Motivering en regels ontwerp TAM-OP Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Tekst van het document
Ook op de omliggende bedrijventerreinen zijn geen geluidzoneringplichtige inrichtingen toegestaan. Verder zijn Bevi inrichtingen (onder de Omgevingswet opgegaan in het Bkl) en daarmee vergelijkbare risicobedrijven tevens niet toegestaan in het plangebied. De bedrijven die wel zijn toegestaan in het plangebied behoren dus tot de categorieën 1 tot en met 3.1 zoals opgenomen de VNG Handreiking ''Bedrijven en Milieuzonering. Waardoor er voor de komst van toekomstige bedrijven tevens geen hinder wordt voorzien bij de realisatie van de woningen op het bedrijventerrein. Bovendien is er beperkte uitbreiding mogelijk voor de bestaande bedrijvigheid gezien de beschikbare ruimte in het plangebied en de bouwregels die ter plaatse gelden. Er moet echter wel worden benoemd, dat uitgaande van een permanent verblijf voor internationale werknemers geldt dat het huidige kantoorpand gelegen is op een bestaand bedrijventerrein (waarop bedrijven tot milieucategorie 3.1 kunnen vestigen). Het is voor bedrijven daarom mogelijk om binnen de bestemmingsplangrenzen te verplaatsen, vestigen of uit te breiden. De richtafstanden worden gemeten vanaf de grens van de bestemming van de milieubelastende activiteit tot de gevel van de milieugevoelige functie. Om de woningen heen is er wel een groene (bomen en planten) bufferzone gecreëerd.
De breedte van deze groene bufferzone bedraagt echter 13 m, terwijl de minimum richtafstand 30 m bedraagt voor de toegestane milieubelastende activiteit. Deze maatgevende richtafstand betreft het aspect geluid. Daarom is er akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de woningen in het plangebied. Dit onderzoek wordt in paragraaf 5.4 besproken. Uit het onderzoek blijkt dat na het toepassen van bouwkundige maatregelen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het woongebouw in het plangebied. Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Geluid
5.4.1
Regelgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor: het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, artikel 3.18 lid 1 Bkl). Geluidgevoelige gebouwen Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties.
30
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Geluidaandachtsgebieden In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel: Standaardwaarde (dB) (tabel 3.34 Bkl)
Grenswaarde (dB) (tabel 3.35 Bkl)
Provinciale wegen Rijkswegen
50 Lden
65 Lden
Gemeentewegen Waterschapswegen
53 Lden
70 Lden
Hoofdspoorwegen
55 Lden
70 Lden
Industrieterreinen
50 Lden
60 Lden
40 Lnight
50 Lnight
Geluidbronsoort
De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.
Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven. Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip: Aantal rijstroken
Maximum snelheid weg (km/u)
Breedte zone (m)
1 of 2
30 of minder
100
1 of 2
meer dan 30
200
3 of meer
350
Geluid door activiteiten Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Standaardwaarde toelaatbaar geluid op 07.00 - 19.00 uur een geluidgevoelig gebouw
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 7.00 uur
45 dB(A)
40 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
70 dB(A)
70 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
65 dB(A)
65 dB(A)
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
50 dB(A)
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.
De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en 07.00 - 19.00 uur aanpandige geluidgevoelige gebouwen
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 7.00 uur
30 dB(A)
25 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
55 dB(A)
55 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
45 dB(A)
45 dB(A)
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
5.4.2
35 dB(A)
Doorvertaling planvoornemen
Er is een geluidsonderzoek uitgevoerd naar de aspecten weg-, rail- en industrielawaai. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 3 bij de motivering gevoegd. Weg- en railverkeerslawaai Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege weg- en railverkeer niet voldoet aan de richtwaarde van 33 dB(A) voor het binnenniveau wanneer wordt uitgegaan van een gevelwering van 20 dB(A). Uitgaande van een gevelwering van 25 dB(A) kan wel worden voldaan. Industrielawaai (geluid door activiteiten) Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat wanneer gerekend wordt met de maximale invulling van het bestemmingsplan dit enkele knelpunten oplevert. Uit een schouwing en overleg ter plaatse bleek dat het rekenen op basis van de maximale invulling een overschatting oplevert.
