kan hebben op de grondwaterstanden en het kwelgedrag moeten de gevolgen berekend worden in dit plan. Verder moet een dergelijk plan zich richten op de hoeveelheden afstromend hemelwater, eventueel benodigde (tijdelijke) bronnering en (tijdelijke of permanente) drainage. Gezien de waterhuishoudkundige situatie in de gemeente Zaltbommel is in het algemeen drainage niet wenselijk.
5.2. Bevoegd gezag Het Waterschap Rivierenland en Rijkswaterstaat zijn verantwoordelijk voor de waterkwaliteit en de waterkwantiteit. Bij werkzaamheden aan, onder of nabij bestaande watergangen, het maken van nieuwe watergangen- of partijen, het lozen van water of het werken in of nabij dijken moet ontheffing gevraagd worden bij een van deze twee partijen.
5.3. Waterberging De benodigde waterberging wordt bij voorkeur aangelegd als open water op één locatie. De locatie moet aansluiten op het bestaande systeem van A- of B-watergangen, dit in overleg met het waterschap. Wadi’s zijn bespreekbaar mits open water niet haalbaar is. Aan wadi’s stellen we eisen ten aanzien van ontwerp en onderhoud (begaanbaar met een maaimachine, de drains moeten doorgespoten kunnen worden). Ondergrondse oplossingen voor waterberging worden in principe niet geaccepteerd tenzij open water of wadi’s technisch onmogelijk zijn.
5.4. Grondwater De gemeente Zaltbommel beschikt over een grondwatermeetnet. Actuele en historische gegevens kunnen geraadpleegd worden via https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
20
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
5.5. Ontwateringsdiepte Bestemming
Wegen, t.o.v. straatpeil Woningen met kruipruimte t.o.v. bouwpeil (bovenkant vloer BG) Woningen zonder kruipruimte t.o.v. bouwpeil Groenvoorziening en tuinen t.o.v. maaiveld Kabels en leiding t.o.v. maaiveld
Ontwateringsdiepte in meters T=1
T=10+10%
0,7
0,4
T=10 (Waal) en T=2 neerslag 0,4
1,0
0,7
0,7
0,7
0,5
0,5
0,5
0,3
0,2
0,7
0,3
0,3
T=100+10% 0,0
5.6. Kwel Vanwege de ligging tussen twee grote rivieren en de bodemopbouw is het gebied op sommige plaatsen zeer gevoelig voor kwel. Door deze kwelgevoeligheid moet het waterhuishoudingsplan overlegd worden met het Waterschap Rivierenland. Plannen dienen kwelneutraal te worden uitgevoerd.
5.7. Oppervlaktewater Voor nieuwe of te wijzigen watergangen gelden de volgende uitgangspunten: In woonwijken of locaties waar veel spelende kinderen verblijven, taluds 1:6 toepassen. Deze taluds worden in gazon aangelegd, zodat de zichtbaarheid van spelende kinderen langs de watergang gewaarborgd is. Talud 1:3 is toegestaan voor ruige berm/gras of beplanting langs doorgaande wegen (zonder voetpaden) of in het buitengebied. Als talud niet mogelijk is en een keerwand wordt toegepast moet er een plasberm aangebracht worden met een breedte van 1 meter en een diepte van maximaal 30 cm onder het normale peil. Oevers moeten bij voorkeur natuurvriendelijk aangelegd worden. Bij grote waterpartijen biedt een klein eilandje grote kansen voor flora en fauna. Het liefst 1 centrale waterpartij in plaats van meerdere kleine. Naast waterpartijen moeten vuiltrekplaatsen aangelegd worden, conform eisen waterschap. Dit is een verharde strook (kan met grasbetonstenen) om maaisel d.m.v. een vrachtwagen met autolaadkraan af te voeren vanuit het water. De vuiltrekplaats dient tevens als secundaire waterwinning voor de brandweer, dus locatie ook afstemmen met de brandweer. Aan te leggen retentie krijgt in principe de status van A-watergang. Dat betekent, dat er onderhoudsstroken met een breedte van 4,00m beschikbaar moeten blijven aan weerszijden van de watergang.