32
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Het hek voor het terrein is gesloten in avond en nacht en er vinden dan geen activiteiten plaats. Er is in deze periode dus geen geluidsbelasting vanwege Merrem & la Porte, DYWIDAG en Baderie. Tevens zijn de piekgeluiden vanwege deze bedrijven in de dagperiode aangepast aan de werkelijk te verwachten geluidspieken. Een groot deel van de knelpunten komt hierdoor te vervallen. Er blijft een (kleine) overschrijding bestaan van de grenswaarden uit stap 3 uit de VNG handreiking, echter niet groter dan 2 dB. Aangezien het gaat om een tijdelijke opvang wordt deze overschrijding acceptabel geacht en omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Cumulatie Omdat er sprake is van een overschrijding van verhoogde geluidsbelastingen is het gecumuleerde geluidsniveau beschouwd. Hieruit blijkt dat de gecumuleerde geluidsbelasting van alle bedrijven, het wegverkeer en het railverkeer 57 tot 63 dB(A) bedraagt. Maatregelen Als gevolg van overschrijding van richtwaarden voor het binnenniveau ingevolge weg- en railverkeer kan niet worden voldaan zonder maatregelen. Een verhoging van de gevelwering naar 25 dB biedt een oplossing. Hierbij kan worden gedacht aan toepassing van gedempte roosters met muurdemper ter vervanging van de huidige beluchting. Het binnenniveau van alle geluidsbronnen gecumuleerd voldoet dan echter niet aan 33 dB.
Daarom is er aanvullend onderzoek uitgevoerd om te bepalen met weke maatregelen dit binnenniveau wel kan worden gewaarborgd en in hoeverre deze maatregelen kostenefficiënt zijn. De rapportage van dit aanvullende onderzoek is als bijlage 4 bij de motivering gevoegd. De vastgestelde geluidsbelasting bedraagt maximaal 59 dB ter plaatse van de kopgevel, en een gecumuleerde geluidsbelasting van maximaal 63 dB. De bijbehorende vereiste karakteristieke geluidswering van de gevels bedraagt GA;k = 26 dB bij de minimale variant of GA;k = 29 dB bij de optimale variant respectievelijk. Om de benodigde geluidswering te realiseren per verblijfsruimte om te voldoen aan de hoogste belasting van 59 dB zijn grofweg de volgende maatregelen nodig: suskasten met lichte demping. Bij het plaatsen van de suskasten is het ook nodig om het onderliggende glas te vervangen. Om de benodigde geluidswering te realiseren per verblijfsruimte om te voldoen aan de gecumuleerde geluidsbelasting van 62 dB zijn grofweg de volgende maatregelen nodig: suskasten met goede demping; verbeterde kierdichting. Om te controleren of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat is de geluidwering van de gevel GA met geluidmetingen bepaald (zie bijlage 5), na het introduceren van de suskasten. De meetresultaten tonen aan dat de aanwezige geluidwering binnen 1 dB van de streefwaarde ligt.
Een dergelijk klein verschil valt binnen de meetonnauwkeurigheid en is niet waarneembaar. Er is sprake van een acceptabel binnenniveau. Omdat in de tussentijd de Omgevingswet in werking is getreden (per 1 januari 2024) is er een aanvullende geluidsberekening uitgevoerd (zie bijlage 6) naar het gezamenlijk geluid. De hiervoor aangehaalde onderzoeken (zie bijlage 3, bijlage 4 en bijlage 5) zijn uitgevoerd onder de Wet geluidhinder. Het zuidelijk gelegen bouwdeel is bij het bepalen en controleren van de geluidswerende maatregelen buiten beschouwing gebleven. Naar aanleiding van het voornemen om op termijn internationale werknemers te huisvesten op de Veilingweg 2 is een omgevingsvergunningsaanvraag gedaan. In haar reactie geeft de Omgevingsdienst Rivierenland aan dat de geluidwering van de gevel beoordeeld zal worden op basis van de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet zal niet meer gekeken worden naar de gecumuleerde geluidsbelasting, maar naar het gezamenlijk geluid.
In voorliggende memo (zie bijlage 6) is het volgende onderzocht: Wat is het gezamenlijk geluid ter plaatse van de Veilingweg 2? Welke eis geldt voor de karakteristieke geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructie en is deze eis hoger dan de eis onder de oude regelgeving? Uit de resultaten blijkt dat, om aan de standaardeisen voor nieuwbouw te voldoen, de geluidwering van de gevel 4 dB hoger moet zijn dan in 2022 bepaald is. Dit zou betekenen dat er aanvullende maatregelen aan de gevel moeten worden uitgevoerd.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Een andere optie is het aanvragen van maatwerkvoorschriften voor de Veilingweg. In Artikel 5.23a van het Bbl is opgenomen dat de waarde voor het binnenniveau tot 5 dB in geval van functiewijziging versoepeld kan worden. Gezien de volgende argumenten achten wij het verlenen van maatwerk in deze situatie acceptabel: Het betreft een getransformeerd gebouw, waarvan de functie wordt gewijzigd. In 2022 zijn er al aanvullende maatregelen uitgevoerd bij identieke ruimten om het binnenniveau te verlagen. Naar aanleiding van de beoordeling van bijlage 3 t/m bijlage 6 door de Omgevingsdienst Rivierenland is er op 7 augustus 2024 een oplegnotitie opgesteld door de opsteller van deze onderzoeken. Deze notitie is als bijlage 7 bij de motivering gevoegd. "Onderzoek industrielawaai In december 2022 is door ons een akoestisch onderzoek uitgevoerd om het geluid vanwege onder andere de omliggende bedrijvigheid in beeld te brengen. Het betreft het volgende onderzoek in bijlage 3: Akoestisch onderzoek tijdelijke opvang vluchtelingen op het adres Veilingweg 2 te Zaltbommel, +P.HEY.22.01.1, 19 december 2022, revisie 1 De berekeningen zijn uitgevoerd voor het gehele pand, dus zowel het noordelijk als het zuidelijk deel. Uit de resultaten blijkt dat er een beperkte overschrijding is van de grenswaarden uit stap 3 uit de VNG handreiking van maximaal 2 dB.
Overschrijdingen vinden alleen plaats in de dagperiode en zijn gebaseerd op een worst case situatie. Omdat het huisvesting van internationale werknemers betreft (met een hogere doorstroom dan normale woningen) wordt deze overschrijding als acceptabel gezien. Daarnaast worden aanvullende maatregelen uitgevoerd aan de gevelwering. Onderzoek geluidwering gevel Voor het noordelijke bouwdeel is in het verleden onderzocht welke geluidswerende maatregelen in de gevel benodigd zijn. Deze zijn samengevat in ons rapport met kenmerk M+P.HEY.22.01.2 d.d. 22 december 2022 in bijlage 4. Na het treffen van de maatregelen is met geluidsmetingen geverifieerd dat aan de eisen werd voldaan, zie onze memo met kenmerk M+P.HEY.22.01A.1 d.d. 7 september 2023 in bijlage 5. Sinds het treffen van de maatregelen in het noordelijke bouwdeel is de Omgevingswet in werking getreden. Dat houdt in dat nieuwe vergunningsaanvragen getoetst moeten worden aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Conform het Bbl wordt de benodigde geluidswering van de gevel bepaald op basis van het gezamenlijk geluid. Dat houdt in dat alle bronnen gelijktijdig beoordeeld worden, terwijl voorheen per bron getoetst werd. In sommige gevallen leidt dit tot een toename van de te beoordelen geluidbelasting, zoals samengevat in onze memo met kenmerk M+P.BIJ-24219.1 d.d. 3 april 2024, zie bijlage 6.
De toename bedraagt ten hoogste 4 dB. Uit Bbl artikel 5.23 lid 1 en 3 volgt dat de geluidswering van de gevel bij wijziging van een gebruiksfunctie met een duur van minimaal 10 jaar ten minste gelijk moet zijn aan het gezamenlijk geluid verminderd met 33 dB. Uit artikel 5.23a volgt dat een maximaal 5 dB minder strenge eis vergund kan worden via maatwerk. Kort gezegd geldt het volgende: Door beoordeling op basis van gezamenlijk geluid neemt de benodigde geluidswering met ten hoogste 4 dB toe. Door het vergunnen van maatwerk kan de eis in deze situatie met ten hoogste 5 dB worden versoepeld. Inhoudelijk bestaat er geen verschil tussen het noordelijke en het zuidelijke bouwdeel. De gevelopbouw is gelijk en ook de achterliggende verblijfsruimten zijn gelijk. De geluidswering van het noordelijke bouwdeel werd voldoende geacht om een goede ruimtelijke ordening te realiseren. Het toepassen van dezelfde maatregelen zal daarom ook in het zuidelijk bouwdeel leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wij adviseren daarom om op grond van artikel 5.23a van het Bbl 4 dB maatwerk te verlenen, mits de gevelmaatregelen die het noordelijke bouwdeel zijn toegepast ook in het zuidelijke deel worden toegepast." De initiatiefnemer past in het zuidelijke bouwdeel dezelfde geluidswerende gevelmaatregelen toe als eerder in het noordelijk bouwdeel zijn toegepast.