Deze strook en de watergang zelf worden in eigendom overgedragen aan het waterschap. Retentie dient af te voeren op A-watergangen. Eventueel tussenliggende watergangen dienen dus ook de A-status te krijgen.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
21
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
Voor de afmetingen van watergangen met A- of B-status de minimale vereiste afmetingen van het Waterschap hanteren. Waar C-watergangen worden aangelegd, dient ook een onderhoudsstrook met een breedte van 4,00m beschikbaar te zijn. Indien deze onderhoudsstrook wordt verkocht, dient ook de watergang inclusief het beheer en onderhoud mee te worden verkocht.
5.8. Bronneringswater Bronneringswater dient geloosd te worden op oppervlaktewater of een wadi. In principe wordt lozing op het riool niet toegestaan. De wijze van lozen dient te worden afgestemd met de gemeente en het waterschap, afhankelijk van de eigenaar van het lozingspunt en de kwaliteit van het water. Of er een ontheffing van de keur of melding nodig is moet worden nagegaan bij de betreffende waterbeheerder. Bij lozing op het riool is altijd toestemming nodig van de gemeente Zaltbommel. Er dient te allen tijde een ontijzeringsinstallatie te worden toegepast.
5.9. Beschoeiingen en damwanden
Hout met FSC-keurmerk toepassen, duurzaamheidsklasse 1. Het gebruik van verduurzaamd hout is niet toegestaan. Het gebruik van uitlogende materialen is niet toegestaan. Aan de landzijde planken toepassen in combinatie met een gronddicht, waterdoorlatend weefseldoek. Langs de opgangen van bruggen en duikers beveiliging aanbrengen in de vorm van hekwerken en eventueel uitklimvoorzieningen. Beschoeiing zonder verankering mag maximaal 20 cm hoogteverschil overbruggen. Bij meer dan 20 cm is verankering vereist. Bij hoge kades is een uitklimvoorziening nodig (>80cm). Bij een hoogteverschil van meer dan 60 cm is een leuning noodzakelijk. Geen vlechtschermen toepassen. Afdekplanken minimaal 35 mm dik in verband met kromtrekken. Geen houtdraadbouten in kops hout. Langs damwanden dubbele gordingen toepassen, schuine liplassen verspringend over halve planklengte.
5.10. Duikers
Maatvoering volgens opgave waterschap Rivierenland. De aansluiting van een duiker op een watergang vindt plaats met een betonnen uitstroombak. In verband met onderhoud en inspectie van duikers/ op de taluds bij duikermonden aan weerszijde daarvan over een lengte van 2,50 meter geen beplanting aanbrengen.
5.11. Bruggen en kunstwerken Algemeen ontwerp In het algemeen vandalismebestendig construeren. Onderdelen van kunstwerken zo bevestigen dat ze niet zonder gereedschap kunnen worden verwijderd. Waar mogelijk lasverbindingen toepassen in plaats van bouten en moeren. Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
22
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
Bruggen van ruwe slijtlaag of anti-sliplaag voorzien, zodat geen strooizout nodig is. Bij bruggen in wegen zonder anti-sliplaag dient het brugdek dicht te zijn en voorzien van een opstaande rand, zodat strooizout niet de sloot in loopt. Kunstwerken zoals bruggen en duikers voorzien van stootplaten. Stootplaten minimaal 5m lang maken, aandacht besteden aan laagsgewijze aanvullingen en voldoende verdichting van grondwerk rond landhoofden. Voorkom dat vogels en andere dieren zich in de constructie ophouden.