Daarmee is qua geluid sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied.
34
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Regelgeving
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO 2. 5.5.2
Doorvertaling planvoornemen
Het plangebied is niet gelegen in of nabij één van de aandachtsgebieden uit artikel 5.51, lid 2 Bkl. Bovendien geldt dat de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van 150 opvangplekken voor internationale werknemers mogelijk. In subparagraaf 5.1.1 is de toename van het aantal voertuigbewegingen bepaald. Uit de NIBM-tool (versie 24 april 2024) blijkt dat inderdaad sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit:
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Bestaande luchtkwaliteit Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2023 (monitoringsronde 2024) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 27364178_761 op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de rijksweg A2, niet worden overschreden. De waardes bedragen 20,4 µg/m3 voor NO2, 16,7 µg/m3 voor PM10 en 9,2 µg/m3 voor PM2,5. Het plan voegt daar ook geen in betekenende mate verslechtering aan toe. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 µg/m³ mag maximaal 35 keer per jaar overschreden worden. Uit het CIMLK blijkt dat in 2023 het totaal aantal overschrijdingsdagen 6 bedraagt, waarmee ruimschoots aan de daggemiddelde grenswaarde wordt voldaan. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Geur
5.6.1
Regelgeving
Het Bkl bevat een instructieregel dat zorg gedragen moet worden dat geur veroorzaakt door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Geurgevoelige gebouwen De volgende gebouwen worden als 'geurgevoelige gebouwen' aangemerkt: gebouwen met een woonfunctie; gebouwen met een onderwijsfunctie; gebouwen met een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied); gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang (met bedgebied). Geurveroorzakende activiteiten Voor 'geurveroorzakende activiteiten' wordt onderscheid gemaakt in: het houden van landbouwhuisdieren; andere agrarische activiteiten; zuiveringstechnische werken; overige bronnen van geurhinder (vaak betiteld als industriële geurhinder). 5.6.2
Doorvertaling planvoornemen
Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving van het plangebied, met een geurcontour die (deels) over het plangebied ligt. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Wat betreft niet-agrarische bedrijven is het meest nabij gelegen bedrijf dat geur produceert Van Osch Snacks aan de Veilingweg 3, aan de oostzijde van deze weg, tegenover het plangebied. In het verleden zijn er met enige regelmaat klachten geweest over geuroverlast. Dat heeft dan te maken met het vervangen van de filters in de de-odorisatieunit. De afstand van het emissiepunt op het perceel Veilingweg 3 tot het om te vormen kantoorgebouw op Veilingweg 2 is echter meer dan 50 m. Daarmee wordt aan de richtafstand van 30 m in gemengd gebied voldaan. In theorie kan bij een maximale invulling van de bedrijfsactiviteiten op Veilingweg 3 het emissiepunt dichterbij komen, maar in alle gevallen wordt de benodigde 30 m gehaald tussen de gevel van het woongebouw in het plangebied en het bouwvlak van het bedrijf aan de overzijde van de Veilingweg. Conclusie Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
36
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
5.7
Omgevingsveiligheid
5.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in: zeer kwetsbare gebouwen kwetsbare gebouwen en locaties beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De categorieën kwetsbare gebouwen en locaties zijn aangewezen in bijlage VI Bkl. Plaatsgebonden risico Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling (dus vergunning) mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico: aandachtsgebieden Het Bkl introduceert zogenaamde 'aandachtsgebieden' rond risicobronnen.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Deze aandachtsgebieden zijn er voor brand (BAG), explosie (EAG) en gifwolk (GAG) en zijn zichtbaar in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen de aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Een (deel van een) aandachtsgebied kan in het omgevingsplan worden aangewezen als voorschriftengebied.
Binnen een dergelijk gebied gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aanvullende bouwvoorschriften (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl voor het verbeteren van de veiligheid) voor de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw (en dus niet voor bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen. Er geldt een plicht (artikel 5.14 Bkl) tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten. 5.7.2
Doorvertaling planvoornemen
Binnen en nabij de beoogde opvanglocatie ligt 1 risicobron, waar rekening mee moet worden gehouden bij het verlenen van de omgevingsvergunning: Spoorlijn Utrecht - 's-Hertogenbosch, transportroute (basisnet) van gevaarlijke stoffen over het spoor. Het besluitgebied ligt buiten de aandachtsgebieden van het bedrijf Sachem en de rijksweg A2, zodat deze risicobronnen niet relevant zijn. Spoorlijn Voor basisnetroutes (Bkl bijlage VII, C) zijn zowel een BAG als een EAG van toepassing. Een BAG bedraagt 30 m aan weerszijden van een basisnetroute, een EAG bedraagt 200 m aan weerszijden van een basisnetroute. Voor basisnetroutes geldt vooralsnog geen GAG. Naar verwachting gaat per 1 januari 2026 een GAG voor transportroutes gelden. Daarom wordt op de Pav-kaarten (Portaal Atlas Veiligheid) hiervoor alvast een afstand van 300 m weergegeven.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Het zuidwestelijke deel van het voormalige kantoorgebouw ligt binnen het EAG van deze spoorlijn. De planontwikkeling betreft een interne verbouwing waarbij het bestaande kantoorpand verbouwd wordt naar een opvanglocatie voor Oekraïense vluchtelingen. Woningen worden conform Bkl bijlage VI aangeduid als 'kwetsbaar gebouw'. Plaatsgebonden risico In bijlage II van de regeling Basisnet zijn voor spoorwegen behorende tot het Basisnet afstanden vastgelegd voor het zogeheten PR-plafond (de plaatsgebonden risicocontour 10-6 ) Voor dit spoor is de afstand gelijk aan 0 m. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van het spoor niet meer mag bedragen dan 10 -6 per jaar. Het besluitgebied ligt op circa 185 m van het spoor. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Aandachtsgebieden In het geval van basisnetroutes kunnen zowel het BAG als het EAG van toepassing zijn. Er geldt vooralsnog geen GAG. Het besluitgebied ligt op circa 185 m van het spoor en daarmee buiten het BAG, maar wel binnen het, EAG en het toekomstig GAG. Conform artikel 5.15 van het Bkl moet daarom rekening worden gehouden met de kans op het overlijden van 10 of meer personen in het geval van een incident (het groepsrisico).
Wanneer de planontwikkeling een ‘kwetsbaar gebouw’ betreft, is het aanwijzen van een brand- of explosievoorschriftengebied niet verplicht. Groepsrisico In een omgevingsplan of BOPA wordt voor beperkt en (zeer) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied rekening gehouden met het groepsrisico (Bkl, artikel 5.15 lid 2 onder b). Hieraan wordt voldaan als gewaarborgd is dat: 1. Maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties, of 2. Het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is. Voor het rekening houden met het groepsrisico kunnen diverse maatregelen ingezet worden om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden, de zogenaamde gereedschapskist (iplo.nl). Deze bestaat uit de volgende maatregelen: Afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied. Aanvullende risicocommunicatie. Beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron. Vlucht- en schuilmogelijkheden. Omgevingsmaatregelen. Aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Geconstateerd is dat het besluitgebied binnen het EAG en het toekomstig GAG van de spoorlijn ligt.
Voor de aanwezige personen in het pand moet daarom beoordeeld worden of in geval van een incident met giftige en/ of brandbare vloeistoffen of gassen zij voldoende beschermd zijn tegen de effecten van een (plas)brand, explosie en gifwolk. Maatregelen Een aantal maatregelen uit de hierboven genoemde gereedschapskist worden hier besproken. Afstand houden tot de risicobron Aangezien de opvanglocatie in het besluitgebied een bestaand gebouw betreft, is het op deze locatie niet mogelijk een grotere afstand tot de risicobron te realiseren. Het gebouw ligt op circa 185 m van het spoor en wordt daarnaast van het spoor afgeschermd door een groot tussenliggend bedrijfsgebouw.