Materiaalkeuze Materiaalkeuze afstemmen op schaal kunstwerk (klein in hout of kunststof, groot in beton of staal). Hout met FSC-keurmerk toepassen, duurzaamheidsklasse 1. Bij het toepassen van stalen onderdelen en bevestigingsmiddelen kiezen voor RVS. Taluds onder brugdekken bekleden met een gesloten verharding. Waterlijn t.h.v. kunstwerken voorzien van beschoeiing. Ter plaatse geen natuurvriendelijke oever toepassen. Draagkracht Voor kunstwerken in gebiedsontsluitingswegen en hogere orde verkeersklasse 60 aanhouden. Voor kunstwerken in erftoegangswegen verkeersklasse 60 aanhouden. Fiets- en voetgangersbruggen ontwerpen op onderhoudsvoertuig (verkeersklasse 30). Landhoofden van beton op een fundering die geschikt is om voertuigen te dragen, zelfs al hoeft de brug niet geschikt te zijn voor voertuigen. Bruggen die niet geschikt zijn voor motorvoertuigen fysiek afsluiten. Viaducten en bruggen beschermen tegen beschadigingen ten gevolge aanrijdingen en of aanvaringen.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
23
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
6. Groen 6.1. Algemeen
Het groen moet de structuur versterken. Daarnaast dient de hoofdgroenstructuur (conform Groenbeleidsplan) behouden te blijven. Eventuele wijziging in de structuur (na overleg met de gemeente) dient gecompenseerd te worden. Plantmateriaal (bomen, heesters) en graszaad moet soortecht zijn volgens de algemeen geldende kwaliteitsnormen. Alle te onderhouden voorzieningen (gras, beplantingen, sloten, etc.) dienen goed bereikbaar te zijn voor machines. Openbaar groen niet direct aan particulier groen laten grenzen Scheiding kan worden aangebracht door bijv. door het aanleggen van een pad of een duurzame erfafscheiding. I.v.m. aanzicht zo veel mogelijk gebruik maken van een ‘groene’ duurzame erfafscheiding (bv. een hekwerk met klimplanten). Erfscheidingen zijn in eigendom en beheer bij de aanwonenden. Voorkeur wordt uitgesproken voor een ‘groene’ erfscheiding met heesters/haag of hekwerk met klimplanten. Geen ‘snippergroen’ toepassen, kleine groenstroken zijn onderhoudsintensief en slijtagegevoelig. Groenstroken in woonstraten zijn minimaal 2 meter breed, groenstroken langs wijkontsluitingswegen zijn minimaal 5 meter breed. Gazonstroken met bomen zijn minimaal 3 meter breed. Een middenberm of groenstrook aan één kant van de straat verdient de voorkeur boven twee stroken van bijvoorbeeld 1 meter breed.
Groenstroken in woonstraten hebben een minimale lengte van 10 meter zonder doorsteekjes ter ontsluiting van woningen. Wanneer er geen groenstroken mogelijk zijn kan er gekozen worden voor bijvoorbeeld een boom in een goede open boomspiegel. In het openbare groen bij scholen, speelplaatsen van peuters en kleuters wordt het sortiment gecontroleerd op (extreme) giftigheid van vruchten in combinatie met bereikbaarheid en aantrekkelijkheid voor kinderen. Rondom kinderboerderijen en maneges geen taxus toepassen. Bij parkeerplaatsen geen soorten toepassen, die problemen opleveren voor bewoners, bijv. druipen van linden, fruit/besjes op de stoep en auto’s etc. Beplantingssoorten waarvan onderzoek heeft uitgewezen dat zij gevoelig zijn voor plagen, die de volksgezondheid kunnen aantasten zoals de eikenprocessierups worden niet toegepast langs doorgaande voet/fietspaden, bij horecapleinen, bij scholen en speelplekken. Rekening houden met hoge grondwaterstanden. Verschillende boomsoorten worden toegepast om monocultuur in de bebouwde kom te voorkomen. Per straat wordt één boomsoort toegepast. Bij doorgaande wegen langer dan 1 km kan desgewenst op een kruispunt of ander herkenningspunt voor een andere boomsoort worden gekozen. Een andere cultivar wordt als dezelfde soort beschouwd.