38
Aanvullende risicocommunicatie Informatiebrochures omtrent handelingsperspectief en vluchtwegen in geval van calamiteit op het spoor kunnen aan de bewoners worden verstrekt. De informatie moet toegespitst zijn op de verschillende effecten en handelingsperspectieven van brand, explosie en gifwolk. Deze maatregel geldt niet enkel voor het besluitgebied, maar ook voor de bestaande bebouwing in de omgeving.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Beperken personendichtheden Door de transformatie van kantoor naar een opvanglocatie zal het aantal personen in het besluitgebied toenemen. Dit is inherent aan de wens om het hele voormalige kantoorgebouw in gebruik te nemen als opvanglocatie.
Omgevingsmaatregelen Afhankelijk van de ongevalslocatie op het spoor kan het tussenliggende bedrijfsgebouw bescherming bieden aan de toekomstige opvanglocatie. Dit bedrijfsgebouw is circa 7 m hoog en kan de hitte van een (plas)brand opvangen, alsmede de klap van een explosie wanneer het ongeval ten westen van het besluitgebied plaatsvindt waardoor het bedrijfsgebouw bescherming kan bieden aan de aanwezigen (handelingsperspectief schuilen).
Vlucht- en schuilmogelijkheden EAG Alvorens wordt ingegaan op de vlucht- en schuilmogelijkheden wordt kort uiteengezet welke scenario’s een rol spelen in het brand- en explosieaandachtsgebied van een spoor. Het scenario plasbrand ontstaat doordat de ketel van de ketelwagen openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. In korte tijd ontstaat een plas van brandbare vloeistof, bijvoorbeeld benzine. Ontsteking van de plas leidt tot een korte hevige brand met als effect warmtestraling. Het handelingsperspectief is binnen blijven en schuilen. Als secundaire branden optreden is het handelingsperspectief schuilen aan de schaduwzijde van het gebouw. Bij een BLEVE-scenario (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion) ontstaat een vuurbal door de explosieve verbranding van vrijgekomen brandbaar gas. De effecten die daarbij optreden zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. De 100%-letaliteitscontour van dit scenario bedraagt 100 m. In het algemeen geldt dat gebouwen buiten deze contour in geval van een BLEVE bescherming kunnen bieden aan personen die zich in de gebouwen bevinden, mits het gebouw niet in brand staat. Het besluitgebied ligt op circa 185 m van het spoor en daarmee buiten deze contour. Daarmee biedt de opvanglocatie wel bescherming en is het handelingsperspectief schuilen. Bij de beschouwing van te nemen maatregelen kan het kans-aspect meegenomen worden.
Het hier beschouwde spoordeel heeft geen PR10-6 /jaar-contour. In dit kader wordt voldaan aan het basisbeschermingsniveau. De kans op een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers kan berekend worden met behulp van het rekenprogramma voor transportroutes (Min. I&W, RBM II v2.3). De resultaten van een groepsrisicoberekening kunnen gebruikt worden ter onderbouwing van eventueel te treffen maatregelen. In de omgeving van het besluitgebied is voldoende gelegenheid om effectief te vluchten van het spoor af, mocht dit noodzakelijk zijn. Vluchten kan via de Veilingweg en de Van HeemstrawegOost in oostelijke richting. Zelfredzame personen zijn in staat om in geval van calamiteit van de risicobron af te vluchten.
Vlucht- en schuilmogelijkheden GAG In geval van een calamiteit met giftige stoffen moet de afsluitbare ventilatie stopgezet worden (indien aanwezig) en ramen en deuren gesloten te worden. Personen die zich buiten bevinden moeten naar binnen gaan. Zelfredzame bewoners zijn in staat om te vluchten (haaks op de wind) of te schuilen (ramen en deuren sluiten).
Aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied De bouweisen die volgen uit het aanwijzen van een voorschriftengebied gelden enkel voor (vervangende) nieuwbouw en niet voor bestaande bouw (zie Bbl artikel 4.1). Naast artikel 5.15 moet ook invulling worden gegeven aan artikel 5.2 van het Bkl. Dit artikel schrijft voor dat in een omgevingsplan of BOPA rekening gehouden wordt met het belang van: 1°. het voorkomen, beperken en bestrijden van branden, rampen en crises; 2°. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en 3°. de geneeskundige hulpverlening aan personen. Het bestuur van de veiligheidsregio kan hierover advies geven (artikel 10 Wet veiligheidsregio’s).