Bij reconstructie kan er in sommige gevallen gekozen worden voor een andere boomsoort dan reeds aanwezig, bijvoorbeeld als er nieuwe parkeerplaatsen worden gerealiseerd onder lindes. Het plantensortiment moet geschikt zijn voor de van nature aanwezige geomorfologie zoals grondsoort, waterpeil en hoogteverschillen. Gekozen boomsoorten moeten geschikt zijn voor hun toepassing in beplanting (geen wortelopslag), gazon of bestrating (wortelopdruk). De natuurlijke habitus van de gekozen heesters mag de maximale maat van het plantvak niet overstijgen, zodat vormsnoei in de vorm van blokhagen van ‘overkokende’ beplanting wordt voorkomen. Heesters mogen niet behoren tot de woekerende soorten. Het sortiment bestaat voor minimaal 30% uit materiaal, dat van nature in Nederland kan voorkomen.
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
24
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
Sortiment en inrichtingsplan dienen altijd specifiek ter goedkeuring aan de Gemeente Zaltbommel te worden voorgelegd. Bij nieuwe ontwikkelingen is het uitgangspunt dat er per woning 75m2 groen wordt gerealiseerd, waarvan 30m2 als gebruikersgroen wordt ingericht Openbaar groen moet bewust worden ontworpen en ingericht. Plannen moeten ter controle langs de gemeente en worden getoetst op kwaliteit en beheerbaarheid. Tracés kabels en leidingen worden bij voorkeur onder de verharding aangebracht in plaats van in groenstroken. Biodiversiteit is net als duurzaamheid, milieu en gebruikswaarde een aandachtspunt bij de inrichting van openbaar groen. Monoculturen moeten worden voorkomen. Groenwaarde voor flora en fauna dient steeds te worden afgewogen. Biodiversiteit betekent een weloverwogen keuze maken uit groentype, bomen en heester, vaste planten en akkerkruiden. Waar mogelijk insectenvriendelijke beplanting aan te brengen zoals honing- en stuifmeel dragende bomen.
6.2. Bomen
Tijdens de werkzaamheden dienen bestaande bomen te worden beschermd conform de poster "Boombescherming op bouwlocaties" opgesteld door Vereniging Stadswerk Nederland 2007. Geen wortelopdrukkende soorten toepassen binnen een straal van 5 meter uit verharding i.v.m. opdrukken van de verharding. Bomen bij parkeervakken voorzien van een permanente boombescherming. Het onderhoud, de inboet en het water geven in de eerste twee jaar dient in de opdracht te zitten en verzorgd te worden door de ontwikkelaar. Overdracht zal pas na twee groeiseizoenen plaatsvinden. Inboetgarantie en onderhoud is 2 jaar, na ieder jaar inboet opnemen en uitvoeren. Nieuwe periode van 2 jaar onderhoud en inboetgarantie gaat na uitvoering weer in, zo lang dat alle bomen minimaal 2 jaar na planten nog voldoende levensvatbaar zijn. Waarborgen van goede doorwortelbare ruimte voor een boom. Minimaal 5 meter rondom loswoelen tot 1 meter diep bij het planten van de boom.
6.2.1. Categorisering bomen Om de afmeting van bomen aan te geven worden deze vaak aangeduid als boom van de 1e, 2e of 3e grootte. Hoe groot is dat dan? Algemeen wordt de definitie van “Dr. B.K. Boom” aangehouden, zoals hij die opgenomen heeft in de “Nederlandse Dendrologie” en zoals die is overgenomen in het stadbomenvademecum. Boom 1e grootte: boom volgroeid hoger dan 12 meter. Boom 2e grootte: boom volgroeid tussen 6 en 12 meter. Boom 3e grootte: boom volgroeid kleiner dan 6 meter. Hierbij wordt uitgegaan van een boom in volle grond. Bomen in verharding zullen meestal kleiner blijven. Bomen 1e grootte bijvoorbeeld: eik, beuk, plataan, iep, paardenkastanje, populier, gewone linde, Noorse esdoorn en bergesdoorn, etc. Bomen 2e grootte bijvoorbeeld: els, berk, lijsterbes, zoete kers, goudiep, etc. Bomen 3e grootte bijvoorbeeld: sierappels, sierperen, meidoorn, krentenboom, etc.
In de hoofdstructuur en parken worden bomen van de eerste grootte aangeplant in een maat van 16-18 of 18-20 op een onderlinge afstand van 10 tot 15 meter;
Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
25
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
In buurtontsluitingswegen en woonstraten worden bomen van de tweede grootte aangeplant in de maat 12-14 of 16-18 op een onderlinge afstand van 10 meter of op een solitaire plek in een woonstraat; In woonstraten worden bomen van de derde grootte aangeplant in de maat 10-12 als wegbeplanting.
Bij een grondwaterstand (GHG of GVG) hoger dan 0,60-0,70m beneden maaiveld worden in de verharding in principe geen bomen van de 1e grootte toegepast i.v.m. latere opdruk van de verharding. De capillaire werking van de bodem kan beperkt worden door op 0,10 m boven de GHG of GVG een laag drainagezand van 0,10m toe te passen. Indien voor bomen minder dan 3m3 doorwortelbare ruimte beschikbaar is, wordt geen boom aangeplant (afmeting plantvak x diepte tot GHG of GVG +0,1m).
6.2.2. Afstand tussen bomen en kolken en Kabels/Leidingen Bij het aanbrengen van een nieuwe of vervangende boombeplanting moet altijd rekening worden gehouden met de minimale afstand tussen bomen en kolken van 2 meter. Tussen bomen en kabels en leidingen dient een afstand van minimaal 2 meter aangehouden te worden en dient een wortelscherm aanwezig te zijn.
6.2.3. Afstand tussen bomen en trottoirband Indien een boom in het trottoir wordt geplant moet het hart van de boom minimaal 0,9 meter achter de trottoirband liggen. Staat de boom in gazon of in beplanting dan is de minimale afstand tot de verharding 2 m.
6.2.4. Afstand tussen bomen en verkeerslichten Bij een nieuwe of vervangende boombeplanting geldt een minimale afstand tussen boom en de verkeerslichten van 15 m.
6.2.5. Afstand tussen bomen onderling Bomen in rij dienen op een onderlinge afstand van minimaal 8 meter hart op hart aangeplant te worden Bij een laan aan weerskanten van een weg mogen de twee rijen op een kortere afstand staan. Bij bomen in open bermen/ doorgaande plantstrook wordt gestreefd naar een afstand van maximaal 12 meter hart op hart in de rij, tenzij dit door obstakels (bovengronds/ ondergronds) niet haalbaar is. Bomen worden in een rij in een logisch ritme geplant. Dit dient met de groenmedewerker te worden overlegd.
6.2.6. Boomspiegels In verband met schade door strooizout mogen boomspiegels niet op gelijk niveau komen met de rijbaan of parkeervakken, er dient een verhoogde boomspiegel te worden toegepast. Zie tekeningen. Boomvakken worden opgesloten met opsluitbanden of trottoirbanden. Gebruik wordt gemaakt van bochtbanden en hoekstukken. Er worden geen pas-/ zaagstukken toegepast.
6.2.7. Bewateringsring Toepassen bij de aanplant van nieuwe bomen. Hierbij gebruik maken van een kunststof ring van PE, dikte ten minste 3,0 mm. Rolafmeting hoogte 30 cm. Kleur zwart of groen. Onderzijde 0,15 meter in de grond werken, bevestiging aan de binnenzijde van de boompalen met schroeven (3.5 x 50 mm).
6.2.8. Boompalen en –banden Boompalen moeten van onbehandeld kastanjehout met FSC keurmerk zijn, minimaal 2,50 meter lang en 7-8 cm in doorsnede. De boompalen moeten minimaal 1,60 en maximaal 1,80 m boven maaiveld uitsteken. Per boom worden 2 boompalen toegepast. De palen zijn recht en uniform van afmeting. 26 Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
Boombanden moeten van ‘autogordel’ zijn of gelijkwaardig, de boombanden worden in de vorm van een 8 aangebracht (lus rond de stam). De boompalen staan haaks op de heersende windrichting. In laanverband dienen de boompalen evenwijdig of haaks op de rijbaan te staan.
6.2.9. Plantmateriaal Plantmateriaal moet soortecht zijn en vrij van ziekten conform het `Certificeringsreglement voor Laanen Sierbomen' van de NAK-tuinbouw. Het plantmateriaal dient minimaal van ‘EG kwaliteit’ te zijn, dit dient op de afleverbon vermeld te staan, evenals het aansluitnummer bij NAK-tuinbouw. Kwaliteitsnormering van Laan- en Parkbomen, 1989 van de Stichting Kwaliteitsnormering van Boomkwekerijgewassen (ISBN 90-322-2554-5) is van toepassing. De bomen dienen uniform te zijn qua habitus, groeiwijze en – ritme en samenstelling van de kluit. Kluiten van bomen en heesters dienen goed doorworteld te zijn, er mag geen sprake zijn van een ‘gemaakte’ kluit.
6.2.10.
Wortelbarrière
Indien aangenomen kan worden dat boomwortels door horizontale wortelgroei schades kunnen veroorzaken aan verharding of ondergrondse infrastructuur moet een wortelbarrière worden geplaatst. Het doel van een wortelbarrière is het voorkomen van horizontale wortelgroei door middel van ondergronds verticaal geplaatste fysieke (wortel)barrières. Toegepast wordt Rootcontrol (leverancier Greenmax) of gelijkwaardig. Dit is een non-woven dubbelzijdig gecoat geotextiel met een massa van 360 gram/ m2. Het wortelscherm wordt toegepast vanaf het grondwaterniveau (volcapillaire zone) tot maaiveld. Hoogte van het materiaal is dus afhankelijk van het grondwaterpeil. Afstand tussen de boom en het toe te passen wortelscherm is in principe 2 meter omdat de boom anders instabiel kan worden. Het wortelscherm wordt aan de uiterste rand van het plantvak toegepast aan de zijde van de kabels en leidingen en wordt tot minimaal 2 meter buiten het plantvak doorgetrokken. Wortelgeleidesystemen zoals Deeproot worden niet toegepast.
6.2.11.
Grond in boomvak/plantvak
Een boomvak wordt ontgraven tot 0,10m boven de grondwaterstand GHG of GVG) en niet dieper. De maximale diepte bedraagt 1,00 meter. Bij bomen in plantsoenen, waar de bestaande bodem niet geschikt is voor aanplant, bomengrond toepassen (teelaarde specifiek voor bomen met een relatief hoog gehalte organische stof). Handboek inrichting openbare ruimte gemeente Zaltbommel Versie 2.2 (september 2021)
27
Handboek inrichting openbare ruimte versie 2.2
Gemeente Zaltbommel
Waar de bovenbelasting hoog is (bijvoorbeeld bij parkeerplaatsen/winkelcentra), dient bomengranulaat te worden toegepast (een mengsel van fijn gesteente, organische groeistoffen en klei). Het granulaat moet zijn van het type BSI Bomenservice te Baarn of met een gelijkwaardige samenstelling. Waar de bovenbelasting op de verharding minder is (bijvoorbeeld op voetpaden in woongebieden), voldoet bomenzand type Helvoirt Amsterdam of met gelijkwaardige samenstelling, waarbij het percentage lutum (klei) is kleiner dan het percentage organische stof. De aanvulling in het boomvak/ plantvak minimaal 0,15m door de ondergrond werken, tenzij dan binnen 0,10m boven de grondwaterstand gewerkt wordt. Grondverbetering 3 m³ per boom. In het volledige plantvak de ondergrond goed los maken.