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Conclusie Het aspect 'omgevingsveiligheid' vormt, met de installatie van een centraal afschakelbare mechanische ventilatievoorziening, geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Water
5.8.1
Regelgeving
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2022 - 2027, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022 - 2027, Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.
In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed.
Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:
40
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.
Volgens de 'beleidsregels bij de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden. Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt. 5.8.2
Doorvertaling planvoornemen
Er is een digitale watertoets uitgevoerd via www.hetwateradvies.nl (zie bijlage 8). Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat geen invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming kan volgens het waterschap worden volstaan met dit automatisch gegeneerd wateradvies (= geen belang procedure). Bodemopbouw Uit het bodemonderzoek (zie bijlage 2, blijkt dat de bodem onder de verhardingslagen tot 0,65 à 1,35 m -mv uit zand bestaat (geroerde laag). Hierbij wordt lokaal tot circa 0,5 m -mv. een funderingslaag bestaande uit puin of granulaat aangetroffen. Vervolgens bestaat de bodem tot de maximaal geboorde diepte van 3,0 m -mv uit klei met lokaal een lensje veen. Oppervlaktewater Er is geen oppervlaktewater aanwezig in het plangebied. Direct aangrenzend aan het plangebied liggen aan de noord- en oostzijde sloten, die door het waterschap aangemerkt worden als Cwatergangen. Grondwater Uit het verkennend bodemonderzoek (zie bijlage 2) volgt dat de grondwaterstand zich op circa 0,4 à 0,7 m -mv bevindt. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Hemelwater De beoogde ontwikkeling betreft functieverandering van bestaande bebouwing, waarbij de hele buitenruimte in het plangebied in de bestaande situatie verhard is.
In de toekomstige situatie neemt de hoeveelheid verhard oppervlak af omdat aan de achterzijde van het woongebouw een representatieve buitenruimte met groenvoorzieningen wordt gerealiseerd (zie paragraaf 2.2 voor het inrichtingsplan). Het beleid en de regelgeving van het waterschap zijn gericht op hydrologisch neutraal bouwen. Op basis van het waterschapsbeleid is geen extra waterberging noodzakelijk. Afvalwater Vuilwater afkomstig van de wooneenheden wordt verwerkt via het gemengde rioolstelsel van de gemeente in de Veilingweg en/of de Van Heemstraweg-Oost. Omdat het een bestaand kantoorgebouw betreft met toiletvoorzieningen betreft, is dit qua capaciteit geen probleem. Conclusie Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
5.9
Natuur
5.9.1
Regelgeving
Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow). Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn.
Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten. Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Gebiedsbescherming Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Stikstofdepositie Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).
42
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
5.9.2
Doorvertaling planvoornemen
Soortenbescherming Quickscan Wet natuurbescherming Ter plaatse van het plangebied is een quickscan Natuur uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 9 bij de motivering gevoegd. Soortenbescherming Het plangebied heeft mogelijke betekenis voor beschermde soorten. Echter is de beoogde ingreep beperkt tot inpandige ontwikkelingen waarbij geen negatieve effecten ontstaan ten aanzien van beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten die niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen: Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen.
Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig het plangebied te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', circa 1,0 km ten noorden van het plangebied. Vanwege de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, worden geen significante nadelige effecten, als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke, op de aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied verwacht. Voor deze storingsfactoren is daarom geen verdere toetsing aan de natuurwetgeving nodig. Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 10 bij de motivering gevoegd.
In het stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van de ontwikkeling in het plangebied de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. Conclusie Het aspect 'natuur' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
43
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
5.10
Cultureel Erfgoed
5.10.1 Regelgeving Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen. Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Voor onderhavige procedure is artikel 5.130 uit het Bkl van toepassing door de lusbepaling in artikel 8.0b van het Bkl.
5.10.2 Doorvertaling planvoornemen Archeologie Er is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 11 bij de motivering gevoegd. Het plangebied bevindt zich in een gebied waar meanderende rivieren de ondergrond hebben gevormd. De stroomruggen die hierdoor ontstonden waren aantrekkelijke locaties voor bewoning, zoals bewezen is door de aanwezigheid van de Romeinse vindplaats de Wildeman op enkele honderden meters van het plangebied. Deze bevindt zich op de Oensel stroomgordel, die niet aanwezig is in het plangebied. In het plangebied is de stroomgordel van Brakel aanwezig. Hierop geldt een middelhoge archeologische verwachting op sporen en resten uit het vroeg neolithicum tot en met de bronstijd. Deze wordt verwacht op circa op 0,0 tot 2,1 m -NAP (3,0 tot 5,1 m -mv). In het plangebied heeft in de 20e eeuw meermaals bebouwing en sloop van bebouwing plaatsgevonden. Dit kan hebben geleid tot verstoring van de bodem. (Selectie)advies Er geldt een middelhoge verwachting op sporen en resten uit het vroeg neolithicum tot en met de bronstijd. Naar verwachting ligt de stroomgordel op 3,0 tot 5,1 m -mv. De verwachte werkzaamheden zullen niet lager dan 1,0 m -mv liggen. Hierdoor wordt niet verwacht dat een potentieel archeologisch niveau wordt verstoord.
Daarnaast wordt er verwacht dat de bovengrond verstoord is door de meerdere fasen van bebouwing in de 20e eeuw. Het onderzoeksburo heeft daarom geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden, mits deze niet dieper reiken dan 2,5 m -mv (er wordt een buffer van 0,5 m in acht genomen). Selectiebesluit Op 26 februari 2024 heeft het bevoegd (in casu de regioarcheoloog namens de gemeente Zaltbommel) aangegeven akkoord te zijn met de resultaten en conclusies van dit onderzoek. Het besluit is genomen het selectieadvies uit het rapport (de aanbevelingen) in zijn geheel over te nemen. Ten aanzien van archeologie zijn er derhalve geen belemmeringen meer voor de uitvoering van de voorgenomen plannen. De meldingsplicht archeologische toevalsvondst (artikel 5.10 Erfgoedwet) en het doen van waarnemingen (artikel 5.11 Erfgoedwet) blijven echter te allen tijde van kracht.
44
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Cultuurhistorie Menselijke ingrepen hebben voor kenmerkende en waardevolle cultuurhistorische waarden gezorgd. In de gemeente Zaltbommel zijn waardevolle elementen aanwezig die een natuurlijke geschiedenis hebben en die een door de mens gevormde geschiedenis hebben. De gemeente Zaltbommel heeft een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd naar zowel waardevolle structuren, gebieden en dorpsgezichten als afzonderlijke elementen. Dat heeft geresulteerd in een inventarisatiekaart die de gemeenteraad op 7 juli 2011 heeft vastgesteld. Uit raadpleging van de kaart blijkt dat zowel in als in de directe nabijheid van het plangebied geen waardevolle cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11
Kabels en leidingen
5.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 5.11.2 Doorvertaling planvoornemen In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, waarmee bij de beoogde ontwikkeling rekening gehouden moet worden. Het aspect 'kabels en leidingen' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12
Ladder voor duurzame verstedelijking
5.12.1 Regelgeving De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) bepaalt dat voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Het doel van deze regel is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering van stedelijke ontwikkelingen en het voorkomen van overprogrammering hiervan. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, moet worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2" (ontwerp)
45
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Zaltbommel, Veilingweg 2
Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel-voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 bruto vloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 5.12.2 Doorvertaling planvoornemen Met de voorgenomen plannen wordt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt, omdat er sprake is van een functiewijziging binnen een bestaand kantoorgebouw op een bedrijventerrein in stedelijk gebied waarbij er geen extra ruimtebeslag aan de orde is. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling en zal hiervoor geen belemmering vormen.
Los hiervan is er grote behoefte aan geconcentreerde huisvesting (= grootschalige locaties) voor internationale werknemers en past het woongebouw voor de huisvesting van internationale werknemers binnen de relevante ruimtelijke beleidskaders van de verschillende overheidslagen (zie hoofdstuk 4).
5.13
Gezondheid
5.13.1 Regelgeving Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet moet dit aspect breed worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet (zoals duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu) breed worden gemotiveerd en toegelicht en aangegeven hoe de voor de beoogde ontwikkeling relevante aspecten zich verhouden tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moet worden beargumenteerd dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert.